Issuu on Google+

1


2 3

0

ar

ja

ru

l

ld e ik st ex tie

kh g eb e

kr 10 a a

r


Rosalie van Egmond

Bezoekadres Goirkestraat 96 5046 GN Tilburg Postbus 4265 5004 Tel + 31 (0) 13 5 36 74 75 info@textielmuseum.nl

4

5


13 17 23 32 44 57 87 87 95 110 125 6

Van linnenkast tot internet: een introductie

De linnenuitzet 1900-1940

Bevrijdingstextiel

Naar een vrijere vormgeving in de jaren 1950 en 1960

Van Walra tot Wehkamp

De linnenkast de deur uit 1970-2000

Een nieuwe eeuw: een nieuw geluid

Noten

Geraadpleegde literatuur

Summary

Colofon

7


Van linnenkast tot internet: een introductie Honderd jaar geleden was een goed gevulde, ‘linnenkast’ de trots èn zorg van vrouwen. Vooral in burgerlijke kringen is deze kast met stapels netjes gestreken en gevouwen tafellakens, servetten, lakens, slopen, droogdoeken en badhanddoeken zelfs voorwaarde geweest om in het huwelijksbootje te stappen. Tegenwoordig koop je wat je nodig hebt, ook als er niet wordt getrouwd. Deze publicatie, die verschijnt ter gelegenheid van de (gelijknamige) tentoonstelling ‘KRAAKHELDER - 100 jaar huishoudtextiel’ in het Audax Textielmuseum Tilburg, gaat in op de geschiedenis van dit textiel, in Nederland op de markt gebracht vanaf rond 1900 tot 2010. Een tijd waarin de industrie huishoudgoed in grote getale ging produceren. Drie aspecten worden met name belicht: de benadering van de consument, de kwaliteit van het textiel en de vormgeving van het product.

8

9


‘Het linnengoed behoort tot een der belangrijkste artikelen in de huishouding, vandaar dat eene huisvrouw moet zorgen, dat zij eene goed voorziene linnenkast heeft, en zich beijveren moet, het in goeden staat te houden en met zorg te bewaren’ schreef Elsje Visser in het boekje De bekwame huishoudster. Handleiding voor huisvrouwen en jonge dochters uit den aanzienlijken en den burgerstand.1 Een goedgevulde linnenkast werd gezien als een kostbaar bezit. [afb 1] Zij stond symbool voor kennis, kunde, toewijding en netheid van het meisje. De degelijkheid van het linnengoed was van belang, evenals grote hoeveelheden ervan zoals : 84 stuks beddengoed, 20 tafellakens, 66 servetten, 66 handdoeken en 150 huishouddoeken.2 Een orderboek van de firma D. Jordaan & Zonen uit Haaksbergen uit het begin van de 20ste eeuw laat nog specifieker de aankoop van grote hoeveelheden huishouddoeken zien. Aan mevrouw M. Engering in Den Haag werden onder andere 81 glasdoeken dessin 97 geleverd; 98 glasdoeken dessin 103; 98 theedoeken dessin 214 en 91 stofdoeken.3 Duidelijk mag zijn dat voor vrouwen uit eenvoudige of arme milieus de luxe van een dergelijke linnenuitzet niet bestond. Onder linnengoed of huishoudtextiel wordt verstaan al het textiel dat in het huishouden wordt gebruikt, met uitzondering van artikelen voor de aankleding van de woning. Traditioneel behoorde ook het ‘lijfgoed’ zoals mannen- en vrouwenhemden, onderjurken, nachthemden, pantalons en zakdoeken en babygoed tot de inventaris van de linnenkast. Geleidelijk aan werd dit goed in andere kasten of commodes bewaard. Het linnengoed werd decennia lang gekocht bij een linnenfabrikant. Dat gebeurde onder meer via zogenoemde ‘agentessen’, vrouwen die met grote koffers vol met linnengoed bij vrouwen aan huis kwamen. De uitzet voor de aanstaande bruid bestond uit drie onderdelen: het tafelgoed, het beddengoed en het huishoudgoed, waar onder badkamer- en keukentextiel. Het linnengoed van goede fabrikanten ging jarenlang mee. De uitzetten

Afbeelding uit: Ik kan huishouden: geïllustreerd handboek voor degenen die een huishouding billijk, practisch en goed willen besturen / voor de Nede rlandse dames bew. door J.P.C. van der Hoeven-Kampers, Leiden, z.j. [1920-25]. Foto Koninklijke Bibliotheek, Den Haag

10

11


werden voor het leven gekocht en daarom was de hoogwaardige kwaliteit van de producten heel erg belangrijk. Door de jaren heen veranderden het gebruik en de aantallen van de uitzet. Victorine Hartogh-Snoek schreef in het tijdschrift De vrouw en haar huis in 1931 ‘Nu de huisvrouw niet meer zulk een groot aantal van alles heeft, komt ieder stuk meer in de wasch. De wasscherijen hebben zich aangepast en bezorgen de wasschen vlug thuis, zoodat het nooit lang uit de kast gemist zal worden. Meestal zijn de uitzetten niet meer voor het leven, maar zal er na een jaar of tien wel wat bijgekocht moeten worden. Het voordeel is weer, dat men zich het nieuwste, het meest naar de mode kan aanschaffen.’4 Na de jaren 1960 raakte de linnenuitzet in onbruik. De placemat verving steeds meer het tafellaken en aantallen van zes tot 12 stuks keuken- en handdoeken werden regel. De functie van de diverse doeken beperkte zich tot glazendoek, theedoek en handdoek. In plaats van lakens ging de Nederlandse huisvrouw in de jaren 1980 over op dekbedovertrekken, waarvan ze slechts enkele stuks nodig had. Tegenwoordig wordt vooral het dessin van het product belangrijk gevonden, vaak meer dan de kwaliteit en de duurzaamheid. Een nieuw fenomeen in de communicatie tussen leverancier en klant zijn de postorderbedrijven en later internet. Huishoudtextiel kan vanuit huis worden besteld, wat leidt tot andere verkoop- en promotietechnieken en meer gemak voor de consument. In deze publicatie wordt geen aandacht besteed aan de verkoop van huishoudtextiel in Nederlands-Indië. Door Nederlandse linnenfabrieken werden namelijk speciale ‘Indische’ uitzetten samengesteld die, vanwege het klimaat, aan andere eisen moesten voldoen. Ook de grote orders van sc heepvaartmaatschappijen komen hier niet aan de orde evenals de productie voor kloosters, ziekenhuizen en andere instellingen. Het gaat in dit boekje uitsluitend over de verkoop aan particulieren. Er zal niet al te diep worden ingegaan op het huishoudtextiel van damast, omdat hierover al uitgebreid is gepubliceerd. 5

12

13


De linnenuitzet 1900 - 1940

14

15


De linnenuitzet Aan het begin van de 20ste eeuw gingen textielfabrieken er toe over grote aantallen kant-en-klaar huishoudtextiel te produceren. Zowel Brabant als Twente waren belangrijke productiecentra. Hoewel er veel namen van fabrikanten bekend zijn, zijn lang niet alle producten die ze produceerden bewaard gebleven. In het Textielmuseum in Tilburg, maar ook in het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem bevindt zich redelijk wat huishoudtextiel, zodat zeker wel een beeld kan worden gevormd. Daarnaast geven orderboeken, patronenboeken, prijscouranten e.d. meer interessante informatie. Naast kant-en-klaar huishoudgoed dat kon worden gekocht, was het ook gebruikelijk om stof, meestal linnen of halflinnen (een katoenen ketting gekruist met een linnen inslag) per el te kopen 6. Vrouwen naaiden dan zelf hun huishouddoeken en beddengoed. Deze meisjes van gegoede huize decoreerden het beddengoed met festonranden en nummerden de huishouddoeken vergezeld van een monogram. [afb 2] Het was ook mogelijk om tegen een meerprijs de monogrammen te laten borduren bij de verschillende firma’s. [afb 3].

Sjablonen voor te borduren monogrammen uit het bezit van A.G.W. baron Bentinck en mevrouw J.H. Philipse. Zij trouwden op 1 augustus 1900. Collectie Textielmuseum

16

17


Materialen en dessins Handdoeken en tafelgoed voor het dagelijks gebruik waren vaak pellenweefsels, een eenvoudiger weefsel dan damast. Voor een pellenweefsel, bestaande uit blokken, strepen of daaruit samengestelde patronen, is geen jacquardinrichting op het getouw nodig. Door de gebruikte satijnbinding vertoont het een glanzend oppervlak. Daarnaast werden er fraaiere, damastgeweven tafelgoederen met motieven, ontleend aan het dieren- en plantenrijk op de markt gebracht. Het bedtextiel werd versierd met schulpen, kanten, festons en entre-deux (tussenstukken). Het keukentextiel, bestaande uit handdoeken en droogdoeken, was aanvankelijk meestal effen met een gekleurde rand of geheel geruit, waarbij wit met rood of blauw werd gecombineerd.7 [afb 4a ] Huishoudtextiel was van katoen, linnen of halflinnen gemaakt. Linnen, met als grondstof vlas, was het duurst en zeer geschikt voor huishoudtextiel. De linnendraad laat geen pluisjes achter op bijvoorbeeld glaswerk en neemt zeer goed water op. Tafellakens, servetten en vingerdoekjes werden vervaardigd uit linnen of katoen. Vanaf de jaren 1930 werd ook het glanzende viscose gebruikt. Het bedtextiel bestond uit lakens en slopen van fijn linnen, halflinnen of graslinnen. Graslinnen, van oudsher bestemd voor de dienstbodelakens, was een weefsel geheel van katoen, maar onregelmatig gesponnen, zodat het op linnen leek. Belangrijk voor huishouddoeken was de sterkte van het garen en het weefsel, de - ook na veelvuldig wassen - aanhoudende helderheid en het absorptievermogen. Bovendien moesten de doeken, vanwege hun specifieke functie, duidelijk van elkaar zijn te onderscheiden. Badkamertextiel bestond uit handdoeken, badlakens, washandjes en badmatten, geproduceerd in katoen of (half)linnen. [af. 4b] Vermoedelijk vanaf de jaren 1930 is het badtextiel in badstof uitgevoerd. Speciale weefmachines kwamen hier aan te pas. Diverse keukendoeken, linnen / geweven, 1920-1930, uitvoering onbekend. Collectie Textielmuseum Waschtafeldoekje, linnen / geweven, 1920-1930. Collectie Nederlands Openluchtmuseum, ontwerptekening, uitvoering W.J.F. van Hoogerwou, Boxtel.

