Page 1

ver halen B u n d el

de Belevi ng da a r Wa a r v e r h a l e n B eg i n n e n !


verhalenbundel De beleving Daar waar verhalen beginnen!

Mira Benes Marjan de Boer Carmen van Coesant Margriet Dalmeijer Barbara Dijke Andrea de Palm Dennis Pronk Irene Schrijver Miranda Weernink


met dank aan

Probook Media voor echte boeken


ver halen b u n d el

De Belevi ng Da a r wa a r v e r h a l e n b eg i n n e n !

M i ra B en es - Marjan d e Bo er - Carm en van Co esant - Marg ri et Dalm eij er Barbara Dij ke - Andrea de Palm - Dennis Pronk - Irene Schrijver - Miranda Weernink


colofon Copyright Š 2012:

Cursusgever Marielle van Sleen en cursisten Mira Benes, Marjan de Boer, Carmen van Coesant, Margriet Dalmeijer, Barbara Dijke, Andrea de Palm, Dennis Pronk, Irene Schrijver, Miranda Weernink

Vormgeving: Carmen van Coesant, www.zoetethee.nl Fotografie groepsfoto: Lisa Meerdink Eindredactie: Marielle van Sleen en Mira Benes Boekproductie: Probook Media BV Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, geluidsband, elektronisch of op welke wijze dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de uitgever.


voorwoord B es te le ze r, dr ijf sjn pa rt ne r na ar mi jn be mi j bi je er me for In ’ is… ‘A ls he t ma ar leu k al ac tiv ite ite n do en di e ik or vo l wi Ik . rd oo tw an als ar vo er in g, da n kr ijg je da t sc hr ijv en is zo iet s. Ik ga da op sh rk wo n Ee . jn zi nd re leu k vin d, di e in sp ire m zin ge nd we er th ui s. flu ite nd na ar to e en ik ko ma ar va n ee n ty pis ch e ‘A ls he t Di t bo ek is he t re su lta at Op sh op s crea tie f sc hr ijv en . rk wo de : eit vit cti -a is’ leu k sa me n Ca fé de Be lev in g he b ik de bo ve nv erdi ep in g va n n en me t let te rs en wo orde ns me e ch tis as nt fa n ge ne me t grap on ge ve er 45 sp an ne nd e, ge sp ee ld . Da ardo or zi jn Proale n ge bo re n en da nk zi j rh ve de en er tro on en e pig ek . rh ale n ge bu nd eld in di t bo bo ok M ed ia zi jn al di e ve ne s ieg ele nb erg en M ira Be Sp n Ja ik l wi or vo ar Da e ied eree n di e di t bi jzo nd er ha rt eli jk da nk en . Ik we ns r to e. bo ek lee st he el ve el ple zie Groe t, M ar iel le va n Sl ee n


inhoudsopgave

Opdracht 1 Marjan de Boer Vakantie in Oman Marjan de Boer Biografie Carmen van Coesant Leven of overleven Margriet Dalmeijer Met andere ogen Barbara Dijke Frosk Barbara Dijke Biografie Andrea de Palm Succes Andrea de Palm Biografie Dennis Pronk Goede intenties geven geen garantie Irene Schrijver ReĂźnie Miranda Weernink Fashion Groepsfoto Marielle van Sleen Biografie

pagina 11 pagina 12 pagina 14 pagina 17 pagina 19 pagina 21 pagina 23 pagina 24 pagina 26 pagina 28 pagina 30 pagina 32 pagina 35 pagina 36

Opdracht 2 Marjan de Boer Het huis achter de Syndduun Carmen van Coesant Dilemma van een oude man Margriet Dalmeijer Biografie Margriet Dalmeijer Opgesloten Barbara Dijke Opsporing verzocht Andrea de Palm De brief Dennis Pronk ‘t Benne raere tieden Dennis Pronk Biografie Irene Schrijver Spaarvarken Miranda Weernink Mouse

pagina 37 pagina 38 pagina 40 pagina 42 pagina 43 pagina 46 pagina 48 pagina 51 pagina 52 pagina 54 pagina 56


inhoudsopgave

Opdracht 3 Mira Benes De zee Marjan de Boer Samen Carmen van Coesant Samen springen Carmen van Coesant Biografie Margriet Dalmeijer Obsessie Barbara Dijke In de naam van de vader en de zoon Andrea de Palm De liefde van dit jaar Dennis Pronk Land Unter Irene Schrijver The day before you came Irene Schrijver Biografie Miranda Weernink Een tweede kans

pagina 59 pagina 60 pagina 62 pagina 65 pagina 66 pagina 69 pagina 71 pagina 73 pagina 76 pagina 79 pagina 80 pagina 82

opdracht 4 Mira Benes De Chinese muur Marjan de Boer Ik mag er niet zijn Carmen van Coesant De vakantie toen alles anders werd! Margriet Dalmeijer De straatmuzikant Barbara Dijke Stellvertreter Andrea de Palm Nieuw Atlantis Dennis Pronk Indrukken Irene Schrijver Liefde op het eerste gezicht Miranda Weernink Sneeuw! Miranda Weernink Biografie

pagina 85 pagina 87 pagina 89 pagina 93 pagina 95 pagina 98 pagina 102 pagina 106 pagina 110 pagina 113 pagina 116


inhoudsopgave

opdracht 5 Mira Benes De rode lijn Mira Benes Biografie Marjan de Boer Schuren langs de grens Carmen van Coesant Brief aan mijzelf Margriet Dalmeijer Brief aan mezelf Barbara Dijke Brief aan jezelf Andrea de Palm Geluk Dennis Pronk In het verleden behaalde resultaten Irene Schrijver Brief aan jezelf Miranda Weernink Wat nou als Groepsfoto

pagina 117 pagina 118 pagina 120 pagina 121 pagina 124 pagina 126 pagina 128 pagina 130 pagina 132 pagina 134 pagina 136 pagina 138


Marielle van Sleen

opdracht 1 Moodboard Hoe verzin je een verhaal? Je kunt allerlei rare, leuke, spannende, enge, zielige of anderszins opvallende plaatjes uit tijdschriften scheuren. Als je uitgescheurd bent, dan selecteer je de meest aansprekende plaatjes en die plak je op een groot wit papier. Dat is je moodboard. Wat vertelt jouw verzameling?


Opdracht één

Vakantie in Oman

O

man! Ik voel het vliegtuig onder me trillen als we landen. Een gevoel van opwinding, spanning en verlangen overvalt me. Verlangen en spanning om het land te ontdekken en de mensen te ontmoeten. Opgetogen geef ik mijn man Nils en dochtertje Malou spontaan een dikke kus. Er is niets meer over van mijn allesoverheersende gevoel van ‘sleur en verveling van alle dag’. Mijn naam is Evelien, een jonge vrouw van 35 jaar. Ik heb een drukke baan, ben sportief en hou van stoere, beetje sexy uitdagende dameskleding. Met mijn lange blonde haren val ik onder het type ‘knappe vrouw’. Door mijn streng calvinistisch opvoeding ben ik ten tijde van mijn studie snel op kamers gegaan. Wat een vrijheid ervoer ik in de stad. Tijdens mijn studie pedagogiek heb ik Nils ontmoet, een lange slanke mooie man met donkere krullen, die geschiedenis studeerde. Nils zou dan ook het liefst in Oman saai met een schepje in de grond gaan pulken, op zoek naar dat ene vergeten unieke oeroude overblijfsel van een vroegere beschaving. Ik wil niet saai in het zand scheppen. Ik wil de cultuur proeven, de geur van het land ruiken en wens spanning en verandering in mijn leven van alle dag! Oman is een prachtig kleurrijk land, overdekt met een strak blauwe lucht tegen witte bebouwing. De dames dragen doeken in allerlei mooie kleuren. De mannen hebben iets hoffelijks over zich. Al die elegantie maakt dat ik me boers voel. Ook Nils ziet er duf uit, met zijn sjofele archeologenoutfit. Malou danst niets vermoe-

dend van de schokkende gebeurtenissen van de komende dag, vrolijk over de zanderige weg. Het is heerlijk weer en haar bloemenjurkje golft om haar lijfje. Het is onze derde dag in Oman en we hebben ons voorgenomen om de plaatselijke markt te bezoeken met al die kleine winkeltjes er omheen. Heerlijk struinen we langs de kraampjes en winkeltjes. Malou wil al die kitscherige souvenirtjes voor haar vriendinnetjes kopen. Ook ik word koopgraag bij zoveel uitheemse buitenissigheden. Nils kijkt geïnteresseerd in dikke vergeelde boeken en gidsen. Bij het zoveelste winkeltje loop ik maar eens naar binnen, terwijl Malou en Nils buiten bij een kraam blijven staan. Achter in het smalle lange zaakje staat een dame achter de balie, die me wenkt. Rondkijkend naar alle mooie spulletjes loop ik naar haar toe. En dan …. wordt er een natte doek op mijn mond gepropt. Nog voordat ik iets kan zeggen of doen voel ik me slap worden. Ik word wakker in een prachtige ruimte en begrijp niet waar ik ben. Langzaam spoelt de film in mijn hoofd terug en paniek welt in me op. Waar ben ik in Godsnaam en waar zijn Malou en Nils? Op dat moment gaat de deur open, waarop ik verwilderd om me heen kijk. Er komt een glimlachende sierlijke dame binnen. Ze vertelt me dat ze Lilly heet en dat ik ben meegenomen door de bodyguards van de prins, die me over de markt hadden zien struinen. De prins vindt mij schitterend met mijn lange blonde haren en hij wil me in zijn harem opnemen. Lilly drukt me op het hart niet te vluchten,

pagina 12


Marjan de Boer

want dan zal ik doodgeschoten worden, net als velen voor me. Ik realiseer me met pijn in mijn hart dat ik spanning en verandering wilde, wat me nu overdreven op een presenteerblaadje wordt opgediend. Ik zie geen andere keus dan me voorlopig te berusten in mijn lot. Lilly heeft net zulke prachtige kleren voor me bij zich, als die ze zelf aan heeft. Ze kleedt me aan, zoals dat in Oman hoort, en als in een metamorfose zie ik me zelf in de spiegel terug. Ik lijk op Lilly, maar dan met een blanke huid en blonde haren. Ademloos kijk ik naar mezelf en vind mezelf elegant, sexy en mooi. Tot mijn schaamte ben ik eigenlijk wel benieuwd naar die prins. Zou hij net zo knap en exotisch zijn als al die mannen die ik tot nu toe heb gezien? De gedachte, dat ik waarschijnlijk met hem zal moeten vrijen, windt me tot mijn verbazing op. Lilly gaat me voor naar de suite van de prins, waar hij zich met zijn harem animeert. De prins is adembenemend mooi en heeft een vriendelijk gezicht. Ik kijk om me heen en zie geen andere keus dan me te schikken me in mijn rol van haremdame. Deze rol is niet vervelend. Iedere dag wil de prins tijd met me doorbrengen en ik voel me geliefd en mooi. Nooit geweten trouwens dat seks zo opwindend kan zijn. Ik sluit langzaam vriendschap met de overige haremdames, maar de meest hechte vriendschap hou ik met Lilly. Op een dag vraagt Lilly me mee te gaan naar haar huis. De prins is blij dat ik me geschikt heb ik mijn lot en gunt me een bezoek aan Lilly haar huis. Zwaar bewaakt door de bodyguards van de prins gaan we

op stap naar een soort sloppenwijk. De meeste huisjes zijn opgetrokken uit resthout met een golfplaat dak. Lilly haar huis is iets groter en steviger. Ze woont er met haar man en haar vier kinderen, haar zus met haar drie kinderen en haar moeder. Door haar inkomsten als haremdame kan ze al haar familieleden onderhouden. Haar man vindt Lilly een goede vrouw en ze houden oprecht van elkaar. Ach ja, prostitutie is het oudste beroep van de wereld, dus wie ben ik om daarover te oordelen? Na dit bezoek volgen er de volgende maanden nog velen, waarin ik Lilly haar vriendinnen ontmoet. Het valt me op dat het meestal sterke vrouwen zijn, die verantwoordelijkheid dragen voor hun hele gezin en een groot deel van de familie. Door mijn keurige gedrag verslapt, tot mijn grote vreugde, de bewaking steeds meer. Als ik bij Lilly thuis naar het toilet ga, een gat in een hok ergens in de buurt, gaat de bewaker niet altijd meer mee. Ondanks dat ik me uiterlijk schik in mijn rol, blijf ik op de uitkijk naar een mogelijkheid tot ontsnapping. Inmiddels heeft een vriendin van Lilly me onopvallend uitgelegd waar ik de Nederlandse ambassade kan vinden. Ik krijg steeds meer heimwee naar Nederland, mijn man en schat van een dochter, daardoor wordt het gemis met de dag groter en het begint steeds meer aan me te knagen. En dan zie ik plotseling op een dag mijn kans schoon. De bewaking is in slaap gesukkeld en ik doe alsof ik naar het toilet moet, waar ik vervolgens aan voorbij loop. Om te camoufleren dat ik een westerling ben,

pagina 13


biografie

M ar ja n de B oe r

in ge n). Ik be n ge tro uw d en on Gr in 68 19 ni ju 25 op n Bo er (ge bo re ale n. Al s M ijn na am is M arjan de jaa r ou d. Ik ho u va n ve rh en sti ze en n tie ht ac els midd he b tw ee kinde re n va n in ten te sc hrijv en . Tijde ns de ch di ge d tij e di in ik n go k bij . Oo k be en Pe ter, pu be r hi eld ik ee n da gb oe eld e ik ve rh ale n ov er Pe tra rt ve en t ch da be n re de kin kinde rt ijd va n mi jn eig en g ik de wo rk sh op ‘C re at ief za n dI ke Lin a Vi d. kin n grep en va n ee aa n. ve rh ale n ui t he t lev en ge ge en mo me nt en me ldd e me me t ch da be ik en n me ko orbij Sc hrijv en’ va n M ariel le vo uk va nw eg e d en va ak on de r tij ds dr tij op ijd alt et ni el ew Ho zie r b ik de ve rh ale n me t ple he g, in nn pla ds tij e iev mi jn po sit ma ar in au to bi og ra fis ch e ve rh ale n, en ge jn zi t He . en ev hr sc ge lf he b me eg em aa kt : ee n ge ze ik t wa s iet l we zit l aa ied er ve rh ss ele nd e, n ve rla ng en . He t zi jn af wi ee of ie ot em n ee s, ni te ur be ee n , wa arbi j in ied er ve rh aa l en rd wo ge n ale rh ve e ar vo orst elb ge be ur te ni s pla at sv in dt . e nd ne an sp e, ht ac rw ve on Ik we ns je ve el ple zie r me M ar jan de Bo er ww w. m- co ac hi ng .n l pagina 14

t he t lez en .


Marjan de Boer

trek ik de doeken nog meer over mijn hoofd. Mijn hart klopt me in de keel en aan de rand van de wijk begin ik te rennen, de weg langs die de vriendin van Lilly me had uitgelegd. Ik ren en ren en heb het gevoel geen lucht meer te kunnen krijgen door die verzengende hitte. Alles lijkt voorspoedig te gaan, totdat ik een schot hoor. Even sta ik verstijfd van schrik stil. Uit de wijk ver achter me kwam het schot en hoor ik tumult, maar ik zie nog niets. In de verte voor me ontwaar ik het gebouw dat de ambassade moet zijn. Ik ren en druk op de bel, die ergens in het binnenste een gong doet slaan. De grote poortdeur wordt open gedaan door een bewaker. Als hij ziet dat ik een westerling ben, laat hij me snel binnen. Terwijl de deur zich sluit, zie ik in de verte mensen rennen. Het is maart, 7 maanden na mijn ontvoering. In de ambassade druk ik de telefoon stijf tegen mijn oor. Ik hoor een heldere meisjesstem. “Met mama�, zeg ik met verstikte stem en tranen in mijn ogen. einde

pagina 15


pagina 16


Carmen van Coesant

Leven of overleven

I

k kan kiezen: niet meer leven of overleven. Ik heb me nooit in mijzelf verdiept en dacht meestal niet na en toch ben ik juist blijven leven. Nooit kan ik meer terug naar Nederland. Het is allemaal mijn schuld, ik heb niemand meer.

De sexy man met het ringbaardje is haar al direct opgevallen. Ze voelt zich vochtig worden tussen haar benen wanneer hij op haar afstapt. Praten is overbodig. Ze wil hem nu! Hij leidt haar mee naar een nooduitgang en opent de deur met een sleutel.

Een half jaar eerder paradeerde Gazelle over de boulevard. Op haar nieuwe Manolo Blahniks, met een strak rokje om haar billen en blonde wapperende haren, voelde ze dat alle mannen naar haar keken. Heerlijk, hier genoot ze van. Haar vrienden zaten al bij Woodstock ‘69 aan de bubbels. Eerst dineren en daarna de hele nacht dansen in Panama. Paul stond op en pakte een stoel voor haar: “Ben je daar eindelijk, hottie! We dachten al, die is achterop een Porsche gereden.” Paul is haar favoriete homo en hij ziet er perfect uit in zijn lievelingsmerk Dolce & Gabbana. De rest van de groep zag er al net zo glamoureus uit. Toen Gazelle bekend werd als model en belangrijke opdrachten kreeg, zoals de Fashion week in Parijs, opende zich een nieuwe wereld. Vanaf dat moment stroomden de opdrachten en het geld binnen, daarmee ook haar nieuwe vrienden. Dus zodra binnenkort haar appartement in Zwolle wordt verkocht, gaat ze verhuizen naar Amsterdam.

Hij knikt goedkeurend wanneer hij geen slipje onder haar rok voelt en zijn handen vinden de weg naar haar strakke billen. Ze siddert van genot. Uit haar handtasje haalt ze een condoom die ze behendig uitrolt. Net zo snel als ze elkaar ontmoetten, nemen ze even later weer afscheid. Misschien moet ik hier eens mee stoppen; glipt het door haar gedachten. Een half uur later is ze dit alweer vergeten, terwijl het witte poeder een weg vindt in haar neus. Opnieuw komt er een man op haar af. Gazelle kan het niet geloven, dit is haar lucky night. Wat een man, met een zware stem spreekt hij haar aan. Hij heeft een gespierd lichaam en een kont van staal, met donkerbruine ogen kijkt hij haar spottend aan.

Een paar uur later staat ze, samen met haar vrienden, in de nachtclub met wederom een glas bubbels in haar hand. Vol bewondering en jaloezie wordt er naar hen gekeken. Gazelle is blij dat ze alleen in het buitenland bekend is, hier kan ze haar gang gaan.

De man stelt zich voor als John. Gazelle voelt de autoriteit die de man uitstraalt. Ze weet zeker dat het hem bevalt wat hij ziet. Aan alles merkt ze dat hij anders is dan de ‘jochies’ waar ze normaal mee scharrelt. Vanaf die dag maakt ze tijd voor hem vrij. Ze wordt gewaarschuwd door haar vrienden, zelfs de oppervlakkige, dat hij gevaarlijk is. Ze doet er niet veel mee, behalve dat ze haar uitspattingen met andere mannen wijzigt, want dat doet ze voortaan alleen nog in het buitenland. Af en toe denkt ze iets op vangen over een boot,

pagina 17


Opdracht één

over handel of een vrouw die ontsnapt is. Ze negeert het stemmetje in haar hoofd, dat zegt dat hij geen man is om een spelletje mee te spelen. Na maanden ziet Gazelle haar zus weer eens en ze vertelt enthousiast over haar belevenissen van het afgelopen half jaar. Ze ziet haar zus veel te weinig, maar ze is er nu met een reden: “Ik zit bijna dagelijks in Amsterdam bij John, wil jij Roberto in huis nemen? Ik heb echt geen tijd meer voor die dikke kater. Ik weet, dat ik je veel te weinig zie en dat je mijn levensstijl afkeurt, maar ik ben gelukkig, echt waar.” Beleefd luistert Gazelle vervolgens naar de verhalen van haar zus, die ten huwelijk is gevraagd. Gazelle hoopt dat ze niet het vrijgezellenfeest moet organiseren, daar heeft ze echt geen zin in. Ze onderbreekt haar zus die druk aan het vertellen is over haar plannen voor het trouwfeest. ‘Weet je, dat ik bijna wekelijks Swarowski juwelen krijg van John?’ De twee zussen praten compleet langs elkaar heen en ze nemen even later ongemakkelijk afscheid van elkaar. Een week later is Gazelle weer bij haar zus. Langzaam drijven de noten van de pianomuziek in de verte weg. Gazelle nipt van haar thee en ze neemt een hap van een versgebakken scone. “Ik ben blij dat we het bijgelegd hebben zusje. Wat hebben we toch verschillende levens.” Hanna moet lachen. “Ja, heel verschillend. Ik ben blij dat je van plan bent om je leven om te gooien als je terug bent uit Zuid-Afrika. Ga ook trouwen!” Zegt ze met een liefdevolle knipoog.

“Ik weet het niet, Hanna. Jij bent tenslotte toch één hele minuut ouder dan ik en daarom ook verstandiger”, antwoordt Gazelle lachend, terwijl ze Hanna de sleutel van haar appartement geeft. “Hier, dan kunnen jij en je aanstaande man vanavond in de jacuzzi op mijn dakterras. Zwolle is prachtig bij avondlicht.” De avond daarop vertelt Gazelle aan John dat ze voor een opdracht naar Zuid-Afrika moet. Hij zegt dat hij haar zal missen. Gazelle ziet ernaar uit, het is letterlijk ontsnappen aan hem. Nog even volhouden en dan gaat ze er een punt achter zetten. Ze moet nog iets meer geld sparen en dat is gemakkelijk met een man die daar zo mee strooit. De fotoshoot in Zuid-Afrika is geweldig en Gazelle heeft het erg naar haar zin. Ze zit in de buurt van Kaapstad op het strand wanneer ze op haar iPad het Nederlandse nieuws leest. Ze leest over een crime passionel. Een Amsterdamse crimineel is in een vlaag van woede en jaloezie naar Zwolle gereden. Hij had gehoord dat zijn vriendin met andere mannen rommelde. De letters draaien voor haar ogen wanneer ze leest, dat het in haar straat is en dat haar buren schoten hoorden en een vrouw hoorden gillen. De man en vrouw zijn doodgeschoten in de jacuzzi. Gazelle laat de iPad vallen en de wereld om haar heen begint te draaien. Het kan toch niet waar zijn dat ze John nooit heeft verteld dat ze een tweelingzus heeft?!

pagina 18

einde


Margriet Dalmeijer

Met andere ogen

H

et was akelig stil toen ze die ochtend wakker werd. Even wist ze niet waarom ze de stilte zo beklemmend vond, maar toen herinnerde ze zich ineens weer wat er de vorige avond gebeurd was. Flarden van haar ruzie met Jim – de ergste ooit – spookten door haar hoofd en één zin in het bijzonder kwelde haar toen ze haar badjas aandeed en naar beneden liep: “Ik walg van je”, had Jim geroepen, “en ik had nooit met je moeten trouwen!” Na deze woorden was hij naar buiten gestormd en met gierende banden weggescheurd. Zij, Anna, was verbijsterd achtergebleven. In een half uur tijd was haar hele leven overhoop gehaald. Niet alleen was ze erachter gekomen dat Jim haar al maandenlang bedroog met de vrouw van zijn beste vriend, maar hij was bovendien heel anders dan hij zich altijd had voorgedaan: geen charmante, lieve man die voor haar door het vuur ging, maar een achterbakse oplichter die haar alleen maar had gebruikt om er zelf beter van te worden. Nu was ze niet alleen haar man kwijt, maar ook bijna haar hele vermogen! Met een wrang glimlachje herinnerde ze zich wat haar beste vriendin Cynthia tegen haar had gezegd toen ze Jim voor het eerst ontmoette: “Hij is niet de juiste man voor je, An. Luister alsjeblieft naar me: hij gaat je heel ongelukkig maken!” Anna had er niets van willen weten en uiteindelijk had Cynthia zich bij de situatie neergelegd. Met de broer van Cynthia was het een heel ander verhaal; Koens hardnekkige weigering om ook maar een moment met Jim in één ruimte te vertoeven had een flinke bres in hun vriendschap

geslagen, en dat terwijl ze Koen altijd als een soulmate had beschouwd! Als ze elkaar al zagen, was het altijd alsof er een onzichtbare muur tussen hen was opgetrokken. Ze had het nooit tegen iemand gezegd, maar eigenlijk miste ze Koens vriendschap enorm! Eenmaal beneden keek Anna eens goed de kamer rond. Alles zag er nog precies zo uit als de vorige avond: een omgevallen wijnglas lag op het grote witte kleed bij de haard en de lijst met de trouwfoto van haar en Jim lag aan gruzelementen op de dure parketvloer, die Jim met alle geweld had willen hebben, maar die zij altijd spuuglelijk had gevonden. Een eenzame traan rolde over haar wang. Ze had niet eens door dat ze huilde, totdat ze de traan onderaan haar gezicht voelde kriebelen. Met een ongeduldig gebaar veegde ze ‘m weg. “Die hufter is het niet waard om ook nog maar één traan om te laten”, mompelde ze in zichzelf. Het volgende moment hoorde ze de voordeur dichtslaan. Eén angstig ogenblik lang was ze bang dat Jim thuis was gekomen, maar het volgende moment zag ze Cynthia staan… en ze had Koen meegenomen! “Wat is hier in vredesnaam gebeurd?” riep haar beste vriendin met luide stem, terwijl ze de kamer rondkeek. Toen ze zag dat Anna er als een zielig hoopje mens bij stond, veranderde haar toon op slag en terwijl ze naar haar vriendin toe liep en een arm om haar heen sloeg, vroeg ze zachtjes: “An? Wat is er aan de hand?” Anna zei niks, maar richtte haar blik op Koen, die nogal ongemakkelijk bij de voordeur was blijven staan met zijn handen in zijn zakken.

