Page 1


[01r]

Hier beghint een seer ghenoechlike ende amoroeze historie vanden eedelen Lantsloet. ende die scone Sandrijn.

Hier begint een zeer onderhoudend en amoureus verhaal over de edele Lantsloet en de mooie Sandrijn. [1

1

Onder de tekst staat een tekening met Lantsloet links van een

boom met bloesem en Sandrijn rechts van de boom.


[02r]

Lantsloet Ay god here hoe mach dat sijn Dat ic die scone sandrijn Aldus int herte heb beseten Ende mi soe sere wort verweten Van mijnre moeder alle daghe Dat ic mijn minne soe neder draghe Des hoer ic soe menich spitich woert Mer haer minne heeft so seer doorboert Mijn herte dat icse niet ghelaten en can Ick moet haer spreken altoes an Alo1 icse mit oghen aenscouwe Des soe heeft mijn moeder groten rouwe Ic wil wachten die ioncfrou mijn Want si is eedel ende fijn Ende si sal hier comen saen Na dat si mi heeft doen verstaen Onder desen eghelentyer Daer soe sal si comen schyer Dat weet ic wel in desen boemgaert Sandrijn Ay eedel ridder van hogher aert God die alle dinc vermach Die moet v gheuen goeden dach Eedel ridder van herten vri Lantsloet O schone maghet god sy v bi Ende moet v ende mi bewaren Ende altoes van quaden sparen

1

[Alo] lees [Als]

Lantsloet Ach here God, hoe kan het zijn dat ik de mooie Sandrijn zo in mijn hart heb gesloten en dat mij zo erg wordt verweten, door mijn moeder elke dag, dat ik iemand bemin van zo’n lage afkomst. Daarover hoor ik zo vele kwetsende woorden. Maar haar liefde heeft mijn hart zo zeer doorboord dat ik haar niet los kan laten. Ik moet haar altijd aanspreken als ik haar met eigen ogen zie. Daarover heeft mijn moeder veel verdriet. Ik wil wachten op mijn jonkvrouw want zij is edel en mooi en zij zal hier dadelijk komen zoals zij mij heeft doen begrijpen. Onder deze egelantier zal zij weldra komen, in deze boomgaard, dat weet ik zeker. Sandrijn O edele ridder van hoge afkomst, God die almachtig is, die moge u een goede dag geven, voorname ridder met een edel hart. Lantsloet O mooie jongedame, moge God met u zijn, en u en mij behoeden en steeds het kwaad besparen,


[02v]

Sonderlinghe van nyders tonghen Als dat niet en wort ghesonghen Van ons beyden enich quaet O sandrijn nv gheuet mi raet Want mijn hert is mi te mael onstelt1 Ende van uwer minnen ghequelt Dattet mi costen sal mijn lijf O sandrijn wel scone wijf En mach ic v niet gheweldich sijn Het sal mi costen dat leuen mijn Ende eewelic blijf ic verloren Sandrijn O eedel ridder hoech gheboren Dat en mach v nemmermeer gheschien Heer lantsloet al ist dat ic v ghaerne sye Ic en ben niet uwes ghelycke Ghi sijt mi te hoech gheboren en te rijcke Ende te neder ben ic te sijn v wijf Daer om soe moetet sijn een blijf Ende ic en wil sijn gheen mans vriendinne Al ist dat ic v mit herten minne Al waer di coninc ende crone spyent Soe en mochtet so niet wesen verdient Dat ic tot enich man wil staen Lantsloet O schone maghet wel ghedaen Al dedi oec die wille mijn Weet wtuercoren sandrijn Ten bleef v onuergouwen niet

vooral tegen praatjes van kwaadsprekers, zodat er geen kwaad wordt rondverteld over ons beiden. O Sandrijn, geef mij nu raad, want mijn hart is zo erg van slag en door liefde voor u gekweld dat ik eraan zal sterven. O Sandrijn, zeer mooie vrouw, als ik u niet kan krijgen zal ik mijn leven verliezen en voor eeuwig verloren zijn. Sandrijn O edele hooggeboren ridder, moge u dat nimmer overkomen. Heer Lantsloet, ook al mag ik u graag ik ben niet van uw stand. U bent van te hoge afkomst en te rijk en ik ben te eenvoudig om uw vrouw te zijn. Daarom moet het ophouden. En ik wil niemands liefje zijn, ook al houd ik van u met heel mijn hart. Al was u een koning en droeg u een kroon2 dan nog zou ik het niet verdienen dat ik mij aan een man zou overgeven. Lantsloet O mooie jongedame, als u ook mijn wil deed, weet, uitverkoren Sandrijn, dat het niet onbeloond zou blijven

2

1

[onstelt] lees [ontstelt]

In het Middelnederlands is de verl. tijd van ‘spannen’ (in de uitdrukking ‘crone spannen’) meestal ‘spien’. Van die verl. tijd is ‘spyent’ de tweede persoon meerv., afhankelijk van ‘waer di’ (= waert gi).


[03r]

Want misselike dinghen sijn ghescyet Ghi moecht noch worden mijn vrouwe Sijt mijns ghenadich ende ghetrouwe Ende comt mit mi in dit casteel Ic wil v gheuen een iuweel Ic waen ghi nye des ghelijc en saecht Coemt mit mi wel scone maecht Sandrijn [1 Ay des danck ic god vanden troen Al woudet ghi mi gheuen te loen Wel dusent merck van goude root Hoech gheboren wel edel ghenoot Nochtans soe woudic houden mijn eer Lansloet hoech gheboren heer Al en ben ic niet rijc van hauen Nochtan ben ic van groten maghen Nochtan meen ick mi alsoe te houden Dat ic niet en sal worden ghscouden2 Ic en wil niet wesen gheens mans vriendinne Mer ic wil gaerne gerechte minne Draghen sonder dorper mnine3 in dien Lantsloet O sandrijn bider maghet marien Dorperheyt en legghe ic v niet te voren Want daer en is gheen wijf gheboren Beneden onder des hemels troen Soe rijc soe machtich noch soe schoon Die mi verhoghen mach dan ghi O sandrijn wildi nv mi Laten in dit verdriet ende kermen

1

In het Hulthemse hs. luidt dit vers: ‘Neen, edel here, noch benic maeght,’ uitgesproken door Sandrijn. Dit is zeker de juiste lezing, want (1) iedere nieuwe spreker rijmt op de vorige; (2) zo krijgt dit vers betekenis, terwijl het bij Van Ghemen in de lucht hangt. 2 [ghscouden] lees [ghescouden] 3 [mnine] lees [minne]

want allerlei dingen zijn geschied. Toch kunt u wel mijn vrouw worden. Wees mij genadig en trouw en ga met mij dit kasteel binnen. Ik wil u een juweel geven. Ik denk dat u er zo een nog nooit gezien hebt. Kom met mij mee, mooie jongedame. Sandrijn Ach, daarvoor prijs ik God in de hemel. Ook al zou u mij als beloning geven zeker duizend mark van rood goud, hooggeboren weledele heer, toch wil ik mijn eer bewaren, Lantsloet, hooggeboren heer. Ook al heb ik niet veel bezittingen toch ben ik van voorname afkomst. Toch vind ik dat ik mij zo moet gedragen dat ik niet zal worden bespot. Ik wil niet zomaar iemands liefje zijn, maar ik wil graag in ere lief hebben zonder onfatsoen daarbij. Lantsloet O Sandrijn, bij de maagd Maria, ik doe u geen onfatsoenlijk voorstel, want er is nooit een vrouw geboren hier beneden op aarde, zo rijk, zo krachtig, noch zo mooi, die mij gelukkiger maakt dan u. O Sandrijn, wilt u me dan nu verdrietig en klagend achterlaten


[03v]

Ende en sal v mijns niet ontfermen Dat ic troest van v mocht ontfaen Ende ghi mit mi woudt spelen gaen Hier neder in dat groene dal Daer die voghelkyns maken ghescal Ende die bloemkijns staen int groen Scone maghet al sonder misdoen Ende oec al sonder dorperheyt Sandrijn Lantsloet heer tis dic gheseyt Bi licht te1 gheloeuen is menich bedroghen Dats seker waer ende niet gheloghen Want het is menichwerf ghesien Vanden menighen ende oeck ghescien Om dat si die mans te wel betrouwen Dat hem namaels seer doet rouwen Als die dinghen waren ghesciet Ic en weten opter eerden niet Die ic soe verre betrouwen soude Ghinc ic mit hem spelen inden woude Hi soude doen mit mi sijn gherief Lantsloet Daer toe soe heb ic v te lief Sandrijn wel scone wijf Dat ic ontreynen soude v lijf Wel scone maghet al hadic die macht Alsoe en was ic nye bedacht Dat ic v doen soude enich scande Al hadic v binnen mijnen lande Sandrijn wel wtuercoren herte fier

1

[licht te] lees [lichte]

en zult u met mij geen medelijden hebben zodat ik door u getroost word? En zou u niet met mij willen minnekozen hier beneden in het groene dal waar de vogeltjes kwetteren en de bloempjes bloeien in het gras, mooie jongedame, zonder verkeerd te doen en ook zonder onfatsoen? Sandrijn Lantsloet, heer, het is vaak gezegd: door lichtgelovigheid worden velen bedrogen. Dat is zeker waar, want het is vaak door velen gezien en ook gebeurd, omdat vrouwen mannen te makkelijk vertrouwen, waar ze later zeer veel spijt van krijgen als de dingen zijn gebeurd. Ik ken niemand op de wereld die ik zozeer zou vertrouwen dat ik met hem in het bos zou minnekozen: hij zou zijn lusten op mij botvieren. Lantsloet Daarvoor heb ik u veel te lief, Sandrijn, zeer mooie vrouw, om u zo te onteren. Heel mooie jongedame, zelfs al was ik bij machte, dan zou ik er nooit aan denken u enige schande te berokkenen zelfs al viel u onder mijn zeggenschap, Sandrijn, hooggeschatte edele geliefde.


