Issuu on Google+

Fred Baggen

Confessies van een Nachtvlinder (een raamvertelling)


Copyright Š 2010 Fred Baggen, www.probatio-pennae.nl Fragmenten uit Confessies van een nachtvlinder, een roman in wording.


Synopsis: De Jordaan, december 1971. Effa van Susteren, ‘principieel recalcitrant journalist’, gaat door een moeilijke periode in zijn leven. Zijn verloofde Nicolien heeft hem een halfjaar geleden verlaten vanwege zijn eeuwige drankprobleem. Nu hij de fles heeft afgezworen wil hij niets liever dan haar liefde voor zich terugwinnen. Maar zijn fascinatie-op-afstand voor een Poolse raamprostituée – hij noemt haar Elise – staat een wederopbloei van de verbroken relatie in de weg. Ook Effa’s gevoelens voor Elke, een aantrekkelijke, onervaren call-girl die hij in een kroeg heeft ontmoet, dwarsbomen zijn eerbare bedoelingen. In zijn werk blijkt hij heel wat minder plooibaar te zijn dan in de liefde. Zo zet hij zich, als vrijdenkender, af tegen het rigide formalisme van zijn gereformeerde werkgever Agaath van Enckhuysen. Op oudejaarsdag wordt Elise levenloos aangetroffen. Alle kranten staan er vol van. Van de daders ontbreekt elk spoor. Effa gaat op onderzoek uit, reconstrueert de gebeurtenissen die hebben geleid tot haar dood en komt tot een verbijsterende ontdekking. Confessies van een nachtvlinder is een verhaal over de thema’s zonde en berouw. In de verwarrende zoektocht naar de balans tussen lust en liefde raakt de hoofdpersoon zichzelf volledig kwijt. Hij verliest zich in mijmeringen, sluit dubieuze vriendschappen, wordt gekweld door twijfel en geeft zich over aan liederlijke fantasieën. In deze novelle staat de zoektocht centraal naar het wat en waarom van ‘ware liefde’, die het diepste duister weerstaat; de ware liefde, die nooit nalaat te fluisteren van de mogelijkheid in haar te geloven.


Hij overwoog op ludieke wijze in de boekhandel terecht te komen. Zo scheen het hem een aardig idee een snelle entree te maken met een boek, getiteld ‘De Omslag’, wat een geheel inhoudsloos boek zou zijn. In de letterlijke zin welteverstaan, want afgezien van de fraai vormgegeven kaft zou het boek uit louter lege pagina’s bestaan. Bij het idee alleen krulde er een flauwe glimlach om zijn lippen. Stel je voor: een mooie voorstelling als blikvanger van zijn boek, waarna de argeloze aspirant-koper slechts restte haastig door de loze belofte van een boeiend verhaal te bladeren, zonder ook maar een enkele letter tegen te komen. Zelfs het isbn-nummer voorin het boek zou kunnen beginnen met de cijfers 6-1-11-5, die overeen kwamen met de letters van het alfabet: f-a-k-e. Uit: Een Nooit Gepubliceerd Debuut F.A. van Susteren, 1973


Voor Nicole


9 Het kauwgumkerkhof

‘…bid voor ons zondaars, nu en in het uur van onze dood. Amen.’ ‘Prima, Vera! Hoor je dat, Jan? Da’s voor het eerst dat ze het zonder hulp doet, zo uit het hoofd.’ ‘Goed zo, lieverd. Zeg maar dag tegen oma, hier heeft ze voor altijd rust. Ze zou trots op je geweest zijn.’ Primavera. Tja. Zelfs hier, in dit droefgeestige oord van coniferenhagen en grindpaden lijkt deze koude, zonovergoten eerste januaridag te jubelen: de lente is begonnen. Eeuwige rust. Ook voor Elsbeth, het arme kind, verdoold schaap in wolfskleren. Ik kniel, leg de bloemen op het marmer, naast het bevroren boeket dat haar moeder gisteren moet hebben gebracht. Haar moeder, die er helemaal alleen voor staat. Vreemd, als ik denk aan iemand die kind noch kraai heeft zie ik ouwe besjes voor me, en tandeloze mannetjes die op een tuinbank stil voor zich uit staren, hun knoestige handen overelkaar gevouwen, steunend op een stok. Vereenzaamde zielen, mensen van een dag, díe zie ik voor me als ik daaraan denk, maar een krachtige vrouw als zij… Nee. Het gezin een paar graven verderop maakt aanstalten om te gaan. Het kleine meisje dat zojuist het glorieuze moment beleefde van een volwassenenritueel aan een zwijgend graf, loopt huppelend voor haar ouders uit. Haar serieuze frons heeft plaatsgemaakt voor een lach die overloopt van levenslust. De lokken dansen voor haar ogen, pas op het laatste moment ziet ze mij, diep in mijn jas gedoken. Met genadeloze onbevangenheid komt ze naar me toe en vraagt: ‘Hoe heet jij?’ 


Ik ben niet bedacht op dit binnendringen in mijn afzondering, mijn kauwgum glipt in mijn keel. Dat is me in tijden niet gebeurd. Ik probeer te antwoorden, maar het ding zit klem. In een poging om met enige waardigheid naar adem te happen, hoest ik binnensmonds, tranen schieten me in de ogen. Ik adem wild door mijn neus; de kauwgum floept omhoog, ik slik opnieuw. Tergend langzaam zakt de knobbel – ineens dubbel zo groot, lijkt het wel – naar beneden. De ouders lopen langs, groeten met een begrijpende blik en roepen het meisje tot de orde. ‘Kom Vera, geen andere mensen storen.’ Het kind loopt hen achterna. ‘Waarom niet, mama?’ ‘Omdat die meneer verdriet heeft, daarom,’ hoor ik ze nog binnen gehoorsafstand zeggen. Dan maakt het pad een bocht en verdwijnen ze uit het zicht. Ooit heb ik in de krant gelezen dat het doorslikken van kauwgum een schadelijk effect op de gezondheid zou hebben. Zo zijn er gevallen bekend van notoire gebruikers bij wie zich proppen in de darmen hebben opgehoopt. Het fabeltje dat mijn ouders vroeger vertelden, dat er na verloop van tijd een kauwgumboom in je buik zou gaan groeien, is allang ontkracht. Wel staat vast dat in maag of darmen achtergebleven klompen van het spul nauwelijks verteren, en het denkbeeld van een inwendige verkleving staat me, sinds ik het artikel gelezen heb, vreselijk tegen. Ik kijk om me heen en vraag me af wie van de rustenden hier een doorslikker is geweest. Hoe lang zou het duren, na het overlijden, eer die vormeloze homp binnenin dat lichaam tot niets vergaan is? Met een denkbeeldig röntgenoog scan ik de graven; eronder in de aarde zie ik witte, blauwe en roze vlekken, op gelijke onderlinge afstand en diepte. Ordelijk, onafgebroken strekken zich rijen van ondergrondse rubberen klonten uit, de onverteerbare stoffelijke resten van een mondfrisse generatie. In de toppen van de berkenbomen schuilt een paarsbruine blos, filigrein op een melkachtige hemel. Een vermoeden van lente hangt in de lucht. Minstens zo hoopgevend als een foutloos gebed uit een kindermond. Ik werp een laatste blik op de gedenksteen die stil verkondigt dat hier Elsbeth ligt. † 31 december 1971, staat in het marmer gebeiteld. Wat is er de afgelopen dertien maanden veel gebeurd… Dan draai ik me om. Het grind knarst onder mijn schoenen als ik naar de bank aan het eind van het paadje loop; een rilling gaat door me heen als ik op de bevroren zitting plaatsneem. Niet zeuren nu. ’t Is maar een 


klein offer, de prijs voor een kwartiertje ongestoord peinzen over de gebeurtenissen die achter mij liggen. Vandaag ben ik voor het laatst op deze plek, ik zal hier nooit meer komen. Het lot heeft ons samengebracht, alleen zij is nu dood en ik leef. In de verte zie ik de ouders met hun dochtertje het kerkhof verlaten, het kind sluit keurig het hek achter zich. ‘Effa,’ zeg ik zacht, voor ik mij aan de herinneringen overgeef, ‘zo heet ik.’

10


11


9 Een zalige kerst in Oud-Amsterdam

Achter de oude Wester had het hemeldiafragma zich allang rond het laatste daglicht gesloten, overal was de lucht nachtzwart. Dankzij het pak sneeuw van vandaag was de Jordaan net een kerstkaart, een wereld in zwart-wit, als op Effa’s aftandse televisie: de takken van de bomen bogen neerwaarts door hun zware last, de met een dikke laag bedekte auto’s in de straten leken alle eender, en wit gepokte muurtjes getuigden stil van overrompelende sneeuwballengevechten. In het hofje naast zijn woning knerpten voetstappen in de sneeuw: de buurvrouw stapte voorzichtig over de stoep en leegde een dampende emmer in de goot. Etensgeuren dwaalden door de straat, van verre klonken hortende, stuwende toonladders: ome Cor de zwerver bespeelde in een portiek zijn onafscheidelijke knoppenklavier. De avond viel; voor Effa het moment om naar zijn werk te gaan, en even langs te lopen bij Elise, kijken of ze er al zat. Al kuierend kwam hij aan in de rosse buurt, waar hij haar drie weken geleden voor het eerst had gezien. Meewarig dacht hij terug aan die dag: een vroege decemberstorm had toen vrij spel gehad boven de gracht en van alle kanten op hem ingebeukt. In de flarden geluid die de natte wind meevoerde, had hij de klanken van het carillon bovenin de Westertoren herkend: Für Elise galmde over de daken van de stad, hoe zou hij dat ooit kunnen vergeten? Terwijl de klokken hun lied speelden, liep hij diep voorovergebogen, vloekend tegen de wind en de miezer. De verlichte heilboodschap op de gevel van De Reformatorische Courant weerspiegelde in de regenplassen en het water van de gracht, waar ze versmolt met het lonkende rood, geel, blauw en groen van wereldser neons. 12


