Page 1


De Legend-serie Boek 1 Legend Boek 2 Wonderkind


L EGEND B OEK 2

M A RIE L U

Gottmer • Haarlem


Kijk voor meer leuke kinder- en jeugdboeken van de Gottmer Uitgevers Groep op www.gottmer.nl

© 2013 Xiwei Lu Oorspronkelijke titel: Prodigy Oorspronkelijke uitgever: G.P. Putnam’s Sons, onderdeel van Penguin Young Readers Group, New York Voor het Nederlandse taalgebied: © 2013 Uitgeverij J.H. Gottmer / H.J.W. Becht BV, Postbus 317, 2000 AH Haarlem (e-mail: post@gottmer.nl) Uitgeverij J.H. Gottmer / H.J.W. Becht BV maakt deel uit van de Gottmer Uitgevers Groep BV Vertaling: Sofia Engelsman Ontwerp en vormgeving: Marikka Tamura Zetwerk: Crius Group, Hulshout ISBN 978 90 257 5145 6 (boek) ISBN 978 90 257 5421 1 (e-book) NUR 284, 285 Behoudens de in of krachtens de Auteurswet van 1912 gestelde uitzonderingen mag niets uit deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of een andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.


Voor Primo Gallanosa, het licht in mijn leven


L A S V EG A S , NE V A D A R EPUBLIEK A MERIK A

B E V O L K I N G : 7. 4 2 7. 4 3 1


June 4 JANUARI. 19.32 UUR. TIJDZONE OCEAAN. VIJFENDERTIG DAGEN NA DE DOOD VAN METIAS.

Day wordt met een schok wakker. Zijn voorhoofd is bedekt met zweet, zijn wangen zijn nat van de tranen. Hij ademt zwaar. Ik buig me over hem heen en strijk een vochtige pluk haar uit zijn gezicht. Op de wond aan mijn schouder zit al een korst, maar door die beweging begint hij weer te kloppen van de pijn. Day gaat rechtop zitten, wrijft vermoeid met zijn hand over zijn ogen en kijkt om zich heen in onze slingerende wagon, alsof hij iets zoekt. Eerst kijkt hij naar de stapel kratten in een donkere hoek, dan naar de juten zakken op de vloer en dan naar het kleine zakje met voedsel en water dat tussen ons in ligt. Het duurt een volle minuut voor hij weer weet waar hij is, voor hij zich herinnert dat we aan boord zijn van een trein die op weg is naar Vegas. Er gaan een paar seconden voorbij voordat hij zijn verkrampte spieren ontspant en vermoeid tegen de wand van de wagon leunt. Ik raak zachtjes zijn hand aan. ‘Gaat het wel?’ Die vraag stel ik hem voortdurend. Day haalt zijn schouders op. ‘Jawel,’ mompelt hij. ‘Nachtmerrie.’ 9


Er zijn negen dagen verstreken sinds we uit Batalla Hall zijn ontsnapt en uit Los Angeles zijn weggevlucht. Sindsdien heeft Day nachtmerries, elke keer als hij zijn ogen sluit. Vlak na onze vlucht, toen we even konden uitrusten in een lege treinwagon op een verlaten rangeerterrein, werd Day een keer gillend wakker. Nog een geluk dat er net geen soldaten of agenten van de straatpolitie in de buurt waren. Sindsdien heb ik de gewoonte om hem over zijn haar te aaien als hij net in slaap is gevallen, om zachtjes zijn wangen en voorhoofd en oogleden te kussen. Nog steeds wordt hij verstikt door tranen wakker, met een verwilderde blik om zich heen speurend naar alles wat hij kwijt is geraakt. Maar hij doet dat nu tenminste wel in stilte. Soms, als Day zo in zichzelf gekeerd is als nu, vraag ik me wel eens af of hij niet gek aan het worden is. Die gedachte maakt me bang. Ik kan hem niet verliezen. Ik maak mezelf wijs dat dat om praktische redenen is: op dit moment zou ik weinig kans hebben om te overleven, in mijn eentje, en zijn vaardigheden vormen een goede aanvulling op de mijne. En daarbij... ik heb verder niemand meer om te beschermen. Zelf laat ik ook genoeg tranen stromen, maar ik wacht altijd tot Day slaapt, voordat ik eraan toegeef. Vannacht heb ik om Ollie gehuild. Het voelt een beetje dwaas om te huilen om mijn hond terwijl de Republiek onze families heeft uitgemoord, maar ik kan er niets aan doen. Metias was degene die hem ooit mee naar huis nam, een witte pluizenbol met gigantische poten, flapperende oren en warme, bruine ogen. Het liefste, meest onbeholpen wezen dat ik ooit had gezien. Ollie was mijn jongen, en ik heb hem achtergelaten. ‘Waar droomde je over?’ fluister ik tegen Day. ‘Niets bijzonders.’ Day gaat verzitten. Zijn gezicht vertrekt 10




