Page 1

Na een lichte beroerte moest André Vermeiren op aanraden van de dokter zoveel mogelijk schrijven, om zijn geest en motoriek op gang te houden. Hij was toen al net de 90 voorbij maar het lukte nog redelijk goed om wat op papier te zetten. Toen begonnen de oogproblemen en daar hij maar één goed werkend oog had (het andere was al blind van bij de geboorte) was de oogarts niet geneigd om veel aan dat ene oog te prutsen. Op den duur kon André haast niets meer lezen en ook niets meer schrijven. De schoonzoon en zoon stelden voor om de vlakscherm tv die André net gekocht had als monitor te gebruiken en een computer aan te schaffen. Met een webcam en wat knutselwerk werd een apparaat in mekaar gebokst dat zowat op een scanner lijkt en waarop dan een tekst kan gelegd worden die dan via de pc op het vlakscherm getoond wordt. Dat lukte vrij goed. Maar dan kon hij nog niet schrijven. Daarom vroeg hij aan zoon Luc of die hem geen schrijfmachine kon bezorgen waarop Luc zei dat er in feite al een schrijfmachine in huis was, de pc. Maar het probleem was nu dat vader André de symbolen op de toetsen niet kon zien staan en nog nooit een computer van dichtbij had gezien. Er werd een grote kopie van het computerklavier afgedrukt en die letters zag Pa wel. Er werd zoveel mogelijk geautomatiseerd en nu kon vader voor elke letter die hij wou schrijven op de gedrukte kopie de letter gaan zoeken en dan vanaf de bovenrand te tellen de hoeveelste rij en vanaf de zijkant te tellen de hoeveelste in die rij ze stond om dan de overeenkomstige toets van het computerklavier in te drukken. Zo begon André aan de schijnbaar onmogelijke taak een groot deel van zijn levensverhaal met behulp van de computer neer te schrijven. Letter per letter blad na blad met af en toe wat hulp ontstond een verhaal waarvan ik vind dat het de moeite waard is om aan iedereen te laten lezen. Hier volgt het verhaal, precies zoals hij het zelf heeft neergeschreven.


AndrĂŠ Vermeiren Gelukkige dagen in zwarte tijden


Wilrijk 05-08-2009

1918 - 1930 In het kort: mijn 12-jarige levensverhaal in "la douce FRANCE". De "Acte de naissance", hierbij, bewijst dat ik in FERQUES (Frankrijk) ben geboren op 22-12-1918. VERMEIREN ANDRE – AUGUSTE – JOSEPH werd ik genoemd. Het met de hand geschreven "CERTIFICAT de BAPTÊME" registerblad nr. 32 vermeldt dat : Vermeiren André-Auguste-Joseph op 29-12-1918 gedoopt is. De namen der ouders, peter en meter worden daarop ook vermeld. Kort daarop moest Vader naar België terugkomen om gedemobiliseerd te worden. De datum daarvan is mij onbekend. Het bewijs dat wij in België waren is een foto van mij als baby, genomen in 1919 in de Geuzenstraat in Antwerpen. In 1920 keerden wij terug naar Elingen in Frankrijk waar onze PA zijn werk had. Daar was geen kleuteronderwijs dus moesten wij op straat spelen. Als tijdverdrijf. Op mijn zesde in 1924 moest ik naar de lagere school. Het gebouw bestond uit twee grote lokalen en een woonruimte voor de directeur, met een grote speelplaats en nog een grote tuin. In elk klaslokaal zaten drie leerjaren. Jongens en Meisjes in een klas met één leraar. In 1927 werden de kinderen tussen 7 en 12 jaar gezalfd met de HEILIGE OLIËN .

1


De jaren vliegen voorbij. Het jaar 1930 komt er aan. Het wordt een zeer ingrijpend jaar. Rond de jaarwisseling van 1929-30 kwam er bezoek uit BELGIË : onze PA zijn oudste en jongste broers. Zij kwamen met een bijzonder verzoek. Er was in WILRIJK, het geboortedorp van onze PA, een tekort aan politieagenten. Wilrijkenaars, oudstrijders en tweetaligen kregen voorrang, zo wisten de OOMS te zeggen. Door de dreigende sluiting van de koolmijn waar vader toen bovengronds werkte besloot hij zijn kans te wagen en schreef in voor het toelatingsexamen waarin hij slaagde. Door zijn benoeming moest hij naar België verhuizen. Wij zouden later volgen. Hier moest nog gefeest worden. Mijn "Plechtige Geloofsbelijdenis" doen. Onze Pa en ik zijn naar Calais gegaan om een kostuum te kopen. Een marineblauw pak met koperen knopen. Op bijzijnde foto niet zo duidelijk te zien. Op de linkse arm is één mooie armband in strikvorm, met de hand gemaakt. Een echt kunstwerk uit kant en tule. Ik moest op 17 juni 1930 nog een examen afleggen om het "Certificat d'études primaires" te bekomen. Dit certificaat werd uitgereikt op 28 juli 1930 . Het examen ging zeer goed maar in rekenkunde ging het mis. Een zwaar vraagstuk met alle rekenkundige bewerkingen die er waren. Ik verwisselde tijdens het berekenen het aantal weken met het aantal maanden in een jaar. Bij het nazien zag ik de fout maar de tijd ontbrak om die te verbeteren. Men kwam de papieren ophalen en daar zat ik! Welke gevolgen? Goed of niet? Bijgevoegd certificaat bewijst : geslaagd , maar zonder onderscheiding. Van de gemeente Ferques kreeg ik een geschenk : een Larousse woordenboek genaamd "TOUT EN UN", een naslagwerk met heel veel onderwerpen. Het boek is te zwaar om het hierbij te voegen. Het

2


is nu in handen van onze Luc. Hier eindigt het relaas van mijn staatsexamen. Eindelijk kregen wij bericht van onze PA dat hij alles had geregeld om ons naar BelgiĂŤ te laten komen. De verhuis gebeurde op 21 Juli 1930 , de nationale feestdag, en in Antwerpen was de wereldtentoonstelling bezig. Onze aankomst in Antwerpen was dan ook OVERWELDIGEND.

3


4


5


6


7


1930-1937 Op 21 Juli kwamen wij aan in Antwerpen, niet te beschrijven. Met zijn allen op de tram, ook onbekend voor ons, naar Hoboken waar de ganse onbekende familie ons opwachtte. Zo veel volk en veel rumoer. Daags nadien zijn wij naar onze nieuwe woonst gegaan aan de Boomse Steenweg vlak tegenover de kerk van St. Jan Vianney. Het was nog vakantie. In de buurt waren enkele kinderen die Frans spraken; zo konden wij met hen spelen. Op 01-09-1930 begon het nieuwe schooljaar. Onze Jules moest nog ĂŠĂŠn jaar doen en ik twee. Het was wel wennen tussen al dat nieuws maar wij werden goed opgevangen door de meester en de medeleerlingen zodat wij rap mee konden doen. Het huis waar wij woonden was vochtig en kil. Onze Pa vond een ander huis dat veel beter was en wij verhuisden naar de Korenbloemstraat, tussen de hoveniers. Dat was in mei 1931. De kinderen die er waren hielpen mee in de hof zodat er niemand was om mee te spelen, daarom ging ik maar mee helpen; harken en wieden, dat was al goed voor de baas. Het schooljaar 30-31 was voorbij; 31-32 begon. Dat zou mijn laatste schooljaar zijn. Mijn vrije uren waren om te hovenieren. In die periode was er een druk parochiaal leven. Er was een patronage voor jongens en een voor meisjes. Dit was een zaaltje achter de kerk, open op de vrije schooldagen (donderdag-namiddag, zaterdagnamiddag en zondag) waar de jeugd onder toezicht kon spelen.

