Issuu on Google+

1


De wegen zitten overvol. Dagelijks zijn er meer dan 100 km files op onze wegen. De treinen zitten overvol. Er rijden bussen van de lijn door onze gemeente. Om de paar minuten stijgt of landt een vliegtuig in Zaventem. Waar reizen al die mensen naartoe? Waarom zijn ze onderweg? Foto 1: Duizenden mensen zijn in Rwanda op de vlucht voor oorlogsgeweld. Foto 2: Een bus vol toeristen Foto 3: Een oceaanreus onderweg naar de haven van Antwerpen Foto 4: De Europese verkeerswegen zitten vol vrachtwagens Foto 5: Een woonwagenbewoner voor zijn woning.

Mensen zijn onderweg Voor hun veiligheid vluchtelingen

Voor hun vrije tijd toeristen

Voor hun werk pendelaars truckers schippers Omdat ze zo leven nomaden circusartiesten

Waarom ben jij onderweg? Welk voertuig gebruik je dan? Waarom?

Waarheen?

Hoe?

2


1. ______________________________________________________________ 2. ______________________________________________________________ 3. ______________________________________________________________ 4. ______________________________________________________________ 5. ______________________________________________________________ 6. ______________________________________________________________ 7. ______________________________________________________________ 8. ______________________________________________________________ 9. ______________________________________________________________ 10. ______________________________________________________________

3


naam

aandrijving

brandstof

voor- en nadelen

4


Dode zeediertjes zakten naar de bodem. Van die diertjes bleven alleen de harde schalen over. Daarbovenop zakten zand en klei naar de bodem. Doordat het water heel hard drukt, werd de klei zo vast dat er niets doorheen kan. We noemen dit een ondoorlatende laag. Daaronder veranderden de overblijfselen van de dode diertjes in olie en gas. Dat duurde miljoenen jaren. Omdat dat diep in de aarde gebeurt, noemen we dat aardolie en aardgas. Mensen boren een gat door de ondoorlatende laag. Via buizen pompen ze water in die ondoorlatende laag. 5


De aardolie en het aardgas pompen ze naar boven. Dat oppompen gebeurt in zee of op het land. In zee gebeurt dat via een boorplatform. Op het land pomp men met reusachtige pompen.

Met olietankers, echte oceaanreuzen, wordt de aardolie en het aardgas naar de havens over de hele wereld gebracht.

In een raffinaderij worden uit de aardolie allerlei brandstoffen gehaald: stookolie, diesel, benzine, kerosine.

Met een tankwagen worden de brandstoffen naar de tankstations gebracht. Daar kan papa of mama de wagen voltanken. En dan‌ rijden maar!

6


Maar‌. Hoelang kunnen we nog rijden? Het duurt miljoenen jaren om aardolie te laten ontstaan. Toch hebben we bijna alle aardolie opgebruikt. Men voorspelt dat omstreeks 2040 alle aardolie op zal zijn. En hoe gaan we dan rijden?

Bovendien zijn onze brandstoffen heel slecht voor het milieu! We kijken eerst naar een filmpje op de klaswebsite.

Als je benzine of diesel of een andere brandstof verbrandt, dan wordt zuurstof opgebruikt en worden uitlaatgassen in de lucht gejaagd. Die uitlaatgassen worden broeikasgassen genoemd, omdat ze in de lucht blijven hangen als een deken. Onder die laag broeikasgassen blijft de warmte van de zon hangen. Daardoor wordt de aarde steeds warmer. Daardoor gaat het klimaat veranderen: Het ijs op de polen gaat smelten, daardoor loopt een deel van de aarde verder onder water. Dat noemen we de stijging van het zeeniveau. De zee zou minstens 7 meter stijgen. Zou Laakdal ook in zee terechtkomen?

Door de verbranding van diesel en benzine komt er ook fijnstof vrij in de lucht. Dit stof is zo klein, dat we het gemakkelijk inademen. Daardoor is het gevaarlijk voor onze gezondheid. In grootsteden zorgt dit fijnstof vaak voor smog. Dit is een dichte mist.

