Page 1

B

uiten rent een man die weet dat hij gaat sterven, maar het niet begrijpt, naar een deur. Die hij niet zal halen. Als een hond spring ik op tegen het venster, mijn poten op het glas. Niemand die iets voor hem doet. Niemand die iets voor hem kan doen. Of toch. Mijn lichaam reageert sneller dan mijn hersenen. Nog voor ik het bedacht heb, heeft mijn lijf zich al van het raam afgekeerd. Een meisjeshand houdt me tegen. ‘Niet doen. Ze gaan je vermoorden.’ Ik wil iets zeggen, maar het schrille geluid van de alarmbel in mijn hoofd overstemt mijn gedachten. Nu, nu moet ik bewegen en niet straks. Ik ruk me los uit haar greep en ren de trap af, naar beneden. Tussen elke twee treden weergalmt de vraag in mijn hoofd: waarom hield ze me tegen? Maar tree na tree, bij elke dreun van mijn voeten op de houten trap, hamert het besef harder in mijn hoofd: ik moet hem helpen. Desnoods om hem daarna zelf het hoofd in te slaan. Maar ik moet hem helpen. Ik trek de voordeur open en ren naar buiten, de voortuin in. Tunnel vision. De angst vernauwt mijn beeld, voor mijn ogen tolt een caleidoscopische regen van details. Uit de omgevallen motor lekt olie. Ergens flakkert een vlam. De buurman aan de overkant schuift zijn gordijn opzij, een kleine driehoek licht geel op in de grauwe gevel. Nu pas zie ik hem, een donkere vlek in een kluwen van poten. Mijn schreeuw rolt naar hem toe. Aangemoedigd door mijn stem trapt de


horde harder. Zes, nee, zeven paar zwarte laarzen schoppen in het rond. Een tapdance op de rand van de waanzin. I’m singing in the rain, just singing in the rain. What a glorious feelin’, I’m happy again. Mijn benen rennen voor mij uit. Helpen. Ik moet hem helpen. Een doffe, donkerzwarte pijn scheurt door mijn knie. De wereld kantelt, de grijze kiezels komen dichterbij. Mijn hoofd botst in slow motion weer omhoog. Met de laatste letters van mijn schreeuw nog in mijn mond raak ik de grond. Op mijn tong proef ik zijn naam. Verscheurd. Met bloed gekleurd. Gras vult mijn beeld. Vers gemaaid. Gemillimeterd. Zoet. Zijn hoofd rolt mijn ooghoek in. Aangedreven door een voet. Strafschop. Een zwarte tip schopt de motorhelm de hemel in. Een ronde satelliet tussen de sterren. Uit het niets verschijnt zijn hoofd. Braaksel mengt zich in mijn mond met bloed. Dan, ritmisch, op de maat van het besef waarmee de waar­ heid tot mij doordringt, vallen, één na één, de echte klappen. Tot zijn schedel krakend opensplijt. De pop rolt om. Zijn ogen wijd. Zijn blik kruist de mijne, maar hij ziet mij niet. Verbaasd staart hij in de nacht. Sluit dan vermoeid de ogen en wacht. Slachthuis. De geur van verse, warme ingewanden. Opengereten schaap. Zwart waas. Rood licht. Moe. Reiken. Mijn vingers op zijn lippen. De ogen gaan weer open. Helder. Als sterren in de nacht, die de hele wereld overzien. Voeten vluchten aan de horizon. Rode vlekken op witte veters. Mijn lichaam richt zich op. Vasthouden. Ik moet hem vasthouden. Ik trek zijn hoofd op mijn knieën, mijn vingers verzinken in de vormeloze massa. Nestelen zich in het diepst van zijn gedachten. Hij lacht mat. Een laatste restje humor lekt uit de roze pulp die mijn handen bedekt. Wrang. Blote voeten rennen over het grind. De kiezels rij­ten de huid op haar knieën aan stukken als ze naast hem neer­ zijgt. Haar bloed mengt zich met het zijne. Zijn lichaam ligt tussen ons in. Hij lacht. Dik, donker bloed op zijn bleke

