Issuu on Google+

Liliana Bodoc

De dagen van het Hert

De sage van het Grensland boek  i

WB

*Fantasy

© 2000 Liliana Bodoc en Editorial Norma © 2009 Nederlandse vertaling Bob de Nijs en Uitgeverij Wereldbibliotheek bv Spuistraat 283 ∙ 1012 vr Amsterdam Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt op welke wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.


E

n het gebeurde in onheuglijke Tijden waarvan zelfs geen echo van de herinnering van de echo van enige herinnering is overgebleven. Geen spoor van die gebeurtenissen is er in geslaagd te overleven. En niemand zou er ook maar iets van terugvinden, zelfs al zou men erin slagen door te dringen tot grotten die onder later ontstane beschavingen werden bedolven. Wat ik ga vertellen, speelde zich af in een ver verleden, toen de continenten een andere vorm hadden en de rivieren een andere loop. De tijd van de Levende Wezens verliep toen uiterst langzaam, de AardmagiĂŤrs doorkruisten het MaduĂŻnagebergte op zoek naar geneeskrachtige kruiden, en het was nog altijd makkelijk om tijdens de lange nachten van de zuidelijke eilanden de loeloes tegen te komen die rond hun staarten dansten. Ik ben gekomen om de herinnering aan een grote en verschrikkelijke strijd aan de vergetelheid te ontrukken. Het was misschien wel een van de grootste en zwaarste die tegen de krachten van de Eeuwige Haat werden geleverd. En het was toen dat een Tijdperk een einde nam en een andere, rampzalige tijd zich verbreidde tot in de verste toevluchtsoorden. De Eeuwige Haat waarde rond buiten de grenzen van de Werkelijkheid, op zoek naar een gestalte, een tastbare materie die hem zou toestaan te leven in de wereld van de Levende Wezens. Hij keek voortdurend uit naar een of andere wond waardoor hij kon binnendringen, maar geen enkele onvolkomenheid bij de Levende Wezens bood hem een spleet die groot genoeg was om hem door te laten. Zoals echter alles in een eeuwigheid kan voorvallen, was er een daad van ongehoorzaamheid die een wond, een onvolkomenheid en een spleet tot stand bracht die groot genoeg was. Het begon ermee dat de Dood, in weerwil van het gebod om nooit andere wezens te verwekken, toch een schepsel van eigen natuur voort7


bracht. En dat was haar zoon, en zij hield van hem. Het is in deze barbaarse telg, geboren tegen alle Grote Wetten in, dat de Eeuwige Haat zijn stem en schaduw vond in deze wereld. Op de top van een vergeten berg in de Oude Wereld maakte de Dood omzichtig een kind dat zij de naam Misรกianes gaf. Eerst was het nog een uitvloeisel dat zijn moeder uitbroedde tussen haar tanden, daarna werd het een slijmerig pulseren. Later kraste en jankte het. En weer later lachte het zo dat zelfs de dood er bang van werd. Ten slotte kreeg het veren om tegen het licht in te vliegen. Ontelbaar waren de onderdanen van Misรกianes. Wezens van alle soorten bogen voor hem enkel bij het voelen van zijn adem en zij luisterden naar zijn woord. Maar er waren ook wezens van alle soorten die tegen hem vochten. Zo sleepte de oorlog zich voort tot in ieder woud, iedere rivier en ieder oord. Toen de strijdkrachten van Misรกianes de zee overstaken die hen scheidde van het Vruchtbare Land, bundelden de Magie en de Levende Wezens hun krachten om hun het hoofd te bieden. Dit zijn de gebeurtenissen waarover ik nu uitvoerig zal vertellen in mensentaal.