[04r]

Sandrijn Heer lansloet wi syn te langhe hier Ons mochte yemant horen of sien Die nyders sijn altijt wt om te verspien Of sy yemant te scande mochten brenghen Een verrader hadde lieuer quaet te singhen Dan goet want het is sijn natuer Wi willen sceyden tot deser wr Dat hem nyemant an ons en stoet Hoech gheboren wel eedel ghenoot God onse heer moet v bewaren Ende altoes in doechden sparen Werwaerts dat ghi v henen keert Lantsloet Och lacy nv blijft mijn heert1 beseert Van die scone sandrijn Si en wil niet doen die wille mijn Des moet ic droeuen alle mijn daghe Want wat ic kerme of wat ic claghe Si en wil niet mit mi gaen int wout Si mint hoer eer voer enich gout Dat hoer ic wel aen haer ghelaet Want si leyt eenen reynen staet Ende haer hert is soe ryael Bij mijnre ridderscap ic wilde wael Dat si gheboren waer mijns ghelijke Al en waer si van hauen niet soe rijke Ick soudse maken mijn wijf Si heeft een soe reynen lijf Ende hoer hert is so vol eeren

1

[heert] lees [hert]

Sandrijn Heer Lantsloet, wij zijn hier al te lang. Iemand zou ons hier kunnen horen of zien. De afgunstigen liggen altijd op de loer of zij iemand te schande zouden kunnen maken. Een verklikker spreekt liever kwade woorden dan goede, want het ligt in zijn aard. Wij moeten nu uiteengaan opdat iemand aanstoot aan ons neemt, hooggeboren weledele heer. God onze heer moge u behoeden en altijd een deugdzaam leven geven waar u ook naartoe gaat. Lantsloet Och helaas, nu blijft mijn hart treuren om de mooie Sandrijn. Zij wil niet doen wat ik begeer, Daarover zal ik altijd blijven treuren, want wat ik ook weeklaag zij wil niet met mij het bos in. Haar eer is haar meer waard dan goud, Dat kan ik wel aan haar houding zien want zij leidt een zuiver leven en haar hart is zeer rechtschapen. Bij mijn ridderschap, ik zou graag willen dat zij als mijn gelijke was geboren. Al zou zij dan niet zoveel bezitten, ik zou haar toch tot mijn vrouw maken. Zij heeft een zo zuiver lichaam en haar hart is zo eerzaam.


[04v]]

Si en wil hoer tot mij niet keren Des lijt mijn herte rouwe groot Lantsloets moeder o1 Van denemercken lantsloet Ick heb v wel horen vryen Het gheuet mij wonder bouen maten Dat ghi v aldus qualic gaet saten Ende legghet v minne op sandrijn Des heb ic rouwe int herte mijn Dat ghi mint soe neder een wijf Lantsloet Och moeder si heeft so reyn een lijf Ende hoer herte is soe pynoes Ende si is van liue soe gracioes Dat ic haer ymmer minnen moet Mijn hert dat bernt mi ende mijn bloet Als icse mit oghen aenscouwe Lieue moeder lieue vrouwe Ic moetse minnen wat mijns ghesciet Die moeder O lantsloet ic wil dat ghi v bat besiet Eer ghi v soudt verhanghen an sandrijn Ic segghe bider trouwen mijn Dat en sal nemmermeer ghebueren Al soudicse mit mijnen tanden scueren En denct ghi niet waen ghi syt gheboren Mijn lieue sone mijn wtuercoren Wilt doch minnen uwes ghelijck Lantsloet Ic en weet gheen wijf in kerstenrijck

Zij wil zich niet aan mij overgeven. Daarover ben ik zeer bedroefd. De moeder van Lantsloet O Lantsloet van Denemarken, ik heb u wel het hof horen maken. Het verwondert mij buitengewoon dat gij u zo slecht gaat gedragen en uw liefde op Sandrijn richt. Daarover ben ik bedroefd dat u een vrouw van ver beneden uw stand bemint. Lantsloet Och moeder, ze heeft zo’n zuiver lichaam en haar hart is zo fijngevoelig2 en haar gestalte is zo gracieus dat ik haar wel moet beminnen. Mijn hart en bloed staan in vuur en vlam wanneer ik haar zie. Lieve moeder, lieve vrouwe, ik moet haar beminnen, wat ook met mij gebeurt. De moeder O Lantsloet, ik wil dat u zich beter in acht neemt voordat u zich vergooit aan Sandrijn. Ik zeg u, op mijn woord: dat zal nimmer gebeuren, al moest ik haar met mijn tanden verscheuren. Denkt u niet na over wat uw afkomst is, mijn lieve zoon, mijn uitverkorene? Bemin toch iemand van uw eigen stand. Lantsloet Ik weet geen vrouw ter wereld

2

1

[o] lees [O]

Volgens MNW 6, 372 is ‘pinoos’ een verkeerde lezing voor ‘prooys’; de betekenis ‘fijngevoelig’ in: Leendertz, Middelnederlandsche dramatische poëzie, p. 661.


[05r]

Die ic woude hebben voer sandrijn Ic woudse mocht mijn eyghen sijn Lieue moeder mit uwen danck Al waer die werelt aen mi belanc Soe woudic wel dat si waer mijn wijf Die moeder Tfy v der scanden wel vul katijf Dat ghi alsoe neder mint Ende men soe scone ioncfrouwe vint Van hogher gheboerten ende oec gheslachte Lantsloet Och lieue moeder der minnen crachte Ansiet niet hoech geboren noch rijc van goede Maer si soect ghelycheyt van moede Die beyde sijn van enen wesen Ic hebbe dicwijl horen lesen Dat elc minne soect haer ghelijc Al is die een arm die ander rijc Die eedel minne die doet haer werc Gherechte miune1 en hout gheen merc Van rijcheyt noch van hoecheit van maghen Dat heb ic dicwil horen saghen Maer het comt al bi ghelijcheyt Dat die eedel minne gheeft haesticheyt Si en aensiet gheen hoech gheboren Die moeder Dats waer soen nv wilt mihoren2 Het is dicwijl wel ghesien Dat men om die minne liet veel gheschyen Maer dat waer alte grote scande

1 2

[miune] lees [minne] [mihoren] lees [mi horen]

die ik liever hebben zou dan Sandrijn. Ik zou willen dat zij de mijne was, lieve moeder, met uw welnemen. Al beschikte ik over de hele wereld dan nog zou ik haar als vrouw willen. De moeder Foei, u moet zich schamen, grote ellendeling, dat u zo beneden uw stand liefhebt, terwijl er zulke mooie jonkvrouwen zijn die van zeer hoge afkomst zijn. Lantsloet O lieve moeder, de kracht van de liefde kijkt niet naar afkomst of rijkdom, maar zij zoekt zielsverwantschap wanneer er twee voor elkaar geschapen zijn. Ik heb vaak horen verkondigen dat ieder die liefheeft zijn gelijke zoekt. Al is de een arm en de ander rijk, de edele liefde doet haar werk. Oprechte liefde houdt geen rekening met rijkdom of hoge afkomst, dat heb ik vaak horen zeggen. Maar het is de zielsverwantschap die de edele liefde stimuleert. Zij kijkt niet naar rang of stand. De moeder Dat is waar, zoon. Luister naar me: het is dikwijls duidelijk vastgesteld dat men omwille van de liefde veel toeliet, maar het zou een zeer grote schande zijn


[05v]

Want ghi die beste sijt vanden lande Dat ghi sout minnen soe slechten wijf Laet dese dinghen sijn een blijf Maer wilt ghise hebben tot uwen wille Ic salse v doen hebben heymelic ende stille Op v camer heer ridder weert Ende doeter dan mede dat ghi begheert Maer een dinc most ghi mi doen Lantsloet Vrou moeder by sinte symeoen Wat ghi begheert wil ic v louen Op dat ic mitter maecht mach houen Op mijn camer ic ende sy Die moeder Heer lantsloet kijnt soe loefdi my Bi v ridderscap ende op v trouwe Als ghi mit sandrijn die ioncfrouwe Hebt ghedaen al v gheuoegh Soe suldi segghen ic heb v ghenoch Sandrijn ic ben uwes sat Ende van herten alsoe mat Al hadde ic eenen baeck ghegheten Dit en suldi ymmer niet vergheten Ghi sult spreken dese woert Ende dan soe suldi rechteuoert V omme keren alle den nacht Ende slaepen soet ende sacht Op v camer ende swighen al stille Lantsloet Och lieue moeder is dit uwen wille

dat u een zo onwaardige vrouw zou beminnen, want u bent de beste van het land. Laat deze dingen voor wat ze zijn. Maar wilt u haar bezitten, dan zal ik ervoor zorgen dat ze stiekem op uw kamer is, waarde heer ridder, en doe dan met haar wat u begeert. Maar één ding moet u voor mij doen. Lantsloet Vrouwe moeder, bij de heilige Simeon, wat u wenst, zal ik u beloven als ik met de jongedame mag vrijen, ik en zij, op mijn kamer. De moeder Heer Lantsloet, kind, beloof me dan op uw ridderschap en op uw eer, wanneer u met jonkvrouw Sandrijn alles hebt gedaan wat u wilt, dan moet u zeggen: ‘Ik heb genoeg van u, Sandrijn, ik ben u beu en spuugzat alsof ik een stuk vet spek gegeten had.’ Geen moment mag u dit vergeten! U moet dit zeggen en dan moet u zich direct omdraaien voor de rest van de nacht en stil gaan slapen in uw kamer, zonder verder iets te zeggen. Lantsloet Och lieve moeder, wilt u


[06r]