pagina 19


Opdracht één

Cynthia beantwoordde de onuitgesproken vraag die in Anna’s ogen verscholen lag: “Ja, sorry, An. Ik heb vreselijk om je in de rats gezeten! Normaal spreken we elkaar elke dag en nu heb je nog niet eens één sms’je gestuurd! Ik was bang dat er wat met je was gebeurd en ik durfde niet alleen naar je toe te gaan om te kijken hoe het met je ging. Daarom heb ik Koen meegenomen. Ik hoop niet dat je boos bent.” Cynthia keek Anna onzeker aan, maar Anna haalde slechts haar ene schouder op en zei bijna onhoorbaar: “Het is oké.” Het volgende moment kon ze zich niet meer beheersen en met gierende uithalen begon ze te huilen, terwijl ze Cynthia om de hals vloog. Meteen loodste Cynthia haar beste vriendin met een zorgelijk gezicht naar de bank. Anna leek op de rand van een zenuwinzinking te balanceren. Cynthia had haar nog nooit zó overstuur gezien! Het duurde een hele tijd voordat Anna gekalmeerd was en al die tijd stond Koen bijna onbeweeglijk bij de voordeur, terwijl Cynthia haar beste vriendin uit alle macht probeerde te troosten: “Vertel het maar An,” zei ze. “Wat het ook is, we lossen het wel op, oké?” Anna knikte en met horten en stoten begon ze te vertellen over de afschuwelijke manier waarop Jim haar belazerd had. Ze ging zo op in haar verhaal, dat ze niet merkte dat Koens gezicht steeds meer vertrok. Zijn uitbarsting kwam voor haar dan ook totaal onverwacht: “Ik vermoord die klootzak! Hoe durft hij jou pijn te doen?!” schreeuwde hij, terwijl hij enkele

driftige passen in haar richting deed. Vlak voor haar bleef hij staan, maar voordat hij nog meer kon zeggen, nam Anna het woord: “Wat kan het jou schelen dat Jim me pijn heeft gedaan? Je hebt me compleet links laten liggen sinds ik met hem samen ben!” De kalme manier waarop ze deze woorden sprak, stond in schril contrast met Koens onbeheerste manier van spreken en hij leek er nog kwader van te worden: “Wil je écht weten waarom dat me wat kan schelen? Omdat ik al vijftien jaar verliefd op je ben! Dáárom!” riep hij uit. “Wát?” vroeg Anna, terwijl ze zich afvroeg of ze het wel goed verstaan had. Op vrijwel hetzelfde moment stond Cynthia op. “Ik laat jullie even alleen,” zei ze, waarna ze zich tactisch uit de woonkamer verwijderde. Het was Anna die als eerste het woord nam. Na haar emotionele uitbarsting voelde ze zich verbazingwekkend kalm en sterk. Koen stond met zijn rug naar haar toe voor de open haard, maar toen ze begon te praten, draaide hij zich om. “Koen,” zei ze, terwijl ze aarzelend in zijn richting liep. “Ik wil het graag met je proberen, maar ik wil me niet halsoverkop in een nieuwe relatie storten. Kunnen we niet eerst vrienden zijn?” Lang hoefde Koen daar niet over na te denken. “Welja,” zei hij, “ik heb al vijftien jaar gewacht, dus wat extra tijd kan er ook nog wel bij. Glimlachend sloeg Anna haar armen om Koen heen. “Kom hier! Ik heb je gemist, man!” zei ze. “Ik jou ook!” zei Koen, “je weet niet half hoe veel!” einde

pagina 20


Barbara Dijke

Frosk

‘E

n jullie gaan op tijd naar bed vanavond. En zonder zeuren’, na deze zinnen sloot Frank Nolet de deur van het huis achter zich. Hij vertrouwde erop dat Thera de jongens vanavond zonder gedoe het bed in kreeg. Zo niet, dan was het morgen zonder eten naar bed. Frank stapte in de auto en reed in de richting van de zaal waar hij vanavond de bijeenkomst van de Bijbelstudiegroep zou leiden. Terwijl hij de zaal naderde, moest hij het gedagdroom staken. Als iemand achter die dromen zou komen, zouden ze behoorlijk verbaasd staan te kijken, vermoedde Frank. Een man als hij: docent theologie aan de universiteit, gelukkig getrouwd, kinderen en ouderling in de kerk werd niet geacht zulke dromen te hebben. In de collegezaal, in de kerk en thuis was hij de strenge persoon: de man waar mensen naar toe kwamen voor raad en leiding. Maar in zijn dromen werd hij gedomineerd door een strenge meesteres en volgde hij elke order op die ze gaf. Hij schudde zijn hoofd, toen hij het pad van de kerk opreed. Gert stak zijn hand op ter begroeting naar Frank. Die opende het portier en schakelde resoluut zijn gedachten uit. Na de bijeenkomst draaide Frank de weg op met zijn auto. In plaats van de normale weg naar huis nam hij een andere route. De route die hem langs ‘Club Tispe’ bracht. Hij zag de lichten van de oprijlaan van de club in de verte: ze kwamen steeds dichterbij. In een opwelling besloot Frank de oprijlaan op te rijden. De parkeerplaats was discreet achter het gebouw. Zodra hij een voet op de eerste trede van de trap naar

de voordeur zette, ging de deur open. ‘Goedenavond meneer’, zei de portier die de deur openhield, ‘mag ik uw jas aannemen? U kunt doorlopen naar de huiskamer.’ Voorzichtig liep Frank de schemerige huiskamer binnen. ‘Velkommen meneer’, een kleine, blonde vrouw kwam hem tegemoet, ‘Vennligst bla nedover. Gaat u zitten.’ Haar arm wees naar de grote, witte bank waarop rode kussens lagen. Frank ging zitten en voelde zichzelf wegzakken in de kussens. ‘Wat doe ik hier in hemelsnaam? Ik moet naar huis. Daar wachten Thera en jongens op me’, de gedachten tuimelden in zijn hoofd over elkaar. ‘Vær so god om deze champagne aan te nemen’, de vrouw schonk een glas champagne in en zette het glas voor hem op de tafel. Ze nam naast hem plaats en keek hem aan, ‘Waarmee kunnen we u van dienst zijn vanavond meneer?’ Frank voelde van de zenuwen zijn maag een slag omdraaien. ‘Uhm........tsja........kijk’, zijn vingers draaiden de trouwring aan zijn vinger in de rondte. ‘Mijn naam is AnneBerit’, het accent van de vrouw klonk Scandinavisch, ‘ik ben de gastvrouw. Als u mij vertelt wat u fijn vindt of wat uw droom is, dan kan ik zorgen dat dat vanavond gebeurt.’ Zodra ze het woord droom had uitgesproken, verdwenen de zenuwen van Frank in één klap. Zijn droom.........het kon geen toeval zijn dat hij hier terecht gekomen was vanavond, zeker niet na de week vol dromen over een vrouw die hem strafte en met een zweep sloeg. Voordat hij het wist, vertelde hij alles over zijn dromen aan Anne-Berit. Die glimlachte toen hij zijn verhaal helemaal gedaan had. ‘Ik denk, dat ik precies weet wat u bedoelt’,

pagina 21


Opdracht één

ze pakte de telefoon die naast de bank op een tafeltje stond, ‘Kommer du till stue, Siri?’ Ze vertelde hem dat er in de club de perfecte vrouw werkte die zijn droom kon doen uitkomen. Ze legde ook uit hoe het in zijn werk ging als hij met Siri mee ging naar haar werkkamer en wat hij zou moeten betalen. ‘Het is belangrijk dat u onthoudt dat u haar, wanneer uw grens bereikt is, alleen kunt laten stoppen met het woord frosk. Wat u anders ook zegt.....ze zal niet stoppen’, Anne-Berit klopte hem op zijn been. Frank herhaalde het woord een aantal keer zachtjes, zodat hij het zou onthouden. Elke andere gedachte had geen plaats meer in zijn hoofd. In de deuropening verscheen een vrouw en Frank hield zijn adem in. Een langbenige, blonde vrouw in een roodleren catsuit op hooggehakte rode pumps met een Venetiaans masker voor kwam binnen. ‘God aften’, haar toon was kort en haar ogen leken wel vuur te spuiten door de gaten van het masker. Frank stond op en volgde Siri naar een kamer verderop in de gang. Ze sloot de deur achter hen.

gie en de mensen in de faculteit haar niet brachten wat ze verwacht had. Frank verbaasde zich over de stellige toon die Julia bezigde en vroeg haar of ze dat nader kon uitleggen. ‘Ze zeggen normen en waarden te hebben, maar gedragen zich er niet naar’, met deze zin besloot ze haar uitleg, ‘dus heb ik besloten te switchen naar geschiedenis.’ Bij die woorden pakte ze haar tas van de stoel naast haar en liep ze naar de deur toe. ‘Oh ja, meneer’, ze stak haar hoofd om de deur, ‘ik heb ook nog een briefje voor u.’ Ze stapte de kamer weer in en overhandigde hem een papiertje. Na een kort ‘Tot ziens’ verdween ze in de gang. Frank leunde achterover in zijn stoel en was verbijsterd: deze radicale stap had hij niet zien aankomen van haar. Hij schudde zijn hoofd en schonk zichzelf nog een kop koffie in. Zijn oog viel op het papiertje dat Julia hem gegeven had en hij pakte het op. Nadat hij het opengevouwen had en las wat er stond, werd hij spierwit. Zweet parelde van zijn voorhoofd naar beneden en de beker koffie viel uit zijn hand op de grond. Het papiertje dwarrelde langzaam naar beneden. Erop stond één woord geschreven in hoofdletters: ‘FROSK.’

‘Meneer Nolet?’ in de deuropening van zijn kamer op de universiteit stond Julia. Ze was één van zijn eerstejaars studenten. Hij gebaarde dat ze binnen kon komen en kon gaan zitten, terwijl hij de cijfers van een tweedejaars tentamen in zijn agenda schreef. ‘Wat kan ik voor je doen, Julia?’ hij klapte zijn agenda dicht en richtte zijn aandacht op haar. Julia vertelde dat ze van studierichting wilde veranderen, omdat theolo-

pagina 22

einde


biografie B arba ra D ijk e

. sinds 20 02 in Ha rd en be rg on wo Ik . jke Di a ar rb Ba M ijn na am is ed en is. Ik are sc ho ol als do ce nt ge sc hi elb dd mi n ee op ik rk we Da ar op en me t lee ra ch tersta nd en ng rli lee k oo t as na ar da onde rs teu n ke di erenbe vindt zic h ee n be ho orlij is hu jn mi nd ro en In ol. sc ho e tw ee ge rb ils . In he t laa tst en en jn ni ko ee tw n, tte tu in : vij f ka sta ge Krist ian sa nd ge wo ond om in ik b he e di stu jn mi n va jaa r ge n te sc hrijv en . In di e tijd kin Vi de er ov tie rip sc jn te lop en en mi da gb oe k. ge lij ks bij ho ud en va n ee n da t he t me en nn go be ik be n or sc hrijv en on tst aa n en vo e fd lie jn mi k lij en eig is En da arme e lij ks iet s wa ar ik eig en lij k da ge tot eld ikk tw on h zic eft he he t oo k privé via ee n eig en ar ma , rk we jn mi or vo n: me e be zig be b ik gb oe k. M et vriendi nn en he da t da s ed ste g no en g we blo ist isc he gs’ be we rk t tot ee n ab su rd da ar na as t ‘Lo rd of th e rin de ra’s . W e he bb en er ru im an gin pa 0 70 im ru n va e di ko me ha lf jaa r aa n ge we rk t. zit : va n de Do na ld Du ck tot st va en los t wa es all al in all e Va na f jon ge lee fti jd lee s ik am el ik bo ek en va n To lki en rz ve r jaa r vie s nd Si e’. aa n ‘O orlog en vred th e rin gs’ is he t bo ek wa ar of rd ‘Lo n. ge leg n ka op ta len wa ar ik mi jn ha nd en od eh ou se , hl , Ru th Re nd ell , P. G. W Da ald Ro . en jn wi rd ve n ik he lem aa l in ka stu kg ele ze n in mi jn bo een ek bo er wi s er ijv hr sc n Ke n Fo lle tt en To lki en zij onde r he t sta at ge ko me n do or lez en ze de in n zij en ek bo ze ke nk as t sta an . De Brem ne s. ke ur Va n M or ris on of Ka ri or vo bij k, zie mu en e ffi ko ge no t va n pagina 23


Opdracht één

SUCCES

“M

aak ‘m maar af,” zegt de jongeman aan de balie, “hij is oud, hij stinkt en ligt me overal in de weg.” Hij voegt eraan toe, nonchalant schouderophalend en met een glimlach als uit een tandpastareclame: “Hij past niet echt meer in mijn levensstijl, weet je?”Gail weet niet wat ze hoort. In al die jaren dat ze nu bij deze dierenarts werkt – ze heeft het baantje als receptioniste al sinds haar schooltijd – heeft ze nog nooit zoiets meegemaakt. “Dat meen je niet!”, roept ze uit, “hoe kun je zo hard zijn?” Haar anders zo zonnige lach maakt plaats voor een diepe frons, die eigenlijk helemaal niet bij haar past. Langzaam verrijst ze uit haar stoel achter de balie en ze kijkt de man strak aan met haar donkerbruine ogen, die vuur schieten. De hond kijkt hoopvol omhoog. De man heeft nog nooit zoiets moois gezien en verbreedt zijn glimlach. Hij reikt haar de hand en zei: “Even opnieuw beginnen? Ik ben Mark”. Hij verontschuldigt zich voor zijn eerdere uitspraken. Hij is pas verhuisd voor een nieuwe, veeleisende baan en kàn eenvoudigweg niet meer voor de hond zorgen. Omdat de hond al zo oud is, denkt hij er goed aan te doen hem te laten inslapen. Gail is in eerste instantie verontwaardigd, maar ze ontdooit langzaam voor Marks charme. Zo begint, hoe onwaarschijnlijk ook, hun relatie. Gail laat Marks oude hond nakijken door de dierenarts, voor wie ze werkt. De hond is oud, maar nog in

redelijke gezondheid en nog vol levenslust. Gail spreekt met Mark af dat zij voor de hond zal zorgen in de winter van zijn leven. Samen brengen ze hem naar Gails oude, rustieke huis, dat zó gevuld is met planten, dieren, kunst en kitsch, dat het wel lijkt te leven. Honden, katten, vogels, konijnen, vissen en zelfs een dwerggeit, ze zijn allemaal welkom in Gails huis. Mark blijkt leuker dan Gail aanvankelijk dacht. Hij heeft gevoel voor humor, en houdt, net als zij, van de natuur, goede films, lekker eten en een goed glas wijn op z’n tijd. Ook zijn ze beiden in goede conditie en ze genieten van buitensporten. Nadat ze een paar keer uit zijn geweest, hebben Gail en Mark iets dat op een relatie lijkt. Dat hun relatie struikelblokken kent, laat zich raden. Ze zijn zó verschillend. Gail is een vrolijke, onstuitbare wervelwind, die weinig geeft om geld of bezittingen, maar meteen in het geweer komt zodra plant of dier behoeftig of bedreigd wordt. Mark is koel, zakelijk, materialistisch en ambitieus. Hij wil niets minder dan de top bereiken in het leven en realiseert zich wel dat Gail en hij eigenlijk niet zo goed bij elkaar passen, maar hij voelt zich tegelijkertijd onweerstaanbaar aangetrokken door haar sprankelende persoonlijkheid. Mark heeft zijn eigen, luxe appartement, door zijn bedrijf betaald, maar hij betrapt zich erop dat hij steeds vaker in Gails rommelige, knusse huis met de hele ménagerie is. Eigenlijk wonen ze er min of meer samen, maar Mark moet zijn appartement aanhouden om zakelijke gasten te kunnen ontvangen. Hij heeft Gail de sleutel gegeven,

pagina 24


Andrea de Palm

op voorwaarde dat ze geen dieren naar het penthouse meeneemt. Hij wil het schoon en netjes houden voor zijn zakelijke relaties. Hun verschillende normen en waarden en levensstijlen zijn vaak twistpunten in de relatie. Gail kan zich niet verenigen met Marks harde, materialistische opstelling. Mark krijgt omgekeerd regelmatig de kriebels van de in zijn ogen overdreven diervriendelijkheid van Gail. Hij zegt wel eens: “Hoe zielig het allemaal ook is, je kunt niet alle trieste gevallen in huis nemen, Gail.”. Zij verwijt hem dan hardvochtigheid en neemt toch weer een reddeloos dier in huis, of een half dode plant die ze op straat heeft gevonden. Ze is lid van alle mogelijke natuur- en diervriendelijke verenigingen die je maar kunt bedenken en ze doet veel vrijwilligerswerk. Naast haar baantje bij de dierenarts, “rommelt” ze thuis een beetje op de computer, zoals ze dat noemt, als grafisch ontwerper. Hoewel ze wel talent heeft, boeit het haar eigenlijk niet zo en ze is niet zakelijk genoeg om voldoende opdrachten binnen te slepen. Als Mark suggereert, dat ze al die tijd en al haar talenten beter kan besteden, zodat ze wat succesvoller wordt, wordt ze woedend en dus laat hij haar maar begaan. Gail heeft een heel andere opvatting van “succes”. Die verschillen zorgen er helaas wel voor, dat Gail en Mark, hoe fijn ze het samen ook hebben, fundamenteel eigenlijk nauwelijks tot elkaar komen. Gail is zich ervan bewust dat Marks streven naar de top wel eens het eind van hun relatie kan betekenen.

Ze realiseert zich dat ze niet bepaald het type vrouw is, dat past bij een ambitieuze zakenman. Ze was wel eens met hem meegeweest naar een zakelijke receptie, maar had zich daar, volgens Mark, zo “misdragen”, dat hij haar niet nog eens meenam. Goed, ze had zich misschien wat provocerend gekleed (op haar eigen kleurrijke, bohémien/flower-power-achtige manier), maar ze had ook echt geen idee wat je dan wèl aandeed naar zulke gelegenheden. Verder had ze geen kans onbenut gelaten, haar gesprekspartners te overtuigen van het belang van natuur- en dierenbescherming, wat had geleid tot verhitte discussies, die Mark later “ongepast” had genoemd. Gail had zich op haar beurt ontzettend gestoord aan het schaamteloze geflirt van Marks hoogste baas Kate. Maar terwijl Mark zich nogal eens kan storen aan hun onderlinge verschillen, probeert Gail te genieten van de dingen, die ze wèl samen delen en ze realiseert zich, dat ze hem slechts “te leen” heeft. Ondanks zijn inzet en het respect van zowel collega’s als managers, komt Marks grote kans toch nog als een complete verrassing. Zijn baas, de topjuriste Kate, die het bedrijf met haar man heeft opgebouwd, komt op een avond, compleet onverwachts, bij hem langs in zijn penthouse. Toevallig is hij die avond thuis, omdat hij nog veel werk heeft af te maken en bij Gail thuis te veel afleiding vindt. In plaats van de krachtige persoonlijkheid die Kate altijd is, opende Mark de deur voor een hoopje ellende. Ze valt snikkend in zijn

pagina 25


biografie A nd re a de P al m en so cia l de ad vis eu r in for ma tieen em rn de on en e ch tis “C re at iev e, prag ma en vo or ge ur we rk , ve el en ijv hr sc or vo ie ss pa n ee k.” me di a ma na ge me nt me t en he t ha rt op de ju ist e ple ng ni me en ok pr es tg ui n an de re in te re ss es , ee t is ma ar ee n no te do p, He n. ele ofi pr e lin on le ve jn og le Zo be sc hr ijf ik me in mi is ee n ap ar t bo ek no di g. Go en ijv hr sc be te op slo en lev ma ar om mi jn he le sc hr ijv ersg en en be n ik er jn mi s nk da On al! er óv al wemi jn na am en je vin dt me sc hr ijv en . Na as t ee n aa nt an ga te us rie se en om no oit ee rd er to eg ek hr ijv en va n M ar iel le va n Sc f tie ea Cr p ho ks or W e blo gs bli jkt de in sp ire re nd in sla an . rs vo nk ” pa s go ed te do en ve rij ch “s de om g di no n Sl ee ag ma tis ch e on de rDe ze Ha ag se crea tie ve , pr ss es en me er id ee ën ne me r me t (te) ve el in te re n he t sc hr ijv en te da n tij d he ef t de sm aa k va blo gs zi jn er pla npa kk en : na as t (n óg me er) en me t ui te en lone n vo or ee n aa nt al bo ek ho pe lij k - oo it hu n pe nd e on de rw er pe n, di e zu lle n vin de n. we g na ar de bo ek wi nk el E-ma il W eb sit e Tw itt er

an drea de pa lm@g ma il. co m rt .n l an drea @s olu tio ns ns up po ww w. an drea de pa lm .n l @a nd re ad ep alm

pagina 26


Andrea de Palm

armen. “Hij is er niet meer”, zegt ze, “ik weet niet wat ik moet.” Mark voelt zich machteloos. Daar staat hij dan, met de hoogste baas van zijn bedrijf snotterend in zijn armen. Hij kan haar alleen maar troosten en leidt haar wat onhandig naar zijn woonkamer, waar hij haar op de bank zet. “Hij is er niet meer”, herhaalt ze, “je moet me helpen, Mark.”

nodig”, zegt ze. “Jij bent die man. Je moet me helpen.” Zo’n noodkreet kan Mark moeilijk weigeren en, ambitieus als hij is, realiseert hij zich dat dit de grote kans is, waar hij al jaren op wacht. “Ik doe het.”, zegt hij. Kate omhelst hem enthousiast en fluistert hem nog toe: “Daar zul je geen spijt van krijgen. Ik ga een topper van je maken.”

Mark gaat naast haar op de bank zitten en stukje bij beetje komt eruit dat Kates echtgenoot is overleden aan een hartaanval. Samen hebben ze de zaak opgericht en tot het succes gebracht, dat het nu is. Zonder haar man voelt Kate zich machteloos en ze doet een beroep op Mark om, samen met haar, de leiding op zich te nemen. Mark voelt zich gevleid en wil Kate graag helpen, maar twijfelt toch. Kate kan heel overtuigend overkomen, als ze dat wil. Ze drukt Mark op het hart dat hij eigenlijk de enige is, die ze werkelijk kan vertrouwen in een dergelijke positie en ze zegt dat ze er zo naar uitkijkt, met hem samen te werken aan de vooruitgang van het bedrijf. Een beetje vreemd vindt Mark het wel – haar echtgenoot is net overleden, en Kate lijkt alleen maar aan de zaak te kunnen denken. Voorzichtig probeert hij nog of ze hulp nodig heeft bij het regelen van de begrafenis en al die andere dingen, die zo meedogenloos op een nabestaande kunnen afkomen. Hij gaat er maar vanuit dat Kate in shock was. Maar met een koele, nonchalante handbeweging wijst ze zijn aanbod van de hand – de schoonfamilie heeft haar alles al uit handen genomen. Haar enige zorg is nu de zaak. “Ik heb een sterke man naast me

De vreemde snik, die hij vervolgens hoort, komt niet van Kate en Mark kijkt verbaasd op. In de deuropening staat Gail, die het laatste deel van de conversatie heeft opgevangen. Ze had Mark willen verrassen met een Chinese maaltijd, wetend, dat hij nog tot laat zou doorwerken. Ze realiseert zich onmiddellijk wat deze situatie voor hun relatie betekent. Haar bange vermoedens worden nu dan toch waarheid. Voor Mark kan reageren, heeft Gail zich al omgedraaid en haastig het appartement verlaten. Ze keert er nooit meer terug. Kate, die Gails reactie heeft meegekregen, kijkt Mark onbewogen aan en zegt met een zekere nonchalance: “Tja jongen, dat is nou de prijs van succes.”

pagina 27

einde


Opdracht één

Goede intenties geven geen garantie

L

aat ik me eventjes voorstellen: Henk is de naam. Ik ben 40 jaar oud en heb veel op met de morele houding van de mens. Hoe die er verder uit ziet, vind ik, afgezien van hygiëne en uiterlijke verzorging, secundair. Ik heb verder, meestal gebaseerd op het voorgaande, mijn mening paraat. En, waarschijnlijk daaruit voortvloeiend, veel verwachtingen moeten loslaten in dit leven.

Dan gebeurt er bij Rinus iets onvoorziens: hij brandt namelijk op en hij spreekt dat uit tijdens een van onze cafébezoeken. Als vrienden onder elkaar, stimuleer je elkaar. En geconfronteerd met zijn uitspraak en bevindingen schuif ik naar voren dat mijn redding al jaren het recreatief vissen is. Ik nodig hem dan ook uit de eerstvolgende keer dat ik ga, mee te gaan, om te zien of het voor hem ook uitkomst kan bieden.

De afgelopen 17 jaar ben ik bevriend met Rinus, hij is na mijn jeugd voor mij de enige geweest met wie een vriendschap mogelijk is, gezien mijn zienswijze. Rinus is 5 jaar ouder dan ik, heeft een oudere zus en een halfbroer. Hij heeft daardoor een heel andere kijk op en aanpak in het leven dan ik. Ik ben enig kind en waar ik moraliseer en blijf hangen aan dingen, gaat hij ogenschijnlijk met gemak verder met zijn plannen, zo vertel ik mezelf. Toch kunnen we elkaar zeer waarderen. Hij waardeert mij voornamelijk, denk ik, vanwege mijn oprechtheid, ik hem vanwege zijn kordaat gedrag.

Het pakt boven verwachting uit. Dit komt ook doordat hij zichzelf als kind met langdurig ziekbeeld moest vermaken aan de waterkant en die goede ervaring kwam dus weer boven. Met de visserij als uitlaatklep wordt onze vriendschap hechter. Helaas gaat mijn relatie kapot en mijn bewustzijn krijgt een lelijke klap te verduren. Door de visavonturen met Rinus op te schroeven sla ik me er doorheen, al is het vaak ook gewoon doorbijten in m’n eentje, als hij weer eens geen thuis geeft. Op die momenten bezwaart het me dat Rinus wel verwacht dat ik tijd maak voor zijn problemen en het andersom nog wel wordt afgedaan met “geen tijd”, “ik heb andere dingen die eerst moeten”. Je slikt ze weg, die momenten en doet ze vervolgens af met “niemand is perfect”. Achteraf gezien had ik die momenten er niet bij moeten nemen maar uit moeten spreken. Als deze situaties zich meer herhalen raak je beiden teleurgesteld. Ik door zijn “Ik altijd eerst”-houding en hij door de voor hem te hoge “vriendschap eerst” verwachting van mijn kant. Dus de vriendschap verwatert tot vismaten. Inmiddels geloof ik dat vriendschap onder mannen niet bestaat zonder concurrentiedrang.

