Surf! - door Chris Vick

Page 1

Een jongen. Een meisje. En de golf die hen overrompelde.

De vijftienjarige Sam is verhuisd van de grote stad naar de kust, samen met zijn moeder en zijn zusje. Daar leert hij zijn nieuwe buurmeisje Jade ­kennen: een mooie, coole surf girl. Al snel is Sam tot over zijn oren verliefd, op Jade én op surfen. Jade is kwetsbaarder dan ze lijkt. En ze is geobsedeerd door de Duivelshoorns, een ­legendarische plek waar de grootste golven zouden zijn. Niemand heeft er ooit gesurft. Sam vindt een oude zeekaart van zijn vader en kan Jades droom laten uitkomen. Maar is surfen bij de ­Duivelshoorns wel zo’n goed idee?

www.gottmer.nl ISBN 9789025761936

9 789025

761936 >

EEN VERHAAL DAT JE GRIJPT ALS EEN MONSTERGOLF




Eerste druk 2016 © 2016 Christopher Vick De oorspronkelijke uitgave van dit boek verscheen onder de titel Kook bij HarperCollins Children’s Books te Londen Voor het Nederlandse taalgebied: © 2016 Uitgeverij J.H. Gottmer / H.J.W. Becht BV, Postbus 317, 2000 AH Haarlem (e-mail: post@gottmer.nl) Uitgeverij J.H. Gottmer / H.J.W. Becht BV maakt deel uit van de Gottmer Uitgevers Groep BV Vertaling: Linda Broeder Vormgeving binnenwerk: Moker Ontwerp / Wonderwerk Omslagontwerp en illustratie: Moker Ontwerp Omslagillustratie gebaseerd op iStockbeeld © morrbyte Druk en afwerking: Ten Brink BV, Meppel isbn 978 90 257 6193 6 isbn 978 90 257 6537 8 (e-book) nur 284 www.gottmer.nl Behoudens de in of krachtens de Auteurswet van 1912 gestelde uitzonderingen mag niets uit deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of op een andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.


Voor Sarah en Lamorna



Kook (surftaal): een beginner, iemand die graag een surfer wil worden



1

Jade zorgde al vanaf dag één voor problemen. Vorig jaar, op een zaterdag begin september, verhuisden we terug naar Cornwall. Mam, mijn zusje Tegan en ik. Het was een zonnige dag, met een frisse wind. De eerste dag van de herfst, of de laatste van de zomer. We reden door het dorpje Penford, en na vijf minuten rijden door de heidevelden hobbelden we verder over een onverhard pad. Toen we aankwamen snapte ik waarom de huur zo laag was. Er stonden twee oude plattelandshuisjes, door stormen geteisterd, met mos op de daken en verrotte houten kozijnen, ingeklemd tussen de kliftoppen en de heide. Er stonden nog wat stenen muurtjes om de schapen weg te houden en een paar lage bomen die door de wind in vreemde vormen waren gebogen, maar dat was het wel zo’n beetje. Een kleine kilometer lager eindigde het land plotseling aan de rand van de klif. Wij zouden in het ene huisje gaan wonen. Jade, haar vader en hun hond woonden al in het andere. Ze kwamen ’s middags even langs, net toen mam de verhuizer ervan probeerde te overtuigen dat het niet haar schuld was dat de vering van zijn busje naar de knoppen was door het slechte pad. Jades vader stelde zichzelf en zijn dochter voor. Jade hield zich

9


afzijdig en liet hem praten. Hij zei dat we altijd een kopje suiker konden komen lenen, en meer van die burendingen. Ik luisterde verder niet naar hem. Ik was hard mijn best aan het doen om niet naar Jade te staren. Ze had lang, zwart haar. Haar ogen waren groenblauw als de zee, glinsterend in een honingbruin gezicht. Jade straalde, iets wat haar oude T-shirt en spijkerjasje niet konden verbergen. Ze keek me even aan met die zeegroene ogen en krulde haar mondhoeken op in een flauwe glimlach. Daar sloeg ze me mee aan de haak. ‘Hoe oud ben je, Sam?’ vroeg haar vader. ‘Sorry, wat zei u?’ vroeg ik. ‘Hoe oud ben je?’ ‘Vijftien.’ ‘Aha. Dan ga je dus naar Penwith High, net als Jade. Jullie kunnen samen optrekken en elkaar helpen met huiswerk en zo.’ Hij deed wel erg enthousiast. Volgens mij voelde het net zo ongemakkelijk voor Jade als voor mij. Later kwam ik erachter dat hij me met één oogopslag had gekeurd en had aangenomen dat ik ‘een goede invloed’ op Jade zou hebben. Anders dan de types waar ze normaal gesproken mee omging. We gingen naar de keuken om thee te drinken en een plak van de cake te eten die ze hadden meegenomen. Mam en Jades vader, Bob, kletsten over Cornwall terwijl Jade en ik een wedstrijdje ‘wie kan het minst zeggen’ deden. Maar ze leek Tegan wel te mogen. Jade gaf haar stukjes cake om aan de groezelige schaapshond te voeren. Toen ze opstonden om te gaan zei Bob: ‘Jade wilde Tess net gaan uitlaten. Je zou met haar mee kunnen gaan… O, wat dom van me. Jullie zijn aan het uitpakken. Een andere keer.’

