Page 1

geert lebbing

THUIS WAAR IK WOON

DE ESCH, kroniek van een kralingse polder


geert lebbing

THUIS WAAR IK WOON

DE ESCH, kroniek van een kralingse polder


Je bent pas thuis als je weet waar je woont. Tenminste, zo denk ik er over. Hoe je omgeving er uitziet, hoe en waarom die er in de loop van tijd zo is geworden, waar, wanneer, waarom, door wie en wat er door anderen is gedaan, geleefd en beleefd, het doet er toe. De blauwdruk van gisteren tekent mee aan het beeld van vandaag.

2

Al sinds 1963 heb ik een atelier in een voormalig schoolgebouw aan de Nesserdijk, de dijk langs de Nieuwe Maas, die bij de Van Brienenoordbrug een wijdse bocht maakt. En die met de Schaardijk de laaggelegen polder De Esch omsluit. Althans, wat anno 2016 nog van die polder over is: in de loop van die ruim 50 jaar is het binnendijks veranderd van wijds boeren(wei)land naar een lommerrijk natuurgebied. Wat gebleven is is de Nieuwe Maas, de pracht van haar Esch-bocht. Ook de dijk is gebleven, en daarmee het fabuleuze uitzicht op de Van Brienenoordbrug, het gelijknamige eiland, op Feijenoord, op passerende schepen en drijvende bokken, op hoge luchten. En ‘s-avonds op de verlichte Kuip. Wilde ik over de Esch altijd al mijn ei kwijt, nu een echalon natuurmakers zich opmaakt om nieuwe natuur te maken waar die al is 1, moet ik me haasten dit boekje te maken. Noem het een Eschcursie. Gemaakt om in beeld te brengen wat waardevol en daardoor -in de woorden van Lucebert- weerloos is.

3


1900

5

6

4

7


Tot ver in de vorige eeuw is De Esch gebleven wat het was: een polder met langgerekte grazige weiden, met benedendijks wat boerderijen en op de dijk dijkhuisjes die aan de klinkerweg naar Kralingse Veer gekleefd waren en waarlangs zalm gevist werd en buitendijks het houten Zalmhuis stond. De kaart hiernaast toont ongeveer de situatie zoals ik die sinds 1957 heb gekend. Achterop de Vespa van beeldhouwer/leermeester Chris Elffers ging het toen naar de Nesserdijk 406, de voormalige G.L.O.-school die de gemeente toen al per lokaal aan Rotterdamse beeldende kunstenaars verhuurde.

Verderop had je buitendijks Machinefabriek Keller en IJzergieterij Rademakers. Met de Hervormde Maaskerk daar tussenin geklemd. Bij het op palen in het water staande Zalmhuis was je in Kralingse Veer. Met de altijd stinkende Albatros superfosfaatfabriek als landmark. Hier kon je de stoep af de IJsselmondselaan in. Hier ging het naar beneden en tussen hoge populieren kaarsrecht de polder in. Of over de dijk langs de IJssel naar Capelle en Krimpen aan den IJssel.

Vanuit de stad reden we de Honingerdijk uit het land in, langs de kale plek waar de In Den Rustwat had gestaan, de historische uitspanning bij de Oude Plantage, die na de watersnoodramp steen voor steen verplaatst is naar waar hij nu staat, onder aan de Honingerdijk. Waar die dijk nu op de Maasboulevard uitkomt kruisten we de spoorlijn van het Maasstation richting Gouda-Utrecht. Daar stonden we dus vaak voor gesloten bomen 2. Gingen die eenmaal open dan ging het hobbelend verder over de kinderhoofdjes van de Honingerdijk, langs het DWL-terrein en de Watertoren aan je rechter hand, benedendijks het lage wegje met een lang lint van arbeidershuisjes en wat fabriekjes. Ergens was hier de toegang tot het in 1930 opgerichte Kralingsch Zwembad, dat nog steeds bestaat. Ook dit stuk Honingerdijk bestaat nog steeds, nu als trambaan en fietsdijkje, maar zonder “onderlangs�. En zonder ook de markante huizen die bij het Toepad langs de dijk stonden, waar we hobbelend langsreden. Hier stond de in 1940-45 gebouwde Van Ghentkazerne, die hiernaast dus nog niet op de kaart staat. Hier maakte de dijk de bocht om het DWL-terrein. Met die bocht begint de Nesserdijk nog steeds, nu bij de tramlus. Daarna reden we toen, 50 jaar geleden, langs de tegen de dijk gekleefde dijkhuizen, de hofjes met arbeidershuisjes, de boerderijen. Pas na de kalkovens van kalkbranderij De Maas kwamen we pal langs de rivier. Vandaar reden we het wijdse uitzicht over de Maas, de Kuip en de scheepswerven tegemoet. Adembenemend, zeker op de Vespa in gierende wind.. Bij het huis van de bovenmeester stapten we af. Hier waren we waar we wezen moesten. Hier stond onderaan de dijk de school, waar niet langer les werd gegeven, maar waar in de tot werkplaats veranderde lokalen door kunstenaars werd geschilderd, geboetseerd, in steen gehakt, gips en brons gegoten. Hier was het schoolplein dat als gieterij dienst deed, waar je alleen met een steile stenen trap kon komen en dat achter het huis van de bovenmeester en van andere dijkbewoners verscholen lag. De Nesserdijk 406. In de stad zijn nog steeds de kunstwerken te zien die in dit gebouw geboren zijn, nog steeds hebben kunstenaars hier hun atelier. Ook ik werk hier nog steeds.

