Issuu on Google+

Koningsdrama’s: Shakespeare, Hitler en Mosley In gesprek met Ton Hoenselaars Gerard Borst

Naakt over een paard gelegd, werd het lijk van de Engelse koning Richard III na de slag bij Bosworth () naar Leicester gebracht. Daar werd het tentoongesteld, zodat de burgers konden zien dat Richard echt dood was. Uiteindelijk had de abt van het nabijgelegen franciscanenklooster de moed het lijk op te eisen en te begraven. Bij de verwoesting van het klooster werden Richards beenderen in de rivier de Soar gegooid.

Dit nu is gebleken onwaar te zijn. Onder een parkeerterrein in Leicester, de plek van de vroegere kloosterkerk, vonden archeologen vorig jaar een begraafplaats met daarin een vrijwel gaaf skelet. Het vermoeden rees dat het hier de resten betrof van Richard III, die dus niet aan het water van de Soar zouden zijn prijsgegeven. Een uitgebreid DNA-onderzoek volgde. Afgelopen februari was het resultaat daarvan prominent in het nieuws. ‘Opgedoken skelet is van Richard III’, kopten de kranten. Opwindend? Ton Hoenselaars, hoogleraar Engels aan de Universiteit Utrecht en Shakespeare-kenner: ‘Natuurlijk is dit opwindend. Temeer omdat al bij het opgraven een vervorming

van de ruggengraat werd vastgesteld. Niet alleen Dichtung dus, maar ook Wahrheit: Richard III had een bochel. Shakespeare baseert zich voor zijn drama King Richard III op de biografie The history of Richard III van Thomas More. Richard is bij hen een mismaakte. Je reinste karaktermoord, aldus de beschuldiging tot nu toe. Die auteurs zetten hem neer als de kwaadaardigheid in persoon en doen er nog een schepje bovenop door hem een bochel te geven, die hij in werkelijkheid waarschijnlijk niet heeft gehad.’ Bochel of geen bochel, wat maakt het uit? ‘Een lelijk uiterlijk correspondeert met een lelijk innerlijk. Dat was in Shakespeare’s tijd de gebruikelijke manier van denken.

Gerard Borst Koningsdrama’s: Shakespeare, Hitler en Mosleys


moest men zeggen: Shakespeare heeft met die bochel in dat koningsdrama gewoon gelijk gehad. Maar dat gebeurt niet, want daarvoor is het Genootschap niet op aard.’

Ton Hoenselaars: ‘Shakespeare reikt je analyses aan van politiek doen en denken die je in andere literatuur niet op zo’n gecomprimeerde manier aantreft.’ Foto: Ieme van der Poel.

Een afstotelijk uiterlijk stelde iemand meteen in een kwaad daglicht. En dat was beslist Shakespeare’s bedoeling. Zijn koningsdrama had een politieke lading. Richard III was de laatste Engelse koning uit het huis Plantagenet. Na hem kwamen de Tudors op de troon. Toen Shakespeare’s drama voor het eerst werd opgevoerd, droeg Elizabeth I de koningskroon. Zij behoorde ook tot de Tudor-dynastie. Richard wordt in afschuwelijke kleuren geschilderd om de Tudors er zo gunstig mogelijk bij te laten afsteken.’ In hoeverre is de vondst van het vorstelijk gebeente een opsteker voor het Britse Richard III-Genootschap? ‘Dit gezelschap streeft naar herstel van ’s konings reputatie na het afgrijselijke onrecht dat hem door Shakespeare werd aangedaan. Ik kan me zo voorstellen dat de leden graag van die bochel hadden afgewild. Het Richard III-Genootschap is de wind uit de zeilen genomen. Eigenlijk