18

19


20

Prijscourant Van Dijk, Manders & Co, Waalre, z.j. [1900-1920]. Collectie Textielmuseum /archief Walra

21


Tekening ‘Rits’-patroon uit werkboek Stoomlinnenfabrieken J. Elias, Eindhoven, 1936-1939. ‘Rits’- badhanddoeken, katoen (badstof) / geweven, 1936-1940. Collectie Textielmuseum

22

23


Belangrijke fabrieken Enkele belangrijke textielfabrieken die in de eerste helft van de 20ste eeuw huishoudgoed produceerden zullen de revue passeren. Het zijn alle Brabantse firma’s. Onderzoek heeft nog geen betrouwbaar beeld opgeleverd van de rol die Twentse textielfabrieken in deze periode op de markt van het huishoudtextiel hebben gespeeld. In ieder geval bevond ‘de top’ van de textielfabrieken die huishoudtextiel produceerden zich in Noord-Brabant. Daar waren van oudsher linnenweverijen gevestigd. Deze weverijen waren er nauwelijks in Twente. De meeste Twentse textielfabrieken produceerden textiel met katoen als grondstof. In de naoorlogse jaren worden de Twentse bedrijven wel een belangrijke speler in het veld, zoals verderop duidelijk wordt.

Stoomlinnenfabrieken J. Elias

Prijscourant Van Dijk, Manders & Co, Waalre, z.j. [1900-1920]. Collectie Textielmuseum / archief Walra

24

Stoomlinnenfabrieken J. Elias in Strijp (bij Eindhoven) was een van de grootste producenten van huishoudtextiel. Zij produceerde ‘tafelgoederen’, huishoudtextiel en bedlakens, slopen en spreien.8 Ontwerpers in dienst van de fabriek zorgden voor nieuwe dessins. Daarnaast werden, volgens een artikel in het tijdschrift De Hollandsche Revue, ook ‘ter wille van een zoo groot mogelijke verscheidenheid, teekeningen van bekende Nederlandsche en buitenlandsche kunstenaars bijgekocht’.9 Welke ontwerpers voor 1945 voor Elias werkten is niet bekend. Dat de bekende, voor Linnenweverijen E.J.F. van Dissel & Zonen uit Eindhoven werkende, textielontwerpster Kitty van der Mijll Dekker (1908-2004) contact met de firma had, blijkt uit een schrijven uit 1933 waarin de firma haar uitleg geeft over wat zij kunnen weven en vermeldt dat de fabriek de ontwerpen het liefst uitgeweven ontvangt. Het is echter niet tot een samenwerking gekomen.10 Elias stond bekend om haar goede kwaliteit van huishoudtextiel en betaalbare prijzen. Wat betreft die kwaliteit moest zij het echter afleggen tegen de weverijen van Van Dissel en van Van den Briel & Verster, ook uit Eindhoven, die bekend stonden om hun bijzonder hoogstaande kwaliteit. Vanaf 1925 bracht de, inmiddels N.V. Stoomlinnenfabrieken J. Elias geheten, firma de vermaarde ‘Rits’ handdoeken op de markt. Het belang van deze handdoek werd onderstreept door in de jaren 1940 de regel

25


‘fabrikanten van Rits badhanddoeken’ te vermelden op het briefpapier. Deze badhanddoeken zijn in witte badstof uitgevoerd en hebben aan de bovenen onderzijde een ingeweven gekleurde rand met figuurtjes. Het label vermeldt: ‘Rits fabrikaat ged. Handelsmerk.’[afb.5]. Vermoedelijk verwijst de naam ‘Rits’ naar de dubbele rij met figuurtjes op elke handdoek.

Van Dijk, Manders & Co. De firma Van Dijk, Manders & Co. uit het Brabantse Waalre, later onder de naam Walra bekend, leverde in de 19de eeuw als een van de eerste textielfabrieken kant-en-klaar textiel aan particulieren.11 [afb 6] Dames van gegoede stand, douairières, jonkvrouwen en rijke koopmansvrouwen uit die dagen waren de klanten. Vanaf 1891 beschikte Van Dijk, Manders & Co. over een eigen weverij. Daarnaast kocht het bedrijf ook kant-en-klare producten als badhanddoeken en tafelgoed in bij andere fabrikanten, zoals Stoomweverij v/h J.H. Meijerink uit Winterswijk. Het vervaardigde beddenlakens en slopen, ajour gezoomd en met de hand geborduurde festonranden of met kant en entre-deux versiersel. [afb 7] Huishouddoeken werden geproduceerd van halflinnen en zuiver linnen garens en hadden rode ruiten, gerstekorrels of open ruiten als motief. De firma leverde, net als de meeste weverijen, ook namendoeken. In de rode rand was de naam geweven waarvoor de doek was bedoeld: bordendoek, kommendoek, glazendoek, fonteindoek, closetdoek, waschtafeldoekje, potdoek, vaatdoek en messendoekje. Deze namendoeken hadden zowel een praktisch als een hygiënisch doel. Het tafelgoed was veelal gedecoreerd met bloem- en bladmotieven. Een prijscourant uit de jaren 1910-1920 promoot uitzetten variërend van 102 stuks, te koop voor f. 108,36 tot 280 stuks voor f. 353,12.12 In 1933 adverteerde de firma in haar prijscouranten dat het Nederlandsch fabrikaat ‘Walra’ ook het beste en goedkoopste fabrikaat is. Vanaf 1944 voerde het bedrijf de naam ‘Walra’ (ook) als firmanaam. Tot in de jaren 1950 werden nog beide namen gevoerd: Van Dijk, Manders & Co èn ‘weverijen Walra’ of kortweg: Walra. Daarna bleef de naam Walra over en werd nog meer een begrip in de Nederlandse wereld van huishoudtextiel. De naam is afgeleid van het dorp Waalre, waar het bedrijf was gevestigd. Stalenboek Van Dijk, Manders & Co., Waalre, 1920-1930. Collectie T. van Dijk, Valkenswaard

26

27


Koninklijke Weverij van Dijk (Kodijko) Met ‘De kortste weg van de fabriek naar uw linnenkast’ adverteerde de N.V. Koninklijke Weverij van Dijk, Eindhoven (Kodijko) in de jaren 1920 en 1930. Opgericht in 1853 door Carolus Boromeus van Dijk leverde de fabriek complete uitzetten. Rond 1916 kreeg Van Dijk het predicaat ‘Koninklijke’. Hierna afficheerde het zich ook onder de naam Kodijko, waarbij de letters Ko voor ‘Koninklijke’ staan. Van Dijk adverteerde net als de fabrieken van Van Dissel en Van den Briel & Verster regelmatig in het tijdschrift De vrouw en haar huis. [afb.8] Zinsneden als het ‘betooverende’ Kodijko textiel dat zich onderscheidt door zijn ‘schoonheid en sterkte’ lokten de lezeressen. De uitzetten van Kodijko waren verkrijgbaar vanaf 125 stuks. De halflinnen en zuiver linnen droog- en keukenhanddoeken zijn gedecoreerd met rood-witte en blauw-witte blokjes en randen en ruiten in verschillende bindingen. [afb.9] De firma profileerde zich vooral met haar ‘ijzersterke weefsels’ en ‘degelijke kwaliteit’ die garant stonden voor veelvuldig gebruik. Het bedrijf was één van de eerste weverijen die ging samen werken met kunstenaars. Naar eigen zeggen ‘met als gevolg dat al ons linnen door de fijnheid van het patroon en

afwerking een volmaakt kunstproduct is.’ In 1913 kreeg de ontwerper André Vlaanderen (1881-1985) de opdracht een ‘gedenkdamast’ ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van het Koninkrijk der Nederlanden te maken. Van zijn hand zijn er bij Kodijko minstens acht ontwerpen op de markt gekomen, waarna de ontwerper Cor Mus (1886-1973) hem op dit terrein opvolgde.13 Het tafellinnen van Kodijko wordt, naast de productie van enkele ‘artistieke’ dessins, vooral gekenmerkt door patronen met florale motieven als rozen, margrieten, chrysanten en druivenranken. Ook enkele (niet erg bijzondere) Art Deco-patronen zijn bekend. Vanaf de jaren 1930 adverteerde de firma met haar ‘zeer moderne, kleurrijke en ijzersterke badgoederen’. De badstof baddoeken waren zowel verkrijgbaar in een effen kleur als met een patroon, een bijzondere rand of bloemendessins. Alles was verkrijgbaar met bijpassende washandjes. Het geheel werd gecompleteerd met een in effen kleuren uitgevoerde badmat voor de badkamer.

Droogdoek, uitvoering Koninklijke Weverij van Dijk, Kodijko, Eindhoven, 1930-1950. linnen / geweven. Collectie Textielmuseum

Advertentie Kodijko uit: De vrouw en haar huis, maart 1933. Collectie Textielmuseum

28

29


Linnen- en Damastweverijen Van den Briel & Verster Een belangrijke fabrikant van kwalitatief hoogstaand huishoudtextiel, die ook direct aan particulieren leverde, was Linnen- en Damastweverijen Van den Briel & Verster uit Eindhoven.14 Zij werkte onder andere samen met Linnenen Damastweverijen W.J. van Hoogerwou & Zonen in Boxtel, onder andere door daar orders te plaatsen. Het (half)linnen en katoenen keukengoed werd uitgevoerd in dessins van blauwe en rode blokken; droogdoeken waren veelal voorzien van de ingeweven gebruiksnaam. Bij het tafelgoed neemt de serie ‘Stijlpatronen’, van 1911 tot 1935 op de markt gebracht, een grote plaats in. Deze damastweefsels met historiserende dessins uit flora en fauna werden veel verkocht. Naast kerkelijk avondmaalstafelgoed werd ook damast geproduceerd naar ontwerp van sierkunstenaars. Twee ontwerpen voor tafelgoed van Theo Nieuwenhuis (1866-1951) werden uitgebracht: ’Appelbloesem’ (dessin 58) uit 1909 en ‘Kers en Vlinder’ (dessin 61) uit 1910. De ontwerpen van Nieuwenhuis zijn opgebouwd uit herkenbaar blijvende bloemen en dieren, die als vlakornament worden weergegeven. De ontwerpen werden uitgevoerd in een eerste kwaliteit fijn linnen damast.15 Ook Chris Lanooy (1881-1948), voornamelijk bekend om zijn bijdrage tot het Nederlandse unica glas voor Leerdam en ceramiek met lusterglazuur, heeft enkele dessins voor damasten tafelgoed gemaakt.16

Linnenfabrieken E.J.F. van Dissel & Zonen De in 1871 in Eindhoven opgerichte firma E.J.F. van Dissel & Zonen produceerde aanvankelijk eenvoudig huishoudgoed in traditionele ruiten, strepen en pellenpatronen en damasten tafelgoed met voornamelijk traditionele bloemmotieven. Na 1900 verzette ze haar bakens door naast de eenvoudige linnenweefsels ook ‘artistiek damasten tafelgoederen’ te gaan vervaardigen. Een van Nederlands belangrijkste sierkunstenaars uit de eerste helft van de 20ste eeuw, Chris Lebeau (1878-1945) was vanaf 1905 werkzaam voor de firma. De fabriek schakelde deze kunstenaar in met als doel goed technisch werk te leveren van de hoogst mogelijke esthetische kwaliteit.17 In 1906 verschenen de eerste ontwerpen van Lebeau’s hand. Vernieuwend waren de sterk gestileerde natuurvormen. Het was in die

