Page 1


Blijf niet staan bij wat eertijds is gebeurd, laat het verleden rusten Zie, ik ga iets nieuws verrichten Nu ontkiemt het - heb je het niet gemerkt? Jesaja 43:18-19

Afscheid Wat ik gewild heb Wat ik gedaan heb Wat mij gedaan werd Wat ik misdaan heb Wat ongezegd bleef Wat onverzoend bleef Wat niet gekend werd Wat ongebruikt bleef Al het beschamende Neem het van mij. En dat ik dit was En geen ander Dit was mijn liefde. Hier ben ik.

Huub Oosterhuis


Blijf niet staan bij wat eertijds is gebeurd, laat het verleden rusten Zie, ik ga iets nieuws verrichten Nu ontkiemt het - heb je het niet gemerkt?


Na een lang en veelbewogen leven kan zij dan eindelijk haar ‘vermoeide’ ogen voorgoed sluiten

kunstschilder Baarn, 16 mei 1920

Lochem, 24 augustus 2015

Zij overleefde haar enige zoon Jeroen Bolle en haar twee grote liefdes: Eric Milton Hart en Jop Lebbing

Lieve mensen, Mirjam is gestorven. Daarom zij wij hier als familie, vrienden en bekenden samengekomen. Wij zitten hier samen bij haar dode lichaam en proberen woorden en gebaren te vinden in dit moeilijke uur van afscheid nemen en afstand doen. De dood van Mirjam stelt ons allemaal voor de vraag naar het verhaal van haar leven. Niet alleen de feitjes en de jaartallen, maar de onuitwisbare indrukken die zij in ieder van ons heeft achtergelaten, en waarin zij verder leeft in ons. Achter elk levensverhaal, ook achter dat van Mirjam gaat een geheim schuil, een geheim van de dragende grond van ons leven. Het geheim van de bron van ons bestaan. Wij hebben gezocht naar woorden, beelden en muziek die voor Mirjam, maar ook voor onszelf van grote betekenis zijn. Woorden uit de Joodse en Christelijke traditie en muziek uit onze rijke cultuur. Misschien zijn de woorden niet altijd de uwe, maar hopelijk herkent u Mirjam hierin. Ik hoop dat wij in dit samen-zijn ervaren hoe troostrijk onze onderlinge verbondenheid is. Verbondenheid die er ook is met hen die ons in de dood zijn voorgegaan.

Welkom door Henk van den Berg predikant Remonstrantse Broederschap


Woorden van Wim

Mirjam is geboren in mei 1920 , als “nakomertje” in het gezin van Mozes Nijburg en Adeline Lorjé. Haar zus Lien was 17 jaar ouder, haar broer Jacques 11 jaar. Het was een seculier joods gezin. Van de Nijburg kant weet ik niet veel. Mirjam had het tegenover mij zelden over haar vader, pas de laatste paar jaren viel zijn naam wel eens. Des temeer vertelde ze over haar moeder die, hoewel ze hard moest werken in de kantoor-boekhandel waarvan het gezin leefde, toch altijd aandacht had voor de kleine Miepje. De eerste 60 jaren van haar leven is ze altijd Miep genoemd. Het kind Miepje had een vrij prettige jeugd, heb ik altijd begrepen. Moeder was een spirituele vrouw, beetje zweverig zouden we vandaag de dag zeggen. Hogelijk geïnteresseerd in de spirituele grote namen van het interbellum: Bellamy, Krishnamurti, madame Blavatski, en dergelijken. Ik heb altijd de indruk gehad dat de joodse achtergrond voor het gezin geen bijzondere betekenis had. Tot eind dertiger jaren, toen antisemitisme steeds dreigender vormen kreeg. Maar die spirituele behoefte van haar moeder heeft Mirjam zeker over gekregen. Ik kom daar nog op terug. Tekenen was al vroeg haar lust en haar leven. Ik geloof dat haar vader haar daarin heeft gestimuleerd, in ieder geval juichte hij het toe dat ze naar de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten in Amsterdam zou gaan. De tekenlessen die ze als voorbereiding op het toelatingsexamen moest krijgen waren niet goedkoop, maar het geld werd gevonden. De Lorjékant was zeker niet armlastig, al was het in de kantoorboekhandel in Amersfoort geen vetpot. De academie en Amsterdam waren een geweldige ervaring voor Mirjam. Ik weet niet de namen van haar docenten, maar de contacten met medestudenten waren uitbundig. Ze was al eerder lid geworden van de NBAS, Nederlandse Bond van Abstinent Studerenden, en daar heeft ze vrienden voor het leven gemaakt; zelfs letterlijk haar leven aan te danken. Ik moet nu even stil staan hoe in de loop der jaren de banden met Miep en vooral de Lorjé’s, en onze ouders, Eric en Mien Hart, steeds dichter werden aangehaald. Als schoolmeisje ging ze vaak met haar moeder mee naar “kampen” en conferenties van de PIA, de Pacifistisch-Idealistische Associatie, een vereniging van goedwillende, hoogopgeleide enthousiastelingen met grote idealen over een veilige en vredige wereld, zeker ook spiritueel, maar niet religieus angehaucht. Daar waren ook onze ouders lid van, waar zíj weer hun grote en innige vriendenschaar opdeden, waaronder dan ook weer een nichtje Lorjé van Mirjams moeder. De kleine Miep ontwikkelde toen een grote affectie voor onze vader Eric en moeder Mien, die ze nooit was vergeten, zo vertelde ze ons later. Ook niet ondanks het feit dat onze ouders, met mijn zus Elze, in ‘33 naar Indië vertrokken, waardoor het contact werd onderbroken. Vader werd leraar en in die Indische jaren werd ook mijn broer Hans geboren. Eerst terug naar de veertiger jaren. De bezetting. Ik weet niet veel van de eerste oorlogsjaren, behalve dat ik U kan vertellen dat ik in januari 41 ben geboren. In Amsterdam, omdat mijn ouders in 39 met verlof naar Nederland waren gekomen en door het uitbreken van de oorlog in Nederland in mei 40 niet meer terug konden naar Java. Ze moesten zelfs onder-