van de pijn als hij per ongeluk met zijn gewonde been over de vloer schuurt. Zijn hele lichaam verstrakt, en ik zie hoe verkrampt zijn armen zijn, hoe de soepele spieren die hij te danken heeft aan zijn jaren op straat, opbollen onder zijn shirt. Een getergde zucht ontsnapt aan zijn lippen. Hoe hij me tegen de muur drukte in die steeg, de hongerigheid van zijn eerste kus... Ik wend mijn blik af van zijn mond en verjaag die herinnering snel, enigszins beschaamd. Hij knikt naar de deuren van de wagon. ‘Waar zijn we? We zijn er nu bijna, toch?’ Ik sta op, blij met deze afleiding, en zet me schrap tegen de slingerende wand van de wagon terwijl ik uit het kleine raampje tuur. Het landschap is weinig veranderd – een aaneenschakeling van woonkazernes en fabrieken, schoorstenen en oude snelwegen, allemaal grauw gekleurd door het grijspaarse licht van deze regenachtige middag. We rijden nog steeds door sloppensectoren. Ze verschillen weinig van de arme wijken in Los Angeles. In de verte strekt een enorme dam zich uit, ik kan het einde niet eens zien. Ik wacht tot er een JumboTron langs flitst en knijp mijn ogen samen om de kleine letters onder aan het scherm te kunnen lezen. ‘Boulder City, Nevada,’ zeg ik. ‘We zijn nu vlakbij. De trein zal hier wel even stoppen, maar daarna is het denk ik nog maar vijfendertig minuten naar Vegas.’ Day knikt. Hij buigt zich voorover en knoopt de zak met voedsel open, op zoek naar iets eetbaars. ‘Mooi. Hoe eerder we daar zijn, hoe eerder we de Patriotten hebben gevonden.’ Hij lijkt afwezig. Soms vertelt Day me waar zijn nachtmerries over gaan – dat hij zakt voor zijn Proef, Tess is kwijtgeraakt op straat of op de vlucht is voor de pestpatrouilles. Het zijn nachtmerries waarin hij de meest gezochte crimineel van 

11


de Republiek is. Op andere momenten, als hij is zoals nu en niets vertelt over zijn dromen, weet ik dat ze over zijn familie gingen – de dood van zijn moeder, of de dood van John. Misschien is het ook maar beter dat hij me daar niet over vertelt. Ik heb al genoeg akelige dromen van mezelf, en ik weet niet of ik moedig genoeg ben om die van hem ook te kennen. ‘Je wilt die Patriotten echt per se vinden, hè?’ zeg ik, terwijl Day een homp uitgedroogd brood uit de zak vist. Dit is niet de eerste keer dat ik hem vragen stel over zijn vaste voornemen om naar Vegas te gaan, en ik benader het onderwerp voorzichtig. Het laatste wat ik wil is dat Day denkt dat ik niet om Tess geef, of dat ik bang ben om de meest beruchte rebellengroepering van de Republiek te ontmoeten. ‘Tess is uit vrije wil met ze meegegaan. Brengen we haar niet in gevaar als we proberen haar terug te halen?’ Day geeft niet meteen antwoord. Hij scheurt de homp brood in tweeën en biedt mij een stuk aan. ‘Neem ook wat, oké? Je hebt al een tijdje niets gegeten.’ Ik steek beleefd mijn hand op. ‘Nee, dank je,’ antwoord ik. ‘Ik hou niet van droog brood.’ Meteen wens ik dat ik de woorden weer terug kon proppen in mijn mond. Day slaat zijn blik neer en stopt de tweede helft weer terug in de zak. Dan begint hij rustig zijn stuk op te eten. Wat ongelooflijk stom van me om dat te zeggen. Ik hou niet van droog brood. Ik kan bijna horen wat er nu in zijn hoofd omgaat. Rijkeluismeisje, met haar deftige maniertjes. Zij kan het zich veroorloven om eten niet lekker te vinden. In stilte scheld ik mezelf uit en ik neem me voor om de volgende keer beter op mijn woorden te letten. 12