8


lippen. Haar woordeloze schreeuw sleurt de mijne mee. Een dubbele Munch tegen een vuurrode hemel. Niet wij schreeu­wen, maar de wereld rondom ons. Omgeven door emoties die te groot zijn voor menselijk besef, volgen onze bewegingen een eeuwenoud patroon. Icoon na icoon. Blauw zwaailicht tekent de piëta in de tuin af tegen de grijze gevel. Niet de vergevende vrede gods van Michelangelo, maar de bloedrode, verscheurde godenzoon van Kokoschka. Ware waanzin. Een uiteengereten, kapotgetrapt karkas, ver­ wrongen ledematen, vormeloze kleurstrepen en vegen bloed. Bacon op zijn gruwelijkst. Tegen de inktzwarte hemel steekt de leeuwenvlag fel af. De politiewagen stopt, in een geur van warm rubber. Te laat. Hij is dood. Zij is een engel. En ik, Judas, sla mijn armen om haar heen en weet dat hij voor niets gestorven is.

9


I

k ben geen homo. Absoluut niet. Niet uit overtuiging, niet omdat ik er geen wil zijn, maar gewoon omdat ik er geen aanleg voor heb. Echt niet. Zelfs niet een heel klein beetje. Net zo min als Oscar Wilde aanleg had voor het tegendeel. Al had dat ook zijn leven waarschijnlijk mak足kelijker gemaakt. En toch, elke nacht, zodra ik mijn ogen sluit, zie ik zijn gezicht. Altijd weer. Haarscherp afgelijnd. Soms probeer ik mezelf nog even wijs te maken dat het niet zo is, dat hij er niet is, in het snapshot van de dag dat mijn hersenen me voorhouden. Dat het fotoboek van mijn herinneringen is opengevallen op een pagina waarop hij godzijdank ont足 breekt. Maar dan, onvermijdelijk, en nooit later dan na een paar seconden, trekt een detail in het beeld mijn blik naar zich toe. De scherpte van de foto verlegt zich, de rest van het beeld glijdt langzaam uit focus, de hoek waar hij zit of staat of ligt, licht op. Ik hoef hem zelfs niet te herkennen om te weten dat hij het is. Het feit dat ik kijk, is genoeg om te weten wat ik ga zien. Hem. Altijd weer. Hem. Soms, zoals daarnet, zit hij met zijn rug naar me toe. Alsof hij me wil plagen. Me de illusie wil laten dat ik hem niet zal herkennen. Alsof. Alsof dat zou kunnen. Alsof ik dat stugge, jongensachtige haar niet zou herkennen. Ik hield van dat haar. En ik haatte het. Godverdomme, wat haatte ik het. Altijd weer, al op de lagere school, herinnerde dat haar me aan alles wat ik niet was. Twintig jaar lang leverde ik een verloren strijd met mijn eigen triestige pierenhaar,


dat maar één richting kende. Naar beneden. Ik denk dat ik een van de weinige mannen op de wereld ben voor wie vroegtijdige kaalheid als een enorme verlossing kwam. Maar hij… één en al volume. Opstandig, warrig, stoer. Op om het even welke lengte, in om het even welk model. Altijd weer die onvervalste just out of bed-look. Die onschuldige, jongensachtige slaperigheid, dat dromerige… het heeft hem tientallen, nee, misschien wel honderden meisjes opge­ leverd. Vreemd eigenlijk, dat je vrouwen makkelijker in je bed krijgt als ze denken dat je er net uitkomt. Coupe Le jeune Rimbaud noemde hij het zelf. Wat er ook van zij, het verleende hem een onvoorwaardelijk voorrecht op totale nonchalance. Dat en de lichtjes in zijn ogen. Als er al regels waren in de wereld, dan golden ze niet voor hem. Alles vergaven ze hem. Allemaal. Met het gemak waarmee je een jonge hond vergeeft dat hij je schoenen aan flarden heeft gebeten. Van de juf van de kleuterklas tot de zoveelste bedrogen vriendin. Zelfs ik. Vooral ik. Hij draait zich om in het beeld, hij is nu zo dichtbij dat ik hem kan ruiken. Een warme geur, iets met muskus en sandelhout, iets archetypisch mannelijks. Hij heeft een sigaret achter zijn oor zitten, het moet laat zijn, of vroeg in de ochtend, want zijn baard komt al door. Korte, harde stoppels, peper en zout. Dat geluid, als hij na een avond zwaar doorzakken met de vier vingers van zijn rechterhand over zijn wang streek. Een zacht raspen, als schuurpapier met een hoog nummer, het soort dat je gebruikt om de laatste ruwe stukjes mee glad te schuren. Terwijl er eigenlijk niks glad aan hem was. Integendeel. In termen van schuurpapier zou hij gevaarlijk dicht bij een 00 komen. Het soort dat alleen maar krassen nalaat, in plaats van dingen fijn te schuren en te verzachten. Diepe krassen. En niet alleen in meisjesharten. Hij kraste het ooit in zijn bank. Mijn bank. Onze bank. We zaten er samen een strafstudie voor uit, omdat we allebei weigerden te zeggen wie het gedaan had.