De wind kastijdde het wateroppervlak, riep visioenen op van onstuimige, vloeibare schilderspaletten: Dali meets Pollock. Straatlantaarns floepten aan; onmiddellijk was het licht over de keien gekletterd. Weldra wakkerde de wind aan tot een storm die hem de adem benam, zijn ogen tot spleetjes vernauwde. Het arpeggio van het klokkenspel was in het geweld van de grachtengesel teloorgegaan. De regen striemde zijn wangen. Bij valavond was de stad asgrauw, maar gelukkig was er het scharlakenrood van de lantaarns op de Wallen: iedere vrouw die achter haar raam had plaatsgenomen was voor een eenzame ziel een monument van hoop. Om beschutting te zoeken tegen het noodweer was Effa de Gordijnensteeg ingedoken. En daar had hij haar voor het eerst gezien. De meeste ramen van het straatje waren donker, maar op nummer 6 scheen een bijna huiselijk licht van achter de gehaakte vitrage. Daar zat ze, gevangen in haar omlijsting: een prostituee in tricot, minirok, en laarzen met plateauzolen, haar gezicht badend in een onaardse gloed. Ze keek hem recht in de ogen, volkomen bewegingloos, maar zijn blik liet ze niet los. Een ultraviolette lamp wierp een kil schijnsel op haar bleke wolkjesbenen, die ze strijdlustig had gekruist. Uit de sigaret tussen haar vingertippen kringelde rook omhoog, die paars oplichtte in de fluorescente weerschijn. Eenmaal naderbij gekomen kon hij de trekken van haar albasten, benige gelaat beter onderscheiden. Haar grote, zwaar opgemaakte ogen flonkerden, hypnotiseerden, exemplaren waarvoor men bereid was te moorden in opdracht van een of andere duistere sekte. Ze stonden wijd uiteen, een kenmerk dat hij associeerde met mensen aan de andere kant van het IJzeren Gordijn. Een volmaakt rechte pony bedekte haar voorhoofd. Haar kapsel was volumineus, maar de zorgvuldig gedrapeerde haren waren even levenloos als de democratie in de volksrepubliek die ze klaarblijkelijk was ontvlucht. Het was duidelijk een pruik; voor het verleden was ze onherkenbaar, voor het heden onweerstaanbaar. Wat de toekomst bracht bleef verborgen, net als haar identiteit. Het was lang geleden dat hij een zo ontluisterend en tegelijk zinnelijk tafereel had gezien. Nonchalant, met een onmiskenbare trots, zat ze daar zo, een frĂŞle gestalte in haar gehuurde kamertje. Een engel in elektrisch licht, omgeven door de schaduwen van het vagevuur. Ze leek nog geen twintig. Roerloos bleef ze hem aankijken. Er gebeurde niets; noch tikte ze met een muntje tegen het raam, noch wenkte ze met haar hoofd om hem binnen te vragen. Normaal trok ieder meisje achter de ramen onmiddellijk de aandacht wanneer 13


er zaken gedaan konden worden: man kijkt verlekkerd naar binnen, verstrikt in dilemma van eeuwige trouw of heftig avontuur. Zodra hij zijn wandeling hervat, dan is het voorbij. Aarzelt hij, dan is er hoop. Maar hem had ze onverschillig aangestaard. Het wit van haar ogen was doortrokken van de macabere reflectie van het uv-licht, en in een tel vormden zijn gedachten een overzicht van de miserabele jeugd die ze moest hebben gehad, tussen de muren van een onooglijk appartement op vier hoog in een van de troosteloze voorsteden van Polen. Vader ervandoor, moeder aan de fles, oudere broer met verkeerde vrienden, zaterdagavonden in een of andere dancing langs de snelweg; onbeholpen puberromantiek in een setting van neonlicht en beton, de enige mogelijkheid te ontsnappen aan de ellende van het samenwonen met een dronken loeder. Gedurende dat korte moment, als was hij een fotocamera, had hij het verstilde beeld geregistreerd, met een vreemde mengeling van wellust en afkeer. Toen rukte hij zich los van het tafereel en liep vlug door, maar de kortstondige wisseling van blikken had al een latent beeld op het gevoelig materiaal ingebrand. Nog dagen daarna hoorde hij in zijn hoofd alleen het lied dat in de storm had geklonken. Begin van de maand had hij een baan gevonden als conciÍrge bij de tandwielenfabriek in de Nieuwmarktbuurt. Het werk werd matig betaald en stelde weinig voor, hij hoefde er zelfs niet vroeg voor op te staan: van zes uur tot ’s avonds laat bemande hij de receptie in de hal, opende de deur voor de ploeg die de late dienst draaide en hield toezicht op het gebouw, wat erop neerkwam dat hij de volle asbakken leegde, de verlichting in de kantoren uitknipte, zorgde dat er geen serviesgoed op de tafels in de kantine achterbleef, kortom: dat het pand de volgende ochtend netjes en schoon was. Een makkie, zo vond hijzelf. De receptiebalie bood overdag plaats aan een telefoniste die tegen zessen haar halflange rok gladstreek en met tikkende hakjes op de vrijheid afstevende. Hij draaide achter haar de deur op slot, slofte terug naar de balie, trok zijn broekspijpen lekker hoog op en nam plaats. Soms was de kunstleren zitting van haar stoel nog warm. Overal in de stad waren de huiskamers tegen de avond sfeervol verlicht, en zaten gezinnen rond de kerstboom; Effa liep dan blauwbekkend van zijn huis naar de fabriek, hij gaf de voorkeur aan de route langs het Oudekerksplein, over de Wallen. Op zijn dooie gemak slenterde hij door de rosse buurt, waar het kleurloze sterfkleed van de stad werd beschenen door de ramen van de bordelen. In het 14


peeskamerlicht van de Enge Kerksteeg deden de sanseveria’s in de koperen plantenbakken op de vensterbanken hem denken aan zwartgeblakerde duivelstongen, die uit een wijd opengesperde hellemuil omhoogschoten. Verderop had je Parijse Leen, die al zeventien jaar in het vak zat – of nog langer, niemand wist het precies. Op een kleine verhoging zat ze in haar leren zetel, haar gezicht onbewogen, spottend, minzaam; de onvolprezen koningin van de Wallen. Al dagen spookte het beeld van Elise achter haar raam door zijn hoofd. Maar als hij zich haar gezicht voor de geest wilde halen, ontglipte ze hem en zag hij slechts vage indrukken, onvaste contouren, alsof hij zonder bril naar haar keek. De pruik die ze droeg, de details van haar kleding, de wolkjes op haar blote benen, het gekleurde licht en de rook van haar sigaret – dat alles tekende zich haarscherp af op de foto in zijn geest. Alleen haar wezenlijke gelaatstrekken, de duistere ogen waarin hij het verborgene van haar ziel hoopte te peilen, hielden zich schuil in de nissen van zijn herinnering. Hoe harder hij zijn best deed haar beeltenis te vangen, hoe verder deze van hem wegdreef. Sinds de spraakmakende moord op een van de meisjes, vier jaar geleden, leek er iets veranderd op de Wallen. De sfeer was grimmiger geworden, men was beducht voor geweld. Sommige bordelen, die heel eufemistisch ‘verhuurinrichtingen’ werden genoemd, moesten hun ramen voorgoed sluiten, en in een enkel geval doekte een madam of souteneur uit eigen beweging de tent op. Het was gangbaar dat meisjes die ‘in het leven’ zaten, getrouwd waren met hun pooier, die zich meestal in de onmiddellijke nabijheid bevond. Zo was de veiligheid van de dames min of meer gewaarborgd. Voor meisjes van buitenlandse komaf was het vinden van een echtgenoot een zaak van een zeker belang, want zonder een Nederlandse vent was de kans groot dat ze voetstoots het land werden uitgezet. Ook Poolse Elise zou vast en zeker pogingen in die richting hebben ondernomen. Terugkeren naar gene zijde van de Muur was uitgesloten, daar wachtte haar de kogel. Vol gedachten, verkleumd maar hoopvol gestemd, kwam Effa in de Gordijnensteeg aan, en loerde van een afstand naar het raam van Elise. Telkens als hij daar binnen keek, hoopte hij dat ze het podium van haar revue beklommen had en dat ze zou trachten zijn blik te vangen, want gluren werd hier aangemoedigd, was volkomen gerechtvaardigd, de aanzet tot een tijdelijk contract van goedkeuring, vertrouwen misschien. Weliswaar keek ze hem elke keer als hij haar raam passeerde aan, maar pogingen hem binnen te lokken onder15