7


Elk voertuig heeft twee elementen nodig om te kunnen bewegen: een kracht (bijvoorbeeld je spieren of een motor) en iets wat die kracht overbrengt naar de wielen (bijvoorbeeld tandwielen). We bekijken dit even van dichterbij.

De motor van een auto noemen we ook wel ‘ontploffingsmotor’. We bekijken een filmpje op de website van onze klas om te weten hoe die werkt.

1. _________________________________________________________ 2. _________________________________________________________ 3. _________________________________________________________ 4. _________________________________________________________

Als de motor draait, dan hebben we kracht waarmee we de auto kunnen doen bewegen. Maar daardoor draaien de wielen nog niet. De draaiing van de motor moet nog overgebracht worden naar de wielen.

Als we fietsen gebruiken we onze spieren als motor. We duwen hard op de pedalen. Maar hoe komt het dat de wielen dan gaan meedraaien? Het heeft allemaal met tandwielen te maken. We gaan opnieuw even naar de website van onze klas en bekijken twee filmpjes om te weten hoe die werken: 1. Tandwielen op je fiets 2. Tandwielen (beeldbank) Ziezo! Dat weten we nu alweer. Nu gaan we experimenteren en daarna vullen we alles netjes in.

8


Experimenten: Hoe werken tandwielen Deel 1: Neem uit de doos de (LEGO) tandwielen en leg ze zoals hieronder staat afgebeeld. Met behulp van de hamer en spijker kun je de tandwielen bevestigen op het plankje. 1)

2)

3)

4)

Foto 1: Welke kant draaien de tandwielen op? Teken het maar! .......................................................... .......................................................... Welke bewering is waar (omcirkel de juiste). (a) beide tandwielen draaien even snel rond. (b) het linker tandwiel draait sneller rond. (c) het rechter tandwiel draait sneller rond.

Foto 2: Welke kant draaien de tandwielen op? Teken het maar! ................................................. ................................................. Welke bewering is waar (omcirkel de juiste). (a) beide tandwielen draaien even snel rond. (b) het linker tandwiel draait sneller rond. (c) het rechter tandwiel draait sneller rond.

9


Foto 3: Welke kant draaien de tandwielen op? Teken het maar! ................................................. ................................................. Welke bewering is waar (omcirkel de juiste). (a) alle tandwielen draaien even snel rond. (b) het grote tandwiel draait sneller rond. (c) de kleine tandwielen draaien sneller rond.

Foto 4: Welke kant draaien de tandwielen op? Teken het maar! ................................................. ................................................. Welke bewering is waar (omcirkel de juiste). (a) alle tandwielen draaien even snel rond. (b) het grote tandwiel draait sneller rond. (c) de kleine tandwielen draaien sneller rond.

Deel 2: • • • • •

Schroef de fietsbel open. Leg alle onderdelen op je tafel. Bekijk ze goed. Hoe draaien de tandwielen? Kun jij uitleggen hoe de fietsbel werkt?

.......................................................... .......................................................... .......................................................... .......................................................... ..........................................................

10


Je kan eindeloos zoeken. Je kan de weg aan iemand vragen. Je kan een GPS gebruiken, of je kan een kaart lezen. Dat laatste en nog veel meer gaan we in dit deel leren. Laten we eerst even naar de website van onze klas gaan, om door de lens van een satelliet te kijken naar onze school, ons dorp, onze gemeente, onze provincie, ons land, ons werelddeel en de aarde‌ Onze school

Meteen bekijken we ook de kaarten die daarvan gemaakt zijn.

Eindhout

Thuis kan je ook op zoek gaan naar je eigen huis.

Kleur op deze kaart van Vlaanderen Laakdal rood en de rest van onze provincie oranje.

Zorg dat je de vorm van onze provincie en de vorm van Laakdal goed kunt herkennen. Je moet ze ook zelf kunnen schetsen.