8


deel 1


De regentijd is terug

‘D

at is voor morgen,’ neuriede Ouwe Kush toen zij het geluid hoorde van de eerste donderslagen. Zij legde het spingerei waarmee ze bezig was naast zich neer en liep naar het raam om naar het woud te kijken. Ze maakte zich helemaal geen zorgen, want in haar huis waren alle voorzieningen naar behoren getroffen. Enkele dagen daarvoor hadden haar zoon en kleinzoon het dak nog met pijnhars vernieuwd. In het huis was een voorraad zoet en bitter meel en er lag een berg pompoenen. De manden waren tot de rand toe gevuld met droge vruchten en zaden. In de houtopslagplaats lagen genoeg boomstammen om de hele winter door te kunnen stoken. Bovendien hadden zij en de meisjes dikke wollen dekens geweven die in de hoek opgestapeld lagen en die nu een kleurenspel van noeste arbeid boden. Zoals in alle winters die ze zich konden herinneren, keerde een lange regentijd weer terug naar het land van de Husihuïlken. Hij kwam aanrukken vanuit het zuiden en van de zeekant, voortgestuwd door een wind die over het Grensland een dikke wolkenvracht uitspreidde, die hij daar achterliet zodat ze volop kon uitregenen. Het jaargetijde begon met gespreide motregenvlagen die de vogels vanuit hun nestopening zagen vallen, de hazen vanuit de pijp van hun leger, en de mensen van het Grensland vanuit hun huizen met laaghangend dak. Sinds het water was begonnen neer te plenzen, was geen levend wezen nog buiten zijn schuilplaats te bespeuren. Het onderkomen van de poema, de vossenholen, de nesten in de bomen en op de toppen van de bergen, de ondergrondse krochten, de spleten van het leger, het wormennest, de woningen van de Husihuïlken: alles was zorgzaam beschut volgens de regels van een overgeleverde kennis die leerde hoe men het beste gebruik kon maken van wat woud en zee boden. In het Grensland boden de Levende Wezens het hoofd aan regen en wind met een vaardigheid die haast zo oud was als regen en wind zelf. 11


‘Morgen zal het met regenen beginnen,’ herhaalde Kush. En meteen begon ze een afscheidslied te neuriën. Kuy-Kuyen en Wilkilén zochten de lichaamswarmte van de stokoude vrouw op. ‘Zing het nog eens, zing het nog eens, maar dan met ons,’ vroeg de oudste van haar kleindochters. Kush omhelsde de meisjes, trok hen naar zich toe, en samen begonnen ze het lied te zingen dat de Husihuïlken aanhieven net voor een regentijd aanbrak. Het was de warme en schorre stem van het ras uit het zuiden waarmee ze zong; ze zong zonder zich te kunnen voorstellen dat degenen die een einde zouden maken aan deze gelukkige tijden, weldra het ruime sop zouden kiezen. Ze zongen terwijl ze wachtten op de mannen die elk moment langs het pad uit het woud konden opdagen met de laatste voorraden. Ouwe Kush en Kuy-Kuyen deden het eenstemmig zonder zich ooit te vergissen. Wilkilén, die nog maar vijf regentijden had meegemaakt, raakte een beetje achterop met haar woorden. Hierna sloeg zij ernstig haar ogen op naar haar oma alsof zij wilde beloven het de volgende keer beter te doen. De Husihuïlken zongen het Tot gauw… Tot gauw, mijn hert. Haast je, verstop je maar gauw! Ginds vliegt de blauwe vlieg want de regen is op komst. Vader Valk, bescherm nu je jongen maar. Beste vrienden, geliefd woud, wij zien elkaar weer als de zon terugkeert naar ons huis. De drie gezichten die vanuit het huis naar buiten staarden waren donker van haar, huid en ogen. Het Husihuïlkenras was gestaald in de strijd. Vandaar de stugheid van zijn mannen en de nauwgezetheid van zijn vrouwen door het lange wachten. De zeekoralen die in hun vlechten waren verwerkt, die tot armbanden en halssnoeren waren geregen en hun voorhoofd omsloten, vormden de enige tooi die de kledij van de Husihuïlkenvrouwen versierde: tunieken die tot de knieën reikten, sandalen en, naargelang 12