8

9


De al rond 1270 bedijkte Esch-polder beloofde vijf eeuwen later de gouden bocht te worden waar Rotterdamse notabelen zich in weelderige buitens zouden vestigen. Zo liet de rijke koopman (en luchtvaartpionier!) Jan Karel Osy 3 omstreeks 1770 de Rozenhof bouwen, een buitenhuis dat hij in de stijl van zijn tijd door de Italiaanse architect J. Guidici liet ontwerpen. Zijn 400 meter diepe grasland reikte tot het Toepad en werd door de eveneens Italiaanse G. Battista Colombo in een formele buitenplaats veranderd. Werd het Huis de Rozenhof zelf in 1867 gesloopt, begin 19e eeuw werd daarnaast de boerderij gebouwd die nu de Rozenhof heet. Die Rozenhof tekende kunstenaar Weimar in 1958 vanuit zijn atelier in de Den Oordschool. De Noordschool. Zo klonk die naam uit monden van mensen die “hun” school later kwamen opzoeken. Een Noordschool in het uiterste Oosten van Rotterdam, niet aan de Noord maar aan de Nieuwe Maas? In deze Esch-bocht van de Schielands Hoge Zeedijk -waar de Nesserdijk en Schaardijk deel van uitmaken- heeft tot 1572 de Sint-Elbrechtskapel gestaan, een eenvoudig bedevaartsoord voor vissers en zeelieden. Bij die kapel was het door vissers en boeren bevolkte buurtschap Kralingeroord ofwel Den Oord ontstaan. Hier moet tot halverwege de 19e eeuw ook het “aanzienlijke” Huis St. Ellebregt hebben gestaan 4. De lagere school voor Kralingeroord, maar ook voor kinderen uit Kralingen en Kralingseveer, blijkt dus de Den Oordschool te heten.

10

12

11

13

Op drie boerderijen en één dijkhuis na is tussen 1950 en 1970 alle bebouwing tussen de Oude Plantage en Kralingseveer van de kaart weggevaagd. Na de watersnoodramp van 1953 moest immers ook Schielands Hoge Zeedijk naar deltahoogte (6.50+NAP) worden opgehoogd. En met de bouw van de eerste Van Brienenoordbrug en de zogeheten verkeersruit in het vooruitzicht vatte Rijkswaterstaat een oud plan op om die onhandige Esch-bocht af te snijden. Door de Nesserdijk af te graven zou de vaarroute gestroomlijnd worden, de Esch-polder teruggegeven aan de rivier. Dit plan resulteerde in de nieuwe dijk die rond 1970 op deltahoogte dwars door De Esch is aangelegd. Intussen waren bijna álle dijkhuizen tussen de Oude Plantage en Kralingse Veer gesloopt, en op één boer na alle nog boerende boeren vertrokken. En zo kwam dus ook de Den Oordschool leeg te staan. Gelukkig is die bochtafsnijding nooit doorgegaan. In plaats daarvan kwam de Esch in de 60-er jaren mooi van pas als dumpplaats van vervuild havenslib. Waarna het gebied totaal aan zijn lot is overgelaten. Zo kon op die tussendijkse stortplaats het ruige natuurgebied ontstaan dat we anno 2016 kennen als de oase van rust en weelderig groen die uiteindelijk in 1990 zelfs officieel tot “Natuurpark De Esch” is verheven.


1850

1910

15

1771

14

2015

16

17

Anno 2016 zijn in de Esch de sporen van het verleden nog duidelijk te zien, met name in de benedendijkse strook langs de Nesserdijk. Dit ook dankzij de “volkskracht� van beeldhouwer Jan Vlasblom en schaapherder/verzamelaar Arie Hallensleben, over wie elders meer. Na jaren van verval zijn de door hen ooit bewoonde historische boerderijen gespaard, veel later gerestaureerd. Twee zijn inmiddels rijksmonument. JK

DI

NES

R AA

H

SER

256-262 274

SC

K

DIJ

406

346-348 K

DIJ

368

256-262

ER ESS

N

18

274

406

368 346-348


In 1974 werd beeldhouwer Jan Vlasblom gebeld door een ambtenaar: “U kunt beter beginnen met opruimen, want Rijkswaterstaat heeft zijn zin gekregen, de boel gaat hier plat” 5. Vlasblom woonde en werkte toen al ruim twintig jaar in de boerderij die nu bekend staat als het erf Vlasblom (maar wellicht “Nooit Rust” kan heten 6). Ongeveer 4 jaar eerder had de eenzelvige Arie Hallensleben hier voor zijn zieke kalf gastvrij onderdak gevonden. Later kocht Hallensleben schapen en werd uiteindelijk de bekende schaapherder van De Esch, die met zijn kudde door de polder en langs de dijken trok. In hun jarenlange gezamenlijk optrekken in en vóór de Esch hebben de Vlasbloms en Hallenslebens inderdaad nooit rust gehad: hun levens zijn niet alleen innig verbonden met het lot en de geschiedenis van de Esch-polder, maar ook met het natuurpark, de gebouwen en hun bewoners 7.

19

Nesserdijk 256-262 (Erf Vlasblom, rijksmonument) Van dit boerderijcomplex dateert het woongebouw uit de 2e kwart van de 19e eeuw 8 en is voor het laatst bewoond door de boerenfamilie van den Berg 9. Door de dreigende bochtafsnijding vertrok ook deze familie in het begin van de 60-er jaren, en kwam de boerderij leeg te staan. Tot beeldhouwer Vlasblom het hele complex door de gemeente als woon- en werkruimte toegewezen kreeg. In de loop der jaren verbouwde en verbeterde hij niet alleen de gebouwen, maar verzorgde hij ook het erf en de aan zijn lot overgelaten omgeving. Arie Hallensleben, die zich met zijn vrouw Marja Metz moest behelpen in een bouwvalige schuur vol schapen bij de Rozenhof trok na 1984 in de Rozenhof zelf en verhuisde rond 1995 naar Vlasblom, ook uit zorg voor die oude eenzame beeldhouwer, die in 1998 overleed. Daarna heeft een stichting zich met de Hallenslebens ontfermd over Vlasbloms erf en goed. En is het complex in opdracht van de Stichting Volkskracht in de jaren 1999-2009 stap voor stap gerestaureerd 10. Was toen nog het idee om hier een kunstcomplex rond de “collectie Vlasblom” te realiseren, sinds 2010 is hier het werkactiviteitencentrum van Bouman GGZ gevestigd. Het woongebouw werd tot medio 2016 bewoond door de weduwe van de schaapherder. Nesserdijk 274 Rond 1880 kochten de pasgetrouwde Pieter van der Wiel en Marijtje van Noot naast de boerderij van boer van den Berg een stuk weiland. Voor hun paardenhandel bouwden ze hier in 1883 hun eigen boerderij. Ook hun zoon PieterII en kleinzoon PieterIII waren paardenhandelaren die hier vervolgens woonden en hun paarden in de polder lieten grazen 9. Ook deze boerderij werd onteigend en verlaten, totdat de familie Tietema hier op uitnodiging van Vlasblom in 1975 ging wonen. Moeder Agnes (Jes) was de nicht van de vrouw van Vlasblom, vader Cor ging in Rotterdam lesgeven aan de Vrije School. Ook de Tietema’s verbouwden hun boerderij in fasen, wonen hier nog steeds en waren/zijn op hun erf gastheer voor imkers en schaapherders.

