Issuu on Google+

NEDERLANDS 1

Donald Hendrickx

HoGent- Campus Ledeganck, K.L. Ledeganckstraat 8, Gent

www.hogent.be/fmw


1. TAALVAARDIGHEID: DE BASIS VOOR DE PERSOONLIJKHEIDSONTWIKKELING VAN HET KIND

TOTALE

Doelstellingen van dit hoofdstuk: - De student heeft inzicht in de belangrijkheid van de taalontwikkeling van het kind. - De student kan een communicatiebevorderende relatie tussen zichzelf en de kinderen realiseren 1.1.

Definitie: Algemeen kunnen we taalvaardigheid omschrijven als de vaardigheid om mondelinge en schriftelijke taal functioneel te gebruiken (d.w.z. begrijpen en/of zelf produceren) in verschillende communicatieve situaties (Frans Daems e.a., 2004)

1.2.

De bouwstenen voor taalvaardigheid Wil men een correct taalgebruik hanteren, dan dient men volgende vormelijke aspecten van de taal te beheersen: a) Het fonologische aspect: - Passief: het onderscheid horen tussen de klanken van de taal. - Actief: de klanken correct kunnen uitspreken en goed kunnen articuleren. b) Het morfologische aspect: o.a. correcte meervouden en verkleinwoorden kunnen vormen. c) Het lexicologische aspect: over een voldoende rijke en correcte woordenschat beschikken. d) Het semantische aspect: weten wat de betekenis van de woorden zijn. Uiteindelijk dragen het lexicologische en semantische aspect bij tot het ontdekken van en nadenken over de wereld : als je weet wat een auto en een fiets zijn bv., kun je inzien dat die door hun gemeenschappelijke kenmerken tot de categorie van de vervoermiddelen behoren. e) Het syntactische aspect: de woorden in de correcte volgorde kunnen plaatsen om daardoor correcte zinnen te kunnen vormen. Op zich vormen die bouwstenen de basis voor a) Een goede communicatieve vaardigheid en de beheersing van de pragmatische functie van taal: zich duidelijk en correct kunnen uidrukken, met gebruik van de juiste woordenschat in correct gebouwde zinnen en weten wat men kan zeggen tegen wie en in welke situatie. b) Het vormgeven aan expressie en spel: d.w.z. taal gebruiken om je emoties, persoonlijke gedachten en gevoelens te uiten, en met taal te spelen ( rijmen, taalspelletjes, ‌).


1.3.

De ontwikkeling van taalvaardigheid: de bouwstenen in de klaspraktijk Dat proces dienen we te beschouwen zowel vanuit het standpunt van het kind als vanuit dat van de leerkracht.

1.3.1.

Het kind a) Het ervaart dat het zijn gedachten, gevoelens en verlangens kenbaar mag maken en er met de anderen kan en mag over spreken. Het krijgt het gevoel dat het zich vrij mag uiten zonder geremd te worden . Welbevinden is één van de sleutelwoorden in de kleuterklas. b) Het ervaart dat hoe duidelijker het praat, hoe beter het voor de anderen verstaanbaar en begrijpbaar is, hoe beter en vlotter het communicatieproces verloopt. c) Het ervaart dat het eerst grondig moet nadenken over de inhoud en de overdrachtswijze van zijn boodschap: wat wil en kan ik zeggen tegen wie en wanneer, welke woorden zal ik gebruiken, hoe zal ik mijn zinnen bouwen, hoe kan ik met de andere rekening houden? d) Het ervaart dat, naast het spreken, het luisteren een essentieel onderdeel van de communicatie uitmaakt. Luistert het niet of onvoldoende,dan mist het informatie, reageert het verkeerd, wat uiteindelijk tot communicatiestoornis kan leiden.

1.3.2.

De leerkracht: Dat bewustwordingsproces kan het kind uiteraard niet alleen aan. Daarom zal de leerkracht een stimulerende invloed moeten uitoefenen en het kind heel wat stimuli moeten geven. Bovenal echter moet hij zelf het goede voorbeeld geven. a) Het kind moet zich veilig voelen op school en in de klas. Alleen dan zal het spontaan durven te praten. Jij mag daarom geen te hoge eisen stellen en de spreekdrang remmen door voortdurend een nauwkeurige taal te eisen. Jij moet die op zo’n manier verbeteren dat er geen spreekangst optreedt. De beste methodiek bestaat erin dat een foutief woord of een incorrecte zin niet afgekeurd maar correct herhaald worden, met benadrukking van het juiste woord of de juiste zinswending. Voorbeeld: Kind: “ Kijk juf, ik heb nieuwe botten! “ Juf: “ Toon me eens jouw nieuwe laarzen.” Ook dien jij belangstelling te tonen voor wat het kind vertelt. Dat is immers voor jou een rijke informatiebron en het kind wordt erdoor gestimuleerd om te praten. Jij hoeft daarom niet altijd in te gaan op wat het kind vertelt. Laat het spontaan spreken zolang het de orde