duiken en dat deden ze bij hun beste vrienden, jawel, diezelfde nicht van Mirjams moeder, Wilma Kat-Lorjé. Stel U voor: een gezin van vijf personen, met een drukke praktijk aan huis (weliswaar een groot huis) dat ineens aan een ander gezin van vier (plus een Javaanse bediende!) onderduik verleent, waar na een paar maanden nog een baby (ik dus) bij komt. Niemand wist dat het vijf volle jaren zou duren, maar dat was dus wel zo. Mirjams vader is gelukkig in 1942 overleden, heeft dus de ergste ellende niet hoeven meemaken. Haar moeder en haar broer met vrouw en zoontje moesten wel onderduiken. Jacques is verraden en weggevoerd, maar heeft zowaar als een der weinigen Auschwitz overleefd. Hij is over de 100 geworden, en in zijn laatste jaren heel erg dierbaar geweest voor Mirjam, zoals trouwens ook in hun jeugdjaren. Zijn dochter Aviva is hier, en zal later deze middag Mirjam’s Joodse wortels eren. Mirjam’s zuster Lien was getrouwd met een goj, een niet-Jood, zodat zij aan deportatie ontsnapte. Voor ons waren dat tante Lien en oom Piet. Mijn broer Hans is gedurende de oorlogsjaren een poosje bij hen in Gouda in huis geweest, toen er een epidemie van kinderverlamming in Amsterdam heerste, geloof ik. Hij weet dat zelf niet zo goed meer, maar wel dat hij het er goed had. Van wijlen hun zoon Leo is mogelijk een van de zonen hier aanwezig, Joost Becker? Mirjam zelf moest ook onderduiken. Op meerdere plekken. Bijzonder is het om te vertellen dat een van de adressen was bij de Hervormde predikant in Anna Paulowna. Daar heeft ze zich laten dopen en is dus als volwassene lidmaat geworden van de NH kerk. Of ze daar wel of niet verraden is weet ik niet goed. Wel ken ik het verhaal dat ze ergens in ‘43 ineens opdook in Amsterdam, en dat mijn moeder haar naar een volgend onderduikadres heeft gebracht, in Zuid-Limburg, bij een van die NBAS vrienden: het echtpaar Jat en Elly Feis. Daar is ze tot de bevrijding geweest, heeft o.m. hun dochter Claudine mee ter wereld geholpen en verzorgd. Mirjam beschouwde Claudine als haar petekind. Ben jij er ook Claudine? Nog een voor ons verhaal relevant detail: het was in die onderduiktijd bij de fam. Feis, dat onze moeder (tot aan de treinstaking) maandelijks de bonnen voor Mirjam naar Zuid-Limburg bracht. We komen aan de naoorlogse jaren. Toen ons ouderlijk gezin weer een eigen huis had, in Amsterdam, kwam Miep regelmatig bij ons op bezoek, soms als oppas, maar ook gewoon omdat ze erg op Vader en Moeder gesteld was, en vice versa. In de zomer van ‘46 brachten we twee weken vakantie in Soest door, in hetzelfde huis (pension?) waar Mirjam toen ook woonde. Wij vertrokken begin ‘47 terug naar Indonesië. In die tijd werd Miep verliefd op een collega schilder, met wie ze schielijk trouwde, waarna in januari ‘48 hun zoon Jeroen Stefan Bolle werd geboren. Het huwelijk was geen succes en al snel na de geboorte scheidden hun wegen zich. Voor Mirjam betekende dit dat er een heel arme tijd aanbrak. Gelukkig had haar moeder de oorlog overleefd en kon van haar eigen erfdeel een huisje in Soest kopen, waar Mirjam en de kleine Jeroen tenminste een dak boven hun hoofd hadden. Maar met de kunst was geen droog brood te verdienen, zoals ze ook ten tijde van het huwelijk al had


ervaren. Gelukkig vond ze wel een baantje als wat we tegenwoordig “activiteitenbegeleider” noemen in de instelling Zonnestraal of Zonnegloren in Soest. Wij, de familie Hart, kwamen naar Nederland terug in 1952. Onze Moeder leed intussen aan kanker en was al erg ziek. We konden geen zelfstandig huishouden voeren, dus woonden we en pension, eerst in Amsterdam, na een jaar in Den Haag waar vader een baan had gevonden bij een uitgeverij. Hij was neerlandicus van beroep. Moeder overleed in maart 1954, net 50 jaar oud. Els was natuurlijk allang zelfstandig, als verpleegster, die de laatste maanden in het ziekenhuis kwam werken waar Moeder werd verpleegd. Vader, Hans en ik bleven dus alleen, in onze pensionkamers. Geen ideale situatie voor drie heel verdrietige wezens die dat niet zo goed konden delen. Ikzelf ging er veel op uit, om huiselijke warmte te zoeken, bij goede schoolvriendjes, bij de fam. Kat-Lorjé, en jawel, ook bij Miep en Jeroen in Soest. Voor mij had op de een of andere manier “Miep in Soest” een magische aantrekkingskracht, daterend uit die genoemde vakantie in 46. Anderhalf jaar na de dood van Moeder gebeurde het dat Vader en Miep elkaar vonden, en elkaar bekenden dat ze veel voor elkaar voelden. Zeg maar gerust dat ze straal verliefd waren! Hans vertelt daar vaak een mooi verhaal over. Binnen de kortste keren verhuisden Miep en Jeroen naar Den Haag en begon er een nieuw gezinsleven, niet meer en pension. Hans was inmiddels ruim 17 en al bijna uit huis, omdat hij naar zee ging. Maar ik! Ik had er ineens een moeder en een broertje bij! Ik vond het heerlijk, na 14 jaar de jongste te zijn geweest, om ook de oudste te zijn. En de moederlijke zorg kwam in grote stromen naar me toe. Miep heeft mij de kans gegeven om te puberen, me te verzetten tegen het teveel van die moederliefde, mijn zelfstandigheid te veroveren, zonder aan liefde in te boeten. En niet alleen op het emotionele vlak heeft ze me mede gevormd, ook v.w.b. de ontwikkeling van mijn zorgzaamheid, mijn creativiteit en maatschappelijk bewustzijn heeft ze voor mij een belangrijke rol gespeeld. Daar ben ik haar intens dankbaar voor, tot mijn laatste ademtocht.. Maar ik heb dus ook flink met haar gebakkeleid! Want zo lief als ze was, ze kon ook geweldig krengig, bazig, dominant, bezitterig zijn. Om maar eens wat te noemen. Ze is jarenlang jaloers geweest op mijn Oedi, mijn vrouw sinds 53 jaar. En of dat helemaal over was … Dat maakte de verhoudingen er niet gemakkelijk op, voor mij. Gelukkig heeft ze in de loop van haar lange leven ook nog wel wat bijgeleerd. Wat zo mooi was aan het huwelijk van Vader en Miep was hoe ze hem heeft weten te veranderen. Haar invloed heeft hem warmer, gevoeliger, minder preuts, minder ouderwets, minder streng gemaakt. Hij vaarde daar wel bij, en was zich dat ook goed bewust. En zonder twijfel heeft hij haar eindelijk de liefde kunnen geven en het geluk laten smaken die ze zo lang had ontbeerd… Zeventien jaren heeft het mogen duren, dat huwelijk. Het grootste deel van die tijd in Lochem, op de Molenbelt. Ze waren gelukkig daar, Vader met zijn zelf van de grond af aangelegde tuin, Miep, die zich inmiddels graag Mirjam liet noemen, met haar schilderlessen, haar eigen werk, toen nog vaak de wandlappen. En met regelmatige logeerpartijen van


