__MAIN_TEXT__
feature-image

Page 1

Tussenstand bij een werk in uitvoering Theo Baart I In oktober 1987 ging ik voor het eerst naar New York om met de schrijver Willem van Toorn een reportage te maken. Voor Avenue - het betreurde tijdschrift dat mode, reisreportages en literatuur moeiteloos wist te verbinden - maakten wij reportages over schrijvers en hun landschappen. In het vliegtuig las ik een reisgids over New York gepubliceerd in 1977 waarin de auteur de niets vermoedende Nederlandse reiziger waarschuwde voor ‘Amerikaanse toestanden’. Zo zouden wij in de grote stad geconfronteerd worden met zaken waar wij in Nederland geen last van hadden: zwervers en criminaliteit. Ik kan me herinneren dat ik dat toen met enig plezier las. Het ondenkbare was namelijk in Nederland gebeurd in die paar jaar tussen het verschijnen van die reisgids en het moment dat ik het las: Nederland was in rap tempo opgeschoven richting Amerikaanse toestanden. In New York zouden Van Toorn en ik opzoek gaan naar het landschap van E.L. Doctorow. In de World’s Fair beschreef Doctorow hoe het stadsdeel de Bronx eruit zag in haar hoogtijdagen in de jaren dertig van de vorige eeuw. Het werd voornamelijk bevolkt door eerste en tweede generatie joodse emigranten die de armoedige woonkazernes in Manhatten hadden verlaten. In oktober 1987 was daar niet veel meer van over. The South Bronx was geheel verloederd met uitgebrande en dichtgetimmerde panden: drugs en criminaliteit hadden de wijk in haar greep. Een lege stad. Niemand wilden ons door de wijk heen loodsen behalve een dappere taxichauffeur die demonstratief het handschoenenkasje open hield waarin een glimmend pistool lag van het formaat waar Clint Eastwood mee zwaait als hij Dirty Harry laat zeggen: “Go ahead, make my day”. Ook Doctorow voelde er niets voor om met ons terug te gaan naar het landschap van zijn jeugd. Hij had er al heel lang niets meer te zoeken. Hij begreep ook niet waarom wij dat zouden willen doen. De wijk bestond alleen nog maar in zijn herinneringen en in zijn werk. “Het ziet eruit als Beiroet, na de zoveelste burgeroorlog”, zei hij op het bankje op Union Square vlakbij de universiteit waar hij writer in residence was. In de Bronx was de joodse middenklasse gevlucht voor de verloedering. Het zuiden en midden van de Bronx waren overgenomen door ‘African Americans’ en ‘Hispanics’. Alleen aan de noordkant, boven The Bronx Zoo rondom Pelham Parkway was nog iets van de levendigheid en samenstelling van de bevolking te vinden, die Doctorow zo mooi beschreven had in World’s Fair. Van Toorn en ik verbleven in het comfortabele Midtown Manhattan en gingen ’s ochtends naar ‘ons werk’ in het noor-

Bay Street, Rochester I uit de serie Sound Horn

den van de stad met de subway. We verbaasden ons erover dat zo dicht bij elkaar twee extreem verschillende werelden konden bestaan. Wat voor plannen zouden de stadsplanners in petto hebben voor deze wijken, vroegen we ons af? Typisch ‘Hollands’ waar ‘maakbaarheid’, sociaal mededogen en een plan van aanpak hand in hand gaan. In City Hall waar we de urban planners opzochten, hoorden we dat de planners geen plannen hadden. Het moest vanzelf goed komen met de Bronx. Mijn verbijstering was groot over een stadsdeel van het formaat van een grote Nederlandse stad dat in twee decennia zo totaal in verval was geraakt. En de verbazing over de gelatenheid bij de stadsplanners waarmee dit fenomeen zich voltrok was voor mij net zo groot. Het stond zover af van wat er in Nederland plaatsvond. Van Toorn en ik moesten onze reportage afmaken. Het dilemma was dat de wereld zoals Doctorow die beschreven had niet meer bestond. De gebouwen waren er nog wel – dichtgemetselde synagogen die refereerde aan een verdwenen cultuur uit de Bronx – en die fotografeerde ik. Het seculiere