30

tijd gebruikelijk ontwerpen te maken die, naar gelang de afmeting van het product, werden verkleind of vergroot. Chris Lebeau maakte uitgaande van hetzelfde motief voor vingerdoekje, servet en tafellaken steeds een ander ontwerp. Na zijn eerste reeks tafeldamast in 1906 volgden nog verschillende series. Zijn vijfde reeks tafeldamast uit 1932 was veelal geometrisch van vorm, waarvan ‘Straalbreking’ het meest in het oog springt. Naast een serie witte damasten werd het dessin ook in zachtgrijs uitgevoerd en na 1945 in lila. Tafellaken ‘Margotje’ verscheen in geel, wit, grijs-wit en in paars. ‘Mozaïek’ in grijs-wit, geel-blauw en wit-geel. Voor het eerst deed gekleurd tafelgoed zijn intrede in het huishouden. Dit werd echter voornamelijk voor de ontbijttafel gebruikt. ‘Een vroolijk binnenhuis met frissche kleuren, wij hebben het in dezen tijd meer dan ooit nodig’ schreef Elisabeth M. Rogge over dit tafelgoed in De vrouw en haar huis in 1935.18 Van Dissel produceerde bonte linnen en witte half, of geheel in linnen uitgevoerde, handdoeken, theedoeken, glasdoeken en droogdoeken in verschillende dessins. Het ontwerp van Lebeau’s damast geweven keukenhanddoek ‘Bijtje’ uit 1911 was een uitzondering op het gewone huishoudgoed. [afb.10] Deze handdoeken werden geproduceerd in geel en wit met een bijenmotief. In hetzelfde jaar gaf Van Dissel naar ontwerp van Lebeau 11 in linnen geweven doeken uit met ingeweven benaming in rode banden: een toiletdoek, fonteindoek, zilverdoek, theedoek, kopjesdoek, glasdoek, bordendoek, kommendoek, keukendoek, closetdoek en een potdoek. [afb.11] De kopjesdoek, toiletdoek, fonteindoek en theedoek zijn gedecoreerd met herfstbesjes en bladeren. De bordendoek, kommendoek en keukendoek zijn geweven in verschillende bindingen zoals kraanoog en gerstekorrel.19 Voor het beddengoed maakte Van Dissel effen lakens en slopen van katoen en halflinnen, gedecoreerd met gestikte randen, ajourranden, plooitjes, geschulpte randen en entre-deux. De decoraties waren in verschillende uitvoeringen verkrijgbaar. In februari 1912 verscheen de Catalogus van Lakens en Sloopen uitgegeven met medewerking van Chris Lebeau.20 [afb. 12] De catalogus bevat 36 kijkjes in de slaapkamer met telkens een ledikant met gespreid bed tegen een wand geplaatst. Het geheel is omlijst met een rand in de techniek waarin de versiering van de lakens en slopen zijn uitgevoerd. Achter in het boekje worden de verschillende borduurletters getoond waarmee de lakens en slopen konden worden versierd. In De Vrouw en haar Huis werd de nieuwe catalogus besproken: ‘…want de

31


Droogdoek ‘Bijtje’, ontwerp Chris Lebeau, uitvoering Linnenfabrieken E.J.F. van Dissel & Zonen, Eindhoven, 1911, linnen / damastgeweven. Collectie Textielmuseum

32

33


Droogdoeken, ontwerp Chris Lebeau, uitvoering Linnenfabrieken E.J.F. van Dissel & Zonen, Eindhoven, 1911, linnen / geweven. Collectie Textielmuseum

34

35


catalogus als zoodanig, is een prachtwerkje. De groote teekeningen zijn afgedrukt op dun Japansch papier. Dit gaf waarborg voor ’t goed tot zijn recht komen van ’t lijnespel, tot in de fijnste weergave der kanttechnieken’. Lovend ging de recensent verder: ‘Eenvoudig en net zijn de sloopen en lakens met plooibanden en omranding van met de hand gefestonneerde of genaaide festons; artistiek die met de breede of smalle figuurlijnen van opennaaisel; vorstelijk die met het fraaie, solide hand-kloswerk der Clunykant. Welke de jaren trotseert en het kenmerk van ware schoonheid in de techniek medevoert.’21 Vanaf 1931 ontwierp ook sierkunstenaar Pam Rueter (1906-1998) monogrammen en versieringen voor beddengoed. Hij ontwierp voor Van Dissel eveneens de advertenties en de reclamedrukwerken uit die tijd. In 1935 produceerde het bedrijf een linnen handdoek van zijn hand. De handdoek heeft een symmetrisch uitgevoerde decoratie van twee zonnen en daaraan evenwijdig lopende zonnestralen. De rand is gedecoreerd met een zigzagmotief. Van Dissel verkocht ook complete, meer traditionele, linnenuitzetten. Daarmee was het in de particuliere verkoop een concurrent van Walra. Kwalitatief gezien was Van den Briel & Verster een concurrent. Typerend voor Van Dissel was dat de firma de naam van de ontwerper als een toegevoegde waarde beschouwde en deze in haar reclame regelmatig noemde. [afb. 13] Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld haar buurman in Eindhoven, Kodijko, die de namen van haar ontwerpers zelden noemde.

Catalogus Lakens en Sloopen, Linnenfabrieken E.J.F. van Dissel & Zonen, Eindhoven, 1912. Collectie en foto Universiteitsbibliotheek Amsterdam (UvA) Bijzondere collecties. Plaatsnummer OTM:KG 06-139

36

37


Advertentie uit: De vrouw en haar huis, april 1937-1938. Collectie en foto Openbare bibliotheek Rotterdam

38

39


Vernieuwende ontwerpen: Kitty van der Mijll Dekker Zo vernieuwend als Chris Lebeau was voor de ontwerpen op het gebied van het tafelgoed was ontwerpster Kitty van der Mijll Dekker dat voor het huishoudgoed. Vanaf 1935 bracht zij verandering in de ontwerpen van huishouddoeken, badhanddoeken, lakens en slopen.22 Zij had van 1929 tot 1932 haar opleiding genoten aan de weefafdeling van het vermaarde Bauhaus in Dessau. De weefafdeling stond toen onder leiding van Gunta Stölzl (1897-1983). Zij leerde dat een weefsel primair een plat vlak is en geen schilderij met garens. Het wordt bepaald door zijn eigenschappen, functie en esthetische eisen.23 In oktober 1935 ontwierp zij de eerste glazendoek voor Van Dissel (dessinnr. 400). Een naturelkleurige doek met horizontale en verticale rode en blauwe strepen die in de hoeken meer naar elkaar toe gaan, elkaar kruisen en zodoende kleinere ruiten vormen. [afb. 14]. Heldere, krachtige kleuren kenmerken haar ontwerpen. Naast de kleuren rood en blauw kleurden ook geel, groen, oranje, lichtblauw, roze en zwart de droogdoeken. Het gebruik van andere kleuren dan rood en blauw was mogelijk geworden door de introductie van de indanthreen (kleurechte) verven. De effen huishouddoeken van Kitty van der Mijll Dekker waren ingewikkelde weefsels. Lichte structuurverandering of nuances in kleur werden veroorzaakt door een variatie in binding. Uit de doeken blijkt een grote aandacht voor de esthetische mogelijkheden die de techniek van het weven biedt.

‘Glasdoek met progressieve randen in rood en blauw’, ontwerp Kitty van der Mijll Dekker, (dessin 400), uitvoering Linnenfabrieken E.J.F. van Dissel & Zonen, Eindhoven, 1935, linnen / geweven. Collectie Textielmuseum

40

41


Van Dissel produceerde huishoudtextiel dat moest voldoen aan hoogwaardige technische en artistieke eisen.24 De droogdoeken werden in verschillende kleuren uitgevoerd. Zo is de blauwe ‘landhuisdoek’ (dessinnr. 402) uit 1936 gedecoreerd met witte balletjes of noppen die evenwichtig over de doek zijn verspreid (ook bekend in het geel en groen). [afb. 15] Een pannendoek werd in het rood-wit, groen-wit en blauw-wit uitgevoerd. Tot 1966 zou de ontwerpster voor Van Dissel blijven werken. Er zijn maar liefst 41 verschillende theedoekontwerpen van Van der Mijll Dekker bekend die bij het bedrijf zijn geproduceerd.25 De ontwerpster bepaalde voor een groot deel het moderne gezicht van het bedrijf.

Droogdoek ‘landhuisdoek’ ontwerp Kitty van der Mijll Dekker (dessin 402, later 1610), uitvoering Linnenfabriek E.J.F. van Dissel & Zonen, Eindhoven, 1936-1971, linnen / geweven. Collectie Textielmuseum

42

43


17

Agentessen en monsterkamers Van Dijk, Manders & Co. verkocht haar linnenuitzet met ‘agentessen’. Vrouwen uit gegoede kringen die langs de klanten gingen om de producten aan de ‘vrouw’ te brengen. Getooid met volle koffers met monsters, stalen en prijscouranten prezen zij hun waren aan. Ook gaven ze deskundig advies over de kwaliteiten van het textiel en hoe het moest worden onderhouden. De dames werkten op provisiebasis. Via advertenties in dag- en damesbladen werden de agentessen geworven. [afb. 16] Met dit beroep ontstond een nieuwe inkomstenbron voor nette dames die tot dan toe slechts als onderwijzeres of gouvernante in ‘fatsoenlijke’ beroepen konden treden. In 1912 waren bij de firma ongeveer 200 dames werkzaam als agentessen. [afb. 17] In haar reclamefolders en prijscouranten liet de firma de agentessen aan het woord met uitspraken als ‘een onzer Agentessen, die in den tijd van vijf en twintig jaren voor meer dan honderd vijftig duizend gulden goederen van onze fabriek verkocht, schrijft ons ‘Uw huishoudgoed is puik, nog nooit ontving ik hierover een enkele klacht.’ Ook bij de firma Van Hoogerwou en bij Van den Briel & Verster werd met dit vrouwelijk personeel gewerkt. Voor 1940 adverteerde Van Hoogerwou in De Hollandsche Lelie, een weekblad voor vrouwen, met haar ‘directe levering aan particulieren’ waarin tevens om agentessen werd gevraagd. De firma Van Dissel & Zonen in Eindhoven werkte met vertegenwoordigers, ook wel reizigers genoemd; zij waren in dienst bij de firma. Dit in tegenstelling tot agentessen die op provisiebasis werkten. In de jaren 1950 waren gemiddeld vijf vertegenwoordigers in dienst bij Van Dissel waarvan elk verantwoordelijk was voor een bepaalde regio. De klanten, meestal families die van oudsher hun linnengoed bij Van Dissel kochten, werden gemiddeld twee keer per jaar bezocht waarbij nieuwe series en dessins onder de aandacht werden gebracht.26

Advertentie werving agentessen ca. 1910, gepubliceerd in Jos F. van Dijk, 125 jaar Walra v/h Van Dijk Manders & Co, Waalre , Waalre 1998 Oproep uit prijscourant Van Dijk Manders, Waalre, [1900-1920]. Collectie Textielmuseum / archief Walra

44

45


Tegelijkertijd met de verkoop via agentessen en vertegenwoordigers zetten de firma’s hun waren af aan winkels, waaronder Gerzon en de Bijenkorf. Vroom & Dreesmann verkocht voor 1940 dekens van de firma Zaalberg uit Leiden en Twents linnengoed. Een andere verkooptactiek was het door fabrieken inrichten van monsterkamers of verkoopkantoren. [afb. 18] In deze winkels werd geprobeerd het volledige assortiment te tonen en aan te bieden. In 1923 startte Van Dijk, Manders & Co. bijvoorbeeld een monsterkamer, genaamd ’t Spinnewiel in Eindhoven. Hier werden tafellakens met vingerdoekjes en servetten, huishouddoeken, zakdoeken maar ook ondergoed en nachthemden verkocht. ’t Spinnewiel, kreeg daarbij vestigingen in Nijmegen, Groningen, Arnhem en Den Haag. Van den Briel & Verster en de Koninklijke Weverij van Dijk (Kodijko) openden tevens verkoopkantoren in steden als Den Haag en Amsterdam. Daarbij had Van Dissel een eigen winkel in Den Haag. Aanvankelijk waren deze toonkamers een succes maar door de economische crisis zagen ’t Spinnewiel en vele andere toonzalen zich genoodzaakt in de loop van de jaren 1930 te stoppen. De fabrieken adverteerden in damesbladen als De vrouw en haar huis en De Hollandse Lelie.