de groeiende kring van kleinkinderen. Amma en Appa heetten ze, of Opa en Oma Lochem. In de zomer van 1973 overleed Vader, vrij plotseling, 11 juli. Ik en mijn gezin woonden toen in Kenya, waar ze ook een keer ons hadden bezocht. Wij zouden in augustus voorgoed naar Nederland terugkomen, en wederzijds verheugden we ons daar zeer op. Els en Hans waren met hun gezinnen in verre oorden vakantie aan het vieren, Jeroen zwierf ook ergens in Europa rond. Ik was dus het verste weg, maar ik was het eerst in Lochem vanuit Nairobi. Voor de uitvaart was iedereen toch terug, met dien verstande dat de plechtigheid een kwartier later moest beginnen omdat Hans vanuit Portugal pas op het allerlaatste moment in Dieren was en toch nog even zijn Vader in de kist wilde zien … Niet iedereen was er, eigenlijk. Mijn Oedi, waar Vader zo op gesteld was, en die zoveel van mijn Vader hield, meer dan van haar eigen vader, mocht er niet bij zijn, vanuit Nairobi. Een paar jaar later gebeurde wat Jeroen altijd had gewild. Hij leed onder zijn ziekte schizofrenie, en had gezworen dat hij geen dertig wilde worden. In de zomer van ‘76 is hij voorgoed de zee ingelopen. En Mirjam had haar enige kind verloren, zo kort na haar echtgenoot. Wat kan je daar verder over zeggen … Jeroen’s laatste partner, Margriet, is contact blijven houden met Mirjam; dat was belangrijk voor beiden. Zij is nu ook hier bij ons. Tien jaar heeft ze alleen geleefd. Weer een eigen leven opgebouwd, in een nieuw eigen huis, aan de Zwiepseweg, met nu dan háár tuin, door haar geschapen vanuit het aardappelveld dat het eerst was. Eén van de tuinen beschreven in het boek “Met mijn tuin in de wolken” van An Rutgers van der Loef. Die kende zij weer vanuit de Woodbrookers in Barchem. Tuin, huis en haar kunst, inclusief de lessen aquarelleren, bepaalden haar bestaan in die tijd. Barchem speelde een belangrijke rol, een flink aantal jaren van haar spirituele leven. Ik kom daar nog op terug. En Barchem bracht haar ook in contact met de volgende liefde: Joop Lebbing, door haar liefdevol omgedoopt tot Jop. Met een P, om misverstanden te voorkomen… Een simpele uitnodiging van haar aan hem om een keer te komen eten, had grote gevolgen voor hun beider leven. Hij was nog niet lang weduwnaar, zij net gewend aan een leven alleen: “zij vonden elkander, en kusten de ander, zo recht op de mond, dat het klonk in het rond.” Joop stopte zijn spaarcenten in een verbouwing van het schuurtje tot “het kotje” waar hij zijn bibliotheek en zijn werkplek onder bracht. Er was ook een slaapkamertje op zolder, maar ze vonden het veel te fijn om samen te slapen! Maar toen hij niet meer naar boven kon, kwam zijn sterfbed wel in het kotje te staan. Ze zijn wel ruim 13 jaar samen geweest en dit waren voor hen allebei gelukkige jaren. Ik denk dat Geert, een van Jop’s zonen, daar zo meteen wel iets over te zeggen heeft. Wij, de kinderen Hart, waren erg op Jop gesteld. Na Jop’s overlijden dus weer alleen! Weer wennen aan een leven zonder partner, zonder


geliefde, zonder de warmte van een ander mens tegen je aan, tegen je huid. En het volgende verlies kondigde zich al aan. Veel sluipender, gemener op een bepaalde manier, dan de korte en langere ziektes van haar twee mannen. Ditmaal de ziekte van haar ogen. Een ramp voor een beeldend kunstenaar! Ook dat leed is haar niet bespaard. Ze heeft dat verschrikkelijk gevonden. Het was ook aanleiding voor haar om te zoeken naar een plek om goed en met voldoende verzorging te kunnen wonen. We zijn in die tijd bij enkele tehuizen wezen kijken. Uiteindelijk heeft ze met volle overtuiging voor de Tusselerhof gekozen. Ze wilde per se in Lochem blijven, en de sfeer vond ze heel prettig. Ze heeft uiteindelijk nog heel goede jaren gehad, eerst op de bovenverdieping, maar later gelukkig nog beneden, met dus toch nog een stukje tuin, dat ze zich met Gerda’s hulp ‘eigen’ maakte. Tot zover de geschiedenis, de levensloop. Maar wat voor een soort mens was ze nou eigenlijk? Een mens zoals wij allemaal, niks bijzonders dus. Maar toch uniek in haar speciale combinatie van eigenschappen, van kwaliteiten. Zoals bij iedereen het geval is, heeft elke kwaliteit positieve en negatieve kanten. Ook daarin onderscheidde ze zich niet van U en mij. Maar bij Mirjam denk ik in de eerste plaats aan levenslust, optimisme, overlevingsdrift, gulheid, trouw, creativiteit. Maar bovenal een enorme behoefte aan liefde, aan genegenheid, aan aandacht. Ze kon ook heel goed deze dingen geven, maar aan de ontvangende kant was ze “Rupsje Nooitgenoeg”. En de keerzijden van alle positieve kwaliteiten waren er dus ook: dominant, veeleisend, koppig, krenterig, ontactvol, en: “ze was haar kattige zelf”, zoals iemand zei, die haar vlak voor het laatste ziekbed nog uitgebreid bezocht. Maar als ik bedenk hoe veel mensen haar trouw zijn gebleven tot en met het laatste moment van haar leven, dan mag ik toch wel opperen dat ze een bijzonder mens is geweest. Behalve dit, heeft ze ons dus ook haar kunst nagelaten. Ze heeft nooit goed bijgehouden waar haar werken naar toegingen. Het maken ervan was belangrijker voor haar dan wat er daarna mee gebeurde, Ze heeft veel mensen blij kunnen maken met haar tekeningen en schilderijen, daar was ze heel gul en vrijgevig in. Het soort werk paste zich aan aan de omstandigheden van het moment. De eerste jaren veel tekenen en olieverf, in de jaren in Soest en Den Haag vooral de naaldkunst, in Lochem meer en meer het aquarelleren. Mensen denken dat dat simpel is, aquarel, maar dat is het allerminst. Je kunt nooit iets verbeteren, elke druppel die op het papier komt is onveranderbaar. Je moet dus heel goed weten wat je doet. En als je in aquarel portretten kunt maken zoals zij, dan ben je een grote, durf ik te zeggen. Olieverf en acryl, daar kun je altijd overheen gaan. Nog iets over de betekenis van spiritualiteit voor Mirjam. Ik kan daar niet een absoluut oordeel over geven. Maar overdenkende wat ik weet uit eigen waarneming en de verhalen, heb ik de indruk dat zij daarin vooral gevolgd heeft wat haar geliefden van het moment aan hebben aangegeven. Eerst dus in haar jeugdjaren het volgen van haar moeder. Later, vooral de inspiratie van de kunstenaarskringen waarin ze verkeerde. In de onderduiktijd: de kerk waar ze zich liet dopen, en de antroposofie van Jat en Elly. Na de oorlog vooral


