Page 1

Brááánd!!! Brááánd!!!

Jij, de brandweer en veiligheid


Vuur

Even voorstellen... Even voorstellen...

Ho, ho! Ik heb alles onder controle!

Ken je deze uitdrukking?

In vuur en vlam staan. Betekenis: als je in vuur en vlam staat, vind je iets/iemand heel leuk.

Vuur maken Voor vuur zijn drie dingen nodig. Die dingen samen noem je de branddriehoek: Brandstof

Vlammetje

Billy Brandkraan

Elke brand begint met vuur. Maar brand is niet hetzelfde als vuur. Denk maar aan het vuur waarmee je een kaars aansteekt.

Opdracht 1: Wel of geen vuur

Vuur kun je niet altijd zien. Soms voel je wel warmte, maar zie je geen vlammen. Bijvoorbeeld bij een elektrische kookplaat of

Warmte

Ontbreekt er ten minste één van deze dingen? Dan krijg je geen vuur. Is er al vuur? Dan doof je het vuur door één of meer van deze dingen uit de branddriehoek weg te halen. De brandweer doet dit ook bij het blussen van brand. Ze gebruikt bijvoorbeeld water om te koelen. Zo brengt ze de temperatuur omlaag. Behalve water gebruikt de brandweer ook vaak poeder of schuim bij het blussen. Poeder en schuim dekken het vuur af. Daardoor kan er geen zuurstof meer bij de brand komen.

Die staat echt in vuur en vlam!

Inleiding

Zuurstof

Wist je dat... je ook brand zonder vlammen kunt hebben? Dat heet smeulen. Als er vervolgens meer zuurstof bij de brand komt, kunnen vlammen ontstaan.

Waarbij gebruik je vuur? Kruis aan. Tip: als je vuur gebruikt, kun je het niet altijd zien.

Opdracht 2: Branddriehoek

oven. Maar ook kookplaten en ovens kunnen

open haard aansteken

in brand vliegen. Je noemt vuur pas brand,

televisie kijken

als je het niet meer onder controle hebt.

glasblazen

muffins bakken

fietsen

voorwerp

brandstof

zuurstof

warmte

stofzuigen

kaars

kaarsvet, lont

in de lucht

aansteker, lucifer

barbecuen

vuurwerk

lassen

barbecue

schaatsen

gasfornuis

spaghetti koken

Als er brand uitbreekt, dan kun je rekenen op de hulp van de brandweer. Zij staat dag en nacht klaar om branden te blussen en mensen en dieren in nood te redden. Maar het is natuurlijk altijd beter om brand te voorkomen. En daar kun jij zelf iets aan doen! Hoe? Dat leer je in dit boekje. Ook leer je wat je moet doen als er toch brand uitbreekt. Dan weet jij hoe je koel blijft als het heet wordt onder je voeten!

Vul de elementen van de branddriehoek in. Bij één voorwerp is het al voorgedaan.

2

3 Kijk ook op www.brandweer.nl/billybrandkraan


Tuut tuut! Tuut tuut!

Opdracht 3: Meer dan blussen Je ziet hier foto’s van situaties waarin de brandweer een van haar taken uitvoert. Weet jij welke foto bij welke taak hoort? Zet het cijfer van de taak bij de foto die erbij hoort.

Goed voorbereid Als mensen aan de brandweer denken, denken ze meestal aan mensen die een brand blussen of hulp verlenen. Maar de brandweer doet nog veel meer. Tijdens een probleem, ofwel incident, is de brandweer aan het werk. Maar ook voor en na een incident heeft zij verschillende taken.

Taak 3 Gelukkig gebeurt er niet elke dag een groot ongeval en breekt niet elke dag een grote brand uit. Maar de brandweer moet wel goed voorbereid zijn voor áls er iets gebeurt. Daarom moeten brandweermensen veel cursussen volgen en oefeningen doen. Oefenen doen ze door bijvoorbeeld een ongeluk of brand in een gebouw na te spelen. Maar ze volgen ook theorielessen waarin ze bijvoorbeeld leren hoe alle materialen werken die ze gebruiken bij een incident.