joodse leven vonden we rond Pelham, voor de orthodoxie togen we naar het toen nog vervallen Williamsburg. En zo maakten wij, twee Amsterdammers, in twee weken tijd een subjectieve reconstructie over de transformatie van een stadsdeel aan de andere kant van de wereld. Terug in Nederland, mijn dia’s bekijkend op de lichtbak, dacht ik na over de betekenis van deze reis. Wat had ik eigenlijk gezien? Wat was de betekenis van deze foto’s? Gaat het over het landschap van Doctorow of gaat het over hoe ik bedacht heb hoe het landschap van Doctorow eruit zou kunnen zien? Betekende deze reportage sowieso iets? Ik denk terugkijkend dat de vragen die ik mij toen stelden, de opmaat vormden naar mijn beslissing, een jaar later, om het liefst eigen werk te maken waarbij ik over een lange periode mij op één onderwerp kan storten. Omdat ik nu wist dat projecten niet ergens over gaan, ze gaan over hoe ik naar een onderwerp kijk. Het subjectieve moet benoembaar zijn en de auteur is daardoor onvermijdelijk zeer aanwezig. Niet voor niets gebeurde het geregeld dat ik projecten maakte die zich zo ongeveer afspeelden in en om mijn huis:

als ik dat al niet kon begrijpen wat dan wel? Naar het buitenland gaan om een project te maken, deed ik niet graag meer. De projecten die ik maakte over mijn voortuin, om het maar eens zo te noemen, brachten me wel weer in het buitenland als ze daar getoond werden . Waarbij ik me vervolgens dan weer afvroeg wat de kijker zou begrijpen van wat getoond werd. II In juni 2009 werd een reeks foto’s van Cary Markerink en mij over de Nederlandse snelweg tentoongesteld in het George Eastman House in Rochester. We verbleven daarom een paar dagen in deze Kodak-stad en we waren verbaasd over wat we zagen: Rochester, de stad die rijk en groot geworden was door de fotografische industrie was door diezelfde industrie weer ten gronde gericht. Althans, de industrie had allerlei uitvindingen gedaan op het gebied van de digitale fotografie maar had het niet weten te exploiteren. De globalisering had de rest gedaan. En dat was ironisch want diezelfde globalise-


Kodak, Rochester I uit de serie Sound Horn

ring had eerder de stad zo geholpen: lag er niet in de schappen van alle fotografiewinkels waar ook ter wereld Kodakproducten, gemaakt in de stad Rochester, NY? Ik zag een stad vol contrasten, rijke buitenwijken met huizen met een formaat waar ze in Aerdenhout jaloers op zouden kunnen zijn, en uitgestrekte wijken met vrijstaande huizen waar ramen en deuren dichtgetimmerd waren. Of groene vlaktes waar huizen gestaan hadden maar die door de gemeente gebuldozerd waren om het voor de achterblijvers wat aangenamer te houden. Dit was een stedelijk landschap dat getroffen werd door demografische en economische krimp. Misschien vielen deze verschijnselen wel in de categorie ‘Amerikaanse toestanden’ maar mij bekroop het idee dat deze dynamiek zich ook zou kunnen voordoen in Nederland. Het komt deze kant op: krimp met moeilijk te beheersen gevolgen weliswaar in een aangepaste vorm; een Nederlandse variant. Hectaren stad in staat van vergaande ontbinding is wat ver verwijderd van de Nederlandse praktijk van dit moment maar economische en demografische krimp voltrekt

zich al in sommige plekken aan de rand van Nederland. Op niet al te lange termijn raakt het ook andere delen van ons land. Het komt zelfs angstaanjagend dichtbij de gebieden waar ‘de kar van de bv Nederland’ wordt getrokken om maar eens met onze eurocommissaris mevrouw Kroes te spreken. Kijkend naar Rochester zag ik de relevantie van een project over stedelijke gebieden die een prachtig verleden hadden en nu naarstig op zoek zijn naar nieuwe middelen van bestaan. Tegelijkertijd werd ik tegengehouden door de gevoelens die ik koesterde over de betekenis van reportages als het landschap van EL Doctorow. Ik bedacht me dat die relevantie dan op de eerste plaats op Nederland zou moeten slaan. Zou je als Nederlandse bestuurder, beleidsmaker of betrokken burger kunnen leren van de ontwikkelingen in een stad als Rochester? En waarom juist kijken naar Rochester? Rochester wordt gezien als een doorsnee kleine Amerikaanse industriestad in verval, maar voor een fotograaf is het van een niet te missen symboliek dat het hier om de fotografie-industrie gaat. Tussen december 2009 en oktober 2011 bezocht ik Roches-