Dat ic spreke dit dorper woert Des ghelijc en heb ic nye ghehoerr1 Wat mach v hier mede beholpen sijn Dat ic dat soude tot sandrijn Sprekeu2 mit mijn mont Ende legghen dan voert als een hont Al sonder spreken als een katijf Wat soude dan peynsen dat reyne wijf Als ic die dorperheyt begonste Want ic draghe haer so vriendelicke ionste Dus soudet mijn herte te sere deren Die moeder Lantsloet dit is mijn begheren Suldise hebben in v ghewelt Dats dat ghi mi dit ghelouen selt Lantsloet Vrou moeder doetse mi comen dan Ic louet v bi sinte iohan Ic sal doen dat ghi begheert Al isset dattet mijn herte deert Die menich spreect hi en menes niet Al dier ghelijc is mi gheschiet Want al spreke ic mitten monde Ic en sals niet menen mitten gronde Waut3 ic gan haer alle doecht Dus bid ic gode den opperste voecht Dat sijt niet qualic nemen en moet Si is soe eedel ende soe goet Ende ist dat sijt qualicken neemt Ende haer herte van mi verureemt

1

[ghehoerr] lees [ghehoert] [Sprekeu] lees [Spreken] 3 [Waut] lees [Want] 2

dat ik deze schandalige woorden zeg? Zoiets heb ik nog nooit gehoord. Wat hebt u eraan dat ik dat zelf woordelijk tegen Sandrijn zou zeggen en dan als een hond zou gaan liggen, zonder nog te spreken, als een ellendeling? Wat zou dat zuivere meisje denken wanneer ik zo schandelijk ging doen? Dat zou mij te zeer kwetsen omdat ze me zo na aan het hart ligt. De moeder Lantsloet, dit is wat ik verlang: als u haar wilt bezitten, dan moet u me dat beloven. Lantsloet Vrouwe, moeder, laat haar dan komen. Ik beloof het u bij Sint-Jan dat ik zal doen wat u wenst, al doet het nog zo pijn. Veel mensen zeggen iets wat ze niet menen en iets dergelijks overkomt mij nu ook. Want al komen de woorden uit mijn mond, ik zal ze uit de grond van mijn hart niet menen, want ik gun haar het allerbeste. Dus bid ik God, de opperste Heer, dat zij het niet slecht zal opvatten. Zij is zo edel en zo goed, en als ze het toch slecht opvat, en haar hart van mij afwendt,


[06v]

Soe blijft mijn hert in pynen staen Moeder nv wil ic henen gaen Ende verbeyden op die camer mijn

dan zal ik vol verdriet achterblijven. Moeder, ik ga nu weg om op mijn kamer te wachten. [1

1

Tekst staat boven een afbeelding van de moeder en Sandrijn die in gesprek zijn, terwijl op de achtergrond Lantsloet in zijn kamer op bed ligt.


[07r]

Die moeder d Oe1 ghinc die moeder totter maghet Ende sprac haer toe al onuersaghet O sandrijn mijn wtuercoren Ic bid v doch wilt na mi horen Van dies ic v sal doen vermaen Sandrijn O eedel vrouwe dat si ghedaen Nv segt mi wats v begheert Die moeder O sandrijn dat mijnre herten deert Des moet ic v claghen mijnen noot Hier is mijn lieue kijnt lantsloet Die is mit groter siecten beuaen Ic en weet niet wat ic aen sal gaen Want hi in drien daghen niet en at Noch mi niet een woert toe en sprac Ic en weet niet wat hem mach sijn Mer woudt ghi tot hem gaen lieue sandrijn Ende besien of ghi hem troesten mocht Dat ghi hem wat goelicx teten brocht Ic sie wel dat hi heeft int herte verdriet Sandrijn Och eedel vrouwe wat ghi ghebiet Wort herde gaerne van mi ghedaen Na dat ghi mi doet verstaen Want mi waer leet misquaem hem yet Die hem in tijden wel besiet Die mach in eeren staende bliuen

1

[d Oe] lees [Doe]

De moeder Toen ging de moeder naar de jonge vrouw en sprak haar kalm toe: o Sandrijn, mijn dierbare, ik smeek dat u wilt luisteren naar wat ik u dringend wil verzoeken. Sandrijn Edele vrouwe, laat het gebeuren. Kom, vertel me wat u wilt. De moeder O Sandrijn, er is iets wat me verdrietig maakt. Daarover moet ik u mijn nood klagen. Het gaat om mijn lieve kind Lantsloet die zeer ziek geworden is. Ik weet niet wat ik moet aanvangen want hij heeft drie dagen niet gegeten en geen woord met mij gesproken. Ik weet niet wat er met hem kan zijn, maar zou u naar hem toe willen gaan, lieve Sandrijn, en kijken of u hem kan troosten door hem vriendelijk iets te eten te brengen? Ik zie duidelijk dat hij diep bedroefd is. Sandrijn Och edele vrouwe, wat u verzoekt dat zal ik zeer graag doen, op de wijze zoals u mij vertelt want het zou me spijten als hem iets overkwam. Wie zich tijdig goed in acht neemt kan zich eervol staande houden.


[07v]

Die moeder Aldus soe salmen een dinck bedriuen Om een te brenghen in dat stric Wie soude dat bet ghedaen hebben dan ic En heb ic dat niet wel begaet Dat icse int stric brenghe mit losen raet Ic meen dat icse wel sal sceyden Ic wilse gaen sluten onder hem beyden In die camer alle den nacht Si sal daer bliuen wan hi sijn wil heeft volbracht Al spronghe sij op ende neder Ick wedde dat si dan niet en comt weder Want als die wille is ghedaen Soe is die vrienscap seer vergaen . Dit opset heeft die moeder ghesocht Ende lansloet heeft sijn wille volbrocht Metter maghet vol suuerheden Daer na sprac hi die dorper reden Ende stelde hem te rusten al den nacht Ghelijc als hi sijn moeder loefde soet ende sacht Dit was vanden ridder een quaet bedrijf Nv hoert van sandrijn dat scone wijf Claghelicke woerden een cort bediet Sandrijn Ay heere god die hem crucen liet Wat sal ic beghinnen tot deser vren O maria maghet pure Wat valscher wijf is lantsloets moeder Des ben ic nv bet te vroeder

De moeder Zo moet men iets aanpakken om iemand in de val te laten lopen. Wie zou dat beter gekund hebben dan ik en heb ik het niet goed voor elkaar gekregen dat ik haar met boze opzet strik? Ik denk dat ik hen wel uit elkaar kan krijgen. Ik zal ze samen in de kamer opsluiten gedurende de hele nacht. Zij moet daar blijven totdat hij zijn lusten heeft al zou ze hoog of laag springen. (botgevierd, Ik wed dat zij dan niet terugkomt, want als de daad is gedaan dan is de liefde snel vergaan. Dit is wat de moeder voor ogen had en Lantsloet heeft zijn lusten bevredigd met het jonge meisje, dat o zo zuiver was. Daarna sprak hij zijn schandalige woorden en ging rustig slapen de rest van de nacht, zoals hij zijn moeder beloofd had. Dit was een kwalijke daad van de ridder. Hoor nu in het kort hoe Sandrijn, de mooie vrouw, zich beklaagt. Sandrijn Ach Here God, die zich liet kruisigen, wat moet ik nu beginnen? O Maria, zuivere maagd, wat een vals kreng is de moeder van Lantsloet! Dat ben ik me nu beter bewust


[08r]

Dan ick ghister nauent was Want si mi seker een lesse las Dat hi mit siecten was beuaen Ende brocht mi inden stric gheuaen Si heeft mi loghenen soe veel ghetelt Ende brocht mi in lantsloet ghewelt Dat mi ewelic rouwen sal Nochtan soe deert mi bouen al Die woerden die sprac die ridder vri Ende keerde sijn aenschijn doe van mi Ai1 had ic gheweest een stinckende hont Dat heb ic soe vast in minen gront Ende doet mijnre herten alsoe seer Ick meen wel dat hi nemmermeer Van mi en sal weten cleyn noch groot Ic wilt al laten ende gaen rechte voert Dolen in vreemden landen Ic bidde gode dat hi mijn scanden Decken wil die ic heb ontfaen Want het is mijns ondancs ghedaen Des is mi te moede herde wee Lantsloet ghi en siet mi nemmermeer Ic wil gaen dolen in dat foreest O vader o sone o heylighe gheest Ic bid v dat ghi bewaert mijn lijf Dat ic nemmermeer mans wyf Worden moet tot minen scanden Waer ic come in enighe landen Dat ick moet bliuen dat ic si

1

[Ai] lees [Al]

dan gisteravond want ze vertelde me duidelijk dat hij ziek was geworden en liet mij in de val lopen. Ze heeft me heel veel leugens verteld en ze bracht me in Lantsloets macht, wat me eeuwig zal spijten. Toch kwellen mij vooral de woorden die de edelman sprak en hoe hij toen zijn gezicht van mij afwendde alsof ik een stinkende hond was. Dat staat gegrift in mijn hart en doet mijn binnenste zรณ zeer. Ik denk zeker dat hij nooit meer ook maar het minste van mij hoort. Ik wil alles achterlaten en ga meteen zwerven door verre landen. Ik bid God dat hij de schande die over mij is gekomen, wil bedekken. Want het is tegen mijn wil gebeurd; daarover ben ik zeer bedroefd. Lantsloet, u ziet mij nooit meer terug: ik ga zwerven door het woud. O Vader, o Zoon, o Heilige Geest, ik bid u dat u mijn leven beschermt, dat ik nooit meer de vrouw van een man moet zijn tot mijn schande, waar ik ook kom in enig land, en dat ik mag blijven wat ik ben.


[08v]

Dat bid ic maria der maghet vri Die fonteyne alle suuerheyt Dat mi nemmermeer dorperheyt Gheen man te voren legghen en moet Des bid ic maria doet1 hoer oetmoet Der waerder moeder ende maghet reyn Ic sie ghinder staen een fonteyn Daer op wil ic gaen nemen rust Ick heb soe langhe tijt gheuast Dat ic heb hongher ende dorst Ende te drincken groten lost Dat ick niet langher en can ghedragen

Ik vraag aan Maria, de edele maagd en bron van alle zuiverheid, dat nooit meer een man mij een onbetamelijk voorstel zal doen. Dat smeek ik Maria omwille van haar genade, de edele moeder en reine maagd. – Ik zie daar een put waarop ik ga uitrusten. Ik heb zo lang niets gehad, dat ik honger en dorst heb en zo’n behoefte om iets te drinken, dat ik het niet langer kan verdragen.