A

B

Tijdens incidenten Voor incidenten Het is goed dat de brandweer er is om bijvoorbeeld branden te blussen. Het is natuurlijk beter als er helemaal geen brand uitbreekt. Daarom doet de brandweer ook veel aan het voorkomen van problemen. Taak 1 Als een gemeente bijvoorbeeld een industrieterrein gaat ontwerpen, denkt de brandweer van tevoren mee over het ontwerp. De brandweer kan dan bijvoorbeeld aangeven of ze goed bij de gebouwen kan komen en of er voldoende plaatsen zijn waar ze bluswater op kan pompen. Ook kijkt de brandweer naar de uitvoering van de wegen. Als er namelijk te veel drempels, rotondes of verkeerslichten zijn, verliest de brandweer veel tijd. Hierdoor wordt het risico te groot dat de brandweer laat bij een incident komt. Taak 2 De brandweer helpt gemeenten en bedrijven om te zorgen dat gebouwen zo veilig mogelijk zijn. Dit doet ze al voordat een gebouw gebouwd wordt door naar de bouwtekeningen te kijken. De brandweer bekijkt of er voldoende vluchtwegen, rookmelders en brandblussers zijn. De brandweer controleert ook regelmatig of bedrijven brandveilig zijn. Als een bedrijf niet veilig is, moeten gevaarlijke situaties worden opgelost.

Stel je nou eens voor dat er toch wat ergs gebeurt. Wanneer moet je dan de brandweer bellen? Taak 4 • Als er brand is. • Als er een auto-ongeluk is gebeurd, als bomen zijn omgewaaid of als er dieren in nood zijn. Dit zijn allemaal voorbeelden van ‘hulpverlening’. • Als er een ramp is gebeurd, zoals een vliegtuigramp, een treinramp of een overstroming. Dit wordt met een moeilijk woord ‘rampenbestrijding’ genoemd. • Als er gevaarlijke stoffen vrijkomen, zoals gas.

C

Na incidenten Als de problemen zijn opgelost, gaan de brandweermensen niet meteen terug naar de kazerne. Taak 5 Na een brand of ongeluk zorgen de brandweermensen er eerst voor dat alles zo goed mogelijk wordt opgeruimd, zodat er geen nieuwe ongelukken kunnen gebeuren en geen nieuwe brand kan ontstaan. Daarna gaan ze terug naar de kazerne om na te bespreken wat er allemaal is gebeurd. Aan het aantal taken voor en na een incident kun je zien dat het voorkomen van problemen heel belangrijk is voor het werk van een brandweerman of -vrouw.

D

E

Taken van de brandweer 1. De brandweermensen bespreken na een incident wat er gebeurd is en hoe ze het hebben opgelost. 2. De brandweer controleert of gebouwen voldoende brandveilig zijn. 3. In de meldkamer krijgen brandweermensen meldingen binnen over branden en andere incidenten. 4. De brandweer geeft les aan kinderen op scholen, over brandveiligheid. 5. De brandweer verleent hulp bij auto-ongelukken.

4

5 Kijk ook op www.brandweer.nl/billybrandkraan


Opdracht 4: Wat doet de brandweer?

Binnen of buiten? Binnen of buiten?

Je ziet hieronder drie verschillende situaties. Situatie

Wat doet de brandweer?

1. Jouw gemeente is bezig met een plan om een nieuwe woonwijk te bouwen. 2. Er is een nieuwe school gebouwd.

Ken je deze uitdrukking?

Iemand uit de brand helpen. Betekenis: als je iemand uit de brand helpt, help je iemand uit de problemen.