22

20

21


Nesserdijk 346-348

23

Het kleurrijke verhaal bij deze dubbele dijkvilla kon niet beter verteld worden dan door Jes Tietema, die het optekende na het overlijden van haar buurvrouw “tante Map” Zuidweg, het laatst levende gezinslid van de familie Kalkman. Dat verhaal staat achterin dit boek, ook als tribuut voor al haar andere verhalen uit de Esch 12. Wie de bijzondere Moerbeiboom voor dit huis geplant heeft is onbekend, waarschijnlijk is dat schoolmeester Kalkman geweest, die dit huis in 1898 liet bouwen. Wat Jes’ verhaal niet vertelt is dat Jan van Geet, eigenaar van de bekende electriciteitswinkel in de Lusthofstraat met zijn gezin naast de alleenstaande oude mevrouw Zuidweg introk en het pand na haar overlijden tot één woning verbouwde. Daarna heeft het huis verschillende eigenaren en bewoners gekend, die allen hun sporen in/aan dit karakteristieke huis hebben achtergelaten.

Nesserdijk 368-370 (De Rozenhof, rijksmonument) Na het failliet van Jan Osy, de bouwheer van de buitenplaats De Rozenhof, bouwde en verpachtte een volgende eigenaar rond 1800 de huidige boerderij De Rozenhof. De bewoners waren melkveeboeren die hun koeien lieten grazen op de langgerekte weilanden tussen de Nesserdijk en de Groene Wetering. Het was de familie Groeneveld die de onteigende boerderij eind 1984 verliet 11. Omdat ook hier toch alles plat zou gaan liet de gemeente de toch al vervallen boerderij, schuren en hooiberg aan hun lot over. Vanaf wanneer is onbekend, maar zeker is dat ene Arie Hallensleben zich al jaren in De Esch ophield, rond 1970 omwille van een kalf, later met wat schapen die hij van de slacht redde. Woonde hij aanvankelijk in verscholen folly-achtige bouwsels, de leegstaande stal van de Rozenhof bood onderdak aan hem, zijn kunstverzameling en zijn schapen, die inmiddels tot een kleine kudde was uitgegroeid. Na het vertrek van Teunis Groeneveld trok hij met zijn vrouw Marja in de boerderij zelf, met in de schuur de nog grotere kudde waarmee hij door de polder en over de dijken trok. In de jarenlange strijd tussen Rijkswaterstaat, de Gemeente, projectontwikkelaars en onteigende bewoners werd Arie’s bestaan in de polder gedoogd. Hij was immers niet alleen de hoeder van de schaapskudde die de dijktaluds onderhield, maar ook van de in de 60-er jaren met havenslib opgespoten en troosteloos uitziende polder, waar in de ruigte van opschietend groen motorcrossers en misdadige types huis hielden. Als hoeder van De Esch wist Hallensleben dit soort wildgroei op te lossen. Hallensleben was het gezicht van De Esch. Na zijn dood in 2010 organiseerden bewoners spontaan een stille tocht. Hij werd en wordt gemist. Ondertussen was de Rozenhof door de Stichting Volkskracht verworven en tot kantoorruimte voor Het Zuidhollands Landschap gerestaureerd 11. Later zijn ook de hooiberg en schuur grondig hersteld. Sinds begin 2014 is hier Buro Rietveld gevestigd.

24

25


Nesserdijk 406 (voormalige Den Oordschool, ateliergebouw SKAR) Al vóór beeldhouwer Huib Noorlander (1928-2004) rond 1955 een schoollokaal kreeg toegewezen waar hij van de bovenmeester alleen buiten schooltijden mocht hakken -hij werkte toen vooral in steen- moet schilder/ tekenaar Guus Weimar (1908-1999) hier al gewerkt hebben: in het stadsarchief vond ik niet alleen tekeningen, maar ook een doosje met foto’s uit de vroege 50-er jaren, in zelf afgedrukt zwartwit, de meeste genomen vanaf het dak van de Den Oordschool. Herinnerde ik me hem als de kunstenaar die in zijn lokaal van latjes en plastic een mansgroot tentje had gebouwd, waarin hij ‘s-winters bij een piepklein potkacheltje werkte, nu blijkt hij een oplettend waarnemer en fotograaf van “de Nesserdijk” te zijn geweest. En bovendien dat hij een boek op zijn naam heeft staan met tekeningen uit het Rotterdam tussen 1937 en 1961 13. Dit robuuste gebouw uit 1890? 14 heeft dus nooit leeg gestaan, maar is vanaf 1950 door de gemeentelijke dienst kunstzaken als een van de eerste ateliergebouwen aan Rotterdamse beeldende kunstenaars verhuurd. Per lokaal en voor onbepaalde tijd. Nadat tenslotte ook het huis van de bovenmeester gesloopt was -het stond benedendijks met een moestuin aan het schoolplein- ging het gebouw een turbulente toekomst tegemoet. Met beeldhouwers die zelfs in haar gangen werkten, daar voor hun bronsgieterij ovens bouwden die ze met kolen en briketten stookten. Die afdaken timmerden en hun beelden met takels en touwen de dijk opsjorden In dat rumoer vluchtten de schilders dagelijks in hun lokalen en achter hun ezel, ‘s-winters met een deken bij de joekels van schoolkachels, die zij uit pure armoe maar spaarzaam konden branden.