niet verstoort en het meegedeelde verband houdt met waarmee de kinderen en jijzelf op een bepaald ogenblik bezig zijn.. Naast de verbale taal grijpt het kind ook naar andere middelen om zijn innerlijke beleving te uiten: gebaren, tekeningen,… Aangezien de kleuter graag praat over wat hij tekent, schildert,…is het belangrijk dat jij hem gelegenheden biedt om over zijn werk te praten, zodat hij ervaart dat het woord een uitdrukkings- en contactmiddel is. Het verdient ook aanbeveling je eigen handelen en het spel van de kinderen te begeleiden met taal. Op die manier ontwikkel je niet alleen de passieve woordenschat van de kinderen, maar breng je terzelfdertijd ordening aan in hun wereld. Grijp daarom zoveel mogelijk interessante momenten aan om dat te doen. Terwijl je de kleuter helpt zich aan te kleden, kun je bijvoorbeeld vertellen wat je aan het doen bent, waarom je dat doet, … Voorbeeld: Kom, we zullen eerst je je jas dichtknopen…..Nu doen we de rits dicht…Zo zul je het niet koud hebben buiten…” Terwijl een groepje kinderen bijvoorbeeld in de poppenhoek aan het spelen is, kun je ook hier taal ontlokken: “Wat doen jullie? Hoe kan ik zien dat jij de mama en jij de papa bent?”... b) Bovenal dien jij de ervaringswereld van het kind uit te breiden om het in staat te stellen over heel wat situaties te praten. Alleen op die manier kan het met anderen communiceren. Die doelstelling kan gerealiseerd worden door het aanbieden van activiteiten die zijn taal ontwikkelen. Doordat een kind voor een groot deel leert door imitatie, moet jouw taalgebruik model staan, d.w.z. dat jij Standaardnederlands praat duidelijk en correct spreekt, jouw tempo aanpast aan het kleuterniveau, op jouw stemdynamiek let woorden, uitdrukkingen en zinnen gebruikt die de kinderen begrijpen. Prikkels om het communicatief vermogen te ontwikkelen, rekening houdend met de leeftijd van het kind: Heb zoveel mogelijk oogcontact met de kinderen. Laat altijd blijken dat de boodschap van het kind goed is overgekomen, d.w.z. dat je die begrepen hebt, met inbegrip van de gevoelens van het kind. Stel vragen die een concreet antwoord oproepen vanuit het standpunt van het kind: bv. liever “Bij wie heb jij al gelogeerd? Bijwie heb jij al geslapen” dan “Wat is logeren?” Maak gebruik van een tegenstelling of een foutieve weergave: bv. Wat is het heerlijk warm buiten!” (terwijl het koud is); “Nu gaan we eerst het fruit snijden en dan onze handen wassen”.


-

-

Geef de kinderen de tijd om na te denken en te reageren. Herhaal opmerkingen, antwoorden van kinderen niet steeds, en zeker niet in vraagvorm; dat kan tot verwarring leiden bij de kinderen. Stimuleer de kinderen om elkaar aan te kijken. Spreek in samenspraak met de kinderen een vast teken af wanneer zij willen reageren of een vraag willen stellen. Gebruik je kennis van de thuissituatie; op die manier voelt het kind zich meer betrokken en zal het vlugger reageren. Betrek ook minder spraakzame kinderen bij het gebeuren door bijvoorbeeld een simpele ja-/nee-vraag. Besteed aandacht aan de correcte vraagstelling

De vraagstelling: soorten vragen: de SARI - vraagstelling -

Substantie- of informatievragen: vragen naar de naam, de eigenschappen: begripsuitbreiding Wat heeft hij genomen? Welke kleur heeft de bal? Is de bal rond of hoekig?

- Actievragen: vragen naar het verwoorden van handelingen: actief gebruik werkwoorden Wat doet Mieke? Wat doet onze vis? - Relatievragen: vragen naar het verwoorden van relaties Waarvoor dient de staart? (direct waarneembaar: middel doel) Wat gebeurt er als de vis geen water heeft? (niet - direct waarneembaar: oorzaak - gevolg) - Intentievragen: vragen naar het verwoorden van eigen ervaringen en meningen Hoe heb je dat gemaakt? Wat vond je er moeilijk aan?