nam ze nooit. Nu vertraagde hij zijn pas, en wachtte tot alle voorbijgangers uit het zicht verdwenen waren. Toen ging hij op zijn doel af. Voor haar raam bleef hij stilstaan, stampvoetend van de kou; in de hoeken van het vensterglas hadden zich ijsbloemen gevormd. De gordijnen waren open, maar ze zat nog niet op haar stoel; het was kwart voor zes, ook voor Elise de gangbare tijd om weer de kost te gaan verdienen. Het lege kamertje was, ondanks de schemerlamp die er brandde, zo onpersoonlijk als een bezemkast. Nieuwsgierig keek hij naar binnen, in één oogopslag kon hij de peeskamer overzien. Het was eigenlijk meer hok dan kamer. Een volks behangetje met Lodewijk-de-zoveelste-motief sierde de wanden. Tegen een muur stond, met een lappendeken toegedekt, het bed waarop de ongenaakbare haar werk verrichtte. Bij het voeteneind hing een smoezelig gordijn; erachter vermoedde hij de wc, en misschien een ligbad. Op haar stoel lagen een handspiegel en een pakje sigaretten, in een rieten mand op de vloer sliep een rosse kater. Naast de voordeur brandden de rode lantaarns, wier heimelijke beloften zich verspreidden als een bedwelmend parfum. Schichtig keek hij om zich heen; verderop stond een straatmadelief te roken, in het avondlicht tekenden zich de contouren af van haar bontjas. Nonchalant, schijnbaar ongevoelig voor de winterkou, leunde ze ruggelings tegen de gevel, met één voet opgetrokken tegen de muur. Maar zij was er nog niet, zijn Elise (zo bleef hij haar noemen, want geen enkele fantasie over een onmogelijke liefde houdt stand als er geen naam is die heimelijk fluisterend kan worden aangeroepen). Die namiddag dat hij haar voor het eerst gezien had, was er een verontrustende honger in hem wakker geroepen. Voortdurend verkeerde ze in zijn gedachten, een verrukkelijke wereld waar alles kon, alles mocht, waar de scheidslijn tussen liefde en lust dunner was dan ooit. En toch bracht dit gemijmer hem niet het geluk waar hij zo op hoopte. Als Annabel, de enige vrouw van wie hij echt gehouden had, toch eens wist hoe vurig hij hoopte dat ze hem zijn misstappen inmiddels zou hebben vergeven. Had zij sinds hun breuk eigenlijk vriendschappen met andere mannen aangeknoopt? Wat waren ze in een korte tijd van elkaar vervreemd; van haar leven na die trieste dag, een halfjaar geleden, wist hij niets. Met een brok in de keel liep hij verder, op weg naar de warme zitting van de stoel achter de balie. Om kwart voor twaalf verliet de avondploeg het gebouw en zat ook Effa’s werk er weer op. Hij keek vermoeid in het rond: waren alle lichten uit? Wegwezen dan. Rillend voelde hij nog eenmaal aan de 16


deurklink, stak de sleutelbos in zijn jaszak en keek de lange, stille straat in, waar aanhoudende sneeuwbuien gedurende de avond een smetteloos wit tapijt hadden gevormd. Met een zucht begon hij aan de wandeling huiswaarts. Bijna donderdag; nog twee dagen, dan was het weekend. En Kerstmis. Hij zag er meer dan ooit tegenop, het leven is uiteindelijk toch meer maandagochtend dan zaterdagavond. Zwaar voorovergebukt, de windvlagen en de sneeuw trotserend, werd hij meer nog dan tevoren beroerd door het droombeeld van Elise, de gevallen engel, zo tragisch in haar rol gedreven; een scène uit een B-film, eindeloos afgedraaid op een onvermoeibare projector. Het verlangen, de suggestie van genot, het valse der belofte – leeg was het, maar o zo aanlokkelijk. Met zijn handen diep in de jaszakken slenterde hij langs de ramen. Waar de gordijnen wijd uiteen stonden, daar was zijn aandacht (en de hunne: in een oogwenk hebben ze hem in de smiezen. Genadeloos zoeken ze oogcontact, maken hem tot schouwobject van hun geldelijke lusten. Schaamte gloeit een moment in zijn hart, maar de opwinding daalt naar primitiever oorden van het lijf. De discrepantie tussen kijken en bekeken worden vervaagt en voor hij het weet, is hij de hoer en zijn zij de passanten). De verlichte ramen verdwenen uit zijn blikveld, hij passeerde nu steile trapjes, sinistere kelders, een kroeg met Perzische kleedjes op de tafels. Koperen toog, wit porselein, helverlicht bierembleem. Accordeonmuziek, stamgasten aan het pils, opgewonden gezichten boven een spel klaverjassen. Hij keek eventjes naar de gezelligheid daarbinnen, zuchtte vertwijfeld en liep, liep gewoon maar door, voorbij de huizen van vertier, tot hij de Gordijnensteeg naderde, waar de rode lantaarns hem al verwelkomden. Stilletjes hoopte hij dat hem vanavond de teleurstelling van de afgelopen dagen bespaard zou blijven; toen hadden de gordijnen bij Elise wijd opengestaan, en ofschoon de schemerlamp brandde, bleef haar stoel onbezet. Waarom? Een plaspauze, een slok water uit de kraan? Enkele woorden wisselen met het meisje van het aangrenzende raam? Vijf minuten met een lotgenote, in de beslotenheid van een gangetje, buiten ieders zicht; je lijf verkoop je in de etalage, maar het zieleleed, de spijt, wordt zuchtend bij de meterkast besproken. Nu, voor het eerst deze week, zat ze er weer; van een afstand zag hij haar, de bleke benen over elkaar gevouwen, als een daadkrachtige waarschuwing: eerst betalen, dan profiteren. Ze nam juist een haal van haar sigaret, de Mona Lisa van de nacht, in haar lichtkader. De plastic asbak op de vensterbank had een onkleur in het schijnsel van de straatverlichting. Deze keer keek ze hem niet aan. 17


Hij haastte zich langs haar raam en zwaar te moede stelde hij zich voor dat hij een keer echt de stoute schoenen aantrekt, en op de bel drukt. Een hem onbekende jongedame neemt zijn jas aan, hier is dit kledingstuk even overbodig als alle andere; ze hangt het aan de kapstok, netjes op een fluwelen hanger, en vraagt hem even te wachten. Er klinkt muziek in de Franse taal, een gefluisterd liefdeslied. Het is hier behaaglijk warm, en overal is het interieur doordrenkt van dezelfde sensuele gloed: lampenkapjesrood, omfloerst en verhullend. Lange schaduwen op plafond en muren, alles lijkt te pulseren. Dan stapt een meisje uit een van de deuropeningen de gang in. Het is Elise, gekleed in transparant satijn, een dolend schaap in dit roodzwarte inferno. ‘Komm herein,’ is alles wat ze zegt; hij volgt haar naar haar kamer, waar de radiator vol openstaat. Zwijgend loopt ze voor hem uit op haar hoge hakken, kijkt over haar schouder en lacht. Ze gaat naar het raam en sluit de gordijnen. Voorzichtig maakt ze de pruik los, die ze op een piepschuimen hoofd plaatst; nu stapt ze uit haar minirok, schuift een paar spelden weg en schudt haar haren los, een parade van krullen over haar halfblote schouders. Onderzoekend kijkt ze hem aan. De aanblik benevelt zijn hoofd, zijn lichaam gloeit, hij kan vast de hele wereld aan nu zij van hem zal zijn, al is het maar voor even. Haastig schopt hij zijn schoenen uit en knoopt zijn hemd los. Dan gaat ze op het bed zitten en klopt uitnodigend naast zich op de lakens. Maar hij kan het niet. Ze ziet er anders uit dan hij gewend is. Hij kijkt nochtans zonder angst, zonder vooroordeel; het schaamtegevoel heeft hij afgeschud. Zijn muze is mooier dan ooit tevoren, maar nu het erom spant, blijft de betovering achterwege. ‘Ich werde dich lieben,’ zegt ze met haar slavische accent, terwijl ze haar truitje en haar laarzen uittrekt. Ze blijft het vol overtuiging herhalen, als om hem aan te moedigen, maar de geveinsde liefdesverklaring benadrukt juist het tegendeel. ‘Aber sag mir doch mal,’ zegt ze dan op een heel wat zakelijkere toon, ‘wieviel Cash hast du für mich?’ Ze telt het geld dat hij haar aarzelend aanreikt, legt het in de lade van haar nachtkastje. Dan steekt ze een sigaret op, inhaleert diep en legt hem op de platte rand van een wit asbakje – precies het schaaltje van de toiletjuffrouwen op West-Duitse Raststätten. Routineus leunt ze achterover en waarschuwt: ‘So lang wie die Zigarette brennt.’ Onwennig staart hij naar de smeulende punt van de filtersigaret die, als hij niet snel tot actie overgaat, traag maar onherroepelijk zal opbranden tot er slechts een fragiel staafje as rest. 18


‘Aber wenn du doppel zahlst…’ Ze kijkt met een veelzeggende blik naar het volle pakje sigaretten, en vlijt zich plichtmatig op de koele lakens neer. Voor nieuwsgierige voorbijgangers valt er nu niets te zien, het rode schijnsel van de lantaarns en de gesloten gordijnen fluisteren aan de buitenkant op straat slechts verhalen van zweterige passie en kwartiertjesromantiek. Binnen klinkt hijgerige muziek, zoetgevooisde zangeressen die de klant in een lome, gulle stemming moeten brengen. Maar de twee tientjes en het briefje van vijf die hij haar gegeven heeft, zijn niet toereikend voor de tijd die de meisjes aan hun meer welgestelde clientèle besteden. De sigaret gloeit gestaag verder, en al verdoet hij met zijn overpeinzingen kostbare tijd, hij is tot niets anders in staat. In de slaapkamerschemer zijn de lijnen rond haar ogen zachter, ze is niet langer de Lucifer van een paar minuten geleden, in het rode licht van de overloop. Nu is ze weer het schoolmeisje dat de verkeerde vrienden koos. Ze buigt zich naar hem toe, haar blik boort zich in zijn ziel; zoekt ze naar mededogen, vergiffenis? Het drogbeeld verdween onmiddellijk toen hem een sneeuwvlok in een oog waaide. Als gepurificeerde zieltjes, belast met een hemelse missie, dwarrelden ze in slow motion naar de aarde, met miljarden tegelijk. Het schijnsel van de straatlantaarns verleende het schouwspel een vertraagdheid die anders alleen bestaat op avonden van glazig gestaar in de lichtjes van de kerstboom. Een gebogen gestalte kwam hem tegemoet en mompelde een goedenavond. Enkele tellen later hoorde hij het tikken van een muntje tegen vensterglas, gevolgd door een ongemakkelijk kuchje. Schielijk keek hij achterom, hij zag de passant nog net door een deur naar binnen glippen, hunkerend naar de schijnbelofte van genegenheid in deze midwinternacht. Het was rond die tijd dat Effa begon te verlangen naar een hereniging met Annabel, de eerste maal dat hij met dat sprankje hoop zijn droefgeestig gemoed durfde verlichten. Maar de gefantaseerde vluggertjes met Elise bleken vooralsnog een verzengender vuur. Zodra ze hem van achter het koude glas aanstaarde, verdampten zijn gedachten aan Annabel ogenblikkelijk. Deze kerst aanbad hij de priesteres van Venus, de ware liefde wachtte geduldig af.