11


Schrijf de naam van elke provincie.

Zet er ook de hoofdstad bij. Vlaams gewest

Brussels Hoofdstedelijk gewest

Zorg ervoor dat je de vorm Van BelgiĂŤ altijd goed herkent.

Waalse gewest

Kleur op deze kaart van ons werelddeel (Europa) ons landje rood. Zorg dat je de vorm van Europa altijd goed herkent. Land hoofdstad ____________________________ ____________________________ ____________________________ ____________________________ ________________________

____________________________

12


DE WERELDDELEN Noord-Amerika

Azië

Afrika Zuid-Amerika

Oceanië

Antarctica (Zuidpoolgebied)

De Zuidpool is een werelddeel, omdat er onder de ijskap land aanwezig is. Onder de ijskap aan de Noordpool bevindt zich geen land, maar alleen water. De landen van ons werelddeel, Europa, kan je leren kennen via de mediapagina van de website van onze klas! Zorg ervoor dat je zeker de landen dichtbij België goed kent: Ierland, Verenigd Koninkrijk, Nederland, Duitsland, Denemarken, Noorwegen, Zweden, Finland, België, Groot Hertogdom Luxemburg, Frankrijk, Portugal, Spanje, Italië, Griekenland. Herken je de werelddelen op deze foto van de aarde? ______________ ______________

_____________

______________

13


Veel informatie over onze wereld, Europa, België en Laakdal, vinden we terug in een boek vol kaarten. We noemen dat boek atlas. In dit deel leren we met de atlas te werken. 1. Een plaats vlug terugvinden op een kaart. Opdracht 1 Neem de kaart ‘België: administratieve indeling’ op blz. 4 van je atlas. Zoek nu zo snel mogelijk de gemeente Colfontaine. Ging het snel? Waarschijnlijk niet. Het lokalisatierooster In de atlas vinden we op bijna elke bladzijde kaarten. Als je een plaats vlug wil terugvinden op een kaart, dan heb je hulpmiddelen nodig. Anders kan je uren blijven turen. Een eerste hulpmiddel is een rooster van vierkanten: Het lokalisatierooster. Dat rooster is op veel kaarten getekend. Bovenaan vind je letters, aan de zijkanten vind je cijfers. Colfontaine ligt in het vak B3. Vind je het nu vlugger? Opdracht 2 Zoek zo snel mogelijk volgende plaatsen op dezelfde kaart. Je leerkracht zegt de code van het vak waarin je moet zoeken. Schrijf die code op. Diekirch Venlo Diksmuide Virton

______ ______ ______ ______

De registers Nu heeft je leerkracht verraden op welke kaart je moet zoeken. Dat moet je natuurlijk zelf kunnen! Daarom leren we met de registers opzoeken op welke kaart je moet kijken. Er zijn drie registers in je atlas: Het kaartenregister geeft de titel van de kaart en de bladzijde van je atlas. Het onderwerpenregister geeft bij elk woord de nummers van de passende kaart. Het namenregister geeft bij elke naam de volledige code van de kaart. Kaartenregister 14


Op welke bladzijde vind je volgende kaarten? Europa: spoorwegen _______ BelgiĂŤ: klimaat _______ De polen: De Noordpool _______ De wereld: energie: aardolie, aardgas en uranium

______

Onderwerpenregister Op welke kaarten vind je informatie over volgende onderwerpen? Belgische spoorwegen waterwegen E-wegen Zeehavens

______ ______ ______ ______

Namenregister Zoek zo snel mogelijk volgende plaatsnamen op de passende kaarten. Schrijf eerst de code over. Vb. Laakdal 4A,C2 C2 is de code van het lokalisatierooster 4A is het nummer Van de kaart (blz.4 kaart A)