8


Voor de kinderen ouder dan 14 jaar was er een afdeling kajotters en kajotsters. Er was ook een toneelgroep, Ars genaamd. Er was dus gelegenheid genoeg om mee te kunnen leven en spelen om zo bij de mensen te komen. Het schooljaar 31-32 was afgewerkt. Verder studeren deed ik niet en ik moest dus werk zoeken. Ik koos voor het hoveniersvak. Ik kon bij Pier Soetewey beginnen; 48 urenweek (6 dagen) aan 1 Fr (0,025â‚Ź ) per uur. Toen kwam er een nieuwe wet. De baas moest mij inschrijven en per maand toen 13 Fr aan zegels kleven op formulieren bestemd voor de staat via de A.S.L.K. Dat was wat veel in die crisisjaren. Ander werk gezocht en gevonden, dicht bij huis. Het was bij bloemenkweker Mondelaers. Veel aangenamer zo tussen de bloemen werken. Bijna twee jaar heb ik daar gewerkt maar door een verkeerde reflex kreeg ik de bons en vertrok met veel spijt. Je mag de baas nooit tegenspreken. De bloemist kwam vragen om terug te komen maar ik wilde niet meer. Voor de derde maal werk gezocht en gevonden. Deze keer iets anders. Op de Jules Moretuslei in "Den bakeliet". Het was in drie shiften en 44-urenweek. Niet zo proper maar beter betaald. Het was juni 1936 en ik ben er gebleven met mijn volle goesting tot ik rond de jaarwisseling 37-38 bericht kreeg om mijn militaire dienst te volbrengen vanaf 15 februari 1938. DAT IS HET EINDE VAN DEZE PERIODE.

9


1938-1939 Even terug voor de aanloop van de dienstplicht. In de zomer van 1937 kreeg elke jongen geboren in 1918 en woonachtig in Wilrijk een oproepingsbevel om zich te melden op de Kielsevest nr. 23 Antwerpen om een geneeskundig onderzoek te laten doen om JA of NEEN soldaat te worden. Kort nadien kregen ze bericht waar en wanneer ze binnen moesten gaan. De meesten op 03-01-38. Ik kreeg mijn brief wat later en moest binnen op 15-02-1938 bij het 3de Lanciersregiment 4de Esk. De kazerne was op de St.Jobsesteenweg in Brasschaat-Polygoon. Dit was de aanloop. Ik was op 15-02-1938 tegen 12 uur ter plaatse. Geen bekende te zien. In de eetzaal kregen wij ons middagmaal. Na het eten moesten wij tegen 14 uur 30 in de "infirmerie" zijn om de nodige injecties te krijgen. Het waren er twee. Daar stonden wij met naakt bovenlijf onze beurt af te wachten. Er werd ons nadrukkelijk op gewezen dat we niet stil mochten blijven zitten maar veel bewegingen moesten doen vooral met de rechterschouder. Dit om geen gevaarlijke koorts te krijgen. Na deze behandeling werden we naar onze kamers begeleid maar eerst langs het magazijn gaan om onze "plunjezak" op te halen. De begeleider zegde ons wat nu gedaan kon worden. We moesten de spullen passen en onder elkaar wisselen tot we het passende stuk hadden gevonden. Onze tweede dag was een rustdag en konden wij gebruiken om verder te doen om onze kledij aan te passen. Vond men niet het gepaste dan moest men naar het magazijn gaan. Daar konden we de juiste maten krijgen.

10


De inhoud van die zak was kompleet voor de ruiterij. Ik denk maar aan de bovenkledij. Er waren twee toile pakken; twee rijbroeken; twee vesten; een lange winterjas in de taille aangesneden; een muts met witte floche; een paar bottines; twee beenstukken "guetten" genoemd; en een stalen helm. Materiaal om de lederen stukken en het koper te kuisen was er niet bij. Dat moesten wij zelf kopen. Daar hadden ze wat op gevonden. Wij kregen een dagelijkse SOLDIJ van 0,30 fr. uitbetaald om dat te kopen. Die uitbetaling gebeurde elke week op dezelfde namiddag en toevallig was de kantine ook die middag open. Na het dagelijkse appel en ontbijt kregen wij theorie over hetgeen het leger aanging. Zowel over de rangen en onze houding tegenover de officieren en onderofficieren; over de wapens; over de voertuigen die in gebruik waren. Zelfs Nederlandse taallessen. Over de wapens: een waar verhaaltje - geen details, maar een Belgische uitvinding. Wij hebben er een paar lessen over gehad tot er bericht kwam van hogerhand dat het wapen was afgekeurd, dus geen lessen meer. (Denk aan 10 mei 1940). In de namiddagen in onze soldatenkledij gaan oefenen en leren om ons stalen ros (motor) te kunnen gebruiken. Dit waren de normale dagbezigheden. Er waren rondritten door de Kempen. Ook nog vele karweien zoals: onderhoud van de gebouwen binnen en buiten; het toilettengebouw WC en DOUCHEN; in de keuken helpen; in het gebouw "ETAT-MAJOR" waar dagelijks de trapzaal en de gangen moesten geschuurd worden. Taken die verdeeld waren onder de zes eskadrons. Hetgeen hiervoor geschreven is was de normale gang voor de dienstplicht. Er waren wel een paar uitzonderingen: twee keer 6 weken kamp in 11


Beverloo. In september 1938 wegens onrustige internationale toestand is er een kleine mobilisatie uitgevaardigd die een kleine week heeft geduurd. Er is nog wat te vertellen over hetgeen ik beleefd heb dankzij mijn Engelbewaarder. Eerst nog dit: dagelijkse appel en ontbijt is gekend maar om 12u was er een warm middagmaal: soep, aardappelen, groenten en vlees dat opgediend werd in de eetzaal. Voedzaam en voldoende. Elke dag om 17u45 was het groot appel want om 18u ging de grote poort open tot 22u, dan kon men in en uit zonder melding. Na het appel werd het avondmaal opgediend voor diegenen die in bleven. Brood, margarine, beleg, ook voldoende Maar op elke woensdag en vrijdag was het anders. Het avondeten op woensdag: een warme stoofpot van wat de kok te veel had op een speciale wijze klaargestoomd met brood en mostaard erbij. Lekker met gevolg dat bijna allen bleven eten en dan wegwezen. Vrijdag ander eten. De firma INZA uit schoten zorgde voor het avondeten. Afwisselende pap: havermoutpap, gortepap, griesmeelpap, rijstpap, enz. Er was ook een klein witbrood voor 4 mannen met goede roomboter. Dan waren geen afwezigen te tellen. Om 22u was het appel aan het bed terwijl het klaroen de nacht in blies, LICHT UIT! Slaap wel. Op 18-05, de derde dag in dienst, begon onze opleiding. Te voet naar het oefenplein 10 minuten gaan. Onderweg moesten wij halt houden voor een krater. De wachtmeester vroeg even onze aandacht: Een tijdje geleden is er hier een zwaar ongeluk gebeurd. Leerlingen van de Officierenschool hadden een bom ingegraven en moesten die bom laten ontploffen van op 15 meters afstand door een lont aan te steken. Na een vastgestelde tijd moest het gebeuren maar het liep mis. Afwachten tot de voorgeschreven tijd om was. Er werd nog langer gewacht tot ze allen dachten nu kan er niets meer gebeuren. Toen gingen 12