Zoals het leven dicteert, probeer je iets op te bouwen en in te richten naar eigen inzicht en verwachting. Je voelt wellicht aan dat mijn levensweg moeizamer en trager verloopt dan de zijne. Waar zijn maatschappelijke loopbaan floreert als verkoper, wissel ik van werkgever, op basis van morele bezwaren en zelf gecreëerde spoken. Ik sta dus stil qua persoonlijke groei en, in dit leven misschien wel erger, ook materieel raak ik steeds verder achterop. En bij pogingen dit in te lopen is frustratie veelal het resultaat.

pagina 28


Dennis Pronk

Het lijkt een ongeschreven wet dat er altijd één van de vrienden de ander(en) domineert. Ik noem het maar voor het gemak Alpha en Bèta. Toch stoort het me meer en meer dat Alpha vrienden gedachteloos accepteren dat Bèta vrienden zich wel zullen schikken, omdat voor mij gelijkheid in vriendschap hoort te domineren en daar mag jij je allemaal beter van bewust zijn, om het voor een ieder leuk te houden op de lange duur. Toen Rinus en ik in het begin van onze vriendschap spraken over een eventuele kinderwens, gaf ik te kennen dat naast de juiste persoon ook de financiële situatie bepaalt of ik zou beginnen aan kinderen. Hij, die met de vraag was gekomen, had gezien de carrière van zijn vrouw een afwachtende houding laten blijken en ging voorlopig gefocust met zijn planning verder. De biologische klok had zo zijn eigen plannen. Ik moest gehoor geven aan mijn eigen eisen en dus leren leven met het idee van een kinderloos bestaan, als alleenstaande zonder excessen aan financiën. Voor Rinus was het met een vrouw en genoeg geld wèl weggelegd, zo leek het, maar bij hen gaf de natuur maar geen thuis en zwangerschap bleef uit. Toen we dit in een “visgesprek” naar voren brachten, kaartte ik aan dat het heilig moeten kan worden gezien als stressfactor en dat dit de zwangerschap niet deed slagen. Ik ben enig kind, zoals ik al vermeldde, en ik wist van mijn ouders, wiens zwangerschap ook een

lange, moeizame weg was, dat toen ze ervan af zagen en besloten een hond te nemen, de spanning wegviel en dat, achteraf gezien, de bevruchting daarom wel lukte. Ik stelde deze theorie aan hem voor om hem te helpen. Hij dacht mij te helpen door mij in de sociale kringen van zijn vrouw en zichzelf te introduceren, zodat ik een wending aan mijn toch wel solitair bestaan kon geven. We probeerden er beiden “te zijn” voor elkaar, maar toch begon ons wederzijds respect meer en meer onder vuur te staan door fundamentele verschillen, te weten zijn gebrek aan inleving en mijn tekort aan egoïsme. Ik ging meer mijn eigen weg en Rinus en zijn vrouw namen een hond. Voor mij resulteerde dat in ondernemerschap en een nieuwe vriendin en voor hen resulteerde het in blijde verwachting. Nu ik het geleerde egoïsme omarmde en dus niet “tijd voor de vriendschap” vóór liet gaan en Rinus altijd al zijn eigen dingen voor liet gaan, zagen we elkaar nauwelijks. Bij de eerstvolgende vissessie vertelde ik hem dat ik onze vriendschap even voor langere tijd wilde bevriezen, omdat ik het niet aan dacht te kunnen om mijn nieuwe leven te combineren met zijn nieuwe leven. Zijn reactie was, na boos te zijn geworden, een nog bozere brief: “dat het dan helemaal maar moest ophouden.” We hebben elkaar niet meer gezien of gesproken. Daar ga je dan met je goede intenties!

pagina 29

einde


Opdracht één

ReUnie

H

et voelt alsof ze niet alleen over de drempel, maar ook terug in de tijd stapt. Alles lijkt nog precies hetzelfde. De brede trap naar de hoofdingang, de lange gang waaraan de klaslokalen gesitueerd zijn. En de geur. Vooral de geur. Die typische schoollucht. Onpersoonlijk en toch is het zo vertrouwd. Boven haar hoofd, recht tegenover de ingang, tikt de grote klok. Ze glimlacht terwijl ze denkt aan hoe ze als kind tegen die klok had opgekeken. In haar ogen was het net een oude, strenge meester die haar waarschuwend aankeek als ze op het nippertje kwam binnenstuiven. Ze draait zich om en volgt de grote, witte pijlen, waarop “reünie” staat geschreven. Er lijkt weinig te zijn veranderd, denkt ze terwijl ze door de lange gang loopt. Toch kun je zien dat er inmiddels ruim twintig jaren verstreken zijn. Het gebouw is lichter dan toen en straalt meer moderniteit uit. Wat overigens niet alleen ligt aan alle digitale schoolborden die ze in ieder lokaal ziet hangen. Het zijn kleine dingen, maar de sfeer en de herinnering zijn hetzelfde. De geur van koffie en het geluid van veel stemmen komt haar tegemoet. Nieuwsgierig is ze. Hoeveel mensen zou ze herkennen? Wat zou iedereen tegenwoordig doen en wie zouden ze zijn? De gang maakt een bocht naar links en ineens staat ze in de grote aula midden in de school. Nu wordt ze toch wel een beetje nerveus. Het voelt ongemakkelijk om in je eentje op zoek te gaan naar bekende gezichten. Ze besluit om eerst maar een kopje koffie te halen en wil zich net omdraaien als ze haar naam hoort roepen. Uit de menigte komt een vrolijk, blozend gezicht

tevoorschijn. Lidi! Ze is geen spat veranderd. Alleen een paar jaren ouder en een kort koppie in plaats van een lange, blonde paardenstaart. Ze begroeten elkaar enthousiast. Wat is dat lang geleden! Hun vriendschap was begonnen in de kleuterklas, op haar eerste dag. Wat was ze zenuwachtig geweest. Tranen met tuiten had ze gehuild. Nadat haar moeder eindelijk weg was gegaan, klampte ze zich vast aan de juf. De juf had ze lief gevonden en ze bleef zo dicht mogelijk bij haar in de buurt. Op de momenten dat de leerkracht zich even niet met haar kon bezig houden zat ze op een stoeltje in de hoek van de klas en keek ze toe hoe de andere kinderen speelden. Ze herinnerde zich nog dat ze zich zo verlaten had gevoeld. De andere kinderen vonden haar saai en vroegen haar, na een paar mislukte pogingen, niet meer om met hen mee te spelen. Toen was daar Lidi. Resoluut, als ze als kleuter al was, ging ze op de stoel naast haar zitten, legde een puzzel op tafel en vroeg: ‘Zullen we samen puzzelen?’ Het was een puzzel met de zeven dwergen er op. Grappig hoe je sommige dingen onthoudt. Vanaf dat moment deden Lidi en zij alles samen. Lidi vooruitstrevend en met veel lef. Zij verlegen en afwachtend. Lidi noemde haar ouders al snel oom Koen en tante Isa en zij zei andersom oom Guus en tante Karin. Dat was typerend voor hun vriendschap. Waren ze niet bij de één thuis, dan waren ze dat wel bij de ander. Altijd samen. Wat was dat een heerlijke en onbezorgde tijd.

pagina 30


Irene Schrijver

Ze leefden in hun eigen, kleine wereldje waarin het goed en veilig was. Precies zoals het in een kleine meisjes-wereld natuurlijk ook hoort, vindt ze. Toen was daar die dag waarop haar moeder plotseling tegen haar zei: ‘Kom eens even bij me zitten. Ik moet je iets vertellen.’ Haar moeder vertelde dat Lidi binnenkort zou gaan verhuizen. De vader van Lidi had een andere baan gekregen. In een andere stad. In een andere provincie zelfs. ‘En dat is natuurlijk veel te ver weg om elke dag naar toe te reizen’, had haar moeder gezegd. ‘Daarom gaan ze verhuizen.’ Ze had haar moeder ontzet aangekeken. Ze had gehuild. En daarna was ze heel boos geworden. ‘Het is niet eerlijk!’ had ze geschreeuwd. ‘Het is niet eerlijk!’ Die nacht had ze wakker gelegen. Ze was boos op oom Guus, Lidi’s vader. Dat hij zomaar besloot om weg te gaan. Dat hij helemaal geen rekening met Lidi en haar hield. Machteloos had ze zich gevoeld. Geen Lidi meer om elke dag op school mee samen te zijn. Om samen te spelen. Haar moeder probeerde haar te troosten door te zeggen dat ze heel vaak bij elkaar konden gaan logeren en dat ze nog steeds met elkaar mee op vakantie konden gaan. Het had allemaal niet geholpen. De daarop volgende dagen, misschien zelfs wel weken, was ze verdrietig en boos geweest. Zelfs zo boos dat ze oom Guus niet meer aankeek en hem ontweek: hij was degene die hiervoor verantwoordelijk was.

waren nog jong en de afstand was groot. Langzaam werd alles anders en verwaterde het contact. Met verjaardagen stuurden ze elkaar een kaart. Dat deden ze nu nog. Maar het was al jaren geleden dat ze elkaar gezien en echt gesproken hadden. En daar zitten ze dan. In hun oude school. Allebei ouder geworden en veranderd, maar ook nog steeds het resolute en het verlegen meisje. Meisjes die samen oneindig veel te bespreken hebben. Haar vriendschap met Lidi ziet ze als een soort symbool voor die onbezorgde kinderperiode, waarin haar grootste problemen bestonden uit een ruzietje, een gat in een nieuwe broek of iets moeten eten wat je echt niet lekker vond. Deze ontmoeting met Lidi doet dat allemaal weer boven komen en brengt een glimlach op haar gezicht. Nadat Lidi verhuisd was, was al snel de pubertijd, met de daarbij behorende problemen, gekomen. Studiekeuzes, relatiedingen, solliciteren, belasting betalen. Volwassen worden. Volwassen zijn. Het zien van Lidi, na al die jaren, brengt dat vrije en onbezorgde gevoel weer naar boven. Het is weer even net als toen.

Maar boos en opstandig zijn had niet geholpen. Lidi was verhuisd. De eerste zomer hadden ze hun vakanties weer gedeeld. En ook logeerden ze af en toe bij elkaar. Haar moeder had gelijk gekregen. Maar ze pagina 31

einde


Opdracht één

Fashion

‘I

k ga naar Italië.’‘Italië?’ Ik kijk haar geschrokken aan. ‘Ja, je weet wel, het land van Versace en Armani, Gio heeft een baantje voor me geregeld. Zie je het al voor je?’ Ze glundert. Ja, ik zie het al helemaal voor me, mijn toekomst in dit koude kikkerland, zonder mijn beste vriendin en collega. We werken beiden voor het stijlvolle modebedrijf Young. Lieke bij Design, ik bij administratie. ‘Misschien kun jij mijn baantje wel krijgen, je moet Marion gewoon je schetsen eens laten zien,’ zegt ze. Het is altijd wel mijn droombaan geweest. Marion is net als al die vrouwen op de covers van modebladen: perfect gaaf gezicht zonder enige oneffenheid, haren strak gestyled en natuurlijk nooit een kreuk in haar blouse. ‘Omdat je intern bent, mag je een weekje proefdraaien, Kitty en Mindy zullen je inwerken. Ik heb enkele van je schetsen bekeken…’ Ze aarzelt. ‘Ze zijn erg goed, je hebt talent en een oog voor detail. Maar, ze passen niet echt bij het imago van ons bedrijf, je zult je nog iets meer moeten verdiepen in onze doelgroep.’ Natuurlijk! Hoe had ik ooit durven dromen dat mijn schetsen goed genoeg zijn. Oh, wat schaam ik me nu! ‘Maar ze zegt toch ook dat je talent hebt? Dat is een compliment hoor!’ zegt Lieke later, terwijl ze op haar koffer gaat zitten om hem dicht te krijgen. Ze gaat echt weg, sneller dan ik had gedacht. ‘Dat zegt ze alleen maar om het wat dragelijker te maken,’ mompel ik onverstaanbaar, terwijl ik help de koffer dicht te ritsen.

Vandaag is mijn eerste dag bij de afdeling Design. Ik heb me wat meer verdiept in het imago van Young en mijn netste kleding uit de kast gehaald. Als ik in de spiegel kijk, zie ik een vreemde, dit is mijn stijl niet. Maar misschien moet ik daar gewoon even aan wennen. Ik wilde dat ik Lieke om advies kon vragen. Eenmaal op het werk volg ik Kitty door de afdeling en probeer te onthouden wat ze me allemaal vertelt. Gelukkig heeft Lieke me al een beetje voorbereid, want ze praat zo snel. ‘Dit is je werkplek, tegenover Mindy.’ Ik zie twee lege bureaus en heb geen idee welke ze nou bedoelt. ‘Dat wil zeggen, als je wordt aangenomen,’ vervolgt Kitty en ze loopt zonder verder nog wat te zeggen weg. Ik neem een gok en leg mijn spullen op het linker bureau. ‘Kom, het is lunchtijd’ zegt Kitty om één minuut voor twaalf, ze haakt haar arm in de mijne en trekt me mee. We eten wat op een duur terras, Kitty is constant aan het woord en ze praat alleen maar over Mindy. ‘Je moet echt voor haar oppassen hoor, geheimen kan ze niet bewaren.’ ‘…mijn twixreep verdwenen, ik denk dat ze die in haar la verbergt, ze doet er zo geheimzinnig over…’ ‘… vorig seizoen, Marion vond haar schetsen beter, maar ze waren zo lelijk…’ Aan het eind van de pauze duizelt het me. ‘Zou je dit even willen afwerken?’ Mindy komt naast me staan en ze geeft me een tweetal schetsen, ze zien er prachtig uit. ‘Ze lijken mij perfect zo, toch?’

pagina 32


Miranda Weernink

‘Nou, eigenlijk waren er nog een aantal dingetjes’ en ze wijst me op een paar foutjes die ik nu nog steeds niet zie. ‘Och alsjeblieft, ik zou graag willen dat er iemand anders even naar kijkt.’ smeekt ze. Ze lijkt me helemaal niet het kreng dat Kitty me voorschetste en haar schetsen zien er ook niet lelijk uit. Wanneer ik ermee aan het werk ben, komt Kitty ongemerkt achter me staan. ‘Wat doe je met mijn schetsen?’ ‘Jouw schetsen? Ik dacht dat… Mindy...’ Ze grist de papieren uit mijn hand en loopt woedend weg. Mindy kijkt me met een ongelovig gezicht aan. ‘Ik heb je gevraagd het af te werken, niet af te kraken.’ De rest van de week word ik heen en weer getrokken door Kitty en Mindy die beweren mijn beste vriendin te zijn, maar me eigenlijk gebruiken om de ander voor schut te zetten. Ik word er nerveus van en merk dat ik op mijn tenen door het gebouw loop. Ik mis Lieke nu meer dan ooit. Maar als ik haar opbel, is zij degene die in huilen uitbarst. ‘Die baan is helemaal niet voor een designafdeling, ik moet verdomme hun plees staan schrobben! En Gio vindt het allemaal heel normaal. Zelf zit hij alleen maar op zijn luie kont mijn geld uit te geven en… en…’ Uiteindelijk weet ik haar te kalmeren en over te halen om niet direct het eerste vliegtuig terug te pakken. Ik klink heel kalm, maar als ik heb opgehangen, barst ik in snikken uit. Wat moet ik doen? Het is altijd mijn droom geweest om kleding te ontwerpen, ik kan die droom toch niet opgeven? Goed, het kan dus altijd erger, kijk maar naar Lieke, probeer ik mezelf op te beuren als ik na het weekend

naar mijn werk loop. Maar dan zie ik Kitty en Mindy staan, gebogen over…. mijn schetsen? Hoe komen ze daar aan! ‘Belachelijk toch?’ ‘Mode? Ja, in de jaren dertig was dit misschien in.’ ‘Ach, misschien in het dorp waar zij vandaan komt nog steeds wel.’ Nu is het genoeg! Ik ben er helemaal zat van en als het zo doorgaat hoef ik die hele rotbaan ook niet meer! Ik loop kwaad richting Marions kantoor. Wanneer ik zie dat ze er niet is, kom ik tot bedaren, wat wil ik nou eigenlijk? Zielig tegen haar vertellen over hoe die twee meiden me zitten te pesten? Wat bereik ik daar nu mee? Ik moet dit zelf oplossen en me niet verschuilen achter iemand anders. Dan schiet me ineens iets te binnen. Ik zou ze op hun eigen niveau terug kunnen pakken. Nonchalant stap ik op ze af. ‘Hoi Mindy, oh ik heb toch zo’n honger, heb jij nog iets in je laatje?’ Ik trek haar lade open en schrik er zelf van als ik zie dat er geen verborgen chocoladerepen in zitten, maar schetsen. ‘Ooh, mijn schetsen, wat doen die in jouw la?’ schreeuwt Kitty uit en ze vliegt Mindy in de haren. Ik loop langzaam achteruit, weg van het vechtende stel, stiekem genietend over het resultaat van mijn onverwachte streek. Maar ik kan het zelf nauwelijks geloven dat ik dit los heb weten te krijgen. ‘Wat is hier aan de hand? ‘ vraagt Marion die op het lawaai af is gekomen. Ik draai me naar haar om. ‘Ik stop ermee, je had toch gelijk, iedereen heeft gelijk, ik pas niet bij dit bedrijf.’ ‘Wat? Eh, echt? Wat jammer.’ Verbaasd besef ik dat ze het meent.

pagina 33


Opdracht één

‘En wat ga je nu doen?’ Daar had ik niet over nagedacht. Terug naar administratie? Is dat wat ik wil? ‘Denk er nog maar even over na, ik heb, onder ons, nog een ander ideetje voor je.’ Ze wenkt me mee naar haar kantoor. ‘Nou dit is het!’ De makelaar rammelt met zijn sleutels en opent de deur. Dan gaat mijn telefoon. ‘Met Laura.’ ‘He, Lieke hier’ klinkt het een beetje bedeesd. ‘Ik ben weer terug, kun jij me misschien ophalen van Schiphol?’ ‘Nee Lieke, toevallig ben ik nu even niet beschikbaar, ik sta op het punt om mijn eigen kledingwinkel te beginnen.’ ‘He? Wat? Weet je dat zeker? Het is een groot risico.’ ‘Ja, dat weet ik, maar soms moet je een gok durven nemen. Doe je mee?’ einde

pagina 34


Van links naar rechts onderin: Andrea en Marielle Van links naar rechts bovinin: Barbara, Carmen, Irene, Mira, Dennis, Miranda, Marjan en Margriet Foto @ Lisa Meerdink pagina 35


biografie M ar ie lle va n Sl ee n

el ple zie r op mi j. Ik be n ve t me ijd alt ik em ne l en di e ro tw ijIem and mo et de ju f zij n nd als ‘ ju f sc hrijf t’. On ge ke be ik sta en ns me ige so mm en wo ord. M ariel le va n Sle en en bij t fa n be n va n he t ge sc hrev oo gr n ee ik t da n ge leg te feld ho ef ik ni et ui t de ac tiv ite ite n. Ik ge ef en ill ch rs ve el he t me uren ucIk vu l mi jn we rk za me ni ek en Au di ov isu ele Prod ch te um di Po n va n te en ud bi jvo orbe eld les aa n de st n de Ne de rla nd se ta al va s iet ze ik r ee ob pr d ar ge . Ui te ra s en tie s va n he t De lti on Co lle tik ele n, fol de rs , broc hu re ar , en st ek bt we ik ijf hr sc t bi j te bren ge n. Da ar na as ijf op drac ht en do e ik hr sc e Di . en ht ric be pe rs va n Te ks tb urea u T.I .M ., all em aa l on de r de vla g rk sh op s, cu rs us se n en wo de or vo k oo t ld ge t da ma ar sc hr ijf pa rt y’s di e ik ge ef. in te rn et te vin de n. M ijn Na tu ur lij k be n ik op he t te ks tb urea u- tim .n l. Da ar w. ww :// tp ht is ite bs we ht va n de ve rs ch ill en de vin d je oo k ee n he el ov er zic ku nt vo lge n! so cia l me di a wa arop je me

pagina 36


Marielle van Sleen

opdracht 2 Raar-maar-waar Tijdens workshop twee haal je inspiratie uit nieuwsberichten. Zeker wekelijks kom ik nieuwsberichten tegen waar ik me over verbaas of verwonder. Berichten die mij aanzetten tot het bedenken van een verhaal of een blog. Die berichten kunnen jou ook inspireren!

pagina 37


Opdracht twee

Het huis achter de Syndduun

“W

at ligt daar?” gilt Kiki opgewonden. Met haar lange haren wapperend achter zich aan rent ze over het hagelwitte strand naar de fles. Martijn, haar vriend, kijkt haar met zijn ogen half dicht geknepen tegen de scherpe ochtendzon vermoeid na. Het is april en nog steeds stervenskoud in het idyllische Noorse plaatsje Herzogenrath. Dankzij de stralende zon en de wolkenloze lucht is het buiten op het brede strand nog enigszins uit te houden. Kiki en Martijn zijn een lang weekend met hun tweeën weg. Weg van de drukte uit de grote stad. Weg van alle bekenden die, zowel vriendschappelijk als zakelijk, iedere dag weer een beroep op hen doen. Ze waren echt aan een ‘weekendje-samen-weg’ toe en ze maken, na een smakelijk hotelontbijt, een lange strandwandeling. “Er zit een briefje in!” roept Kiki nieuwsgierig uit. Voorzichtig peutert ze de kurk uit de fles, zodat die niet breekt. De kurk valt in het witte zand en het briefje ligt in haar hand. De tekst is nauwelijks leesbaar, verkleurd door het langdurige verblijf in de fles. Kiki ontwart met moeite wat er staat: “Ga niet naar het rode huis achter de Syndduun, want het huis is behekst en verlaten. Er liggen vele kostbaarheden opgeslagen, maar degene die het waagt om deze te verplaatsen, wordt door het onheil ingehaald.” “Wat een onzin”, roept ze verontwaardigd uit, “Een behekst huis, dat bestaat helemaal niet! Kom, laten we gaan kijken, we zijn er immers zo vlak bij.” Kiki heeft zichtbaar plezier in dit onverwachte avontuur en rent over het witte strand

in de richting van de duinen. Martijn loopt mokkend achter Kiki aan. Hij kent haar langer dan vandaag en weet dat als zij iets in haar hoofd heeft geprent, ze er niet zo maar van af valt te brengen. Hij is nog moe van de drukke week die achter hem ligt en heeft geen zin in rennen. De lucht is felblauw, het strand hagelwit en de bergen in de verte kleuren fel groen door het prille voorjaar. Maar Martijn ziet al dat moois niet, hij baalt van dat rare briefje in die malle fles. Hij weet nog niet, dat deze ochtend door de komende gebeurtenissen in zijn herinnering gegrift zal blijven staan. “Daar, daar is het rode huisje!” roept Kiki over haar schouder. Ze rent naar de deur en duwt er gelijk tegenaan. De deur springt meteen open, Kiki struikelt en valt naar binnen. Na een paar minuten is Martijn bij het huisje en roept nogal geïrriteerd: “Kiki, waar ben je verdomme gebleven?” Turend in het donker van het oude muffe huis staat hij stokstijf stil in de deuropening. Er is geen spoor, geen geluidje, geen geur of geen ander blijk van aanwezigheid van Kiki. Martijn begint zich ongemakkelijk te voelen en aarzelt om naar binnen te gaan. Wat zal er met hem gebeuren als hij een stap over deze drempel zet? Langzaam glijdt de scheve deur uit zichzelf krakend dicht. Martijn doet een stap terug en loopt, met al zijn zintuigen op scherp, langzaam om het huisje heen. Het huisje is oud, scheef en ziet er vervallen uit. Het is duidelijk zichtbaar dat er de laatste jaren geen mens is geweest, want overal hangt spinrag en de ramen zijn grijs van het vuil. Achter het huisje bevindt zich

pagina 38


Marjan de Boer

een oude schuur. Martijn loopt er voorzichtig naartoe en kijkt door één van de vieze ruitjes. Met zijn mouw poetst hij een kijkgaatje schoon en hij ziet flessen met vloeistof, spijkers, kisten, touwen en oude gereedschappen op de grond staan. Volgens hem is het oude rotzooi dat jaren niet is aangeraakt. Aan de achterkant van het huis ziet hij een kelderraampje open staan. Hij weet niet waarom, maar het voelt veiliger om door het kelderraampje het huis in te gaan dan door de voordeur. Martijn steekt een been door het raam en laat zich in de donkere kille kelder glijden. Met zijn handen vooruit ter bescherming van zijn hoofd loopt hij op de tast door de kelder. Nog steeds merkt hij geen taal of teken van Kiki. Geen lange blonde haren, geen felblauwe fleece trui, niets wat op Kiki duidt, terwijl ze toch echt ergens in het huis moet zijn. Toch? De kelder lijkt onder het hele huis door te lopen. Plotseling krijst er iets onder zijn voet en stuift er een beest weg, nog verder het donker in. Martijn beseft dat er ratten in de kelder zijn en hij voelt de drang om haast te maken met het zoeken, zodat hij snel de kelder weer uit kan. Omdat hij bang is dat er anderen in het huis zijn die Kiki vasthouden, durft hij niet te roepen. In de verte ziet Martijn een kier licht. Snel en geluidloos loopt hij in die richting. Plotseling struikelt hij over iets dat op de grond ligt en hij valt tegen een kastje aan. Met veel kabaal kletteren de wekpotten, die in het kastje stonden, aan scherven op de grond. Martijn houdt zijn adem in en hij voelt voorzichtig aan het ding waaroverheen hij viel. Hij schrikt als hij merkt dat datgene wat op de grond ligt warm aanvoelt. Wat is dit

warme, levende wezen in godsnaam? Opeens hoort Martijn een bekende kreun. Het is Kiki die daar op de grond ligt. “Wat hebben ze met je gedaan?” fluistert hij terwijl hij haar in zijn armen neemt. Martijn zijn ogen zijn gewend aan het donker en hij ziet ineens wat er is gebeurd. Vlak achter de voordeur zijn de planken van de vloer doorgerot, zodat er een enorm gat zichtbaar is. Kiki moet daar doorheen zijn gevallen toen ze struikelde. Kiki kreunt en grijpt met een moeizaam gebaar naar haar hoofd. Er verschijnt donkere kleverige vloeistof aan haar handen. Martijn ziet dat ze gewond is en hij beseft verward, dat er zo snel mogelijk een ambulance moet komen. Hij voelt in de binnenzak van zijn jas en hij is opgelucht als hij daar zijn mobieltje opmerkt. Snel draait hij het alarmnummer. Na kort overleg met de telefoniste spreken ze af dat Martijn stil blijft zitten waar hij zit. Ze weten immers niet hoe ernstig Kiki gewond is geraakt. Na een tijd, die een eeuwigheid lijkt te duren, hoort Martijn in de verte het geluid van sirenes langzaam aanzwellen. “Nog even volhouden, Kiki”, fluistert hij in haar oor. Kiki kreunt zachtjes ten teken dat ze hem heeft begrepen.

pagina 39

einde


Opdracht twee

Dilemma van een oude man

“I

k zit in de zaal bij een symposium over mensenrechten. De spreker is een bekend man in zijn vakgebied. Hij doet onderzoek naar de gevolgen van geweld voor kinderen in oorlogsgebied. De man vertelt gepassioneerd zijn verhaal en iedereen luistert aandachtig. Ik volg de man al zijn hele leven. Zelfs als een kind was hij een bijzondere jongen. Hij kent mij niet, ik hem wel. Hij woont in een goed beveiligd, vrijstaand huis met een hek eromheen. In de tuin loopt altijd een grote imposante Duitse herder. De man kennende is het een hond met een goede stamboom. Naast de reus loopt altijd een vrolijk, klein hondje. Volgens mij een kruising tussen Teckel en Jack-Russel, deze vrolijke spring-in’t-veld is van zijn achtjarige zoon Wouter. Terwijl de man vertelt, drijven mijn gedachten weg. Ik ben een oude man en al een tijd met pensioen. Mijn lichaam is gebogen en mijn gezicht vertoont de sporen van het zware werk dat ik jaar in, jaar uit heb gedaan. Ik heb geluk gehad dat een verre achteroom uit het oosten van het land mij een laatste kans wilde bieden. Ik was 25 toen mijn nieuwe leven begon als leerlingstratenmaker. Mijn jeugd is gekenmerkt door verdriet, geweld en armoede. Mijn moeder dronk om haar ellende te vergeten en mijn vader mepte om zich heen uit frustratie van de uitzichtloze situatie. Gelukkig ben ik enig kind, deze ellende is een ander bespaard gebleven.