Een ridder reedt iaghen

Een ridder ging uit jagen.[2

1

2

[doet] lees [doer]

Tekst bij illustratie op 09r


[09r illustratie]


[09v]

Een ridder Nv god wouts ic vaer iaghen Ic bidde gode vanden troen Ende maria die maghet schoen Dat si mi huden bewaren moet Ende gheuen mi gracie ende spoet Dat ic moet iaghen ende vanghen Want ic seker en vinc in langhen Des ic mi int herte scoffiere Ic hebbe gheiaghet der daghen viere Nochtan en vinc ic nye conyn Ic scaems mi in dat herte mijn Dat mijn arbeyt dus blijft verloren Ic wil gaen blasen mijnen horen Ende besien of mi god beraden mochte Bi den here die mi ghewrochre1 Ic sie ghinder porren een wilt opt velt Daer mijn herte is op ghestelt Ic waen nye man op eenen dach Scoenre wilt mit oghen en sach Dan ic sye op ghene fonteyn Een scone maghet ende reyn Soe duncket mi wesen aen haer ghedaen Ay god here mocht icse vaen Soe en waer mijn arbeyt niet al verloren Ic wil noch eens blasen minen horen Ende besien hoe si haer bestellen sal Ay god die heer is bouen al Die moet mi gheuen goet auentuer

1

[ghewrochre] lees [ghewrochte]

Een ridder Nu, God geve het, ga ik jagen. Ik bid God in de hemel en Maria de schone maagd, dat zij mij vandaag beschermen mag en mij genade en voorspoed geeft. Ik bid dat ik mag jagen en iets vangen, want ik ving al lange tijd niets, waarover ik me diep schaam. Ik heb vier dagen gejaagd en ving nog niet eens een konijn. Ik schaam me diep daarover dat mijn inspanning voor niets is geweest. Ik zal op mijn hoorn blazen en zien of God mij wil helpen. Bij de Heer die mij schiep, ik zie ginds op het veld een stuk wild bewegen waar mijn hart naar uitgaat. Ik denk dat geen man ooit mooier wild waarnam dan ik bij gindse put zie. Aan haar uiterlijk te zien is zij een mooi en zuiver meisje. O God, als ik haar zou kunnen vangen, dan zou mijn inspanning niet voor niets zijn. Ik zal nog eens op mijn hoorn blazen en kijken hoe zij zich zal gedragen. O God, die de opperste Heer is, moge die mij het geluk bezorgen


[10r]

Dat ic dese scone creatuer Ghecrighen mach tot mijnen wille O scone maghet nv staet al stille Ghi moet mijn gheuanghen sijn Ic heb v lieuer dan een eeuer zwyn Al waert van finen goude ghewracht Ic dancke gode der scoenre iacht Dat ic huden soe vroech op stoet Sandriju1 Och eedel ridder van pryse goet En doet mi doch gheen dorperheyt Dat bid ic v doer v eedelheyt Dat ghi mi gheen dorperheyt en bewijst Want het waer v seer misprijst Waer ghi quaemt tot eenighen houe Ghi dunct mi sijn een ridder van grote loue Daer om bid ic v eedel baroen Dat ghi mi niet en wilt misdoen Ende laet mi wesen dat ic si Die ridder O schone wijf nv segghet mi Waen soe quaem di in dit foreest Dat wondert mi in mijnen gheest Dat ic v vinde dus alleyn In dit foreest op dese fonteyn Wat is die sake die v let Heeft v yemant dach gheset Daer ghi scone wijf na wacht Hi mochte sijn van sulker macht

1

[sandriju] lees [sandrijn]

dat ik met dit mooie schepsel mijn wil doe. O mooie jongedame, sta nu stil. U moet mijn gevangene zijn. U bent mij liever dan een everzwijn, al was het gemaakt van zuiver goud. Ik dank God voor de mooie jachtbuit en dat ik vandaag zo vroeg ben opgestaan. Sandrijn Och edele ridder van goede faam, behandel mij niet schandelijk. Ik vraag u in naam van uw edelheid dat u mij niet schandelijk behandelt, want dat zou u zeer verweten worden aan alle hoven waar u zou komen. U lijkt mij een ridder van grote faam te zijn. Daarom vraag ik u, edele ridder, dat u mij geen kwaad wilt doen en laat mij wezen wat ik ben. De ridder O mooie vrouw, zeg mij eens vanwaar u zo in dit bos gekomen bent. Het verbaast mij dat ik u zo alleen vind in dit bos op deze put. Wat deert u? Heeft iemand met u afgesproken waar u, mooie vrouw, op wacht? Hij zou zo’n machtig man kunnen zijn


[10v]

Ic soude v te nooder spreken an Sandrijn Ay eedel ridder om ghenen man En stae ic hier wel hoech baroen Het sijn ander saken diet mi doen Ic ben verdoelt wt mijnre stat Daer ic mit groter eeren sat Ben ic verdoelt en weet niet waer Des is mi te moede swaer Ic en weet niet waer ic henen sal Des claghe ic gode mijn onghenal1 Dat ic deser werelt dus moet besueren Die ridder Ic danc gode der auentueren Dat ic huden soe vroech op stoet Ende ic soe scone ghemoet Vonden heb in mynre iacht God heeft ons te gader ghebracht Dat weet ic seker wel te voren Ghi sijt tot mijnre behoef gheboren Want ghi ghenoecht mi alte wael O scone wijf o scone tael Dit ghenoecht mi alte gader wel Wij sullen te gader maken spel Nv comt mit mi in dit casteel [2 Dat sal wesen v ende mijn Sandrijn Heer ridder nv laet v tale sijn Des bid ic v om den rijcken god

dat ik u minder graag zou aanspreken. Sandrijn Ach edele ridder, hoge heer, ik sta hier niet om een of andere man. Andere dingen houden mij bezig: ik zwierf vanuit de plaats3 waar ik met grote eer woonde. Vanuit die plaats zwierf ik rond, ik weet niet waar. Het is me daarom zwaar te moede, ik weet niet waar ik heen moet. Daarom klaag ik bij God over mijn ongeluk, dat ik in dit leven moet verdragen. De ridder Ik dank God voor het geluk dat ik vandaag zo vroeg ben opgestaan en dat ik zo’n mooie ontmoeting heb gehad tijdens mijn jacht. God heeft ons tezamen gebracht, dat weet ik heel zeker! U bent voor mij geboren, want u bevalt mij buitengewoon. O mooie vrouw, o mooie taal, dit alles bevalt mij zeer. Wij zullen elkaar liefhebben. Treed nu met mij dit kasteel binnen, dat het uwe en het mijne zijn zal. Sandrijn Heer ridder, spreek niet verder, dat smeek ik u bij de machtige God.

3

1

Ic ben verdoelt wt mijnre stat Daer ic mit groter eeren sat Ben ic verdoelt

[onghenal] lees [ongheual] Na dit vers is een regel weggevallen, die in het Hulthemse hs. is een apokoinou: ‘wt mijnre stat’ hoort zowel bij het vorige ‘Ic luidt: Ghi en saeght noit soe scone juweel. ben verdoelt’ als bij het volgende ‘Ben ic verdoelt’.

2


[11r]

Ende en hout doch niet mit mi v spot Al ben ic dus verdoelt al hier Die ridder O scone wijf inder minnen fier Soe leyt mijn hert te mael en blaect Ghi sijt hoesch1 ende wel gheraect Ghi sult bi mijn ridderscap sijn mijn wijf Ghi hebt soe eedelen sconen lijf Op dattet v wille si ende bequaem Soe bid ic v segghet mi v naem Ghi sult seker wesen mijn vrouwe Sandrijn Och edel ridder is dat trouwe Soe sal ic v minen naem laten weten Sandrijn soe ben ic geheten Ende mijn vader hiete robbrecht Ende was een wel gheboren knecht Ende diende mitten coninc van auerne Die ridder O scone ioncfrouwe dat hoer ic gheerne Dat ghi vanden scilde sijt gheboren Eedel maghet wtuercoren Ic dancke god der saligher tijt Dat ghi nv hier comen sijt Ende dat ic huden so vast niet en sliep Het was die enghel diet mi riet Dat ic te woude soude varen iaghen Mijn oghen nye lieuer wijf en saghen Ghi sult seker wesen mijn

1

[hoesch] lees [hoofsch]

Spot toch niet met mij, ook al ben ik hier verdwaald. De ridder Och, mooie vrouw, in het vuur van de liefde ligt mijn hart zeer te branden. U bent hoofs en bevallig. Bij mijn ridderschap, u wordt mijn vrouw. U hebt zo’n mooi lichaam. Als het u aangenaam is, zeg mij dan uw naam, zo smeek ik u. U zult zeker mijn vrouw zijn. Sandrijn O, edele ridder, meent u het echt? Dan zal ik u mijn naam zeggen. Ik heet Sandrijn en mijn vader heette Robbrecht. Hij was een hooggeboren dienaar en diende bij de koning van Auvergne. De ridder O mooie jonkvrouw, dat u van adellijke geboorte bent, dat hoor ik graag. edele hooggeschatte jongedame. Ik dank God voor het gelukkige moment waarop u hier gekomen bent, en dat ik heden niet erg vast sliep. Het was een engel die mij aanraadde om te gaan jagen in het woud. Mijn ogen zagen nooit een beminnelijkere vrouw, u zult zeker de mijne worden.