A. De brandweermensen zijn aan het trainen om goed hulp te kunnen verlenen en branden te blussen. B. De brandweer legt aan de schoolleiding uit welke vluchtroutes er zijn. C. De brandweer onderzoekt of de huizen die gebouwd moeten worden goed te bereiken zijn voor de brandweer. D. De brandweer geeft advies over de bluswatervoorziening in het gebied waar gebouwd moet worden. E. De brandweermensen zijn bezig met het maken van een rampenplan. F. De brandweer controleert of de bordjes van de nooduitgangen op de goede plek hangen.

Wist je dat... in heel Nederland ongeveer 27.000 mensen bij de brandweer werken? De meeste zijn vrijwilliger, ook wel parttime brandweerman/vrouw genoemd. Vrijwillige brandweermensen hebben vaak nog een andere baan. Ze worden opgeroepen als ze nodig zijn om te helpen bij brand of iets anders. Ongeveer 4.500 brandweermannen en -vrouwen werken fulltime bij de brandweer. Bij een incident maakt het niet uit welke brandweerman- of vrouw er helpt. Alle brandweermensen moeten hetzelfde kunnen en weten, of ze nu vrijwilliger zijn of beroeps.

Er bestaan twee soorten branden: binnenbrand en buitenbrand. Voor het blussen van een brand is het belangrijk om te weten om wat voor soort brand het gaat. Nu er nóóit

meer uit springen!

3. De brandweermensen zijn in de brandweerkazerne.

Schrijf achter iedere situatie wat de brandweer doet. Let op: je hoeft alleen maar de letters in te vullen die bij de situaties horen. Kies uit:

Soorten branden

Binnenbrand Een binnenbrand is een brand in een gebouw. Bijvoorbeeld in een huis, winkel of fabriek.

Voorbeeld Woningbrand: brand in een woonhuis. Het belangrijkste gevaar van een woningbrand is dat er mensen of dieren in het huis kunnen zijn. De brandweer moet zo snel mogelijk weten hoeveel mensen en dieren er binnen zijn. Dan weet ze hoeveel mensen en dieren ze moet redden. Een woningbrand is vooral gevaarlijk als de brand ’s nachts uitbreekt. Dan slapen de bewoners meestal en ontdekken ze dus vaak pas laat dat er brand is.

Je hebt me mooi uit de brand geholpen!

Opdracht 5: Binnenbrand

Buitenbrand Een buitenbrand is een brand in de open lucht.

Waar denk jij aan bij het woord binnenbrand? Maak het woordweb af.

Voorbeeld Als het in de zomer lang droog weer is, kan er buiten gemakkelijk brand ontstaan, zoals in het bos. Het droge gras of hout is namelijk een brandbare stof. Een weggegooide sigarettenpeuk of ander vuurtje zorgt voor voldoende warmte en er is buiten natuurlijk genoeg zuurstof, zeker als het waait. Dan is de branddriehoek dus compleet! Kijk daarom extra goed uit.

binnenbrand

6

7 Kijk ook op www.brandweer.nl/billybrandkraan


Zo begint het

Heet in de keuken Kijk ook eens naar mijn huis op de website.

Eén op de drie branden in huis wordt veroorzaakt door elektrische apparaten.

In de keuken is het goed opletten geblazen tijdens het koken. Dat klinkt logisch als er

Als ze kapot zijn, kunnen ze kortsluiting

een gasfornuis in de keuken staat. Maar ook

veroorzaken. Gebruik daarom geen apparaat

met een elektrisch fornuis moet je oppassen.

waarvan de kabel stuk is. Steek ook nooit

Je ziet dan geen vlammen, maar door

een stekker in een stopcontact dat loszit.

de warmte is er toch kans op brandgevaar.

Ook als je een apparaat verkeerd gebruikt of slecht schoonmaakt, kan er brand ontstaan.

Schrijf maar op...

De vijf belangrijkste brandoorzaken in huis: • wasdrogers, televisies en computers worden te warm • vlam in de pan • brandende kaarsen • roken in bed • expres iets in brand steken

Opdracht 6: Veiligheid op school Zoek in je klaslokaal de elektrische apparaten en stopcontacten. Kijk goed of er stopcontacten zijn die loszitten. En zijn alle stekkers en kabels van elektrische apparaten heel? Kom niet aan losse draden of kabels. Die kunnen gevaarlijk zijn. Als je kapotte stopcontacten of apparaten vindt, schrijf ze dan op een lijstje. Geef het lijstje aan de juf of meester.