10


‘Geeft niet,’ zei mam. ‘Je mag wel gaan, Sam, maar niet te lang. Als Jade het tenminste goed vindt?’ ‘Oké.’ Voordat ik ook maar iets kon zeggen liep Jade de keuken al uit met haar hond. Jade liep recht op de heuvel naast onze huizen af, meteen het pad op, als een meisje met een missie. ‘Waarom zo’n haast?’ vroeg ik toen ik haar had ingehaald. ‘Ik moet iets controleren.’ Ze had een lokaal accent. Maar niet heel sterk, en haar stem klonk hees. Eenmaal boven klommen we op een grote, platte steen en gingen zitten. Ze haalde een pakje sigaretten uit haar zak en gebruikte mij als windscherm om er eentje op te kunnen steken. Achter de heide lag de zee, blauw met wit en glinsterend. Het weerkaatste licht was zo fel dat ik door mijn wimpers moest turen. Ik had de zee bij Cornwall in geen jaren gezien, niet meer sinds de dood van pap, toen ik vier was. Ik kon me er maar weinig van herinneren. Ik had niet verwacht dat mijn hoofd zo zou tollen, alleen al door ernaar te kijken. De zee was zo uitgestrekt als de lucht. ‘Mooi uitzicht,’ zei ik. ‘Ja, zal wel. Hou eens vast,’ zei ze en ze gaf me haar sigaret. Ze haalde een kleine verrekijker uit haar spijkerjasje, stelde hem scherp en richtte hem op de zee in de verte. Verderop langs de kust stak een smalle landtong van kliffen de Atlantische Oceaan in. Jade verroerde zich niet, staarde alleen door de verrekijker terwijl ze af en toe haar sigaret aanpakte. De hond lag naast haar, met haar zwart-witte kop op Jades schoot. Toen ging Jade opeens gespannen rechtop zitten, alsof ze iets had gezien. Het enige wat ik zag was een smalle streep van wit schuim dat in de verte tegen de klif sloeg. ‘Waar kijk je naar?’ vroeg ik.

11


‘Seinpost.’ ‘Wat?’ ‘Zo heet die plek.’ Ze zuchtte en stopte de verrekijker weer in haar zak. ‘Ik kan de golven daar goed zien, daarom heet het Seinpost. Deining van ongeveer een meter. Surf je, Sam?’ ‘Nee.’ ‘Jammer. Ik wel.’ Ze sprong van de steen en liet me daar zitten met de smeulende sigarettenpeuk in mijn hand. Oké dan, zie je later, dacht ik. Maar… ‘Kom mee!’ riep ze over haar schouder terwijl ze de heuvel af rende. ‘Surfen?’ riep ik terug. Maar ze was al te ver weg om me te kunnen horen.

12


2

Terwijl ik haar achterna rende, dacht ik: shit, dit is nu al zo anders dan Londen. De zonnige heidevelden waren zo anders dan de flatgebouwen die oprezen rond metrostation Westbourne Park. Naar het strand rennen was zo anders dan naar een park vol hondenpoep gaan om een potje te voetballen. En Jade was zo anders dan… alle andere meisjes die ik ooit had ontmoet. Ze was niet alleen mooi. Ze had iets bijzonders. Iets rauws, iets puurs. Iets waar je naar wilde kijken, nee, naar móést kijken, al voelde dat als iets wat eigenlijk niet mocht. We liepen langs ons huisje en gingen meteen door naar dat van hen. Ze hadden er een houten schuur naast gebouwd. Die stond vol troep: een oude wasmachine, fietsen, kratten met boeken. Mijn oog viel op de surfboards die tegen de muur stonden, maar Jade liep door naar een ladder die naar een zolder leidde. Ik wilde haar volgen, maar ze zei: ‘Nee, wacht hier.’ Even later kwam ze weer naar beneden, met een wetsuit en een handdoek in haar armen. ‘Wat is er daarboven?’ vroeg ik. Ze gaf geen antwoord. Ze liep naar de surfboards en nam ze in zich op, waarna ze de middelste van de drie uitkoos: een oud, blauw, versleten ding, ongeveer een halve kop groter dan zij, met een V-vormige achterkant.