Peking Namen Aalst Seoul Myanmar

________ ________ ________ ________ ________

Opdracht 3 Zoek in de registers van je atlas volgende zaken op. Welk register gebruik Waar vind je info over‌ je? Benidorm pendelaars naar Brussel Mol E-wegen luchtvaart in Europa vakantiegebieden in Europa Bobbejaanland luchthavens in ons land de Noordzee Vormherkenning

Schrijf in deze kolom de code van de kaart

15


In vorig stukje leerden we de vorm van Laakdal, de provincie Antwerpen, België en Europa kennen. Ook dit kan je helpen om snel iets terug te vinden. We houden een wedstrijdje. De leerkracht noemt de bladzijde van een kaart. Heb je de bladzijde genomen? Dan noemt je leerkracht één van de vier plaatsen die we als vorm leerden kennen. Wie vindt die het eerst op die kaart? Legende en symbolen Op kaarten staat heel wat informatie over de plaatsen van onze wereld. Die informatie staat erop als tekeningetjes. We noemen dat symbolen.

Dit is de legende bij kaart 54 van je atlas. Nu kan je zelf over verschillende toeristische plaatsen van ons land iets vertellen.

De schaal Op een kaart staan de plaatsen natuurlijk veel kleiner afgebeeld dan in het echt. Die verkleining noemen we de schaal. In de legende hierboven zie je 2 soorten schalen: De breukschaal 1 : 1 000 000 De lijnschaal De lijnschaal is de gemakkelijkste: Je meet de afstand tussen twee plaatsen (vb. 4 cm). Daarna lees je op de schaal af hoeveel km dat is. (4 cm is 40 km) We nemen de kaart België-spoorwegen. Voorbeeld:

Turnhout – Herentals: Diest – Hasselt:

____cm is ____km ____cm is ____km

16


Oefening:

Oostende – Brussel Kortrijk – Oudenaarde Brugge – Gent Lier – Aarschot

____cm is ____km ____cm is ____km ____cm is ____km ____cm is ____km

De breukschaal werkt zo: 1 : 1 000 000

cm op de kaart

Dus 1 cm op de kaart Betekent 1 000 000 cm in het echt!

cm in het echt

Als je volgende tabel goed uit je hoofd leert, dan wordt het gemakkelijk. 1 0 100 1 0 km km m m

m

dm

cm mm

Neem de kaart ‘België-autowegen’. We berekenen de afstand tussen Antwerpen – Herentals Op de kaart ____ cm ___X 1 000 000 = _______________ cm We schrijven dit getal in de tabel: ___ km

Oefening:

Brussel – Luik Brussel – Gent Brussel – Hasselt

___ X 1 000 000 = ______________ cm of ___ km ___ X 1 000 000 = ______________ cm of ___ km ___ X 1 000 000 = ______________ cm of ___ km

17


Over het water

Drijvende boomstammen In het jaar 40.000 voor Christus hadden de mensen al een manier bedacht om op een makkelijke manier te reizen over het water. Ze gebruikten drijvende boomstammen om op te staan en een lange tak om mee af te zetten en te sturen.

Over het land

Het wiel

In 3000 voor Christus werd in Soemerië (dit land heet nu Irak) het wiel uitgevonden. Dit maakte het vervoeren van zware vrachten een stuk gemakkelijker. Het was een houten wiel uit één stuk

Houten vrachtschip In 2000 voor Christus werd het houten vrachtschip gemaakt. Het had een vierkant zeil en een roeiriem was het roer. Hiermee kon men een paar dagen achtereen op de volle zee varen.

18


We bekijken eerst een filmpje over de Romeinse heerwegen.

Romeinse heerwegen Om het grote Romeinse rijk te verdedigen Werden er met enorme stenen wegen aangelegd. Daarover konden soldaten zich sneller bewegen dan langs moerassige en stoffige paden.

Romeinse strijdwagen Vanaf 300 voor Christus reden de Romeinen op een Romeinse strijdwagen. Deze werd door vier paarden getrokken. In die tijd werd ook het zadel om paard te rijden uitgevonden.

We bekijken eerst twee filmpjes over Columbus.