ze met zijn allen om te zoeken naar de fout en toen ontplofte de bom met verschrikkelijke gevolgen. Doden en zwaar gekwetsten. Voor wij verder stapten deed ik nog rap een kruisteken en de wachtmeester had het gezien. Hij heeft het mij zelf verteld. Lang verhaal wel de moeite om het neer te schrijven. Dat vond ik wel. Na dit oponthoud stapten we wat verder om onze eerste oefeningen te doen. Knopen maken was de opdracht: rechtse- linkse- platte- schippersknoop enz. Touwen lagen ter plaatse. Zo konden we beginnen met uitleg van de wachtmeester tot de tijd om was. Ik kreeg te horen van de wachtmeester dat hij mij benoemde als dienstdoende brigadier. "Foet-foet" in soldatentaal. Hij gaf ook wat uitleg b.v. dat hij bevelen kreeg van hogerhand en die dan aan zijn brigadiers doorgaf die dan door de soldaten werden uitgevoerd. EINDE EERSTE DAG . Er volgen er nog. Na 3 maanden stage werden de "foet-foeters" vast benoemd als Brigadier met opslag van soldij, nu 0,60 fr per dag. De rode strepen om op de mouwen te naaien moesten we zelf kopen en er op naaien. We hadden wel wachtdienst maar geen wachtpost. Om de twee uren moesten we de wachtposten aflossen. Verder als brigadier met de nodige soldaten zorgen voor het onderhouden van de gebouwen, van de koer en toiletten, ook in de keuken o.a. patatten jassen enz. Bij een karwei op de Etat-Major was ik met twee soldaten de trappen en de lange gangen aan het schuren toen plotseling onze Kolonel voorbij kwam. Zoals het moest riep ik "ter orde" en stonden we in houding. De kolonel vroeg: “Wie is hier de overste?” Ik stelde mij voor als brigadier. Hij antwoordde: “Is dat een tenue om een overste te groeten?” Ik vroeg of ik hem iets mocht zeggen over die karwei. Dat kon. Hier in het kort: “Met twee 13


soldaten zulk karwei doen binnen de tijd is niet te doen. Minstens twee soldaten moeten er bij komen. Zou het niet mogen dat alleen de brigadier de naderende officieren groet?” De kolonel lachte en riep een officier en gaf hem bevel te doen wat ik gezegd had en dat gebeurde heel snel. Wat een opluchting voor mij. Zo gingen de dagen voorbij. Voor de klas '37 was de tijd gekomen om hun laatste weken in het kamp van Beverloo door te brengen. Zes lange weken en de klas '38 moest mee. Er werd appel gemaakt om iedereen zijn plaats te geven. Als dat gedaan was, bleef ik met nog enkele soldaten over om de nodige karweien en onderhoudswerken te doen. Goede engelbewaarder want dat kamp was niet van de poes. Op 15-07-38 zwaaiden de "anciens" af en namen wij hun plaats in voor twaalf maanden waar in die tijd buiten het gewone weinig te vertellen is. Een opdracht waar niemand in geloofde heb ik nog gedaan. Ik moest bij onze commandant op het bureel komen. Ik kreeg te horen dat ik mij met mijn motorberijder en een soldaat in volle oorlogsuitrusting moest aanmelden in de kazerne van de Genie aan de Berchemsepoort op een latere datum die ik wel op tijd zou krijgen. De Genie had een vlot ontworpen om zeer snel een waterloop over te varen. Dus het 4de eskadron van het 3de Lanciers was er voor uitgekozen. Zo stond het te lezen op de papieren die ik kreeg voor het vertrek. De datum weet ik niet meer. Wel had ik de gedrukte toelating om mijn familie te bezoeken en terug te gaan naar de kazerne na de proef met het vlot. Op het gestelde uur aangemeld in de Geniekazerne. We werden begeleid naar de vest waar een aantal hogere officieren aanwezig waren. Ik meldde mij aan bij de juiste officier die bezag me en vroeg: "Waar is de overste?" “Dat ben ik”, was mijn antwoord. “U! Brigadier!”, was zijn repliek en ‘Ik laat u wel komen als het nodig is”. Na een tijd konden we aangereden komen om op 14


het vlot te rijden en de oversteek te wagen en het lukte ook. We konden daar terug op het land rijden en mochten zonder BOE-of-BAH terug naar de kazerne rijden met een omweggetje zoals het gemeld is hiervoor. Terug in de kazerne verslag gedaan bij onze commandant en ik heb er verder niets over gehoord of gepraat. Korte tijd later wegens onrustige internationale toestand werden we gemobiliseerd, het heeft maar een week geduurd. We waren in St. Ghislain gekazerneerd in een oude fabriek aan het kanaal Charleroi-Tertre. Daar heb ik wel foto's van op de brug. Dit was nog in Sept. '38. We moesten nog 5 maanden wachten op de klas van '39. In Juni '39 begon de zwaarste periode van onze diensttijd. Maar de tijd vliegt en zeker na het binnenkomen van de klas '39. Tot op een dag: APPEL. Alles klaarzetten want we vertrekken voor zes weken naar Beverloo. Ik moest nu wel mee. Engelbewaarder of niet. Ter plaatse gekomen moest ik op rapport komen en daar kreeg ik te horen dat de eetzaal en de kantine tot mijn bevoegdheid behoorden, dus wel mijn ENGELBEWAARDER. Tot 10 juli ben ik cafĂŠbaas geweest. Op 15-07-39 AFGEZWAAID.

15


1939-1940 Terug thuis, dus gaan werken. Geen nood want de hoveniers riepen om volk. Wat ik graag had gedaan, maar ik moest mij melden bij mijn vorige baas dat wettelijk moest gebeuren: ofwel mij terug aannemen of ontslagen met een ontslagpremie of ik zelf ontslag geven. Ik kon direct aan het werk. Ik zei tegen de baas dat er kans was dat ik op de elektriciteitsmaatschappij der Schelde zou kunnen gaan werken. Het liep niet volgens het boekje. De toestand was kritiek en plots werden de “Reservisten” opgeroepen. Dat waren de soldaten van de klas 1938 die onlangs waren afgezwaaid. Einde augustus terug naar de kazerne die we onlangs verlaten hadden. Onze zakken stonden nog in het magazijn en onze kamers waren nog vrij en zo waren we rap ingeburgerd. Voor onze eerste opdracht moesten we naar Quiévrain, patrouilleren langs de Franse grens. Begin december was het zover. Alles inpakken, wil zeggen, in volle oorlogsuitrusting klaar zijn om te vertrekken. We moesten ons gaan opstellen aan de Kempische vaart in Opitter op een grote boerderij aan de vaart. Er was veel plaats in de schuur en op de hooizolder. Van wacht of oefeningen was geen sprake. Na enkele dagen kreeg ik bevel om met mijn team en met nog een brigadier bij te verhuizen naar een andere boerderij ook aan de vaart gelegen tegen de oever waar een bunker stond die wij moesten bewapenen. De bunker ongeveer 4 meter groot met drie schietgaten om van daar uit over de vaart te kunnen schieten en de “passerelle” te verdedigen. Dat was een loopbrug over de vaart.