inspiratie vanuit de natuur. In de relatie met onze vader waren er Vrije Gemeente, Humanistisch Verbond en het religieus socialisme van Banning en consorten, dat in de Lochemse tijd na Eric’s dood naar Barchem leidde. Tenslotte: dankzij Jop Lebbing ook nog de Remonstrantse kerk in Lochem. Op grond van deze observatie waag ik het te stellen dat haar drijfveer meer lag in het contact met de mensen die ze in al die verschillende gremia ontmoette, dan in het eventuele contact met het Hogere of het Eeuwige. Ik heb met haar veel gestreden, en ik heb veel van haar gehouden. Ik bedank haar daarvoor. Ik noem ook, met groot respect en dankbaarheid, de vele, vele mensen die tot vandaag de dag haar trouw zijn gebleven, veelvuldig bezochten, betrokken bleven. Joop Bots, Gerda Vrieling (de langste relatie in het Lochemse, 52 jaar!), Ria en Rommie, Anneke Stottelaar, Mieke Arts, Annette, Wouter, Netty, de vrienden van de “woongroep”, oud-cursisten, Adriana Goedhart, huisarts Martin Lamers, Geertje, Margriet. Vergeef mij als ik namen vergeten ben. Mirjam heeft op haar hoge leeftijd natuurlijk van heel veel van haar vele vrienden en vriendinnen afscheid moeten nemen. Die namen noem ik niet. Toch gedenk ik er twee die nog maar zo kort geleden overleden zijn: Henk Vrieling, Gerda’s man, die zeker de derde steunen-toeverlaat mag worden genoemd; en Klaas Groen, die met zijn muziekmiddagen haar zoveel vreugde heeft verschaft. Ze was zeer aangedaan over hun dood. Na mij komen alle negen kleinkinderen van de Hartenfamilie iets doen. Maar eerst komt er een stuk muziek, dat gecomponeerd is door de man van de oudste dochter van Hans, Michiel Tegelberg, en dat wordt uitgevoerd door hem samen met een collega muzikant: Nathan Hol. Luister maar.

Geluisterd wordt naar For Melany gecomponeerd door Michiel Tegelberg uitgevoerd door Michiel Tegelberg en Nathan Hol

Wim Hart zoon van Eric (en Mirjam) Muziek van Michiel Tegelberg schoonzoon van Mirjam


Woorden van Eric

Lieve familie en vrienden, De vrouw die jullie Miep noemden, of Mirjam, of oma, spraken mijn zussen en ik aan met Amma. Die naam ontstond uit een klein spraakgebrek van Heleen, die als peuter de ‘o’ niet kon zeggen. Oma werd Amma en opa werd Appa en daar bleef het bij, meer dan vijftig jaar. Amma werd een naam die een specifieke wereld opriep. Voor mijn zussen en mij, en ik vermoed ook voor onze lieve nichten en neef, stond Amma voor: het gevoelig zijn voor alles wat mooi is. Een oud-roze kwartssteen, een kiezel met een streep lavendelkleur erin, een lap korenblauwe stof, een Schotse heuvel met verlopende tinten bruin, zwart en groen - haar esthetiek-meter kon overal van uitslaan. “Gòòòh, jaaah”. Ze verzamelde keien, bloemen en voorwerpen die ook in een klein museum hadden kunnen staan. En ze probeerde ons met haar voorliefdes aan te steken. Haar huis en tuin aan de Zwiepseweg werden elk jaar adembenemender en gingen op de foto in woonbladen. Schoonheid en rust groeiden en bloeiden daar. Weten jullie nog, lieve zussen, neef en nichten, hoe het was om aan de Molenbelt te logeren? Het bos bovenaan de weg, de paarden die daar wachtten op klontjes, de helling waar je vanaf raasde met een geleende fiets, de geur van de coniferenhaag in de zon, naast de houten zandbak in de tuin, de grassproeier die Amma aanzette en waar je met z’n allen omheen danste, de zoete pijptabak van Appa, Stap Op spelen, de boeken met avonturen van Saskia en Jeroen, het lapjesatelier, de smaak van Lochems water? Ook dit was een wereld vol schoons, de wereld van zen, van Amma’s zen. Creativiteit, natuur, cultuur, beschaving - het zijn woorden die we dagelijks gebruiken, en ze roepen voor iedereen iets anders op. Mijn grootmoeder heeft ze voor mij gevuld met associaties toen ik nog klein was. De beschaving ging ook gepaard met eisen. Amma en Appa hielden van rustige en net sprekende kinderen. Amma corrigeerde onze Leidse tongval, toen die op zijn rondst was, en dat deed ze op zijn Amma’s, door ons na te doen. “Ja hoor.” “Ben je jarig, joh?” Als ze het nodig vond, deed ze dat ook in groot gezelschap. Laten we het een vorm van eerlijkheid noemen. Hoe “eerlijk” ze voor zichzelf kon zijn, leerde ik later. Toen we een keer langs haar aquarellen liepen in een gang van de Tusselerhof, waar ze een soort permanente tentoonstelling had, probeerde ik onder woorden te brengen wat me erin aansprak. Ze maakte een wegwuifgebaar. "Het stelt niks voor", zei ze, "Het is allemaal derivatief."