Oververhitting Je wilt de televisie uitzetten, maar je ligt net zo lekker op bed en hebt geen zin om op te staan. Gelukkig heb je een afstandsbediening. Daarmee zet je heel gemakkelijk de televisie uit. Nee dus... je zet de televisie met de afstandsbediening op ‘stand-by’. De televisie is dan niet helemaal Stand-by uit en blijft warm. Die warmte is Engels trekt stof aan. Als er dan ook en betekent nog zuurstof bij komt, ontstaat ‘wachtstand’. er oververhitting en soms zelfs brand. Zorg er dus altijd voor dat je de televisie helemaal uitzet. Dat geldt voor alle elektrische apparaten. Dus, laat de oplader van de mobiele telefoon niet in het stopcontact zitten als je klaar bent met opladen. Heel veel woningbranden ontstaan door wasdrogers. Bij het drogen komt de stof uit je kleding in de speciale stoffilter van de wasdroger. Als die filter vol is, kan er oververhitting ontstaan. Het beste is om de filter na elke droogbeurt schoon te maken.

Opdracht 7: Veiligheid thuis Ga ook thuis op onderzoek uit. Loop met je ouders door het hele huis. Beantwoord de volgende vragen: Zitten alle stopcontacten goed vast? Zijn alle stekkers en kabels heel? Zijn alle verlengkabels helemaal afgerold? Anders worden ze heet en gaan ze smelten. Dat kan kortsluiting veroorzaken. Staan alle apparaten helemaal uit als niemand ze gebruikt? Is de stoffilter van de wasdroger schoon? En is de filter van de afzuigkap ook schoon?

Vind je het leuk om thuis je ouders te helpen met koken? Zo doe je dat veilig.

Vlam in de pan Let erop dat het eten in de pan niet droogkookt. Anders kan het eten verbranden en zelfs in brand vliegen. Zorg er dus voor dat er de hele tijd genoeg water in de pan is. Als je olie of boter verwarmt in de pan, vergeet dan niet om op tijd de andere ingrediënten erbij te doen. De olie of boter wordt anders te heet. Daardoor kan de vlam in de pan slaan.

Opdracht 8: Waar of niet waar Zet een rondje om het goede antwoord. 1. Als de brand onder controle is, roept de brandweerman: ‘Brand meester!’ waar / niet waar 2. Een blusdeken is handig als je het koud hebt. waar / niet waar 3. Je kunt brand niet voorkomen. Het ontstaat altijd zomaar. waar / niet waar 4. Bij een brand is de rook meestal gevaarlijker dan de vlammen. waar / niet waar

Frituren Als je patat of andere snacks gaat bakken, doe dat dan in een frituurpan. In een frituurpan zit een thermostaat. De thermostaat zorgt ervoor dat de pan niet te heet wordt. Gebruik je voor het bakken een gewone pan zonder thermostaat, dan kan de olie te heet worden. Doe ook niet te veel olie of eten in de pan. De hete olie kan overkoken.

Wat moet je doen bij brand in de pan? NIET zelf blussen als het harder gaat branden. De kans dat je de brand nog kunt blussen, is dan erg klein. NIET blussen met water! Vooral bij hete olie kan dit heel gevaarlijk zijn. NIET lopen met de pan! Je kunt je verbranden aan de vlammen. WEL het fornuis en de afzuigkap uitzetten. In de afzuigkap zit een vetfilter. Bij een steekvlam kan het vet in de filter in brand vliegen. WEL de deksel op de pan doen. Houd de deksel op de pan. Nu kan er geen zuurstof bij komen. WEL een blusdeken gebruiken. Heb je een blusdeken in de buurt? Leg die dan over de pan. WEL altijd de brandweer bellen, ook als je het brandje zelf hebt geblust. De vlammen kunnen in de afvoerpijp zitten.