19


9 Effa gaat

‘Een oproerkraaier kunnen we hier niet gebruiken,’ had de editorin-chief van de Courant gezegd. ‘Als je je niet wil conformeren aan onze regels, dan is jouw loopbaan hier ten einde. En dat je de zoon bent van dominee Van Susteren, interesseert me geen biet. Voor jou tien anderen!’ Het kon, achteraf gezien, ook niet uitblijven: mijn provocaties hadden zich opgestapeld, bijna twee jaar lang. Het onvermijdelijke lag dan ook voor de hand, maar toch had ik het niet zien aankomen. Mijn stante pede ontslag was de laatste akte in een lange reeks theatrale erupties van opgekropte spanning tussen mij en mijn redacteuren. Achteraf geef ik toe dat ik het die laatste keer te bont had gemaakt. En dat alles vanwege mijn onbenullige principes die ik hardnekkig bleef verdedigen tot voorbij de grens van het betamelijke, ondanks pogingen van mijn collega’s mij tot rede te brengen. ‘Choose your battles wisely,’ was mij al meermalen geadviseerd, maar hoe standvastiger ik voet bij stuk hield, des te moeilijker – nee, onmogelijker! – het werd om mijn pièce de résistance tot redelijke proporties terug te brengen. Ik werd ingesloten door mijn eigenhandig gemetseld bolwerk van vrijzinnige dialectiek, waarin ik meende mij te moeten manifesteren als stem van het collectieve geweten en trachtte de enclave te verdedigen tegen de stormram van dogmatisch denken. Een op voorhand verloren strijd. Het was begonnen toen ik ruim anderhalf jaar geleden de opdracht kreeg verslag te doen van een protestmars, waar vooral studenten en provo’s zich fel uitspraken tegen de woningnood in de 20


stad, met name in de volksbuurten. Als nieuwbakken verslaggever liep ik tijdens de betoging mee met een aantal jonge ‘aksievoerders’. Overal om ons heen schreeuwde men leuzen, of werd er gezongen over de uil die in de olmen zat. Het zag wit van de spandoeken en protestborden. Een jongeman in legerjack, die zich bekendmaakte als staatsburger van de Oranje Vrijstaat (‘schrijf maar op dat ik Jan van A. heet’), vertelde me dat de demonstranten de woonellende in de stad aan de kaak wilden stellen. Steeds minder woningen werden er gebouwd, en nu wilde het ministerie van Volkshuisvesting weer eens een huurverhoging doorvoeren. ‘Van de 35.000 woningzoekenden vindt maar een klein deel daadwerkelijk woonruimte,’ zei hij narrig. ‘En dan moet je bedenken dat er tienduizenden woningen in aanmerking komen voor het predikaat ‘onbewoonbaar’. Ze bouwen wel kantoren, maar voor speelplaatsen, parkeerruimte of openbaar groen is er geen geld. Da’s toch kapitalistisch gelul?’ Hij dreunde duidelijk een lesje op, maar in zijn ogen las ik oprechte woede. ‘De gemeente moet goed begrijpen dat we het niet langer pikken,’ vervolgde hij. ‘Wij staan op voor onze rechten. We zijn tegen het huidige huurbeleid, tegen de verdeling van woonruimte en tegen kamerverhuurbedrijven. Pas als het welzijn van de mens onaangetast blijft, en de beschikbare woonruimte eerlijk wordt verdeeld, zijn we tevreden. In dit atoomtijdperk worden mensen tot holbewoners gemaakt. Daar komen we tegen in opstand.’ ‘Maar denk je dat de autoriteiten er echt iets aan zullen doen?’ vroeg ik hem, terwijl we door de straten marcheerden. ‘Ik hoop dat ze naar ons luisteren,’ zei hij met een gelaten blik, maar die maakte snel weer plaats voor strijdlust. ‘De gemeente laat doelbewust woningen en onrendabel geworden bedrijfspanden leegstaan. Niet dat er geen budget is om ze op te knappen, hoor; ze hebben ruim vier miljoen, maar daarvan strijken ze liever de jaarlijkse rente op. En weet je wat ook zo bezopen is? Dat je 27 jaar moet zijn om je in te mogen schrijven voor een woning. Wat blijft er dan nog over?’ ‘Kraken?’ ‘Precies, en dat doen we dan ook. Straks gaan we twee panden bezetten die al bijna anderhalf jaar leegstaan. Kunnen daar tenminste weer mensen wonen. Kijk, daar heb je er weer een.’ We passeerden een vervallen huis met dichtgetimmerde ramen. Een actiegroep had pamfletten op de gevel geplakt met het opschrift dit is een rotte plek. 21


‘Maar de gemeente heeft toch juist toegezegd huizen van de armere bevolkingslagen te gaan opknappen?’ wierp ik tegen. ‘En denk jij dat dat in het voordeel van de bewoners is?’ Ik haalde mijn schouders op. ‘Jij bent de expert, niet ik.’ ‘Het is de gemeente alleen om de centen te doen,’ zei Jan bitter. ‘Ze plaatsen die lieden in een tijdelijke behuizing, ver van hun werk. Hun woning wordt opgeknapt, ze krijgen de gelegenheid terug te komen, maar dan moeten ze wel tweehonderd gulden meer huur gaan betalen. Want die huurverhoging voeren ze bij de gemeente natuurlijk meteen door, weet je wel. Veel arbeiders kunnen zich dat niet veroorloven.’ Jan begreep de kracht van het massamedium, hij overvoerde me met informatie, wetend dat zijn woorden de volgende dag in de krant zouden staan. Met gloedvolle stem betoogde hij dat een mens wel van een half brood, maar niet met een half dak kon leven. Hij, en velen met hem (hij wees op de honderden betogers om ons heen) wensten niet tot krotbewoners gedegradeerd te worden, en nummers op een lijst zonder eind te worden. Ze zouden een gekraakt pand pas weer verlaten als het de bestemming kreeg waarvoor het was gebouwd. ‘Binnenkort is het Bevrijdingsdag,’ zei hij, voor we afscheid namen. ‘Die dag markeert het zilveren jubileum van de oorlog en van de woningnood. Dan worden zoveel mogelijk lege panden bezet om op dat dubieuze feit de aandacht te vestigen. Schrijf daar tegen die tijd ook maar een artikel over, dan heb je weer een goed item.’ De dag was geëindigd met de bezetting van twee panden in de Sarphatistraat. In de daaropvolgende dagen had de me zich ermee bemoeid. Mijn bijdrage, een bloemrijk vierkoloms-artikel waarin ik, geïnspireerd door de ontmoeting met Jan van A., mijn lezers ‘een indringende blik in de wereld van de Umwelt-bewuste demonstrant’ had willen gunnen en waarin ik iets te nadrukkelijk mijn partijdige mening etaleerde, leidde tot een verhitte discussie met de redactieleden, die mijn werk ongeschikt voor publicatie achtten en het bestempelden als een ‘onprofessioneel narcistisch handvest’. Drie maanden eerder was er het Kristjanev-debacle geweest. Die keer stonden niet mijn journalistieke kwaliteiten ter discussie, maar beging ik tijdens de nieuwjaarsborrel een blunder toen ik een medewerker op de hak nam die slechts een meter bij me vandaan bleek te staan. Ik hing, nippend aan mijn vierde glas champagne, met enkele collega’s aan de bar en imiteerde luidruchtig de tongval van het buitenlandse journaille dat ons kantoor bezocht. Zo blonk ik uit in het 22


nabootsen van de Russische keelklanken van de al wat oudere correspondente Jelena Kristjanev, en had ik een veelvuldig geoefende en geperfectioneerde one man-show opgevoerd. ‘Jelena Kristjanev,’ had ik als grand finale met een wodka-stem gebruld, ‘Ik… ik ben kameraadski Jelena Kristjanev, correspondent in Moskou waar ik sovjets pijp en bef!’ Zelf lachte ik het hardst, maar de pret was van korte duur. De dame in kwestie, wier gevoel voor humor in de lange Russische winters niet bepaald tot bloei was gekomen, had alles gehoord en nam de zaak hoog op. Zo eindigde de eerste werkdag in het nieuwe jaar met een vermaning van de directie. Als beginnend lid van de schrijvende pers werkte ik hard en was ik leergierig, maar ook eigenwijs en mijn stellingname niet zo neutraal als ik dacht. Regelmatig spuide ik mijn kritiek, die zich vooral richtte tegen besluiten van Kamerleden waarvan de samenleving mijns inziens niet beter werd; Kamerleden, zo bazuinde ik rond, van het type ‘politicus incorrectus’. Steeds vaker brachten mijn uitlatingen me in ongemakkelijke situaties, zoals die keer toen ik het had gewaagd onze meest ervaren editor (hij prefereerde die term boven het al te regionale ‘redactiechef’) te verwijten dat hij mijn bijdrage had ontdaan van de kritische kanttekeningen die ik in mijn vraaggesprek met lijsttrekker zus-ofzo had gemaakt. De editor was een geheel andere mening toegedaan. Geduldig had hij me uitgelegd dat een goede journalist zijn artikelen niet tot een platform voor zijn eigen overtuigingen maakt, maar zijn rol juist naar de achtergrond dringt. ‘Vergelijk het met het gordijn op de bühne,’ zei hij. ‘Dat ogenschijnlijk ondergeschikte stuk textiel is van het allergrootste belang. Het is niet slechts een duistere voorhang tussen schouwspel en publiek, neen—’ waarschuwde hij met geheven vinger, ‘het camoufleert en het onthult. Het is discreet ten aanzien van wat beter verheimelijkt kan blijven, maar in de meeste gevallen – vooral die waarmee Hij ons een les wil leren –’ en veelbetekenend sloeg hij zijn ogen op naar een schijnbare Alomtegenwoordigheid, waar ik slechts een vage schimmelvlek op het plafond ontwaarde, ‘legt het bloot wat erachter plaatsvindt. Jij bent de toneelmeester en het is aan jou om te bepalen wat er gezien wordt en wat niet. Jouw persoonlijke visie doet niet terzake, die staat geheel in dienst van journalistieke integriteit, maar steeds geplaatst in het raamwerk van onze ideologische uitgangspunten. Begrepen, jochie?’ Toen had ik al nattigheid moeten voelen. Ik had het als mijn mo23