16


Wij waren heel goed behuisd. Er was een klein meisje van 10 maanden oud die veel bij ons was en op onze schoot kwam zitten. Schone liedjes duren niet lang. Inpakken en op naar de grens in Stokkem aan het drielandenpunt. De bunker die we nu moesten bezetten was wel bewapend. Op de hoogste stelling stond een kanon waar we geen beweging in kregen daar alles vastgeroest was en er was geen munitie voor het kanon. Daaronder stond een zwaar machinegeweer dat we wel aan het klappen kregen met een lege band. Munitie was er wel. In noodgeval konden we de overkant van de Maas bestoken. Links voor ons was Nederland, voor ons Duitsland en de brug over de Maas. We lagen dus in de eerste linie. Na een paar dagen kwam er onverwacht hoog bezoek. Onze kolonel op inspectietocht. Bij zijn binnenkomen riep ik “Ter orde” en stonden allen in houding als begroeting. De kolonel vroeg: “Wie is hier de overste?” Ik stapte naar voor en stelde mij voor als brigadier. Zijn repliek was: “Is dat een tenue om een overste te groeten?” Ik had op mijn linkerarm een steenzweer sinds enkele dagen en kon dus geen mouw verdragen. Dat was de tweede maal dat hij mij dezelfde opmerking maakte over mijn tenue. Ik zag aan zijn doen dat hij er nog iets van wist. De dame van het huis legde hem uit dat zij dat verzorgde omdat de arts maar niet kwam. Er stond een telefooncentrale voor wie en voor wat? De arts wordt opgeroepen en de kolonel was er niet mals voor. Na die rommel ging onze kolonel met mij op inspectie en hij was tevreden met de uitleg die ik kon geven en het werk dat gedaan was. Hij nam heel vriendelijk afscheid van ons allen. Twee dagen later kreeg ik van onze kolonel twee extra dagen verlof met gratis vervoer.

17


Kort daarop kwam de infanterie ons aflossen en konden wij verhuizen naar de tweede linie om tot rust te komen. Dat was in Dilsen, een klein dorpje waar we heel verspreid konden logeren. Hier in de verlaten mergelgroeven konden we voor het eerst onze nieuwe wapens uittesten. Zo gingen de dagen voorbij. Tot plots groot appel, allen in het gelid voor de naamafroeping, iedereen kreeg zijn plaats. Ik bleef als enkeling achter. De officier zei dat ik de andere morgen op het appel bij de commandant moest zijn om 10u. Die morgen op tijd op het bureel, de commandant vroeg of ik goede kennissen had in hogere kringen want hetgeen nu komt is wel abnormaal te noemen. Ik ken niemand die iets zou kunnen doen. “Van nu af ben jij benoemd als instructeur bij de klas 1940 die op 15 februari binnen komt. Op 1 februari 1940 moet U in de kazerne van de Guides aanmelden in Elsene”. Daar stond ik aan de grond genageld. “Daar kan ik niets aan doen”, zei de commandant, “inpakken en goede reis”. Voor vervoer was het o.k., en op 01-02-40 werd ik in de kazerne afgezet. Afwachten, proberen er het beste van te maken. De eerste man die ik zag was brigadier Frans, kortweg een beroepsmilitair met wie ik 17 maanden had gewerkt en die nu ook overgeplaatst was. Een plezant weerzien. We gingen op zoek naar het bureel en kwamen nog een bekende tegen, Georges, de planton van het 4de esk. Hij was ook over geplaatst en zei ons dat er nog bekenden waren o.a. Armand, de planton van onze kolonel die hier ook was overgeplaatst. Toen ik dat hoorde begon er een belletje te rinkelen. Er was nog een goede bekende, onze commandant is hier en verwacht ons. Wij waren dus bij wel gekende, niet te vergeten, de kok van toen was hier ook. Op het bureel gekomen zei de commandant tegen mij: “U waart in het kamp de man die in de kantine de dienst deed, wel, dat zult gij hier ook doen, samen met de eetzaal”. Goede Engel bedankt; geen oefeningen, geen wacht, enkel cafébaas spelen. 18


Bij de mannen die binnen kwamen waren er twee uit Wilrijk, mij wel bekend, Evrard en Georges. Het dagelijkse was om 6u opstaan, kleden, naar het appel gaan, lessen volgen, oefeningen doen, middag eten, na de rustpauze afwisselend zoals in de voormiddag, om 18 u appel, avondeten dan vrij tot 22u, dan was het “licht uit” wel te rusten. En zo elke dag. Maar nu, op 9 mei gans de avond in de kantine wat gevierd omdat wij, de drie uit Wilrijk, op vrijdag 10 mei in verlof gingen, want de ouders van Evrard hadden het café van hun ouders overgenomen en de opening was voor 11 mei voorzien. De opening is wel doorgegaan in mineur zonder soldaten. Op 10 mei kwam er iemand op de deur bonken en riep: “Dré sta op, want de Duitsers zijn België binnengedrongen, het is oorlog”. Aangekleed en ingepakt om de rangen te vervoegen. Na wachten en wachten eindelijk op stap naar de statie van Elsene, de aangeslagen trein op en weg zonder dat iemand de bestemming kon zeggen. Ten slotte stopte de trein in Hamme. Daar bleven we 3 dagen om verder te trekken naar Zuid-Frankrijk werd ons gezegd. Intussen had Evrard zijn ouders per telefoon kunnen bereiken om te zeggen waar we nu waren. Zijn vader en zijn zuster en mijn vader zijn naar Hamme gefietst om ons wat goede raad te geven. Mijn vader had 2 lange onderbroeken en 2 onderhemden met lange mouwen bij. “Neem ze mee, ze zouden wel van pas kunnen komen en het is zo gebeurd”. Later meer uitleg. In Hamme de trein op richting Frankrijk, de weg beschrijven is onmogelijk, eindelijk op onze plaats, een 20-tal kilometers ten noorden van Montpelier in St. Cristol, een dorpje tussen de wijngaarden. We vonden plaats op de hoeve van een van de grootste wijnboeren van het dorp. We hadden een keuken geïnstalleerd, met opgeëiste materialen, in open lucht en onder het hangar. Konden we, uit de zon, levensmiddelen bewaren en 19


mochten we de wijnkelder gebruiken. De wijnboer had mij gevraagd om wat uitleg te geven: eerst en vooral alles netjes houden en het gebruikte terug op zijn plaats zetten. Ten tweede: witte druiven niet eten (buikloop). Blauwe wel maar met mate, en twee uren wachten om te drinken, een slokje water wel maar geen alcoholische dranken. Ten derde: van het fruit dat in papieren zakken nog aan de boom hangt: afblijven; dat waren abrikozen, perziken enz. Primeur artikelen. Het vlees en andere eetwaren werden wel door het leger geleverd. Groenten b.v. gaan kopen bij de boeren. De uitrusting van de keuken bestond uit een grote en een kleine ketel, en pannen, waaronder we met hout vuur moesten stoken. De dagen gingen zo voorbij, tot er bericht kwam dat wij loopgrachten moesten gaan graven rond Parijs dat niet in Duitse handen mocht vallen. Onze bestemming was Juvisy, daar aangekomen, zorgen voor eten, op stap om het nodige op te eisen. Toen de soep klaar was om uitgedeeld te worden moesten we terug inpakken daar de Duitsers Parijs al binnen waren. De eerste trein die er kwam werd opgeĂŤist . Die zat vol vluchtelingen. De vluchtelingen moesten uitstappen om voor ons plaats te maken. Daar kreeg ik van een koppel dat moest uitstappen een klein hondje, Fifi genaamd. Dat hondje is de ganse oorlog bij mij gebleven, het is in 1945 in Wilrijk overleden. De trein voerde ons naar een dorpje in de buurt van Toulouse waar we een week zijn gebleven en dan moesten wij terug naar St. Cristol. Na een tijdje vernamen we dat er een overeenkomst gesloten was tussen het Belgische en het Duitse leger dat wij ons op 31 augustus 1940 om 10u30 moesten melden in Paray-le-Monial op de demarcatielijn. Van daar uit zou men ons naar Brussel vervoeren. In Paray-le-Monial aangekomen werden we naar een weide gebracht naast de spoorlijn waar een trein met beestenwagens stond. We werden per groep verdeeld naargelang de capaciteit van de wagons, 6 paarden of 36 man, 8 paarden 20