[11v]

Sandrijn Heer ridder soe wil ic dan sijn V ghetrouwe ende niet af gaen Gehoersaem ende onderdaen Als een goet wijf is sculdich horen man Die ridder O scone maghet soe gaen wi dan Ic sette v hier mijn trouwe te pande Sandrijn Nv gae wi dan in dese wrande Heer ridder ende spreken een luttelkijn Ende verstaet doch die reeden mijn Des soe bid ic v hoech baroen Aensiet desen boem staet scoen ende groen Ende hoe wel dat hi ghebloyt staet Sijn edel roeke die daer wt gaet In desen boemgaert al Hi staet in soe soeten dal Dat hi van recht bloyen moet Hi is soe eedel ende soe goet Dat hi verciert alle desen boemgaert Of quame een valcke van hoger aert Gheulogen op desen boem ende daelde Ende hi een bloem daer afhaelde Ende daer nae nemmermeer gheen Noch nye en haelde meer dan een Sout ghi den boem daer om haten Of te copen daer om laten Dat bid ic v dat ghi mi segt

Sandrijn Heer ridder, ik wil u dan trouw zijn en blijven. Ik wil gehoorzaam zijn en onderdanig, zoals een goede vrouw haar man verschuldigd is. De ridder O mooie jongedame, laten wij dan gaan. Ik geef u hier mijn woord van eer als onderpand. Sandrijn Laten we in deze hof gaan, heer ridder, en wat met elkaar praten, en luister toch naar mijn verhaal. Dat vraag ik u, edele heer. Zie eens hoe mooi groen deze boom erbij staat en hoe prachtig hij bloeit. Let op zijn heerlijke geur die hij verspreidt overal in deze boomgaard. Hij staat in zo’n prachtig dal, dat hij vanzelf bloeien moet. Hij is zo edel, dat hij heel deze boomgaard tot sieraad strekt. Als er nu eens een valk van een edele soort kwam aangevlogen naar deze boom en erop landde en er een bloem vanaf haalde, en daarna nooit meer een, en ook niet meer dan een, zou u de boom daarom dan haten en niet meer willen kopen? Ik smeek u dat u mij dat zegt


[12r]

Ende die rechueerdicheyt spreect Eedel ridder van hogher tale Die ridder O schone wijf ick verstaen v wale Een bloeme dat en is niet En ist daer niet meer toe ghesciet Daer om en sal ic den boem niet haten Noch den coop daer om niet laten Want hi is soe scoen ghedaen Ic sie daer soe menich bloem aen staen Mit groten hopen sonder ghetal Daer eedel vrucht af comen sal Op dat god ghestaden wille Nv doet daer af een stille Ic heb die sake wel verstaen Want mijn herte is soe seer beuaen Mit uwer minnen wel reyue1 iuecht Ghi sijt die mi mijn hert verhuecht Nv gae wi tsamen tot mijuen2 houe Ic meen dattet scoenste is van loue Datter leyt in desen lande Dat set ic v ten onderpande Als ic v seyde van te voren Dat laet ic daer nv suldi horen Van lantsloets rouwe die hi crech3 Doen hi daer allene bleef Op sijn camer in groter ellende Lantsloet Ay nv is mijn vroecht een eynde

1

[reyue] lees [reyne] [mijuen] lees [mijnen] 3 [crech] lees [creech] 2

en naar eer en geweten spreekt, edele ridder die zo hoofs spreekt. De ridder O mooie vrouw, ik begrijp u goed. EĂŠn bloem is niets, als er niet meer is gebeurd. Ik zal daarom de boom niet haten en ook niet nalaten hem te kopen, want hij is zo prachtig. Ik zie er talloos veel bloemen aan zitten, waae edele vruchten van zullen komen, als God dat wil. Wees maar stil! Ik heb de kwestie begrepen want mijn hart is zo vol van liefde voor u, zuivere jonge vrouw. U ben het die mijn hart laat opspringen van vreugde. Laten we nu samen naar mijn slot gaan. Ik denk dat het het mooiste en lofwaardigste in deze streek is. Dat geef ik u als onderpand zoals ik u eerder beloofde. Hier laat ik het bij. Nu zult u horen over de spijt die Lantsloet kreeg, toen hij alleen in groot verdriet achterbleef op zijn kamer. Lantsloet Ach, de blijdschap die ik op deze wereld


[12v]

Die ic op deser aerden ye ghewan Dat icse nerghens vinden en can Dat moet ic nv besueren Och mijn crancke auentuere Ouer die scone sandrijn Ondanck heb die moeder mijn Dat ic die woerden ye ghesprac Mi dochte dat mi mijn herte brac Doe ic sprac dat felle woert Daer om is si op mi ghestoert Ende is mi heymelic ontgaen Dat heeft mijn moeder al ghedaen Dat si mi die woerden spreken dede Nemmermcer1 soe en heb ic vrede Voer dat ic aenscouwe dat edel wijf Och ic minne haer reyne lijf Soe seer mi dunct dat ic verswine Het is een leuen bi haer te sine Want si is alte recht noyael Si is een vrouwe principael Eeu2 troesterse van mynen sinnen Ic en mach gheen wijf soe seere minnen Dan ic haer minne dier ghelijcke Ic salse doen soeken doer kerstenrijcke Of ic sal weten waer datse si Waer sidi reynout coemt hier tot mi Mijn alre liefste camerlinck Reynout O heere wat is dit dinck

1 2

[Nemmermcer] lees [Nemmermeer] [Eeu] lees [Een]

eenmaal veroverde, is nu voorbij. Dat ik haar nergens kan vinden, dat moet ik nu bezuren. Ach, mijn ellendige geschiedenis met de mooie Sandrijn. Vervloekt zij mijn moeder dat ik ooit die woorden uitte. Ik dacht dat mijn hart brak toen ik die boosaardige woorden sprak. Daarom is zij kwaad op mij en heeft zij mij heimelijk verlaten. Het is helemaal de schuld van mijn moeder omdat zij mij die woorden liet zeggen. Nooit zal ik meer rust kennen, voordat ik die edele vrouwe aanschouw. Ach, ik bemin haar zuivere lichaam zo zeer; ik meen dat ik wegkwijn. Het is een genot bij haar te zijn want zij is bovenal rechtschapen. Zij is een voorname vrouw, een troosteres van mijn gemoed. Ik kan geen vrouw ooit mĂŠĂŠr beminnen dan ik haar bemin. Ik zal haar laten zoeken in de hele christenheid opdat ik zal weten waar zij vertoeft. Waar bent u, Reinout? Kom eens hier, zeer gewaardeerde kamerheer! Reinout Heer, wat is het


[13r]

Daer ghi aldus me sijt belast Lantsloet Och mi en was nye so lede bedacht Als mi is tot deser vren Dat ic die schone creatuere Sandrijn dus heb verloren Mi dunct dat mi mijn hert sal scoren Van groten rouwe die ic driue Dat ic in mijnen sinne bliue Dat is wonder herde groot Ick waer veel lieuer doot Dan ic haer nemmermeer en soude sien Reynout ghi moeter om gaen spien Of ghi haer erghent vinden mocht Nemmermeer en worde ic verhoecht Voer dat ic haer mit mijnen oghen anscouwe Reynout nv weest doch mijns ghetrouwe Ende segt dat ic haer sal maken mijn bruyt Ondanc alle mijnen maghen Reynout Here ic wilder om gaen waghen Mijn lijf ende ghenen arbeyt sparen Mer het waer beter liet ghijt varen Tis misselic hoe si hoer sal bekeren Lantsloet Och haer herte es soe vol eeren Ende soe eedel van ghedachte Gaet ende haest v alle v machte Ende vaertse soeken west ende noert

waar u onder gebukt gaat? Lantsloet Ach, ik was nog nooit zo droevig gestemd als op dit moment, omdat ik het mooie schepsel Sandrijn zo verloren heb. Het lijkt me dat mijn hart zal scheuren van de grote spijt die ik heb. Dat ik nog bij mijn verstand ben is een heel groot wonder. Ik zou veel liever dood zijn dan dat ik haar nooit meer zou zien. Reinout, u moet nauwlettend nagaan of u haar ergens vinden kunt. Ik zal geen blijdschap meer kennen voordat ik haar met mijn ogen aanschouw. Reinout, wees mij nu toch trouw en zeg dat ik haar tot mijn bruid zal maken, tegen de zin van al mijn familieleden. Reinout Heer, ik zal mijn leven ervoor riskeren en me geen inspanning besparen, maar het zou beter zijn als u het idee liet varen: het is onzeker hoe zij zich zal gedragen. Lantsloet Och haar hart is zo eerzaam en zo vol edele gedachten. Ga en haast u uit alle macht en zoek haar in het westen en het noorden


[13v]

Suyt ende oest ende daer toe voert Totter tijt dat ghise vint Want myn herte hoer soe seere mint Voer alle die mijn oghen ye ghesaghen Die boeschwaerder Mit recht soe mach ic mi wel beclaghen Dat ic hier soe menich iaer Hebbe ghewandert veer ende naer Ende heb mijns heren boswaerder gheweest Ende hebbe ghehoet sijn foreest In dese bosscaygye op dese fonteyn Ende dit ghedaen heb groot ende cleyn Menighen dach ende menich vre Mer nye en gheuiel mi die auentuere Dat ic hier ye wijf ghesach Dat ic nv wel beclaghen mach Noch nye en quam mi in mijn ghemoet Mer ghister doe mijn heer op stoet Ende soude te woude varen iaghen Ic waen mijn oghen nye en saghen Scoenre wijf dan hi daer vant Hi namse vriendelic bider hant Ende brochtse te houe met bliden sinne Al hadse gheweest een keyserinne Soe en mocht si niet noyaelder sijn Gheheten soe was si sandrijn Ende heefter af ghemaect sijn vrouwe Mit recht soe mach ic hebben rouwe Dat mi dat nye en moecht gheschien

in het zuiden en het oosten en onafgebroken totdat u haar vindt, want ik bemin haar meer dan alle vrouwen die mijn ogen ooit aanschouwden. De boswachter Ik kan mij met recht beklagen dat ik hier zoveel jaren heb rondgelopen her en der en boswachter voor mijn heer geweest ben en zijn domein heb bewaakt in dit woud en bij deze put, en dit vaak en nauwgezet heb gedaan, veel dagen en veel uren. Maar nooit had ik het geluk dat ik hier ooit een vrouw zag, waarover ik mij nu zeer beklagen kan en dat ik er nooit een ben tegengekomen. Maar gisteren, toen mijn heer opstond en in het bos zou gaan jagen … ik geloof dat mijn ogen nooit tevoren een mooiere vrouw zagen dan hij daar vond. Hij nam haar vriendelijk bij de hand en bracht haar blij van hart naar zijn kasteel. Al was ze een keizerin geweest, zij kon niet méér rechtschapen zijn. Zij heette Sandrijn en hij heeft haar tot zijn vrouw genomen. Met recht kan ik betreuren dat zoiets mij nooit overkwam.