Derivatief. Zeg maar: afgekeken van anderen. Er viel een stilte in de gang. Smeet ze nou al haar werk op de vuilnishoop van de middelmaat? Was dit het moment dat mijn artistieke grootmoeder zichzelf ontmaskerde als de Bob Ross van Lochem? Zo kon Amma zijn, zoals wij hier met z’n allen weten. Van het ene op het andere moment kon ze een opmerking laten vallen die alle lucht uit de kamer zoog. Misschien hoopte ze op een vlammende verdediging van haar kunst door haar kleinzoon, of misschien wilde ze, nu het schilderen fysiek niet meer ging, de betekenis ervan relativeren. Sprak ik haar fel genoeg tegen? Ik weet het niet meer. Ik weet alleen dat ik onder de indruk was. Ze sloeg een bladzijde om - of in elk geval leek het zo - waarop een groot deel van haar leven zich had afgespeeld. Amma was een meester in bladzijden omslaan. Ik neem aan dat haar levensgeschiedenis haar zo heeft gevormd. Ze verloor haar tweede man, Appa, toen ze begin vijftig was. Haar zoon en enige kind, de lieve Jeroen, raakte ze kwijt aan zijn ziekte en uiteindelijk helemaal. Haar derde man, de zachtmoedige Jop, overleed toen ze in de zeventig was. Uiteindelijk moest ze ook afscheid nemen van het schilderen. De kleuren en vormen waar ze van hield drongen niet meer door tot haar netvlies. Niemand kon afscheid nemen als zij. Als je wegging, kneep ze je fijn met haar broze armpjes. "Dag jong." Alsof ze zichzelf en jou de omhelzing goed wilde inprenten, zodat ze beter kon worden bewaard. Haar innigheid vind ik onvergetelijk. Ik kan iedereen aanraden, vooral de jongelui hier, af en toe met je oma te knuffelen. Uiteindelijk was zij beter in afscheid nemen van het leven, dan het leven van haar. Het maakte haar ongeduldig. “Ik vind het nou wel een keer genoeg”, zei ze als je net gezellig achter de theepot zat en de kleine Gijs in zijn koekje hapte. Dan moest je je als vader weer op die verbale handgranaat werpen en vol interesse over het weer in Lochem beginnen. Nee, je verveelde je nooit. Amma gaf creativiteit en liefde voor kunst en muziek en schoonheid omwille van de schoonheid een ereplaats in haar leven. Ze maakte die dingen belangrijk, ze gaf ze bestaansrecht in de ogen van haar kleinzoon toen die nog klein was. Zo iemand in de familie hebben, is een kostbaar geschenk. Hoe kan ik je daarvoor bedanken, lieve Amma? Ik bedank je wel voor alle lieve knuffels.

Eric Smink, kleinzoon van Mirjam


Woorden van Stefan

Oma Lochem, Amma, Miep, Mirjam Jouw heengaan is meteen het einde van een tijdperk. De bron van de rivier is opgedroogd, wat achterblijft zijn de sporen die jouw rivier in het landschap heeft getrokken. alles wat men in een oma zoekt, heb ik bij jou kunnen vinden. De Engelse snoepjes, de voorleesboekjes van de gouden leeuwserie, het lekkere eten, de warme knuffels en zoenen. En toch was je als oma uniek, geen een zoals jij. jouw leven heeft een blijvende indruk achtergelaten in deze wereld. En niet alleen bij mij, maar bij elk kleinkind, met elk duizend kleine herinneringen, dat maakt samen een heelal aan oplichtende sterren als we aan je denken. de bruine mini waarin opa ons mee door Lochem reed, in zijn bruine plusfour. Het spelen in de tuin bij familie Zomer en daarna de Fabeltjeskrant kijken. het gekke zadel dat op jouw fiets zat,waarmee ik over de Molenbelt reed, sjezend vanaf de Lochemse berg. Gillend, want het was wel spannend zo hard. Tijdens ons verlof uit Kenia, bracht opa Lochem ons allemaal naar de dikste boom van Nederland en liet ons de boom met zijn allen omarmen. Een paar jaar later bracht jij ons weer eens naar die plek. Ik herkende het, vertelde dat opa ons hier eerder naartoe had gebracht. Op de een of andere manier snapte ik jouw glimlach en hand op mijn hoofd. De groene zakdoek verstopte hoe je hem miste. Ik miste hem ook, met zijn bellenblazen wat ons zo aan het lachen maakte, het logeren in jouw werkkamer, met al die kleurige stoffen, draden en garens, die zulke andere tinten kregen in het maanlicht dat door het raam scheen. De autootjes van oom Jeroen waar je ons mee liet spelen, de houten spelletjes en het opstap kaartspel dat we eindeloos met je speelden. De grote leren tas waarmee je me postbode liet spelen bij tante Emmy en oom Cyril. de tijd op de Zwiepseweg doet me denken aan het zoldertje van het kotje, nog voor de verbouwing, waar je zo fijn kon spelen. Paddestoelen zoeken in het bos, waar jij die heerlijke omeletten van maakte. Thee drinken met George Zamfir op de panfluit. Norma hield ook van die momenten, want dan mocht zij het melkkannetje uitlepelen met haar pootje. Het was de paasvakantie in ‘77 dat we samen een hele week met zijn tweetjes mochten doorbrengen. Samen koken, eten, afreizen naar MĂźnster, waar ik stoer liet zien hoeveel Duits ik al kon bij vrienden in Coesfeld. Jouw vriendin Kathy, die ik altijd Karate Katy noemde toen ze eens liet zien wat een gek wijf ze eigenlijk was. Samen dansend op kung fu fighting. Hoe je me een van die laatste nachten kwam instoppen. Ik was 11, veel te groot daarvoor, maar ik vond het goed. de tijd met Joop lijkt voorbij gevlogen. Maar uit die tijd weet ik nog hoe fijn het was het dat we eindelijk iets voor je konden terugdoen toen Joop zo ziek was. Met de rolstoel in zo'n gekke auto op pad. Joop genoot, dus jij genoot, dus wij genoten.