Hoewel het niet goed te praten is, groeide ik op als een gewetenloos crimineeltje. De achtjarige zoon van de man die nu spreekt leidt een beschermd leven. Ik had als achtjarige al de eerste inbraken op mijn naam staan. Naarmate ik ouder werd, groeide mijn lijst met criminele activiteiten. Dat ik nooit gepakt ben, is een wonder. Ik was een einzelgänger en had de reputatie keihard te zijn. De grote jongens konden mij goed gebruiken als kleine spil in hun grote criminele activiteiten. Ik schrik wakker uit mijn overpeinzingen wanneer ik om mij heen geklap hoor. Het eerste deel van het symposium is afgerond en er is nu een half uur pauze, ik blijf in de zaal zitten terwijl deze leegstroomt. De man die ik zo goed ken, maar hij mij niet, knikt mij toe. Door de loop der jaren heen heb ik vaak in de zaal gezeten bij lezingen van hem. Hij kent me van gezicht en weet dat ik de vader ben van een gesneuvelde militair. Hij denkt dat ik daarom interesse heb in het onderwerp zinloos geweld, maar dat klopt niet. De zaal is nu bijna helemaal leeg en ik denk aan mijn zoon. Mijn zoon, mijn oogappel, mijn alles! Ik werkte hard bij mijn oom en werd al snel een volleerd stratenmaker. Ik kwam weinig in de kroeg, vastbesloten als ik was om mijn leven anders te laten verlopen en een terugval te voorkomen. Op een zomerse zondag ontmoette ik Marietje op de kermis. Ze was mijn strohalm, met veel moeite heb ik haar mijn hele levensverhaal verteld, behalve de ontmoeting met de man, dat is mijn geheim. Marietje walgde niet van mij, maar bleef bij mij, terwijl ze mij troostte.

pagina 40


Carmen van Coesant

We hielden zielsveel van elkaar en zijn jaren gelukkig getrouwd geweest. We kregen een prachtige zoon, graag hadden we meer kinderen willen hebben, maar het mocht niet zo zijn. Onze zoon groeide op in een liefdevolle omgeving en werd een sportieve amicale jongeman die de hele wereld aankon. Toen hij in dienst ging en tekende voor oorlogsgebied, was mijn hart omringd met angst. De dag dat mijn vrouw en ik hoorden dat onze zoon gesneuveld was, is de zwartste dag uit mijn leven. Twee jaar later overleed mijn vrouw aan kanker. Het verdriet om haar enige kind had zich als een kwaadaardige tumor door haar hele lichaam verspreid. Ik zie de mensen langzaam weer de zaal inlopen, ook de man komt binnen en hij neemt plaats op het podium. De reden dat ik vandaag in de zaal zit, is dezelfde reden als al die keren daarvoor. Vertel ik hem wie ik ben of is dat alleen voor mijn gemoedsrust? Kwel ik hem misschien met iets uit het verleden, waar hij niet meer aan wil denken? Een gebeurtenis waar ik verschrikkelijk veel spijt van heb en die hem ook heeft gevormd, want waarom zou hij anders twee honden hebben en in een goed beveiligd huis wonen?

gaat u dan weg?” Ik bond zijn ouders en zusje vast en ik volgde de jongen naar zijn slaapkamer, terwijl zijn moeder ons angstig nakeek. Het kind pakte een blauw spaarvarken en bood mij deze aan. Er ging een rilling door mij heen. Ik kan de emoties van toen niet benoemen, maar de jongen maakte iets in mij los. Hij hield zoveel van zijn ouders dat hij zijn geld aan mij wilde geven, hij had alles over voor zijn ouders. Ik voelde mij zo schuldig. Ik strompelde terug naar de woonkamer, verontschuldigde mij tegenover zijn ouders en huilende zusje, toen rende ik het huis uit. Letterlijk rende ik ook mijn oude leven uit en liet de crimineel achter mij en ik vertrok naar Twente. Ik kijk om mij heen, wederom klappen de mensen, het symposium is afgelopen. Ik zucht, ga ik naar de man, vertel ik hem hoe hij als jongetje mijn leven veranderde, heeft hij daarbij baat? Of ga ik naar huis, kruip ik weer in bed om er nooit meer uit te komen? Ik heb niets meer om voor te leven, alleen dit dilemma houdt mij hier, maar ik ben klaar om te sterven. Dat wil ik zo graag, maar elke ochtend word ik weer wakker. Ik sta op en loop op de man af, of zal ik mij omdraaien en richting de uitgang lopen?”

De dag waarvan ik toen nog niet wist dat het mijn leven zou veranderen, was toen ik gewelddadig inbrak bij zijn ouderlijk huis. Ik dreef zijn ouders en de twee kinderen, onder wie hij, naar de woonkamer. Ze hadden weinig contanten in huis en ik was al bezig de boel kort en klein te slaan. De kleine jongen was bang en stak aarzelend zijn vinger in de lucht, “meneer, als ik geld ophaal, pagina 41

einde


biografie

M argr ie t D al m ei je r

oll e, sa me n me t mi jn Zw in on wo ik en d ou r jaa gr iet Da lm eij er, ik be n 32 me ka n n sc hr ijv en zo lan g ik he t Ha llo ! M ijn na am is M ar va al u ho Ik . oo ng Ka en tte n Ko os y, Ne eli x sc hr ijv en va n wa t we in lag rs ve vr ien d Ol af en on ze dr ie ka n ee nd te ch go da ho ol mo es te n we elk e ma an Op mi jn he rin ne re n. Op de ba sis sc en mi jn be lev en iss en op . ur kle en en ur ge in ijd fd en ik sc hree f alt op de da g va n va nd aa g. t to ik e he t we ek en d ha dd en be lee do t da en k oe gb t he t bi jh ou de n va n ee n da j da n tie f sc hr ijv en wa s vo or mi ac ht st e be n ik be go nn en me ea cr us rs cu n ee n va n lge al vroe g in en he t vo He t sc hr ijv en za t er du s oo k ee n log isc he st ap . n en he t bi jh ou de n va n ale rh ve e rt ko n va en ijv Na as t he t sc hr en be de re ma ni eren me t sc hr ijv an op k oo ik n be k, oe gb mi jn da el aa n he t lev en sb oe kp rode 11 20 er mb ce de ds sin zig . Zo ne em ik proje ct isa tie in Zw oll e. Vo or di t an rg no re de ou n ee , ijZ W jec t va n va n zi jn lev en sv erha al . Ik en ijv hr sc op t he t me re he lp ik ee n ou de en en ge be ur te ni ss en in zi jn lev e ijk gr lan be er ov m he in te rv iew ge er ik st uk ke n te ks t di e di re k Oo . er ov l aa rh ve n sc hr ijf da ar ee hr ijv en zi jn . Al s ik ni et aa n he t sc en ev hr sc ge lf ze re de ou do or de feren , af te sp re ke n me t ra og fot te om k lij er he t be n, vin d ik he ge lm ate fie ts en . He t ge be ur t re d ein n ee of n ize re te n, vr ien de we ve rh aa lid ee ĂŤn op do e. eu ni n de he zig be ze de ns tig da t ik tij de ta nt e bron va n ve rm aa k. ns co n ee jn zi n tte ka jn Oo k mi

pagina 42


Margriet Dalmeijer

Opgesloten

“R

ennen, Olle, rennen!” Olle zag hoe Sven schichtig achterom keek om te zien hoe dicht hun pestkoppen hen al genaderd waren. Achter hem hoorde Olle hoongelach en het volgende moment voelde hij hoe hij tegen de grond geslagen werd door één van de oudere jongens die hen al sinds het schoolplein achterna hadden gezeten. Hij zette zich alvast schrap voor een flink pak slaag, maar er gebeurde niets. Wel hoorde hij een hoop geschreeuw en hij krabbelde snel overeind omdat hij niet wilde dat Sven in elkaar werd geslagen. Maar toen hij zich had opgericht, bleek dat Sven juist degene was die de klappen uitdeelde! Niet lang daarna gingen de pestkoppen er vliegensvlug vandoor. “Gaat het?” vroeg Sven. Olle knikte: “Dank je dat je die pestkoppen hebt weggejaagd!” Sven haalde zijn schouders op. “Ach, het was niks”, zei hij, “Ik kon jou toch niet aan je lot overlaten?” Vanaf die dag, nu tien jaar geleden, waren de twee jongens onafscheidelijk geweest. Aan dit voorval moest Olle denken toen hij in het schemerdonker de hoofdweg insloeg die naar het station in zijn geboorteplaats Nässjö leidde. Het was hartje zomer en op dit tijdstip was het station nagenoeg uitgestorven. Dat was maar goed ook, want voor het uitvoeren van zijn plan kon hij geen pottenkijkers gebruiken. Anderhalve week geleden was hij samen met Sven gaan studeren aan de universiteit van Stockholm. Veel keus had hij niet gehad. Zijn vader en grootvader hadden op dezelfde universiteit gezeten en zijn vader had hem bezworen dat hij Olle zou onterven

als hij de familietraditie zou verbreken. Tot die traditie behoorde ook het lidmaatschap van de prestigieuze studentenvereniging Kappa Delta en dat was ook de reden dat Olle zich op dit late tijdstip op het station bevond. Iedereen die lid wilde worden van Kappa Delta moest namelijk een zelfbedachte stunt uithalen en alleen de vijf mensen met het meest gewaagde of unieke idee zouden tot de vereniging worden toegelaten. Voorwaarde was dat de aspirant-leden niet met elkaar spraken over wat ze van plan waren. Olle was op het idee voor zijn stunt gekomen toen hij drie avonden geleden in de kroeg twee beschonken derdejaars studenten met elkaar had horen bekvechten. Omdat het nogal rumoerig was geweest in de kroeg, had hij alleen de laatste zin van het meningsverschil opgevangen; de jongens stonden toen vlakbij zijn tafeltje. Eén van hen had met dubbele tong tegen de ander gezegd: “En toch blijf ik erbij dat een volwassen vent onmogelijk in een stationskluis past. Dat verhaal van jou is regelrecht uit je duim gezogen!” Hierna waren de jongens ieder hun eigen weg gegaan. Sven was enkele minuten daarna teruggekomen van het toilet en hij had dus niets van het hele voorval meegekregen. Sterker nog: het leek wel of Olle de enige was die het gesprek had gehoord. Niet dat hij dat erg vond; nu kon er tenminste niemand met zijn idee aan de haal gaan. In de dagen die volgden had hij veel over zijn plan nagedacht. Zichzelf in een stationskluis wurmen was één ding, maar hoe leverde hij het bewijs dat het hem überhaupt gelukt was?

pagina 43


Opdracht twee

Hij mocht immers met niemand over zijn plannen praten en al helemaal niet met Sven, die normaliter altijd zijn ‘partner in crime’ was als het ging om het uithalen van grappen. Uiteindelijk had hij zijn broertje bereid gevonden om naar het station te komen. Over – hij keek op zijn horloge – drie kwartier zou Emile naar de bagageruimte van het station toe komen, gewapend met een fotocamera, om het bewijs te leveren dat een volwassen man wel degelijk in een stationskluis past. Olle had zijn broertje niet verteld waarom hij naar het station moest komen en hij hoopte maar dat Emile zou komen opdagen en niet zou denken dat zijn grote broer hem in de maling nam. Zonder het te beseffen was Olle bij de bagagekluizen aangekomen. Hij begon nu toch wel een beetje zenuwachtig te worden en keek zo onopvallend mogelijk om zich heen. Zoals hij al verwacht had, was er geen mens te zien. Beveiligingscamera’s hingen er niet op het station van Nässjö; daarvoor was het plaatsje te klein. Olle opende één van de kluizen en keek peinzend naar binnen. Dit zou nog een hele klus worden! In de daarop volgende minuten deed hij verwoede pogingen om zichzelf in de kluis te wurmen en toen hem dat, na ruim twintig minuten, eindelijk gelukt was, slaakte hij een zucht van verlichting. Het volgende moment sloeg de kluisdeur achter hem dicht. Hij probeerde de deur open te krijgen en mompelde een vloek toen dat niet bleek te lukken; er zat niets anders op dan op Emile te wachten. Tergend langzaam tikten de minuten voorbij en al die tijd luisterde Olle aan-

dachtig om te horen of Emile er al aankwam. Na een half uur begon zijn voet te slapen en nog eens dertig minuten later besloot hij zijn broertje te bellen om te vragen waar hij bleef. Anderhalf uur en drie voicemails later was Olle ten einde raad. Wat begonnen was als een ludieke studentengrap, was uitgelopen op een ramp. Hij begon het flink benauwd te krijgen en besloot dat er maar één iemand was die hij kon bellen. Het lidmaatschap van Kappa Delta kon hem op dit moment gestolen worden… Langzaam maar zeker drongen er geluiden tot Olles brein door. Hij moest in slaap zijn gevallen, want de geluiden leken van heel ver te komen. Iemand bonkte systematisch op alle kluisjes en riep zijn naam. Hij had geen idee hoe lang hij al in het kluisje zat, hij wist alleen dat alles hem zeer deed en dat hij zijn rechtervoet niet meer voelde. Weer werd zijn naam geroepen. “Sven!” riep hij moeizaam. “Sven! Ik zit hier!” Zijn stem klonk vreemd hol in de stationskluis. Hij hoorde een paar hoge piepjes en even later ging de deur van zijn kluis met een ruk open. “Ik moet je ook wel steeds redden, hè?” zei Sven met een geamuseerd lachje. Olle probeerde uit de kluis te kruipen, maar Sven hield hem tegen, een fotocamera in zijn linkerhand geklemd: “Even wachten! Je wilt hier toch zeker wel bewijs van hebben?” Sven maakte een handgebaar naar het kluisje, maar Olle schudde zijn hoofd. “Laat maar zitten”, zei hij vermoeid, “Ik wil naar huis.” Sven liet zich echter niet zo gemakkelijk overtuigen. “Oh nee,” zei hij, “dat ik geen lid meer kan worden van Kappa

pagina 44


Margriet Dalmeijer

Delta, betekent niet dat jij het voor jezelf moet verpesten! Je hebt niet voor niets drie uur in die kluis gezeten!” Olle keek Sven fronsend aan, net op het moment dat Sven een paar foto’s maakte. “Ha! Je staat er mooi op”, zei zijn vriend opgewekt, waarna hij Olle uit de kluis hielp. Even later zaten Sven en Olle samen op de bank in hun studentenhuis. Olle nam een slok van zijn biertje en vroeg: “Wat bedoelde je met je opmerking dat je geen lid meer kunt worden van Kappa Delta?” “Oh,” zei Sven quasionverschillig. “Ik had als ludieke actie bedacht om één van onze hoogleraren op het toilet op te sluiten, maar in plaats daarvan heb ik per ongeluk de voorzitter van Kappa Delta opgesloten. Je had z’n kop moeten zien, joh! Ik geloof dat ik voor de rest van mijn leven op de zwarte lijst sta!” Een ogenblik lang bleef Olle zijn vriend aanstaren, maar daarna schoot hij in de lach. Dit avontuur zou hem nog lang bijblijven; misschien zou hij er zelfs wel de ‘Raar maar waar’rubriek van de krant mee halen… einde

pagina 45


Opdracht twee

Opsporing verzocht

‘C

entrale, 10-18, 10-23 van 3TA’, Ian sprak zachtjes in de microfoon op zijn rever, ‘ik herhaal 10-18, 10-23 van 3TA.’ Voorzichtig keek hij om de hoek waar de verdachte zich zou moeten bevinden. ’10-4 3TA’, antwoordde Phil vanaf de centrale in het oor van Ian, ‘de verdachte zou zich binnen tien meter van je moeten bevinden volgens de CCTV.’ Ian realiseerde zich dat hij de man zou moeten kunnen zien waar hij al een uur achteraan zat. Maar tot zijn grote frustratie kwam hij telkens te laat en was de vogel gevlogen. En dat in de stromende regen die die middag was gaan vallen. Maar nu zou de man hem niet meer ontglippen: Ian was vastbesloten de inbreker te pakken te krijgen. Dat zou wat zijn: met zijn eerste opdracht als agent in burger bezig en dan gelijk een inbreker op het spoor zijn. Ian voelde de adrenaline door zijn aderen stromen, terwijl hij bleef kijken of hij de inbreker zag. ‘Verdachte al in zicht?’, hoorde Ian in zijn oor. ‘Niet eens een beweging’, antwoordde hij. In zijn oor riep Phil gefrustreerd dat dat niet mogelijk was, dat de verdachte zich echt in zijn zicht moest bevinden. Ian besloot de hoek om te gaan om te kijken of de man daar te vinden was. Langzaam liet hij zich de hoek om glijden om vervolgens langs de muur te glippen. ‘Hij is on the move’, hoorde Ian in zijn oor, ‘hij gaat voor je uit de hoek om naar links.’ Ian verhoogde zijn tempo langs de muur op zijn All-Stars, terwijl hij om de plassen heen manoeuvreerde. Aan het einde van de muur keek hij om de hoek, maar alleen een eenzame kat zat op de

schutting verderop op de uitkijk naar muizen. Verder was er geen mens of dier te bekennen. Niet eens een geluid, anders dan de regen die op zijn pet kletterde. ‘Kut, kut, kut, kut’, Ian knarste met zijn tanden, terwijl hij zijn boosheid zacht wegvloekte. ‘Je maakt er een potje van!’, brulde Phil in zijn oor, ‘zorg dat je die vent te pakken krijgt.’ Ian antwoordde dat Phil zijn bek moest houden en alleen nuttige informatie moest doorgeven. Hij voelde of zijn pistool nog in het schouderholster zat: je wist maar nooit of hij het nodig zou hebben vanavond. Zou die vent links of rechts van hem zitten? Achter die grote bloembakken of achter die grijze containers? Ian schrok zich lam, toen de kat van de schutting afsprong en met een bons op een grijze container landde. ‘Wat was dat voor een knal?’, de stem van Phil klonk gespannen. ‘Een kat op een container’, antwoordde Ian kortaf. Hij hield zijn ogen gericht op de schutting. Waar was de kat van geschrokken? Bijna geluidloos gleed hij naar de overkant van de straat in de richting van de schutting. ‘Shit, die vent is weer aan het lopen’, gromde Phil. Snel spong Ian over de heg naast de schutting en keek beide straten in: deze positie was ideaal, op de hoek. Hij kon hem nu niet missen. ‘Ik zie niets bewegen’, fluisterde Ian. Na de bevestiging van Phil dat de verdachte ook weer stil stond, overwoog Ian wat hij zou doen: doorgaan of opgeven. Opgeven was geen optie, dus gewoon doorgaan. Hij bleef even zitten om zijn focus te herpakken. In zijn oor ontstond geruis: in de centrale was kennelijk

pagina 46


Barbara Dijke

iets aan de hand. Ian besloot het maar te negeren en zich weer op de verdachte te concentreren. Over de heg en door het steegje achter de huizen: Ian bewoog behoedzaam, zijn spieren gespannen. ‘Hij beweegt weer’, de stem van Phil klonk ineens in zijn linkeroor. Ian hoorde de verandering in de stem van zijn collega: hij klonk ineens heel ontspannen. Op de achtergrond hoorde hij een heleboel mensen praten. Wat was er aan de hand op de centrale? ‘3TA, terug naar het bureau’, het klonk alsof Phil zijn uiterste best deed om niet te gaan lachen. Ian voelde de boosheid in zich omhoog borrelen: liep hij zich hier het vuur uit de sloffen, zaten ze op de centrale een beetje te geiten. Vloekend liep Ian door de steegjes en straten terug naar het bureau. De voordeur van het bureau was op slot, zoals altijd. De brigadier van dienst deed hem vanuit zijn hok open. ‘Je wordt in Control verwacht’, breed grijnzend knikte Max hem toe. Dat deed het humeur van Ian niet veel goed. Door de gang beende hij naar Control, de kamer waaruit operaties gecoördineerd werden. Toen Ian de deur open deed, brak er een kakofonie aan geluiden los: applaus, fluiten, gejuich en allerhande kreten vulden de ruimte. “Ian, je bent een geweldige detective’, brulde Derek vanaf zijn zitplaats, terwijl hij luid applaudisseerde. ‘Topper!!!’, juichte Shirley dwars door Control heen. Ze liep naar Ian toe en gaf hem een zoen op zijn wang. Ian wilde uitbarsten in een woedeaanval die zijn weerga niet kende, toen de commissaris in de deuropening verscheen. Ian beet op zijn wang om de boze woorden

tegen te houden. ‘Ian, ik wilde zeggen dat we vanavond hebben kunnen zien hoe gedreven je bent, hoe je volledig achter je werk staat en bereid bent er voor de volle honderd procent voor te gaan’, met een handgebaar bracht de commissaris de kamer tot rust, toen hij begon te spreken, ‘maar zonder de hulp van onze nieuwe collega Phil in de centrale had je vanavond niet gekund. We hebben genoten van jullie samenspel.’ Het licht werd uitgedaan en op het digitale bord verschenen de beelden van Ian eerder die avond. Het gesprek tussen hem en Phil was tegelijkertijd te horen. Op het beeld zag Ian zichzelf lopen en hoorde hij Phil zeggen dat de verdachte weer aan de loop was. Ian snapte het niet: hij zag alleen zichzelf maar lopen. Met een razende vaart drong het tot zijn hersenen door wat er die avond gebeurd was: hij had zichzelf de hele avond achtervolgd, omdat Phil hem niet herkend had. Ian keek Phil aan, de nieuwe collega. Die zat met een rood hoofd achter een bureau. Ian liep naar hem toe en gaf hem een klap op zijn schouder: ‘Dacht dat het de bedoeling was dat wij nieuwe collega’s op de hak namen en niet andersom.’ Een luid gejuich vulde Control, terwijl Ian en Phil samen in lachen uitbarstten.

pagina 47

einde


Opdracht twee

De brief

L

ina zit aan de secretaire bij het raam in de hotelkamer van het statige Parijse hotel en schrijft haar Otto een brief. Ze is gekleed in de laatste Parijse mode, één van de weinige voordelen van deze reis, deze aanvulling op haar garderobe. Haar vader staat erop, dat zijn dochter zich contemporair kleedt. Het voorkomen van zijn dochter reflecteert immers ook zijn goede smaak. Lina heeft Otto veel te vertellen. Parijs is zo anders dan Londen, waar haar vader haar vorig jaar naartoe bracht. Lina heeft nog wat moeite met de vrijgevochten moraal van de Parijzenaars, zo anders dan het conservatieve Engeland. Aan de andere kant zou geen Parijzenaar opkijken van haar verhouding met Otto. “Ik wou dat je hier was”, schrijft ze Otto, “dan konden we hier samen hand in hand over straat lopen en geen haan die er naar kraaide. Ik mis je zo.” In eigen land is hun omgang niet gewenst. Lina is “beloofd” aan een ambassadeur, door haar vader uitgezocht als de ideale huwelijkspartner. Ze heeft hem nog niet eens ontmoet en veel liever zou ze trouwen met iemand van wie ze echt houdt.. Maar vrije keuze is er niet bij, laat staan zoiets frivools als de liefde. In de 19e eeuw mag je als vrouw blij zijn, dat je ouders zo begaan zijn met je toekomst. Als je de vrijheid krijgt om je eigen keuzes te maken komt er ongetwijfeld niets van je terecht.. Een jonge vrouw uit de gegoede burgerij heeft alleen nut als echtgenote. Lina zou liever een ambacht leren. Maar haar vader verbiedt het. Een ambacht, dat is voor de arbeidersklasse.