Monsterkamer Van den Briel & Verster, ca. 1920. Foto uit prospectus fabriek. Collectie Textielmuseum

46

47


Bevrijdingstextiel Gedurende de oorlogsjaren 1940-1945 werd de productie bij veel linnenfabrieken deels of geheel stop gezet. De levering van het textiel werd schaars en gebeurde op de bon, waardoor er geen grote hoeveelheden textiel meer konden worden aangeschaft. Ter gelegenheid van de bevrijding van ons land gingen verschillende firma’s bevrijdingssouvenirs produceren. Bekend zijn onder meer verschillende bordjes van keramiek van N.V. Koninklijke Plateelbakkerij Zuid-Holland, Plateelbakkerij Zenith en Kunstaardewerkfabriek Regina.27 De firma S. Ferwerda, v/h J. Juchter, die vanaf 1908 in Groningen was gevestigd, produceerde een halflinnen damasten tafellaken ter gelegenheid van de bevrijding in mei 1945, het ‘Nationaal ontbijtlaken’. [afb. 19] Het product gaf uitdrukking aan het weer opgelucht en blij kunnen ‘tafelen’. Het tafellaken heeft een rand in rood-wit-blauw en oranje. In het midden is de Cuneratoren in Rhenen ingeweven, als symbool van het begin van de oorlog (Slag om de Grebbeberg). Het einde van de oorlog wordt weergegeven door de Nederlandse Leeuw die de vlag, voorzien van hakenkruis, met een dolk doorsteekt. In de geweven tekst rondom het middenmotief staat een spreuk gebaseerd op een gedicht van Willem Bilderdijk (1756-1831); ‘Holland groeit weer, Holland bloeit weer, Hollands naam is weer hersteld, Holland uit het stof herrezen, Zal nu weer ons Holland wezen’. Direct na de oorlog produceerde de firma tevens een herdenkingssprei en een herdenkingsbadhanddoek. De badhanddoek is versierd met een band in rood-wit-blauw en oranje, waartussen in oranje de tekst ‘1940-1945 Nederland Herrezen’ en een afbeelding van de Nederlandse leeuw. De afzet van deze producten is vermoedelijk vrij groot geweest. Een randontwerp voor een damasten tafellaken met vredesduiven is bekend van de Stoomlinnenfabrieken J. Elias uit Eindhoven. Gegevens over de productie van dit ontwerp zijn niet getraceerd.

‘Nationaal ontbijtlaken 1940-1945’, uitvoering S. Ferwerda v/h J. Juchter, Groningen 1945, linnen / damastgeweven. Collectie Textielmuseum

48

49


Naar een vrijere vormgeving in de jaren 1950 en 1960

50

51


Verkoop, dessins en materialen Tot in de jaren 1970 bleef de verkoop van huishoudtextiel aan huis met agentessen of adviseuses in tact. Daarnaast bereikten de fabrikanten en leveranciers hun (vrouwelijke) klanten via de post. Grote warenhuizen als De Bijenkorf, Vroom & Dreesmann en de HEMA werden, vooral voor de stedelijke bevolking, steeds belangrijkere verkooppunten. Zij ontwikkelden eigen huismerken van huishoudtextiel. Vanaf 1956 werd bijvoorbeeld onder de naam Twente (lakens), Twente Lux (lakens etc.) en Twente Dubbeldons (anellen lakens) huishoudtextiel bij de HEMA verkocht. Toen de textielindustrie in Nederland tot een dieptepunt kwam en ten slotte grotendeels verdween, verkochten de warenhuizen textiel onder eigen, nog meer herkenbare merknamen. Dit textiel werd vooral geproduceerd in fabrieken in lagelonenlanden. Dat gebeurt tot vandaag aan de dag toe. Traditionele opvattingen over hoe een ontbijtlaken of droogdoek eruit moesten zien werden langzaam aan doorbroken. Ontwerpers werkten incidenteel, meestal op freelance basis, voor de industrie en droegen daarmee bij aan een nieuw uiterlijk van de producten. Een katoenen theedoek naar ontwerp van Erica de Ruiter (1930) uit de jaren 1950 is een voorbeeld van een doek uitgevoerd in een traditionele vorm, maar gekenmerkt door een opvallende vormgeving. [afb. 20] De rode kleur blijft gehandhaafd maar het blokpatroon is vervangen door vlechtmotieven. De traditionele blokjespatronen zijn ingewisseld voor strepen en blokken in verschillende kleuren met fruit- of diermotieven. Firma’s brachten huishoudtextiel op de markt met tot de verbeelding sprekende merknamen. Deze namen werden een begrip, ook door de slogans die eraan werden verbonden.

Droogdoek, ontwerp Erika de Ruiter, uitvoering Nico ter Kuile, Enschede, 1950-1959, katoen / geweven. Collectie Textielmuseum

52

53


Bekende textielmerken: Nicolientje, Cinderella, DDDDD, Jorzolino, Favorita ‘De heren nemen er hun hoed voor af!.... Dat zijn de mannen met kennersblik, de mannen die ’t schone weten te waarderen, mannen die met één oogopslag zien: dat is ‘t! Wat een wonder; Nicolientje heeft alle eigenschappen om op te vallen’. Zo adverteerde de firma Nico ter Kuile & Zonen N.V. in Enschede (later gevestigd in Neede) met huishoudtextiel onder de naam ‘Nicolientje’. ‘Prachtig van stof en kwaliteit, licht- en wasecht en zo door en door modieus van dessin’.28 Eind jaren 1940 kwam Nicolientje op de markt; fris en fel gekleurd huishoudtextiel met als kenmerkend beeld een boerinnetje tussen de tulpen. [afb. 21] Alleen de ‘allerbeste’ uitzet van Nicolientje werd bij het postorderbedrijf Wehkamp (waarover straks meer) te koop aangeboden in de jaren 1960. Deze uitzet, bestaande uit lakens en slopen met dessin, badhanddoeken met romantisch motief, thee- en keukendoeken, tafel- en ontbijtlakens met bijpassende servetten kostte f. 238,-.[afb. 22] Erica de Ruiter ontwierp voor Nico ter Kuile diverse theedoeken onder de merknaam ‘Nicolientje’, waaronder ‘scherven’ [afb. 23] en ‘tafelgerei’. Zij ontwierp ook veelkleurige, geruite en gestreepte katoenen ontbijtlakens voor de firma Ter Kuile. [afb. 24]

Droogdoek ‘scherven’, ontwerp Erica de Ruiter, uitvoering Nico ter Kuile, Enschede, 1950-1959, katoen / geweven. Collectie Textielmuseum

54

55


De Ruiter had haar opleiding genoten aan het Instituut voor Kunstnijverh eidsonderwijs (IvKNO) in Amsterdam. Vanaf 1934 stond deze opleiding onder leiding van Kitty van der Mijll Dekker, die les gaf in de geest van het Bauhaus. Vanaf 1952 kwam het merk ´Cinderella´ van Stoom-spinnerijen & Weverijen v/h S.J. Spanjaard te Borne op de markt. Gestart werd met Cinderella lakens en slopen. Het assortiment werd uitgebreid met baddoeken en washandjes, theedoeken, frotté handdoeken en tafelgoed. Cinderella werd onder andere verkocht via Wehkamp en bij modewarenhuis Gerzon in Amsterdam. In de jaren 1970 lag het ook bij de HEMA. Vanaf 1958 werd met Cinderella geadverteerd in verschillende damesbladen met de leus: ‘Geef ieder gezinslid een handdoek in een eigen kleur’.29 Het assortiment bestond uit 11 verschillende uni tinten. Zo had ieder lid van het gezin een eigen kleur ‘Junior zal trots zijn op zijn eigen baddoek en nooit meer zal hij de uwe gebruiken’.

Ontbijtlaken met servetten, ontwerp Erica de Ruiter, uitvoering Nico ter Kuile, Enschede, 1950-1955; katoen, geweven; collectie Textielmuseum P. 56 - 59 Catalogus Wehkamp 1967. Collectie en foto Historisch Centrum Overijssel, Zwolle [Nicolientje]

56

57


58

59


60

61


De DDDDD doek ‘De Doek Die Direct Droogt’ werd geproduceerd bij H. Hedeman in Almelo.30 Deze handdoek, gemaakt van katoen, was vanaf de jaren 1970 te koop via Wehkamp. [afb. 25] Maar ook in de warenhuizen als Gerzon, Vroom & Dreesmann en De Bijenkorf lag het op de schappen. Het belang van een snelle droge vaat kwam niet alleen in de kwaliteit naar voren, maar bij de ‘5 maal D’ doek ook in de naamgeving. Het dessin bestond veelal uit ruitjes. Een patroon dat overigens in de jaren 1950 steeds meer als afgezaagd werd gezien. Uit een onderzoek over de appreciatie van de 5 maal D doek blijkt dat de consument het ‘slechte’ dessin tezamen met de toch wel hoge prijs een reden vond om de doek niet te kopen. De ‘5 maal D’ doek werd evenwel goed verkocht in middenstandszaken en zeer goed in de volkszaken. In de elitezaken was ze geen bestseller. Daar ging de voorkeur uit naar de ‘Jorzo sneldroger’ van D. Jordaan & Zonen uit Haaksbergen of de duurdere keukendoeken van Elias uit Eindhoven.31. Ook waren voor de elite de keukendoeken van Van Dissel & Zonen een kolfje een kolfje naar haar hand. Jorzolino, geproduceerd vanaf de jaren 1950 door Textielfabrieken D. Jordaan & Zonen in Haaksbergen, maakte voor 1940 stofdoeken, katoenen glasdoeken, katoenen en halflinnen doeken, naamdoeken, baddoeken en tafelgoederen in de gebruikelijke dessins in rood en blauw.32 De productnaam ‘Jorzolino’ was afgeleid van de firmanaam Jordaan, ‘zo’ is afkomstig van ‘zonen’ en ‘lino’ van linnen. Met de slogan ‘Jorzolino van servet tot complete uitzet’ produceerde zij het complete huishoudpakket. In de jaren 1960 domineerden in de badkamers de romantische gestileerde bloemen van Jorzolino die in de randen van de badhanddoeken waren verwerkt. In 1955 ging Jordaan samenwerken met Ter Weeme & Zonen te Neede.