s4IJDSCHRIFTVOOR"IOGRAlEZomer 

Shakespeare en zijn koningsdrama’s – Ton Hoenselaars noemt het zonder aarzeling zijn passie. Hij werkt als hoogleraar vroegmoderne Engelse letterkunde op de Utrechtse faculteit Geesteswetenschappen, waar ook het gesprek plaatsvindt. Zijn onderwijsprogramma voorziet in een cursus ‘Shakespeare’s koningsdrama’s’ en hij doet onderzoek naar Shakespeare in oorlogstijd (toegespitst op de Eerste en Tweede Wereldoorlog). Bij de aanvaarding van zijn ambt in december  zei hij er dit over: ‘Ik kijk naar de lotgevallen van Shakespeare in een aantal Europese landen (waaronder Nederland, Engeland, Frankrijk, Spanje en Duitsland), waar het werk van Shakespeare onder bijzondere omstandigheden werd gelezen en gespeeld, en vanwege de heersende internationale verdeeldheid, ook een complexe propaganda-functie kreeg.’ Het gesprek met Tijdschrift voor Biografie vult hij moeiteloos met thought-provoking verhalen. Vertrekpunt is het drama The Life and Death of King Richard III. Maar naarmate het uur vordert gaat het in toenemende mate over een onderwerp dat Hoenselaars met name boeit: de lijnen die zijn getrokken van de hoofdpersonages uit sommige koningsdrama’s naar nazistische of fascistische leidersfiguren. Hoenselaars heeft als lezer van en kijker naar Shakespeare al een lang leven achter de rug. Gevraagd naar de oorsprong van zijn fascinatie, zegt hij: ‘Het is begonnen met The Kinks. Van deze beroemde Britse popgroep was ik op de middelbare school een grote fan.’


‘The Kinks maakten schitterende songs. Vooral het engagement van hun teksten sprak me aan. Een klasgenoot vroeg wat ik toch met die popgroep moest. Nou, zei ik, op die manier leer ik Engels en kom ik iets te weten over Engelse toestanden. Toen wees hij mij op Shakespeare. Vast iets voor jou, zei hij, daar leer je nog veel meer van. Dat klopte. Ik werd een gretige consument: op mijn leeslijst voor Engels stonden zeker vier Shakespeare-titels. Na mijn eindexamen studeerde ik Engels in Leiden. Ik volgde daar de colleges van Fred Bachrach, in Nederland de grote Shakespeare-man van de tweede helft van de twintigste eeuw. Buitengewoon stimulerend. Tijdens de studie heb ik een jaar op het Shakespeare Instituut in Birmingham gezeten, vlak bij Stratford. Ik zag toen ook mijn eerste Stratford-producties: Hendrik VI, deel één, twee en drie, vroege Shakespeare-stukken die geen gemeengoed zijn, met de acteur Alan Howard in de hoofdrol. Ik vond ze geweldig. Mijn belangstelling voor de koningsdrama’s was definitief gevestigd.’ Wat is er zo fascinerend aan? ‘Vooral dit: je krijgt analyses aangereikt van politiek doen en denken die je in andere literatuur niet op zo’n gecomprimeerde manier aantreft.’ To be or not to be, – that is the question. Ziedaar het beroemdste Shakespeare-citaat. Maar ook dit is een gevleugeld woord geworden: A horse! a horse! my kingdom for a horse! Het is de vertwijfelde uitroep van koning Richard III als hij op het slagveld zijn paard verliest. Richard kijkt de dood recht in de ogen en is kansloos. Shakespeare laat de gebochelde heerser, die zich in het begin van het drama aan ons heeft gepresenteerd

als de hertog van Gloucester, nu spoedig aan zijn eind komen. De carrière van Richard III kent in het stuk het volgende verloop. Na de troonsbestijging van zijn oudere broer Edward eist de in zijn kwaadaardigheid zwelgende manipulator en schrandere redenaar Gloucester de koningskroon voor zichzelf op. Hij slaagt in zijn opzet en oefent als koning Richard III een waar schrikbewind uit. Om zich op de troon te handhaven, gaat de koning moord niet uit de weg. Het roept verzet op. Richard ziet zich gedwongen slag te leveren tegen medestanders die tegenstanders zijn geworden. Na een nacht waarin zijn geweten hem kwelt en de schizofrenie hem in zijn greep krijgt, gaat Richard op het slagveld strijdend ten onder. Richards schizofrenie komt in de laatste scène voor de slag treffend tot uiting. Hoenselaars raadpleegt Shakespeare’s tekst en citeert de bewuste passage: ‘Cold fearful drops stand on my trembling flesh, aldus Richard in die scène. En hij vervolgt: What do I fear myself? there ’s none else by Richard loves Richard; that is, I am I. Is there a murderer here? No;– yes; I am Then fly. What, from myself? Great reason why,– Lest I revenge. What,– myself upon myself! Alack, I love myself. Wherefore? For any good That I myself have done unto myself? O, no! Alas, I rather hate myself For hateful deeds committed by myself! I am a villain; yet I lie, I am not.’ De tekst ter zijde leggend, zegt Hoenselaars: ‘Dat is een geval van schizofrenie in actie! Shakespeare hanteert hier trouwens een typisch renaissancistisch stijlmiddel, de alleenspraak, de soliloquy, zoals de Engelsen zeggen. De soliloquy staat tegenover de