8

9 Kijk ook op www.brandweer.nl/billybrandkraan


Alááárm!!!

InIn actie! actie!

Ken je deze uitdrukking?

Een gewaarschuwd mens telt voor twee.

Sta je in brand?

Betekenis: als je weet wat er gaat gebeuren, kun je je goed voorbereiden.

• Ga dan niet rennen, want dan komt er te veel zuurstof bij en gaat het harder branden. • Rol over de grond.

Rustig maar! Géén paniek!

Oververhitting Je kunt zelf heel veel doen om brand te voorkomen. Maar ook al pas je nog zo goed op, er kan toch altijd brand ontstaan. Wat doe je in zo’n geval?

• Blijf rustig. • Waarschuw anderen. • Vlucht naar buiten volgens je eigen vluchtplan (hoe je dat maakt, leer je op bladzijde 15). • Sluit deuren achter je. • Gebruik bij brand nooit de lift. • Bel 1-1-2 zodra je veilig bent (hoe dat werkt, lees je op bladzijde 12 en 13).

Een kleine beginnende brand kun je eerst zelf proberen te doven. Gebruik dan één van deze blusmiddelen: • blusdeken • zand • water • brandblusser

Als je ziet dat iemand anders in brand staat, roep dan dat hij/zij over de grond moet rollen. Wikkel eventueel een blusdeken, gordijn of stevige jas om de persoon heen.

Opdracht 10: Onderdelen rookmelder Schrijf in elk vakje het juiste onderdeel. Kies uit: batterij, testknop, luidspreker.

Opdracht 9: Woordzoeker In deze puzzel zijn vijftien woorden verstopt. Zoek ze en streep ze door. Let op: de ‘IJ’ bestaat uit twee hokjes. alarm bellen bevrijden blusdeken bosbrand

g b e v r i j d e n g

n e l l e b r s u a n

i r v a s a e b n l a

brandblusser brandweer kortstluiting nooduitgang rookmelder

t e e u s r t l e p g

i e i d u r a u m t t

u w l n l r w s o h i

l d i a b e i d k c u

s n g r d o m e r u d

r r e s a k a e o v o

o b i o r i l n v o n

k w d b b s a v u r r

bij een brand de rook vaak gevaarlijker is dan de vlammen? Ongeveer de helft van alle woningbranden begint als een smeulbrand. Dit betekent dat er nog geen vlammen zijn, maar wel rook. En die rook is erg heet, giftig en brandbaar. Als er meer zuurstof bij de smeulbrand komt, krijg je vlammen en gaat het steeds sneller en harder branden. Als er veel rook is, kun je na een paar minuten bijna niets meer zien en kun je dus de weg naar buiten niet of moeilijk vinden. Branden beginnen meestal ’s nachts. Dan ligt iedereen in huis te slapen. Als je slaapt, kun je de rook niet ruiken. Maar door het alarm van een rookmelder word je wel wakker! Het beste is om een rookmelder te hangen op elke verdieping van een huis. De gang is dan altijd de beste plaats. Vooral de gang waarop de slaapkamers uitkomen. Maar denk ook aan de zolder. Of de ruimte waar de wasmachine en wasdroger staan. Weet je nog dat woningbranden vaak beginnen in wasdrogers? Je kunt een rookmelder beter niet ophangen in de badkamer of vlakbij het fornuis in de keuken. Rookmelders reageren namelijk ook op stoom in de badkamer en op rook of stoom die vrijkomt bij het koken. Niet handig als het alarm elke dag afgaat!

veiligheid vluchtplan vuur voorkomen water

t a h b n o r k o l o

Wist je dat...

Opdracht 11: Rookmelder in huis Stel thuis de volgende vragen. Schrijf de antwoorden op. 1. Waar hangen de rookmelders? Weet jij hoe het geluid van de rookmelder klinkt? Druk eens op de testknop. Dan weet je bij welk geluid je moet vluchten!