ter 6 keer. Ik fotografeerde het stedelijk landschap in transitie en interviewde bewoners en vroeg hen hoe zij de toekomst van hun stad zien. Die aanpak wil ik herhalen in drie vergelijkbare regio’s in Nederland, Duitsland en Engeland. III Rochester maakt deel uit van de Rust Belt. Een lang gerekte rij van steden in het Noorden van de VS die vanaf het begin van de negentiende eeuw door handel en industrialisatie tot bloei kwamen. Zij beleefden hun hoogtepunt in de jaren veertig en vijftig van de vorige eeuw en geraakten daarna langzaam in glijvlucht naar beneden. In het begin van die bloeiperiode was het de gunstige ontsluiting – nog versterk door de kanalen en de komst van het spoor – dat maakte dat de gehele wereld het achterland vormde van deze productiecentra. De aanwezigheid van grondstoffen en kapitaal was mede verantwoordelijk voor het succes. Rochester was al welvarend door de textielnijverheid en graanoverslag toen George Eastman met zijn Kodak neer-

streek aan de Genessee River. Volop schoon water en arbeiders voor de productie van zijn films. De stad werd de plek voor de fotografie-industrie met fabrikanten van fotopapier (Xerox) en lenzen (Bausch & Lomb). Het had zin om bij elkaar te gaan zitten. Al snel volgde de behoefte aan meer en beter geschoold personeel in de stad. De grote industrieën richten een technische universiteit op en er kwam een reguliere universiteit. De stad werd het Silicon Valley van het begin van de twintigste eeuw. Er werd door de industriële elite enorm geïnvesteerd in cultuur, onderwijs en gezondheidszorg. De captains of industry maakten de dienst uit in de stad. Heel lang was er geen vuiltje aan de lucht: de stad groeide als kool, de winsten bleven groeien en de bevolking profiteerde mee. En de stad veranderde. Door de verbetering van transport verdween langzamerhand de productie uit het centrum van de stad. De grote ondernemingen bouwden nieuwe faciliteiten aan de randen. De werknemers kwamen met het openbaar vervoer en later met de auto. De auto veranderde het Amerikaanse landschap in die tijd. Dat proces werd in de naoorlogse periode bevorderd door de GI Bill, een wet die veteranen hielp bij de studie of bij de koop van een huis . Opmerkelijk en met veel gevolgen: het mocht alleen maar een nieuw huis zijn in de suburbs. Bij de uitvoering van de GI Bill werden minderheden vaak tegengewerkt. Minderheden bleven vaak achter als huurder in de stad. De angst voor een aanval van de Russen werd gebruikt om in hoog tempo snelwegen aan te leggen. Het werd erg gemakkelijk gemaakt om de stad te verlaten en in een nieuwbouwwijk een nieuw huis te betrekken. De auto werd door de stijging van de lonen voor menig middle-class gezin bereikbaar en werd de maat der dingen. De Russen kwamen niet, de suburbs wel. Huurders werden huizenbezitters. De blanke middenklasse nam gestaag in omvang toe: The American Dream kreeg gestalte. In de binnensteden van de inmiddels versleten industriesteden kwamen de oude fabrieksfaciliteiten leeg te staan. De urban renewal beweging, gesteund door overvloedige fondsen van de federale staat, meende de binnenstad te moeten revitaliseren, te moderniseren. Veel Amerikaanse steden kampten in de jaren vijftig met dezelfde problemen: verkrotte panden, slechte verkeerscirculatie, en verlies van bewoners en bedrijvigheid aan de opkomende suburbs. Er moest iets gebeuren. De eigenaren van twee warenhuizen nodigden in 1956 de architect Victor Gruen uit om een plan te maken voor de binnenstad van Rochester. Een pact tussen bedrijfsleven en stadbestuur zette het grote vernieuwingsproces in werking. Gruen kwam met het voorstel voor een overdekte shopping mall in downtown Rochester. Het plan was ongekend ambitieus: niet alleen moesten twee straten en twee blokken wijken voor dit plan, ook stelde Gruen voor om een ‘inner loop’, een rondweg om het centrum van de stad te bouwen. In 1962 werd de overdekte shopping mall Midtown Plaza geopend. Het was een ‘suburbane oplossing’ voor de binnen-