of 48 man. Daar kregen we te horen dat onze bestemming niet Brussel was omdat we nu krijgsgevangenen waren en de aardappel- en de bietenoogst in Duitsland moesten helpen binnenhalen. We werden in groepen verdeeld naargelang de wagon die voor stond, eerst al hetgeen we bij hadden afgeven, ondergoed, bovenkleding konden wel houden, een bestek kon ook. De rest werd op een hoop gesmeten. Wapens, luxe artikelen, juwelen. Ik had nog wat kunnen redden, ik had een tweede broek aangetrokken, nog wat verstopt onder mijn vest, mijn vulpen had ik nog maar mijn dagboek was ik kwijt want voor het geschreven woord waren ze onverbiddelijk. Er waren ook honden, zelfs zangvogels, die mochten ook niet mee. Ik moest met tegenzin Fifi achter laten, dat beestje amper 30cm. hoog, bovenpels van snuitje tot het staartpuntje blinkend pekzwart, de rest was beige tot lichtbruin. Zij stond beneden te janken en te blaffen en we konden ze niet oppakken tot er toch een brave ziel het hondje opnam en met zijn vinger op de lippen het hondje in de wagon neerzette. Zij was terug bij haar volk.

In “Het 14-18 boek” geschreven door Daniël Vanacker en uitgegeven bij Waanders uit Zwolle in 2006 vindt u op blz.139 een foto met uitleg over een rijdende veldkeuken in 1916. De koks moesten zich behelpen met hetgeen ze konden opeisen waar ze aankwamen zoals grote ketels, brandstof en gerief. Dit gebeurde in open lucht en in de sneeuw. Een rijdende veldkeuken bestond uit grote ketels met onderaan een stookplaats, daartussen een hoge schouw die “anti-avion” werd gedoopt. Even authentiek was onze keuken in St. Cristol in Zuid- Frankrijk, weliswaar in de volle zon, half mei 1940, 25 jaar later.

21


In hetzelfde boek staat op blz. 140 een verhaal over een Belgische veldkeuken uit 1917. De soldaten durfden in het openbaar niet klagen over het eten, diegenen die wel protesteerden kregen van de kok een dikke soep opgediend die niet zo smakelijk was en “rabot-de-col” werd genoemd. Welnu, tijdens ons dienstjaar in 1938 kregen we elke woensdag als avondeten ook zulke dikke soep, of een stoofpot, beide goed eetbaar. Dat noemden we ook “rabat-col”, 21 jaar later. Van de rijdende veldkeuken wisten wij niks. Voor de eerste keer, op de ”col de la République” aan St. Etienne zagen we de bewuste keuken staan met onze goed gekende kok aan het fornuis. Dat was den 30ste Augustus 1940, onze laatste dag in onbezet Frankrijk.

Op 31-08-40 vertrok de trein met zijn 2400 gevangenen, niet naar Brussel zoals beloofd, maar naar een onbekende plaats in Duitsland, die we na twee dagen trein rijden bereikt hebben. Onderweg hadden we plaspauze waar we droog brood kregen en water, zo konden we onze bussen vullen. Fifi was er ook nog. Na een tijd rijden, hoe lang wist niemand te zeggen, tot plots iemand riep: “Ik zie de naam Stettin staan”. Toevallig wist ik waar die stad gelegen was want een tijd later zag er iemand Neustettin staan. Doordat niemand er iets zegde vertelde ik wat ik dacht; we zitten nu in het noorden van Duitsland waar het heel koud kan zijn; we rijden nu richting Danzig, nog veel kilometers van hier maar niet zover van “de corridor”: Pools grondgebied hun toegewezen na 14-18 en nu teruggepakt door Duitsland. Eindelijk stopte de trein, eindbestemming. We waren in Hammerstein aangekomen. Kamp Stalag 2 b was nu onze plaats. Uitstappen met pak en zak, dezelfde groep en bewakers. We werden in een grote zaal gebracht waar we ingeschreven werden. 90265 was mijn inschrijvingsnummer. Vervolgens naar de kapper om glad geschoren te 22


worden. Op een stoel gezeten kregen we een grote doek over ons en de gelegenheidskappers deden hun werk, baard en haarbos, alles ging eraf. In de volgende zaal kregen we een zak met een nummer op dat we goed moesten onthouden om onze zak, na de ontsmetting , terug te vinden. Want al hetgeen wij aan hadden was in die zak gestopt. Nu naar een douchezaal, allen in ons Adamskostuum, zonder vijgenblad, warm, koud water en zeepsop meer dan genoeg. Nu de CLOU, in een zaal daarnaast stonden die ons voorgegaan waren te wachten met honderden, naakt zoals wij met een glimlach op het gezicht want wie is wie? Een deel van onze ploeg stond al te wachten maar lieten hun niet kennen. Onze FIFI wist ons wel te vinden en nu maar wachten op onze zakken die nu op komst waren. Aangekleed en op weg naar de barakken. Dat was onze eerste dag in het kamp genaamd Stalag 2b. Na een aanpassing van een paar dagen werden ploegen samengesteld. Onze ploeg, een twintigtal mannen onder het bevel van een Duitse militair, werd naar het dorp Bisschoftum gebracht waar de burgervader ons opwachtte om ons tot bij de juiste boer te loodsen. Met 13 mannen verbleven we op een boerderij, 5 ervan bleven op die boerderij om er te werken en daar was ik bij, gelukkig maar. De anderen kwamen hier enkel om te slapen. Om 6 uur opstaan, toilet doen, aankleden en op weg naar de boerderij waar ze eerst de stallen moesten uitmesten en dan ontbijt. Geen klachten over het eten. Wij bleven boven tot we geroepen werden voor het ontbijt ook tevreden. De boerin moest eerst onze voornaam kennen om te kunnen zeggen wat we gingen doen. André en René vond zij te moeilijk om te roepen, André werd Max, René werd Frans. De 3 anderen vond ze goed. Eerste doel: aardappelen oogsten, voor later zien we wel. Eerst nog iets vertellen over wat wij zagen toen we op de boerderij binnenkwamen. Ik kende wat ik zag, de anderen hadden dat nog nooit gezien. Tegen een muur op een grote ladder was een pas geslacht 23


varken, achterpoten omhoog en kop naar beneden en open gesneden om zo gezegd het vlees te laten uitbloeden. Wij, met ons 5, bleven nog 4 weken ter plaatse. De anderen zijn maar 6 weken in dat dorpje gebleven. En het mag gezegd worden 6 formidabele weken. Voor ons waren dat er 10. Onze bewaker was ook zeer welwillend, hij was beter hier dan aan het front. Wij werden betaald, 1 mark 40 per dag, wekelijkse uitbetaling, de helft contant, de andere helft werd in het kamp gehouden en dat zouden we krijgen bij onze vrijlating. Ik wacht er nog op. Daar ik maar 4 mark 20 had kon ik er niet veel mee doen. Onze bewaker had het gevonden, hij bracht voor dat geld een fles cognac mee die we wel baas konden. Wij vertrokken terug naar het kamp maar de bewaker bleef ter plaatse voor de volgende lichting. Bij het afscheid zegde hij dat hij zonder spijt elke week 0 mark 30 had bijbetaald voor de fles. Dat vond ik tof maar kon niets terug doen. Hem wel bedankt en op terug reis naar het kamp met Fifi nog steeds bij ons. Terug in het kamp en afwachten. Na een paar dagen vroeg men een hovenier om dagelijks naar de stad te gaan werken, dat was iets voor mij. Ik kreeg dat werk en moest de andere morgen om 7u aanwezig zijn aan de poort om onder begeleiding naar de stad te gaan. 10 min gaans tot de hoofdplaats, daar stonden de burgers op hun toegewezen arbeider te wachten. Ik ging met een heer mee naar zijn huis.