het jaargetij, warme linnen of wollen mantels. Zo pronkten nu de oma en haar beide kleindochters, edel in de schoonheid van hun ras. ‘De loeloes, daar zijn de loeloes!’ schreeuwde Wilkilén. ‘Ouwe Kush, kijk, de loeloes!’ ‘Waar zie je ze dan wel, Wilkilén?’ vroeg haar oma. ‘Daar, dáár!’ Ze wees duidelijk naar een grote notenboom die halverwege tussen het huis en het woud stond. Kush keek ernaar. Twee lichtgevende staarten rolden inderdaad om de stam en ontrolden zich weer, alsof ze de aandacht wilden trekken. Een had een rode kleur, de ander was enigszins geel. De kleur was een aanwijzing voor de leeftijd van de loeloes: hoe witter het licht van hun staart, hoe ouder ze waren. De oude Husihuïlke verbaasde zich daar helemaal niet over. De loeloes kwamen voor honingkoeken en kalebassen, zoals elke avond van het goede jaargetijde sinds de dood van Shampalwe. Kush legde twee verse koeken in de mand, liep alleen naar buiten en sloeg de weg in naar de notenboom om ze daar achter te laten en weer terug te keren. Zij spraken haar nooit aan, dat hadden ze nooit gedaan in de vijf jaar dat ze op bezoek kwamen. De loeloes sloten nooit vriendschap met de mensen; als het maar enigszins kon, ontweken ze hun aanwezigheid. Op zulke momenten bleven ze niet langer rechtop staan, maar holden ze snel op vier poten weg. Als ze echter in het midden van het woud werden verrast, bleven de loeloes roerloos staan, met gebogen kop en hun poten op de grond geplant, tot de mens wegging. Ondanks deze slechte verstandhouding waren het toch maar de loeloes die Shampalwe, door een slangenbeet de dood nabij, tot bij het huis hadden gebracht en haar omzichtig bij de notenboom hadden neergelegd. Dat was de eerste keer dat Kush de ogen van een loeloe van dichtbij had gezien. ‘Meer konden we niet voor haar doen’, hadden die ogen haar gezegd. Nu ging Ouwe Kush naar buiten om het hoofd te bieden aan een soortgelijke blik. De stokoude vrouw had de mand op de grond neergezet en maakte aanstalten naar de meisjes terug te keren, toen het gesnuif van een van de loeloes haar tegenhield. Ze herstelde zich van de schrik en draaide zich snel om, bang voor een aanval. Maar ze ontmoette slechts de ogen van de loeloe met de gele staart. Eenzelfde blik als die van de loeloe die haar had aangekeken op de dag dat Shampalwe was gestorven. Kush 13


wist dat een ander verdriet ophanden was, maar ze maakte zich sterk met de gebruikelijke onverstoorbaarheid van haar volk. ‘En? Wat is er aan de hand?’ vroeg ze. De loeloe bewaarde de stilte, zijn grote ogen vol voorspellingen. ‘Zeg het maar, broeder loeloe,’ drong Kush aan. ‘Zeg me wat je erover weet. Misschien kunnen we er nog iets aan doen.’ Maar de loeloe maakte rechtsomkeert en liep op vier poten weg, naar het woud. De jongste, vrij van zulke zorgen, nam er echter geen genoegen mee dat het festijn ging mislukken. Hij haalde de koeken uit de mand en liep toen pas zijn maat achterna. Kush aanvaardde langzaam de terugtocht over de weg die haar scheidde van het huis. Terwijl zij zo terugliep, werd haar terneergedrukte geest geheel vervuld van de herinnering aan die lang vervlogen dag, toen Shampalwe stierf en Wilkilén geboren werd. Shampalwe was met Dulkancellin getrouwd niet lang na het zonnefeest. Zij was afkomstig uit Wilú-Wilú, een dorp uit de omgeving van het Maduïnagebergte. Zij had het zachtaardigste hart van alle harten die in het Grensland klopten. ‘Als Shampalwe zingt, zie je de kalebassen groeien,’ vertelde Kush alle mensen die het maar wilden horen. Daarna brak er een heerlijke tijd aan. Dulkancellin ging op jacht met de andere mannen van het dorp, nam deel aan alle terreinverkenningen en keerde gezond en wel terug van twee gevechten tussen stammen. Kush en Shampalwe verdeelden onder elkaar het huishouden, en de kinderen werden geboren. Vijf kinderen kregen Shampalwe en Dulkancellin en die betekenden voor Kush vijf zonnetjes. Eerst kwamen twee jongens, Thungür en Kume. Algauw volgde Kuy-Kuyen. Daarna Piukemán, de derde jongen. En in het midden van een zomer werd Wilkilén geboren. Nu hield Kush ervan hen een voor een op haar gemak te bekijken, want op een of andere manier brachten alle vijf haar de schoonheid en de gratie van Shampalwe voor de geest. De dag dat Wilkilén werd geboren vertrouwde Shampalwe de kinderen toe aan de oma en vertrok naar het Vlindermeer. De jonge vrouw wilde zich hier onderdompelen in het water dat jonge moeders de kracht van het lichaam en de rust van het gemoed terugbezorgt. Daarvandaan brachten de loeloes haar terug met haar laatste levensadem, die net lang genoeg aanhield om haar kinderen te omhelzen en Kush te vragen zich 14