Kenmerken van een goede vraagstelling: -

Open vragen ( 1 ) Wat zie je? ( 2 ) Waarvoor dient de hamer?


-

Taalkundig correcte vragen Fout: Voor wat dient de hamer? Correct: Waarvoor dient de hamer?

-

Nauwkeurige , eenvoudige vragen Fout: Wat denk je dat er zou gebeuren indien…? Correct: Wat gebeurt er als…?

-

Doelgerichte vragen Fout: Hoe voelt de bal aan? Correct: Is de bal glad of ruw?

-

Vragen op het niveau van de kinderen Begin 1ste afdeling: fout: Is de bal hard of zacht? Reden: hele kleine kinderen begrijpen het voegwoordje “of ” niet als een keuzemogelijkheid maar als een opsomming (“en “) en de twee tactiele begrippen zijn nog te moeilijk. 2de afdeling: Fout: Wat is dat? Correct: Wat neemt hij? Waarmee speelt hij? Wat staat er op zijn hoofd? Reden: de eerste vraag is te eenvoudig; de tweede ontwikkelt de visuele waarneming, de derde impliceert een zinsdeel als antwoord (“Met de bal”), de vierde veronderstelt de passieve beheersing van plaatsbegrip “op”.

-

Slechts één vraag Fout: Wat zie je en welke kleur heeft de bloem? Correct: Wat zie je? Welke kleur heeft de bloem?

-

Taal stimulerende vragen Fout: Smaakt de appel zoet? Correct: Smaakt de appel zoet of zuur? In dat kader is het belangrijk te wijzen op de basisvraag voor het vergelijkend waarnemen: Zijn de ballen dezelfde of zijn ze anders? Er komen hier twee begrippen in voor die de kinderen moeten kennen voor de visuele en auditieve discriminatie met het oog op


het voorbereidend en aanvankelijk lezen: discriminatie van gelijke en ongelijke letters en klanken. De twee vragen die nu volgen zijn: Wat is er hetzelfde? Wat is er anders? Ook moet je weten dat vele begrippen een relatieve betekenis hebben. Op de vraag “ Is de stengel lang of kort? “ zijn twee goede antwoorden mogelijk, afhankelijk van kind tot kind. Gelet op die relativiteit en het doel van dergelijke vraag (ontwikkeling van het vergelijkend waarnemen en het actieve taalgebruik) toon je, nadat de eerste bloem besproken is, een tweede die in lengte duidelijk verschilt van de eerste en vraag je: Is de stengel van de roos langer of korter dan die van de tulp? c)

Ook dien jij het kind activiteiten aan te bieden die zijn denken ontwikkelen. Is dat aanvankelijk heel concreet en heeft het betrekking op een op dat moment voor dat kind heel concrete situatie, dan is het jouw taak dat te abstraheren.

d) Ten slotte is het jouw taak de luisterattitude en de luistervaardigheid van het kind te ontwikkelen. Gelet op de vaststellingen dat een kind thans in een visuele en akoestische wereld leeft, en dat er een causaal verband bestaat tussen luisteren, spreken, lezen en schrijven, verdient het aanbeveling dat er aandacht wordt besteed aan luisteren in het onderwijs. en onderwijs in het luisteren. Met het eerste bedoelt men de ontwikkeling van een luisterhouding, d.w.z.actief, gericht luisteren. En dat is een heel complexe activiteit! Goed luisteren impliceert immers een betrokkenheid op de andere een actieve instelling concentratie analyse van de inhoud van de boodschap selectie van de kernthema’s van de inhoud combinatie: inzicht in de relatie tussen de thema’s concluderen Met het tweede bedoelt men specifieke activiteiten die de luistervaardigheid van kinderen ontwikkelen. waarnemend en herkennend luisteren: vb. het tikken van een klok kunnen herkennen en benoemen, verschillen in geluidssterkte kunnen verwoorden begrijpend en interpreterend luisteren: vb. opdrachten kunnen uitvoeren, de verhaallijn in de juiste chronologische volgorde kunnen verwoorden kritisch luisteren: vb. kunnen verwoorden welk woordje niet in het rijtje thuishoort, kunnen verwoorden welke zinnen uit een kort verhaal niet op hun plaats staan,


-

fouten in een opnieuw verteld verhaal kunnen ontdekken en verbeteren waarderend en creatief luisteren: vb. kunnen verwoorden of een geluid prettig of onaangenaam is, een poppenspel kunnen naspelen.


Taalninitatie