Catalogus Wehkamp 1988. Collectie en foto Historisch Centrum Overijssel, Zwolle [DDDDD]

62

63


Elias Textielfabrieken in Eindhoven lanceerde vanaf eind jaren 1940 de zogenoemde ‘Elias huishouddoeken.’ Het merk werd ondersteund door de afbeelding van een weegschaal en de slogan ‘uitgebalanceerd’ textiel. Op deze wijze adverteerde de firma in vrouwenbladen als Cinderella, weekblad voor de vrouw. [afb. 26] De Elias droogdoeken werden gekenmerkt door een hoge kwaliteit en een groot absorptievermogen, waardoor ze zeer goed droogden. De bekende droogdoeken werden geproduceerd in halflinnen of katoen en gedecoreerd met ruiten, bij de randen eindigend in strepen. Vanaf 1941 bracht Koninklijke Textielfabrieken van Heek & Co. uit Enschede het merk ‘Favorita’ voor haar huishoudtextiel op de markt. [afb. 27] In de jaren 1960 produceerde deze firma huishoudtextiel in sprankelende pastelkleuren als turkoois, azuur, pernod, olijf, zacht oranje, tabaksbruin en tafelgoed uitgevoerd in bruine en grijze tonen.

Beeldmerk ‘Favorita’. Collectie Stichting Edwina van Heek. Foto Historisch Centrum Overijssel, Zwolle ]

Ben Schurink (1919-?) kwam op 2 oktober 1939 als dessinateur in dienst van N.V. Koninklijke Weefgoederenfabriek C.T. Stork & Co. in Hengelo.33 Hij had tussen 1935 en 1938 les gehad van Kitty van der Mijll Dekker op de weefafdeling van het IvKNO in Amsterdam. Het Twentse bedrijf produceerde luxe huishoudgoederen, zoals keukendoeken, hand- en baddoeken, badstof, tafellakens, terras tafelkleedjes, jacquard gordijnstoffen en bedspreien. Met de naam ‘Seahorse’, vertaald in het beeldmerk van een zeepaardje, bouwde Stork aan een grote naamsbekendheid. [afb. 28] Schurink ontwierp vooral katoenen ruitstoffen voor Stork. Door de aanwezigheid van een goed gecontroleerde ververij was het mogelijk ieder gewenste kleur te laten verven.34

64

Advertentie uit: Cinderella. Weekblad voor de vrouw, 23 oktober 1948. Foto en collectie Koninklijke Bibliotheek, Den Haag

65


Ontbijtlaken label ‘Seahorse’, ontwerp Ben Schurink, uitvoering NV Koninklijke Weefgoederenfabriek C.T. Stork & Co., Hengelo, 1950-1960, katoen / geweven. Collectie Textielmuseum

66

67


Van Dissel & Zonen in de jaren 1950 en 1960 Bij de Linnenweverijen Van Dissel in Eindhoven werden na 1945 de vooroorlogse ontwerpen van Kitty van der Mijll Dekker en Chris Lebeau opnieuw in productie genomen. Vernieuwend was dat het huishoudtextiel in heel andere tinten op de markt werd gebracht, zoals lila en paars, geel, groen, roze en mosterd. [afb. 29]. Ook was Kitty van der Mijll Dekker nu ontwerpster van tafellakens en servetten van dit bedrijf. Voor 1940 had zij uitsluitend gelegenheidstafelgoed - tafellakens ter herinnering aan een koninklijke of politieke gebeurtenis - ontworpen, omdat Chris Lebeau dit vanuit zijn politieke overtuiging weigerde. In deze jaren bracht Van Dissel onder de naam DURAMAST een nieuwe serie glasdoeken, theedoeken, handdoeken, droogdoeken en tafelgoed uit. De huishouddoeken en het tafelgoed waren gemaakt van linnen en halflinnen en de dessins vermoedelijk grotendeels ontworpen door Van der Mijll Dekker. In de speciaal uitgebrachte, geïllustreerde folder DURAMAST 35 wordt gewezen op de speciale finish van het goed, waardoor het voor gebruik niet eerst hoeft te worden gewassen. De ‘aparte, kleurrijke dessins zijn aangepast aan de moderne smaak’ zo wordt vermeld en afbeeldingen (in zwart-wit) laten zien dat verschillende grote en verfijnde ruit- en strepen dessins, soms nog met de weergave van de naam zoals ‘bordendoek’ de doeken sieren. ‘Sonja’ en ‘Traviata’ zijn de namen van respectievelijk het linnen tafelgoed met florale motieven en het halflinnen tafelgoed met streepen nopmotieven. DURAMAST was direct vanaf de fabriek in Eindhoven leverbaar ‘zonder tussenschakels’ en een pictogram van een telefoon werd benadrukt als zijnde ‘ons nieuw beleid.’

Naast huishoudtextiel van de vast aangestelde ontwerper Van der Mijll Dekker zijn is huishoudtextiel naar ontwerp van de wiskundige Balthasar van der Pol (1889-1959) in productie geweest bij Van Dissel. Van der Pol ontwierp in 1954 het dekservet en de droogdoeken ‘Priemgetallen’, refererend naar de priemgetallen (alleen door zichzelf of door één te delen getallen) van de wiskundige Gauss. Vanaf 1955 ontwierp schilderes en textielkunstenares Armien Fokkema (1938) diverse droogdoeken. In het midden van de ecru kleurige doeken is een kleurbaan gedecoreerd met glaswerk en serviesgoed. Vormgeefster Hetty Oom-Mutsaerts (1944) ontwierp in 1969 -1970 een tweetal linnen theedoeken, de een in wit met felle strepen in het middenvlak, de andere met een vertikaal gestreepte rand en een geruit middenvlak, ontstaan door strepen die elkaar kruisen. Na diverse fusies met andere weverijen, was Van Dissel & Zonen in 1971 genoodzaakt haar deuren te sluiten.

Droogdoek, ontwerp Kitty van der Mijll Dekker, uitvoering Linnenfabrieken E.J.F. van Dissel & Zonen, Eindhoven, na 1945, linnen / geweven. Collectie Textielmuseum

68

69


70

71


Van Walra tot Wehkamp

72

73


Walra en de Uitzetclub De ‘levenslange’ linnenuitzet van Walra, geproduceerd bij Van Dijk Manders, was volgens eigen zeggen in 1959 nog steeds ‘Een van de mooiste parels aan de gelukskroon van ieder bruidspaar’ want ook ‘zijn liefde’ was ‘jouw zorg’. De Walra klant was de vrouw tussen de 25 en 35 jaar woonachtig in heel Nederland, behalve in de kern van de grote steden. Ze was niet uitgesproken ‘modieus’ en woonde veelal in een gezinssituatie. Walra adverteerde met haar producten in vrouwenbladen als de Libelle, Eva, de Margriet en Beatrijs. Via direct mail in de vorm van briefreclames en catalogi benaderde ze jonge, huwbare meisjes [afb. 30]. Voor Walra waren goede kwaliteit van het huishoudtextiel èn de persoonlijke benadering van de klant via een adviseuse van groot belang. Rond 1960 startte Walra de Walra Uitzet Club (afgekort tot WUC). Onder leiding van huishoudkundige M. Enkeltman-Roos werden huisaan-huis brieven aan potentiële klanten verstuurd in de hoop dat hen het Walra uitzetboekje kon worden toegestuurd. [afb. 31] Vervolgens ging de adviseuse langs om te helpen bij het maken van de keuzes en advies te geven over de gehele uitzet. Het was mogelijk om via een renteloos spaarsysteem de totale uitzet in een keer te kopen en maandelijks een pakket huishoudlinnen in huis te krijgen in de waarde die van te voren was vastgelegd. Zo spaarde de klant haar uitzet bij elkaar. Walra was dus niet in de winkel verkrijgbaar, alleen via een adviseuse. De firma bleef vasthouden aan de persoonlijke verkoop aan huis met behulp van hiervoor opgeleide adviseuses. Uitgerust met een monsterkoffer bezochten zij thuis de cliënten en namen de bestellingen op. In plaats van de vooroorlogse deftige clientèle werd de doelgroep ‘gewone’ verliefde en naar een huwelijk uitziende, meisjes. In de collectie van het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem bevinden zich twee ongebruikte dekens van Walra met de originele rekening uit 1973. Deze dekens waren afkomstig van een uitzet die met het oog op een mogelijk huwelijk was aangekocht. De vrouw is echter nooit getrouwd en heeft de kwalitatief prachtige dekens

Prospectus Walra, 1950-1960. Collectie Textielmuseum / archief Walra

74

75


geschonken aan het museum. De zeer goede kwaliteit van Walra stond hoog in het vaandel. Hoewel de firma goede kwaliteit leverde was men soms bang dat daardoor het stempel van te ‘duur’ zou worden opgedrukt.36 Walra was niet vernieuwend in haar huishoudtextiel. In de loop van de tijd werden de dessins meer en meer afgestemd op de vraag uit de markt. De wens van de doorsnee consument was traditioneel en weinig trendsettend. Belangrijk was dat de gehele collectie huishoudtextiel op elkaar kon worden afgestemd. Zo ontstonden verschillende tijdsbeelden als ‘romantisch’ met bloemdessins, ‘landelijk’ in naturel uni tinten of ‘modern’ met zigzagmotieven en -lijnen. [afb. 32 en 33]. Door middel van de Uitzetclub was het mogelijk naast een linnenuitzet ook te sparen voor bestek van Sola of pannen van eigen dochteronderneming Alstra. Uiteindelijk valt voor Walra in 2002 het doek. Uit de reacties die cliënten stuurden naar aanleiding van de sluiting van het bedrijf blijkt de uitstekende kwaliteit van de producten het meest genoemd en doorslaggevend geweest voor de aankopen. Bij sommige schrijfsters hingen na veertig jaar nog steeds dezelfde Walra handdoeken in de keuken. Er was een emotionele waarde aan de aankoop van de uitzet verbonden. Zo schrijft een cliënt in 2000 aan Walra: ‘Ik was toen ’n meisje van 18 jaar, werkte bij het Giro kantoor (nu postbank). Bijna elk meisje had toen ’n Walra uitzet. Je betaalde f. 15,- of f. 20,- per maand! En na een aantal jaren had je ’n start uitzet. Wat ’n tijd was het’.37 Met de sluiting van Walra verdween niet alleen een hoogwaardig textielbedrijf maar ook één van de laatste bastions op het terrein van de uitzet.