stad: het succes van de buitenwijk waar volop shopping malls met voldoende parkeergelegenheid waren, werd naar het centrum van de stad gehaald. Voor de ringweg moesten grote delen van de binnenstad wijken. Vanaf dag één was de weg omstreden. Hij werd gezien als een harde scheiding tussen de binnenstad en de omringende woonwijken. In juli 1964 kreeg Rochester a big wake up call. De eerste rassenrellen in de Verenigde Staten zijn niet in het gesegregeerde Zuiden maar vinden plaats in de noordelijke stad Rochester. Vijftig jaar later zijn de gevolgen van die gebeurtenis nog merkbaar. Tijdens de rellen werden winkels geplunderd, waarvan er veel sindsdien altijd gesloten bleven. Niet alleen de stad veranderde door geplande en ongeplande ingrepen, de economie veranderde ook. Xerox en Kodak waren samen met de aanleverende industrie verantwoordelijk voor driekwart van de economische activiteiten in de regio. Aan het eind van de jaren tachtig verbleekte dat. Kodak had weliswaar belangrijke ontdekkingen gedaan op het gebied van de digitale fotografie maar het management koos voor de analoge fotografie. De Japanse concurrent Fuji Film ontketende een prijzenoorlog met producten waar het succes van Kodak op rustte: fotopapier en film. Kodak kromp. In 2010 stond Eastman Kodak, in 1982 met meer dan 60.000 werknemers nog de grootste werkgever van de Rochester NY Metropolitean Area, met 7.400 werknemers op de derde plaats. Xerox verging het niet veel beter De stad werd snel geconfronteerd met de gevolgen van de enorme reductie in arbeidsplaatsen. Rochester kwam in de top-drie van Amerikaanse steden met de grootse terugval in banen in de industriële sector. Bedrijven sloten hun poorten, gebouwen werden afgebroken, de binnenstad kwam leeg te staan. Het wondermiddel uit 1962, Midtown Plaza, was ook uitgewerkt, het stond jaren leeg voordat in 2010 werd begonnen met de sloop. De binnenstad van Rochester lijkt op een doughnut: een uitgeholde kern omringd met buitensteden, die als onafhankelijke gemeentes niet onder het stadsbestuur vallen. De verarmde binnenstad met haar achterblijvers zit met de problemen, de buitensteden gaat het redelijk goed. In 2000 was de totale leegstand in de City of Rochester twaalf procent. In de populaire wijken in de stad was dat toen vijf procent. Dat betekent dat sommige wijken het meest lijden van de vlucht naar de buitenwijken. Er zijn wijken met een leegstand van veertig procent en meer. In 2011 bedroeg de totale leegstand van woningen in de stad negentien procent. Er zijn 100.000 woningen in de binnenstad en dat zijn 20.000 teveel. De bevolking van de City of Rochester kromp van 300.000 een paar decennia geleden naar 207.000 in 2009. Het centrum van de stad, het gebied binnen de ring, is kaalgeslagen. Door de belastingwetgeving wordt opstal belast maar de grond niet. Eigenaren die met leegstand kampen, nemen het laatste verlies en slopen het gebouw. De leeggekomen ruimte wordt geasfalteerd en verrijkt met een parkeermeter. Overal in deze binnenstad kan je parkeren maar waarom zou je er überhaupt heengaan? De parkeerplaatsen blijven leeg. Binnen de Inner Loop, de ringweg van Gruen wonen nu nog 3.000 mensen. Rochester is nu een gesegregeerde stad: ten noorden van de kaalgeslagen binnenring liggen de oude arbeiderswijken