Na een paar happen geeft Day antwoord. ‘Ik ga Tess daar gewoon niet achterlaten als ik niet zeker weet of alles goed met haar is.’ Natuurlijk doet hij dat niet. Day zou nooit iemand in de steek laten om wie hij geeft, vooral niet het weesmeisje met wie hij samen op straat heeft geleefd, al die jaren. Ik begrijp ook wel dat een ontmoeting met de Patriotten waardevol kan zijn – ze hebben mij en Day tenslotte wel geholpen om te ontsnappen uit Los Angeles. Het is een grote, goed georganiseerde beweging. Misschien weten ze meer over wat de Republiek uitspookt met Days kleine broertje Eden. Misschien kunnen ze zelfs helpen om de zwerende wond aan Days been te genezen – sinds die noodlottige ochtend waarop commandant Jameson hem in zijn been schoot, bij zijn arrestatie, gaat het met die verwonding alle kanten op, eerst beter en dan weer slechter. Inmiddels is zijn linkerbeen één grote, open wond. Hij heeft dringend medische zorg nodig. Maar we hebben wel een probleem. ‘De Patriotten helpen ons alleen als we er op de een of andere manier voor betalen,’ zeg ik. ‘Wat hebben we ze te bieden?’ Om mijn punt kracht bij te zetten stop ik mijn handen in mijn zakken en haal ons magere kapitaaltje tevoorschijn. Vierduizend Biljetten. Alles wat ik bij me had toen we op de vlucht sloegen. Eerlijk gezegd mis ik de luxe van mijn vroegere leven ongelooflijk. En dan te weten dat mijn familie nog miljoenen Biljetten op haar naam heeft staan, geld waar ik nooit meer bij zal kunnen. Day slikt de laatste hap van zijn brood weg en overweegt mijn woorden met samengeperste lippen. ‘Ja, dat is een probleem,’ zegt hij dan, terwijl hij zijn hand door zijn warrige 

13


blonde haren haalt. ‘Maar heb jij een beter idee? Bij wie kunnen we anders terecht?’ Hulpeloos schud ik mijn hoofd. Daar heeft Day gelijk in – hoe weinig zin ik ook heb om de Patriotten terug te zien, we hebben niet erg veel keus. Toen de Patriotten ons net hadden geholpen om te ontsnappen uit Batalla Hall, toen Day nog bewusteloos was en ik gewond aan mijn schouder, had ik de Patriotten gevraagd of we met ze mee mochten naar Vegas. Ik hoopte dat ze ons wilden blijven helpen. Dat hadden ze geweigerd. ‘Je hebt ons betaald om Day te helpen ontsnappen aan zijn executie. Je hebt ons niet betaald om jullie gewond en wel helemaal mee te zeulen naar Vegas,’ had Kaede tegen me gezegd. ‘Wat denk je nou? De soldaten van de Republiek zitten achter jullie aan. We zijn verdorie geen liefdadigheidsinstelling. Ik steek mijn nek niet nog eens uit voor jullie, tenzij er geld tegenover staat.’ Tot dat moment had ik bijna geloofd dat de Patriotten werkelijk om ons gaven. Maar Kaedes woorden hadden me wakker geschud. Ze hadden ons geholpen omdat ik Kaede 200.000 Republikeinse Biljetten had betaald, het geld dat ik had gekregen als beloning omdat ik Day had opgespoord en gevangen had genomen. En ik had nog flink moeten aandringen voordat ze haar makkers van de Patriotten stuurde om ons te helpen. Toestemming krijgen voor Day, om Tess te zien. Medische hulp voor Day. Informatie over waar Days broer zich bevindt. Voor al die dingen zullen ze geld willen zien. Had ik maar de kans gehad om meer mee te nemen voordat we vluchtten. ‘Vegas is de gevaarlijkste plek om nu naartoe te gaan,’ zeg ik tegen Day, terwijl ik voorzichtig over mijn schouder wrijf. 14