12


Ik zou hem nooit verraden hebben. Ik zie de passerpunt nog door het hout krassen: I want to leave a scar on the world. Mijn verschrikte blik, zijn scheve, samenzweerderige grijns. Ik zag het toen niet voor wat het was. Zijn doodsangst om niet gezien te worden, verborgen achter die grote glimlach vol bravoure. Als hij eens wist. Hoe onmogelijk het was om hem niet te zien. Niet naast hem te verbleken. Laat staan dat ik hem zou kunnen vergeten. Ooit. Zeker nu. Hij buigt zich naar me toe, de muskusgeur vermengt zich met de lichte bierzweem in zijn adem, bier, tabak en het zout van jongenszweet. Nee, mannenzweet. De donkere tonen van testosteron, die manier waarop de spier in zijn voorarm, bijna onzichtbaar, lichtjes beweegt als hij lachend zijn glas heft. 100 % man. 100 % lijf. Vlees. Vent. Ik hoef mezelf niet te zien in het beeldkader om te weten hoe ik er naast hem uitzie. Zijn arm valt zwaar rond mijn schouder, hij is bijna dronken, ik hoor het aan de manier waarop zijn medeklinkers lui tegen zijn tanden aanrollen als hij praat. Hij lacht, zijn handpalm, koel van het bierglas, tegen de zij­ kant van mijn hals. ‘Is het niet, brein?’ Dan, tegen iemand buiten beeld. ‘Deze jongen hier gaat het ver schoppen. Heel ver. Geloof me.’ Zijn wenkbrauw schiet omhoog en legt een niet mis te verstaan accent op zijn woorden. Niemand trekt in twijfel wat hij zegt. Deze jongen. Brein. Dat ben ik. Ik sla de lakens van me af en besef dat ik net zo goed kan opstaan. Het is zinloos in bed te blijven liggen en te wachten op de slaap die niet komt. De teleurstelling wordt er alleen maar groter van; pijnlijk en koud, zoals kindervoeten, het jaar dat je ouders beslist hebben dat je te groot bent voor de sint, en je urenlang voor niks door het sleutelgat naar de schoorsteen staart. Tegen beter weten in blijft staan, blijft ontkennen wat je diep vanbinnen al lang aanvoelt. Tot het, onvermijdelijk, toch binnen sijpelt: het bittere besef