Ik

werd

er

heel vriendelijk

begroet

door

mevrouw.

Eerst

kennismaking, ik zegde wie ik was en mr. zegde ook wie hij was en wat hij deed nl. hij was een meesterschouwveger, een staatsbeambte die met zijn arbeiders in de hem toegewezen wijk 2 maal per jaar al de schouwen moest vegen en al wat er vrij kwam sorteren en inleveren. Het roet diende als basis om ersatz rubber te maken. In die tijd ging niets verloren, zelfs het afgeschoren haar werd gebruikt. Eens in de woonkamer zegde mv: “U bent een Vlaming, ook waarschijnlijk katholiek”. Ik zei: “Ja” en liet mijn 24


paternoster zien. “Wij ook maar in stilte dus mondje toe”. Nu eten want ontbijt had ik niet. “André”, zegde ze, “dit moet ge goed onthouden: in deze kamer is uw tafel gedekt om 3 maal per dag hier te eten maar u zit bij ons aan de tafel”. Hetgeen nu volgt is ongelooflijk en toch waar. Het dagelijkse gang: ontbijt, witbrood of pistolets met beleg naar keuze, koffie, melk, suiker. Na het eten stond ik op maar neen, eerst een sigaretje roken, dan werken. In den hof wist ik wat te doen. Mr. kwam zien, later kwam mv. met een kopje koffie en met allebei nog een trekje doen. Om 12u tijd middageten: 3 of 4 gangenmenu, nog een tasje koffie, een trekje doen, gaan werken. Mr. later mv., weer een trekje doen. Beide binnen, sigaret uit, de zak in om uit te delen. Om 16u. einde werkdag, gereedschap gekuist en weggeborgen en avondeten. Bij het buiten gaan kreeg ik nog een pakje met boterhammen en nog wat sigaretten. Wij moesten samenkomen op de markt om onder begeleiding naar het kamp terug te keren. Daar stonden mijn vrienden te wachten omdat ik elke avond mijn boterhammen en sigaretten uitdeelde. Einde bevoorrading. Begin december, op het bed gezeten, vertelde Rene wat er is gebeurd nl. er was appel gedaan en al degenen die nu aanwezig zijn zouden 2 dagen later tijdelijk verhuizen daar er 3 dagen later rond 11 of 12 december de trein klaar stond om naar huis te gaan. Daar ik afwezig was had Rene na zijn afroeping een andere plaats ingenomen en toen ze mij afriepen, riep hij present. Ik kon wel mee als Mr. mij liet gaan. De andere morgen na het ontbijt heb ik hun de stand verteld en allebei vonden het fijn om Kerstmis thuis te vieren. Die avond ging Mr. mee naar het kamp om te zeggen dat het werk gedaan was en of hij in het voorjaar op mij kon rekenen en dat kon. Nu inpakken, de trein op en naar huis. Na, denk ik, een dertigtal uren reizen stond ik, moederziel alleen, te wachten op tram 17 tot ik iemand vroeg naar de 17. “Die stopt hier niet meer”. Ik, met pak en zak, precies 25


een clochard en Fifi nog steeds bij mij, naar de 17. Ik stapte op maar betalen kon ik niet. De wattman wilde niet weg, of afstappen of betalen. Ik deed niets als van mijn oren maken tot er een man die dat lawaai hoorde mij zag staan en zei: “André, ik zal betalen” en hij was niet mals voor de onbeschofte wattman. Ik bedankte Charel en moest niets teruggeven. Eindelijk in Wilrijk, moe en dorstig na zulke lange rit. Op weg naar huis kwam ik een goede kennis tegen en vroeg hem om mijn ouders te verwittigen. “Ik kom er van en ik ga terug”. Hij loopt terug en ik slenterde maar op en Fifi ook. Om de hoek zag ik ze aangelopen komen. ONBESCHRIJFELIJK. Mijn drie zusters tegelijk om mijn hals, PA en MA stonden voor de deur, Jules was aan het werk. Nog iets opmerkelijk: Fifi stond er maar bij, plots was ze weg en rende zo snel ze kon tot bij ons Ma die ze nooit gezien had en dat klikte tussen beide. Het instinct van een dier is niet te doorgronden als ge leest wat Fifi heeft meebeleefd, om dan zo bewust naar ons Ma toe te lopen, een onbekende. Nu thuis: recht naar achter, het kot in, uitgekleed, intussen was er warm water, dus het bad in. Wat een zalig gevoel en Fifi moest ook in het bad. Goed afgeschrobd, proper kledij aan; over de deur bij de kapper en dan kwamen de buren kennis maken. De laatste 2 weken van 1940 waren rap voorbij, wat bekomen van de reis, en op 22-12-1940 vierde ik mijn 22ste verjaardag. Daarna naar het politiebureel om alles volgens de wet te regelen. Hetgeen ik had gekregen als kledij in het kamp moest ook ingeleverd worden. Ook bij mijn laatste werkgever diende ik mij aan te melden. Zo was 1940 afgesloten.

26


1941-1944 Nu kan alles zijn normale gang gaan. Terug aan het werk op den bakeliet, meestal van zes tot zes, de vrijdagshift tot 10 u. Zo kon ik wat sparen en verder met de vrienden een pintje drinken of naar de voetbal gaan en soms naar de cinema. Zodra het weer het toeliet gaan helpen bij de hoveniers om wat bij te verdienen. Op een zondagnamiddag stonden wij, ik met Marcel en de Flup aan de cinema te wachten op ZE, die nooit op tijd was, de twee gingen naar binnen om op hun plaats te zitten. Ik bleef nog wat wachten en plots was ZE daar, mij van ziens wel bekend. “Waar zijn de anderen?” “Binnen”, zei ik, “gij zult het met mij moeten doen”. “Dat kan als gij mijn plaats betaalt”, zei ze. “Geen bezwaar”, antwoordde ik, en we gingen naar binnen op ons plaats en het klikte meteen en dat zouden wij samen 66 jaren volhouden. Nu het zover was moest ik kennis maken met haar ouders en dat ging heel vlot, ook met mijn ouders ging het goed. Alles ging zijn gewone gang tot de Duitsers de mensen opeisten om ergens in Duitsland te gaan werken in fabrieken die door de geallieerde luchtmacht werden bestookt en platgelegd. Dat was de verplichte tewerkstelling die tegen alle wetten in door de Duitsers werd toegepast. In november 1941 werd ik samen met nog 4 mannen uit de bakelietfabriek opgeëist. We moesten naar “Lübeck aan der Trave” gaan werken in de fabriek waar onderdelen voor de Dornier vliegtuigen werden gemaakt. Ik had mij ter plaatse als bloemist aangemeld en ze waren blij eindelijk iemand te hebben om het groen te verzorgen wat niet gebeurde. We waren met 21 mannen, 6 Vlamingen en 15 Nederlanders gehuisvest in een goed verzorgd gebouw, morgen-, middag-, avondeten opgediend in de eetzaal, prima. Enkele Nederlanders vonden het niet naar hun zin en gingen protesteren met als 27