Mevrouw Enkeltman-Roos afgebeeld in prospectus Walra, 1960. Collectie Textielmuseum / archief Walra

76

Theedoeken ‘Appeltje’, uitvoering Walra, Waalre, 1970-1980, halflinnen / geweven. Collectie Rosalie van Egmond. Folder Walra, ca. 1979. Collectie Textielmuseum / archief Walra

77


78

79


Tafellaken en servet ‘Chrysant’, dessin 3242, uitvoering Walra, Waalre, 1960-1970, katoen, linnen / damastgeweven. Collectie Textielmuseum

80

81


Postorderbedrijven Naast het systeem van ‘handel aan huis’ zoals bij Walra, werd vanaf de jaren 1950 het zelfstandig thuis winkelen met behulp van catalogi die werden rondgestuurd, steeds belangrijker. Pionier was de Koninklijke Oldenzaalsche Stoomweverij v/h. J.H. Molkenboer waar, onder de voortvarende leiding van Jonkvrouwe H.E. Molkenboer–Trip, eind 19e eeuw al een textiel-postorderbedrijf was opgezet. Particulieren konden hun huishoudtextiel als uitzetten, lakens, slopen en theedoeken per post laten bezorgen.38 In 1952 werd door de koopman Herman Wehkamp een postorderbedrijf opgericht dat aanvankelijk in Dedemsvaart en later in Zwolle was gevestigd. Wehkamp werd in Nederland marktleider op het gebied van het ‘thuiswinkelen’. Het bedrijf begon met ledikanten en beddengoed, maar vanaf de jaren 1960 leverde het ook tafel- en keukengoed, kleding, meubelen, elektrische apparaten, serviezen, potten en pannen en vlees in blik aan huis af. Het eigen merk ‘prinses’ voor beddengoed kwam in de loop van de jaren 1950 op de markt. Vanaf 1956 verspreidde de firma Wehkamp catalogi waarin huishoudtextiel werd aangeboden. Het grote publiek werd haar doelgroep. [afb. 34] Daarnaast verkocht zij, zoals eerder genoemd, ook merken van andere fabrikanten, zoals de merken Nicolientje, Cinderella, Jorzolino, Seahorse en de 5 maal D doek. Ook groeide de klantenkring van de Duitse postorderbedrijven Otto en Neckermann in Nederland. De artikelen werden door de klanten per post besteld naar aanleiding van advertenties in radiobodes en vrouwenbladen. Naast het ‘thuiswinkelen’ verkozen ook vele vrouwen, vooral uit de grotere plaatsen en de steden, het om er zelf op uit te gaan om te winkelen. De warenhuizen breidden hun assortimenten huishoudtextiel steeds verder uit.

Catalogus Wehkamp, 1967. Collectie en foto Historisch Centrum Overijssel, Zwolle

82

83


De linnenkast de deur uit 1970-2000 Na een periode van wederopbloei van de Nederlandse textielindustrie kwam de neergang. Dit had verschillende redenen. De dekolonisatie zorgde voor een verminderde afzet waardoor een belangrijk bron van grote orders, zoals de afzet aan grote passagiersschepen, daalde. Maar het was vooral de concurrentie van goedkoop textiel uit lagelonenlanden die maakte dat vele fabrieken begin jaren 1970 gedwongen waren te sluiten. Voor de particuliere verkoop gold, dat de ‘typische uitzet’ door de klant veel minder belangrijk werd gevonden, soms zelfs ouderwets. Er werd minder getrouwd, de gezinnen werden kleiner en de komst van de wasmachine en later een wasdroger leidde tot vermindering van de hoeveelheden huishoudtextiel in de kast. De linnenkast verdween uit het huishouden. Dit betekende echter niet dat er geen fraai huishoudtextiel meer werd gemaakt en verkocht. Integendeel, met veel elan brachten studio’s en bedrijven diverse mooie collecties tot stand. Enkele toonaangevende projecten worden belicht.

84

85


Catalogus Wehkamp, 1967. Collectie en foto Historisch Centrum Overijssel, Zwolle

86

87


Ontwerpers en bedrijven Sand Studio, opgericht in 1979, door ontwerpers Liset van der Scheer (1954) en Annet Haak (1955) was een van de ontwerpstudio’s in de jaren 1980 die zich bezig hield met het ontwerpen van huishoudtextiel. Vanaf 1984 ontwierp Sand Studio keukentextiel voor de firma L. van Heek Textiles in Losser. De katoenen, zwart-witte theedoeken met kraanoogmotief en geel-witte pellendoeken grijpen terug op een traditioneel patroon. Voor ‘Seahorse’ van Ten Cate Houstex in Almelo ontwierp Sand Studio vanaf 1987 huishoudtextiel in diverse opvallende kleursamenstellingen. Met de techniek van het badstofweven ontstaat met weinig kleuren een veelkleurig beeld. Sand Studio ontwierp de ‘Block’ doek van DDDDD voor Ten Cate die in het begin van jaren 1990 een succes was. De uit blokjes bestaande doek was in verschillende kleuren verkrijgbaar. [afb. 35] Vanaf 1992 was Annet Haak samen met André Bijvanck verantwoordelijk voor de collectie van Auping Ideens uit Deventer. Zij ontwierpen en coloreerden bedtextiel maar schakelden ook externe dessinateurs in. Het bedrijf trok daarnaast freelance ontwerpers aan om dekbedovertrekken te ontwerpen. Ontwerper Beppe Kessler (1952) leverde in 1991 haar ontwerp ´Afrika Ebony´.[afb. 36] In de collectiecatalogus van 1997 van Ideens blijkt dat ‘Afrika Ebony’ toen nog te koop was. De producent werkte met ‘gebruiksferen’ en abstracte gevoelsbegrippen als intuïtie, elegantie en minimalisme. Het dekbedovertrek ‘Afrika Ebony’ is gedecoreerd met strepen en zigzagmotieven die je associeert met Afrika. Technisch gezien mochten de ontwerpen niet te gecompliceerd zijn. Zo kwam Kessler met minimale krassen, kruisjes, vakken of zelfs eenvoudige brandgaatjes en afbeeldingen van veren, die in verschillende kleurstellingen werden uitgevoerd. Na ‘Afrika’ maakte Kessler tot 2000 regelmatig ontwerpen voor Auping. Bij Auping Ideens werden ook ontwerpen van kunstenaar en ontwerper Barbara Broekman (1955) geproduceerd. Broekman ontwierp voor de collectie 1992-1993 vier dessins voor katoenen dekbedovertrekken: ‘Moving’ [afb. 37], ‘Cubes’, ‘Dream’ en ‘Flora’. De felle kleuren en het zwierige lijnenspel typeren haar dessins. Dekbedovertrek met sloop ‘Afrika Ebony’, ontwerp Beppe Kessler, uitvoering Auping / Ideens, Deventer, 1992, katoen / bedrukt. Collectie Textielmuseum

88

89


Dekbedovertrek met sloop ‘Moving’, ontwerp Barbara Broekman, uitvoering Auping / Ideens, Deventer, 1992, katoen / bedrukt. Collectie Textielmuseum

90

91


Maarten Vrolijk (1966), ontwerper van onder meer textiel, meubels en ceramiek, ontwierp tussen 1997 en 2004 bad- en beddengoed onder het label ‘Maarten Vrolijk’, later ‘Maarten Vrolijk editions’ voor de firma VanDyck in Amersfoort, waaraan hij ook als art director verbonden was. VanDyck, opgericht in 1923 als Corn. Van Dijk, profileerde zich met de naam Maarten Vrolijk; diens naam was dan ook prominent op het verpakkingsmateriaal en in de brochures aanwezig. Zijn werk wordt gekenmerkt door grote,

92

zwierige, vaak in een spontaan handschrift geschilderde, bloemen en planten.[afb. 38]. Na 2000 ontstond ook een samenwerking tussen VanDyck en meubelfabriek Gelderland in Culemborg voor wie Vrolijk ‘Luna’ dekbedovertrekken ontwierp. Dekbedovertrek met sloop ‘Eden’, ontwerp Maarten Vrolijk, uitvoering VanDyck/ Maarten Vrolijk, Amersfoort, 1998, katoen / bedrukt. Collectie Textielmuseum

93


Warenhuizen als opdrachtgever Een belangrijk impuls om met industrieel ontwerpers te werken voor de productie van huishoudtextiel is het 125-jarig bestaan van de Bijenkorf in 1995 geweest. Ter gelegenheid hiervan gaf de Bijenkorf Maarten Vrolijk de opdracht een exclusieve lijn voor de Bijenkorf te ontwerpen met meubels, gordijnstof, een kandelaar, verzilverde accessoires, een dekbedovertrek, een karpet en lampen. Het kleurrijke dekbedovertrek heeft een dessin van bloemen en meubelen in geel, rood en blauw op een witte achtergrond. Voor Vrolijk betekende dit de aanzet tot het ontwerpen van ander huishoudtextiel voor het gerenommeerde VanDyck. Ook Mariëtte Wolbert (1965) ontwierp ter gelegenheid van het 125-jarig bestaan van de Bijenkorf huishoudtextiel. Het waren hand- en droogdoeken met bijen-motief die bij Elias Jorzolino in Neede werden geproduceerd.39 [afb. 39] In de jaren 1990 werden bij dit bedrijf ontwerpers op freelance basis ingehuurd om de collecties te verfrissen en deze met nieuwe, heldere ideeën en een dito elan weer in de markt te zetten.40 Al voor het 125-jarig bestaan van de Bijenkorf ontwierp Wolbert op freelance basis keukentextiel voor Elias waarbij de ‘man’ als thema werd genomen. Zo ontstonden stoere dessins en donkere kleurpatronen. Patroon ‘Mozaïek’ van Mariëtte Wolbert was haar eerste ontwerp dat door Elias werd geproduceerd. Bijzonder is dat ‘Mozaïek’ een ecru ketting heeft in plaats van de toen gebruikelijk witte. In 1994 ontwierp zij keukendoeken met het dessin van een koe. [afb. 40]. Ze werden uitgebracht in de kleuren rood-wit; zwart-wit en blauw-wit. Wolbert heeft vijftien jaar voor Elias ontworpen. Dessins met boot-motief worden nog steeds in de Elias Classic line verkocht.41

Keukenhanddoek en theedoek ‘bij’, ontwerp Mariëtte Wolbert, uitvoering Elias Jorzolino, Neede, 1998 in opdracht van De Bijenkorf, Den Haag, katoen, badstof / geweven. Collectie Textielmuseum

94

95


Ter gelegenheid van het jubileum van de Bijenkorf ontwierp ook Nicolette Brunklaus (1959) tafellinnen en beddengoed. Met een trompe l’œil-achtig schaduwdessin suggereerde zij een gecapitonneerd dekbed. Met borden en glazen op een tafelkleed misleidde zij eveneens de waarneming. Net als bij de Bijenkorf werden ter gelegenheid van het 70-jarig bestaan van de HEMA in 1996 vormgevers aangetrokken om voor verschillende producten ontwerpen te maken.42 Marina Strumphler (1959) ontwierp voor het jubileum van de HEMA een thee- en een keukendoek. [afb. 41] Het dessin van de theedoek bestaat uit 25 vierkanten met in ieder vlak eenvoudig gestileerd keukengerei uit verschillende culturen van de Nederlandse samenleving, zoals een Marokkaanse Tajine pan. Het midden van de handdoek is gedecoreerd met een slacouvert. De keukendoeken zijn geproduceerd in oranje, blauw en groen. De namen van de vormgevers werden door de HEMA niet naar buiten gebracht, in tegenstelling tot de Bijenkorf die dat wel deed. Inmiddels kent de HEMA een eigen designteam. De producten vallen op door hun altijd goede kwaliteit en de zeer gunstige prijs-kwaliteitverhouding.