rele plicht opgevat om de naakte, ongecensureerde waarheid te brengen. En nu predikte deze verstokte Calvinist juist het tegendeel! De morele plicht werd een kruistocht; voortaan zou ik mijn pen nog dieper in waarheidslievend gif dopen. Mijn citadel verkruimelde toen ik op een dag een van mijn bijdragen langs de censuur van de redactie had weten te manoeuvreren. De hoofdredacteur was tijdens de uren voorafgaand aan het ter perse gaan van de krant niet op kantoor. Door zijn gewoonte voortdurend te kauwen op zijn pen was een stuk van zijn hoektand afgebroken, wat een tandartsbezoek noodzakelijk maakte. Het was begin juli, komkommertijd, en het toeval wilde dat ik als enige medewerker op de redactie was achtergebleven. Het gewraakte stuk rolde al van de persen toen iemand de inderhaast teruggeroepen hoofdredacteur het bewuste katern overhandigde. ‘Ihf die Effa helewhaal gek gewohden?!’ had hij geroepen, met het venijn nog in zijn verdoofde lippen. Na een korte reprimande vol vormeloze medeklinkers en verdwaald speeksel mocht ik de redactieruimte verlaten. Maar daarmee was de zaak niet afgedaan. De volgende ochtend lag er een notitie in mijn postvak: naar de directiekamer komen, nú meteen! Was getekend: Drs. A. Van Enckhuysen. Elk weldenkend mens had een heilig ontzag voor Agaath Van Enckhuysen, editor-in-chief van De Reformatorische Courant. Ze had het ver geschopt: begonnen als typiste in de glorietijd van de krantenindustrie, toen anti-communistische moppen in elke vergadering nog à tout waren, vlot doorgestroomd naar de redactiekamer, waar ze de vaak onderschatte functie van corrector (correctríce, benadrukte ze steeds, want geëmancipeerd was ze toen al) op zich had genomen en – na een periode van afwezigheid, om de dood van haar man te verwerken – opgeklommen tot ‘assistent van’ en uiteindelijk de kamer op de bovenste etage. Ze was altijd strikt maar voorkomend, strooide na het rouwproces nog meer met bijbelcitaten dan voorheen, had een zwak voor driftig benadrukte syllabes, kon meedogenloos uitvaren tegen laatkomers, foutgespelde woorden, rondslingerende tassen en andere onvolkomenheden, bepaalde de koers en corrigeerde alles wat daarvan afweek. Om kort te gaan: Van Enckhuysen wás De Reformatorische Courant. Heilig ontzag. Iedereen dus, behalve ik. ‘Weldenkend’ stond achteraan in mijn woordenboek. Met mijn jas nog aan stond ik voor het gezandstraalde glas van haar deur en staarde naar het autoritaire logo en het motto, dat het nauwe kader van de eigen leerstellingen 24


leek te verwoorden: de finibus bonorum et malorum, over de Uitersten van Goed en Kwaad. Alsof de veroordeling al over mij was uitgesproken, klopte ik voorzichtig, draaide de deurknop om en betrad het heiligdom, waar de editor-in-chief al recht overeind stond achter haar antieke bureau van mahonie. Nijdig smeet ze de gisteravond-editie op het leren schrijfblad. ‘Waar ben jij in hémelsnaam mee bezig?’ beet ze me toe. Ik staarde naar de krant. ‘Nou, wat heb je dit keer voor verklaring?’ —“Wel, mevrouw Van Enckhuysen, ik gebruik de oplage van uw krant slechts als spreekgestoelte voor mijn vernieuwende ideeën aangaande sociaal-maatschappelijke frivoliteiten.” (Aha, ze gebruikte een van haar meest intimiderende tactieken: de solodiscussie, zoals haar debattechniek in de wandelgangen genoemd werd, waarbinnen zijzelf het triumviraat van aanklager, advocaat en gedaagde vormde. Edelachtbare, verder beraadslagen is niet nodig, wij zijn reeds tot een vonnis gekomen.) Intussen dreinde ze door, als een niet te stuiten lettergrepenlocomotief. Ze trok de krant naar zich toe en – volledig opgaand in haar rollenspel – met elke personagewisseling hupsend van het ene been op het andere, sloeg ze al pratend met rukjes als zweepslagen de pagina’s om. ‘Dat je een fantast en een lastpak bent, vind ik tot daar aan toe, maar dít,’ en met de wit aanlopende top van haar wijsvinger drukte ze op kolom vier in het ‘Mens en Maatschappij’-katern, ‘gaat mij veel te ver, jongeman! En natuurlijk kun je het wel weer verklaren, dat weten we inmiddels wel. Aan mooie praatjes heb jij nooit gebrek!’ Ik las de kopregel bij haar in het papier priemende vingernagel: “Confessies van een Nachtvlinder”. Als auteur van het artikel wist ik wel wat de gewraakte passage was: Amsterdam, van een onzer redacteuren — ‹‹De vestiging van een bordeel, in een van de chiquere buitenwijken van de stad, in een statige laan waar overwegend gereformeerde zestigers wonen, heeft de anders zo kalme buurt opgeschrikt. Zowel de omwonenden als de meerderheid der dames die werkzaam zijn in het gehekelde pand – een tot voor kort leegstaande villa – onthouden zich van commentaar, maar één van de ‘meisjes’ had een duidelijke 25


mening over haar straatgenoten: “Die hypocriete kwezels veroordelen de bordeelbezoekers, die ze verantwoordelijk achten voor het verstoren van de zondagsrust. En dat terwijl hun eigen voorganger tot mijn klandizie behoort! Zijn Kerk, die zo graag rechtertje speelt, zwijgt ons, publieke vrouwen, het liefst dood. Als men dat menslievendheid noemt, dan is God daarboven vast in slaap gesukkeld.” ›› De editor-in-chief keek me met haar metalige ogen aan. ‘Waar haal je het lef vandaan om deze smaad te publiceren?’ Ik haalde mijn schouders op. ‘Die jongedame gaf gewoon haar mening. Bovendien wilde niemand anders me te woord staan. Nieuws is nieuws.’ Van Enckhuysen kookte. ‘En dus slinger je maar lukraak alles in de krant?’ —“Ziet u, geachte redactieraad, wij hebben een verantwoordelijkheid jegens onze lezers!” schalde haar stem in een halfslachtige poging op die van mij te lijken. Ik zat er al op te wachten: weer parafraseerde ze mijn eigen woorden. Ik had tijdens de laatste redactievergadering als enige voor een onafhankelijkere journalistiek gepleit. Ze had mijn verzoek niet vergeten en nu gebruikte ze het tegen me. Wat een secreet! ‘Je weet donders goed, meneertje Van Susteren, dat de Courant geen vrijdenkersinstituut is. Als jouw kijk op ethiek niet te verenigen valt met de onze, dan ga je maar naar een andere krant, waar men je vuilspuierij wel wil plaatsen. Maar in mijn krant tolereer ik geen aanval op de Eigenkirche in een smadelijk artikel over een… een–’ Ze hapte naar adem. Het walgelijke woord moest in haar strot zijn blijven steken. De stilte daalde bevrijdend over ons neer. ‘–hoer!’ Ik keek haar strak aan. De Van Enckhuysen-express kwam eindelijk tot stilstand, het stoom nog op de tirannieke lippen. Het duurde een poos voor ze zich hersteld had. ‘Wát zeg jij daar tegen me?’ ‘Hoer, zei ik.’ Er viel niets meer te redden en eerlijk gezegd wilde ik dat ook niet. Ik veegde mijn klamme handpalmen droog aan mijn broek. Mijn hart bonkte. ‘Hoer. Is dat nu zo’n moeilijk woord?’ ‘Wel heb ik ooit…’ klonk het vertwijfeld. ‘Mijn artikel, dat u zo van slag maakt,’ vervolgde ik, mijn woorden nauwkeurig kiezend, ‘beschrijft de gevoelens van een hoer. Een 26