bevolkt met voornamelijk African Americans en Hispanics. Daar is de concentratie van werkloosheid, drugsgebruik, tienerzwangerschappen en criminaliteit. Hoeveel armoede er heerst in Rochester kun je zien aan de gratis maaltijden die verstrekt worden op scholen. In de binnenstad is dat aan negentig procent, in de buitenwijken is dat aan tien procent van de schoolgaande jeugd. Voorbij de buitenring liggen de suburbs met hun BigMansions en goede scholen. Twee werelden die elkaar niet meer ontmoeten. Door de bestuurlijke versnippering – de stad met haar onafhankelijke buitenwijken - wordt alles in veelvoud gedaan in de Rochester NY Metropolitan Area: er zijn gescheiden politiedepartementen en schooldistricten. Erg efficiënt is het niet. Het onderwijs in de binnenstad doet het slecht en jaagt de middenklasse ook naar de buitenwijk waar het onderwijs beter is. Nog niet de helft van de eindexamen kandidaten van de high schools in de City of Rochester haalt een diploma. In 2009 verlieten 32% van de scholieren vroegtijdig de high school in Rochester City. In een buitengemeente als Pittsford haalde 97 % van de leerlingen de eindstreep. De regio is de afgelopen decennia demografisch niet gekrompen, maar iedereen die het zich kon veroorloven is inmiddels vertrokken naar de buitenwijken. De aanwas van buitenwijken hebben er voor gezorgd dat de metropool fysiek drie keer zo groot is geworden. De City of Rochester is voor het oplossen van de gevolgen van de krimp voor een deel afhankelijk van de goede wil van de buurtgemeentes, en die is er niet. Het resultaat is een cumulatie van problemen: middenklasse gezinnen verlaten de stad en verhuizen naar de suburbs, arme bewoners blijven achter. De kosten voor de stad stijgen, en de belastinginkomsten vallen weg. De erbarmelijke kwaliteit van het onderwijs op basis- en middelbare scholen werd door iedereen die ik sprak – van de makelaar tot de politici – gezien als de verklaring voor de gigantische problemen van de stad. Het heeft geen zin om te investeren in nieuwe gebouwen als dat probleem niet eerst wordt opgelost. Het is goedkoper om een huis te kopen in de suburbs en toegang te krijgen tot goed onderwijs dan in de binnenstad te blijven en je kinderen naar een privé school te sturen. Je verbetert de stad door het onderwijs te verbeteren. Een bestuurlijke reorganisatie die voor regionale planning en ontwikkeling kan zorgen ligt niet in het verschiet. De chief urban planner van Rochester ziet wel onorthodoxe alternatieven om de suburbanisatie af te remmen en een duurzaam alternatief te bieden: het niet aansluiten van nieuwbouwprojecten op riolering en leidingwater. Dat zit er niet in want ook de water- en rioolbedrijven zijn autonoom. Ondanks de problemen met het middelbaar en lageronderwijs wordt educatie gezien als een bron van vernieuwing voor de stad. Het hoger onderwijs wijst hier de weg. Studenten komen naar Rochester voor de universiteit en de technische hogeschool. Maar ze verdwijnen weer als ze klaar zijn met hun studie. Toponderwijs moet een exportartikel worden. Terugvallen op wat is over gebleven van die industriële succestijd: de creatieve en kennisinstituten. De universiteit – met het academische ziekenhuis nu de grootste werkgever in de metropool – kan de motor van verandering worden. Zij heeft daar zelf belang bij: de universiteit probeert onderzoekers van uit het

Moses E. Robinson School Resource Officer at Eastern High School, Rochester I uit de serie Sound Horn


en daarna naar college waar hij een business course volgde. Deze zoon viel het op dat zwarte vrouwen graag haarextensies dragen maar dat de winkels die dat verkochten allemaal in de shopping malls zitten die ver buiten de stad liggen en niet bereikbaar zijn met het openbaar vervoer. Het idee was om de shopping mall dan maar naar het getto te brengen. Zo runnen de vier broers, Arabs genoemd door de African American cliëntèle een zeer goedlopende winkel. Er is een His & Hers Kids in aankomst, en een filiaal in een van de ghetto’s van Chicago. De jongste broer studeert neurochirurgie, want je moet diversificeren, zegt Y de visionair in de familie. V