26

27

28


Op den duur was in dit ateliergebouw de door Huib Noorlander opgezette en bestierde bronsgieterij de alles bepalende factor. Hier werden niet alleen beelden en beeldjes van hem, Chris Elffers, Gerrit den Breems en mij gegoten, maar ook van, voor en met collega-beeldhouwers als Joeki Simak, Ru de Gier, Adri Blok, Leendert Janzee. Veel van de kunstwerken die op “de Nesserdijk” bedacht, geboetseerd, gehakt, gegoten en in elkaar gelast zijn kregen hun plaats in de stad. Het was immers de tijd van Rotterdams wederopbouw, van de gemeentelijke %-regeling: bij elk nieuw te bouwen openbaar gebouw werd 1% van de kale bouwsom aan een “kunstzinnige verfraaiing” besteed 15. Zo functioneerde “de Nesserdijk” ook als plek waar architecten opdrachten kwamen bespreken. Die vaak in collegiaal verband werden uitgevoerd. Een plek ook waar ongestoord vuren van meer dan 1200 graden gestookt konden worden, de nodige miskleunen geïncasseerd, de gips en gravel als ophoogmateriaal rond het schoolplein gestort. Maar ook een plek waar jaarlijks kunstdagen georganiseerd werden, bij voorbeeld voor bussenvol leerlingen van de Havenvakschool 16, waar de legendarische kunstkenner en -verteller Pierre Janssen regelmatig op bezoek kwam, en waar collega-beeldhouwers van heinde en verre kwamen om de kneepjes van het zelf cire-perdue-gieten 17 te leren. Hoe graag had ik hier wat beelden van dat ambachtelijke kunstbedrijf laten zien. Dat ik nergens foto’s heb terug kunnen vinden toont aan hoe hard & driftig in die tijd gewerkt werd, hoe weinig tijd, geld en aandacht er toen was voor fotowerk als dat van Guus Weimar. Die geleden moet hebben in de herrie, rook en waslucht van die rauwdouwende beeldhouwers...

32

29

31

30


34

33


35

36

37

40

38

39


41

42


43

*Lucienne van Assendelft **Geert Baas *Eveline van Bogerijen **Gerrit den Breems **Raoul Deleo *Chris Elffers **Liesbeth van Ginneken *Frans de Groot **Daniella Hefter *Leo de Jong *Kees van der Laan **Geert Lebbing **Louis Looyschelder *McLean *Huib Noorlander *Carla Schaareman *Bas van der Smit *Beer Suringh *Kees Timmer *Piet Timmer *Guus Weimar *AndrĂŠ van de Wijdeven *werkten/**werken hier foto: Huib Noorlander ciceleert brons, 1965

44


45


Het vroegere Kralingeroord, Den Oord of De Noord blijkt een grote aantrekkingskracht te hebben voor beeldende kunstenaars. Niet alleen als woon- en werkoord, zoals voor Vlasblom en de kunstenaars van de Nesserdijk, maar als gebied om de poldergezichten te tekenen, schilderen en te fotograferen. De tot eind 1963 in de Den Oordschool werkende Guus Weimar (1908-1991) is u al op pagina 11 voorgesteld als fotograaf. Aan zijn tekenend leven is Het Boek Weimar gewijd 13. Met daarin 10 tekeningen die hij in de 60-er jaren gemaakt heeft van de toen nog bestaande, vervallen boerderijen en dijkhuizen. “Een brokje Nesserdijk, Tot afbraak veroordeeld” schreef hij erbij. En bij de bovenste hiernaast, vlakbij de Den Oordschool gemaakt: “Er moet natuurlijk iets over deze schets verteld worden. Het hoogste bouwwerkje, links op de tekening, gemerkt met huisnummer 426, werd door een parlevinker bewoond; bij deze proviandvaarder deden wij weleens onze inkopen. Het huis 424, op de tekening rechts van 426, herinnert aan vroegere tijden, toen de rivier nog schoon was en de zalmvisserij aan velen werk verschafte.” De fotograaf J.F.H. Roovers (1912-2000) heeft zijn leven lang het naoorlogse Rotterdam gefotografeerd, alle afgedrukt in stemmig zwartwit 18. Ook tussen Rotterdam en Kralingseveer maakte hij talloze foto’s. Deze, uit 1947 van de Den Oordschool met het huis van de bovenmeester kreeg ik onverwacht in het Stadsarchief aangereikt. Ik vind hem de hele pagina hiernaast waardig. Lang daarvoor had ook architect en gemeenteraadslid Jan Verheul (18601948) zijn spoor in de Kralinger Esch getrokken 19. Als tekenaar-aquarellist bracht hij in Kralingen “merkwaardige boerenhuizen en boerenhofsteeden” in beeld. En onder de aandacht: met merkwaardig bedoelde hij -net als Weimar- het merken wáárd. Ook de bekende schilder Arie Leeflang (1905-1956) moet er zo over gedacht hebben. Op mijn speurtocht naar beelden van Polder De Esch vond ik o.a. zijn schilderachtige ”Boerderij aan de Nesserdijk in de winter”. Stadsgezichttekenaar Chris Schut (1912-2001) heeft in de 60-er jaren ook veel in de polder en over de dijken gezworven, met tekeningen als op pag. 5 als mooie oogst. En zelfs toen de polder met vervuild havenslib achter de vervallen dijkhuizen werd volgespoten sprak De Esch ook tot de verbeelding, zie pag.19. Tenslotte: op mijn speurtocht ontmoette ik ook Annie Uittenbogaart-Groeneveld, dochter van de laatste boer van de Rozenhof. Haar enorme verzameling beeldmateriaal en dito kennis over polder De Esch wil ik graag even bijzonder als merk wáárdig noemen.