lichtekooi. Een meisje van de nacht. Maar bovenal een mens. Het is mij een raadsel wat daar zo verwerpelijk aan is.’ ‘De heilige Schrift zegt duidelijk…’ ‘Dat kan me niet schelen!’ blafte ik. ‘Jullie altijd met je Schrift! We leven niet in de Middeleeuwen! Denk je soms dat de tijd is stil blijven staan? Jij veroordeelt wel de Hoer van Babylon, maar de gruwelen van Vietnam worden breed uitgemeten, want ‹‹tja, da’s nu eenmaal de actualiteit, geachte lezer; daar moeten wij u, als gewetensvol dagblad, van op de hoogte houden…›› ’ Ik was los. Nu was het tijd voor de genadeklap. ‘De valse kuisheid van jouw schijnheilige Courant tegen al wat godslasterlijk is, dát is pas het scharlakenrode Beest met zeven koppen en tien horens!’ Van Enckhuysen keek of ze water zag branden. Ze kwam achter haar monstrueuze bureau vandaan. ‘Ik weet niet wat er in jou is gevaren,’ siste ze. ‘Ik heb dit in al die jaren nog nooit meegemaakt.’ ‘Omdat hier godverdomme alleen slachtvee werkt…’ ‘En nu houd je je grote mond!’ ‘…die braaf blatend hun dagelijkse gang naar het offerblok van de censuur maken! Wie denk jij eigenlijk dat je bent? God zelf?’ Dreigend ging ze tussen mij en haar schrijftafel staan. ‘En nu eruit,’ zei ze. Ik staarde haar aan, bewegingloos. Ze liep naar het logo-met-motto, greep me bij de arm en rukte aan de deurknop. ‘Er uit!’ ‘Wat is er gebeurd met de vrijheid van meningsuiting?’ riep ik nog, maar het had geen enkel nut. Ze had me al naar buiten gewerkt. Nicolien was, ondanks het in de soep gelopen bioscoopavondje buitengewoon aardig gebleven. We hadden meer gepraat dan we in onze laatste maanden samen ooit op een avond gedaan hadden. Tot in detail had ik Nicolien op de hoogte gebracht van mijn ervaringen met de journalistieke wetten binnen de dogma’s van een gereformeerde krant en mijn opluchting toen ik de deur van het grachtenpand achter mij had dichtgegooid. Ze had mijn verhaal eerst met een frons aangehoord, maar ik vertelde smeuïg en gaandeweg monterde haar gemoed op. Om mijn aanvaring met de editor-in-chief moest ze onbedaarlijk lachen, tot ik wilde uitleggen wie de voorganger uit mijn laatste bijdrage in de krant was. Nicolien wist het wel: mijn vader. Het artikel had nogal wat losgemaakt binnen de kerkgemeenschap. Maar ik benadrukte dat het allemaal op een misverstand 27


berustte. Toen ik als journalist in functie bij het bordeel had aangebeld voor een kort commentaar op de klachten van de buurtbewoners, had een van de prostituees zich tijdens mijn vraaggesprek laten ontvallen dat van de voorganger van een ander stadsdeel gezegd werd dat hij weleens naar de dames van lichte zeden ging. Om het verhaal smeuïger te maken, had ik in het artikel gesuggereerd dat de voorganger van de kerkgemeente in de bewuste wijk regelmatig te gast was in het bordeel dat daar sinds kort gevestigd was. Ik had één ding over het hoofd gezien: mijn ouders woonden verderop in de betreffende wijk, en nu dacht half Amsterdam dat mijn vader een hoerenloper was. Hij had het me zeer kwalijk genomen, en een tijdlang niet met me gesproken. Ik luisterde op mijn beurt naar Nicolien, zonder haar te onderbreken; ze vertelde dat ze een jonge straatkat in huis had genomen, iets wat ze vroeger nooit zou hebben gedaan. Wat ben je toch mooi, met je vraagtekenstaart, zei ze elke ochtend als hij haar met een benepen miauwtje begroette. ’s Nachts kroop het beestje bovenop de dekens en vlijde zich tegen haar aan, de beschutting zoekend die hij zo leek te hebben gemist; de trooster getroost, zou ik normalerwijs hebben opgemerkt, maar de omstandigheden waren niet normaal en dus koos ik ervoor te zwijgen. Ik babbelde quasi-opgewekt over wat je weleens in de bladen las, dat vrouwen uit stukgelopen relaties maar met moeite weer een nieuwe partner vonden, terwijl het meestal de man was die al gauw weer met een nieuw liefje aan de arm door het stadspark flaneerde. Nicolien keek me kort aan een zei toonloos: ‘Vertel jij het me maar, of het klopt wat de bladen schrijven.’ Ik besefte te laat hoe kwetsend mijn gewauwel moest zijn geweest, ik kon me wel voor mijn kop slaan. Alles wat ik had willen weten was of Nicolien mij voorgoed uit haar gedachten had gebannen, of dat ze me nog een kans wilde geven. Verdraaide lomperd die ik was! Stotterend, met een rood hoofd, antwoordde ik dat ik zeker geen exemplarisch voorbeeld was, dat ik mij begroef in mijn schrijfwerk en beslist geen tijd of interesse had voor afspraakjes die me bij mijn typemachine weghielden. En dat was de waarheid. Ik meende iets van opluchting in Nicoliens ogen te bespeuren toen ik dit zei, maar het strevend hart zaait wel vaker verwarring in de braakliggende akkers van de geest, en dus verbond ik er vooralsnog geen conclusies aan. Aan het einde van de avond konden Nicolien en ik terugzien op 28


een voorzichtige, maar geslaagde toenadering. Ik hield het tochtgordijn voor haar open en zo liepen we al pratend de decemberkou in. Toen ze op haar fiets stapte, die strikt genomen nog steeds de mijne was, gaf ik haar een kneepje in de wang. ‘Hou hem maar,’ zei ik verzoenend. Ze wierp me een hulpeloos lachje toe en fietste weg, van de stoeprand zo de straat op en drukte toen pas, haar bovenlichaam neerwaarts gebogen, de dynamo in. Het ronde achterlicht gloeide felrood op. Ik keek het na tot het niet meer te onderscheiden was tussen de kleuren van de nachtelijke stad.

29


9 Zandtekeningen

Het typoscript van het verhaal waarmee mijn debuut als onafhankelijk auteur geboekstaafd zou worden, had ik nog geen week geleden, op de dag die werd overheerst door Elise en Nicolien, bij de uitgever in de brievenbus gedeponeerd. Lang had ik er op zitten zwoegen, mijn oude typemachine moest dozen papier verzwolgen hebben; een steeds manker hamerende letter S ontsierde het strakke regelwit en door het defecte belletje eindigden veel woorden aan het eind van een regel met een misplaatst koppelteken. Toen ik afgelopen zomer eindelijk de ruwe versie had voltooid, gaf ik het manuscript vol trots aan Nicolien. Ze was een volmaakte proeflezer, ze verslond boeken. Ik had me verheugd op de gedegenheid waarmee ze mijn roman zou lezen. Ze wist hoeveel ik van haar nuchterheid hield, van haar vermogen alle onzinnigheden bloot te leggen, haar verbazing om de moeilijke woorden die ik te veelvuldig gebruikte. Ze merkte elke onvolkomenheid op, alles wat tegen de verhaallogica indruiste, en ze was altijd bereid om haar mening te geven. Ik vroeg haar of ze het wilde lezen. Nicolien glimlachte wrang en zei dat ze geen tijd had. Het is er inderdaad nooit van gekomen, haar hoofd stond naar andere zaken; twee weken later was ze bij me weg. Mijn manuscript bleef ongelezen liggen. Tot mijn schaamte kwam ik al vlug tot het besef dat het vooral de zetel van de schikgodin was die ik miste, en niet zozeer de muze zelf die erop gezeten had. Maar het berouw duurde niet lang. Ik dacht terug aan de recente gebeurtenissen op onze Olympus en bande de muze vlug uit mijn gedachten. Ik had nooit iemand anders mijn 30


schrijfsels toevertrouwd, voor mij telde alleen het oordeel van Nicolien. Boekenminnende vrienden had ik niet, en mijn ouders zouden geen onpartijdig oordeel vellen. Daarom verzon ik de Grote Schrijver. Ik zwijmelde bij de gedachte. Het had iets literairs: bebaarde schrijver met lange jas en hoornen bril zit op een terras met gietijzeren stoeltjes, tevreden lurkend aan zijn pijp, kop koffie halfleeg op zijn tafeltje. Onhandig slaat hij de pagina’s van zijn krant om, loenst stiekum om zich heen of hij bekeken wordt, herkend misschien? ‘Mijnheer, neemt u mij niet kwalijk, maar bent u niet… F.A. van Susteren, de schrijver?’ Hij kijkt op van de krant, geveinsde verbazing. ‘U vergist zich, jongedame,’ antwoordt hij met een minzaam lachje, terwijl hij zijn krant neerlegt. ‘Ik ben het wél. Met wie heb ik het genoegen?’ Giechelend noemt ze haar naam, hij vraagt haar of ze plaats wil nemen. Hij stelt de dame op haar gemak, bestelt koffie voor haar en Calvados voor zichzelf. Ze weet zich niet goed raad met de ontmoeting; ze had nooit durven dromen dat zij haar favoriete auteur, wiens boeken voor haar gelijkstaan aan de bijbel in het nachtkastje, ooit in levenden lijve zou ontmoeten… En nu zit ze tegenover hem; in het echt is hij kleiner dan ze had verwacht, zijn baard wat minder goed getrimd dan ze gewend is van de foto op de achterflap, maar haar adoratie is er niet minder om. Hij op zijn beurt had gewenst de conversatie vrijblijvend en kort te houden (voor hem volstaat het herkend te worden), maar de gretige jongedame weet hem snel in te palmen en veel later wordt bekend dat ze zich hebben teruggetrokken op een tropisch eiland, waar hun talrijke kindertjes blootsvoets ravotten op het witzilveren zand. Geschreven heeft hij de laatste jaren niet meer, maar zijn vrouw is nog barensrijp en de tijd die hem rest blijft niet eindeloos. “Als de mensen geweest waren wat hun grafschriften vermelden, zouden zij reeds veel eerder gestorven zijn: van verveling”, luidt een apocriefe spreuk, en om die reden doet Van Susteren geen enkele moeite zijn meesterwerk van tien jaar geleden nog te evenaren. Zijn wenkbrauwen zijn nu grijs en borstelig, net als zijn baard. De lange jas heeft allang plaats gemaakt voor veelkleurige katoenen hemden met zeesterren en schelpen erop; de bleke gelaatstrekken van de zwartwitfoto op de kaft zijn verleden tijd, de getaande huid heeft hem een equatoriaal uiterlijk gegeven. Met dergelijke dagdromerijen voedde ik veelvuldig mijn stoutste 31