over hen te ontfermen. En nog iets langer om te wachten op de terugkeer van Dulkancellin, die op jacht was gegaan naar lekker vlees om de nieuwe geboorte te vieren. In de grotopening op de oever van het meer had een grijze slang, van een soort die daar al in geen jaren was gezien, Shampalwe in de enkel gebeten. De moeder was bezig geweest bloemen te plukken die zij nog in haar hand hield toen de loeloes haar vonden. ‘Bloemen die niet aan zaad ontsprongen… Een valstrik van de slang,’ mompelde Kupuka. De Aardmagiër probeerde haar nog tot leven te brengen met de medicijnen van woud en gebergte. Maar de geneesmiddelen van Kupuka, noch de jeugd van Shampalwe, noch het gebed van een man die voordien nooit had gebeden: niets slaagde erin haar te redden. Zij stierf nog diezelfde dag terwijl de avond viel over het Grensland. Het was daarom dat Kush de loeloes had gevraagd elke avond langs te komen voor een geschenk, als het weer in deze contreien het toeliet. ‘Zo zullen wij jullie onze dankbaarheid tonen, en jullie zullen aan haar blijven denken,’ zei de oude vrouw. De loeloes vertrokken weer. Kupuka stapte op. Dulkancellin schoot zijn pijlen af tegen de sterren. En onder de hoede van Kush groeiden de kinderen verder op. De oude vrouw hoorde gelach in de verte. Kuy-Kuyen en Wilkilén lachten om haar omdat zij bij al die herinneringen zo vreemd met uitgestoken arm was blijven stilstaan op een stap van de deur vandaan. ‘Zo is het welletjes… Ik moet opschieten.’ Kush ging naar binnen terwijl zij voorwendde kwaad te zijn, wat niemand van haar geloofde. ‘Ouwe Kush, wat was er aan de hand met de loeloes?’ vroeg KuyKuyen. Gave van doorzicht, afkomstig van haar moeder. ‘Wat zou er aan de hand kunnen zijn?’ gaf Kush ten antwoord, ook als geruststelling voor zichzelf. ‘Niets… Niets.’ Wilkilén zei het op haar manier: ‘Waarover ging het mooie liedje dat ze voor je zongen, oma Kush? Over de loeloes… dat ik ook kan zingen.’ Ze probeerde net zo te blazen als zij en maakte korte sprongetjes van het ene been op het andere. De kleine Wilkilén had van haar moeder de gave van opgewektheid geërfd. Nog voor de oma opdracht kon geven om zich met haar weefsel bezig te houden, drongen vertrouwde stemmen door tot het huis. Dulkancellin en zijn zonen keerden terug uit het woud. Ze brachten brandhout en 15