gevolg; verhuizen naar een barak; zelf kuisen; 3 maal per dag ons eten ophalen, verdelen; afwas doen en voor de verwarming zorgen. We waren mee den dupe maar na enkele dagen werden de Vlamingen bij de fabrieksbrandweer ingezet en verhuisd naar mooie kamers boven de eetzaal waar wij 3 maal per dag konden gaan eten of een lunchpakket meenemen voor de shiftwerkers. Intussen had ik wel wat geleerd om met machines om te gaan. Na 2 weken dachten ze dat ik volleerd was en vloog ik naar hangaar 4 aan een freesmachine waar ik niet kon over zien. Hetgeen ik afwerkte waren de beweegbare delen achter aan de vleugels die dienden voor het opstijgen, landen of besturen. Dag in, dag uit. Op zekere dag zei onze Duitse brigadier: “André, ik weet niet wat er gaande is maar de majoor is niet te spreken over u, wees dus voorzichtig met uw doen en laten.” De majoor was SS-man en Gestapo. Ik had al wel wat deugnieterij gedaan, wat niet zo erg kon zijn. Toch begon ik te denken op een of andere manier om in verlof te kunnen gaan. Ik scheef naar Margot en naar huis dat ik graag wilde trouwen en of ze de nodige papieren wilden opsturen. Dat kwam wel in orde en ik kon mijn verlof aanvragen. Intussen was de Erla-fabriek in Mortsel gebombardeerd en mannen uit die streek kregen toen verlof. Een man uit het Neerland was er bij, ik vroeg of hij voor mij een kapotte broek thuis kon gaan afgeven en terugbrengen, dat is zo gebeurd. Uiteindelijk ging ik zelf in verlof, en toen kwam hij vragen of ik voor hem ook een pakje met goed ingepakte geschenken (uit gres gemaakt) wou meenemen. Het was wel wat zwaar, wellicht zo’n 10 kg, maar ik deed het toch. Nu op weg, de trein op naar huis. Aan de grens in Herbestal overstappen in Belgische wagons (in Duitsland reden de treinen op een smaller spoor) maar eerst langs de douane gaan. Waar we langs moesten stonden soldaten met een collectebus voor het Duitse Rode kruis in de 28


handen, die wat gaf kon verder, die niks gaven moesten opzij gaan staan. Ik had enkel 3 briefjes van 10 mark op zak, van de nood een deugd makend stak ik goed zichtbaar een briefje van 10 in de bus tot grote vreugde van de soldaat. Hij salueerde mij en ik vroeg hem of hij mij kon helpen om snel verder te gaan, dat deed hij ook en hij loodste mij recht de trein op en zo kwam ik op zondag 15-08-1943 rond de middag in het Centraal station in Antwerpen aan waar ik niemand zag die mij opwachtte. Volgens de N.M.B.S. kwam die trein in de Ooststatie aan en Margot en mijn zus Jeanne stonden daar te wachten, zodat het weerzien later gebeurde, maar daarom niet minder hartelijk. Met die geschenken die ik ging afgeven op het Neerland had ik een verrassing van formaat, niet te geloven om in die tijd zoiets te durven vragen. De vrouw zei: “Ik zal die zak wel uitpakken en het u terug bezorgen.” Ik antwoordde “Nee, want ik moet die zak meteen terug meenemen.” Ik deed de zak open en tot mijn ontzetting bleek de zak gevuld te zijn met loodgietergereedschap. Ik was totaal verbouwereerd en riep uit: “Wat een godsv*** smeerl** is dat!” Ik had hem wel kunnen vermoorden, hetgeen misschien wel mijn lot zou zijn geworden zonder de hulp van die soldaat, de 10 mark, en ook mijn engelbewaarder, daar in Herbestal.

Op 28-08-1943, een zonnige zaterdag, zijn wij in het bootje gestapt. Tijdens de koffie vroeg Flor, onze buurvrouw aan mijn vader: “Frans, weet ge nog wat gij eens zei, wel die daar gaat (doelende op Margot), daar wil ik wel eens een doodzonde mee doen, maar uw zoon is u voor!”. “Maar het is toch in de familie gebleven!”, was zijn antwoord. Na de burgerlijke plicht en de kerkelijke dienst was het feestmaal bij Margot thuis waar ik nu voorlopig zou wonen. Het kwam er nu op aan, daar ik niet terug naar Duitsland ging, 29


om hier werk te vinden en niet opgepakt te worden. Tijdelijk heb ik dan gewerkt bij hoveniers op vijf verschillende adressen waar ik ook kon overnachten om zo weinig mogelijk verplaatsingen te moeten doen. Tweemaal is het gebeurd dat ik tijdig verwittigd werd om te gaan schuilen, telkens met goede afloop. We zochten een oplossing en ik zou gaan werken juist over de grens in Frankrijk omdat het daar veiliger was. Inpakken wat ik had, en onze pa Stan had mijn wilgen blokken met stukken autoband belegd. De avond voor het vertrek hoorden we op de stille radio dat het geallieerde leger in ItaliĂŤ was geland en dat Mussolini met zijn leger op de loop was. Dat was goed nieuws, vonden wij en dachten dat het einde nabij was, nog wat geduld en geluk dan is het vrede. Ik vertrok niet en bleef hier werken in het zwart, zo werd dat genoemd. Intussen had ik een zware longontsteking opgelopen en de huisarts heeft mij er toen doorgekregen met bloedzuigers en brandglazen en nog wat spuitjes; dat heeft een zestal weken geduurd. Margot was toen zwanger. We bleven gewoon doen tot dan begin juni de landing plaatsvond in NormandiĂŤ, het begin van het einde. Antwerpen werd bevrijd op 8-09-1944, maar kort daarop begon de beschieting met de V1 en V2; dat was ook niet om te lachen, veel doden, gekwetsten en enorm veel schade aan woningen en historische gebouwen. Margot beviel van een dochter, Anny, op 9-10-1944. Twee jaren later op 13-10-1946 werd onze Constant geboren, op 28-10-61 werd onze Luc geboren zo dat de familie nu kompleet was.