_________________________________________ 2. Testen jullie de rookmelder wel eens? Hoe vaak gebeurt dit en wie doet dat? _________________________________________ 3. Is er wel eens een rookmelder afgegaan? Wat hebben jullie toen gedaan? _________________________________________

10

Welke zin vormen de letters die overblijven? Wat betekent dit gezegde?

Sorry voor die rookmelder! Mijn schuld!

11


Help! Help!

Bel 112!

Gefopt, maar niet niet leuk! Gefopt, leuk! Veel mensen vinden het grappig

Wist je dat...

om voor de lol 1-1-2 te bellen.

het alarmnummer 1-1-2 elk jaar ongeveer 5 miljoen keer wordt gebeld? 65% (of 7 van de 10) van alle telefoontjes naar het alarmnummer vals zijn?

op als de centralist opneemt.

112

1-1-2 – als elke seconde telt In geval van alarm bel je 1-1-2. Dit is het centrale alarmnummer voor politie, brandweer en ambulance.

Opdracht 12: 1-1-2 bellen Weet jij wanneer je 1-1-2 moet bellen? Zet een kruisje in het goede vakje. wel niet Je komt thuis en ziet dat er is ingebroken. De inbrekers zijn al weg. Er is brand in de kelder. Je bent veilig uit huis gevlucht. Je ruikt buiten op straat een sterke gaslucht. De kat zit in de boom en wil er niet uit komen. Een automobilist heeft een fietser aangereden. De fietser is gewond geraakt. Je ziet dat iemand een fiets aan het stelen is.

De bellers hangen dan snel weer

Goed idee!

Drie maanden op water & brood!

Wie krijg je aan de telefoon als je 1-1-2 belt? Als je 1-1-2 belt, krijg je de alarmcentrale aan de lijn. Je krijgt dan niet een brandweerman of een politieagent te spreken. De meneer of mevrouw die je dan te spreken krijgt, heet een centralist. De centralist stelt je eerst een paar vragen. Zo weet hij wat er aan de hand is en wat voor hulp je het beste kunt gebruiken. Hij verbindt je door met de brandweer, politie of ambulance. Zij stellen je dan nog wat vragen om de goede hulp de weg op te sturen.

Dit zijn de vragen die de centralist je kan stellen: • Wat voor hulp heb je nodig? Heb je de hulp van de brandweer, de politie of een ambulance nodig? • Waar ben je? Geef duidelijk het adres en de plaats door waar je bent. • Zijn er gewonde mensen of dieren? Als er slachtoffers zijn, moet er een ambulance komen. De centralist moet dan ook weten hoeveel slachtoffers er zijn. Zijn er mensen in gevaar? • Wat heb je zelf al gedaan voordat je 1-1-2 hebt gebeld? Heb je zelf al geprobeerd om de brand te blussen? Heb je geprobeerd het slachtoffer te helpen?

Heb medelij... Géén water!

Nepbellers Neptelefoontjes zijn vervelend voor de centralist. Het is vooral erg omdat in geval van echte nood, de telefoonlijn onterecht bezet is. Bel dus nooit zomaar het alarmnummer op. Nepbellers kunnen rekenen op een flinke straf. Je telefoonnummer is altijd zichtbaar. Ook als je de nummerherkenning uit hebt gezet.

Ken je deze uitdrukking?

Wie zijn billen brandt, moet op de blaren zitten. Betekenis: als je verkeerde dingen doet, moet je niet klagen als je daarvoor straf krijgt.

Wist je dat... je 1-1-2 ook kunt bellen vanuit bijna alle Europese landen? De gesprekken worden allemaal opgenomen. Als je 1-1-2 voor de lol belt, wordt dit doorgegeven aan de politie. Misbruik van 1-1-2 is strafbaar.

De centralist zal je soms uitleggen wat je zelf nog kunt doen. Doe altijd wat hij van je vraagt.