‘En misschien willen de Patriotten ons niet eens spreken. Ik wil er gewoon zeker van zijn dat we hier goed over hebben nagedacht.’ ‘June, ik weet dat je het niet gewend bent om de Patriotten als bondgenoten te zien,’ antwoordt Day. ‘Je bent getraind om ze te haten. Maar ze zijn dus wel een mogelijke bondgenoot. Ik vertrouw ze meer dan dat ik de Republiek vertrouw. Jij niet dan?’ Ik weet niet of hij expres zo beledigend is. Day snapt niet wat mijn punt is: dat de Patriotten ons waarschijnlijk niet zullen helpen en dat we dan vastzitten in een stad die krioelt van de militairen. Maar Day denkt dat ik twijfel omdat ik de Patriotten niet vertrouw. Dat ik diep vanbinnen nog steeds June Iparis ben, het gevierde wonderkind van de Republiek... dat ik dit land nog steeds trouw ben. En, is dat zo? Ik ben nu een crimineel en ik zal mijn oude, comfortabele leventje nooit meer kunnen oppakken. Die gedachte bezorgt me een misselijk, hol gevoel, alsof ik het mis om het lievelingetje van de Republiek te zijn. Misschien is dat ook zo. Als ik niet langer de lieveling van de Republiek ben, wie ben ik dan wel? ‘Oké. We gaan op zoek naar de Patriotten,’ zeg ik. Het is duidelijk dat ik hem niet op andere gedachten kan brengen. Day knikt. ‘Dank je,’ fluistert hij. Een vaag lachje verschijnt op zijn prachtige gezicht, dat me lijkt uit te nodigen, warm en onweerstaanbaar, maar hij doet geen poging me te omhelzen. Hij reikt niet naar mijn hand. Hij schuift niet wat dichter naar me toe zodat onze schouders elkaar raken, hij aait me niet over mijn haar, fluistert niet geruststellend in mijn oor en laat zijn hoofd niet tegen het mijne rusten. Ik had niet beseft hoezeer 

15


ik inmiddels verlang naar die kleine gebaren. Op de een of andere manier is er opeens een enorme afstand tussen ons. Misschien ging zijn nachtmerrie wel over mij. Het nieuws wordt bekendgemaakt vlak nadat we zijn aangekomen in de grootste straat van Las Vegas. Als er overigens ĂŠĂŠn plek is in Vegas waar we niet zouden moeten zijn, is het wel de hoofdstraat. Langs beide zijden van deze drukke straat staan JumboTrons opgesteld (zes stuks per huizenblok), en op de schermen is een eindeloze stroom nieuwsberichten te zien. Oogverblindende zoeklichten speuren onverbiddelijk de omgeving af. De gebouwen hier zijn zeker twee keer zo hoog als in Los Angeles. Het centrum van de stad wordt gedomineerd door torenhoge wolkenkrabbers en enorme piramidevormige dokken (acht in totaal, met vierkante basis, de zijmuren gelijkzijdige driehoeken) met fel schijnende lichtbakens op de top. De woestijnlucht ruikt naar rook en voelt pijnlijk droog; hier geen verfrissende hoosbuien, geen grote meren. Op straat patrouilleren soldaten (in langgerekte, rechthoekige formaties, typerend voor Vegas) gekleed in de zwarte uniformen met donkerblauwe strepen van troepen die afwisselend in de stad en aan het front worden ingezet. Verderop, voorbij deze hoofdstraat vol wolkenkrabbers, zie ik tientallen straaljagers die achter elkaar aan naar hun positie rollen op een groot vliegveld. Boven ons hoofd zweven luchtschepen. Dit is een militaire stad, een wereld vol soldaten. De zon is net onder als Day en ik de hoofdstraat bereiken en de straat beginnen af te lopen. Day leunt zwaar op mijn schouder terwijl we proberen in de mensenmassa op te gaan. Zijn ademhaling is oppervlakkig, en zijn gezicht is vertrokken 16