30


1944 - Pensioen In Antwerpen was de Elektriciteitsmaatschappij der Schelde kort na de bevrijding van Antwerpen al begonnen personeel aan te werven. Na een geslaagd examen kreeg ik bericht dat ik mij op 17-10-1944 op de Radiodistributie in de Beukenlaan in Antwerpen moest aanmelden waar ik als onderhoudsman was benoemd. Na een tijdje viel er een van de eerste V1 in Wilrijk op het klooster en de school der Ursulinen op 100 meter van onze woonst, met doden, gekwetsten en veel schade aan de omliggende huizen. Begin oktober 1944 kreeg ik te lezen dat ik op 26 oktober op de dienst Distributie in de Moonsstraat in Antwerpen als grondwerker, graver, was benoemd. De eerste dag aan het werk op de Luchtbal maakten wij kennis met de eerste V2, wat een knal. Kort daarop moest ik mee als helper om een aansluiting te maken in een huis in de Twee Netenstraat. Met zijn drieĂŤn: Emiel de monteur, en Louis en ik als helpers stonden we klaar, daar het werk af was, om met de stootwagen te vertrekken, toen de vrouw des huizes kwam zeggen dat er geen licht was. Miel en Louis gingen terug naar binnen om het na te zien, ik bleef bij de wagen toen we een V1 hoorden vliegen. Ik wachtte af want normaal viel de motor stil en dan plofte hij neer, maar het begon rapper en rapper te klinken en dat betrouwde ik niet. Ik ging onder de wagen plat op de grond liggen en, zoals het moest, steunend op mijn ellebogen en op mijn tenen om lucht door te laten. Niets te vroeg, de bom ontplofte achter de rij huizen waar Miel en Louis nog in de kelder waren. Ik stond recht en had niks opgelopen maar de ravage die ik zag was enorm. Het huis waar Miel en Louis nog zaten was kompleet verwoest, enkel de trap stond nog recht. Toen kwamen de twee mannen ongedeerd uit de kelder gekropen. Boven op de trap op het tweede 31


tussenverdiep stond de overgrootmoeder om hulp te roepen, Louis en ik hebben haar toch naar beneden gekregen. Er was in dat gezin pas een dochtertje geboren, Anita genoemd, even oud als ons Anny, die met haar moeder en grootmoeder een paar huizen verder op bezoek was. Helaas was dat huis ook verwoest. Wij gingen helpen voor zover we konden, eerst de kleine Anita aangepakt uit oma’s armen. Terwijl we de oma zelf uit de brokstukken trachtten te halen kreeg ik wat neervallende stenen op de rug. Ik had niets gebroken maar het was wel pijnlijk. De hulpdiensten waren al ter plaatse en wij moesten vertrekken. Omdat ik slecht kon gaan werd ik op de stootwagen gezet op weg naar de Moonstraat, van daar werd ik naar de kliniek ”Disca” gebracht om onderzocht te worden. Alles was normaal, ik mocht naar huis. Die dag is de slechtste die ik in die periode heb beleefd. Maar op 8 mei 1945 was de onvoorwaardelijke overgave van de Duitsers een feit. Weg V1 en V2 zodat het opruimen kon beginnen. Op 26 juni 1946 werd ik benoemd als kabelmonteerder 2de klas. Voor de 1ste klas was ik ook geslaagd maar er was geen plaats vrij. Op 21-09-1953 kreeg ik een overgang van arbeider naar bediende, op proef voor 6 maanden, als inspecteur, wat toen de elitegroep was van E.B.E.S. Op 30-03-1954 werd ik vast benoemd als technisch inspecteur. Met een andere naam voor die functie en het laatste jaar als D.D. sectoroverste ben ik het gebleven tot ik op 30 april 1980 op pensioen ben gegaan. Dat is mijn loopbaan op “den elektriek”. In 1969 ontving ik het diploma van 25 jaar dienst met het ereteken van de arbeid 1ste klas. In 1974 ontving ik het diploma 35 jaar dienst zo maar.

32


Hetgeen nu volgt zijn feiten die intussen gebeurd zijn en mogen vermeld worden. Op aanraden van een ingenieur ging ik avondschool volgen om een diploma “elektronica� te halen, dan kon hij mij helpen om te promoveren. Van 1 september tot einde april, 5 dagen per week, van 18u tot 21u. Het begon in Wilrijk, de eerste 3 jaren, met succes. Ik behaalde de grootste onderscheiding met 90%. Dat was onvoldoende voor EBES omdat het maar een lager middelbaar diploma was. Ik moest een hogere B2 halen. Naar de stadsschool op de Paardenmarkt voor nog eens drie jaar was de oplossing. Dagen en uren zoals in Wilrijk maar nu met een dagelijkse trip met de fiets door weer en wind en voor twee maal eten meenemen. De theorielessen waren zware kost, twee uren van 50 minuten per avond opschrijven wat de prof voorlas, want er waren geen handboeken. Ik had twee gevulde vulpennen bij, en nog moest ik op het einde van de avond met potlood verder schrijven. Thuis rond 22u, het warme eten stond klaar, na het eten moest ik noodgedwongen het potloodschrift met inkt overschrijven, want het potloodschrift werd snel onleesbaar. Op het einde van het tweede jaar vernam ik dat ik voor het laatste jaar in Wilrijk nu ook een B2 kon halen. Dus geen fiets meer, normaal thuis om te eten en ik kon voldoende inkt meenemen. Het jaar gewoon doorgegaan en op 12 mei 1950 ontving ik mijn B2 diploma, afdeling elektriciteit, met 86,8% met de grootste onderscheiding. Ten goede gekomen voor mijn loopbaan op E.B.E.S.

33


Nu nog enkele feiten het vermelden waard. Ik wou mijn bloedgroep kennen. Het Rode Kruis kwam twee maal per jaar op het hoofdbureel een bloedinzameling doen, ik liet mij inschrijven, zo kon ik mijn bloedgroep krijgen zonder kosten. Op 19 april 1966 was ik voor de eerste maal donor. Eerst nog een prikje vroeg de arts, de uitleg volgt. Ik had een zeldzame bloedgroep en dat moest een arts bevestigen. AB-NEGATIEF is mijn bloedgroep. Ik was slechts de vijfde persoon met die bloedgroep in de provincie Antwerpen. Ik was akkoord toen men vroeg om te blijven geven maar ik moest als het kon dat twee keren per jaar doen, tussenin niet, tenzij ik door het R.K. zou opgeroepen worden en dat is tweemaal gebeurd. 35 maal heb ik gegeven, tot mijn 65 jaar, de maximum ouderdom. Ik bezit wel eretekens enz.

Rond 1970 kon men aanvragen doen voor erkenning van bepaalde feiten of daden gepleegd tijdens de oorlog en de bezetting. Ik had volgens de wetgeving recht op 3 categorieĂŤn: weggevoerde, werkweigeraar en de militaire kaart. Na lang wachten en veel paperassen was het gelukt. Op 28 oktober 1954 kreeg ik mijn erkenning als weggevoerde (= verplichte tewerkstelling in Duitsland). Op 17 oktober 1974 kreeg ik mijn erkenning als Werkweigeraar (= onderduiken). Op 19 december 1977 kreeg ik mijn militaire kaart, in de brief staat dat ik mijn rang die ik had op 8 mei 1945 kon behouden, nl. wachtmeester, dus dat ben ik nu.

34


Epiloog In september 1985 waren wij in vakantie in Nassogne in het domein Les Forges (van de Christelijke Centrale der Metaalbewerkers). ’s Avonds gingen we in het hotel een pintje drinken. Op zekere dag zaten we bij een ploeg gepensioneerden uit Limburg. Een dame, de reisleidster van die groep, nodigde mij uit om te dansen. Onder het dansen vertelde ze dat zij uit Opitter afkomstig was. Dat dorp kwam mij bekend voor, omdat ik daar als soldaat in 1939 gelegen had. Ik vertelde haar dat. Na de dans vroeg ze om nog eens uit te leggen waar ik precies gekazerneerd was. Ik vertelde over de twee boerderijen en de passerelle. Toen zei ze dat zij het meisje moest geweest zijn dat er toen rondliep en op mijn schoot kwam zitten (zie episode 1939-40). Ze kwam mee naar onze tafel en vroeg aan Margot of ze nog eens op mijn schoot mocht zitten. Dat deed ze, en ze vertelde het verhaal aan iedereen in de zaal, dat ze na 45 jaar terug op dezelfde schoot kon zitten.

Wilrijk, 14 februari 2010

35

gelukkige dagen in donkere tijden  

levensverhaal van een 90 plusser

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you