Keukenhanddoek en theedoek, ontwerp Mariëtte Wolbert, uitvoering Elias Jorzolino, Neede 1994, katoen / jacquardgeweven. Collectie Textielmuseum P. 98/99 Keukenhanddoek en theedoek, ontwerp Marina Strumpler, uitvoering HEMA 1996, katoen, badstof / jacquardgeweven. Collectie Textielmuseum

96

97


98

99


Een nieuwe eeuw: een nieuw geluid

100

101


Verkoop online Na de eeuwwisseling nam de verkoop van huishoudtextiel via internet een grote vlucht. Wehkamp begon in 1996 met de online verkoop van huishoudtextiel. Tegenwoordig is het bedrijf de grootste internet aanbieder.43 Het Zweedse kledingbedrijf H&M (Hennes & Mauritz) lanceerde in 2008 in Nederland zijn ‘Home spring’ collectie die uitsluitend online te koop is. Evelina Kravaev Soderberg, hoofd design van H&M Home wil laten zien dat ‘het niet duur of ingrijpend hoeft te zijn om je huis te veranderen.’ Het assortiment bestaat uit verschillende stijlen die uiteenlopende smaken vertegenwoordigen. Bijzonder zijn de geprinte dessins die iets anders doen vermoeden dan ze eigenlijk zijn. Zoals gedrukt kant op een katoenen tafelkleed. [afb. 42] Ook symbolen en vooral cijfers komen terug op servetten en placemats. Het dessin van het product wordt belangrijk gevonden, vaak meer nog dan de kwaliteit en duurzaamheid. Het textiel moet vooral een bepaalde sfeer, passend in een life style, oproepen. In 2005 won Liset van der Scheer met haar gebreide collectie huishoudtextiel een Nederlandse designprijs. Zij produceerde met de, in dit kader ongewone, techniek van het breien iets geheel nieuws. Door de combinatie van katoen en acryl is gebreid huishoudtextiel ontstaan dat zeer rekbaar is maar ook goed vocht opneemt. Na 2005 bracht Van der Scheer het huishoudtextiel zelf op de markt onder de naam Knit-tet. [afb. 43] De collectie bestaat uit badhanddoeken, gastendoekjes, droogdoeken en keukentextiel en is verkrijgbaar in acht effen kleuren of in een combinatie van twee verschillend gekleurde blokken. Naast de verkoop via winkels is Knitttet ook op internet verkrijgbaar.

Keukenhanddoeken ‘voorjaar 2009’, H&M Homecollectie, katoen / jaquardgeweven. Collectie H&M Home, foto Marleen Daniels

102

103


104

105


Keukenhanddoeken, ontwerp Liset van der Scheer, collectie Knit-ted; uitvoering Huisman Tricot, Beneden Leeuwen 2007-2008, katoen, acryl / machinaal gebreid. Collectie Textielmuseum

106

107


Textielmuseum Tilburg Ook het Textielmuseum in Tilburg is (kleinschalig) producent van huishoudtextiel. Vanaf de jaren 1990 geeft het aan kunstenaars en ontwerpers opdrachten om ontwerpen te maken en deze uit te laten voeren op de machines in het TextielLab. Hieruit is inmiddels een omvangrijke en bijzondere collectie tafelgoed en keukenhanddoeken ontstaan, die niet alleen in de eigen museumwinkel maar ook elders wordt verkocht. Bekende namen als Hella Jongerius (1963), Marc Mulders (1958), Ineke Hans (1966) en Ted Noten (1956) ontwierpen tafelgoed. Studio Job, bestaande uit Job Smeets (1970) en Nienke Tynagel (1977), verbond zijn naam aan de inmiddels alom bekende droogdoeken ‘Insects pattern’ [afb. 44] en Niels van Eijk aan ‘Groeten uit Holland’, een geblokte droogdoek in blauw en rood met de silhouetten van beroemde buitenlandse gebouwen ingeweven.44 Vers van de machine komt voorjaar 2010 onder de titel ‘A little help’ een serie vrolijke droogdoeken op de markt naar ontwerp van Leendert Masselink (1969). Nijvere kabouters spelen hierin de hoofdrol. Het is een verwijzing naar de wens dat ‘de kabouters de afwas wel doen.’ [afb.45] Een qua materiaal bijzonder product van het TextielLab is het tafellaken ‘1234 G tablecloth’ naar ontwerp van Christien Meindertsma (1980), geproduceerd in 2008. Hierin zijn tot dan toe ongebruikelijke materialen zoals zeewier, plantenvezel en bamboe verwerkt. [afb.46]

Droogdoek ‘Insects pattern’, ontwerp Studio Job, uitvoering TextielLab Textielmuseum, 2004-2005, katoen, linnen / jacquardgeweven. Collectie Textielmuseum.

108

109


Droogdoeken ‘A little help’, ontwerp Leendert Masselink, uitvoering TextielLab Textielmuseum, 2010, katoen, lurex / jacquardgeweven. Collectie Textielmuseum

110

Tafellaken ‘1234 G tablecloth’, ontwerp Christien Meindertsma, uitvoering TextielLab Textielmuseum, 2008, vlas, katoen, zeewier, plantenvezel, bamboe / geweven. Collectie Textielmuseum.

111


Ambacht, kwaliteit en duurzaamheid: een nieuwe trend? Na een eeuw waarin decennia lang grote hoeveelheden textiel voor het huishouden werden geproduceerd en geconsumeerd, is er geleidelijk aan een nieuwe trend waar te nemen. Ontwerpers grijpen terug naar meer ambachtelijke technieken en het gebruik van kwaliteitsvolle en duurzame materialen wint terrein. Mooie, duurzame (textiel)ontwerpen die lang mee gaan en waar je niet snel op bent uitgekeken komen (weer) in de mode. Het Textielmuseum is in de context van duurzaamheid gestart met het weven (van de ketting) uit biologisch katoen. Katoen dat geteeld is zonder gebruik van kunstmest en chemische bestrijdingsmiddelen en onder menswaardige arbeidsomstandigheden is verwerkt. Bedrijven onderzoeken hoe het bedrukken van textiel, zoals gebruikelijk is bij het maken van dekbedovertrekken, op een minder milieubelastende productiewijze tot stand kan komen. Een voorbeeld in Nederland op het gebied van duurzame verfstoffen is de onderneming Rubia Pigmenta Naturiala die plantaardige kleurstoffen vervaardigt en verkoopt. Initiatieven voor het kleinschalig op de markt brengen van verantwoord huishoudtextiel vinden her en der plaats. SNURK. is bijvoorbeeld een Nederlands bedrijf dat een serie beddengoed op de markt brengt, gemaakt van perkaline katoen. Dit katoen kent een hoge garenfijnheid is daarom duurzamer. Daarbij wordt ook een maatschappelijk doel gediend: een groot deel van de opbrengst van het beddengoed ‘Le-Clochard’ en ‘Le-Troitoir’ gaat naar Stichting Zwerfjongeren Nederland. Consumenten zijn zich er steeds meer van bewust dat, gelet op de milieuproblematiek, het beter is de hoeveelheden te minderen bij de aanschaf van (huishoud)textiel. Voor ontwerpers en fabrikanten liggen er een uitdaging en een ‘schone’ taak om in de toekomst op een verantwoorde, duurzame wijze huishoudtextiel te produceren.

112

113


114

115


Geraadpleegde literatuur ‘Een catalogus van Chris Lebeau’, De vrouw en haar huis, 8ste jaargang (februari 92), p. 33-333 ‘Nieuw Huishoudlinnen’, De vrouw en haar huis, 7de jaargang (november 9) nr. 7, p. 235-236 N.V. Linnenfabrieken E.J.F. van Dissel en Zonen, Catalogus van lakens en sloopen van E.J.F. van Dissel en Zonen te Eindhoven, Eindhoven, 92 M. de Bois, Chris Lebeau (878-945), Drents Museum, Assen, Frans Halsmuseum Haarlem, Zwolle 985 Caroline Boot, Made in Tilburg. Design – kunst: productie textielmuseum, Nederlands Textielmuseum, Tilburg, 2004 C. Boot, S. de Zoete, Artistiek damast van Brabantse bodem 900-960 ontwerpen van Chris Lebeau, André Vlaanderen, Jaap Gidding en tijdgenoten, Stichting Zuidelijk Historisch Contact/ Textielmuseum, Tilburg 2005 C. Boot, V. Korstjens, In het spoor van het Bauhaus. Weefwerk van Kitty van der Mijll Dekker, Textielmuseum Tilburg, Tilburg 2007 R.O. Dubbelink, ‘Hermanna Elisabeth Molkenboer-Trip (85-9), textielfabrikante te Oldenzaal’, Jaarboek Twente 44ste jaargang (2005) nr. 44, p. 02-07 J.F. van Dijk, 25 jaar Walra v/h Van Dijk, Manders & Co. 25 jaar directe linnenverkoop uit Woldere, Waalre 999

K. Olgers, C. Boot, Bauhaus, de weverij en haar invloed in Nederland, Nederlands Textielmuseum, Tilburg 988 T.R. ‘Fleur en gezelligheid in huishoudtextiel’, Textilia 40ste jaargang (5 april 96) nr. 508, p. 700-709 E.M. Rogge, De linnenweverij een belang voor de huisvrouw, Linnenfabrieken E.J.F. van Dissel & Zonen, Eindhoven 927 E. M. Rogge, De vrouw en haar huis (mei 935) nr. , p. 52 I. de Roode en S. de Zoete, Met Wilhelmina aan tafel. Een eeuw gelegenheidsdamast, Zwolle 998 M. Simon-Thomas, ‘Van Dissel’ in: E. Bergvelt (red.), Industrie & Vormgeving in Nederland 850-950, Stedelijk Museum, Amsterdam, Amsterdam/Delft 985-986, p. 98-0 V. Sleebe, H. Winkelman, ‘De linnenuitzet. Ruim een eeuw thuiswinkelen.’ Beeldkatern in: Textielhistorische Bijdragen 2007. Themanummer: Winkeldochters. Vrouwen in de handel en als consument van textiel 600-2000 E. Visser, De bekwame huishoudster. Handleiding voor huisvrouwen en jonge dochters uit en den aanzienlijken en den burgerstand om een huishouden overeenkomstig de eischen des tijds, net, doelmatig en goedkoop in te richten. Met eene opgave en omschrijving van de geschiktste meubelen, keukengereedschappen en verdere vrouwelijke benoodigdheden in salon, kamer, keuken, kelder enz., alsmede eene aanwijzing hoe alle huisraad ordelijk wordt bewaard, onderhouden en ingepakt, Leiden, [868-87]