schrijversaspiraties. In de werkelijkheid van alledag bleef het ruisen van turkooizen zeeën beperkt tot de bruinwit gespikkelde tijgerschelp op de vensterbank, maar telkens als ik de opening aan mijn oor hield, was het er, als een vage belofte, fluisterend van een eeuwige branding aan verstilde stranden. Al gauw kwam ik erachter dat de Grote Schrijver een bijzonder hulpvaardig iemand was. Wenste ik zijn gezelschap, dan was hij er in een oogwenk. Hij keek over mijn schouder mee als ik mijn manuscript herlas, wees mij op inconsequenties en fouten. Steeds vaker nodigde ik hem uit. Op een lome namiddag in juli – ik hing onderuitgezakt op mijn stoel – was het weer zover. De hele dag had ik geprobeerd op eigen kracht aan mijn werk te schaven (ook Grote Schrijvers moet men af en toe hun rust gunnen), maar tevergeefs. Het zal mij niet gebeuren dat ik afhankelijk word van een Grote Schrijver, ik moet het zélf kunnen. Met woorden van die strekking voedde ik de chaos, groeide het aantal papierproppen en verfrommelde vellen – het merendeel slechts half volgetypt – die ik driftig uit de machine had gerukt en op de vloer gesmeten. Mijn dwalende blik vond rust op de poster in de kamer. Het was een uitvergrote foto van een zonovergoten tropisch strand, het soort dat alleen in de folders van reisbureaus bestaat: ergens op een door God gekozen plek ligt een stille baai, omzoomd door wit zand, gekust door bedaard kabbelende golfjes; deinende palmen tegen een azuren hemel. Ik begon te staren en voelde de zomerzon op mijn huid, het aanvankelijk zo distante ruisen van de oceaan werd almaar luider. Uit het niets verschenen voetafdrukken op het strand; waren het mijn voeten die ze veroorzaakt hadden? Lang stond ik niet stil bij dergelijke vragen, het paradijselijk oord lonkte. Ik sloot mijn ogen en weldra stapte een jongeman uit de stad een beetje onwennig over het zonovergoten strand. Hij trekt vrijwel onmiddellijk zijn schoenen uit en ploegt blootsvoets door het zand, geniet van de zorgeloosheid die zijn vermoeide geest overspoelt. Als een schipbreukeling, maar dan zonder wrakhout op het rif, laat hij het schoeisel uit zijn handen vallen, ballast is wel het laatste waar hij behoefte aan heeft. Het rulle zand brandt hem onder de voetzolen; de zon, zwijgend in het lapisblauwe zwerk, heeft de middaghoogte bereikt en blakert zijn onbeschermde kruin. De dwaalgast verkent de omgeving, nieuw maar toch vreemd vertrouwd, met zijn rechterhand het schijnsel werend dat weerkaatst in 32


de oceaan, die onmetelijke rimpeling van witgrijs, vaalblauw en cyaan, waarover de hemeltoorts zijn verblindende vonken sprenkelt – een diamanten ader in de golven, ongedurig dansend tussen zeebruis en einder, waar een streep van kobalt de aardkloot begrenst – en daarboven strekt het firmament zich verder uit: een canvas van azuur, indigo, ultramarijn, de contour van een albatros, loom zwevend op de bries. Een schuimboord streelt met zijn zilte slepen een zilveren lint van schelpengrein, zich gedwee langs de waterlijn plooiend tot het er in oneindige verten mee versmelt, en de vreemdeling weet dat dit liefdevol in elkaar opgaan zich zelfs voorbij dat punt nog voortzet, weet dat dit schouwspel verder reikt dan het menselijk oog. Overhellende palmen lijken de zee uit te dagen tot een tweegevecht, een offensief van geschubde speren, gereed voor de strijd. De uren op paradijselijke meridianen verstrijken snel, en de reiziger is al die tijd zijn eigen schaduw achterna gegaan, de zwalkende wijzer van een door de ondergaande zon gevormd kompas. De verkenningstocht heeft hem in de richting van een lagune gevoerd, die van een afstand onzichtbaar was en plots, als een zinderende hemelspiegeling, achter grillige rotsformaties en weelderige begroeiing tevoorschijn komt. Het hemeloog zakt langzaam in een troebel staar, en werpt zijn tressen over het smaragden oppervlak. Juist als de reiziger zich toegang tot het palmbos rond het zoute meer wil verschaffen, hoort hij een luide, gedecideerde stem. ‘Halt, tot hier en niet verder!’ Een corpulente, bebaarde man in hawaïshirt komt tussen het struikgewas vandaan en verspert hem de weg. De idylle scheurt uiteen, de gedachtenstroom stokt. ‘Goed volk,’ zegt de ander geschrokken. ‘Wie heet er nu Goedvolk?’ De kompasnaald vervaagt, de gouden schijf is omfloerst door de nachtnevel. ‘Nee, ik bedoel…’ zegt de schaduwloze. ‘Ja, ja, ik weet het,’ zegt de man, nu vriendelijker. ‘Ik had je al eerder verwacht.’ ‘Maar… bent u niet…’ ‘Weer dat abuis. Ik ben het wél.’ ‘Ik had mij u anders voorgesteld.’ ‘De werkelijkheid valt vaak tegen, vooral wanneer men een gefixeerd moment als de enige werkelijkheid beschouwt.’ ‘Maar ík was het niet die de foto op de achterflap…’ ‘Ik weet het. Wind je niet op. Je bent hier immers om raad te vragen.’ 33


‘Ik weet dat u dat weet, en ook dat u een spelletje met mij speelt…’ ‘…en dat jij evengoed de spelregels…’ ‘Stop! Laten we geen woorden verspillen, uw uitleg is niet nodig. We weten beiden hetzelfde.’ Goede zet, de jeugd toont zich wijzer dan de ouderdom. Laat ze nu nader tot elkaar komen. ‘Je hebt gelijk. Kom, en wees mijn gast. O, en doe me een lol, en hou eens op met dat rederijkersgedoe.’ Nee, niet zo bruusk. Náder tot elkaar, zei ik. ‘Wat bedoelt u daarmee?’ ‘Die hoogdravendheid, dat beeldsprakerige, die misplaatste troop: aardkloot, zwerk, schelpengrein, dwaalgast, hemeloog. De gebeentes van de schrijvers die zich van dergelijke taal bedienden, zijn allang tot stof wedergekeerd.’ ‘Zo schrijf ik nu eenmaal, dat wist u toch?’ ‘Dat is geen schrijven, eerder een omgevallen boekenkast. En mag ik je eraan herinneren dat je uit vrije wil hierheen gekomen bent? Helpen moest ik je, weet je nog? Maar als je liever mijn advies in de wind slaat…’ ‘Nee, loopt u niet weg, ik wilde alleen maar zeggen…’ ‘Nou, verdoe ik mijn tijd, of worden we het eens?’ Enzovoorts, op die voet kunnen de twee nog een tijdje doorgaan. Maar wat schiet ik daar mee op? Laat ik liever bedenken dat de Grote Schrijver gezag afdwingt bij zijn jongere gast… ‘U hebt gelijk, ik kwam hier voor advies.’ ‘Dat doet me deugd, Goedvolk. Wie kan luisteren, heeft mijn aandacht.’ In het afnemende licht banen de twee zich een weg door het dichte struikgewas, en weldra staan ze aan de rand van het palmenbos dat zich als een enorme schaduw om de lagune plooit. Zwijgend hebben ze over het rotspad gelopen, de Grote Schrijver wees de weg, zijn leerling volgde. Koffiebruine kinderen, een meisje en twee in leeftijd oplopende jongetjes, komen hen op het lagunestrand tegemoet rennen, zand stuift van hun blote voetjes. Ze grijpen hun vaders hand en trekken hem ongeduldig mee naar een papperig heuveltje bij de oever, de afdrukken van plethandjes op de flank van de borstwering verraden een simpele, maar doeltreffende bouwtechniek. Met een verontschuldigend schouderophalen naar zijn gast volgt de man zijn kroost, dat hem met opgewonden gebaren naar de zandophoping leidt. De bult is een verkleinde weergave van de lagune – een cirkelvormig 34


fort, een verhoogde wal van vochtig zand, minstens anderhalve meter in doorsnee en bijna een meter hoog. De bengels hebben stevige takken in de borstwering geprikt, zeer dicht tegen elkaar. Wat wordt daar achter die palissade gevangen gehouden? Voorzichtig nader ik het bouwsel en zie binnen de omwalling een groot, kipachtig beest met een kromme snavel en een onbeholpen uitdrukking. Het staat hoog op de poten en stapt ongedurig in het rond, niet wetend hoe het zich uit deze situatie moet redden. Met schrille kreten geeft de pechvogel uiting aan zijn ongenoegen, krabbelt met zijn nagels in het zand, onmachtig met de donzige vlerken klapperend. De Grote Schrijver lacht om het tafereel, wenkt mij hem te volgen naar de paalwoning verderop; kom, dan stel ik je voor aan mijn vrouw, ze heeft juist een verrukkelijke visschotel bereid. Ik schud haar de hand, we wisselen de standaard beleefdheidsformules uit, dag, hoe maakt u het? Ah, zegt zij opgetogen, een liefhebber. Wel, het is een simpel gerecht, ik gebruik alleen een beetje olie en wat zeezout. Nee, ik bedoel, hoe maakt ú het, how do you do, comment ça va, ¿Cómo estás? Ik versta je wel, antwoordt ze, we spreken dezelfde taal. Akkoord, het punt is nu wel gemaakt; nu is wel duidelijk hoe verwarrend het kan zijn – de gedachtenstroom van een verteller die bij zichzelf te rade gaat; en wat ook de lezer zal zijn opgevallen: we ervaren nu het eilandbezoek door de ogen van de reiziger zelf? Goed. Ga verder, vertel hoe de ontmoeting verder verliep. Van Susterens vrouw noemt haar naam. Ja, het is hier prachtig, het is nog precies hetzelfde als toen we hier arriveerden, dit eiland is onveranderlijk. En dan luister ik naar hun verhaal; hij vertelt, zij vult aan wat hij zich niet herinnert, of gewoon vergeten wil. Het stel heeft zich hier tien jaar geleden gevestigd om te ontsnappen aan alle aandacht na het overweldigend succes van Adam’s navelpluis, de vijfde roman van F.A. van Susteren, waarvan het aantal verkochte exemplaren die van al zijn eerdere werken bij elkaar overtreft. Meteen na verschijning, aan de vooravond van de jaren zestig, was het boek een groot succes bij jonge, kritische lezers. Het hoofdpersonage, een weerbarstige rechtenstudent, zoon van een Russisch diplomaat in New York, is ontevreden met de naoorlogse betrekkingen tussen Rusland en het westen. Hij onderneemt een lange reis naar de communistische wereldmacht, om het geboorteland van zijn ouders te leren kennen en het gedachtengoed van het communisme ter plekke, ‘in het pom35