Otto komt uit de arbeidersklasse. Zijn vader is schrijnwerker en Otto is leerling bij hetzelfde gilde als waar zijn vader meester is. Lina stoort zich aan de denigrerende toon van haar vader, als hij spreekt over die “arbeiders”. Otto en zijn vader kunnen zulke prachtige dingen maken, wat kan daar toch op tegen zijn? Het moet heerlijk zijn om iets moois te kunnen vervaardigen met je eigen handen. Terwijl ze wacht op haar vaders terugkeer, schrijft Lina verder. Ze denkt aan hun eerste ontmoeting, toen Otto met zijn vader mee kwam naar Lina’s ouderlijk huis om een opdracht te aanvaarden. Hoe hun ogen elkaar vonden, terwijl hun vaders te bezig waren met de details van de opdracht om acht te slaan op de aantrekking tussen hun kinderen. Ze denkt aan de stiekeme wandelingen met Otto en hun lange gesprekken en schrijft hem over het Bois de Bologne, waar ze gisteren nog met haar vader liep. Wat was ze onder de indruk geweest van het brede schelpenpad, geflankeerd door de statige bomenrij. Wat zou ze daar graag met Otto lopen! Lina onderdrukt een rilling als ze denkt aan morgen. Dan zal haar vader haar voorstellen aan de ambassadeur, die haar echtgenoot zal worden. Ze heeft een portret van hem gezien en vindt hem er niet aardig uitzien. Hij lijkt haar koud en afstandelijk, het tegenovergestelde van haar Otto. Ze kan zich een leven zonder Otto niet voorstellen. Maar hoe moet dat straks, als ze getrouwd is? Ze weet niet eens, of ze dan wel in

pagina 48


Andrea de Palm

Zweden zal wonen. Als ambassadeursvrouw heb je je man te volgen, waar hij ook heen gaat. Met een weemoedige zucht gaat Lina verder met haar brief. Ze schrijft al haar Parijse belevenissen in prachtige volzinnen op. Als Otto de brief leest, zal het net zijn of hij bij haar is in Parijs, en of ze samen de stad verkennen, hand in hand, als de geliefden die ze zijn. Ze hoopt, dat hij zal antwoorden, zodat ze op die manier toch een beetje samen zullen zijn. Otto is aan het werk in het schrijnwerkersgilde. Het is een goed vak en er is veel vraag naar ambachtelijke schrijnwerkers. Zijn vader heeft het bijna zijn hele leven gedaan en heeft hun gezin ermee door de armoede1 heen kunnen slepen. Hij heeft zich niet, zoals zovelen in deze tijd, laten verleiden, zijn ellende weg te drinken en is hard blijven werken voor zijn gezin. Nu hij oud is en artrose in zijn handen heeft, geeft hij les in het gilde. Hij is blij met zijn jongste zoon, die het ambacht duidelijk in de vingers heeft. Zijn andere zoons zijn timmerman en koperslager, goede, degelijke vaklieden. Zij zullen een kans maken in deze moeilijke tijd. Terwijl Otto zwoegt op zijn opdracht, denkt hij onwillekeurig aan Lina. Zijn vader keurt zijn omgang met haar af. “Ze komt niet uit onze kringen”, zegt zijn vader, “je moet je plaats kennen.” Otto weet wel, dat hij geen partij is voor Lina, en dat hij haar nooit kan hopen te trouwen. Maar wat is hij onder de indruk van haar netjes gekapte goudblonde haren, haar mooie jurken, haar goede manieren en geraffineerde taalgebruik, haar stralende lach…

Toch stoort hij zich tegelijkertijd aan haar. Het is net, of ze niet in dezelfde wereld leeft als hij. Zij ziet overal schoonheid in, maar Otto kent de harde realiteit van dit leven. Hij is opgegroeid met het denkbeeld dat niets voor niets komt, dat je hard moet werken voor je bestaan, zeker in deze tijden van armoede. Voor Lina lijkt er geen zorg in de wereld, omringd als ze is door rijkdom en de schone kunsten. Voor haar is dit een mooie tijd, waarin imposante bouwwerken als uit het niets verrijzen2, de industriële revolutie Zweden bereikt3 en schrijvers en kunstenaars hun werk etaleren. Maar mensen emigreren niet voor niets uit Zweden om hun geluk te beproeven in Amerika, denkt Otto. Ook hij moet aan zijn toekomst denken. Hij moet zich concentreren op het schrijnwerkersvak en hopen, dat hij ooit zo goed zal zijn als zijn vader. Dan zal hij een redelijk bestaan kunnen opbouwen. Maar hij weet ook, dat het nooit genoeg zal zijn zijn om met Lina te kunnen trouwen. Lina is voor betere dingen voorbestemd. Haar ouders hebben met een goede huwelijkspartner haar toekomst bepaald en haar verzekerd van een leven zonder armoede.

1 In de 19e eeuw was Zweden een van de armste landen in Europa, met veel alcoholmisbruik. [Wikipedia] 2 Het Brantingska huset en Nortullsgatan werden in 1862 in Stockholm gebouwd. [Wikipedia] 3 In 1862 bereikte de spoorweg Stockholm en stoomboten en veerboten doorkruisten het binnenland in een steeds dichter wordend netwerk. [The Story of Ericsson]

pagina 49


Opdracht twee

“Zet haar uit je hoofd”, zegt ook zijn moeder, “hou je bij je eigen soort.” Ze heeft gelijk, weet Otto. Lina is een mooie droom, maar meer ook niet. Lina’s brief bereikt Otto enkele weken later. Zijn vader heeft hem onderschept en gelezen. Hij haalt zijn schouders op en schudt zijn hoofd, verbaasd als hij is over de naïviteit van deze jongedame. Ze is al zo lang weg uit Stockholm. Otto heeft vast niet meer aan haar gedacht, zoals dat gaat bij jonge mensen. Uit het oog, uit het hart. En dat is maar goed ook. Even twijfelt hij nog. Moet hij zijn zoon deze brief onthouden? Er kan immers niets goeds komen uit deze relatie. Otto komt juist binnen, zijn armen vol met net gekapt hout. “Er is een brief van die Lina van je”, zegt zijn vader, “wil je hem hebben?”

beekje. Al lopend maakt hij de brief open en rangschikt de volgeschreven vellen papier peinzend in zijn handen. Hij haalt zijn schouders op en schudt zijn hoofd. Dan gooit hij de brief weg. “Gekke meid”, denkt hij, “ze is vergeten dat ik niet kan lezen.”

Verbaasd legt Otto het hout weg en pakt de brief van zijn vader aan. Zonder een woord te zeggen draait hij zich om en loopt met de brief naar buiten. Hij vraagt zich af wat Lina nu nog met hem wil. Is hij niet duidelijk genoeg geweest, toen hij haar vóór haar reis probeerde uit te leggen dat een relatie tussen hen geen schijn van kans had? Had ze niet geluisterd? Ze zijn – nu zelfs letterlijk – werelden uiteen. Als ze dat toch eens begreep. Otto realiseert zich dat zijn “vriendin” uit de gegoede kringen in een droomwereld leeft. Hij staat echter met beide benen stevig op de grond. Verliefdheid is immers geen goede basis voor een goede toekomst. Otto loopt naar de plek waar hij, alweer zo lang geleden, met Lina wandelde langs een pagina 50

einde


Dennis Pronk

‘t Benne raere tieden

K

ent u dat ook? Ik bedoel van die typisch menselijke dingen? Van die dingen, waardoor je aan jezelf kunt gaan twijfelen? Van die dingen die je uit schaamte of vrees voor beoordeling maar voor je houdt? “Ja, werkelijk!” of “Neen, waar heb je het over?” Misschien kan ik er op voorhand al van uitgaan dat de factor oplettendheid of bewustzijn van mens tot mens al dan niet aanwezig is. Of misschien dat de factor “tijd” je geen ruimte gunt voor dergelijke overpeinzingen, hoe het ook is, ik wil graag wat delen met betrekking tot “toeval”. Hierover is al veel gezegd en gezwegen en toch hoop ik op wat bijval via het volgende! Het begon al vroeg in mijn leven, dat bij kennismaking van nieuwe dingen er een gevoel ontwaakte over de eventuele toekomst ervan. Bijvoorbeeld popmuziek, waar we allen mee in aanraking werden gebracht (door de commercie) heeft het in zich zo’n voorspelling los te maken. Je hoort het die eerste keer en je denkt (of niet): “Zo, nou, die jongens gaan het helemaal maken!” Kun je dan spreken van een vooruitziende blik of is je persoonlijke mening slechts een verwachting? En als dat een vooruitziende blik mag worden genoemd, kun je daar dan rechten aan ontlenen? Oké, om als voorbeeld te dienen voor het losmaken van een vrije voorspelling als de Top 40 is popmuziek misschien het geschiktst, maar wat nu als je bij jezelf bemerkt dat je voorspellende gaven zich verder ontwikkelen? Ik denk dan aan bijvoorbeeld modeontwerpen, grafisch werk,

bouwtekeningen of misschien zelfs staatsinrichting! Overigens, ik vergeet me voor te stellen. Ik ben Marco. Ik ben half Nederlands en half Italiaans, 43 jaar en, al zeg ik het zelf, best knap. Ongeveer 1,86 m. lang, ongehuwd en werkzaam in de restaurateurwereld. Je weet wel: antieke vazen, schilderijen, meubels, noem maar op. Mijn inzichten hebben het zelden mis en ik ben me daar steeds meer bewust van. Alleen kan ik me niet verenigen met het feit dat anderen steeds maar weer met mijn ideeën aan de haal gaan en ze te gelde maken! Zo ben ik eigenlijk de geestelijke vader van de software waarmee we tegenwoordig vooraf in beeld brengen hoe de inrichting van bijvoorbeeld de museumvloer of je nieuwe huiskamer eruit komt te zien. Ware het niet dat ik mijn idee op de verkeerde plaats ten gehore heb gebracht, terwijl ik er nog niet klaar mee was! Prompt komt er binnen een maand een soortgelijk softwareprogramma op de markt. Het is wel niet zo geavanceerd als het mijne zou worden, maar de noviteit, mijn voorspelling is om zeep! Verder hebt u ook te maken met de man die als eerste dacht en werkte aan de oplossing voor het energie opwekken uit windkracht! Goed, dit laatste deden de windmolens van weleer ook al, om taken te klaren als water malen of graan of persdruk, doch ook hier heb ik te vroeg gesproken om er een dynamo op aan te sluiten.

pagina 51


biografie D en ni s P ro nk n oo k, ke ur in we lke sit ua tie da or vo n va ’, fst lie ‘ lf: ze Ee n wo ord ov er me ua tie da n oo k. Ni et te sit lke we in ur ke or vo or do rli jk ma ar oo k ‘on ve rz et te lij k’ n oo k, na tu ur lij k: ‘n at uu da tie ua sit lke we in , h’ ve rg et en ‘ fil os ofi sc da n oo k, op zo ek na ar tie ua sit lke we in l, wi en en or igi ne el’ , als he t lu kk in we lke ‘crea tie f en sc he pp en d’ k, oo n da tie ua sit lke ‘on tp loo iin g’ in we ch t eg oïs tis ch ’ da t za l ik lli we , ct re di jk, rli ee h, isc sit ua tie da n oo k, ‘m orali st bli jke n te zi jn . in we lke sit ua tie da n oo k rm’. or uz elf , ‘go ed , st erk en wa do n tte ha sc te in st be t M aa r in pe rs oo n, he nl E-ma il de nn is@ d- re de n. re de n. nl W eb sit e ht tp ://ww w. dTw itt er @d Re de n ma il. co m Go og le de nn isp ro nk 69 @g

pagina 52


Dennis Pronk

Juist, dit is het Octrooibureau en nu is het mijn beurt om met andermans ideeën aan de haal te gaan. Kom op, we slaan onze slag!

Waar ze me horen of hoe ze me voor blijven, ik weet het niet! Maar een ander gaat er met het geld en de eer vandoor. Weet u, meerdere relaties heeft het me zelfs gekost. Ik werd er op zekere manier paranoïde van, ik dacht dat mijn telefoon werd afgetapt of dat ik geschaduwd werd op publieke plaatsen! Daar valt natuurlijk niet mee te leven, vonden mijn toenmalige eega’s, dus tot ziens.

einde

Ik laat me niet uit het veld slaan hoor. In mijn huidige werk heb ik veel tijd om mijn gedachten en ideeën de ruimte te geven. Hier op het werk houd ik mijn toekomstvoorspellende gaven voor me, ik heb nog steeds dat inkomen nodig, nietwaar? Laatst kreeg ik weer een goed uitvoerbare voorspelling in mijn hoofd. Niemand, behalve u nu, weet er nog van. Angstvallig zet ik niets op papier en praten doe ik er ook niet over! U bent wellicht nieuwsgierig geworden, maar ik durf er geen specifieke voorstelling van te geven. Toch zit het in de tekst, die u net hebt gelezen, ingebakken. Ik ben er nu mee bezig het uit te voeren. U mag wel mee hoor, maar maak geen herrie en doe precies wat ik zeg. We gaan nu het al donker is, en de werktijd zit er op, naar een voor u onbekend adres. Geen zorgen, ik heb alles in mijn hoofd voorbereid. Als we er zijn moet u wel mee naar binnen, anders gaat mijn plannetje mis. Hier is het. Wat? Nee, dit is niet waar ik werk, maar waar heel veel werk van anderen is vastgelegd en gedocumenteerd. pagina 53


Opdracht twee

Spaarvarken

V

andaag is hij in een deel van de stad waar hij eigenlijk nooit komt. Op de één of andere manier heeft hij in deze wijk niet zo’n goed gevoel. Alsof hij hier niet goed zal kunnen slagen. Terwijl hij zijn ronde maakt, neemt hij alles goed in zich op. Het is een gezellige, vrij burgerlijke wijk. Huizen in rijtjes met goed verzorgde voortuintjes en hier en daar een speelplaats voor kinderen uit de buurt. Rustig en braaf vindt hij het. Hij zou hier zelf nooit kunnen wonen. Afschuwelijk lijkt hem dat. Tuttig in zo’n buitenwijk, terwijl je ook in het drukke stadscentrum kunt wonen. Daar gebeurt tenminste wat. Terwijl hij, schijnbaar achteloos, door de wijk wandelt, neemt hij alles goed in zich op. Als je ergens niet bekend bent, moet je extra goed opletten. Voor je het in de gaten hebt, maak je een cruciale fout. Zijn er veel honden, hoe is de beveiliging en is er veel sociale controle? Het liefst zou hij in zijn eigen wijk blijven. Hij kent de woningen en weet precies hoe alles daar reilt en zeilt. Dat maakt het allemaal een stuk makkelijker. Maar hij moet afwisselen. Te lang op één plek blijven rondhangen is niet goed voor de zaken. Warm en donker gekleed stapt hij de volgende dag rond middernacht in zijn auto. Terwijl hij de sleutel in het contact steekt, merkt hij dat zijn hand licht trilt. Hij is nerveus en dat irriteert hem. Toen hij hier net mee begon, was hij ook altijd nerveus. Iedere keer weer was hij gespannen en iedere keer voelde hij de neiging zich om te draaien en terug naar huis te gaan. Als hij zenuwachtig is gaan zijn handen trillen. Dat is

iets wat hij echt niet kan gebruiken. Trillende handen kunnen alles verpesten. Het is lang geleden dat hij zich zo gevoeld heeft. Hij is goed in wat hij doet, maakt bijna tot geen fouten en hij kan de situatie altijd goed inschatten. Tot vandaag? Het komt door die buitenwijk. Daar heeft hij geen goed gevoel bij. Hij kan niet uitleggen waarom en verstandelijk gezien is er ook geen reden om te denken dat het niet goed zou gaan. Hij heeft alles goed doordacht en gepland. Maar toch. Heeft hij niet geleerd om op zijn gevoel te vertrouwen? Dan denkt hij weer aan de buitenwijk en dollartekens verschijnen in zijn ogen. Er moet daar genoeg te vinden zijn. Het idee van mooie spullen en het geld dat het opbrengt, zorgt ervoor dat het twijfelende gevoel naar de achtergrond verdwijnt. Het is stil en rustig in de wijk. Hij had niet anders verwacht. ‘Waarschijnlijk was hier om half tien al geen hond meer op straat’, denkt hij spottend. Doelbewust rijdt hij naar de plek die hij de vorige dag heeft uitgekozen. Het laatste stukje loopt hij. Het is koud buiten. Hij voelt de vrieskou door zijn bivakmuts heen. Vlak voordat hij een hoek wil omslaan valt zijn oog op een voordeur. Uit het slot steekt een sleutelbos. Hij kijkt om zich heen of hij nog ergens een teken van leven op straat kan ontdekken, maar het blijft stil. Ook in het huis wijst niets erop, dat er nog mensen wakker zijn. ‘Dit is wel heel makkelijk!’ denkt hij. ‘Het enige wat ik hoef te doen is naar binnen gaan.’ Dat is niet volgens zijn goed voorbereide plan, maar deze kans kan hij toch niet voorbij laten gaan?

pagina 54


Irene Schrijver

Voorzichtig draait hij aan de sleutel en de deur klikt open. Zo zacht mogelijk stapt hij de woning binnen. De voordeur laat hij op een kiertje staan. Hij haalt diep adem terwijl hij muisstil in de hal blijft staan. Het is stil in huis en beneden is alles donker. Vanuit de woonkamer hoort hij het regelmatig tikken van een klok. Boven op de overloop brandt wel licht. Op zijn tenen loopt hij naar de trap en beklimt een paar treden, ondertussen hopend dat er geen gaat kraken. Pas als hij zeker weet dat er verder nergens licht brand stapt hij de woonkamer binnen. Binnen een paar minuten heeft hij al een aardige slag gedaan. In de eerste kast die hij opentrok, lagen een iPad en een laptop. En ook een mobiele telefoon en een leuk bedrag aan contant geld zijn in zijn tas verdwenen. Plotseling hoort hij de trap kraken en zachte voetstappen komen dichterbij. Sneller dan hij verwacht had ziet hij ineens in de deuropening twee kleine jongens staan, allebei in een blauw geruite pyjama. Hun haar zit door de war en de kleinste van het stel wrijft de slaap uit zijn ogen. ‘De boef heeft mama’s portemonnee!’ fluistert de grootste de ander in het oor. ‘Die heeft ze voor Moederdag gekregen.’ Het lipje van de jongste begint te trillen. Met de portemonnee nog open in zijn hand kijkt hij de jongens aan en hij denkt verwilderd na. Het kind moet vooral niet gaan janken. Hij weet dat hij het nu het beste op een lopen kan zetten, maar om de één of andere reden blijft hij staan. Hij voelt zich klein. Kleiner dan de twee jongetjes die hem met grote ogen aan staan te kijken. Alsof ze hem

stilletje met die blauwe kijkers terecht wijzen. Hij ziet dat de kleinste jongen zijn mond open doet. ‘Nu gaan we het krijgen.’ denkt hij. ‘Het kind gaat om zijn ouders roepen.’ Maar de jongen doet een stap naar voren, kijkt hem vertrouwelijk aan en vraagt dan met een serieus gezicht: ‘Ben jij arm? Heb je honger? Heb je soms geen huis? Je hebt wel een beetje oude kleren aan, hè?’ Voordat hij op deze spraakwaterval kan reageren, draait het kind zich om, loopt naar de kast en haalt er iets uit. Dan kijkt hij hem weer met zijn serieuze gezichtje aan. ‘Je mag niet stelen. Maar ik vind het wel zielig dat jij zielig bent.’ Hij stopt met praten, twijfelt even en zegt dan: ‘Je mag mijn spaarpot wel hebben. Dan kun je eten kopen en hoef je niet te stelen!’ De jongen houdt een foeilelijk, roze spaarvarken omhoog. Verbouwereerd kijkt hij het in pyjama gehulde jongetje aan. Een naar gevoel bekruipt hem. Hij kan het kind niet in de ogen kijken. Dan laat hij zijn rugzak vallen en met grote passen loopt hij het huis uit. Eenmaal buiten begint hij te hollen. De grote, blauwe kinderogen achtervolgen hem. Hij voelt zich naar. Naar en schuldig. Pas als hij weer bijna thuis is, kan hij rustig adem halen. In die buitenwijk zien ze hem nooit meer terug.

pagina 55

einde


Opdracht twee

Mouse

D

e klaslokalen waren somber ingericht, verlicht door een paar knetterende TL-bakken aan het hoge plafond. De hoog geplaatste ramen, waardoor je niet naar buiten kon kijken, of anderen naar binnen, lieten een klein beetje daglicht in. De muren waren kaal en grijs, zonder een likje verf, laat staan enige versiering. De leraar was er nog niet en iedereen praatte wat door elkaar. Dat zag er in ieder geval wel normaal uit. Op mijn weg naar het lokaal, door weergalmende donkere gangen ving ik af en toe een glimp op van andere klassen, waar iedereen strak rechtop zat met een angstige blik in hun ogen. ‘Hé nieuwe, hoe heet je?’ vroeg iemand terwijl ik me aan een leeg tafeltje liet zakken. ‘Mick.’ ‘Aah, Mickey, van Mickey Mouse?’ ze begonnen te lachen. Ik haalde ongeïnteresseerd mijn schouders op. Alsof ik die nog niet eerder had gehoord. Dat leek te helpen. ‘Ik ben Alex’, zei de jongen die achter me zat. ‘Zeg Mouse, waarom zit je hier?’ vroeg hij verder. Ik wist wat hij met die vraag bedoelde. De school stond bekend om het grote aantal onhandelbare jongeren die nergens anders meer aangenomen werden, het was hun laatste kans voor dat ze naar een internaat gestuurd werden. Maar het was nog steeds een openbare school. Ze hoefden niet te weten dat ik verhuisd was naar dit saaie stadje, omdat mijn pa hier zo nodig moest werken en dat ik eigenlijk niets op mijn kerfstok had staan.

‘Beetje leraren pesten’ zei ik. Met een luide klap kondigde de leraar zijn binnenkomst aan en iedereen zat rechtop, alle ogen op de leraar gericht, alle gesprekken verstomt. Ik kon niet zien of mijn opmerking de nodige impact had achtergelaten. Na de les hield Alex me op de gang aan. ‘Hé Mouse, dat leraartje pesten kun je bij Draak maar beter vergeten.’ ‘Draak?’ ‘Dat is onze scheikunde leraar, zo noemen we hem.’ Een aantal andere jongens mengden zich in het gesprek. ‘Hij lijkt een beetje op Hannibal Lecter, maar dan met wat meer haar.’ ‘Hij lijkt er helemaal niet op!’ ‘Nee, niet qua uiterlijk, maar zijn gedrag wel, zijn spelletjes.’ ‘Hij kan je bijna alles laten bekennen.’ Ik dacht dat ze me bang wilden maken, op de donderdag hadden we pas scheikundeles dus wachtte ik af. ‘Dus, jullie denken dat jullie proef is gelukt?’ zei Draak tegen het drietal dat zenuwachtig voor hem stond. ‘Ja meneer,’ antwoordde één van hen stilletjes. Het brouwsel zag er inderdaad wel zuiver uit, beter dan die van ons. ‘Nou, drink maar op dan,’ en hij leunde achterover in zijn stoel. De jongens keken elkaar aan, niet wetende wat te doen. Toen nam één van hen het woord. ‘Maar, dat kan gevaarlijk zijn meneer.’ ‘Als je de opdracht goed hebt uitgevoerd, moet er niets aan de hand zijn. Nou? Of durven jullie niet?’ Ze schudden langzaam hun hoofd. Draak liet een diepe zucht horen toen hij zich weer naar voren boog om wat te noteren. ‘Onvoldoende.’

pagina 56


Miranda Weernink

Toen keek hij de klas in, maar niemand durfde oogcontact te maken. ‘Is er iemand die denkt wel een voldoende te kunnen halen?’ Iedereen bleef stil zitten. ‘Waarom pikken jullie dit?’ vroeg ik Alex na de les. ‘Wat kunnen we doen? Ze geloven ons toch niet.’ ‘Is dit normaal dan?’ ‘Nou, dit was nog niks: een jongen uit de B-klas heeft laatst het hele lesuur opgesloten gezeten in een kluisje. En bij die lange jongen daar, heeft hij met een marker “loser” op zijn voorhoofd geschreven. Hij heeft drie uur bij de wc’s staan schrobben en heeft zijn toets Engels gemist.’ Hij wees naar een bleke jongen die angstig om zich heen zat te kijken. ‘Maar het kan nog erger, vijf jaar geleden is er een meisje in het gekkenhuis beland, ze zeggen dat Draak de pest aan haar had, omdat ze zo knap was. En dan zijn er nog wat verdwijningen, maar die geloof ik niet.’ Hij schudde zijn hoofd. ‘Maar, willen jullie dan helemaal geen wraak nemen?’ vroeg ik. ‘En wat zou jij dan willen doen?’ ‘Bewijs verzamelen.’ Er begon zich een idee te vormen in mijn hoofd, ik legde het voor aan Alex, maar hij verklaarde me voor gek. Toch beloofde hij dat hij me zou helpen. Alex nam me mee naar een kleine, onopvallende jongen die in een hoekje zat, met wat andere jongens, al even klein en onbeholpen. De andere jongens sloegen gelijk op de vlucht toen Alex aankwam, hij negeerde ze. ‘Dit is Ben.’ Ben keek ons verveeld aan. ‘Wat moeten jullie?’ ‘Mouse hier heeft je hulp nodig, hij heeft een plan om Draak terug te pakken.’