13


‘Deze fishtail is echt vet,’ zei ze terwijl ze langs de rand streek. ‘Doet het altijd goed.’ Ze gooide de wetsuit en de handdoek over haar schouder en klemde het board onder haar arm. Toen pakte ze een oude fiets die tegen een koelkast stond geleund. ‘Jij kunt m’n vaders fiets wel lenen,’ zei ze. ‘Maar ik kan niet surfen.’ ‘Dat zei je al. Kom toch maar mee. Anders lijk je helemaal een kook.’ ‘Wat is een kook?’ ‘Dat ben jij,’ zei ze terwijl ze op de fiets stapte. ‘Moet ik je soms helpen met…’ begon ik. Maar ze reed de deur al uit, sturend met haar ene hand terwijl ze met haar andere het surfboard onder haar arm klemde. De hond volgde haar, springend en kwispelend met haar staart. ‘Hoe doe je dat?’ vroeg ik. ‘Oefenen!’ riep ze. Het begon me te duizelen. Het ene moment zaten we nog cake te eten, het volgende moment stonden we boven op een heuvel en nu gingen we naar het strand. En dan deed ze ook nog eens bazig. Dat irriteerde me. Maar ik was ook enorm nieuwsgierig, en tja, ze was zo knap dat ik haar wel moest volgen. Ik pakte haar vaders fiets en ging haar achterna. Na tien minuten fietsen sloegen we een steenachtig paadje in, met de hond achter ons aan. We stopten aan de rand van de klif, bij de vervallen torens en muren van een oude tinmijn. We gooiden onze fietsen op de grond. Jade leidde ons langs een gevaarlijk – niet betreden-bordje naast de mijn, over een steil pad dat eindigde voor een enorme granieten kei vlak bij de rand van de klif. Ze liep naar de grote steen toe, legde haar surfboard erbovenop en strekte zich uit om hem verder omhoog te

14


duwen. Daar liet ze hem liggen, balancerend op de rand. Toen, met de handdoek en de wetsuit nog over haar schouder, drukte ze haar lichaam dicht tegen de steen en schuifelde eromheen, tot ze uit het zicht verdween. Een paar seconden later verdween het surfboard ook uit het zicht, weggetrokken over de rand van de steen. De hond rende langs de klif omhoog, zo over de kei. Het was alsof ze in het niets waren verdwenen. Ik stapte naar de rand van de klif en keek omlaag naar de zee. Mijn maag trok samen. Het was zeker negen meter naar beneden. Jade was om de steen heen geschuifeld alsof het niets was, over een richel van maar een paar centimeter breed. Als je uitgleed, dan viel je. Als je geluk had, dan kon je je nog aan een steen vastgrijpen. Maar de kans was groot dat je naar beneden zou storten. En dan was je er geweest. ‘Kom je nog?’ klonk Jades stem plagerig van achter de steen. ‘Ja, hoor,’ zei ik. Zonder die diepe afgrond had ik dit makkelijk gekund, dus waarom nu niet? Ik ging niet schijterig doen waar dit meisje bij was. Ik duwde mijn gezicht tegen het koele steen en schuifelde om de kei heen. Alle geluiden werden versterkt. Ik hoorde elke beweging van mijn voeten en elke hartslag, en als ik ademhaalde ruiste het in mijn oren. Ik kon mijn voeten niet zien. Ik moest er maar op vertrouwen dat ik ze op de juiste plek neerzette. Het duurde maar een seconde of tien, maar dat waren lange seconden. Snakkend naar adem bereikte ik de zeezijde. Jade stond te glimlachen, met haar ene wenkbrauw opgetrokken en een mondhoek opgekruld, alsof ze het wel grappig vond. Het pad, onzichtbaar vanaf de andere kant van de kei, liep verder omlaag langs de klif, met de rotswand aan de ene kant en