van de pijn. Ik doe mijn best om hem onopvallend te ondersteunen, maar door zijn gewicht lukt het me niet in een rechte lijn te lopen, waardoor het lijkt alsof ik te veel gedronken heb. ‘Hoe doen we het, tot nu toe?’ mompelt hij in mijn oor, waarbij hij zijn hete lippen tegen mijn huid drukt. Ik weet niet of hij buiten zichzelf is door de pijn of dat hij geïnspireerd is door mijn outfit, maar ik moet zeggen dat ik zijn schaamteloze geflirt van vanavond helemaal niet erg vind. Het is een welkome afwisseling, na de ongemakkelijke afstandelijkheid tijdens onze treinrit. Hij let goed op dat hij zijn hoofd omlaag houdt, zijn ogen verborgen onder zijn lange wimpers en afgewend van de soldaten die ons passeren. Hij schurkt een beetje in zijn militaire jasje, alsof de stugge stof hem irriteert. Een zwarte soldatenpet verhult zijn witblonde haar en een groot deel van zijn gezicht. ‘Best goed,’ antwoord ik. ‘Denk erom, je bent dronken. En blij. Je moet doen alsof je wel zin hebt in je escort. Dus lach eens wat meer.’ Day plakt een enorme kunstmatige lach op zijn gezicht. Charmant als altijd. ‘Kom op nou, liefje. Volgens mij doe ik het heel aardig. Ik heb mijn arm om de mooiste meid hier op straat – hoe kan ik nou geen zin in je hebben? Zie ik er dan niet uit alsof ik zin in je heb? Kijk maar, ik heb zin in je.’ Hij fladdert overdreven met zijn wimpers. Hij ziet er zo bespottelijk uit dat ik in de lach schiet. Een voorbijganger kijkt even naar me. ‘Ja, veel beter.’ Ik huiver als hij zijn gezicht in het kuiltje van mijn hals drukt. Blijf in je rol. Concentreer je. De goudkleurige sieraadjes om mijn middel en enkels rinkelen onder het lopen. ‘Hoe is het met je been?’ Day trekt zich iets van me terug. ‘Dat ging eigenlijk best, tot 

17


jij erover begon,’ fluistert hij. Dan vertrekt zijn gezicht, omdat hij struikelt over een losse tegel. Ik pak hem wat steviger beet. ‘Ik red het wel tot we weer even gaan rusten.’ ‘Denk erom,’ zeg ik, ‘druk twee vingers tegen je voorhoofd als we moeten stoppen.’ ‘Ja, ja. Ik laat het je weten als ik het niet meer trek.’ Weer worden we gepasseerd door een stel soldaten, ieder met hun eigen escort, lachende meisjes die zijn uitgedost met glinsterende oogschaduw en elegant geschilderde gezichtstatoeages, hun lichamen nauwelijks bedekt door de danskostuums met rode namaakveren. Een van de soldaten begint te grijnzen als hij me ziet. Hij spert zijn wazige ogen wijd open. ‘Van welke club ben jij, schoonheid?’ zegt hij met dubbele tong. ‘Ik kan me jouw gezicht niet herinneren.’ Zijn hand gaat naar mijn ontblote middel, gretig op zoek naar naakte huid. Voor hij me kan aanraken schiet Days arm naar voren om de soldaat ruw weg te duwen. ‘Hé, afblijven!’ Day grinnikt en knipoogt naar de soldaat, alsof hij een geintje maakt, maar de dreiging in zijn ogen en stem zorgt ervoor dat de andere man achteruitdeinst. Die knippert met zijn ogen, mompelt dan wat en wankelt achter zijn vrienden aan. Ik probeer de manier waarop de echte escortmeisjes giechelen te imiteren en schud mijn haar naar achteren. ‘Laat het de volgende keer gewoon gaan,’ sis ik in Days oor, waarna ik een kus op zijn wang druk alsof hij mijn favoriete klant is. ‘Op een gevecht zitten we nu echt niet te wachten.’ Day haalt zijn schouders op en loopt moeizaam verder. ‘Dat zou dan een gevecht van niets zijn geweest. Die vent kon amper op zijn benen staan.’ 18