Alex ging op de uitkijk staan terwijl ik mijn plan besprak met Ben. ‘Heb je iets om filmpjes mee te maken?’ ‘Mijn iPhone, maar die dingen zijn verboden, ze jatten ze als ze erachter komen.’ ‘Dan moeten ze die niet vinden, hou hem gewoon verborgen onder je kleding, haal hem pas tevoorschijn tijdens de les. Dan filmen we zijn “spelletjes” en verspreiden we het via YouTube.’ ‘YouTube? Ik heb wel een beter idee.’ Ben was een echte nerd. Met zijn iPhone kon hij verbinding maken met andere apparatuur in het gebouw, zo kon hij niet alleen filmen maar het tegelijk uitzenden op alle tv’s in de school. Nu kreeg ik ook een idee waarom hij hier zat en dat was niet dezelfde reden als ik. Het verbaasde me dat hij veel respect kreeg van andere leerlingen, terwijl ik hem juist als het pispaaltje van de klas zou zien. Misschien zou hij dat op een andere school ook zijn geweest, maar hij was slim en kon veel dingen voor elkaar krijgen. Toch was hij ook bang voor Draak, net als elke andere leerling die ik had ontmoet. ‘Ik schijt in mijn broek elke keer als hij naar me kijkt, en ik ben niet de enige, je moet oppassen jongen.’ Ik had voorgesteld om het lokmiddel te zijn, Ben zou alles filmen. ‘Als jij er nu maar voor zorgt dat ik me niet voor niets in de problemen werp’ zei ik lachend, maar hij lachte niet terug. ‘Soms laat hij kakkerlakken over me heenlopen. Als ik niet stil blijf zitten, moet ik nablijven. Ik weet niet wat voor dingen hij daar uithaalt en eigenlijk wil ik het ook niet weten.’

pagina 57


Opdracht twee

Ik had toen al meer angst moeten voelen, maar de drang om mezelf te bewijzen was voor mij te hoog. Ik had nog niet genoeg ervaring met Draak om echt bang voor hem te zijn. Misschien was het wel het beste om onwetend te zijn, of misschien had ik me toch voorzichtiger op moeten stellen, maar ik kon de tijd nu niet meer terugdraaien. einde

pagina 58


Marielle van Sleen

opdracht 3 Songteksten Een song vormt een wereld op zich, want de woorden ondersteunen de muziek en de muziek doet dat weer bij de woorden. Een schrijver stopt er zijn hele hebben en houden in en daarom zit het boordevol inspirerende emoties. Wat is het verhaal achter een lied? Waar doet het jou aan denken? Heb je zelf een verhaal bij een lied? Bij de verhalen staat een QR-Code. Dit is een tweedimensionale streepjescode en deze kan met een smartphone gescand kan worden. Je gaat dan direct naar YouTube om de song bij het verhaal te beluisteren.

G e n ie te n v a

pagina 59

n z e lf g e b a k

k e n ta a r t e

n cake!


Opdracht drie

De zee

I

sis woelt met haar voeten door het warme mulle zand. Het is een mooie nazomerdag in september. Een paar joelende kinderen hollen haar op het strand voorbij. Ze kijkt naar de rode ondergaande zon, die weerkaatst in het rustige water. Echt genieten kan ze er niet van, want wat is er de afgelopen dagen toch allemaal gebeurd! Ze kan het nog niet goed bevatten. Ze zoekt steun bij de kalme zee. In de verte doemt haar favoriete strandtent op. Met licht gebogen schouders loopt ze ernaartoe en bestelt een rode wijn. Uit de radio klinkt zacht een ingetogen lied: “Want wie is het die de zee gebiedt tot hier en verder niet, verder niet.” Ja, wie is het die de zee gebiedt? Waarom is ze haar gevoelens niet de baas? Zoals gisteren tijdens het jubileumfeest. Maarten kwam naar haar toe en lange tijd praatte ze met hem zoals altijd. Isis en Maarten kennen elkaar door en door, al jaren. Maarten leerde ze kennen tijdens haar studie. Vele avonden brachten ze achter de boeken door, maar ook in het café om de hoek. Lief en leed deelden ze intensief samen. Ook de heftige worstelingen met zichzelf over haar geaardheid, een zeer moeilijke periode voor haar. Maarten was meer zoals een grote broer, die haar altijd een troostende schouder bood. Op het feest voelde Isis zacht zijn sterke hand op haar schouder. Een tinteling ging door haar heen. Tussen haar wimpers zag ze dat hij de contouren van haar gezicht bestudeerde. De vaste aarde sloeg langzaam onder haar voeten weg. Hoe kon het, dat ze na jaren van vriendschap nu toch andere gevoelens voor hem ontwikkelde. Dat was toch

ondenkbaar? Ze heeft al een fijne relatie. Met Sam woont ze nu alweer twee jaar samen. Het is een relatie waarin ze echt zichzelf kan zijn. In de strandtent dwarrelt het geluid uit de radio weer zacht haar kant op: “Ik ben al samen, mijn lief zit bij mij aan tafel en slaapt warm bij in bed. Het is het mooiste wat erop deze aarde is gezet.” Onverwachts schrikt Isis wakker uit haar gedachten. Maarten loopt de strandtent binnen en kust haar licht op haar voorhoofd. Hij gaat naast haar zitten en slaat teder zijn arm om haar heen. Isis ruikt zijn bekende geur. En vlijt zich tegen hem aan. Het voelt vertrouwd, maar ze bespeurt ook een gevoel van verraad. Ze geniet van zijn volle aandacht. Hij past bij haar, maar in een bepaalde manier ook weer niet. Ze praten voluit over vroeger en nu. De ingewikkelde emotionele kwestie die zich nu openbaart. Door de wijn wordt ze rozig en ze wil naar buiten, frisse lucht in haar gezicht. Ze moet even tot zichzelf komen. Zwijgzaam loopt Maarten naast haar over het strand. De zon is helemaal onder gegaan en het begint al een beetje donker te worden. Een zachte bries waait tussen hen door. Maarten houdt stil en trekt haar naar zich toe. Als zijn lippen die van haar raken, slaat bij Isis paniek toe. Wat is ze verdomme aan het doen? Dit klopt niet, dit kan niet. Haar adem stokt en haar keel wordt letterlijk dichtgeknepen. Ze wil dit niet. De beslissing voor Sam, haar relatie, voelt goed en ze wil niet meer twijfelen. Die twijfel had ze jaren gele-

pagina 60


Mira Benes

den bevochten. Ze wil niet toegeven aan de ontluikende gevoelens voor hem. Ze legt Maarten uit dat ze bij Sam wil blijven en dat ze niet weer die strijd met zichzelf wil voeren. Met alle kracht rent ze bij hem weg. Met trillende handen pakt Isis haar fiets die naast de strandtent geparkeerd staat. Daar herinnert ze zich het slot van het lied: “Waar komt dit gevoel vandaan? Er is geen ruimte voor jou in mijn bestaan. Ik heb al iemand waar ik zielsveelveel van hou. Zo ontzettend diep geraakt door jou. Het is al laat een uur of negen. Nou tot ziens ik moet gaan. Tot in een ander leven.� Huilend fietst ze de duisternis tegemoet naar huis. Ze wil niet meer eraan twijfelen of ze nu ook op mannen valt of toch alleen op vrouwen. Vastberaden fiets ze naar haar Sam, haar vriendin, die al uren op haar wacht. einde Benieuwd naar de gekozen song? Scan de code met een smartphone om deze op YouTube te beluisteren.

pagina 61


Opdracht drie

Samen

B

ijna negen maanden hebben we gewacht op dit moment. Negen maanden voelen we ons al papa en mama van een onzichtbaar kindje. Wat is dit kind welkom en wat verheugen wij ons er op. Marc en ik zijn al een aantal jaren samen en we hebben het goed samen. We hebben een fijne baan, schitterende vakanties en doen leuke dingen met elkaar. Kortom, we genieten volop van het leven. Toch kwam er zo vanaf mijn dertigste, een verlangen binnen geslopen, een verlangen naar compleet worden, een verlangen naar mijn leven door willen geven, een verlangen naar een KIND. Gelukkig deelde Marc dit verlangen. Nadat we eenmaal de anticonceptie in de hoek hadden gegooid, was ik tot onze grote vreugde al snel zwanger. En niet alleen ik was zwanger, ook Marc voelde zich zwanger en leefde van dag tot dag met mij en ons kind mee. Mijn buik groeide zichtbaar. Ik heb een mooie ronde buik aan de voorkant van mijn lichaam. Je ziet wel vrouwen die hun kind of vet, dat weet ik nooit precies, rondom hun middel dragen. Dat heb ik niet, ik heb een toetertje van voren. Een paar keer mochten we naar het ziekenhuis voor een echo. Wat een emotioneel moment was dat, het hartje van ons kindje horen en ons kindje zien bewegen. Maar ondanks de prachtige echo’s kan ik me toch niet echt een voorstelling van ons kindje maken. Het beeld van een echo is zwart-wit en vertroebeld. Het kind zwemt in mijn buik en naar sommige onderdelen van zijn of haar lijfje, moet ik gokken. De geijkte

vragen komen dan in mij op: Is het kindje in orde? Zit alles er op en er aan? Wat is het, een jongen of een meisje? Vanochtend om 5.00 uur braken ineens de vliezen. Ik heb dit nog nooit meegemaakt en begrijp niet goed wat er aan de hand is. “Ik plas zo maar in mijn onderbroek!” zeg ik verontwaardigd tegen Marc, die heerlijk ligt te slapen. “Ach, dat zal wel met je zwangerschap te maken hebben”, zegt Marc, “de baby drukt op je blaas”. Ineens loopt er nog een golf vocht langs mijn benen en Marc vliegt recht op in bed. “De vliezen!” Ja, het circus gaat beginnen. Ik bel de verloskundige. Ze zegt me dat het kindje nu binnen 24 uur geboren zal worden. Waarschijnlijk krijg ik in de loop van de ochtend weeën, die steeds heftiger zullen worden en met de regelmaat van eens per 2 à 3 minuten zullen opkomen. Tegen een uur of tien zal ze langskomen. Tot die tijd kan ik weer rustig naar bed. Voorlopig gerustgesteld ga ik weer naar bed en verwachtingsvol val ik in slaap. Ik denk: “Vandaag wordt ons kindje geboren. Laat ik nog maar even krachten verzamelen en slapen, zolang als het kan”. Marc niet, hij gaat douchen, ruimt de woonkamer op, controleert de klossen, kijkt nog een keer of we alles in huis hebben voor de bevalling, belt de kraamhulp en gaat vanuit diepe onrust en machteloosheid uiteindelijk maar in de tuin aan het werk. Om 8.00 uur heb ik regelmatige lichte weeën en ga ik douchen. Daarna gaat het ineens heel snel, de weeën

pagina 62


Marjan de Boer

komen dichter op elkaar en worden vooral steeds heftiger. Ik beveel Marc om bij me te blijven, hij mag geen stap meer bij me vandaan doen. Tijdens de weeën knijp ik zijn hand bijna fijn. We hebben samen zwangerschapsyoga gedaan en hij helpt me goed: “Altijd is Kortjakje zieieieiek” Puf, puf, puf puf, puf, puf, puuuuuuffffffff. Tegen tien uur hou ik het bijna niet meer uit en ik ben blij dat de kraamhulp en verloskundige er zijn. Volgens de verloskundige heb ik tien centimeter ontsluiting en mag ik gaan persen.

Owen is een sterk mannetje en zo welkom! Ik voel me volmaakt, gelukkig en ben blij met ons gezinnetje.

Wat is dit bijzonder. Ik voel een oerkracht in me opkomen en in een luide schreeuw pers ik het kind in me richting de buitenwereld. Dat lukt niet in één keer en ik moet nog 5 keer persen voordat er iets van ons kindje zichtbaar wordt. Het hoofdje is er tot de wenkbrauwen uit en dan voel ik geen perswee meer opkomen. De verloskundige wordt onrustig en zegt me dat als ik niet binnen één minuut het kind eruit pers, ze de ambulance gaat bellen. Dit laat ik ons niet overkomen en ik pers uit alle macht nog een keer krachtig, terwijl Marc, de kraamhulp en de verloskundige me aanmoedigen. En dan zwemt er ineens een jongentje uit mijn lichaam. Een volmaakt, volgroeid jongentje met alles er op en er aan.

Ik merk niets van de onrust die weer opkomt bij de verloskundige en de kraamhulp. Ik lig met Owen op mijn buik, het mooiste baby’tje ter wereld en kijk vertederd hoe Marc zijn handjes en zijn ruggetje streelt. “Sylvia”, zegt de verloskundige, “ik ben bang dat we slecht nieuws voor je hebben. Je zult helaas naar het ziekenhuis toe moeten. De nageboorte, de moederkoek, moet nog uit jouw baarmoeder komen en dat gebeurd niet. Meestal krijgen kraamvrouwen weeën na de geboorte en dan komt de moederkoek vanzelf. Bij jou gebeurt dat niet, waardoor de moederkoek jouw lichaam kan vergiftigen.” Nee, dit wil ik niet. Ik voel me intens gelukkig met mijn man en zoon en wil niet van hen gescheiden worden. Helaas, gelden dergelijke argumenten niet voor de medici en er rijdt toch een ambulance voor ons huis. Marc en Owen mogen niet mee. Alles moet snel gebeuren, voordat het verkeerd afloopt met mij. Paniek welt in mij op. Hoezo loopt het verkeerd met mij af? Zal dit dan de laatste blik zijn die ik op mijn man en kersverse zoontje zal werpen. Vluchtig geven Marc en ik elkaar een zoen en streel ik nog even Owen zijn wangetjes.

Opgelucht, dankbaar en blij knuffelen Marc en ik elkaar terwijl de tranen ons langs de wangen stromen. Marc mag de navelstreng losknippen, de draad van leven dat ik doorgeef aan mijn kindje. Daarna moet Owen het alleen doen en dat doet hij.

Van alles wat daarna gebeurt, weet ik achteraf niets meer. Ik word wakker in een ziekenhuisbed, terwijl Marc naast me staat met een heel klein baby’tje in zijn armen. “Lieve schat, je hebt het gered. Het was kantje boord. De placenta bleef vast zitten, je hebt jouw

pagina 63


Opdracht drie

bewustzijn verloren en uiteindelijk is de placenta door een keizersnee verwijderd.� Wat een rotverhaal, maar het kan me allemaal niets meer schelen. Ik leef en heb ons leven doorgegeven aan dat kleine jongentje dat in Marc zijn armen ligt. Eindelijk zijn we echt samen! einde Benieuwd naar de gekozen song? Scan de code met een smartphone om deze op YouTube te beluisteren.

pagina 64


Carmen van Coesant

Samen springen

“D

e voorjaarszon schijnt dapper en ik stap fluitend de auto uit. Mijn humeur is opmerkelijk vrolijk, voor deze verdrietige tijd. Samen met mijn vriendin Jenny run ik een fotostudio in de winkelstraat. We zijn al beste vriendinnen vanaf de basisschool. Vijf jaar geleden is ze op haar twintigste getrouwd met Sam, de zoon van de eigenaar van de kopieerzaak in ons stadje. We gingen allebei onze eigen kant op, Jenny nam de kopieerzaak over en ik zwierf, nadat ik mijn opleiding aan de fotovakschool afgerond had, door Nederland met mijn camera.

uiteraard hebben we dit samen met Jenny en Sam gevierd. Het huisje was in heel goede staat en had alleen een kleurtje op de muren nodig en een nieuwe keuken. Ik stond er zelf versteld van hoe snel ik mij hier ook weer thuis voelde en ik omarmde de burgerlijkheid. Samen boodschappen doen, de grote tuin bijhouden en in mijn keuken appeltaarten bakken met appels uit eigen tuin.

Ik heb overal gewoond en gewerkt. Ik had toch nooit kunnen denken dat ik verliefd zou worden op Sander. Hij komt nota bene uit hetzelfde kleine stadje dat ik zo resoluut ontvlucht ben. Toch wist ik direct dat Sander de man voor mij was, het gevoel klopte helemaal. Jenny vond het geweldig dat Sander en ik een relatie kregen. “Nu kom je hier wonen en beginnen we in de kopieerzaak een fotostudie. Ohh, wat heerlijk dat je verliefd op Sander bent geworden, ik had nooit gedacht dat je hier weer zou komen wonen.” Ik sputterde tegen dat ik dat laatste nog niet wist.

Alles ging goed tot twee maanden geleden. Ik sprak Jenny erop aan; “Jenny ik weet het zeker, Sander gedraagt zich zo vreemd. Ik weet niet wat er aan de hand is”, zuchtte ik ontmoedigend. Jenny reageerde nauwelijks, binnenkort verwachten zij en Sam hun eerste kindje en ze loopt constant met haar hoofd in de wolken. Ik ging maar weer aan het werk en schudde het van me af. Een aantal weken later werd Jenny opgenomen in het ziekenhuis. Voor de gezondheid van haar baby was het heel belangrijk dat ze absolute rust hield. Ik draaide de zaak alleen en was zoveel mogelijk bij haar. Ondertussen vond ik Sander nog steeds vreemd doen, maar ik had geen tijd om er te lang bij stil te staan.

Sander en ik liepen een jaar later hand en hand langs de Vecht en daar stond ineens mijn droomhuisje te koop. Een huis uit 1890 met rondom blauwe regen, volop in de bloei. Ik wist al dat het huisje een diepe achtertuin had met een appelboom en ik stond te springen van opwinding, dit kon niet waar zijn! Een paar weken later werd ons bod geaccepteerd,

Het kwartje viel toen we een avond met vrienden naar een reünieparty waren in onze oude discotheek. Ik had een rondje gelopen en toen ik terugkwam zag ik die vreselijke, knappe ex van Sander bij hem op schoot zitten en ze was hem aan het zoenen. Ik was zo boos, ik bedacht mij geen moment en pakte de eerste beste vent die voorbijliep en trok hem aan zijn blouse

pagina 65


biografie

Ca rm en va n Co es an t

ke ns , za kla nt aa rn , on de r de de n ee t me em iek st ik r ee nn He t is al ve r na be dt ijd wa g vo or on ze ba sis sc ho ol da ns di e elk e di , us ob bli ie va n de Bi De ze ee n bo ek lig te lez en . To nn jn a all es is al ge lez en ! Bi j. mi or vo en ek bo te ni eu ws be ur t, is no oit pa rk ee rt , re se rv ee rt de all es wa t om mi j he en ge ar na k oo en n ale rh ve ite it ni eu ws gie rig he id na ar tw er p ka n ik mi jn crea tiv On ist Tw j bi r ve ge rm vo ep als ve rd we ne n. In mi jn be ro ik ve el en ik prob ee r in de r fee ra og fot k Oo . eld be n wo ord en kw ijt in de co mb in at ie va . fot o ee n ve rh aa l te va ng en ge efs te r, mi j at te nd ee rd e To en M argr iet , mi jn we rk sc hr ijv en wa s ik di re ct op de cu rs us crea tie f ac ht er de de ur’ om te en th ou sia st: ‘ee n st ok of de ve rh ale n zic hz elf st ar te n. So ms lee k he t als ha dd en me er tij d no di g. sc hrev en , an de re ve rh ale n en be sp ra ke n we all es , In on ze ‘ lee sg ro ep’ de eld en va rin g. M et ve el ple zie r di t wa s ee n bi jzo nd ere er ge ve n. Ik be n be ni eu wd he b ik oo k di t bo ek vo rm ge op zo et et he e.n l ku n je na ar ju lli e co mm en ta ar en n. re ag eren op mi jn ve rh ale ww w. zo et et he e.n l ww w. fot oc ar me n. nl ww w. tw ist on tw er p.n l pagina 66


Carmen van Coesant

naar mij toe en zoende hem vol op de mond. De man zoende mij hartstochtelijk terug. Ik zag er ook goed uit die avond, dus waarschijnlijk vond hij het allang best. Vanaf dat moment is alles anders, alsof Sander en ik niet al vijf jaar ons leven samen delen. Nu sta ik dus met een opmerkelijk goed humeur voor de voordeur, maar vrolijk ben ik niet meer zodra ik de deur open. De hele gang van vijf meter lang staat vol met plastic bekertjes, gevuld met water, weer een vervelende grap van Sander. Ik kan er met geen mogelijkheid langs. De achterkant is alleen te bereiken via de garage en aangezien Sander daar nu zijn slaapkamer heeft, heb ik daar geen sleutel meer van. Sander en ik zijn er ook goed in geworden om elkaar te ontlopen, hij is kok en hij werkt wanneer ik vrij ben. Terwijl ik één voor één de bekertjes buiten leeggooi, maak ik in mijn hoofd een lijstje van alle dingen die ik nog moet doen. Ik heb de makelaar al een maand lang beloofd dat ik foto’s zal maken van ons huis. Zodra hij deze heeft, gaat hij onze woning te koop zetten. Ik weet zeker dat Sander hier net zo verdrietig over is. Ik wil hier niet weg, toch zou ik hier ook niet met iemand anders kunnen wonen. Elk hoekje heeft een verhaal en in elk verhaal komt Sander voor. De tranen stromen over mijn wangen wanneer ik aan het opruimen ben om het huis mooi te maken voor de foto’s. Heel veel gaat naar zolder. Wanneer ik ‘s avonds uitgeput in bed lig hoor ik ineens een geluid. We hebben geen kat, maar ik hoor er wel eentje. Ik zucht wanneer ik op zolder sta en een duidelijke miauw

hoor achter alle spullen. Ik pak alles weg wat ik vandaag naar boven heb gebracht, terwijl de kat klaaglijk blijft miauwen. Er is echter geen kat, er staat een ouderwetse cassetterecorder, aangesloten op een tijdschakelaar. Ik ben woest, maar begin dan te grinniken, Sander heeft altijd al humor gehad en bovendien had ik hem vorige week ook goed te pakken. De man van een vriendin had het lichtknopje van de lamp op zijn slaapkamer in de garage aangesloten op de radio. Sander kon kiezen, keiharde muziek of slapen met het licht aan. De volgende ochtend ga ik naar Jenny in het ziekenhuis. Van Sam heeft ze gehoord dat ik met Sander moet praten, het is allemaal een groot misverstand. Ik moet haar beloven dat ik dat doe. Wanneer ik thuiskom zit Sander te huilen op het bankje onder de appelboom. Zijn stem trilt, “Ik heb de makelaar gesproken, hij heeft al een geïnteresseerde voor ons huis.” Ik kijk hem aan en woel met mijn hand door zijn haar, wat voelt dat vertrouwd. “Waarom heb je alles kapot gemaakt door met je ex vreemd te gaan.” Sander reageert verontwaardigd: “Ze sprong bij mij op schoot. Jij zag wat je wilde zien en je zoende wel met iemand anders, terwijl ik haar al wegduwde.” Ik laat hem niet uitpraten: “Jij, jij gedroeg je de hele tijd al vreemd, Jenny beweert dat je geen verhouding had met haar, maar wat is er dan aan de hand?” “Lieverd”, antwoord hij, “snap het dan, ik zocht een manier om je ten huwelijk te vragen, die avond toen je niet wist waar ik was, wilde ik uit een parachute springen om mijn

pagina 67


Opdracht drie

hoogtevrees te overwinnen. Ik wilde met je een duosprong maken en je dan in de lucht ten huwelijk vragen, maar ik moest eerst weten of ik het durfde.” Ik begin te gillen: “Trouwen echt! Jij, ik, wij, samen, echt waar?” ‘Oh nee’ denk ik, ‘wat heb ik het verpest?’ Ik hou van hem en hij van mij. Het is mij nu zo duidelijk, zelfs onze pesterijen de laatste tijd waren grappig en niet gemeen of kwetsend. “Kan je mij vergeven Sander? Gaan we er samen uitkomen? Ik hou nog steeds van je.” Sanders ogen twinkelen: “Je bent mijn meisje en ik wil dolgraag dat het goed komt. Laten we een parachutesprong maken en samen springen.” Ik kijk hem diep in de ogen en onder de appelboom beginnen we te zoenen.” einde Benieuwd naar de gekozen song? Scan de code met een smartphone om deze op YouTube te beluisteren.