[14r]

Mer trouwen ic sal daer om gaen spien Vroe ende spade tot alre stont Mocht ic soe sconenen1 roder mont Vanghen ic soudes te blider sijn Ende mit alder herten mijn God daer af dancken alle mijn daghe Nv wil ic mi gaen berghen after die haghen Ende wachten mijn gheual ende auentuere Reynout O maria maghet pure Nv bid ic v om een goet ghereyt Ende om een goet claer bescheyt Te vernemen van sandrijn Want lantsloet die heere mijn Die is van herten soe onstelt2 Ende van hare minnen so ghequelt Dat hi nyewers gheduren en mach Want al sijns herten beclach Is dat hyse heeft verloren Nv heeft hi bi sijn ridderscap ghesworen Can icse vinden hi maecse sijn vrouwe Want hi heeft so groten rouwe Dat hise dus verloren heeft Dat hi in groter pynen leeft Ende al wt ghereehter3 minnen O god heere mocht icse vinden Soe waer ic blide in mijnen moet Ryc god wie sal mi maken vroet Wat die man meent die ghinder staet

1

[sconenen] lees [sconen en] [onstelt] lees [ontstelt] 3 [ghereehter] lees [gherechter] 2

Maar voorwaar, ik zal altijd van vroeg tot laat naar zo iemand uitkijken. Als ik zo’n mooie rode mond kon vangen, dan ik zou daar des te blijer om zijn en met heel hart God alle dagen daarvoor danken. Nu ga ik me verbergen achter de bosjes en mijn geluk afwachten. Reinout O Maria, zuivere maagd, ik smeek u nu om een goed geleide en dat ik een duidelijk antwoord mag krijgen van Sandrijn. Want mijn heer Lantsloet is zó in de war en wordt zó gekweld door liefde voor haar dat hij het nergens kan uithouden. Want al zijn geklaag is dat hij haar heeft verloren. Nu heeft hij bij zijn ridderschap gezworen, dat hij haar zal trouwen, als ik haar kan vinden, want het spijt hem zo dat hij haar zo verloren heeft, dat hij in groot verdriet leeft, en dat alles uit oprechte liefde. O God, als ik haar zou kunnen vinden, dan zou ik zeer blij zijn. Machtige God, wie vertelt mij wat die man wil die daarginds staat?


[14v]

Hi dunct mi hebben een fel ghelaet Ende in sijn hant een colue groot ende swaer Hi is seker een moerdenaer Of mi bedriecht mijnen waen Nochtan wil ic hem speken1 aen Want mi dunct daer sijn maer een Ic en sach nye man alleen Daer ic mi voer ontsach Vrient god gheue v goeden dach Ende een vriendelic morghen stont Moet v god gheuen tot deser stont Ende moet bliuen in een goet iolijt Die boeschwaerder Vrient god loens v wie ghi sijt Dat ghi mi soe vriendelic spreket an Reynout Nv berecht mi heer goet man Is hier enich ioncfrou gheleden Die fris was ende scoen van seden Berechtes mi vrient oft wesen mach Die boeschwaerder Ic heb hier ghewandert so menighen dach Dat ic hier nye wijf en sach Ionc noch out dats ymmer waer Mer het is gheleden bi na een iaer Dat mijn heer die ridder goet Op enen morghen vroe op stoet Ende voer iaghen op deser fonteyne Daer vant hi van herten reyne

1

[speken] lees [spreken]

Ik zie dat hij een boosaardig voorkomen heeft en hij heeft een zware knots in zijn hand. Het is vast een moordenaar, of ik moet mij erg vergissen. Toch zal ik hem aanspreken, want hij lijkt me in z’n eentje te zijn. Ik zag nog nooit een man alleen waar ik bang voor was. Vriend, moge God u een goede dag geven, en een goede morgen moge God u nu geven en dat u maar veel genoegen mag beleven. De boswachter Vriend, dat God het u lone, wie u ook bent, dat u mij zo vriendelijk aanspreekt. Reinout Vertelt u mij nu eens, beste man, is hier een jonkvrouw langsgekomen die jong was en mooi? Vertel het mij, vriend, of het misschien zo is. De boswachter Ik heb hier heel wat dagen rondgezworven zonder ooit een vrouw te zien, jong noch oud. Echt waar! Maar het is nu bijna een jaar geleden dat mijn heer, de edele ridder ’s morgens vroeg opstond om te gaan jagen bij deze put. Daar vond hij, goed verstopt,


[15r]

Een ioncfrou verborghen staen Die brocht hi blidelic gheuaen Hi riep dat hi hadde wel gheiaecht Want hi hadde gheuangen een reyne maecht Die schoen was ende wel gheboren Reynout Vrient daer moet ic meer af horen Ic bid v segt mi hoe was si gheheten Die boeschwaerder Vrient die waerachticheyt suldi weten Si is geheteu1 sandrijn Si en mach niet noyaelder sijn Noch bet ghe maect2 van haren liue Si en ghelijct ghenen wiue Die hier inden lande gheseten sijn Want si is scone ende goet daer bi Ende hi heeft daer af ghemaect sijn vrouwe Want si is hem alsoe ghetrouwe Soe ghehoersaem ende onderdaen Ende alle die mijn heere bestaen Die minnense om haere doecht Het is alle gader bi haer verhoecht Dat den houe toe behoert Reynout Nv wil mi god beraden voert Dattet is die ioncfrou die ic meyn Ic heb ghesocht die vrouwe reyn Menich mile in menich lant Mer nye en quam ic daer icse vant

1 2

[geheteu] lees [geheten] [ghe maect] lees [ghemaect]

een zuivere jonkvrouw die hij met blijdschap buitmaakte. Hij riep dat hij een goede jacht had gehad, want hij had een zuivere jonge vrouw gevangen, die mooi was en van goede afkomst. Reinout Vriend, daar wil ik meer over horen. Ik smeek u, zeg me hoe zij heette. De boswachter Vriend, u zult de waarheid weten: zij heet Sandrijn. Ze kan niet rechtschapener zijn en ook niet mooier van lijf en leden. Ze lijkt op geen andere vrouwen die hier in het land wonen, want zij is mooi en bovendien edel, en hij heeft haar tot zijn vrouw gemaakt, want zij is hem uiterst trouw, zeer gehoorzaam en onderworpen, en allen die met mijn heer verwant zijn beminnen haar om haar deugdzaamheid. Iedereen aan het hof is blij met haar. Reinout Nu moge God mij geven dat het de jonkvrouw is die ik bedoel. Ik heb naar deze zuivere vrouw gezocht mijlenver in vele landen, maar nooit kwam ik ergens waar ik haar vond,


[15v]

Noch soe scoen besceyt als ghi mi doet Och lieue vrient nv maect mi vroet Hoe sal icse moghen spreken Die boswaerder Och lieue vrient dat moet v ghebreken Te spreken teghen die ioncfrou mijn Het most bi mijnre hulpen sijn Want ic bens mit haer gheloeft Ic ben oec vanden knechten dat hoeft Die mijn heer onthouden heeft Ist sake dat ghi mi gheeft Een drincpenninc ende salft mi die hant Soe sult ghise spreken eer yet lanc Also veel als v herte begheert Reyuout1 Eenen penninc is scier verteert Ende varinc qualiken ouerghebrocht Loopt ende haest v alle v macht Ende doet mi spreken sandrijn Hout daer sijn twe penninghen guldijn Ende segt daer mit woerden sterc Dat hier is een bode wt denemerc Diese mit haesten spreken moet Die boswaerder Nv wil ic gaen lopen mitter spoet Ende salse brenghen ter stont mit mi O eedel vrouwe van herten vri Ic bid v vriendelic comt tot mi hier Buten staet een bode fier

1

[Reyuout] lees [Reynout]

nooit kreeg ik zo’n goed bericht als u mij geeft. Ach lieve vriend, vertel mij nu: hoe zal ik haar kunnen spreken? De boswachter Ach lieve vriend, het zal u niet lukken om met mijn jonkvrouw te spreken. tenzij met mijn hulp, want ik heb dat met haar afgesproken. Ik ben ook het hoofd van de knechten die mijn heer in dienst heeft. Maar als u mij een fooi geeft en mij wat toestopt, dan zult u haar heel snel spreken, zoveel als uw hart begeert. Reinout EÊn penning is snel opgemaakt en er algauw doorheen gejaagd. Haast u zo snel u kunt en laat mij spreken met Sandrijn. Alstublieft, hier zijn twee gouden penningen, en zeg met klem dat er een bode uit Denemarken is die haar met spoed wil spreken. De boswachter Nu zal ik me haasten, en ik zal haar meteen meebrengen. O vrouwe, edel van inborst, ik vraag u vriendelijk: kom met mij mee. Buiten staat een aanzienlijke bode


[16r]