State Factory, Rochester I uit de serie Sound Horn

gehele land aan te trekken en is in concurrentie met steden als San Francisco en Boston. Een deel van de aantrekkelijkheid biedt de universiteit zelf met haar budget en faciliteiten. Maar de universiteit wil haar medewerkers graag een aantrekkelijk woonmilieu bieden en goede werkgelegenheid voor meekomende partners en goed onderwijs voor hun kinderen. Daar schort het nu aan. De universiteit is daarom begonnen om op kleine schaal op te treden als projectontwikkelaar om wijken met potentie in de buurt van de campus op te knappen. Van grote bedrijven met filantropische leiders heeft de stad niet veel meer te verwachten. Door de globalisering is de binding met de vestigingsplek van een bedrijf veranderd. Ze zijn

nog gevestigd in Rochester maar hebben ook vestigingen over de hele wereld. Ze hebben niet zoveel meer met de stad zoals George Eastman dat wel had. Alles beweegt in deze wereld, ook de filantropie. IV De vraag is of je met beleid, en dan met welk beleid, iets kan doen aan het tegengaan van de terugval van regio’s. Bestuurders denken graag in investeringen in infrastructuur en grote gebouwen alsof dat de terugval zou stoppen. Zo wil in Rochester het stadsbestuur graag een honkbalstadium bouwen in het centrum à raison van tientallen miljoenen – eerst nog

even lenen – gemeenschapsdollars. En dit om een keer in de veertien dagen, bewoners uit de buitenwijken met hun auto de stad in te laten komen om naar hun thuisclub te komen kijken. Niet alles is hopeloos. Op North Clinton Avenue - in het getto van Rochester - His & Hers Beauty & Apparel gevestigd. X kwam in de jaren tachtig vanuit Jemen naar Rochester en ging daar werken in een cornerstore gerund door landgenoten die een winkel hadden overgenomen van Koreanen die sociaal en economische gezien verder opklommen. Een voor een kwamen X’s zonen over uit Jemen. De eerste zoon was te oud voor high school, de tweede zoon kon al naar high school

Kunnen we in Nederland leren van de ontwikkelingen in een stad als Rochester? Ontkenning is funest. Een krimpende stad zonder structurele en bestuurlijke steun van de regio maakt niet veel kans op een betere toekomst. Vertrouw er maar niet op dat de markt de voorzieningen creëert die niet aan de markt zijn, zoals een breed cultureel aanbod, goed onderwijs en ruimtelijke ordening. Dit zijn overheidszaken die alleen op regionaal of zelfs nationaal niveau geregeld moeten worden. Segregatie (scheiding tussen arm en rijk, gekleurd en blank), een fenomeen dat zich de laatste jaren openlijk manifesteert in Nederland, verkleint de sociaal-economische problemen niet, hooguit concentreert het zich in bepaalde gebieden. Hoe lang kan een land of stad zich veroorloven dat een aanzienlijk deel van de bevolking, niet bijdraagt aan het inkomen van de gemeenschap? Voor het vervolg van dit project waarbij ik de geschiedenis van transformatie van stedelijke regio’s wil vergelijken, werk ik in de regio Twente. Twente heeft ogenschijnlijk niets gemeen met Rochester. De extremen vind je er niet: niet de enorme wijken met armoede en verval maar ook niet de enorme rijkdom in de vorm van grote villawijken en kunstcollecties en topuniversiteiten. De schaal is anders maar er is wel degelijk een vergelijkbare geschiedenis en dynamiek. Almelo, Hengelo en Enschede kwamen tot bloei na de tweede wereld oorlog door textiel en metaal nijverheid. Die activiteiten zijn zo goed als verdwenen. Ook hier is segregatie waarbij een grote groep bewoners niet zelf inkomen vergaard en soms generatie op generatie werkloos is (duurzame werkloosheid?), een gigantisch probleem. En op termijn wellicht het obstakel naar structureel herstel. Dat is goed zichtbaar aan de braakliggende terreinen waar wel plannen voor zijn maar geen afnemers. Deze steden zijn net als Rochester te groot voor het aantal inwoners en bedrijven. Er is om met een stedenbouwkundige in Hengelo te spreken: “teveel inhoud ten opzichte van het programma”. Ik ben benieuwd hoe in vergelijking met Rochester wij in Nederland een antwoord vinden op stagnatie.

Tekst & beeld: Theo Baart

Profile for FOTODOK

Transitions Theo Baart  

Transitions

Transitions Theo Baart  

Transitions

Profile for fotodok
Advertisement