pagina 68


Margriet Dalmeijer

Obsessie

D

eclan blies de rook door zijn neusgaten naar buiten, waarna hij zijn half opgerookte sigaret uitdrukte in de overvolle asbak. Peinzend keek hij naar buiten. Hij had dit appartement uitgekozen vanwege het formidabele uitzicht, maar vandaag kon het hem niet boeien. Zo ging het al weken, om precies te zijn eenentwintig dagen, acht uur en zes minuten. Dat was de laatste keer dat hij haar had gezien. Mijn God, ze had hem tot in het diepst van zijn ziel geraakt en hem van het ene op het andere moment zijn waardigheid laten verliezen. Ze had hem gedumpt voor een ander, een vent met wie ze waarschijnlijk op dit moment in bed lag, nog nagenietend van de heftige liefdesnacht die achter hen lag. Misschien had ze in opperste verrukking wel haar nagels langs de muur geschraapt, zoals ze dat altijd bij hem deed. Misschien had ze zelfs wel de naam van die ander geschreeuwd terwijl hij bovenop haar lag. Hij haatte haar… en toch verlangde hij naar haar, wilde hij haar... zoals hij nog nooit een vrouw gewild had. In de afgelopen drie weken was ze voor hem een obsessie geworden. In elke donkerharige vrouw die op straat liep, meende hij haar te herkennen en een ziekelijk jaloers gevoel maakte zich van hem meester als hij dacht aan die andere vent die haar zoende en met haar de liefde bedreef. Er moest een manier zijn om haar terug te winnen. Ze was van hem, alleen van hem. En als hij haar niet kon krijgen, zou hij ervoor zorgen dat niemand anders haar kreeg. Maar hoe kon hij in ’s hemelsnaam met haar in contact komen? Hij

was bijna elke dag naar haar huis toe gegaan en was haar gevolgd als ze naar haar werk ging, maar dat had niet goed uitgepakt. Als hij nog één keer in haar buurt werd gesignaleerd, zou hij in de boeien geslagen worden en vrijwel zeker een straatverbod krijgen. Dat kon hij niet gebruiken, niet nu hij net een beetje succesvol aan het worden was als muzikant. Hij was de afgelopen weken met verscheidene vrouwelijke fans het bed in gedoken. Toch was hij nog wel kieskeurig; ze moesten donker en steil haar hebben, net als zij. Hij had ook verscheidene keren geprobeerd haar te bellen. Tweemaal had ze opgenomen, maar daarna kreeg hij geen gehoor meer. Gisteren had hij zijn mobieltje kapot gegooid toen bleek dat haar nummer buiten gebruik was. Die bitch had haar telefoonnummer veranderd! Dat was zeker een idee geweest van haar minnaar. Die walgelijke clown wilde haar zeker bij hem weghouden om haar voor zichzelf te hebben, maar dat zou hem niet lukken! Hij pakte een halflege fles whisky van het aanrecht en schonk een groot glas voor zichzelf in, dat hij in één teug leegdronk. Het kon hem niks schelen dat het nog niet eens half tien ‘s ochtends was. Zijn gedachten waren bij haar, hij dacht alleen aan haar, vierentwintig uur per dag! Hij dacht aan wat hij allemaal tegen haar zou zeggen als hij haar zou tegenkomen, maar hoewel hij normaal een begenadigd liedjesschrijver was, werden zijn gedachten vertroebeld door één steeds terugkerende zin: “Ik wil je. Ik wil je. IK WIL JE!” Woedend smeet hij het lege glas tegen de muur

pagina 69


Opdracht drie

kapot. Dit moest stoppen voordat hij eraan onderdoor ging, maar hij wist niet hoe! Het maakte hem doodsbang dat hij zo naar haar verlangde en dat hij zich geen leven zonder haar kon voorstellen. Wanhopig streek hij met zijn hand door zijn toch al verwarde haren. Zijn hemd was gekreukt en hij kon zich niet meer herinneren wanneer hij zich voor de laatste keer gewassen had. Bij gebrek aan een glas zette hij nu de whiskyfles aan zijn mond en bleef doordrinken tot er geen druppel meer over was. Achteloos gooide hij de fles over zijn schouder de woonkamer in. Terwijl de whisky zich branderig een weg door zijn slokdarm baande, genoot hij van het verdovende gevoel dat de alcohol teweeg bracht, al had hij steeds meer drank nodig om dat gevoel te bewerkstelligen. Sinds zij bij hem weg was gegaan, was hij nog nauwelijks nuchter geweest en zelfs in deze roes was de gedachte aan haar verraad bijna ondraaglijk.

al aan een nummer voor haar begonnen en was nu op zoek naar de papieren waarop hij zijn aantekeningen had gemaakt. De tranen sprongen hem in de ogen toen hij zijn aantekeningen had gevonden, want in de rechterbovenhoek van het bovenste vel stond iets in haar handschrift gekrabbeld: “I love you forever! Dolores.” Hij verfrommelde het papier en smeet het luid vloekend terug op het bureau. Met deze tekst kon hij niks! Hij was niet in de stemming voor het schrijven van een zoetsappig liefdeslied, zoals er al duizenden bestonden. Hij wilde een lied schrijven dat recht uit zijn hart kwam, dat zijn verdriet en zijn rauwe verlangen naar haar duidelijk maakte. En dus pakte hij zijn gitaar en ging hij aan de slag… einde Benieuwd naar de gekozen song? Scan de code met een smartphone

Twee maanden was ze van hem geweest, maar al na een week had hij geweten dat hij voor altijd zijn leven met haar wilde delen. Ze waren onafscheidelijk geweest en ze had enthousiast gereageerd toen hij had verteld dat hij een liedje voor haar wilde schrijven. Er ging een schok door hem heen. Natuurlijk, dat was het! Hij zou een lied voor haar schrijven. Het moest zijn beste nummer ooit worden, want als het een hit zou worden en het overal op de radio te horen was, kon ze niet meer om hem heen en zou ze zeker bij hem terugkomen. Gehaast begon hij de stapels papier te doorzoeken die hij op zijn bureau had liggen. Hij was pagina 70

om deze op YouTube te beluisteren.


Barbara Dijke

In de naam van de vader en de zoon

‘P

aaaaaaaaaaaaaap!!!!!’, Hans zag Mark zich door de rij hoge officieren heen worstelen die onderaan de vliegtuigtrap stonden om hem en zijn mannen te ontvangen. Mark vloog zijn vader in de armen. Hans voelde hoe de emoties hem overmanden, toen hij zijn zoon hoorde snikken in zijn oor. ‘Je mag nooit meer zo lang weggaan, pap’, klonk het bibberende stemmetje. Aan alle kanten klikten de camera’s van de fotografen. Bij deze levendige herinnering aan zijn zoon liet Hans zich op het bed zakken. Hij boog zijn hoofd in zijn handen en liet zijn tranen de vrije loop. Hoe moest hij vandaag doorkomen? En hoe zou het morgen zijn? En volgende week? Kon hij het aanzien hoe kapot Marjon was? Alle vragen vlogen door zijn hoofd, maar een antwoord kon hij niet vinden. Na wat een eeuwigheid leek, stond Hans op en liep naar de klerenkast. Hij trok zijn uniform uit de kast en legde het op het bed. Al jaren lang trok hij dagelijks zijn uniform aan, maar vandaag wilde hij het niet. Zijn zoon was omgekomen, terwijl hij dat uniform droeg: omdat hij dat uniform droeg. Maar juist vandaag moest hij het aantrekken, want hij moest Mark ophalen van het vliegveld. Marjon had gisteravond gezegd dat ze niet mee wilde naar het vliegveld: ze wilde niet voor het oog van de camera’s instorten. Hij snapte heel goed waarom ze niet mee wilde. Hij wilde ook niet, maar hij moest. Hans haalde diep adem en begon zich langzaam aan te kleden.

In de keuken zat Marjon met rode ogen in haar kop koffie te staren. Ze schrok op, toen Hans zijn hand op haar schouder legde. ‘Lieverd, ik ga naar het vliegveld. Mark ophalen’, Hans aaide met zijn hand over haar wang. De tranen stroomden over haar wangen. ‘Ik wil zo graag mee, maar ik wil niet dat iedereen meekijkt met ons verdriet’, haar stem brak. Hans ging op zijn knieën naast haar zitten en streek met zijn duim de tranen van haar wangen. ‘Liefje, het is goed zo’, hij keek haar aan en kuste daarna zacht haar lippen, ‘ik neem hem mee naar huis.’ Vanuit de auto keek Hans naar de ineengebogen gestalte van zijn vrouw die hem nakeek van achter het raam van de kamer. Hij zuchtte diep en gaf de chauffeur orders om de richting van het vliegveld op te gaan. Op de vliegbasis in Leeuwarden stonden de jongens van de compagnie van Mark in formatie aan de rand van de landingsbaan. ‘God, wat zien ze er jong uit’, dacht Hans, toen de auto de landingsbaan opreed. Zodra hij uitstapte, ging de compagnie in de houding staan. De eerste luitenant was zo bleek als was. Hij had geprobeerd Mark uit de brandende auto te redden, nadat hij op een bermbom was gereden. Hans liep direct op hem af en schudde zijn hand. ‘Dank je wel voor wat je voor Mark gedaan hebt’, Hans zag hoe de tranen in de ogen van de man kwamen. ‘Had ik maar meer kunnen doen, kolonel’, Eric schudde de hand van Hans stevig. ‘Je hebt gedaan wat je kon. Dat heb je altijd gedaan’, Hans wist wat voor een goede vrienden de twee waren geweest.

pagina 71


Opdracht drie

In de wachtruimte stonden veel officieren en hoogwaardigheidsbekleders, maar Hans voelde zich er alleen. Hij ging voor het raam staan en dacht terug aan de dag dat Mark en zijn compagnie vertrokken waren naar Afghanistan. ‘Weet je nog pap, toen je terugkwam uit Bosnië?’, had Mark gezegd, ‘je mocht van mij nooit meer weg. En nu ga ik weg.’ Ze hadden elkaar omarmd en als laatste groet elkaar gesalueerd. Met een knipoog was Mark het vliegtuig ingestapt: zijn vader en moeder achterlatend. De laatste herinnering die hij aan zijn zoon had, was een grijnzend gezicht achter het vliegtuigraam. En nu kwam Mark naar huis met hetzelfde vliegtuig als waarmee hij naar Afghanistan was gegaan.

terugbrengen’, Eric overhandigde hem de baret van Mark als symbool voor de overdracht en salueerde. Hans salueerde ook en nam de baret aan. Hij rook de aftershave van Mark nog vaagjes. Hij hield zijn adem in en zette zijn tanden op elkaar. Langzaam gingen de dragers richting de auto die Mark verder zou vervoeren. Nadat de kist erin gezet was, liep Hans er naar toe. Hij legde zijn hand op het hoofdeinde en zei zacht: ‘Je bent thuis, jongen.’ Aan alle kanten klikten de camera’s van de fotografen. einde Benieuwd naar de gekozen song?

‘Kolonel?’, een kapitein stond achter hem, ‘het vliegtuig is geland. Men vraagt of u mee gaat.’ Hans draaide zich om: ‘Dank je, jongen.’ Hij zette zijn baret op en haalde diep adem. Daarna liep hij achter de kapitein aan naar buiten. Hans zag de zon ondergaan in de verte en de stralen vielen over de Globemaster die op de landingsbaan stond. Een erehaag werd gevormd door de compagnie waar Mark in had gevochten vanaf de laadklep tot waar Hans stond. Langzaam liepen de zes dragers van de kist zijn richting op. Op de kist de Nederlandse vlag en Marks baret. Voor de kist en zijn dragers liepen een tamboer en de eerste luitenant, Eric. Hans voelde zijn adem stokken, toen de stoet bijna bij hem was. ‘Kolonel. We komen u het lichaam van uw zoon pagina 72

Scan de code met een smartphone om deze op YouTube te beluisteren.


Andrea de Palm

De liefde van dit jaar “Ik ben er klaar mee”, denkt ze na de zoveelste huilbui, “voor mij geen mannen meer!”

“I

k heb niet eens een vent nodig”, roept ze, terwijl ze haar neus snuit en de papieren zakdoekjes, die zich om haar heen hebben verzameld, bij elkaar schuift tot een indrukwekkende berg. Niet zo lang geleden kwam Angela erachter dat die geheimzinnige, wat exentrieke buitenlander, die een tijdje bij haar in huis had doorgebracht, nooit van plan was geweest zijn spullen te halen, zoals hij had beloofd, om vervolgens bij haar terug te keren. Ze had het zo’n romantisch idee gevonden. Hij had half Europa doorkruist om haar alleen al te ontmoeten, was een week gebleven en zou bij haar intrekken. Hij was halverwege zijn terugreis gestrand met zijn oude auto en had opgebeld met de mededeling dat hij geld nodig had om de auto te laten repareren, zodat hij verder kon. Als de enorme sufferd die ze duidelijk was, had Angela hem geld overgemaakt, waarop ze verder niets meer van hem vernam. Weer was ze erin gestonken. Terugkijkend op haar bizarre liefdesleven, leek Angela een voorliefde te hebben voor klaplopers en oplichters. De bonte verzameling mannen in haar leven hadden haar tot nu toe alleen maar geld gekost – en hartzeer. Natuurlijk had ze ze niet bewust uitgezocht – ze waren op de één of andere manier op haar pad gekomen en om onverklaarbare redenen was ze ervoor gevallen. Of het nu kwam door een gebrek aan zelfvertrouwen, dat ze met zo weinig genoegen nam, ze wist het niet. Ze wist wel, dat het zo niet langer door kon gaan.

“Maar nu is het uit”, zegt ze vastberaden tegen zichzelf, “ik heb leuk werk, fijne vriendinnen, zát interesses en hobbies… ik heb niet eens tijd voor een vent”, spreekt ze zichzelf bemoedigend toe. “Een vriend, die kan ik gebruiken. Maar een relatie hoef ik niet meer.” Vastbesloten pakt ze de telefoon en belt één van haar beste vriendinnen, Sue. Ze woont praktisch om de hoek, reageert opgelucht en enthousiast op haar nieuwe voornemen en komt meteen langs, gewapend met CD’s, DVD’s, kleine onzinkadootjes om blij van te worden en lekkers. Wat kun je je nog meer wensen met zo’n fijne vriendin? Het wordt – als vanouds – een gezellige middag en avond en de leuke plannetjes en ideeën vliegen over en weer door de kamer. Op een gegeven moment wordt hun gesprek wat serieuzer. “Maar wat wil je dan,” vraagt Sue, “je kunt toch niet helemaal zonder man? Ik zou ’t niet kunnen hoor.” “Ik zie niet in waarom niet”, is het antwoord, “ik heb er toch alleen maar last van. Ik geef me voor meer dan 100%, om alleen maar te worden gebruikt. Misschien moet ik het wel gewoon accepteren: sommige mensen zijn niet geschikt voor een relatie. Vrienden, daar heb ik veel meer aan. Een leuke man, waar ik niks mee hoef en gewoon gezellig mee kan uit gaan, een film zien of uit eten of zo.” Meteen duikt Sue in haar overdreven grote tas en na enig graven vist ze haar organizer eruit, die ze vervolgens met een triomfantelijk gebaar omhoog houdt. “Een leuke vriend? Die heb ik vast nog wel voor je.”

pagina 73


Opdracht drie

Angela valt stil. Ze had niet gerekend op de doortastendheid van haar vriendin en krabbelt een beetje terug. “Joh, dat hoeft toch niet meteen”, probeert ze nog, maar Sue is al druk aan het bladeren terwijl ze al mompelend opmerkingen maakt bij elke naam die ze tegenkomt. “Nee, da’s niks voor jou… Die kan wel aardig zijn maar… nee, die is te moeilijk.”

“Hallo, ik ben David”, zegt de wat zakelijk klinkende mannenstem aan de telefoon. “Ik ben een vriend van Sue. Heb je zin om een keertje af te spreken?” Hoewel Angela zich compleet overdonderd voelt, reageert ze nonchalant en nodigt David uit om diezelfde avond nog te komen eten. Zo kan ze zich tenminste niet bedenken.

Met een zucht vult Angela hun wijnglazen nog maar eens aan. Waar is ze aan begonnen? Ze had haar grote mond moeten houden. Natuurlijk komt Sue meteen in actie, dat had ze kunnen weten. “Dit is een leuke!” riep Sue, haar kleine zwarte boekje omhoog houdend, “ja, deze past wel bij jou. Maar… hij is wel wat arrogant. Moet je tegen kunnen.” Angela haalt haar schouders op. Arrogantie was haar zelf ook zo vaak – onterecht – verweten. Misschien valt het wel mee.

Als ze die avond de deur voor David opent, is ze aangenaam verrast. Een ouderwets normale man, niet te geloven! Innerlijk moet ze een beetje lachen. David draagt een korte broek met sandalen. Aan beide heeft Angela een hekel, maar op de één of andere manier misstaat het David niet, met zijn jongensachtige uiterlijk. Angela voelt zich nerveus worden. Misschien is David toch een beetje te leuk voor alleen vriendschap. Hij blijkt charmant en ouderwets galant. Angela is zo nerveus dat ze het gerecht, die ze al zo vaak heeft bereid, op alle fronten verknalt, maar David laat niets blijken en slaat zich dapper door de verpeste maaltijd heen. Het klikt meteen.

“Hij komt binnenkort bij me langs. Dan geef ik hem jouw nummer wel, goed?” Angela twijfelt. Wil ze dit wel? “Maar alleen vriendschap hoor”, dringt ze nog eens aan. “Gewoon leuke dingen doen. Meer niet.” “Natuurlijk!” antwoordt Sue, “wacht nou maar af.” Een paar weken later, op een middag, wordt Angela gebeld door een man die ze niet kent. Maar zijn naam doet haar meteen terugdenken aan die gezellige avond met Sue.

Als hij haar aan het eind van de avond optilt en naar het bed draagt is ze verrast en enigszins verontrust. Maar de vonk is overgeslagen en hij is te leuk om naar huis te sturen. Angela laat zich leiden door haar gevoel. De volgende dag lunchen ze samen en merken ze dat het steeds beter klikt, op alle fronten. Ze blijken veel gemeen te hebben. Het lijkt bijna te mooi om waar te zijn. Ook hij is teleurgesteld na zo veel nare

pagina 74


Andrea de Palm

ervaringen en ze delen hun maatschappelijke opvattingen en dierenliefde. “Zou dit dan toch…”, vraagt Angela zich af. Ze durft er nauwelijks op te hopen. Ergens is ze nog niet overtuigd. Maar het voelt goed – steeds beter – en ze waagt het erop haar hart weer te openen. Al is hij er niet die avond, ze voelt zich niet langer alleen en weet dat ze erop kan vertrouwen dat hij terug komt. David is de vriend die ze voor ogen had, maar dan met een beetje meer. Zou dit hem dan eindelijk zijn, de liefde van haar leven, haar jaren geleden door een helderziende voorspeld? Ze heeft er lang genoeg op gewacht. De liefde van dit jaar moest maar beter duren. Het is de hoogste tijd. einde Benieuwd naar de gekozen song? Scan de code met een smartphone om deze op YouTube te beluisteren.

pagina 75


Opdracht drie

Land Unter

I

n gedachten verzonken en met een glimlach op het gezicht stuurt hij de auto terug naar huis na een heerlijke vakantie ter ere van hun 30-jarig huwelijk. Ze hebben er jaren voor gespaard om de wereldreis te kunnen maken en ze zijn het er beiden over eens dat dit de laatste continentale reis moest zijn. Ze hebben per slot ook het jacht nog, waar ze nu, pensioengerechtigd, van gaan genieten. “Oh Johan, wat zijn dit heerlijke weken geweest”, merkt zijn vrouw op, “je bent na al die jaren nog steeds de beste vakantiepartner die een vrouw zich maar kan wensen.”

Hoe het ook is gegaan, wanneer Johan zijn ogen opent ligt hij alleen in een ziekenhuiskamer. In een verwarde poging zijn vrouw te vinden roept hij haar naam uit: “Trein!”Het klinkt als de schreeuw van een waanzinnige. Nogmaals doet hij een verwoede poging: “Treiein!” en dan barst hij in huilen uit. Terwijl hij daar ligt te huilen, schieten de gebeurtenissen door zijn gedachten en hij vreest het ergste. “Men heeft toch wel het fatsoen om de overlevenden uit een wrak bij elkaar op de kamer te leggen”, denkt hij.

Terwijl ze het zegt, verschiet ze wat van kleur om vervolgens gelukzalig in de autostoel achteruit te ploffen. Johan kijkt wat opzij om een glimlach als antwoord te bieden. Deze reactie komt hem heel duur te staan, want met dat hij zijn ogen van de weg haalt, maakt een tegemoetkomende vrachtwagenchauffeur een inhaalmanoeuvre om een caravan te passeren en hij komt daardoor op de weghelft van Johan en zijn vrouw terecht. De chauffeur probeert de fout te herstellen, waardoor de vrachtwagen in de slip komt en voor Johan is er geen ontwijken meer aan. Ze schieten onder de lengte van de vrachtwagen en het hele zaakje komt met een hels kabaal tot stilstand. Waarschijnlijk is de vrachtwagenchauffeur de hulpdiensten gaan bellen of de mensen van de caravan zijn dat gaan doen.

Zijn gedachten worden verstoord door de openzwaaiende deur, waar nu een verpleegkundige, met een zorgelijke blik op het gelaat, haastig doorheen komt. De verzorger stelt zich kort voor als Paul en vraagt vervolgens hoe Johan zich voelt. “Waar is mijn vrouw, waar is Trein?!” Paul blijft stil. Hij wil Johan niet verder overstuur maken, want voor zover Paul weet, is Johan de enige overlevende uit de personenauto. Hij kiest er dus voor om te antwoorden met: “Dat weet ik niet precies meneer, maar ik ga het direct uitzoeken.” Johan staart de man ongelovig aan en zegt: “Heel graag”, terwijl hij zijn maag voelt krimpen van de spanning. Daar ligt hij dan, alleen met zijn gedachten. Bezoek hoeft hij niet te verwachten - er is nog nauwelijks omgang met de

pagina 76


Dennis Pronk

familie en omdat Trein en hij elkaar later hebben leren kennen, zijn er geen kinderen. “Oh Trein, ik wil niet zonder jou!” en weer barst Johan in huilen uit. Hij denkt terug aan hoe ze elkaar ontmoetten. Hij trad toen op in een van “dé” muziektenten van het land en terwijl hij zijn oeuvre ten gehore bracht, had ze daar gestaan tussen het publiek en voor Johan sprong ze eruit! Vooral het enthousiasme waarmee ze danste op zijn muziek, bracht hem destijds ertoe om haar na de voorstelling te leren kennen. De aansluiting was eenvoudig geweest. “Wil je met me dansen?” had hij haar gevraagd en toen ze “Ja” zei, leek het Johan erop dat ze hem niet herkende als de laatste artiest die ze had zien optreden. Ze bleek hem gewoon een leuke man te vinden. Johan kon zijn geluk niet op, het was in zijn bestaan nog niet voorgekomen dat hij zó soepel aansluiting vond. En zo was het al die tijd gebleven: soepel, fijn, eerlijk en vooral... De deur zwaait weer open en daar is Paul weer. Dit keer kan Johan direct zien dat hij met slecht nieuws gaat komen. Toch vraagt hij hoopvol: “Is alles goed met mijn vrouw Trein?” Weemoedig schudt Paul zijn hoofd en vertelt Johan dat zijn vrouw Trein op slag dood is geraakt bij het verkeersongeval. Johan slaat de handen in het gezicht en raakt buiten bewustzijn. Paul, op zijn beurt, begint direct met de maatregelen om Johan weer bij zijn positieven te krijgen. Paul

slaagt er natuurlijk in om Johan weer terug te halen, maar liever was Johan weg gebleven. Het wordt hem direct bij bijkomen duidelijk dat zijn leven onherroepelijk verstoord en bedorven is. Hij, die het al die dertig jaar heerlijk had gevonden te leven met Trein, moet er nu aan geloven om alleen verder te gaan en dat wil hij niet aanvaarden. De eerste maanden na het ontslag uit het ziekenhuis zijn inderdaad zoals hij had voorzien. Kleurloos, eenzaam en zonder zin. Ook de muziek die hij voorheen schreef als gevolg van wat er in zijn leven voorviel, gaf niet thuis. Inmiddels is het winter aan het worden. Het zijn de slechtste maanden van zijn leven, maar zijn muziek biedt toch nog een nummer als troost. Terwijl hij het afmaakt met de titel “Land Unter” hoort hij de nieuwslezer op de radio een noodoproep doen over een zeer zware Noordooster storm. Het is alsof Moeder Natuur met hem meeleeft. Hij denkt nog eens terug aan de laatste lege maanden en hoe zinloos alles verder voor hem is geworden zonder Trein. Johan pakt een envelop, stopt er de tekst in van “Land Unter” en voorziet het van een begeleidend briefje aan zijn collega muziek- en tekstschrijver Herbert. Hij gaat vervolgens naar het schip dat Trein en hij samen voorbestemd hadden voor de oudedagvakanties. Hij vaart regelrecht naar de Oostzee, op zo’n 15 minuten varen van de ligplaats.

pagina 77


Opdracht drie

De Oostzee is inmiddels verworden tot een kolkende massa. De wind giert en het water bruist vervaarlijk over de boeg. Johan is niet bang, niet onder de indruk. Hij raadpleegt het kompas, waarna hij hun schip op de automatische piloot naar het oog van de storm koerst. Hij gaat de beschermende kajuit uit en loopt over de gangboorden naar de boeg. Daar aangekomen slaat het buiswater hem genadeloos in het gezicht. Het deert hem niets, hij wil naar Trein en vraagt haar luidkeels hem te begeleiden naar waar ze ook mag zijn. einde Benieuwd naar de gekozen song? Scan de code met een smartphone om deze op YouTube te beluisteren.

pagina 78


Irene Schrijver

The day before you came

I

k kan me niet meer herinneren wat voor dag het was. Of het mooi en zonnig of ongezellig en grauw was. Wat ik wel weet is dat ik op het laatste moment mijn bed moet zijn uitgerold. Dat is namelijk iedere ochtend hetzelfde liedje. Het gevolg daarvan is dat ik een heel korte douche neem en me aankleed met een boterham tussen mijn tanden. Een kopje thee drink ik staande aan het aanrecht terwijl ik ondertussen probeer mijn mascara netjes aan te brengen. Wat natuurlijk niet lukt. Iedere ochtend neem ik me voor om eerder op te staan. Geloof het of niet, maar ik ben een ochtendmens. Het enige probleem is dat mijn bed altijd zo lekker warm is als de wekker gaat. En ik lig net zo lekker. Voorzichtig steek ik dan één teen buiten het bed om dan te concluderen wat ik al wist; dat het echt veel te koud en veel te vroeg is. Zodra ik naast mijn bed sta is er niks meer aan de hand en dan verwijt ik mezelf dat ik niet eerder ben opgestaan. Eigenlijk een vermoeiend begin van de dag als ik het mezelf zo hoor vertellen. Ik verlaat de woning met het nodige lawaai. Mijn fiets staat in het vrij kleine halletje dat mijn huis rijk is en het is iedere morgen weer een puzzel om hem buiten te krijgen. Ik fiets in ongeveer tien minuten naar het station van waar ik vervolgens de trein naar mijn werk pak. Als je er bij nadenkt, is het vreselijk saai om iedere dag op dezelfde tijd hetzelfde stuk te fietsen. Ik zou het inderdaad bijna met mijn ogen dicht kunnen doen, maar toch fascineert het me. De stad waarin ik woon is niet zo groot en toch kom ik op dat relatief kleine

stukje steeds andere gezichten tegen. Het is misschien een gek trekje, maar het maakt mijn fietstocht wel leuker. Mijn trein vertrekt om half acht. Meestal een minuutje later. Waarschijnlijk heeft hij dat toen ook gedaan. Onderweg heb ik de krant gelezen. Dat doe ik altijd. Als ik op het station kom krijg ik er altijd eentje aangeboden door een wat oudere en voortdurend glimlachende man. Elke dag staat hij op een vast plekje de gratis krant uit te delen. Als je in de winter in het donker aankomt, nog niet wakker en met het gevoel dat je de enige bent die al op straat is, staat hij daar met zijn krantje. ‘Maak er een vrolijke dag van!’ roept hij me altijd na. Zou hij zich realiseren dat mijn dag door hem toch vaak vrolijk begint? Ik hoef niet lang in de trein te zitten. Hoogstens twintig minuten. Dat geeft me ruim de gelegenheid de krant even goed te lezen. Ik moet namelijk eerlijk bekennen dat het ongeveer mijn enige stukje actualiteit van de dag is. En dan te bedenken dat ik leerkracht ben. Iets meer belangstelling voor wat er in de wereld gebeurt, zou niet verkeerd zijn. De school waar ik werk staat praktisch aan het spoor, dus als ik het station uit loop ben ik er al bijna. Ik ben benieuwd of ik toen net zo van die korte wandeling heb genoten als nu. Het weer is zacht en de wereld komt langzaam op gang terwijl de vogels een fantastisch concert geven. Als vanzelf ga ik glimlachen en op dat moment kan ik voor mijn gevoel de hele wereld aan.

pagina 79


biografie

Iren e Sc hr ijv er

d. Zo we l in Ha llu m , ee n lan ies Fr in n ge to ge , em te Ar nh W oo nd e na Ire ne Sc hr ijv er : ge bo re n ee ke er in Le eu wa rd en . tw als , nd ela Am ar na kle in do rp op de ro ut e aa n de n Ri jn . Is me t tw ee en ph Al in g no k oo , en rd Le eu wa Pe da go gie k Ar nh em en de ee rs te ke er dr ie kin de re n. St ud ee rd e n va te ds ou de rs oe br grot ere, ma ar jon ge re ge sc ho ol Le eu wa rd en . Ho ke lij de or No de n aa ag ge tro uw d me t Ar jan . Is op ee n zo nn ige feb ru ar id jaa r sa me n me t he m lf ha ën ee tw ds sin nt oo W kla ar hu is in Zw oll e. in ee n bu rg er lij k ka nt-e njk ui t ee n “S ch rij ve rsKo mt let te rli jk en fig uu rli hr ijv en is zo go ed als fa mi lie”. De lie fd e vo or sc ijv en en sc hr ijv en de ge ne tis ch be pa ald . Sc hr mi eli tre kje s. be ro ep en zi jn na me lij k fa

pagina 80


Irene Schrijver

De dag op mijn werk begint altijd met het drinken van een kopje koffie met mijn collega’s. Een fijne gewoonte vind ik dat. Al heb ik het nog zo druk, ik begin met die gezamenlijke kop koffie. Als we dat niet zouden doen, dan zou ik waarschijnlijk meteen door naar mijn lokaal lopen om daar de boel klaar te maken. Ik ken mezelf. Ik vind altijd wel iets om te doen. Vanaf acht uur druppelen de kinderen binnen en ik ben druk in de weer. Ik vermaak me altijd tijdens dat eerste half uur. Het ene kind komt bruisend van de energie binnen, terwijl het andere kind de slaap nog uit zijn ogen moet wrijven. Ik heb een fantastisch klasje. Maar dat zeg ik ieder jaar, dus ik zal dat toen ook wel gevonden hebben. Voor mijn gevoel vliegen de dagen altijd voorbij. De kinderen houden me bezig en ik verveel me geen moment.