46


Bij de kunstenaars die De Esch in beeld hebben gebracht moet zeker ook de onbekende kartograaf worden genoemd die deze rivierkaart in 1936 maakte. En daarop heel gedetailleerd alle toen bestaande gebouwen met naam en toenaam genoemd heeft. Deze kaart maakt een eind aan de in publicaties aangetroffen misverstanden en onjuistheden, bijvoorbeeld over de plaats en namen van boerderijen Nooit Rust, Vee en Veldlust en Bouwlust. Hiernaast is de Nooit Rust op een aquarel van de Rotterdamse tekenaar/schilder Charles Kemper (1913-1985)te zien, op de plaats die op de kaart bij Kralingsche Veer is aangegeven. Met de aquarel hierboven schetste W.F. Meijer het polder- en dijkbeeld tijdens de opspuitwerkzaamheden in 1961. Daarmee werd het ongerepte slagenlandschap dat in De Esch sinds de 13e eeuw had bestaan hardvochtig vernietigd. En dus ook het beeld dat deze Kralingse polder opleverde en op het schilderij “boerderij aan de Nesserdijk in de winter� door Arie Leeflang (1906-1950) te zien is.


e d In 1870 werd in Kralingsche Veer nog volop zalm gevangen, aan deze “limiet der stad� was het Maaswater toen dus zuiver genoeg bevonden om hier Rotterdams eerste drinkwaterfabriek te bouwen. Onder leiding van stadsachitect C.B. van der Tak werd daaraan in 1871 begonnen, aanvankelijk met de watertoren, een pomp- en ketelhuis en de daaraan grenzende filterbassins. Het bedrijf werd in 1874 in gebruik genomen. In een eeuw daarna groeide het bedrijf tot de omvang zoals op de foto hiernaast te zien is. Het water werd bij doodtij via de inlaatsluis (a) ingelaten in het buitenbassin (b) om daar in 12 uur tot rust te komen en slib te laten bezinken, om vervolgens voor een tweede reiniging te worden doorgepompt naar het binnenbassin (c). Daarna doorliep het water de filterbakken van elk 1000m3 water (d), waar het door steeds fijnere zandlagen stap voor stap verder werd gereinigd om uiteindelijk in de rein-waterkelders (e) te worden opgeslagen. Vandaar werd het water het leidingnet ingepompt. Het miljoen liter grote watervat in de 48 meter hoge watertoren -het grootste in Nederland!- zorgde voor voldoende druk op het leidingnet. Met de zogeheten hoge filters (f) maakte de DWL in 1956 met een sprong over de Nesserdijk nog een laatste uitbreiding mee.

d

c f b

a

47

49

50

51

48


Naast deze natuurlijke drinkwaterproductie konden vanaf 1929 chemische processen ingezet worden om aan de toenemende behoefte (aan water én kwaliteit) te blijven voldoen. Daarom werden in 1929, 1941 en 1950 drie markante betonnen snelfiltergebouwen gebouwd, waarin het water vanuit het binnenbassin door middel van ‘vlokken’ stap voor stap tot reinwater omgetoverd werd. Halverwege de vorige eeuw raakte de Maas steeds sterker verontreinigd en smaakte Rotterdams water spreekwoordelijk slecht. Dankzij de Berenplaat, het tussen 1961 en 1966 bij Spijkenisse in de Oude Maas gebouwde productiebedrijf -van arch. W. Quist- kon de DWL in 1977 naar de huidige locatie aan de Schaardijk verhuizen, veilig achter de zojuist aangelegde nieuwe dijk. Pal onder de 1e Van Brienenoordbrug die in 1965 gereedgekomen was. Omdat hier alleen Berenplaatwater doorgepompt hoefde te worden kon dit terrein veel kleiner blijven. Hier wordt het reinwater met allure opgeslagen, namelijk in de druppelvormige opslagtanks, ook van Quist. Al direct na de verhuizing werden de watertoren en aangrenzende bedrijfsgebouwen door Utopia in gebruik genomen, de groep Delftse ontwerpers die niet alleen Hal4 tot theaterzaal transformeerde, maar ook het voortouw nam voor de ontwikkeling van de woonwijk die we nu als DWL-De Esch kennen.

Zij roeiden tegen de stroom in: de gemeente wilde hier aanvankelijk een pretpark realiseren, maar roeide tenslotte met Utopia mee om de wijk te realiseren die hier tussen 1981 en 1992 is ontstaan. En die beschouwd moet worden als één van de eerste voorbeelden van wat je revitaliserende stedebouw kan noemen: transformatie van in onbruik geraakte bedrijfscomplexen met respect voor en (her)gebruik van de bestaande gebouwen, structuren en elementen. Zijn daarvan anno 2016 tal van voorbeelden te noemen, in 1980 was het een buitensporig unicum dat in twee snelfiltergebouwen woonunits voor jongeren werden gerealiseerd, die, omdat ze niet voldeden aan de bouwvoorschriften, leidden tot speciaal door minister Marcel van Dam ingevoerde bouwregels. Even uniek was dat de stedebouwkundige opzet zich geheel schikte naar wat de DWL als voetsporen had achtergelaten, dat de architecten zich daar op hun beurt weer door hebben laten leiden en dat zij hun vormgeving niet alleen dááraan maar ook aan elkaar aanpasten. Zij moeten in regie van de “vormgeefster 30 jaar in ambtelijke dienst” E. Poot 20 het boek Utopia van Thomas More gelezen hebben. Daarin wordt het Griekse ou-topos (denkbeeldige plaats) verbonden met eu-topos (gelukkige plaats/samenleving). Als u het mij vraagt is die plaats in DWL-De Esch te vinden.