Die v mit haesten spreken moet Reyuout1 O eedel vrouwe ghetrouwe ende goet God die alle dinc vermach Die moet v gheuen goeden dach Scone ioncfrouwe sandryn Sandrijn Reynout welcoem moet ghi sijn Segt mij wat is v begheert Reynout Dat sal ic v segghen vrouwe weert Dat ghi varen moet mit mi Want lantsloet die heere vri Heeft v doen soeken ouer al Ende dat laetste dat hi mi beual Dat was of ic v vinden mochte Eedel vrouwe dat ic v voer mi brochte Hi sal v seker maken sijn bruyt Sandrijn Reynout vrient dat spele is wt Segt2 dat hi een ander beghinne Want ic en gaue om lantsloets minne Niet een gras dat wter eerden gaet Reynout O scone sandrijn ghi sult sijn staet Aensien ende sijn swaer misual Het en was nye sint hi en qual Eedel wijf sint dat hi v verloes Soe heeft hi ghequolen altoes

1 2

[Reyuout] lees [Reynout] [seijt] vervangen door [segt]

die u met spoed wil spreken. Reinout O edele vrouw, trouw en goed, God, die almachtig is, moge u een goede dag geven, mooie jonkvrouw Sandrijn. Sandrijn Wees welkom, Reinout. Vertel mij, wat wilt u? Reinout Dat zal ik u zeggen, edele vrouw: dat u met mij mee zult gaan. Want Lantsloet, de edele heer, heeft overal naar u laten zoeken, en het laatste dat hij mij beval was, als ik u zou kunnen vinden, edele vrouwe, dat ik u met mij mee zou nemen. Hij zal u zeker tot zijn bruid maken. Sandrijn Reinout, vriend, dat spelletje is voorbij. Zeg hem dat hij een ander spelletje begint, want ik zou voor Lantsloets liefde nog geen grasspriet geven die uit de aarde groeit. Reinout O mooie Sandrijn, u moet zijn toestand en zijn diepe ongeluk in het oog houden. Hij heeft altijd getreurd, edele vrouw, sinds hij u verloor en hij heeft voortdurend verdriet gehad


[16v]

Ende gheleeft in pynen groot Het sal hem seker gheuen den doot Ist dat hi v niet en ghewint, Want ic weet wel dat hi v mint Bouen alle die nv sijn gheboren Ende hi heeft bi sijn ridderscap ghesworen Als hi van v verneemt ende weet Al waert alle sijneu1 maghen leet Ghi sult seker werden sijn wijf Sandrijn Reynout dat moet sijn een blijf Want ic ben wel dat mi niet en rouwet Ic heb nv een man ghetrouwet Die ic minne bouen alle die leuen Ende hem en wil ic niet begheuen Al waer lantsloet also rijc Dat hi waer hectors van troyen ghelijc Ende hadde van gode te loen Dat hi droech die selfde croen Did2 coninc alexander droech Soe en waer hi mi niet goet ghenoech Ic heb veel lieuer mijnen man Die mi alder doghet gan Die sal ic ewelic sijn ghetrouwe Reynout O sandrijn wel scone vrouwe En mach hi v doch ghewinnen niet Soe moet hi ewelic int verdriet Bliuen ende in pinen staen

1 2

[sijneu] lees [sijnen] [Did] lees [Die]

en in grote ellende geleefd. Hij zal er zeker aan sterven, als hij u niet krijgt. Want ik weet zeker dat hij u bemint, meer dan allen die nu leven, en hij heeft bij zijn ridderschap gezworen, dat u, als hij over u te weten komt waar u bent, zeker zijn vrouw zult worden, ook al zou zijn hele familie het betreuren. Sandrijn Reinout, daarvan kan geen sprake zijn, want het gaat mij goed, zodat niets mij bedroeft. Ik ben nu met een man getrouwd die ik liefheb boven allen die leven en ik wil hem niet verlaten. Al was Lantsloet zรณ rijk, dat hij de gelijke was van Hector van Troje, en al had God hem vergund dat hij dezelfde kroon droeg die koning Alexander droeg, dan nog was hij voor mij niet goed genoeg. Ik heb veel liever mijn man, die mij al het goede gunt. Die zal ik eeuwig trouw zijn. Reinout O Sandrijn, prachtige vrouw, als hij u werkelijk niet kan krijgen, dan moet hij eeuwig ongelukkig blijven en in ellende leven.


[17r]

Dat ghi desen huwelic hebt ghedaen Dat mach v rouwen ymmermeer Want lantsloet die eedel heer Had v sekerlic ghetrouwet Sandrijn Reynout dat is dat mi niet en rouwet Noch nemmermeer rouwen en mach Want ic nye man op eerden en sach Dien ic seker meer doechden en gan Dan ic doe minen lieuen man Tis recht want hi ist wel weert Want hi is eenridder wide vermeert Ende oec een man van hoghen moede Wel gheboren ende rijc van moede Ende gheradich ende daer toe goet Daer om ist dat ic hem minnen moet Ende van doechden doen bekent Want mijn hert hem mit trouwen mint Bouen allen eertschen creatueren Nv en wil ic hier niet langher duren Reynout nv vaert mit haesten seer Ende segghet lantsloet uwen heer Dat hi nemmermeer en peynse om mi Reynout O eedel vrouwe van herten vri Na dien dattet dus wesen moet Soe bid ic v edel vrouwe goet Om een lytteyken dat ic mach Mitter waerheyt segghen dat ic sach

Dat u dit huwelijk hebt gesloten, dat zult u voor altijd betreuren, want Lantsloet, de edele heer, was zeker met u getrouwd. Sandrijn Reinout, dat betreur ik in het geheel niet en dat zal ik ook nooit betreuren, want ik heb nog nooit op aarde een man gezien die ik meer goeds toewens dan ik mijn lieve man doe. Terecht, want hij is het zeker waard, want hij is een zeer beroemde ridder en ook een man vol zelfvertrouwen, hoog van geboorte en rijk en behulpzaam en ook edel. Daarom moet ik hem liefhebben en zijn deugden roemen, want ik houd van hem met heel mijn hart, meer dan van alle mensen op aarde. Nu wil ik hier niet langer blijven. Reinout, vertrek nu met grote spoed en zeg tegen Lantsloet, uw heer, dat hij nooit meer aan mij moet denken. Reinout O vrouwe, edel van inborst, als het dan zo moet zijn, dan vraag ik u, edele vrouw, om een bewijs waarmee ik kan staven dat ik u vond


[17v]

Ende ghesproken hebbe ende ghesien Sandrijn Reynout vrient dat sal v gheschien Ic sal v gheuen principael Een lytteyken verstaetet wael Ghi sult segghen den ridder vri Dat ick stonde ende hi In eenen schonen boemgaert Daar quam een valc van hogher aert Ende vloech neder op eene gaerde Die eedel boem van hogher waerde Die schoon mit horeu1 bloemen stoet Dat suldi segghen den ridder goet Ende dat die valcke die daer quam Een bloem vander gaerden nam Ende alle die ander liet hi staen Sijn vederkijn ghinc hi neder slaen Ende vloch heen mit haesten groot Dat suldi segghen den eedelen ghenoot Ende corts soe quam die valc weder Ende sochre2 die gaerde op ende neder Maer hi en condese gheuinden niet Des doghede die valcke swaer verdriet Dat hi die gaerde niet en vant Dit suldi segghen die coenen wygant Hi sal v ghelouen van dien Dat ghi mi ghesproken hebt ende ghesien Als ghi hem dese tale ontbynt Nv heb ic mine reden voleyndt

1 2

[horeu] lees [horen] [sochre] lees [sochte]

en u gesproken en gezien heb. Sandrijn Vriend Reinout, dat kunt u krijgen. Ik zal u een overtuigend bewijs geven, begrijp dat goed. U moet tegen de edele ridder zeggen, dat hij en ik in een prachtige boomgaard stonden. Daar kwam een nobele valk en daalde neer op een tak van een edele, waardevolle boom, die vol met bloemen zat. Dat moet u zeggen tegen de edelman en ook dat de valk die daar kwam één bloem van de tak af plukte, en alle andere liet hij zitten. Hij sloeg met zijn vleugels en vloog weg met grote spoed. Dat moet u zeggen tegen de nobele edelman. En kort daarna kwam de valk terug en zocht de tak overal maar hij kon hem niet vinden. Het deed de valk veel verdriet dat hij de tak niet kon vinden. Dit moet u zeggen tegen de dappere strijder. Daardoor zal hij geloven dat u mij gesproken en gezien hebt, wanneer u hem deze geschiedenis vertelt. Nu heb ik mijn woorden beëindigd.


[18r]

Reynout god moet v bewaren Reynout Ay god heer nv moet ic varen Ende die scone sandrijn afterlaten Nv ben ic belast seer vter maten Hoe ic mijn bootscap besegghen sal Segghe ic hem die waerheyt al Dat si leeft ende noch is ghesont Ic weet wel ende dat is ons allen condt Dat hi sal hebben willen dat schone wijf Al soudt hem costen oec sijn lijf Ende alle die ghene die hem bestaen Ende ten vierde lede aen gaen Dat soude hi daer om auentueren Daer souder menich om besueren Den doot dat weet ic wel te voren Nochtan soe bleef den arbeyt verloren Want hi en machse ghewinnen niet Hi soude hem seluen int verdriet Brenghen ende oec grote heren Ic sal mijn sprake gaen verkeren Ende segghen dat si is doot Waer sijt ghi hoech gheboren ghenoot Van denemercke heer lantsloet Lantsloet Sijt willecoem lieue reynout Groot wellecoem soe moet ghi sijn Hebt ghi oec van sandrijn Yet vernomen dat segghet mi

Moge God u beschermen, Reinout. Reinout Ach, here God, nu moet ik vertrekken en de mooie Sandrijn achterlaten. Nu ben ik zeer in verlegenheid over hoe ik mijn boodschap overbrengen zal. Zeg ik hem de volle waarheid, dat ze nog leeft en in goede gezondheid is? Ik weet zeker en dat weten wij allemaal, dat hij dan de mooie vrouwe zal willen hebben, ook al zou hem dat zijn leven kosten en allen die familie van hem zijn tot in de vierde graad. Dat zou hij op het spel zetten. Dat zouden velen moeten bekopen met de dood, dat weet ik heel zeker. Toch zou het vergeefse moeite zijn, want hij kan haar niet krijgen. Hij zou zichzelf en andere hoge heren in ellende storten. Ik ga mijn verhaal veranderen en zeggen dat ze dood is. Waar bent u, hooggeboren edelman, heer Lantsloet van Denemarken? Lantsloet Wees welkom, Reinout, beste vriend. U verdient een warm onthaal. Hebt u iets gehoord van Sandrijn? Kom, zeg het mij.