Ik schud mijn hoofd en besluit hem maar niet te wijzen op de ironie van zijn woorden. Alweer stommelt een groep soldaten voorbij onder luid, dronken gejoel. (Zeven cadetten, twee luitenants, gouden armbanden met Dakota-insignes, wat betekent dat ze hier net zijn gearriveerd uit het noorden en hun armbanden nog niet hebben verruild voor nieuwe met het insigne van hun fronttroepen.) Ze hebben hun armen om escortmeisjes van de Bellagio-clubs geslagen – glinsterende meisjes met donkerrode fluwelen halsbanden en een B op hun arm getatoeëerd. Deze soldaten zijn waarschijnlijk gelegerd in de soldatenverblijven boven de clubs. Ik kijk nog eens naar mijn eigen kostuum. Gestolen uit de kleedkamers van Sun Palace. Oppervlakkig gezien zie ik eruit als alle andere escorts. Gouden kettingen met bedeltjes eraan om mijn middel en enkels. Veren en gouden linten in mijn donkerrode (met kleurspray bespoten) gevlochten haar. Donkergrijze oogschaduw met glitters. Een namaaktatoeage van een woeste feniks op mijn wang en ooglid. De rode zijde van het kostuum laat mijn armen en buik bloot, en ik draag rijglaarsjes met donkere veters. Maar ik heb iets aan mijn kostuum toegevoegd wat de andere meisjes niet hebben. Een kettinkje met dertien kleine, glimmende spiegeltjes. Ze gaan deels schuil onder de andere sieraden die om mijn enkel zijn gewikkeld, en van een afstand lijken ze gewoon bij de rest te horen. Totaal onopvallend. Maar nu en dan, als het licht van de straatlantaarns erop valt, veranderen de spiegeltjes in een serie fel glimmende lichtjes. Dertien stuks, het onofficiële getal van de Patriotten. Dit is ons signaal voor hen. Ze hou

19


den de hoofdstraat van Vegas voortdurend in de gaten, dus ik weet dat ze die dertien flitsende lichtjes die ik bij me draag in elk geval zullen opmerken. En als ze dat doen, zullen ze ons herkennen als het stel dat ze hebben geholpen in Los Angeles. De JumboTrons aan de gevels flakkeren even. De eed kan nu elk moment beginnen. Anders dan in Los Angeles wordt de nationale eed in Vegas vijf keer per dag afgedraaid – al die JumboTrons pauzeren even tijdens de reclameboodschap, of wat het ook is dat ze net vertonen, en spelen dan het volgende af via de openbare geluidsinstallatie: Ik beloof mij te wijden aan de vlag van de grote Republiek van Amerika, aan onze Elector Primo, aan onze glorieuze staten, aan onze gezamenlijke strijd tegen de Koloniën, aan onze aanstaande overwinning! Nog maar kort geleden dreunde ik die eed elke morgen en elke middag op, met net zo veel enthousiasme als alle anderen, vastberaden om te voorkomen dat de Koloniën in het oosten ons geliefde land aan de westkust zouden overnemen. Dat was voordat ik wist welke rol de Republiek had gespeeld bij de dood van mijn familieleden. Wat ik er nu van vind, weet ik eigenlijk niet. Dat de Koloniën mogen winnen? De JumboTrons beginnen een nieuwsbericht uit te zenden. Een samenvatting van de week. Day en ik kijken naar de koppen die over het scherm vliegen: REPUBLIEK NEEMT GROOT STUK LAND VAN KOLONIËN IN NA OVERWINNING BIJ AMARILLO, OOST-TEXAS WAARSCHUWING VOOR OVERSTROMING IN SACRAMENTO INGETROKKEN

20


 ELECTOR BEZOEKT TROEPEN AAN NOORDELIJK FRONT, GOED VOOR MORAAL

De meeste berichten zijn tamelijk oninteressant – de gebruikelijke mededelingen over het front, weersvoorspellingen, nieuwe wetgeving, quarantaineberichten voor Vegas. Dan tikt Day op mijn schouder en gebaart naar een van de schermen. QUARANTAINE IN LOS ANGELES NU OOK IN SECTOREN EMERALD EN OPAL

‘De edelstenensectoren?’ fluistert Day. Mijn ogen zijn nog op het scherm gericht, hoewel het bericht al verdwenen is. ‘Daar wonen toch alleen rijke mensen?’ Ik weet niet wat ik moet zeggen, want ik ben zelf nog aan het proberen deze informatie te verwerken. De sectoren Emerald en Opal... Is dat een vergissing? Of is de pestuitbraak in Los Angeles inmiddels zo ernstig dat er zelfs op de JumboTrons hier in Vegas over wordt bericht? Ik heb nog nooit meegemaakt dat er ook in de rijke sectoren een quarantaine wordt ingesteld. De Emerald-sector grenst aan de Ruby-sector – betekent dat dat de sector waar ik vandaan kom ook in quarantaine moet? Hoe zit het dan met onze vaccinaties? Die moeten dit toch juist voorkomen? Ik denk terug aan wat Metias had opgeschreven in zijn dagboek. Een dezer dagen, had hij geschreven, komt er een virus dat we niet meer in de hand kunnen houden. Ik herinner me alle dingen die Metias heeft onthuld, de ondergrondse fabrieken, de oncontroleerbare ziekten... de systematische uitbraken van de pest. Ik huiver. Los Angeles 