52

53

54

55


D. E. F. G. H. K. L. M. N. Q.

±1800 De Rozenhof, boerderij-complex, sinds 2014 Buro Rietveld ±1850 Erf Vlasblom (of Nooit Rust?), woonhuis en WAC Bouman 1871-73 Watertoren, ketelhuis, pompgebouw en directeurswoning, stadsarch. C.B. van der Tak (1814-1878) 1883 Nesserdijk 274, boerderij, sinds 1970 woonhuis 1895 Joodse Begraafplaats, arch. W.C. Coepijn (1838-1909) 1898 Dubbel dijkhuis, arch. onbekend 1900 Voorhoeve van Muyden, boerderij, arch. onbekend 1905? GLO-school Den Oord, arch. Gemeentewerken 1923 Roeivereniging Nautilus, arch. H. van der Kloot Meijburg (1875 - 1961) 1929-50 Drie betonnen snelfiltergebouwen, stadsarch. A. van der Steur (1893 - 1953) 1930 Kralings Zwembad, arch. M. Lockhorst (1893 - 1976) 1940-45 Van Ghentkazerne, rijksbouwmeester H. Hoekstra (1881-1960) 1975-77 Kantoorgebouw DWL/Evides, rijksbouwmeester W. Quist

L.

1980-83

1. 2. 3. 4.

1981-83 1981-84 1982-84 1983-86

5. 6. C. L.

1984-85 1985-87 1985-88 1985

7. 8. 9. 10. 11. 12. 13. 14. 15. 16. 17.

1985-89 1986-88 1987-90 1986-90 1988-91 1988-91 19??-91 1990-91 1990-92 1991-92 1999-03

Tussen 1981-1992 is voormalig DWL-terrein getransformeerd tot woonwijk met ca. 2800 woningen Stedebouwkundig ontwerp: Ir. E. Poot (Stadsontwikkeling) Vormgeving buitenruimte: P. Achterberg Transformatie buitenste snelfiltergebouwen tot z.g. van Dam-eenheden, arch. W. Patijn) Schicht,123 geluidswerende woningen arch. P. de Bruin Flexwoningen, z.g. Bavinck-driehoek rijksbouwmeester W. Patijn en J. Mulder 66 zonnecollectorenwoningen, op vrm. reinwaterbassins, arch. J. van Ringen Drie hoge en drie lage woonblokken, 294 woningen, arch. B. Mannot (Groosman Partners) Basischool, arch. van Aalderen & Jonges Seniorenflat Mazesteyn, arch. Bakema & Zavrel Restauratie Watertoren, arch. R.J. den Burger (GW) Transformatie middelste snelfiltergebouw tot architectenbureau, Kraaijvanger Architecten Strokenbouw Snelfilterweg/Drinkwaterweg, Anarcos Architecten Studentenflat, arch. Kraamer Partners Verbouw pompstation en winkelcentrum, Kraaijvanger Architecten Vijf Urban villa’s, De Nijl Architecten Twee woontorens langs Buitenbassinweg, SAS Architecten Woontoren langs Buitenbassinweg, A. Bonnema Architecten 3 waaiervormige woontorens langs Buitenbassinweg, H. Klunder Architecten Woontoren Tympanon, arch. van der Zee en Ybema Acht woontorens Hoge Filters, 320 appartementen, arch. Tuns en Horsting Basischool, arch. M. Schermelé Hal4.1, verbouw en restyling vrm. machinewerkplaats, arch. C. van der Stelt.

R. S. T. U. V.

1988-89 1988-99 2012 2013 2016

Bedrijven Schaardijk, arch. V. Veldhuijzen van Zanten Bedrijven Autostrada Kantorencomplex van Van Oord, arch. de Jong Gortemaker Algra Schaatsbaan Rotterdam, ontwerp Inducon Natuurlijk wonen, zelfbouwkavels vrm. Leonidasterrein

1 2

6 9

3

M K

C

V

5

17 L

4

U

8

11 7 10

12

E

S

N G

11 7

16 15

13

Q

14

T B

R

D

F A

H

17

kaart J.W. van Aalst, www.opentopo.nl release 2015

A. B. C.


56

57


58

59


Nadat de bochtafsnijding eindelijk definitief van de baan leek en de rond 1970 aangelegde nieuwe dijk was ingepland bedacht men dat de Esch wel héél goed kon dienen als dumpplaats voor het vervuilde havenslib waarmee men toen volop was opgescheept. Aldus geschiedde in de 60-er jaren, daarna werd het volgespoten terrein jarenlang aan zijn lot overgelaten. Het werd een domein van konijnen, motorcrossers en andere menselijke wildgroei. Door vrijwilligers getemd, door kiepwagens geaccidenteerd en door baggeraars van een grote waterplas voorzien verdwenen de crossers. Bomen, planten en heesters namen het terrein in bezit. Weldra volgden hun vliegende, geschubde en gewervelde vrindjes. En zo hernam de natuur zichzelf, onopgemerkt door het bevoegd gezag. Mede dankzij mensen als Hallensleben en diens schaapskudde werd De Eschpolder ontdekt en gewaardeerd door stadsbewoners, ecoclubs, rustzoekers en nestenbouwers. Ook vestigde zich hier de uiterst zeldzame Harpalus Lutcicornus. Die werd in 1994 door ecologen ontdekt. Het was dit zwarte vierpotige loopkevertje dat De Esch even landelijk nieuws maakte en zelfs in de NRC op de kaart zette 21. Ik hoef hier de pracht en rust van deze natuurlijk uit de kluiten opgeschoten wildernis niet aan te prijzen. Het liefst zou ik haar verzwijgen. Om háár -dit natuurlijke stukje puur natuur- te behouden zoals zij is, gedijt en almaar mooier wordt. Om haar te beschermen. Dat lijkt anno 2016 namelijk meer dan noodzakelijk. Zo heb ik me recent verbaasd en verzet, bijvoorbeeld tegen een langs de dijk aangelegd bollenlint, het weghalen van een authentiek Maasstrandje, tegen de aanleg van een pad in het grastalud van de Nesserdijk, in mijn ogen het domein van gras, schapen en in het gras liggende genieters. Dat talud, dat sinds al zo lang een groene rivieroever was, wordt nu doorsneden door een asfalt pad; dat notabene in ambtelijke stukken een jáágpad wordt genoemd. Zulke aanslagen -met het woordje “aantrekkelijker” als sleutelwoord- laten zien hoe weinig verstand en begrip instanties hebben voor de landschappelijke en cultuurhistorische waarden van dit gebied, dat eerder door hen zo onbehouwen met blubber werd volgepompt. Voor je het weet wordt een nieuwe aanslag op dit gebied “omarmd”. Waarna bulldozers en ander tuig letterlijk over alles wat van waarde is heenwalsen. Want al hebben de autoriteiten gezegd dat het getijdenparkplan De Eschpolder waarschijnlijk met rust laat, je weet maar nooit. En moet je waakzaam blijven. En vrezen. Dat bijzondere Eschkevertje weet daar alles van. Zelfs ík lette begin dit jaar even niet op en lapte hem letterlijk aan mijn laars. Toen dacht ik: hoog tijd om een boekje over de Esch te maken. maart-november 2016