15


een diepe afgrond aan de andere. Het was niet meer dan zestig centimeter breed. Een lastige afdaling. Maar bij Jade zag het er allemaal heel makkelijk uit, net als fietsen met een surfboard. Waarschijnlijk had ze het al honderden keren gedaan. Er was geen strand beneden, alleen een vlakke strook stenen met poeltjes en zeewier. Verder op zee werd het water gegeseld door de wind, die witte schuimkoppen door de baai joeg. Maar hier was het water kalm, donker, spiegelglad. Ergens tussen deze geheime baai en de open zee zaten twee surfers op hun board, zo stil als standbeelden. ‘Als je iemand over deze plek vertelt, dan maken ze je af,’ zei Jade en wees naar hen. Ze klonk alsof ze het meende. Ze wikkelde haar handdoek om zich heen en begon zich om te kleden. Ze droeg een zwempak onder haar hoody. Dat had ze zeker op de zolder van de schuur aangetrokken. Weer staarde ik naar haar. Volgens mij was het niet zo dat ik stond te kwijlen of mijn mond open had of zo. Maar misschien ook wel, want ze keek me dreigend aan. ‘O, sorry,’ zei ik terwijl ik snel wegkeek. ‘Er zijn geen golven,’ zei ik. De zee was spiegelglad, met uitzondering van wat kabbelende golfjes aan de rand van de klif. ‘Lange golfperiode. Let maar op.’ Na een paar minuten draaide een van de surfers zijn board om en begon naar de kust te peddelen, als een opwindpop die ineens tot leven kwam. Eerst zag ik niet waarom, maar toen ik tegen het weerkaatste zonlicht in tuurde, zag ik een muur van water achter hem. Die rees op uit het blauwe water tot de top begon te schuimen. De surfer stuurde zijn board bij, peddelde een paar slagen, duwde zich op en zwaaide zijn voeten onder zich op het board, en in één beweging surfte hij langs de golfhelling omlaag, glijdend in een

16


lange rechte lijn, waarna hij zijn board liet zigzaggen in een reeks S-bochten. De golf brak perfect en droeg de surfer met zich mee, vlak voor het witte schuim uit. De andere surfer deed hetzelfde op de volgende golf. Hun gejoel weergalmde tussen de rotsen. En dat snapte ik wel. Zelfs toen snapte ik het al. Het zag eruit als ultieme vrijheid. Jade kwam naast me staan, in haar wetsuit. ‘Ik ga er ook een paar pakken, let jij op Tess,’ riep ze. Ze rende naar de zee, sprong van de klif en landde op haar surfboard. Met krachtige slagen peddelde ze door het donkere water. Ik ging zitten en keek toe, met de hond naast me, terwijl de zon langzaam daalde. Het zag er allemaal zo makkelijk uit bij hen. Ze gleden over de golven en draaiden hun lichaam en hun surfboard alsof ze op het water dansten. Dus ja, ik snapte het wel. En de kick die ik voelde kwam ook wel door deze plek, deze geheime baai en dit meisje, het surfen en de zon die in de zee zakte. Alles bij elkaar vormde dat iets heel fijns. Iets wat heel anders was dan Londen. Toen er nog een surfer aankwam voelde dat verkeerd, alsof hij mijn stukje paradijs was binnengedrongen. Dat sloeg natuurlijk nergens op. Ik was hier de buitenstaander. Hij was ongeveer even oud als ik, lang en breed, met een wilde bos zwart haar, een vlassig baardje en opvallend grote ogen. Maar die ogen hadden iets doordringends. Ze stonden alert, en waren op een punt in de verte gericht, alsof hij dwars door me heen keek. Hij glimlachte niet. Hij keek van nature spottend. Hij kwam naar me toe en ging dichterbij staan dan nodig was. Hij keek naar Tess alsof hij iets niet snapte. Volgens mij herkende hij de hond. ‘Is je maat daar ergens?’ vroeg hij, wijzend naar de zee.