pende hartrood, middenin de leefkeuken van de datsja’, zoals Van Susteren het formuleerde, te leren kennen. Adam legt contacten en maakt carrière in Moskou. Zijn antiwesterse ideologieën brengen hem al snel in het Kremlin, waar hij doordringt tot het Politbureau. Met de hulp van vrienden, en van zijn onafscheidelijke vriendin Eva, weet hij de aandacht van hooggeplaatsten te trekken en hun vertrouwen te winnen. Een glansrijke loopbaan als jurist lijkt hem ten deel te vallen. Overmoedig geworden laat hij zich herhaaldelijk uit over de corruptie binnen de Communistische Partij, maar in het rode bolwerk wordt geen kritiek geduld. Het tij keert, onze held belandt in de gevangenis en wordt gedwongen een bekentenis af te leggen waarin hij zichzelf tot staatsvijand verklaart, een uitspraak die zijn ouders in het verre Amerika in groot gevaar kan brengen. Adam doorstaat de martelingen die erop volgen, hij laat niets los. Hij wordt in een ijskoude nacht naar een afgelegen gebied getransporteerd, maar hij springt uit de trein en brengt zichzelf in veiligheid. Na wekenlange omzwervingen, levend op knollen en bessen, weet hij Leningrad te bereiken, vanwaar hij met een vals paspoort naar Zweden reist, en vervolgens naar Genève, waar hem politiek asiel wordt verleend. Eva is het niet gelukt de Sovjet Unie te ontvluchten, zij stuurt gecodeerde brieven naar Zwitserland, dat een paradijs voor dissidenten is. In één van die brieven vergelijkt zij de uitzichtsloze situatie waarin de mensheid na de Tweede Wereldoorlog is terechtgekomen – gedomineerd door twee supermachten – met de navel van Adam uit de Schepping. Zoals iedereen weet, betoogt ze, had de eerste mens geen navel en met haar utopische metafoor schetst zij een wereld die nooit zal bestaan, die nimmer een modern Eden zal zijn. De kans dat ze ooit nog het communisme zal kunnen ontvluchten is miniem, het is uitgesloten dat ze ooit nog de navel van haar eigen Adam zal strelen, het pluis eruit mag pulken, zoals ze altijd zo graag deed. De roman werd een grote hit in Nederland, maar internationaal succes bleef uit, met name vanwege Van Susterens ongezouten kritiek op de betrekkingen tussen oost en west. Een meesterwerk, volgens de toenmalige recensies. Een bestseller, joelde het agentschap. Een weergaloos boek, oordeelde een generatie die onder het juk van de Koude Oorlog was opgegroeid. Mijn literaire dood, zegt de schrijver nu. Ik uit mijn verbazing over die tegenstrijdigheden. Geduldig legt Van Susteren mij uit dat hem na publicatie van het boek lange tijd geen rust werd gegund. Signeersessies in elke stad van betekenis; 36


interviews, lezingen, vragen uit het publiek – telkens weer dezelfde vragen (hebben de ervaringen uit uw eigen jeugd model gestaan voor het noodlot van het hoofdpersonage, lijkt de echtbreekster niet verdacht veel op uw eerste vrouw, is het thema niet erg gevaarlijk in deze tijd van politieke onrust, en de onvermijdelijkste vraag van allemaal – komt er een vervolg?) Zijn lezers hebben hem bejubeld, maar met de rust van de bestsellerauteur was het voorgoed gedaan, onmogelijk kon hij voldoen aan de vraag naar meer, de loodlast van de sequel. Hij betaalde de allerhoogste prijs: zijn pen was leeg, zijn motivatie verdwenen. Het was zijn vrouw die uiteindelijk het voorstel deed. Enkele vlucht hiervandaan, weg uit de openbaarheid. Lange overwegingen gingen aan het besluit vooraf, nu vindt hij het zijn beste beslissing ooit. Geschreven heeft hij nooit meer; waarom zou ik, lacht hij laconiek, elk jaar ontvang ik een vette cheque. Er wachten mij hier belangrijker taken, hij knipoogt naar mevrouw, knijpt steels in haar bil. Of ik de typemachine wil zien waarop hij het manuscript van Adam’s navelpluis heeft geschreven? Hij toont mij het aftandse apparaat, tussen de rommel in een aangrenzend deel van het huis. Langer dan een snelle blik is me niet vergund, de maaltijd wacht. Als we de vis verorberd hebben, kan ik me niet langer bedwingen. Of ik het schrijfgerei nog eens mag zien? We gaan het rommelhok weer in, op de tast dit keer, verlichting is nooit aangelegd. De schrijver in ruste trekt het ding tussen de troep vandaan, overhandigt het aan me en gebaart me de trofee mee te nemen naar de veranda, waar de kaarsen branden. Zwijgend beroer ik de afgesleten toetsen, die ordelijke verzameling letterstoeltjes waar ik uit hoofde van mijn werk zo vertrouwd mee ben; wat is een schrijver zonder het gekletter van de hamertjes? Pets, pets-pets-pets, pets-pets, petserdepets, is het geen heerlijk sonoor muziekstuk, die qwerty-symfonie? Kort en goed, ik vraag de meester wat hij van mijn eigen literaire probeersel Een Ongepubliceerd Debuut vindt. De Underwood rust op mijn schoot, ik draai aan de rol, waarop tienduizenden letteraanslagen een onontwarbaar spoor van gedachten hebben achtergelaten. De machineinkt haalt een weeë herinnering in mij naar boven, jeugdige ontdekkingstochten op stoffige zolders, de geur van gestremde melk. Het antwoord dat Van Susteren mij geeft is korter dan ik had verwacht, maar de woorden die hij spreekt resoneren nog lang na. Verander niets aan de titel, die is goed; weid niet uit, maar dik juist in; stapel geen metaforen en ten laatste, tik je werk uit op een deugdelijke machine, de letters dansen voor mijn ogen. 37


De bij het oud vuil belande Underwood, en de legendarische status van zijn gebruiker die over het apparaat was neergedaald, floepten weg; plotsklaps drongen geluiden uit de verte tot me door, het vage gerinkel van glazen flessen, een dichtslaande deur. Ik opende mijn ogen. Het zandstrand op de poster was maagdelijk, geen mens had het ooit betreden. Woensdag, het moest de man van de srv zijn die bestellingen in de hal zette; de stem van de hospita in het trappenhuis. Ik stond op van mijn stoel en slofte naar beneden. Het beloofde een prachtige zomeravond te worden; snel wat boodschappen halen, de winkel kwam tegenwoordig aan huis. Ik hield de nieuwe inzichten tegen het licht, woog hun waarde en besloot dat ik voor de verandering maar eens naar de stem van mijn geweten moest luisteren. Het leek me in elk geval verstandig om afstand te doen van mijn afgeragde typemachine en aan een tweede, geheel herziene versie van mijn manuscript te beginnen. ‘Ja ja,’ mompelde ik, ‘de tweede druk komt er al aan. Wat een succes.’

38


39


Confessies van een Nachtvlinder De Jordaan, december 1971. Effa van Susteren gaat door een moeilijke periode in zijn leven. Zijn verloofde Nicolien heeft hem een half jaar geleden verlaten vanwege zijn eeuwige drankprobleem. Nu hij de fles heeft afgezworen wil hij niets liever dan haar liefde voor zich terugwinnen. Maar zijn fascinatie-op-afstand voor een Poolse raamprostituée – hij noemt haar Elise – staat een wederopbloei van hun relatie in de weg. Ook Effa’s gevoelens voor de aantrekkelijke Elke, een call-girl die hij in een kroeg heeft ontmoet, dwarsbomen zijn eerbare bedoelingen. Op oudejaarsdag wordt Elise levenloos aangetroffen. Alle kranten staan er vol van. Van de daders ontbreekt elk spoor. Effa gaat op onderzoek uit, reconstrueert de gebeurtenissen die hebben geleid tot haar dood en komt tot een verbijsterende ontdekking. Confessies van een Nachtvlinder is een verhaal rond de thema’s Berouw en Zonde. In de verwarrende zoektocht naar de balans tussen lust en liefde raakt Effa van Susteren zichzelf kwijt. Hij verliest zich in mijmeringen, wordt gekweld door twijfel en geeft zich over aan liederlijke fantasieën. In deze novelle staat zijn zoektocht naar het wat en waarom van ‘ware liefde’ centraal. Fred Baggen (1967) schreef confessies van een nachtvlinder als een eerbetoon aan de liefde, die het diepste duister weerstaat; de ware liefde, die nooit nalaat te fluisteren van de mogelijkheid in haar te geloven.


Confessies van een nachtvlinder