61

60


61

62

63


Al ligt de Eschpolder al sinds 1270 achter de Nesser- en Schaardijk en hebben deze dijken in 1953 stand gehouden, De Esch heet “buitendijks gelegen” 22. Zo zou je denken dat het een uiterwaard zou zijn, niet onaardig maar onwaardig om er aandacht aan te schenken, laat staan om het te beschermen. Gelukkig zijn twee historische complexen dat wel: de Rozenhof en het Erf Vlasblom staan namelijk op de monumentenlijst. In plaats van buitendijks is De Esch de enige oorspronkelijke polder in Rotterdam, die -ik herhaal- sinds 1270 bínnendijks ligt, sinds 1970 veilig tussen de Nesserdijk en de nieuwe hogere zeedijk. En die -om nog maar eens te herhalen- al aantrekkelijk genoeg is om niet aantrekkelijker te hoeven worden. Ik noem: het genot om vlakbij de stad over een stille dijk te lopen met aan de ene kant de Maas, uitzicht op de Van Brienenoordbrug, Feijenoord, de Kuip, het Zielhouhet der Stad. En natuurlijk op de scheepvaart, passerende bokken, de pannenkoekenboot. De wind. De wolkenluchten. Tegelijkertijd kijk je aan de andere kant vanaf de dijk uit over een strook nog

64

ongeschonden polder, de groene dijktaluds, de smalle kavelsloten, de lange rijen wilgenbollen die daar langs geplant zijn. En onder de kruinen van de rij oude pluimessen: zicht op het natuurgebied dat godlof nog niet aantrekkelijker gemaakt is en in zijn oprechte ruigheid genoten wordt door mensen die deze plek weten te vinden en te waarderen. Zouden de dames en heren die het bestuurlijk voor het zeggen hebben zich bewust zijn van de historische en landschappelijke waarden, van het al bestaande recreatieve gebruik, van het Rotterdams genoegen om simpelweg aan de rivier in wuivend gras te liggen kijken naar de Van Brienenoordbrug, de Kuip, het silhouet van de stad, ja, dan zou dat recent aangelegde pad nooit zijn aangelegd, dat enige Maasstrandje niet zijn afgegraven. Dan had dit boekje minder dringend geschreven hoeven worden. In het geniep reken ik natuurlijk op de bijstand van dat verbazingwekkende kevertje. En hoop dat die opnieuw ontdekt wordt, opnieuw de NRC bereikt. 6-7 mm klein is ie, maar áls ie aanvalt kunnen zijn daden groot zijn.


Het serviesje of de jaarwisseling van tante Map Een verhaal van Jes Tietema

Het bruin van de kale stammen op de theekopjes, is hetzelfde bruin als van de kruidnagelsinaasappels van de afgelopen jaren. En van de granaatappel, die ook al jaar en dag meedoet met het kerststilleven onderop de kast. Nu staat er het theeserviesje tussen van tante Map, onze buurvrouw. Het Sneeuwserviesje. Lichtblauw met een sneeuwlandschap. De ronde theepot met het geringde knopje op het deksel, het melkkannetje, de suikerpot en de kopjes. Voor het eerst kijkt het een andere huiskamer in. Na jaren de rustige sfeer van een Oude dame gezien te hebben, wordt het nu ondergedompeld in een vol huis met gezang, gelach en gesprek. Ik hoop dat het overleeft. Sinds we hier wonen ging ik, elk jaar tegen kerstmis, Tante Map helpen. Ze was de achtste januari jarig en voor die tijd moest heel haar huis opgeruimd en schoongemaakt worden. Dat betekende soms een behangetje op een muur -”om de kast heen, dat zien ze toch niet”- of een lik verf hier of daar. In ieder geval moest al het glaswerk en serviesgoed afgewassen worden. Op de verjaardag van tante Map kwam de familie uit Zeeland. Familie die haar jarenlang genegeerd, of erger nog, uitgestoten had. Sinds Wim, waar ze veel jaren mee geleefd had, en Grietje dood waren, begonnen zij de banden langzaam maar zeker aan te halen. Zoals tante Map in haar sarcastische momenten zei: “ze ruiken geld.” Maar ze vond het wel erg leuk om uit te kunnen pakken. Niets was haar te duur of te veel. Ze sloeg voorraden in waar ze tot Pasen genoeg aan had. Bonbons, broodjes en beleg, taarten, amandelbroodjes en nog veel meer. Terwijl ze niet eens wist of ze kwamen, hoeveel er kwamen en of ze bleven eten. Maar als ze wist dat de een van bruin brood hield, de ander van melkwit en de volgende van waterwit, dan zorgde ze ervoor dat ze alles in huis had. Ze wilde goed voor de dag komen. Het gaf veel zorg en drukte en tegen de tijd dat ze jarig was, was ze uitgeput. Bij het schoonmaakritueel hoorde ook de snuisterijen weer mooi rangschikken. Voor de dag halen waar ze dit jaar mee wilde pronken. Dat werd dan uitgestald, of vóór in de kast gelegd en het gesprek werd zo gestuurd dat tante Map het kon laten zien. Iets wat elk jaar te voorschijn werd gehaald was het serviesje. Dat was altijd, op de avond voor haar verjaardag, het laatste wat nog gedaan moest worden. Ik waste het voorzichtig af, als de dood dat ik het zou laten vallen. Daarna zette ik het op tafel voor tante Map, die in een stoel zat bij te komen. Ze pakte de onderdelen een voor een in haar handen en begon te vertellen over Vroeger. Over de familie Kalkman, waar dit serviesje vandaan kwam. Hoeveel Grietje om dit serviesje gaf, maar ook niet meer wist van wie het was. Zolang ze zich herinnerde was het er geweest. En elk jaar in de winter werd het neergezet.