13


bedrogen te zijn. En weten dat niks voorbij dit punt ooit nog wordt zoals het was. Het maanlicht valt binnen door het keukenraam en tekent lange schaduwen op de vloer. Een woud van verbogen stoel­ poten strekt zich voor me uit. Ik trek de keukenkast open, vul op de tast het reservoir van het kleine espressopotje en draai het gas open. Even speel ik met de gedachte geen vuur te maken. Het ontsnappende gas sist in mijn oor, dan zie ik hoe een hand naar de lucifers reikt. Het rode puntje van zijn sigaret licht even op in de geur van solfer, de gasbol die zich boven het vuur heeft verspreid, plooit open tot een helblauwe mist, om dan met een zucht weer in te krimpen tot een kabbelend vlammetje. Voorzichtig zet ik het achthoekige koffiepotje op de vier metalen puntjes; ik moet even zoeken naar een evenwicht. Blootsvoets, blootlijfs, ga ik op het aanrecht zitten, knieën onder mijn kin, en kijk naar de blauwe dwaallichtjes die met oranje tongen aan het metaal likken. Een mediterrane zee, een zachte golfslag, een voorspelbaar, beheerst klotsen. Europese matigheid, zou hij het noemen. ‘Dat is nu de prijs van de beschaving. Burgerlijke verveling.’ Ondanks alles moet ik er nog steeds om lachen, als ik eraan denk. Een zelfverklaarde Che Guevara, verraden door zijn kalfslederen schoenen. Zijn te dure aansteker. Het label in de kraag van zijn hemd. Of het elastiek van zijn slips. Hij wist het best, dat zijn zorgvuldig opgebouwde imago een flinterdunne wand bordkarton was. En het kon hem geen barst schelen. Want ik was de vernis die het echt maakte. Ik. Deze jongen. Brein. Van het arbeidersgezin naar de universi­ teit. Professor-proletariër. Zijn perfecte tegenpool. Het potje op het vuur kreunt en borrelt. Ik til het deksel op en kijk. De hitte perst het kokende water door de koffie heen, boven aan de dunne metalen kolom gutst de koffie in twee dunne straaltjes naar buiten. Scheut na scheut. In

14


een verborgen hoek van mijn geheugen schiet een beeld naar voor van een schoolreis. Rome. Een groep puisterige puber­ jongens, samengetroept in de gemeenschappelijke douche van de jeugdherberg. Luide stemmen, hard gelach. Boven alles uit één bariton vol zelfvertrouwen. Zoals altijd het middelpunt van alles. Hij dwingt de jongens in een rij en dirigeert, met grote handbewegingen, het verdere verloop. Hijgend, zwoegend staan ze naast elkaar, tanden bijten in onderlippen, handen gaan op en neer, steeds sneller. Ik sta verderop, weggedoken tegen de muur, verborgen in de warme waterdamp. Op dat moment hoor ik hem kreunen, lachen. Zijn hand schiet in triomf omhoog, hij maakt een vuist. Een sprinter op de eindstreep. De jongens vloeken, iemand protesteert. Een witte druppel parelt langs zijn pols omlaag, hij schudt hem weg. Kijkt grijnzend over zijn schouder. ‘Scheids? Zeg jij het maar, wie was er eerst?’ Mijn vingers spelen met het koude kopje. Het was daar, dat jaar, dat ik mijn eerste koffie dronk. Zwart. Nadat hij nadrukkelijk mijn latte in de plantenbak van de koffiebar had leeggegoten. ‘Koffie met melk is voor janetten en oude wijven.’ Ik drink hem nog steeds zwart. Zelfs nu. Midden in de nacht. Niet dat het iets uitmaakt. Slaap, of toch het soort slaap dat de meeste mensen kennen, maakt al lang geen deel meer uit van mijn bestaan. Die toestand van aaneengesloten uren niet waken is niet meer dan een verre herinnering. Insomnia. De romantische klank van het woord heeft weinig gemeen met de realiteit. Feit is dat ik me volcontinu tussen slapen en waken bevind. Tussen hier en nu en ginds en toen. Het is een gevecht, waarbij mijn ogen op onbewaakte momenten dichtvallen, en ik probeer ze meteen weer wijd open te sperren zodra de eerste flits van zijn gezicht opduikt. Voor de ogen breken. Niet dat ik hem niet zie als ik niet slaap. Hij is vaker bij me dan mijn schaduw, licht of donker, hem maakt het niets uit.