geurige kruiden mee om gedurende de lange avonden bij de verhalen te verbranden, en ook een haas, de laatste van het seizoen, die ze op zouden eten zodra Kush hem had bereid. De mannen gingen niet meteen het huis in. Ze borgen eerst het jonge brandhout op bij de rest, terwijl ze ervoor zorgden het naar maat te sorteren. Meteen daarna gingen ze naar een lage en in het rond gebouwde muur, die opgetrokken was met stenen uit het Maduïnagebergte. Dit was de plaats om het lichaam te schrobben en een luchtige olie over de schrammen te wrijven die ze in het woud hadden opgelopen. De eerste die binnenkwam, was Dulkancellin. Na hem volgden zijn drie zonen. Buiten werd het nu helemaal donker. De grote bomen zetten hun wortels stevig in de grond. De wind stak op en sleepte een zwerm raven mee in de duisternis. Op een uitgespannen vel dampte de in gekruid water gaar gestoofde haas. Haas met smakelijke kruiden, maïsbrood en koolbladeren was de maaltijd voor die dag van het gezin van de krijger. In het licht van het vuur leken de zeven gezichten onwezenlijk. De Husihuïlken aten in stilte, en pas nadat ze allemaal klaar waren, sprak Dulkancellin: ‘Vandaag hoorden we in het woud de trom van Kupuka die een van zijn broeders opriep. En we hoorden ook het antwoord dat ze hem gaven. Ik kon niet begrijpen wat ze vertelden, maar de trommen van de Magiërs klonken erg vreemd.’ De naam Kupuka wekte altijd de belangstelling van de volwassenen en deed de jongsten verstommen. ‘Waar kwam het geluid vandaan?’ vroeg Kush aan haar zoon. ‘De trom van Kupuka klonk van de kant van de Vulkaan. De ander was minder goed te horen. Misschien kwam het van…’ ‘Van het eiland van de loeloes,’ maakte Kush de zin af. ‘Hoorden jullie het soms ook?’ De vraag van Dulkancellin bleef zonder antwoord omdat Ouwe Kush in gedachten weer afgedwaald was naar de blik van de loeloe met de gele staart. ‘Kush!’ riep haar zoon. ‘Ik vroeg je of jullie het hier ook hebben gehoord.’ De oude vrouw ontwaakte uit haar dromen en verontschuldigde zich. Ze wilde Dulkancellin echter niets vertellen over het gebeurde van die middag. 16


���Wij hebben niets gehoord,’ zei zij. En meteen voegde ze eraan toe: ‘Ik hou ervan naar dingen te raden.’ ‘Morgen gaan we Kupuka opzoeken in de Vallei der Voorvaderen. Ik zal er eens met hem over praten.’ Met deze woorden beschouwde Dulkancellin het gesprek als beëindigd. Elk jaar, net voor de regentijd begon, kwamen de Husihuïlken bijeen in de Vallei der Voorvaderen om afscheid te nemen van levenden en doden. Het was een feest waarop werd gegeten, gedanst en gezongen. Maar vooral een feest waarop hetgeen ze te veel hadden, werd geruild voor wat ze tekort kwamen om het moeilijke seizoen te overleven. Een dag om overvloed met schaarste te compenseren zodat iedereen beschikte over het onontbeerlijke. Binnenkort zouden de doorweekte grond, de winden en de kou hen van elkaar verwijderd houden. Het werd geen jachtseizoen, geen zaaitijd of oorlogstijd. En het contact tussen hen zou beperkt blijven tot het hoogstnoodzakelijke.

17


De nacht van de krijger

D

ulkancellin kon de slaap maar niet vatten, hoewel er een diepe rust van de nacht uitging en enkele sterren nog standhielden in de laatste flarden van de hemel. Het leven in het Grensland was ineengeschrompeld en zelfs het verre gedonder van het noodweer was een andere vorm van stilte. De krijger sloot zijn ogen en wachtte op de slaap. Hij draaide zich naar de muur die op het woud uitkeek, hij draaide zich naar de muur waartegen de bijl rustte. Hij wilde niet meer denken aan de gebeurtenissen van de voorbije dag, maar een hele poos later probeerde hij nog steeds de betekenis van de trommen te ontcijferen. Dulkancellin herinnerde zich wat Ouwe Kush had gezegd: dat de slaap nooit gaat naar de plaats waar hij wordt geroepen, maar altijd waar hij wordt geweigerd. Opdat de slaap die weigering zou merken, richtte hij zijn aandacht op de ademhaling van elk van de zes anderen die in het huis sliepen en probeerde hij ze te herkennen en van elkaar te onderscheiden. Maar nog voor hij kon nagaan of Ouwe Kush gelijk had, hoorde hij geluiden die van de kant van de notenboom leken te komen. Hij veerde overeind in één enkele geluidloze beweging en gelijk daarna was hij buiten met de stenen bijl in de ene hand en het schild in de andere. Hier bleef hij roerloos stilstaan, vlak bij de deur, tot hij zich ervan vergewist had dat niemand zo dicht in de buurt was dat hij binnen kon dringen terwijl Dulkancellin zich verwijderde om na te gaan wat er aan de hand was. Daarna liep hij geruisloos naar een van de uithoeken van het huis en toen hij er bijna was, veranderde hij abrupt zijn tempo en kwam met een sprong bij de hoek. Maar voor één keer werd de Husihuïlkenkrijger verrast. Tussen het huis en het woud draaiden tientallen loeloes zonder duidelijke reden in het rond en zwaaiden met hun lichtende staarten. Bij allen was de bek vertrokken in snuifhouding. Het gesnuif zelf was echter niet te horen. Dulkancellin liep verder tot hij in hun zicht kwam. Zodra de loeloes zijn aanwezigheid gewaarwerden, holden ze weg tot 18