21


zal het wel de kop indrukken, vertel ik mezelf. De pestepidemie zal weer uitdoven, net als altijd. Nog meer mededelingen komen voorbij. Eén bericht, waarmee we inmiddels vertrouwd zijn, gaat over Days executie. Daarbij laten ze de beelden zien van de executieplaats, waar Days broer John de kogels opvangt die voor Day waren bedoeld, waarna hij voorover op de grond valt. Day wendt zijn blik af. Een ander bericht is recenter. Dit is wat er staat: VERMIST SS-NR. 2001963034 ------------------------JUNE IPARIS AGENT VAN DE STADSPATROUILLE VAN LOS ANGELES LEEFTIJD/GESLACHT: 15, VROUW, 1,65 M KLEUR HAAR: BRUIN KLEUR OGEN: BRUIN VOOR HET LAATST GEZIEN IN BATALLA HALL, LOS ANGELES BELONING 350.000 BILJETTEN ALS U HAAR ZIET, MELD HET DAN METEEN BIJ UW LOKALE AUTORITEIT

Dat is wat de Republiek de mensen wijs wil maken. Dat ik vermist ben, dat ze hopen me gezond en wel terug te vinden. Wat ze er niet bij zeggen is dat ze me dood willen hebben. Ik heb de beruchtste crimineel van het land geholpen om te ontsnappen aan zijn executie, bijgestaan door de rebellerende Patriotten tijdens een in scène gezette opstand bij het militaire 22




hoofdkwartier. Ik heb de Republiek verraden. Maar dat maken ze liever niet bekend, dus jagen ze in het geheim op me. Bij het opsporingsbericht vertonen ze de foto van mijn militaire ID – een portret waarop ik ernstig in de camera kijk, recht van voren genomen, zonder make-up, waarop alleen een stukje van mijn glanzende donkere paardenstaart zichtbaar is, plus een glimmend gouden zegel van de Republiek op mijn zwarte uniformjas. Ik ben dankbaar dat die fenikstatoeage nu de helft van mijn gezicht verhult. We zijn al halverwege de hoofdstraat als de luidsprekers krakend tot leven komen, voor de eed. We blijven staan, waarbij Day weer struikelt en bijna valt. Maar ik kan hem snel genoeg opvangen om hem overeind te houden. De mensen op straat kijken omhoog naar de JumboTrons (op de soldaten na die bij elk kruispunt staan opgesteld om ervoor te zorgen dat iedereen meedoet met de eed). Het beeld op de JumboTron gaat even op zwart, en dan verschijnt een serie haarscherpe portretten van de Elector Primo. Ik beloof me te wijden... Het is bijna geruststellend om die woorden te herhalen, samen met alle anderen op straat. Tenminste, totdat ik weer moet denken aan alles wat er veranderd is. Ik denk terug aan de avond van de dag waarop ik Day gevangen had genomen, toen de Elector en zijn zoon me persoonlijk kwamen feliciteren omdat ik die beruchte crimineel achter de tralies had gekregen. Ik herinner me hoe de Elector er in levenden lijve uitzag. De portretten op de JumboTrons tonen dezelfde groene ogen, krachtige kaak en donkere krullen... maar niet de kilte in zijn blik en de ziekelijke bleekheid van zijn huid. Op zijn portretten lijkt de Elector bijna vaderlijk, met een gezonde blos 