15


Hij heeft geen lichtbron nodig, hij gloeit van binnenuit. Een aangehouden stilzwijgend verwijt. Ook nu, hier in de keuken, kan ik hem duidelijk zien. Zijn voeten liggen met gekruiste enkels op de hoek van de keuken­ tafel, de asbak rust op zijn dij, hij heeft zijn hemdsmouwen opgerold. Zijn boek leunt in de V van zijn kruis, elke keer als hij een blad omslaat, raspt het over de bolling in de stof van zijn jeans. Zijn stoel balanceert op twee poten, hij wiegt ontspannen heen en weer. Af en toe, als het verhaal een kritisch punt bereikt, stokt het wiegen even. Om dan na een korte pauze zijn ritme weer te hervatten. Het blauwige licht van de maan maakt zijn gezicht zachter. Alsof hij niet helemaal echt is. Of juist wel. In elk geval, niet dood. De doden lezen niet. Net als ik hem wil vragen wat hij leest, kijkt hij op. ‘De baby huilt.’ Hij heeft gelijk. Ik hoor het nu ook. Een zacht, mono­ toon gesnik uit de donkerste hoek van het huis. Eenzaamheid, drie kamers ver. Blootsvoets loop ik over de tegels van de gang naar de kinderkamer. Hiel – plank – teen. Geluidloos. Ik duw zachtjes de deur open, steek automatisch de stekker van de mobiel in het stopcontact en buig me over de wieg. Strek mijn handen uit naar de tien minuscule, paniekerig grijpende vin­ gertjes onder me. De wanhoop van het huilen wordt meteen minder, de nachtelijke angst vindt houvast. Ik til de baby op. De grote grijze ogen gaan langzaam open, verwijden zich tot enorme toverballen, die in het licht van de mobiel eindeloos van kleur verschieten. Ze staren mij aan met precies dezelfde verwondering als die in zijn ogen, wijd opengesperd en onbe­ grijpend, zoals hij daar lag. Die nacht. Het beeld wringt zich op mijn netvlies, een ongewilde lens die alles vervormt. Zijn hoofd achterover geklapt, als een scheefgezakt kind op de achterbank van een auto. Daaronder de rode Mao-ster van bloed op het zwarte asfalt. Zijn verwrongen lichaam, de vreemde, verbogen hoek in zijn

16


linkerarm. Alsof hij nog één keer zijn vuist heft, hasta la victoria siempre, maar dan met de elleboog aan de verkeerde kant. Ik had hem nog nooit op zijn rug zien liggen. Hij sliep altijd op zijn buik, zoals iedereen met een blind vertrouwen in de goedheid van de mens. Ik herinner me nog de helder­ heid waarmee dat tot me doordrong, toen ik me over hem heen boog. Dat er iets mis was, want dat hij op zijn rug lag. Alsof dat het enige was. En de misselijkheid die daar, on­ middellijk, als een ijskoude golf, achteraan kwam. Dezelfde misselijkheid die nu elke keer weer, onverminderd, opwelt tegelijk met het beeld. De baby sputtert, hij zoekt de warmte van mijn lichaam. Nu pas besef ik dat ik hem op een armlengte van me af hou, klein en koud. Ik trek hem tegen me aan en begin zacht te neuriën, de openingstonen van een cellosuite van Bach. Later is er tijd genoeg voor wansmaak en popmuziek. Hij protesteert niet, zijn lijfje wordt langzaam slap in mijn handen. In de warme, vertrouwde geur van mijn schouder en mijn hals wordt het snikken snuffelen en snurken. In. Uit. Met korte rukjes. Hoe kleiner het dier, hoe sneller de hartslag. Zonder goed te weten waarom maak ik een paar aritmische danspasjes, een soort onhandige wals. Het wordt onthaald op zacht gesnurk. Ik glimlach even, bijna tevreden met mezelf. En dan zie ik hem in de deuropening staan. Zijn mond vertrokken in die typische licht scheve grijns. De warmste minachting ter wereld. ‘Jij? Dansen?’ Mijn beweging stokt, ik staar hem aan. De ademhaling naast mijn oor versnelt, het kleine diertje beweegt onrustig. Ik keer hem de rug toe en loop terug naar de wieg. Leg de baby zo zacht mogelijk weer neer. Boven onze hoofden draait de carrousel van lichtgevende meeuwen zijn eindeloze rondjes en op de muren schieten sterren voorbij. Vorig jaar had ik niet geweten wat eerst te wensen. Maar dat was toen. Voor. Dit is nu. Na.

17


Het kind slaapt. Stil, om hem niet wakker te maken, vertel ik hem wat ik hem later nooit meer zal kunnen zeggen. ‘Je vader is dood. Ik heb hem vermoord.’

Diggers intro  

Diggers intro

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you