M. Groffen, S. Hoitsma, Het geluk van de huisvrouw, Historisch Museum, Rotterdam, Amsterdam 2004 V. Hartogh-Snoek ‘De linnenkast’ in: De vrouw en haar huis, 26ste jaargang (93), nr. 5, p. 268-27 F. Keuchenius-Houbolt, ‘Naar de Tropen’ in: De Hollandsche Lelie, 44ste jaargang (6 mei 93) nr. 45, p. 72-723 V. Korstjens, ‘De zeventigste verjaardag van een theedoek’ in: Jong Holland 2ste jaargang (2005) nr. 2, p. 48-5

116

117


Summary This modest book accompanies the ‘KRAAKHELDER -100 jaar huishoudtextiel’ exhibition, on display in the Audax Textielmuseum Tilburg (NL) from 13 March to 13 June 2010. It examines household textiles marketed in the Netherlands in the period covering 1900-2010. Household textiles are understood to include: kitchen linen such as tea cloths, glass cloths and kitchen towels, table linen: namely tablecloths and napkins, bathroom linen: towels, face flannels, bath mats, and bedclothes. In the period up to 1940 having a linen trousseau, all the household linen that was considered necessary for establishing a household, was a pre-condition for getting married, especially among the middle-classes. There were several textile factories in the Netherlands that produced or supplied readymade linen trousseaus and/or cloth by the metre, intended as household textiles. Until 1945 linen and cotton linen (cotton warp with linen weft) generally formed the base materials from which the household textiles were manufactured. In this period most of the factories producing household textiles were based in the province of North Brabant. This was where the linen factories were traditionally established from long ago. Well-known names include Elias, Van den Briel & Verster, Van Dissel & Zonen, Kodijko, all in Eindhoven and Van Dijk Manders in Waalre. This last firm, later known as Walra, stayed open until 2002. Walra also became a household name through its ‘home shopping’ formula. Female agents visited housewives in their homes, gave them advice and took their orders. The names of many of the designers of household textiles from this period are unknown. Those that are known also worked in several fields and were professionally trained textile artists or designers, such as Chris Lebeau and Kitty van der Mijll Dekker. The latter introduced innovatory patterns and colours for household textiles. The designs became even more attractive in the nineteen fifties incorporating bright colours and pastel tints in refreshing designs. Factories in Twente such as Ter Kuile in Enschede, Spanjaard in Borne and Van Heek Textiles in Losser became important players in the field. From now on designers worked as freelancers at the few remaining factories. They included Erica de Ruiter, Beppe Kessler, Barbara Broekman, Mariëtte Wolbert, Maarten Vrolijk and Liset van der Scheer. The Textielmuseum started producing household textiles in modest quantities in the nineteen nineties. By now, this has given rise to a sizeable and exceptional collection of table linen and kitchen towels. In addition to

118

sales in department stores and via mail-order firms, the Internet is a major sales channel. After a century in which, for decades, great quantities of textile for households were produced and consumed, gradually a new trend is observable. Workmanship, quality and sustainability are considered of paramount importance. Consumers are becoming increasingly aware that, given today’s environmental issues, it is best to consume less household textile. For designers and manufactures this presents an important challenge.

119


Eindnoten 1 2 3 4 5 6

7 8

9 10 11 12 13 14 15 16

17 18 19 20 21 22

E. Visser [1868-1871], p. 86-87. M. Groffen, S. Hoitsma 2004, p. 64. Archief N.V. Koninklijke Textielfabrieken Jordaan-Ter Weeme, Haaksbergen 1866-1970, toegang 472, invnr. 21. Historisch Centrum Overijssel, Zwolle. V. Hartogh-Snoek 1931, p. 269. I. de Roode en S. de Zoete 1998, C. Boot en S. de Zoete 2005. Een oude lengtemaat die ca. 69,5 cm bedroeg. De maat werd in elk handelscentrum opnieuw vastgesteld waardoor er verschillen optraden. In de prijscouranten uit het begin van de 20ste eeuw wordt voor de el meestal 69 cm gehanteerd. V. Hartogh-Snoek 1931, p. 268-271. Stoomlinnenfabrieken J. Elias werd in 1874 door Josef Elias (1811-1891) opgericht. Vanaf 1948 heette de fabriek N.V. J. Elias Textielfabrieken ook wel Elias Textielfabrieken Eindhoven. Documentatiemap textielfabrieken Eindhoven; Audax Textielmuseum Tilburg, De Hollandsche Revue, 1931, p. 846-857. Archief Kitty van der Mijll Dekker. Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie, Den Haag. Theodorus (Dorus) van Dijk (1840-1902) en Catharina Henrica (Caatje) Manders (1847-1923) waren in 1873 samen deze firma begonnen. Prijscourant der firma Van Dijk, Manders & Co, Waalre [1910-1925]. Archief Walra, inventarisnummer 176, Audax Textielmuseum Tilburg. C. Boot, S. de Zoete 2005, p. 69-71. Opgericht in 1847 door Corstiaan van den Briel (1814-1877) in Stratum (huidige Eindhoven). C. Boot, S. de Zoete 2005, p. 75-77. C. Boot, S. de Zoete 2005, p. 83-84. De dessins ‘Sneeuwhoen’ en ‘Vissen en pinguïns’ werden vermoedelijk tussen 1925 en 1935 uitgevoerd. Een derde dessin is slechts uit een stalenboek bekend. M. de Bois 1987, p. 84-86. M. SimonThomas 1985-1986, p. 98-99. E. M. Rogge 1935, p. 52. ‘Nieuw Huishoudlinnen’ 1911, p. 235-236. Uitgave N.V. Linnenfabrieken E.J.F. van Dissel en Zonen 1912. ‘Een catalogus van Chris Lebeau’, 1912, p. 331. In 1934, een jaar voordat zij bij Van Dissel begon, werkte Kitty van der Mijll Dekker twee dagen per week voor Stoomspinnerijen & Weverijen v/h. S.J. Spanjaard te Borne. Hier bedacht zij nieuwe kleurencombinaties voor handdoeken en badtextiel en ontwierp zij huishoudtextiel. Er zijn gele en blauwe vingerdoekjes met verschillende weefbindingen naar haar ontwerp bekend, geproduceerd bij Spanjaard. Van der Mijll Dekker was van mening dat Spanjaard weinig nieuws

120

23 24 25 26 27

28 29 30

31 32 33 34

35 36 37 38 39 40 41 42

43 44

aandurfde en stopte bij de firma. K. Olgers, C. Boot 1988, p. 42. C. Boot, V. Korstjens 2007, p. 29. V. Korstjens, 2005, p. 51. Met dank aan M. Simon Thomas, oktober 2009. Aantekeningen mevrouw T. Brouwer en M. Simon Thomas, 2 augustus 1983. A. de Jong, ‘catalogus gelegenheidsaardewerk’ in: Mededelingenblad Nederlandse Vereniging van Vrienden van de Ceramiek, 127 (1987), nr. 2, p. 18-22. T.R 1961, p. 1708. T.R. 1961, p. 1709. Hedeman is in 1880 opgericht door Hertog Hedeman. In 1959 ging Hedeman over in handen van Nijverdal - Ten Cate. Zodoende produceert Ten Cate Houstex in Losser tegenwoordig de DDDDD doek. Archief H. Hedeman jr. N.V., toegang 167.11, invnr. L. 23. Historisch Centrum Overijssel, Zwolle. Archief N.V. Koninklijke Textielfabrieken Jordaan-Ter Weeme, Haaksbergen 1866-1970, toegang 472, invnr. 51. Historisch Centrum Overijssel, Zwolle. Archief N.V. Koninklijke Weefgoederenfabriek C.T. Stork & Co., toegang 167.7; invnr. 75. Historisch Centrum Overijssel, Zwolle. Vanaf 1958 gaat de Koninklijke Weefgoederenfabriek C.T. Stork samenwerken met de Koninklijke Textielfabrieken Nijverdal -Ten Cate. Deze textielgigant was in 1952 ontstaan door een fusie tussen H. ten Cate Hzn. en Co. te Almelo en Koninklijke Stoomweverij te Nijverdal. Zodoende produceert het huidige Ten Cate Houstex in Losser Seahorse artikelen. Kopie prospectus DURAMAST, documentatiemap textielfabrieken Eindhoven / Van Dissel, Audax Textielmuseum Tilburg Archief Walra, inventarisnummer 13. Audax Textielmuseum Tilburg. Archief Walra, inventarisnummer 52. Audax Textielmuseum Tilburg. R.O. Dubbelink 2005, p. 104. In 1970 fuseerden Elias en Jorzolino en opereerden als Elias Jorzolino B.V. vanuit Neede op de markt. Met dank aan A. Klein Nagelvoort, JMA Benelux. Email Klein Nagelvoort en auteur, 9 oktober 2009 Met dank aan Mariëtte Wolbert. Telefoongesprek Wolbert en auteur, 30 juni 2009. HEMA opende zijn eerste filiaal in 1926 in de Kalverstraat in Amsterdam. De Hollandsche Eenheidsprijzen Maatschappij Amsterdam verkocht voor de Tweede Wereldoorlog alles onder de gulden voor hele ronde bedragen. De Volkskrant 8 oktober 2009, p. 7. C. Boot 2004, p. 16-43 en p. 56-61.

121


122

123


124

125


Colofon Auteur: Rosalie van Egmond. Rosalie van Egmond (1974) is kunsthistoricus. Zij was in het kader van haar studie kunstgeschiedenis aan de Universiteit Leiden in 1999 betrokken bij de tentoonstelling ‘Amsterdamse School Textiel 1915-1930’ in het Textielmuseum. Ze studeerde af op de producten van de Gerofabriek in Zeist. Hierover publiceerde zij in 2002 het boek Gero. Zilver voor het volk! en organiseerde een tentoonstelling in het Drents Museum, Assen. Aansluitend was zij tot 2008 verbonden als conservator aan het Nederlands Goud-, Zilver- en Klokkenmuseum in Schoonhoven. Tegenwoordig werkt zij als freelance kunsthistoricus voor verschillende musea en instellingen. www. rosalievanegmond.nl Redactie: Hanneke Oosterhof Ontwerp: MvG ontwerpers, Breda Fotografie: Joep Vogels, tenzij anders vermeld Styling fotografie: Rosalie Swagemakers Druk: Gianotten Tilburg Bindwerk: Van den Burg, Weurt (?) Vertaling summary: Perfect Words Translation Services, Wouw Deze publicatie is uitgegeven ter gelegenheid van de tentoonstelling ‘KRAAKHELDER – 100 jaar huishoudtextiel’ van 13 maart tot en met 13 juni 2010 in het Audax Textielmuseum Tilburg. ISBN 978-90-70962-46-3 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor werken van beeldend kunstenaars en ontwerpers aangesloten bij een CISAC-organisatie is het auteursrecht geregeld met Pictoright te Amsterdam. www.pictoright.nl © Stichting Mommerskwartier / Audax Textielmuseum Tilburg www.textielmuseum.nl

Bezoekadres Goirkestraat 96 5046 GN Tilburg Postbus 4265 5004 Tel + 31 (0) 13 5 36 74 75 info@textielmuseum.nl

126

127


128


textielmuseum