Wim Kalkman was verliefd op tante Map, die vroeger Marie heette. Haar ouders waren uit Ierseke naar Rotterdam vertrokken, omdat in Rotterdam meer mogelijkheden waren om aan de kost te komen. Haar vader was een gewone boerenarbeider. Haar moeder was de dochter van de burgemeester van Ierseke. In Rotterdam kreeg haar vader uiteindelijk werk bij een eierbedrijf en daar verdiende hij niet slecht. Marie was het jongste kind, een nakomertje en de enige dochter. Alleen de oudste broer woonde thuis. Broer Henk werd opgevoed door grootmoeder en broer Jan was, na een vakantie, bij een kinderloze oom en tante gebleven. Moeder durfde hem niet meer terug te vragen. Marie was als kind groot en fors. Zij werd opgevoed als burgemeestersdochter. Ze mocht niet zomaar met alle kinderen omgaan en ook nooit op straat spelen. Ze was veel alleen. Haar moeder leerde haar alle soorten handwerk. Op school en in de buurt viel Marie tot haar groot verdriet uit de toon. Ze werd zeer godsvruchtig opgevoed en ging op zondag drie keer naar de kerk. Dit stond allemaal in sterk contrast met Wim Kalkman. Diens ouders kwamen uit een rijke familie, havenmeesters, rijke boeren en handelaren. Alle broers en zussen hadden veel geld. Ze waren gereformeerd, maar namen het niet zo nauw met de navolging van het geloof. De familie had de leus “erfgeld moet erfgeld blijven” hoog in het vaandel staan, waardoor er veel in de familie getrouwd werd. Zo “hadden zij allemaal een steekje los, maar bleef het geld in de familie”. De vader van Wim was hoofd van de school in Kralingen en had het meeste van zijn geld in de Russische spoorwegen gestoken. Van de rest had hij een mooi buiten laten bouwen aan de dijk, waar hij met zijn vrouw en drie kinderen, Wim, Grietje en Maggie, woonde. Toen in 1918 de Russische spoorwegen failliet gingen, hing hij zich op aan de balken in de kelder. Maggie, de jongste dochter, vond haar vader en werd nooit meer normaal. Zijn vrouw stierf van verdriet, of van ellende en van armoede. De drie kinderen bleven achter. Wim was slim, hij schuwde niet de waarheid wat te verdraaien en deed al gauw op allerlei gebied goede zaken. Hij had een aantal huisjes aan de dijk, die hij verhuurde. Hij was vertegenwoordiger voor apotheken en als het nodig was maakte hij zelf wel pillen. Ondanks deze dingen was het standsverschil te groot tussen Marie en Wim. Maar Wim bedacht dat Griet en Maggie wel een gezelschapsdame nodig hadden. Dat werd tante Map. Zo konden ze in hetzelfde huis wonen zonder getrouwd te zijn. Tante Map heeft veel fijne jaren gehad, wel met een breuk in de familie en de kerk, maar de gezelligheid van alledag en de liefde voor Wim en Zijn zusjes, gaf toch de doorslag. Grietje is het laatste overleden en heeft alles aan tante Map nagelaten. Ook het sneeuwserviesje. Tante Maps stem klinkt steeds zachter. Tegen de tijd dat ik het serviesje mooi heb uitgestald op het dienblaadje in de open kast, is ze vast in slaap. Zachtjes ga ik het huis uit. Haar nieuwe jaar kan beginnen. januari 2003


65

66


THUIS WAAR IK WOON

colofon

tekst & uitleg & fotografie geert lebbing © 2016 met dank aan Jes Tietema (1950-2003) Annie, Suzanne en Wil voor meelezen www.stadsarchief.rotterdam.nl www.google.nl www.architectuurgids.nl www.rotterdamwoont.n www.evides.nl/historie www.toepad.nl/images/pdf/40-jarig-bestaan/boekje/40/jaar/atv.pdf www.mijnrotterdamdestijds.blogspot.com, foto´s Leo van Hoek onbekende fotografen van bewerkte internetfoto’s

uitgave tekst & uitleg © 2016 druk new energy 1e oplage 300 exemplaren, waarvan 50 genummerd

dit is nummer

67

partners bij grafische kunstproducties . nesserdijk 406 . 3063NE rotterdam tekstenuitleg@scarlet,nl htpp://www.kunstenstadswerk.nl


geert lebbing

THUIS WAAR IK WOON

DE ESCH, kroniek van een kralingse polder

Profile for geert

Paga4issu 100dpi  

thuis waar ik woon, De Esch, kroniek van een Kralingse polder

Paga4issu 100dpi  

thuis waar ik woon, De Esch, kroniek van een Kralingse polder

Profile for geertswil