17


‘Nee, ik ben hier met een meisje…’ zei ik. De surfer keek fronsend naar het water. ‘Ik bedoelde niet…’ stamelde ik. ‘Ze heeft me gewoon… hier mee naartoe genomen.’ ‘Aha. Surf jij ook?’ ‘Nee,’ zei ik. Hij knikte alsof ik het juiste antwoord had gegeven en liet me alleen achter. • Na ruim een uur in het water kwam Jade terug. En ik dacht: mooi, want ik moet nu echt naar huis. ‘Nou, dat was mazzel. Zag je me, Sam? Vette golven, man,’ zei ze terwijl ze op me afliep. Hiervoor was ze nogal nors geweest, maar nu grijnsde ze als een idioot en deed ze superaardig, alsof ze een peppilletje had geslikt of zo. ‘Heb je nu ook zin gekregen om te surfen?’ vroeg ze. Ik schudde mijn hoofd. ‘Luister, ik moet maar eens teruggaan.’ ‘Wacht nog even op mij,’ zei ze met een smekende blik in haar ogen. Dat kon wel. Het was al laat in de middag en ik moest echt terug om mam te helpen, maar tien minuutjes meer of minder maakte ook niet meer uit. Maar toen kwamen twee van de andere surfers het water uit en liep Jade naar ze toe om met ze te praten. Ik wilde haar niet opjagen, maar ik wist dat het al laat was, dat mam zich zou zitten opwinden. Toen ze even hadden gekletst kwam Jade terug om zich om te kleden. ‘Rag en Skip gaan boven een vuurtje maken. Laten we blijven.’ ‘Ik kan niet.’ ‘O.’ Ik keek naar de jongen die nog aan het surfen was en probeerde

18


niet te veel naar Jade te gluren terwijl ze zich omkleedde en met haar handdoek en kleren stond te klungelen. De stukjes huid die ik zag hadden de kleur van honing, of nat zand. Haar lichaam was gespierd, maar wel sexy. Dat had ik al gezien toen ze haar wetsuit aanhad. Een lichaam gevormd door jarenlang surfen. Ze had me stevig aan de haak geslagen. De surfer die me had gevraagd wie ik was lag nog steeds in het water, verder weg dan de rest was gegaan, wachtend op de laatste golf. Die pakte hij ook, een echt monster, hoger dan alle andere golven van die dag. Jade en de anderen bleven staan en keken toe. Die gast was goed. Alle andere surfers hadden zich met de golf mee laten voeren, lieten zich erdoor leiden, maar hij domineerde de golf, sneed door het water, maakte krankzinnige bochten, kerfde diepe groeven in de golf en liet het water opstuiven, glinsterend in het zonlicht in alle kleuren van de regenboog. Halverwege de golf maakte hij een te scherpe bocht, net toen de golf brak. Hij werd overspoeld en met spartelende armen en benen opgeslokt door een schuimende watermassa. ‘Redt hij zich wel?’ vroeg ik. Ze schoten allemaal in de lach. Een van de surfers, een stevige jongen met lang, blond, krullend haar riep: ‘Verwaande eikel!’ Jade had zich inmiddels omgekleed. Ze kwam naar me toe en praatte op zachte toon terwijl ze haar haar afdroogde. ‘Ze zijn stikjaloers. Zij kunnen niet zo surfen.’ Ze glimlachte nog steeds. ‘Kom mee, dan stel ik je voor aan de rest, kun je G laten zien dat je oké bent,’ zei ze, en ze gooide haar natte handdoek naar me toe. ‘Wie?’ ‘Hij, de verwaande eikel,’ zei ze, wijzend naar de surfer die nu de zee uit kwam. ‘Ik sprak hem even in het water. Hij is niet blij dat ik je hier mee naartoe heb genomen.’

19


‘Waarom heb je dat eigenlijk gedaan?’ Ik gooide de handdoek naar haar terug. ‘Gewoon omdat je er was, denk ik.’ Ze haalde haar schouders op. ‘En je vader dan, vraagt hij zich niet af waar je blijft?’ ‘Nee, joh. Dat kan hem niets schelen. Maar goed, er zit alleen verlichting op mijn vaders fiets, dus je moet op me wachten…’ Ze zweeg even en keek me aan. ‘Waar is jouw vader eigenlijk, Sam? Of ben je alleen met je moeder en je zusje?’ De meeste mensen zouden daar niet naar hebben gevraagd. Dat zouden ze te opdringerig vinden. Jade niet. ‘Ja. Dat klopt. We zijn maar met z’n drietjes,’ zei ik. We waren naar Cornwall teruggekomen om het bij te leggen met mijn vaders moeder, mijn oma, die ik al zeker tien jaar niet had gezien. Niet meer sinds paps dood. Nu ging zíj dood. Aan kanker. Maar dat wilde ik niet allemaal uitleggen. Niet aan Jade, niet op dat moment. Dus ja, we woonden ‘maar met z’n drietjes’ in dat kleine huis. Maar daar wilde ik nu niet zijn, om dozen uit te pakken. Jade begon net aardig tegen me te doen. Heel aardig. En ik dacht: hoeveel kansen krijg ik nou om vrienden te maken? Dus we bleven.

20