Gerard Borst Koningsdrama’s: Shakespeare, Hitler en Mosleys


colloquy, de dialoog, het gesprek, waarmee onze Erasmus naam heeft gemaakt. In de soliloquy heeft het personage een lange reflectieve speech. Hij steekt van wal en weet nog niet waar hij uitkomt. Zoals Hamlet met zijn To be or not to be. Aan het begin werpt hij vragen op en in het vervolg passeren de mogelijke antwoorden de revue. Het betreft hier het ontluikende bewustzijn van een “zelf ”, een vroegmoderne vorm van zelfidentiteit. Dat bewustzijn was er al wel op de een of andere manier, maar de letterkunde had vóór Shakespeare en zijn collega’s nooit middelen om het tot uitdrukking te brengen. Shakespeare cum suis ontwikkelen dan die soliloquy. De toehoorder wordt een blik gegund in het laboratorium van iemand die machtswellustig is zoals Macbeth, die twijfelt aan het leven zoals Hamlet, of aan zijn vrouw zoals Othello. Op zulke momenten openbaart zich een zekere “interioriteit”, een zekere “innerlijkheid”. Het gaat om een expressie van zelfbewustzijn die in de letterkunde tot dan toe nog niet is waargenomen.’ Terug naar Richard in die scène voor de slag. ‘Kijk, ik geef colleges over de koningsdrama’s. Een centraal thema daarin is “het individu en zijn masker”. De hoofdpersonages zijn gespleten figuren. Er is een “publiek zelf ” en een “privé-zelf ”. En het publieke zelf draagt een masker. Wat zie je nu bij Richard? Die krijgt dat masker niet meer af. Dat is nu juist die schizofrenie. Eerder had hij nog macht over het stuur van de twee “zelf-instanties”. Maar in die scène voor de slag is die macht volkomen zoek.’ Shakespeare’s drama Richard III is een gefictionaliseerd portret van de Engelse ko-

s4IJDSCHRIFTVOOR"IOGRAlEZomer 

ning die regeerde tussen  en . Richard komt in het stuk naar voren als een tirannieke vorst, die op brute wijze over Engeland heerst. Is hij dit ook in werkelijkheid geweest? Het is voor historici-biografen geen uitgemaakte zaak. Feit is wel dat de fictionele Richard met grote regelmaat als referentiekader wordt gebruikt bij de duiding van latere historische figuren. Voorbeelden van twintigste-eeuwers op wie men het aan Shakespeare ontleende Richard III-etiket plakt, zijn Ceaucescu, Nixon, Stalin en Khadaffi. Als Hoenselaars dit krijgt voorgelegd, zegt hij onmiddellijk: ‘Vergeet ook Adolf Hitler niet.’

Adolf Hitler, een ‘Richard III’ van het zuiverste water. Of een ‘Henry V’?

In welk opzicht is Hitler een ‘Richard III in Shakespeariaanse zin’? ‘Bij de Richard van Shakespeare zie ik altijd het eerst dit kenmerk: zijn kwade zin. Het tweede is zijn retorisch talent, zijn vermogen om als “acteur”, als openbaar spreker zijn boze boodschap te doen winnen, zijn vermogen tot het verbaal bespelen van mensen. De gedachte aan Adolf Hitler dringt zich dan vanzelf op. Hitler betoonde zich


een “Richard III” van het zuiverste water.’ De onlangs overleden Heldring memoreerde in een column Hitlers ‘hese, pieperige fluisteren, het bezeten schreeuwen en de dodelijke stiltes van zijn stem uit de jaren-dertig-radio’. ‘Hitler wist hoe hij de massa moest “grijpen”, en maakte daarbij handig gebruik van een modern communicatiemiddel. Als Hitler niet zo’n groot redenaar was geweest, was alles anders gelopen. Die retorische begaafdheid heeft een enorme rol gespeeld. De overeenkomst met Shakespeare’s Richard III is duidelijk. Ik heb dat niet van mezelf hoor. Er ging al een dikke pijl van Hitler naar Richard III in het stuk Der aufhaltsame Aufstieg des Arturo Ui van Bertolt Brecht. Dit stuk dateert van . Het werd in ballingschap geschreven en pas veel later gepubliceerd. Met vileine humor veegt een woedende Brecht Hitler en zijn aanhang de mantel uit. In het stuk wordt expliciet naar Shakespeare en zijn schurk Richard III verwezen.’ Het gesprek komt op een ander hoofdpersonage uit een koningsdrama van Shakespeare, Henry V. Is de beeldvorming rondom Richard III ronduit negatief, Henry V heeft daar geen last van. Shakespeare portretteert hem dan ook als een held. Toch is ook dit personage, vertelt Hoenselaars, op één lijn gesteld met Hitler – door een landgenoot van Brecht, de grote regisseur Peter Zadek. Dat gebeurde in Held Henry!, een Shakespeare-productie waarmee Zadek midden jaren zestig furore maakte. Hoenselaars gaat op deze productie in, maar schetst eerst de inhoud van het koningsdrama Henry V. Hoenselaars: ‘Het verhaal van Shakespeare’s Henry V speelt zich af tijdens de Honderd-