12

13 Kijk ook op www.brandweer.nl/billybrandkraan


Beeldig! Beeldig!

Wegwezen Wegwezen

Heb jij de afbeeldingen hieronder wel eens gezien? Die noem je pictogrammen. Ze worden over de hele wereld gebruikt.

Opdracht 14: Veiligheid voor alles

Dat is gemakkelijk, want dan weet je wat er wordt bedoeld zonder dat je de taal hoeft te begrijpen. Al deze pictogrammen hebben te maken met veiligheid. Je ziet ze vooral op plaatsen waar veel mensen komen. Bijvoorbeeld in de bioscoop, een sporthal, een winkel, het gemeentehuis of in een restaurant. En als het goed is, zie je ze ook bij jou op school.

Nu ken je de namen van de pictogrammen. Maar weet je ook wat ze betekenen? Wat je ermee kunt doen? Teken bij elke omschrijving het juiste pictogram. Dit pictogram hangt boven de (nood)uitgang. Als je hier doorheen bent, ben je buiten.

Opdracht 13: Pictogrammen

Op deze plek hangt iets waarmee je zelf een beginnende brand kunt blussen.

Weet jij wat de pictogrammen betekenen? Of kun je het raden? Trek een lijn van de tekening naar de juiste betekenis.

Dit pictogram laat zien welke kant je op moet om bij de (nood) uitgang te komen. Op deze plek hangt iets waarmee je zelf branden kunt blussen. Er komt water uit. Daarom mag je er geen elektrische apparatuur mee blussen.

verzamelplaats

vluchtrichting

slanghaspel

Plek waar je naartoe moet nadat je bent gevlucht.

(nood)uitgang

handbrandmelder

Op deze plek hangt iets waarmee je alarm kunt slaan. Als je brand hebt ontdekt, maar het brandalarm nog niet is afgegaan, kun je hier gebruik van maken.

brandblusser

Het is natuurlijk eng als er opeens brand is. Maar als je je goed voorbereidt, weet je wat je moet doen. Je hebt meestal maar weinig tijd om veilig te kunnen vluchten. Spreek met je juf/meester en ook thuis met je ouders af wat jullie moeten doen als er brand is. De afspraken over vluchten noem je een vluchtplan. Hoe je een vluchtplan maakt, leer je hier. 1. Zoek samen uit wat de snelste en beste vluchtroute is. 2. Bedenk ook een tweede route. Het kan gebeuren dat je de eerste route niet kunt volgen omdat juist daar brand is. 3. Leg de sleutels van de voor- en achterdeur op een vaste plaats. Zorg ervoor dat je daar makkelijk en snel bij kunt. 4. Spreek af wie voor wie zorgt tijdens het vluchten. Zo wordt niemand vergeten. 5. Sluit deuren en ramen achter je, zodat de brand niet groter wordt. 6. Spreek af waar jullie elkaar ontmoeten. Dan weten jullie meteen of er na het vluchten nog iemand ontbreekt. De brandweer weet dan of ze nog iemand in het huis of in de school moet redden.

Tip Zorg ervoor dat de vluchtroute nooit is geblokkeerd door fietsen, rondslingerende tassen of iets anders.

Opdracht 15: Vluchtplan voor thuis Maak samen met je ouders (en broers en/of zussen) een vluchtplan voor thuis. Je krijgt van je juf/meester een kopieerblad. Daarop staat precies hoe je het vluchtplan moet maken. Als je het vluchtplan hebt gemaakt, moet je ook nog gaan oefenen! Anders weet je nog niet wat je moet doen als er brand uitbreekt.

Opdracht 16: Vluchtplan voor school Maak samen met je juf of meester en klasgenoten een vluchtplan voor school. Je krijgt van je juf/meester een kopieerblad. Daarop staat precies hoe je het vluchtplan moet maken. Bestaat er al een vluchtplan voor school? Maak dan eerst jullie vluchtplan en vergelijk het daarna met het bestaande plan. Kun je het bestaande vluchtplan verbeteren aan de hand van jullie eigen plan? Of zie je dat er iets in het bestaande vluchtplan staat, waaraan jullie zelf niet hebben gedacht?