Columbus

De luchtballon

In 1492 ontdekte Columbus Amerika. Op 2 augustus 1492 ging hij met 3 karvelen op weg. Dat zijn schepen zoals die op de afbeelding hierboven. Op 12 oktober bereikte hij wat nu de Bahama's wordt genoemd. Columbus dacht de weg naar IndiĂŤ te hebben gevonden. Daarom noemde hij de inwoners van deze eilanden Indianen. Al snel drong het tot de Spanjaarden door dat ze een nieuw gebied hadden gevonden.

In 1783 werd de eerste reis gemaakt in een luchtballon door een schaap, een haan en een eend. Het omhulsel van de ballon was van stevig papier. De ballonnen waren gevuld met een gas dat lichter was dan lucht. Om de ballon zat een net. Eronder hing een mand. De ballon kan opstijgen omdat de hete lucht lichter is dan koude lucht. De luchtballon was en is nog steeds afhankelijk van de wind.

19


We bekijken eerst een filmpje over de stoommachine en de Titanic.

De stoomboot

De fiets

In het jaar 1803 wordt de stoomboot uitgevonden

In 1817 vond de Duitse baron De Drais een nieuw soort loopfiets uit, de draisine. De draisine had wel een stuur, maar nog geen trappers. In 1865 ontwierp Fransen Michaux samen met zijn zoon het rijwiel met pedalen. Het voorwiel was veel groter dan het achterwiel. In 1888 kreeg de fiets ook een ketting, een zadel en twee even grote wielen. Dankzij de Schotse dierenarts Dunlop, kreeg de fiets ook luchtbanden.

Belgische spoorlijn

Auto's

In 1835 werd de eerste reis over de spoorlijn in BelgiĂŤ gemaakt van Mechelen naar Brussel. De trein werd getrokken door een stoomlocomotief. In 1886 bouwde Daimler de auto op petroleum. In 1898 maakte Renault de eerste dichte auto met versnellingsbak. In 1908 was de Rolls-Royce de beste auto van de wereld.

20


Het motorvliegtuig

In 1903 maakten de gebroeders Wright hun eerste vlucht met een motorvliegtuig, de Flyer. De vlucht duurde 12 seconden en hij legde 36 meter af. Pas in 1908 ging men het vliegtuig zien als handig middel van vervoer. Er kwamen vluchten met passagiers. In 1927 werd de Atlantische Oceaan overgestoken door Lindbergh. Hij vloog 33,5 uur zonder tussenlanding.

De pakketboot

In 1907 breekt het tijdperk van de grote transatlantische pakketboten aan. De beroemdste is de Titanic. Met deze pakketboten verhuisden vele armen uit Europa naar Amerika om een betere toekomst te verkrijgen.

Al deze informatie en nog veel meer kan je vinden op de mediapagina wereldoriĂŤntatie op de website van onze klas.

21


We bekijken eerst de filmpjes op de website van onze klas: Trekvogels: de wilde gans Trekvogels: de spreeuw Standvogels Andere trekkers: de atalanta Op onze website kun je ook de meest voorkomende vogels van bij ons leren kennen. Wie de kans heeft moet dit zeker doen. Je kan er immers ook het geluid van die vogels leren herkennen. Wie geen toegang heeft tot onze website kan ook hieronder de vogels leren kennen door hun afbeelding.

De huismus: standvogel

Het winterkoninkje: standvogel

Het roodborstje: standvogel

De koolmees: standvogel

22


De merel: standvogel

De pimpelmees: standvogel

De vink: standvogel

De lijster: zomergast

De spreeuw: zomergast, wintergast

De reiger: doortrekker

23


De zwaluw: zomergast

Trekvogels en standvogels

vogels ’s zomers in onze streken vogels ’s winters in onze streken vogels ’s zomers in het noorden van Europa vogels ’s winters in het zuiden van Europa of in Afrika

24


Wereldoriëntatie Thema 1 Onderweg