de tijd in Tusselerhof ligt het dichtste bij in onze herinneringen. Jouw vreugde zodra we binnen kwamen. Heerlijk kwekkend over elkaars belevenissen. Hoe elk verhaal van ons jou deed associeren met wat er in jouw leven was gebeurd. Dat maakte dat mensen als Mieke, Rommie, Gerda, Joop, Geert en Welmoed, en wie al niet meer, zo onzichtbaar voor ons, toch deel gingen uitmaken van onze wereld samen. Ik zou eindeloos kunnen doorgaan, wat ik afgelopen weken al deed, met ophalen van heerlijke herinneringen. Maar daar gaat het nu niet om. Ik ga hier in mijn eigen tijd wel mee verder. Ik zou dit moment wel willen gebruiken om het einde van jouw tijdperk te markeren. Ik zou alle kleinkinderen en hun kinderen willen vragen mij daar bij te helpen. Laten we samen een kaarsje aansteken, waarbij je je dierbaarste herinnering noemt. In gedachten of hardop, dat maakt niet uit. Zet je kaarsje bij oma, zodat we allemaal een glimp kunnen vangen (en vasthouden,) van de hemel aan sterren die ze in ons leven heeft achter gelaten. Stefan Hart, kleinzoon van Mirjam


Woorden van Geert

Lieve Mirjam, “Het gaat goed, maar voor mij hoeft het allemaal niet meer zo”. Dat heb je dat de afgelopen jaren meer dan eens gezegd. En de keer dat we daar echt over praatten vroeg je, nee, op die typische Mirjam-manier zei je: “En als het zover is, dan mag ik er toch wel op rekenen dat jij dan ook wat zegt?” Wel Mirjam, het is zover, dat dán is vandaag. Je bent hier nog wel in ons midden, maar je hebt het leven gelaten. Welmoed heeft je je laatste dagen nog bezocht -en is nu in Moldavië- Bart in Australië. Ook voor hen doe ik wat ik beloofd heb. En zeggen wat ik je op je verre reis nog mee wil geven. Van je lange leven ben je 31 jaar voor ons de liefste mater familias geweest. De geliefde, de levensgezellin en -later- de toegewijde verzorger van mijn (onze) vader Joop, die jij zo lief Jop noemde. De vrouw die in 1984 de plaats innam van onze nog geen half jaar eerder overleden moeder Sjoerdtje. Toen, in mei 1984 waren vader en ik een week in Venetië. Hij was zo oud als ik nu, 74. En smoorverliefd. Op elk terras, op elke straathoek zag hij wel een vrouw die hem aan jou deed denken. Kijk! Zo loopt Mirjam nou ook! Die lijkt op haar! Zíj is net zo groot, zíj heeft dezelfde kleur haar. Al had ik toen met al die Harte-kreten best moeite, zo leerde ik je dus in Venetië al kennen voordat ik je ooit ontmoet had. Toch vergiste ik me behoorlijk toen ik voor het eerst op de stoep van de Zwiepseweg de dame omhelsde die daar op ons af kwam lopen. Dacht ik dat jij het was, bleek het je goede vriendin Do. Wat hebben we daar toen om gelachen... Heel vaak hebben Wil en ik ons gerealiseerd hoe hoe dankbaar we er voor moeten zijn dat Jop juist jou eertijds ontmoet heeft. Hier, in het Barchem, waar Joop en Sjoerdtje al vanaf hun jeugd -en dat was dus al vóór dat wij geboren waren- bij de Woodbrookers thuis waren. Juist jou, na een lang leven met je Eric, zoals vader met Sjoerdtje. Juist jou die je zoon Jeroen had verloren zoals wij onze Walther. Juist jou, 10 jaar jonger, levenskrachtig, met eenzelfde levensstijl, smaak, vrijdenkersgeest, de Remonstrantse Broederschap, kunstenaarschap en reisplezier.. Jop en jij. Allebei een eigen Pentax camera. Al was het tussen jou en ons niet altijd pais en vree, de 13 gelukkige jaren die Jop en jij samen aan de Zwiepseweg woonden hebben Wil en ik op de afstand Rotterdam-Lochem met warmte meebeleefd. Daar was niet alleen de weelde van je prachtige -schilder-kunstige- tuin. Daar waren ook het eten in jullie keuken aan de ronde tafel, onze gesprekken boven op je atelier over “het werk


in wording” -je stalde recente tekeningen en aquarellen uit- de verbouw van vaders kotje, huis en tuin, onze wandelingen over de Hoge Enk, de verjaardagen en de talloze gebeurtenissen waarin vaak ook jullie vele, vele vrienden een rol hebben gespeeld. Ik denk aan Piet en Loes, Ria en Rommie, Gerda en Henk, Mieke Arts, Anneke Stottelaar. Aan jullie buren. En aan Annet, met wie je veel reizen deelde maar die we, zoals vele andere vrienden, nooit ontmoet hebben. Ik denk ook aan jullie trouwwijding op de Barchemse Berg, aan jullie 70+80e verjaardagsfeest in Bonaparte aan de Barchemseweg. Waarvoor ik op Wims aanwijzing Nederland rondreed om alle huizen op te zoeken waar jij en jullie, en waar wij hadden gewoond. En zo in jullie beider verleden dook. En ook daar onvermoede verbanden ontdekte. En natuurlijk moet ik op deze dag ook denken aan vaders overlijden in 1997, in het kotje aan de Zwiepseweg. Aan je zorg en toewijding, die je voor hem en voor ons had. En aan je allenzijn daarna. Liggen in die 13 jaar Zwiepseweg heel veel goede en dierbare herinneringen, in de Tusselerhof is onze band veel intiemer geworden. Jij schilderde niet langer, werd langzaam blind, wij waren zelf ook op een leeftijd gekomen dat er niet zoveel nodig was om van elkaar te houden, je op te zoeken, met elkaar te kiften en met elkaar te genieten. Van een glaasje wijn. Van een ommetje om. Van heel vaak met elkaar eten bij Da Vinci, Kawop of Hooglangen. Al werd je langzamerhand steeds kleiner en echt een oud mensje, twee maanden geleden was je nog helemaal ‘in’ om voor Il Tonno Rosso mee te rijden naar Zeddam! Waar je je van je rollator zomaar in Dafne’s armen liet vallen! Dat was ook weer lachen geblazen.... Lieve Mirjam, je hebt een schilder-achtig leven gehad, met een even bloeiend oeuvre aan even kleurrijk werk. Een leven met al je Harte-kinderen, al je geestverwanten en trouwe vrienden. Die om je gaven en waarvan je inmiddels velen hebt overleefd. Wat heb jij (en wij allen met jou) ook geboft met je fijne kamer en verzorging in de Tusselerhof, met de zorg van Gerda en Henk, van Joop, met je muziek- en voorleesvriendjes, met de pracht van het Lochemse land. Je hebt vaak gezegd: ik neem het leven zoals het is. Wij hebben altijd in je bewonderd dat je het leven genomen hebt zoals het kwám, met je ouderworden, blindheid, al je vallen en even zo vaak opstaan. En de operaties en ziekenhuisopnames daartussen. Voor mezelf sprekend: ik mag hopen dat ik mijn eigen ouderdom met dezelfde blij/moedigheid en helderheid kan nemen als jij hebt gedaan. Je bent 95 geworden, je vond dat zelf oud genoeg om het leven te laten. En wij, je verwanten, kunnen je vandaag gerust -en dankbaar- laten gaan. Lieve Mirjam, het is zover, goede reis, vaar en dank je wel.