[18v]

Reynont1 O eedel heer van herten vri Ic heb ghesocht in menich lant Soe langhe dat ic die vrouwe vant In een stat die hiet rynast Daer inne is die ioncfrouwe ghepast Ende is in aftijcke2 gheleghen Lantsloet heer vrij eedel deghen Daer vant ic dat reyne wijf Dat haer coste haer scone lijf Doe si van v hoerde ghewaghen Lantsloet Reynout dat sijn al saghtn3 Ic hoer wel dat ghi mi lieghet Ic wil dat ghi mi niet en bedrieghet Ghi en segghet mi die waerheyt claer Brocht ghi mi een lyteyken van haer Te bet soude ics ghelouen dan Reynout Och lantsloet hoech gheboren heer Ic sal v segghen principael Een lyteyken proper ende reael Dat mi gaf die vrouwe reyn Si seyde mi dat ghi mit v beyden Stont in een scoen boemgaert Daer een valc quam van hogher aert Ende bete neder op eene gaerde Die eedel boem van groter waerde Die schoen mit haren bloemen stoet

1

[Reynont] lees [Reynout] [aftijcke] lees [afrijcke] 3 [saghtn] lees [saghen] 2

Reinout O edele en uitnemende heer, ik heb gezocht in vele landen, totdat ik eindelijk de vrouw vond in een stad genaamd Rinast. Daarheen was de jonkvrouw overgestoken en die stad ligt in Afrika. Heer Lantsloet, edele ridder, daar vond ik de zuivere vrouw. Het kostte haar haar edele leven toen ze over u hoorde spreken. Lantsloet Reinout, dat zijn allemaal fabeltjes. Ik hoor wel dat u tegen me liegt. Ik wil dat u me niet bedriegt maar dat u mij de zuivere waarheid vertelt. Als u mij een bewijs van haar gaf dan zou ik het eerder geloven. Reinout Och Lantsloet, hooggeboren heer, ik zal u een overtuigend, bijzonder en betrouwbaar bewijs geven, dat de zuivere vrouw mij meegaf. Ze vertelde mij dat jullie tweeĂŤn in een mooie boomgaard stonden, waar een nobele valk kwam en neerstreek op een tak van een edele en waardevolle boom, die vol met bloemen zat.


[19r]

Dit hiet si mi v segghen ridder goet Ende die valc die daer quam Een bloem vander gaerden nam Ende alle die ander liet hi staen Sijn vederkijn ghinc hi van hem slaen Ende vloech heen mit haesten groot Dit seydese mi hoech gheboren ghenoot Ende daer na soe quam die valc weder Ende socht die gaerde op ende neder Maer hi en condese gheuinden niet Des doechde die valcke swaer verdriet Dat hi die gaerde niet en vant Dit litteyken coeue1 wygant Gaf mi die vrouwe vri Ende doe keerde si hoer aenschijn van mi Ende en sprac daer na niet meer Lantsloet Ay hemelsche coninc gheweldich heer Dat is een lytteyken proper ende goet Daer bi dat ic ghelouen moet Nv segt mi reynout is si dan doot Reynout Ja si hoech gheboren ghenoet Ende begrauen in die aerde Lantsloet O sandrijn ghi waert die gaerde Die schoon mit haren blomen stoet Ende ic die valcke des ben ic vroet Die een bloem daer af nam

1

[coeue] lees [coene]

Dit moest ik tegen u zeggen, edele ridder. En de valk die daar kwam, nam ĂŠĂŠn bloem van de tak en alle andere liet hij zitten. Hij sloeg met zijn vleugels en vloog weg met grote spoed. Dit vertelde zij mij, hooggeboren edelman. En daarna kwam de valk terug en zocht de tak overal, maar hij kon hem niet vinden. Het deed de valk veel verdriet dat hij de tak niet kon vinden. Dit bewijs, dappere strijder, gaf de edele vrouw mij. Toen keerde zij zich van mij af en sprak daarna niet meer. Lantsloet Ach, hemelse koning, machtige heer, dit is een duidelijk en goed bewijs, waardoor ik het moet geloven. Vertel me, Reinout, is ze dan dood? Reinout Ja, hooggeboren edelman, en begraven in de aarde. Lantsloet O Sandrijn, u was de tak die vol bloemen zat, en ik de valk, dat weet ik, die daar een bloem vanaf plukte,


[19v]

Want mi nye sint vroechde en bequam Dat ic die eedel gaerde verloes Sint heb ic gequolen altoes Ay wtuercoren vrouwe mijn Alle vroechde is mi pijn Die ic op eerden ye ghesach Mit recht roep ic o wy o wach Ouer die moeder die mi droech Want haer herte in vroechde loech Doen si mi gaf den valsehen1 raet O wee der bitterliker daet Ende der iammerliker moert Dat si mi spreken dede dat woert Daer ic bi verloes dat reyne wijf Dat mi ende haer sal costen dat lijf Want mijn herte is te mael doerboert Ic woude dat mi stake die moert Ende ic des leuens hadde een eynde Want weswaert dat ic mi keer of weynde Soe blijf ic altoes troesteloes Die ic mit goeder herten koes Heb ic mit valschen rade verloren Des heeft mijn herte soe groten toren Dattet mi breken sal van rouwen Ic hoep icse in hemelrijc sal bescouwen Daer om wil ic steruen oetmoedelic Ay oetmoedich god van hemelrijc Nv wilt haer ziel ende mijn ontfaen Want dat leuen is mit mi ghedaen

1

[valsehen] lees [valschen]

want ik heb daarna geen vreugde meer gekend sinds ik de edele tak kwijtraakte. Daarna heb ik altijd getreurd. Ach, mijn uitverkoren vrouw, alle vreugde die ik ooit op aarde zag, doet mij pijn. Met recht roep ik ‘o wee, o wee’ over de moeder die mij baarde, want in haar hart was ze verheugd, toen zij mij de valse raad gaf. O wee, wat een treurige daad en wat een jammerlijk schandaal dat zij mij de woorden liet spreken waardoor ik de zuivere vrouw verloor, wat mij en haar het leven zal kosten, want mijn hart is geheel doorboord. Ik wilde dat ik de dood vond en dat mijn leven ten einde kwam, want waarheen ik mij ook wend of keer, ik blijf altijd wanhopig. Degene die ik oprecht verkoos, heb ik door valse raad verloren. Daardoor heeft mijn hart zoveel leed dat het zal breken van verdriet. Ik hoop dat ik haar in de hemel zal zien. Daarom wil ik deemoedig sterven. Ach, genadige God van het hemelrijk, ontvang nu haar ziel en de mijne, want het leven is voor mij afgelopen.


[20r]

Conclusie Ghi maechden knapeu1 wijf ende man Nu neemt hier exempel an Soe wie dat mit trouwen mint Als hi sijn lief te wille vint Hi spreke hoes2 daer van Want van denemercken die eedel man Bi qualic spreken ende valschen rade Is hi ghecomen in groten scade Ende is ghestoruen die bitter doot God help die ziele wt alre noot Bi dit exempel sullen wi verstaen Dat die minne der werelt mach vergaen Mer minnen wi gode van hemelrijcke Die en sal ons niet beswiken Dus willen wi die werelt laten gliden Ende minnen gode tot allen tyden Ende bidden maria die maghet fijn Dat si in onse hulpe wil sijn Dat wi die min so moeten draghen Dat wi gode moghen behaghen Dat gundt ons god die hemelsche vader Nv segghet amen alle gader

Conclusie Meisjes, jongens, dames en heren, neem hier nu een voorbeeld aan: al wie oprecht liefheeft, laat hij, als zijn geliefde hem ter wille is, hoofs over haar spreken. Want de edele heer van Denemarken is door boosaardig spreken en valse raad in grote ellende gestort en een bittere dood gestorven. Moge God zijn ziel uit alle nood verlossen. Door dit voorbeeld moeten wij begrijpen dat de wereldse liefde vergankelijk is. Maar laten wij God in de hemel liefhebben; die zal ons niet in de steek laten. Dus moeten wij de wereld laten gaan en God te allen tijde beminnen en de zuivere maagd Maria vragen dat zij ons tot steun zal zijn, opdat wij zo mogen liefhebben dat wij God kunnen behagen. Dat geve ons God de hemelse vader. Zeg nu allen tezamen ‘amen’.

Dit boec is voleynt bi mi Gouert van ghemen ter goude in hollant

Dit boek is voltooid door mij, Govert van Ghemen, te Gouda in Holland.

1

[knapeu] lees [knapen] Er staat ‘hoes’ maar er is vast ‘hovesc’ bedoeld. In andere teksten komt voor hoveschelike of hovescelike, zie bijv. Leendertz, Middelnederlandse poëzie.

2


[21r]

Het tot heden eenig bekende exemplaar van deze te Gouda circa 1486 door GOVERT VAN GHEMEN gedrukte uitgave (zie CAMPBELL, Annales No. 974: HOLTROP, Monuments, pl. 73 [119]), berust in de Stadsbibliotheek te Lübeck en werd mij welwillend ter reproductie afgestaan. Het werd door HOFFMANN VON FALLERSLEBEN in zijn Horae Belgicae, deel V, blz. 1-44, uitgegeven naar dit zelfde exemplaar1. MARTINUS NIJHOFF ‘s-Gravenhage, Juli 1902.

1

Deze tekst is ook op internet te vinden op de site van Digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren.

http://www.dbnl.org/tekst/hoff004hora01_01/colofon.php


Lantsloet en Sandrijn  

Lantsloet en Sandrijn

Lantsloet en Sandrijn  

Lantsloet en Sandrijn