aan de voet van de eerste bomen, waar ze veranderden in een massa gele ogen die hem zonder knipperen aanstaarden. Een heel oude loeloe kwam naderbij. De krijger zag hem maar al te scherp, ondanks de afstand en de duisternis die tussen hen in lagen. Het eilandschepsel wees naar het westen met zijn schriele arm en Dulkancellin volgde de beweging met zijn blik. Vanaf het huis was de Lalafkezee alleen op heldere zomerdagen te zien, en zelfs dan was het niet meer dan een omlijning die zich even boven de horizon verhief en onmiddellijk weer neerzeeg. Zodra de HusihuĂŻlke zijn hoofd draaide, zag hij dat de zee de hele hemel had bedekt, en zich neerstortte op zijn huis, zijn woud en zijn leven. Dulkancellin uitte een ijselijke kreet en hield instinctief zijn schild omhoog. Maar de zee onderbrak haar val en spleet open als een vore op de akker van Kush. Door die vore rukten kleurloze mannen op die op de rug van grote dieren met manen de groenten vertrappelden. Zij waren tegelijkertijd veraf en nabij, en hun kleding wapperde niet in de luchtstroom van hun vaart. Voor het eerst en het laatst in zijn leven deinsde de krijger terug. Op dat ogenblik was het gesnuif van de loeloes veranderd in een ondraaglijk snerpend geluid. Dwars door de drom kleurloze mannen ontwaarde Dulkancellin een land van dood: herten met afgestroopte huid sleepten zich voort over as. Sinaasappelbomen lieten hun vergiftigde vruchten vallen. Kupuka liep achteruit en zijn handen waren afgehakt. Ergens was WilkilĂŠn aan het huilen samen met het gehuil van de vogels. En Kuy-Kuyen zat vol rode vlekken en keek van achter een stofwolk toe. Met een schok werd de krijger wakker. Eens te meer bleken de uitspraken van Kush bewaarheid. De bijl rustte nog altijd tegen de muur. En het bleef stil. Dulkancellin herinnerde zich dat het een feestdag was. Het zou niet lang meer duren voor het licht werd; zijn moeder zou nog eerder opstaan om het vuur aan te steken en de dagelijkse bezigheden aan te beginnen. Gehuld in een pelsmantel verliet Dulkancellin het huis met het gevoel dat het de tweede keer was dat hij dit in de loop van die nacht deed. Buiten was de vertrouwde wereld en hij ademde haar diep in. Achter de nacht dook een sombere grijsheid op. Vanuit het zuiden, compact als het gebergte, kwam een andere grijsheid opzetten die haar overwoekerde. 19


Het haar van Dulkancellin was met een strik boven op zijn hoofd opgebonden, zoals gebruikelijk was bij de Husihuïlken als ze ten strijde trokken of als ze hun lichaam hardden. De afstand die hem van het woud scheidde, was voldoende voor het lied dat alleen de krijgers mochten zingen. Onder het zingen beloofden ze elke ochtend het bloed te eren dat zich ’s nachts te ruste had gelegd, in ruil waarvoor zij smeekten in het gevecht te mogen sterven. Toen Dulkancellin bij de enorme bomen kwam, legde hij zijn mantel af en liet hem achter op enkele wortels. Hij begon buigingen te maken als een prille rietstengel, rende dwars door het struikgewas, maakte een sprong waarmee hij die van een jaguar evenaarde, klauterde tot waar het onmogelijk leek en liet zich ten slotte hangen aan een tak tot de pijn hem overwon. Op de terugweg naar huis raapte hij zijn mantel op en enkele zaden om op te kauwen. Sinds de dood van Shampalwe was hij nors en zwijgzaam geworden. Vroeger werd van hem gezegd dat hij vocht zonder angst voor de dood. Nu vond men het jammer dat hij vocht zonder liefde voor het leven.

20


De dagen van het Hert