jarige Oorlog, waarin Engeland tegenover Frankrijk staat. Met koning Henry aan het hoofd zeilen Engelse manschappen naar Frankrijk. Het wordt een zegetocht. Keer op keer weten de Engelsen de Fransen op eigen bodem te verslaan.’ ‘In het stuk houdt Henry V een toespraak – de scène is ongeveer net zo beroemd geworden als de schizofrenie-scène uit Richard III. Ik doel op het Once more to the breach-fragment, “Nog eenmaal op de bres…” Henry roept met deze speech bij zijn troepen, die het moeten opnemen tegen een groter Frans leger, de strijdlust wakker.’ Henry V kennen we onder andere van de gelijknamige Shakespeare-verfilming die Laurence Olivier maakte tegen het eind van de Tweede Wereldoorlog. Hoenselaars: ‘Die film werd gedeeltelijk gefinancierd door de Britse regering en was speciaal bedoeld om ten tijde van de invasie het Britse moreel op te vijzelen. Van de Once more to the breach-scène maakte Olivier veel werk. En nu komt Zadek om de hoek kijken. Peter Zadek was een geboren Berlijner en joods. Na de machtsovername van Hitler kwam hij met zijn ouders in Londen terecht. Daar zag hij in  Oliviers film Henry V. En het hoofdpersonage deed hem onweerstaanbaar aan Hitler denken, vooral ook in de scène van de toespraak. Na de oorlog in Duitsland teruggekeerd, begon Zadek te werken aan wat uiteindelijk de productie Held Henry! zou worden. Oliviers Henry moet hem toen geregeld door het hoofd zijn gegaan. In  bracht hij Held Henry! in Hamburg op het toneel. Zadeks productie is Henry V alsof het de geschiedenis van Hitler is. De intocht van Henry V in de Franse hoofdstad bijvoorbeeld zie

Gerard Borst Koningsdrama’s: Shakespeare, Hitler en Mosleys


Sir Oswald Mosley. ‘Een Hitler had ook de Engelsen kunnen overkomen.’

je tegen de achtergrond van de beroemde beelden van Hitler in Parijs. Zadek stelde heldenverering aan de kaak. De boodschap is: als we helden zo vereren als we doen – en dan niet alleen politieke helden, maar ook filmsterren of voetballers – verdienen we eigenlijk het soort leiders te krijgen die zo tekeergaan als Hitler en Stalin deden. Met andere woorden: de hunkering naar dit soort leiders is diep in ons zelf geworteld. Misschien vragen we er zelf wel om.’ Tot slot nog één keer Richard III. Tijdens een korte pauze heeft Hoenselaars laten weten de in  uitgebrachte film Richard III zeer te waarderen. Richard Loincrane tekende voor de regie van deze film, waarin Ian McKellen de hoofdrol speelt. De boosaardige, gebochelde Richard III is hier een fascistenleider, die de troon bestijgt in het Engeland van de crisisjaren dertig. De film dwingt de kijker een kaarsrechte lijn te trekken van het hoofdpersonage naar Sir

s4IJDSCHRIFTVOOR"IOGRAlEZomer 

Oswald Mosley, in  de stichter van de British Union of Fascists. De film sloeg enorm aan in Engeland. Wat stak daarachter? ‘De jaren negentig vormden een soort irenische periode, een periode van vrede zoeken. Het nazisme was weg, het communisme nu ook – het kwaad leek verslagen; over dat kwaad kon worden nagedacht zonder dat men in een periode van kwaad zat. De intelligentsia begon op een faire manier naar het eigen verleden te kijken. De Britten komen in de geschiedenis naar voren als een volk dat graag een ander de schuld geeft. Dat nazisme, fascisme en communisme? Ach, dat is altijd aan de andere kant van Het Kanaal. En wat doet nu Loincrane’s film? Die zegt: het zou wel degelijk ook hier gebeurd kunnen zijn. We hebben er maar zo’n stukje van afgezeten. Een Hitler had ook ons kunnen overkomen. Het zit ook in onze eigen cultuur.’


Shakespeare, Hitler en Mosley