Geert Lebbing, zoon van Jop.


Woorden van Henk

Zie, ik ga iets nieuws beginnen Muren worden opgetrokken om ruimten af te schermen of om ongewenste elementen buiten te houden. Muren bieden ons veiligheid en intimiteit. Opgetrokken muren worden vaak de dragers van boodschappen, van hoop en wanhoop, van verlangen en teleurstelling. Tekens aan de wand. Wie zich bij Mirjam opsloot tussen de muren van het kleinste kamertje kon niet om de boodschap die daar als teken was aangebracht. Een moderne computerprint met een eeuwenoude tekst. Met cellotape bevestigd. Psalm 43 vers 18-20 staat er. Dan volgen de woorden: “Blijf niet staan bij wat eertijds is gebeurd, laat het verleden nu rusten. Zie ik ga iets nieuws verrichten, nu ontkiemt het – heb je het nog niet gemerkt?” Het zijn woorden die je meteen met Mirjam kunt verbinden. Wij hoorden net de verhalen van haar roerige leven. Zoals we hier bij elkaar zitten weten we allemaal wel hoe moeilijk het is de nare gebeurtenissen uit je leven te vergeten. Herinneringen kunnen traumatisch zijn en je niet loslaten. Medemensen kunnen jou zoveel kwaad berokkend hebben dat je de rest van je leven met wraakgevoelens blijft rondlopen. Mirjam zag elke dag die regel op de muur, laat het verleden nu rusten. Heeft zij dat voor elkaar gekregen of zag zij dit als een levensopdracht die ze wilde vervullen? Ik denk geen van beide. De tekst gaat verder: Zie ik ga iets nieuws verrichten. Die ik is niet Mirjam. De schrijver van de tekst brengt hier God ter sprake. Ik ga iets nieuws beginnen, zegt God. Nu is God voor ons moderne mensen heel problematisch geworden. Buiten de kerk, maar misschien nog wel meer binnen de kerk. Hoe kunnen wij met alles wat we weten en kunnen nog geloven in een God? Ik denk dat de weg naar God begint met de weg naar humaniteit. Mirjam was heel betrokken bij het werk van het Humanistisch Verbond. De inzet voor humaniteit, voor menswaardigheid, voor barmhartigheid en liefde, is een actieve manier om God aanwezig te stellen. Leven vanuit barmhartigheid en liefde is de uitgaande beweging naar de ander. Een beweging die altijd weer nieuw is in een wereld waarin men alleen teruggebogen leeft naar zichzelf. Ik denk dat Mirjam in haar leven ook een andere beweging heeft ervaren, de weg naar binnen. Dat er in haar leven een moment is geweest dat zij God aanwezig wist in de binnenkamer van haar ziel. Die momenten van ervaarbare Aanwezigheid vervulden haar met verwondering, ontzag en vertrouwen. Mirjam kon de uitgaande beweging van humaniteit en inkerende beweging van de contemplatie integreren in haar leven, waardoor zij verbonden was met de ander en met de Aanwezigheid van God. Zij werd een ik, een ik dat de woorden van God kon naleven. Ik blijf niet staan bij het verleden. Ik ga, telkens weer, iets nieuws beginnen. Nog één keer dat briefje. Psalm 43 staat er boven. Maar deze tekst van meer dan 2500 jaar oud komt niet uit het gebedenboek van de psalmen, maar uit het 43e hoofdstuk van het profetenboek Jesaja. Eigenlijk is deze vergissing prachtig, want het drukt naar mijn idee uit hoe het profetisch elan van Mirjam haar leven tot een gebed maakte.


Zo herinneren wij ons deze mens, met deze naam Mirjam Magda Hart – Nijburg. Moge de herinnering aan haar naam ons allen tot zegen zijn. Wij zijn tot de uiterste grens meegegaan met haar die wij liefhebben. Wij moeten haar nu laten gaan. Wij zouden hier nog iets willen doen of zeggen, maar alles lijkt zijn zin te verliezen. De Christelijke traditie reikt ons op dit punt een oer-oud gebed aan, een gebed dat waarvan de woorden wortelen in het Joodse gebedsleven. Ik nodig u daarom allen uit om hardop het Onze Vader mee te zeggen Onze Vader die in de hemel zijt, Uw naam worde geheiligd, Uw koninkrijk kome, Uw wil geschiede, op aarde zoals in de hemel. Geef ons heden ons dagelijks brood, en vergeef ons onze schulden, zoals ook wij onze schuldenaars vergeven, en leidt ons niet in verzoeking maar verlos ons van de boze. Want van U is het koninkrijk, en de kracht en de heerlijkheid in eeuwigheid. Amen. Het leven van Mirjam is tot rust gekomen. Zij is ingegaan in een rust en vrede die alle verstand te boven gaat. Hier moeten wij haar loslaten. Hier moeten wij ook iets van onszelf loslaten en ons toevertrouwen aan wat buiten ons om en boven ons uit gaat.

Dust tot dust, ashes to ashes. Prediker schrijft: Het stof wordt weer wat het in oorsprong geweest is, en gaat op in de aarde, en de levensadem keert terug vanwaar zij gekomen is, en verdwijnt in God. Wij staan Mirjam Magda Hart – Nijburg af aan het vuur wij vertrouwen onze geliefde dode toe aan het geheim van het leven