23


op zijn wangen. Maar dat is niet hoe ik me hem herinner. ... aan de vlag van de grote republiek van Amerika... Plotseling wordt de eed onderbroken. Er valt een stilte op straat, en dan klinkt er een geroezemoes van verbaasd gefluister. Ik frons mijn wenkbrauwen. Merkwaardig. De eed is nog nooit onderbroken, niet één keer. En het JumboTron-systeem zit zo in elkaar dat niet alle schermen op zwart gaan als er ergens één scherm uitvalt. Day kijkt omhoog naar de schermen, terwijl mijn ogen naar de soldaten schieten die de menigte in de gaten houden. ‘Is er misschien een storing?’ vraagt hij. Zijn moeizame ademhaling baart me zorgen. Nog even volhouden. We moeten nog verder. Ik schud mijn hoofd. ‘Nee. Kijk maar naar de soldaten.’ Ik knik nauwelijks zichtbaar in hun richting. ‘Hun houding is veranderd. Hun geweren hangen niet meer over hun schouders – ze hebben ze nu in de aanslag. Ze zetten zich schrap voor een reactie van de menigte.’ Day schudt langzaam zijn hoofd. Hij ziet angstaanjagend bleek. ‘Er is iets gebeurd.’ Het portret van de Elector verdwijnt van het scherm en wordt onmiddellijk vervangen door een serie nieuwe beelden. Nu zien we een man die sprekend op de Elector lijkt – alleen dan veel jonger, nog maar begin twintig, met dezelfde groene ogen en hetzelfde donkere, krullende haar. In een flits herinner ik me de opwinding die ik voelde toen ik hem ontmoette, op het feest ter gelegenheid van Days arrestatie. Dit is Anden Stavropoulos, de zoon van de Elector Primo. Day heeft gelijk. Er is iets belangrijks gebeurd. De Elector van de Republiek is dood. Een andere, opgewekte stem klinkt nu uit de luidsprekers. 24




‘Voor we verdergaan met onze eed volgt hier een oproep aan al onze soldaten en burgers: vervang de portretten van de Elector in jullie kazernes en huizen. Een nieuw portret kan worden opgehaald bij het lokale politiebureau. Over twee weken starten inspecties om ervoor te zorgen dat iedereen meewerkt.’ Dan kondigt de stem de zogenaamde resultaten aan van een nationale verkiezing. Maar er wordt niets gezegd over de dood van de Elector. Of over de promotie van zijn zoon. De Republiek stapt gewoon over op de volgende Elector alsof er niets is gebeurd, alsof Anden dezelfde persoon is als zijn vader. Allerlei gedachten razen door mijn hoofd – ik probeer me te herinneren wat ik op school heb geleerd over het installeren van een nieuwe Elector. De Elector kiest altijd zijn opvolger, en een nationale verkiezing bevestigt die keus vervolgens. Het is op zich dus niet verrassend dat Anden de opvolger is. Maar onze Elector was al decennia aan de macht, al lang voordat ik werd geboren. Nu is hij weg. Onze hele wereld is in een paar seconden drastisch veranderd. Day en ik en alle anderen op straat weten wat we nu horen te doen: alsof het afgesproken is maken we een buiging naar het portret op de JumboTron en dreunen we de rest van de eed op die nu weer op het scherm is verschenen. ‘... aan onze Elector Primo, aan onze glorieuze staten, aan onze gezamenlijke strijd tegen de Koloniën, aan onze aanstaande overwinning!’ Dit herhalen we keer op keer, zolang de woorden op het scherm blijven staan, want niemand durft te stoppen. Ik kijk naar de soldaten. Ze omklemmen hun geweren nog wat steviger. Eindelijk, na wat een eeuwigheid lijkt, verdwijnen de woorden en verschijnen op de JumboTrons weer de gebruikelijke nieuwsberichten. 

25


We lopen allemaal door, alsof er niets gebeurd is. Dan struikelt Day. Deze keer voel ik hem helemaal trillen van de pijn en de vermoeidheid, en mijn hart krimpt ineen. ‘Blijf bij me,’ fluister ik. Tot mijn verbazing zeg ik bijna Blijf bij me, Metias. Ik probeer hem overeind te houden, maar hij glipt uit mijn handen. ‘Het spijt me,’ mompelt hij. Zijn gezicht glimt van het zweet, en hij knijpt zijn ogen stijf dicht. Dan drukt hij twee vingers tegen zijn voorhoofd. Stop. Hij redt het niet meer. Wild kijk ik om me heen. Te veel soldaten – en we hebben nog een heel stuk te gaan. ‘Nee, je moet door,’ zeg ik streng. ‘Hou vol. Je redt het wel.’ Maar het heeft geen zin. Voor ik hem kan opvangen, valt hij voorover op zijn handen en zakt ineen op de grond.

26

Legend 2 - Wonderkind  

Het eerste hoofdstuk uit het tweede deel van de Legend-serie van Marie Lu: Wonderkind.

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you