Nu weet je hoe het pictogram (nood)uitgang eruitziet. De volgende keer dat je ergens komt waar veel mensen zijn, moet je er maar eens op letten. Dat is heel belangrijk, want als er iets ergs gebeurt, weet je in ieder geval waar je naartoe moet als je moet vluchten.

14

15 Kijk ook op www.brandweer.nl/billybrandkraan


5 Als een pan met olie in brand vliegt, dan: a houd je hem meteen onder water. b ren je snel weg. c probeer je de deksel op de pan te doen. 6 Als je in brand staat, dan moet je: a heel hard roepen. b gaan rennen. c over de grond rollen. 7 Waarom moeten brandweermensen veel oefenen en trainen? a Om voorbereid te zijn op ongevallen en branden. b Om er goed uit te zien. c Omdat ze anders niks te doen hebben. 8 Brand in huis kun je voorkomen door: a patat in een gewone pan met olie te bakken. b de stoffilter van de wasdroger na elk gebruik schoon te maken. c apparaten nooit uit te zetten.

Opdracht 17: Doe de brandquiz! Kies bij elke vraag het goede antwoord. De goede antwoorden staan onderaan de pagina. Voor elk goed antwoord krijg je een punt. Tel ze bij elkaar op en kijk hoe goed je kennis over brandveiligheid is. 1

Mag je 1-1-2 bellen als je bent gevallen en je arm hebt gebroken? a ja b nee c Alleen als je heel veel pijn hebt.

2

Voor vuur heb je nodig: a heet water, licht en brandstof. b brandstof, warmte en zonlicht. c zuurstof, brandstof en warmte.

Auteurs: Zarina Kadirbaks en Roy van Boxtel Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost Beeldmateriaal: Kees Stuip Ed Smeets

De brandweer helpt: a al voordat een gebouw is gebouwd. b pas als er brand is. c niet bij een ongeval met gevaarlijke stoffen. punten.

0-4 goed: Is bij jou de vlam in de hersenpan geslagen? Neem een korte pauze en maak de test opnieuw. 5-7 goed: Je hebt al veel geleerd over brand. Welke vragen heb je verkeerd gedaan? Zoek de goede antwoorden op in dit boekje. 8-10 goed: Heel goed gedaan! Jij zult niet in paniek raken als er brand uitbreekt. Je weet ook al goed wat je moet doen om brand te voorkomen. Ben je benieuwd of je familie, vrienden en kennissen veel weten over brand, de brandweer en veiligheid? Laat ze dan ook de test doen.

Illustrator: Peter van Deursen Vormgeving: EigenSmoel Ontwikkeling en distributie: Zorn Uitgeverij B.V. Postbus 4001 2301 RA Leiden Telefoon: 071-5149141 Fax: 071-5120278 E-mail: info@zorn.nl Website: www.zorn.nl

Š Zorn Uitgeverij B.V. / Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost Bestelnummer: 4060 Deze uitgave is auteursrechtelijk beschermd. Niets uit deze uitgave mag verveelvuldigd worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Zorn Uitgeverij B.V. en Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost.

1b; 2c; 3a; 4b; 5c; 6c; 7a; 8b; 9b; 10a

Colofon Deze uitgave is mogelijk gemaakt door:

10

Ik heb

3 Welke zin is waar? a De brandweer is er ook om brand te voorkomen. b De brandweer mag je alleen bellen als er brand is. c Als een brand is aangestoken, moet je eerst de politie bellen en daarna pas de brandweer. 4 Vuur zie je: a altijd b niet altijd c nooit

9 Als de normale vluchtroute is geblokkeerd, dan moet je: a toch proberen de route te volgen. b vluchten volgens de tweede route. c ter plekke een andere route bedenken.


braaand-leerlingenboek  
Advertisement
Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you