Henk van den Berg predikant Remonstrantse Broederschap


Woorden van Joop

zij was nog goed ter been, ze kon nog heel goed zien, ze reed nog auto, ze schilderde nog, ze genoot nog volop van haar prachtige tuin aan de Zwiepseweg in Lochem, maar haar administratie baarde haar zorgen. Via Mary Cornelissen, lid van het Humanistisch Verbond (HV), kwam Mirjam Hart Nijburg in contact met een ander lid van het HV, Joop Bots. Het moet ergens in 2001 zijn geweest dat Mirjam mij belde, met de vraag of ik haar behulpzaam zou kunnen zijn bij het verzorgen van haar administratie. We maakten een afspraak en ik heb Mirjam aan de Zwiepseweg opgezocht. Toen ik bij haar achterom kwam was ik sprakeloos bij de aanblik van de prachtige tuin die in volle bloei stond. Een juweeltje. Ik kwam binnen via een aangebouwd tochtsluisje van ongeveer 1,25 meter in het vierkant met twee deuren. We troffen elkaar aan de ronde eettafel in de keuken. Vanaf dat moment was dat mijn vaste werkplek Waar ik mij met Mirjam ’s administratie bezig hield. Mijn grootste opgave was bij Mirjam te laten wat ze zelf nog kon doen. Voor mij resteerde wat er verder nog gedaan diende te worden. Al spoedig werd ik ook geconfronteerd met een kant van Mirjam die minder leuk was. Dan kon ze behoorlijk scherp uit de hoek komen. Het heeft bij mij wel eens de gedachte opgeroepen, zoek voor mij maar een ander. Zover is het niet gekomen. Al werkende realiseerde ik mij dat ik mij minder stoorde aan de soms stekelige opmerkingen van Mirjam. Dat is, achteraf gezien, een goede basis gebleken voor een vruchtbare samenwerking. En stelde mij instaat te ontdekken dat Mirjam ook iemand was om van te houden. Op gezette tijden, het zal om de 6 weken zijn geweest, vervoegde ik mij bij de woning van Mirjam, om samen aan Mirjam’s administratie te werken. Geruime tijd geleden heeft Mirjam uitgebreide gesprekken gevoerd met een uitvaartverzorgster, die hiervan een verslag heeft gemaakt en daarin opgenomen dat Mirjam het nu volgende gedicht op haar uitvaart voorgelezen wilde hebben. Mirjam heeft dit gedicht zelf uitgekozen. Zelf leed zij erg aan macula-degeneratie. “De verheldering van ogen” zal haar dientengevolge zeker hebben aangesproken. Hoewel het gezichtsvermogen doorgaans minder wordt bij het ouder worden, spreekt Ida Gerhardt hier over een “open gaan van vergezichten”.

Joop Bots Mirjams steun en toeverlaat


GENESIS Oud worden is het eindelijk vermogen ver af te zijn van plannen en getallen; een eindelijke verheldering van ogen voordat het donker van de nacht gaat vallen. Het is een opengaan van vergezichten, een bìjna van gehavendheid genezen; een aan de rand der tijdeloosheid wezen. Of in de avond gij de zee ziet lichten. Het is, allengs, een onomstotelijk weten dat gij vernieuwd zult wezen en herschapen wanneer men van u schrijven zal: 'ontslapen'. Wanneer uw naam op aarde is vergeten.

Ida Gerhardt uit ‘Het sterreschip’, 1979


Kaddisj door Aviva

God, Hoogverhevene, vol liefde, geef rust en harmonie door Uw beschermende aanwezigheid -temidden van de zielen van de heiligen en zuiveren die als lichten in de duisternis stralenaan de ziel van Mirjam Magda Nijburg die is teruggekeerd naar haar wereld van oorsprong en die zal rusten in Gan Eden. U, Bron van alle liefde, bescherm haar voor altijd en berg haar in de beschutting van Uw vleugels. Neem haar ziel op in de bundel van het eeuwige leven. Altijdaanwezige, wees haar deel en laat haar in volledige vrede rusten Daarop zeggen wij: Amén

Verheven en geheiligd worde Zijn grote Naam in de wereld die Hij schiep naar Zijn wil. Moge Hij Zijn koninkrijk vestigen in uw dagen, en tijdens uw leven, en nog in deze generatie van Jisraël, spoedig en in de nabije toekomst. Zeg daarop: Amén. Moge zijn grote Naam ten eeuwige dage worden geprezen. Geprezen, geloofd en verheerlijkt, hoog verheven, geroemd, bezongen en aanbeden zij de Naam van de Heilige. Geprezen zij Hij boven alle lofprijzingen, liederen en gezangen, en boven alle troost die in deze wereld kan worden uitgesproken. Zeg daarop: Amén. Moge er volledige vrede komen vanuit de hemel en leven voor ons, voor heel Jisraël. Zeg daarop: Amén. Hij die vrede maakt in Zijne sferen, moge Hij vrede maken voor ons, voor heel Jisraël en voor de hele mensheid. Zeg daarop: Amén. Aviva Nijburg, nicht van Mirjam


-

grubjiN adgaM majriM


Zelfportret, aquarel, 23x33cm gesign. MNYBURG 22-5-84


Tekening, contë, 33x50cm

Mirjam vertelde en tekende hoe zij haar macula-degeneratie van binnenuit “zag”. De ziekte openbaarde zich omstreeks 2003 , toen ze in haar gezichtveld twee kleine donkere vlekjes zag, die zich in de loop van de tijd deelden en groter woekerden. In 2006 was zij vrijwel blind, maar kon kon zij afhankelijk van het licht nog wel “iets vaags” tussen en om de donkere vlekken zien. Ze maakte deze ontroerende tekening onder haar tafelloupe.


Š ontwerp en productie: tekst&uitleg, geert lebbing, www.kunstenstadswerk.nl uitgave: 50 genummerde exemplaren dit is nr.


Uitvaart Mirjam Hart – Nijburg, 29 augustus 2015

Muziek bij het binnendragen: M. Bruch, Scottish Fantasy, 1e deel Woorden van Henk van den Berg Woorden van Wim Hart Muziek van Michiel Tegelberg, For Melany Woorden van Eric Smink Woorden van Stefan Hart Muziek: T. Albinoni, Concert voor cello en orkest in D-mineur, 3e deel Kaarsjes aansteken door kleinkinderen, bloemschikking door allen Woorden van Geert Lebbing Muziek: G.F. Händel, Harpconcert in Bes-gr, 3e deel Woorden van Henk van den Berg: Zie, ik ga iets nieuws beginnen. Gedicht Genesis van Ida Gerhardt door Joop Bots Muziek: J.S. Bach, Cellosuite nr 1 in G, 4e deel Sarabande Woorden van Aviva Nijburg: El Malé Rachamim en gezongen Kaddisj Gedicht en gebed Dankwoord door Wim Hart Muziek: M. Bruch, Scottish Fantasy, 3e deel


Profile for geert

Boekje 154x216 issuu 100dpi  

woorden, bij de uitvaart van Mirjam Hart

Boekje 154x216 issuu 100dpi  

woorden, bij de uitvaart van Mirjam Hart

Profile for geertswil