Zo moet de dag voordat ik jou ontmoet heb eruit gezien hebben. Een dag als alle anderen. Ik was tevreden met hoe mijn leven eruit zag. Toen ontmoette ik jou. Eigenlijk is er niet zo veel veranderd. Ik kan nog steeds moeilijk mijn bed uitkomen. Dicht tegen jou aan onder de dekens liggen is veel fijner dan de koude wereld buiten. Ook dommel ik nog steeds weg als ik in de trein terug naar huis zit en ook kom ik nog iedere dag nieuwe mensen tegen. Toch zijn er dingen anders. Vrolijk is mijn dag al voordat ik ‘s morgens op het station kom en die oude krantenmeneer mij dat toewenst. En koken vind ik ineens erg leuk. Jij bent er. Dat is er veranderd sinds de dag dat ik jou ontmoette. einde Benieuwd naar de gekozen song? Scan de code met een smartphone

De treinreis terug noem ik het dagelijkse instortmomentje. En dat geldt zeker niet alleen voor mij. De hoofden in de coupé knikkebollen massaal op het ritme van de trein. Erg vermakelijk. Rond een uurtje of zes kom ik thuis. Ik heb er een hekel aan om voor mezelf te koken, dus maak ik geregeld iets makkelijks klaar. Het kan ook best zijn dat ik even langs de Chinees ben gegaan. Met mijn bord op schoot en met mijn, in dikke sokken gehulde, voeten omhoog hang ik lekker op de bank. Ik ben verslaafd aan televisieseries en heb er dan ook enorm veel van in huis. Ongetwijfeld zal ik verdiept zijn geweest in één of ander verhaal. Jammer dat ik me niet meer kan herinneren wat ik toen volgde. pagina 81

om deze op YouTube te beluisteren.


Opdracht drie

Een tweede kans

V

era heeft kaartjes voor een 80’s revival party! We gaan er met een groep vriendinnen van vroeger naar toe, om herinneringen op te halen en gewoon een avondje gezelligheid, zonder zorgen.

Ik blader nog eens door een oud fotoalbum waar we net samen in hebben gezocht naar inspiratie voor kledingoutfits. Wat zagen we er toen uit! Verschrikkelijke bonte kleding, kortgeknipt haar wat aan alle kanten opsprong. Mijn lichaam, toen nog slank in die strakke spijkerbroek. Maar wat me nog het meest opvalt, is die brede glimlach. Wat waren we toen gelukkig. De foto is gemaakt op de dag dat ik Marc leerde kennen, mijn ex, ook de dag dat ik hem zag staan. Via marktplaats kom ik gelukkig aan een leuk korsetjurkje, het heeft een zwart topje maar het rokje is knal geel. Het jurkje wordt helaas pas een dag van tevoren bezorgd en gelukkig past het me, maar dan ook net. Veel lucht krijg ik niet, maar het is maar voor één avondje. Om er niet al te bloot uit te zien, heb ik er ook nog een licht doorschijnend truitje over getrokken. Die heb ik ergens achter in mijn kledingkast weten te vinden, zwarte netkousen die Vera voor me heeft gekocht en mijn eigen pumps. ‘Wat zie je er tof uit mam’ zegt Lisa, mijn dochtertje en mijn evenbeeld van vroeger. Ik hoop dat zij meer van haar toekomst zal maken dan ik.

Vera is gekleed in een erg strakke zwarte legging met roze beenwarmers en een roze-wit gestreepte T-shirt dat één schouder bloot laat. De anderen meiden zien er even kleurrijk uit. Een aantal van hen heb ik al een tijdje niet gezien en we staan achter in de zaal wat bij te kletsen, totdat een bandje begint te spelen en we elkaar niet meer kunnen verstaan. Al die oude nummers maken meer herinneringen in me los van die avond zoveel jaar geleden. We waren nog zo jong niets kon ons schelen. Ik danste tot ik er bij neerviel en ik had de aandacht van alle jongens in de zaal, ik hield van die aandacht. Ik danste met iedereen, maar het meeste met Marc. Hij was nogal opdringerig en een beetje een macho. Ik vond hem niet zo leuk, maar ik liet het eigenlijk ook niet merken. Aan het einde van die avond, toen ik met mijn vriendinnen richting de uitgang liep zag ik hem staan. Een verlegen jongen, nonchalant gekleed in een vale spijkerbroek en een wijde trui, handen in zijn zakken. Hij staarde naar me, maar toen ik terugkeek wendde hij zijn blik af en keek naar een ander meisje. Waarom bleef hij niet kijken? Waarom was hij niet met mij gaan dansen? Zijn beeltenis bleef me achtervolgen in mijn dromen. Zijn halflange gekrulde haar, langer dan het mijne in die tijd, zijn donkere smekende ogen. Hoewel ik die ogen niet langer dan een seconde heb kunnen zien, bleven ze me haarscherp bij.

pagina 82


Miranda Weernink

Marc achtervolgde me wanneer ik wakker was. Hij bleef zich aan mij opdringen, wat ik in het begin wel grappig vond. Maar het drong niet tot hem door dat ik niet geïnteresseerd was. Hij maakte het nog erger door andere jongens van mij weg te houden. In een eenzame nacht waarin ik net iets teveel had gedronken, ging ik op zijn avances in. Toen hij me zwanger maakte, was hij ineens niet meer geïnteresseerd. Mijn ouders zijn toen nog achter hem aan gegaan, het heeft er alleen in geresulteerd dat hij nu een kleine alimentatie moet betalen. Ik hou echt van Lisa, begrijp me niet verkeerd, maar ze heeft mijn leven behoorlijk op de kop gegooid.

hem gericht. Dan kijkt hij in mijn richting, zijn uitdrukking verandert niet, maar hij geeft me wel een knipoog. Zou hij me echt hebben herkend, na al die jaren? Maar dan zie ik de vrouw naast me, giechelend alsof ze een kind van zestien is. Ach nee, dat is vast zo’n trucje om het publiek voor je te winnen.

Ik dacht dat ik het wel kon, in mijn eentje een kind opvoeden, maar zonder diploma of flexibiliteit kom je niet erg ver in de harde zakenwereld. Gelukkig heb ik mijn ouders en een klein groepje vriendinnen die me steunen. Dezelfde vriendinnen die hier nu gezellig met me staan te feesten. Ik wou dat ik iets terug kon doen, maar een rondje geven kost me al een rib uit mijn lijf. Toch kan ik het niet laten en ik baan me een weg door de zaal naar de bar, links naast het podium.

Een duw en ik krijg nog nauwelijks lucht. Dan wordt er aan mijn arm getrokken en ineens sta ik buiten het gedrang, aan de zijkant van de bar. Ik zucht een paar keer om op adem te komen en dan kijk ik pas mijn redder aan.

Ik blijf even bij het podium hangen en mijn blik valt op de zanger. Mijn mond zakt open. Oké, hij is een beetje veranderd, maar die donkere ogen en zelfs zijn haar zijn nog precies hetzelfde als toen. Het moet hem wel zijn, die verlegen jongen in de hoek, waarvan ik nooit de naam ben te weten gekomen. Ongemerkt loop ik dichter naar het podium, mijn blik nog steeds alleen op

Als ik verder loop naar de bar, stopt de band net met spelen. Bij de bar is het druk en benauwend. Ik moet mijn ellebogen gebruiken om naar voren te komen en vooraan word ik bijna platgedrukt tegen de bar. Was dat vroeger ook zo? Vast wel, maar toen werd er altijd voor mij gehaald.

Het is hem! Ik krijg het weer benauwd, maar nu door hem. Hij glimlacht naar me, een stralende, oprechte glimlach. En deze keer kan het niet voor iemand anders bestemd zijn. ‘Ik dacht dat je misschien hulp nodig had.’ ‘Dank je.’ Hij wenkt naar een van de jongens achter de bar en maakt een gebaar met zijn handen en hij wijst naar mij. Ik krijg een glas water van hem en ik knap er een beetje van op. Zenuwachtig spelen mijn handen met het halflege glas. Ik durf hem nauwelijks aan te kijken en heb geen idee hoe een gesprek te beginnen.

pagina 83


Opdracht drie

‘Ik ken jou, denk ik, weet ik bijna zeker, van vroeger nog.’ Stamel ik uiteindelijk en meteen krijg ik spijt van wat ik heb gezegd. Hij zal mij vast niet meer herinneren, toch? ‘Dus toch wel?’ hij lacht me nogmaals toe. ‘Ik dacht niet dat je mij zou herkennen, je had toen al zo weinig oog voor me.’ Ik sta stomverbaasd naar hem terug te staren, is dat wat hij zag? Een verwaand meisje dat geen interesse had? Ik voel dat ik rood word en er komt geen zinnig antwoord uit mijn mond. Heb ik dan nu nog steeds niet genoeg ervaring met mannen om over dat gevoel heen te zijn? Of misschien heb ik nog nooit eerder gewild dat een man mij leuk zou vinden. Echt leuk, niet alleen sexy. ‘Maar ik geef toe, in die tijd was ik zelf nogal een verlegen knaap, nu nog eigenlijk.’ En hij lacht me weer toe, dezelfde mooie glimlach, maar nu merk ik dat het een glimlach uit onzekerheid is.

‘Ha! Ik kan het zien aan je gezicht, je straalt helemaal!’ Vera slaat een arm om me heen en ze fluistert me daarna vertrouwelijk toe: ‘En je bent onze drankjes vergeten.’

De band begint de intro van het volgende nummer te spelen. ‘Ik moet nu echt gaan, maar ik wil je graag nog een keer zien, wacht je even na de show?’ Ik knik hem toe en hij loopt terug naar het podium. In gedachten verzonken en genietend van de muziek en zijn mooie stem loop ik terug naar mijn vriendinnen. ‘Hé, waar bleef je zo lang?’ ‘Sorry, ik kwam een oude bekende tegen.’ ‘Oh? Een wel heel aantrekkelijke man zeker.’ Verbaasd kijk ik terug, hoe weet ze dat? Heeft ze ons samen gezien? pagina 84

einde Benieuwd naar de gekozen song? Scan de code met een smartphone om deze op YouTube te beluisteren.


Marielle van Sleen

opdracht 4 Get the picture Tijdens deze workshop gaan we bijzondere foto’s bekijken. Wat gebeurt er op die foto? In wat voor situatie is de foto gemaakt? Kun je er een hoofdpersoon aan koppelen? Wat is zijn of haar drijfveer? Waarom doet hij of zij dat? Wie ondervindt er voordeel of nadeel van? Schrijf zoveel mogelijk vragen op die beginnen met een vraagwoord (wie, wat, waar, waarom, waardoor, waarheen etc.) en probeer er antwoorden bij te verzinnen. Die antwoorden mogen serieus zijn, maar ook zo belachelijk als maar mogelijk is. Daarna ga je jouw verhaal vertellen.

pagina 85


Opdracht vier

pagina 86


Mira Benes

De Chinese muur “It sure is a great wall” zei Richard Nixon bij zijn eerste bezoek aan Beijing in 1972, toen iedereen nog gewoon Peking zei. Niet alles wat de beste man zei of deed was even briljant, maar dit was een rake uitspraak. De Chinese muur is één van de redenen waarom Ilse Beijing wil bezoeken.

S

amen met Rodrigo, een reiziger die ze steeds tegenkomt tijdens haar wereldreis, maakt ze plannen om deze highlight bezoeken. In het hostel zijn nog een paar andere backpackers geïnteresseerd om mee te gaan. Het klikt goed met de groep, zodat ze besluiten om de volgende dag gezamenlijk naar de muur te gaan. Het enige twistpunt is hoe. Bij het hostel is het mogelijk een tourtje te boeken, maar ze vinden het eigenlijk zonde van het geld om hier 80 Yuan (10 Euro) voor te betalen. Eigenlijk willen ze het zelf regelen, maar ze weten uit ervaring ook dat alles in China zelf regelen uren duurt. Dat zou betekenen dat de geplande wandeling van Jinshaling naar Simatai bijna rennend afgelegd moet worden. En dat is niet de bedoeling. Ilse heeft een beter idee. Een paar dagen geleden heeft ze een Amerikaanse toerist ontmoet die in Simatai in een gehuurde tent naast de muur heeft geslapen. En dat idee spreekt haar zeer aan. Als ze dit ter sprake brengt, is iedereen gelijk enthousiast. De plannen worden steeds wilder en wilder. Het eind van het liedje is dat ze gewoon ergens halverwege willen gaan slapen, zonder tent en gewoon in een slaapzak op

de muur. In de supermarkt gaat Ilse met haar medereizigers inkopen doen en ze maakt van de gelegenheid gebruik om flink wat kartonnen dozen mee te nemen. Ze heeft namelijk geen slaapmatje en die dozen isoleren in ieder geval nog een beetje. De Chinezen vragen zich af wat die toeriste toch met al die dozen moet. Als ze probeert uit te leggen dat ze daar op gaat slapen, maakt dat het beeld van de westerse toerist niet bepaald beter. De volgende ochtend verzamelt de groep zich bij een metrostation. Een kortstondige alliantie uit verschillende landen van de wereld: Dean en Michelle uit Engeland, Rodrigo uit Argentinië, Joan uit Zweden, Dan uit Israël en Ilse uit Nederland. In de loop van de dag komen ze aan bij de muur. Bij de eerste treden vallen ze gelijk stil. Een oneindige muur die zich schijnbaar willekeurig door het gebied heen slingert, blijkt keurig op de hoogste punten over de bergkam gebouwd te zijn. Op deze bijna wolkeloze dag is het uitzicht overweldigend en elke hoek is weer een mooier punt om een foto te nemen. Na twee uur lopen over de muur vinden ze een goede plek om te slapen, lekker hoog in een uitkijktoren. Rodrigo sluit zijn boxjes aan op zijn MP3-speler en met muziek op de achtergrond bereidt iedereen zich voor op de zonsondergang. Het wordt langzaam kouder en Ilse trekt steeds een extra laagje kleren aan. De groep moppert op Rodrigo dat hij “The Wall” van Pink Floyd mee had moeten nemen. Maar goed, de zonsondergang op

pagina 87


Opdracht vier

de Chinese muur bekijken met Frank Sinatra is ook een wereldse ervaring. De temperatuur loopt steeds verder terug en ze besluiten snel de noodles warm te maken. Na het eten maakt Dan zich onsterfelijk. Tot nu toe heeft hij zich als een echte Israëliër voorgedaan. Onder backpackers zijn Israëliërs niet echt geliefd; ze gedragen zich vaak erg egoïstisch en ze trekken zich van andere reizigers weinig aan. Maar nu haalt hij een pot Belgische chocoladepasta tevoorschijn en hij smeert die op biscuitjes die hij uitdeelt. De hele groep is al langer op reis, dus voor iedereen is dit een echte delicatesse. Joan volgt zijn voorbeeld en laat een fles wodka rondgaan die hij van de Trans-Siberië Express heeft meegenomen. De stemming is ondertussen opperbest. Vroeg in de avond spreidt Ilse de dozen uit, trekt de nodige thermoskleding aan en ze stapt in haar slaapzak. De kou lijkt mee te vallen. ‘Die daklozen moeten niet zo zeuren; onder een doos valt best te slapen’ denkt ze. Helaas begint de kou toch langzaam door de dozen heen te trekken. En erg rustig ligt Ilse niet. Haar gedachten dwalen steeds af naar het krantenbericht van een paar dagen geleden. Toen zijn twee toeristen op de muur omgekomen vanwege de kostbare spullen die ze bij zich droegen. Bij ieder vreemd geluid spitst ze haar oren. De rest van de groep slaapt ook niet. Rodriogo’s gesnurk berooft hen van de laatste kans op slaap.

wandeling naar Simatai, een onvergetelijke ervaring. Maar bij de laatste toren krijgen ze met een typisch Chinese truc te maken. Voor de entree betaalden ze al 30 Yuan, maar nu moeten ze ook nog 30 Yuan betalen om de muur weer af te komen. Hoewel ze dit van tevoren wisten, worden ze toch pissig. Vooral Rodrigo ziet dit als het zoveelste bewijs van de Chinese doortraptheid en is bijna in staat om de bewakers van de muur af te gooien. Er zit echter niets anders op dan gewoon te betalen. Maar als ze daarna ook nog eens 5 Yuan moeten betalen om een brug over te kunnen ontploffen ze bijna. Door doornige struiken nemen ze met zijn allen een enorme omweg om onder dit bedrag uit te komen. Ze realiseren zich ook wel dat ze eigenlijk belachelijk bezig zijn en half verwachten ze dat er onderaan iemand zal staan om een boete van 50 Yuan te geven. Ze willen de mooiste ervaring van deze trip echter ook niet laten verpesten door zo’n stom bruggetje en aan de andere kant aangekomen is hun humeur gelijk weer goed. De T-shirtverkopers stormen op hen af. Het T-shirt “I climbed the Great Wall” is hier erg populair, maar de variant die ze eigenlijk willen hebben, is er niet: “I slept on the Great Wall.” Dat deze activiteit verboden is, zien ze op een groot bord als ze weer terug naar Beijing gaan...

Om half zes gaat Ilse haar wekker, want de zonsopkomst mogen ze absoluut niet missen. Door de dichte bewolking zit dit er helaas niet in. Ze vervolgen de pagina 88

einde


Marjan de Boer

Ik mag er niet zijn

S

ylvie trekt de kraag van haar jas hoog op. Brrr, het is koud geworden. Eigenlijk was ze al koud geworden op het feest van Marjolein en Lisa. Ze hadden de hele avond bij een vuurkorfje buiten gezeten. Marjolein en Lisa hadden heel Atheneum 4 uitgenodigd voor hun gezamenlijk verjaardagsfeest en er waren wel 50 klasgenoten geweest. Doordat het feest voor heel Atheneum 4 was, werd Sylvie dit keer ook uitgenodigd. Meestal hoorde ze de andere meiden uit haar klas verhalen aan elkaar vertellen over wat zij allemaal gingen doen of wat er allemaal voor leuks was gebeurd. Sylvie heeft geen vriendinnen in de klas en ze doet hier nooit aan mee. Het is niet zo, dat de andere meiden uit haar klas haar niet leuk vinden, maar ze heeft gewoon geen klik met hen en ze voelt zich niet op haar gemak bij de meiden uit haar klas. Ze hebben geen gemeenschappelijke interesses. Aan de ene kant berust Sylvie hierin, maar aan de andere kant voelt ze zich regelmatig eenzaam en overvalt haar het gevoel: “Stel dat ik er niet was, wie zou me dan missen? Mag ik er wel zijn?”

Midden in de nacht sjokt Sylvie met gebogen schouders terug naar huis. Ze hoort in de verte de trein. Het treinspoor moet ze nog over, voordat ze de weg naar haar huis in kan slaan. Het is een mooie heldere nacht, er staan sterren aan de hemel. Ze kent alle sterrenbeeldengroepen. Sylvie voelt zich leeg en eenzaam. Wat heb je eraan om alle sterrenbeeldengroepen te kennen, als je niemand hebt die naar je luistert en dat ook interessant vindt? Met iedere stap voelt Sylvie zich somberder worden en ze vraagt zich af of ze psychisch wel in orde is. De meiden uit haar klas gaan nog naar een galafeest in de plaatselijke discotheek. Sylvie is daar nog nooit geweest en ze heeft er ook geen zin in, geen zin in drank, lawaai, dansen en leuk doen. Ze gaat liever naar huis. Nu twijfelt ze of ze wel de goede beslissing heeft genomen. Misschien moet ze zichzelf toch een keer forceren, meedoen met de andere meiden uit de klas, een keer zich optutten en naar die discotheek gaan. En als ze dat zou doen, wat zou haar dat dan opleveren? Wie zou haar dan wel zien staan?

Samen met haar ouders, broertje en zusje woont Sylvie in het buitengebied van Alkmaar. Heerlijk rustig vindt ze het daar. Ze wonen er in een leuk oud huisje en hebben paarden. Sylvie is dol op de paarden en ze berijdt en verzorgt ze dagelijks. De paarden zijn dol op haar en ze begroetten haar iedere dag weer vrolijk. Ze heeft het goed thuis, ook al hebben haar ouders beiden een drukke baan in de stad. Haar broertje en zusje zijn erg levendig en ze ziet ze vooral ’s avonds, als ze thuis zijn vanuit de BSO en natuurlijk in het weekend.

Sylvie haar gedachten gaan terug naar de trein, die ze net hoorde. Het was de trein van 0.05 uur. Om 0.35 uur komt de laatste trein langs. Als ze nou…….? Het idee dat haar lijf doormidden gereten zou worden door de stalen wielen van de trein, voelt geruststellend en definitief. In één klap zou ze van haar onbeduidende leventje af zijn en geen twijfel en angst meer hebben. Bovenal zou ze niet meer eenzaam zijn, maar zich een sterretje aan de hemel wanen, samen met al die andere sterren. Eigenlijk is het maar een kleine moeite. Ze hoeft

pagina 89


Opdracht vier

pagina 90


Marjan de Boer

alleen maar dwars op de liggers van het treinspoor te gaan liggen, afwachtend totdat de volgende trein naar Amsterdam zou komen. Waarschijnlijk geeft dit incident wel wat oponthoud en komt er een scherm rond haar wijdverspreide lichaamsdelen ten bate van het forensisch onderzoek. Verder zullen de laatste paar treinpassagiers met bussen hun reis moeten vervolgen. Langzaam loopt Sylvie verder door de nacht, terwijl ze haar depressieve gedachten door haar hoofd laat gaan. Thuis op haar kamer ligt in een la een mooie foto van haar. Die foto is een jaar geleden gemaakt en ze weet nog dat ze zich toen volmaakt gelukkig voelde, daar op de Veluwe op ponykamp. Samen met een groep andere meiden en jongens hebben ze dagenlang eindeloos op prachtige paarden gegaloppeerd en ’s avonds bij een groot kampvuur samen gezongen en verhalen aan elkaar verteld. Helaas heeft ze na dat kamp nooit meer een berichtje gekregen of gegeven aan één van de deelnemers. Nee, achteraf was het kamp een andere wereld en stelde dus eigenlijk niet veel voor. Vriendschappen die ze dacht te hebben, verdwenen als sneeuw voor de zon. Sylvie had op de foto haar gezicht helemaal doorgekrast. Ze haatte dat gelukkige gezicht. Het gevoel van geluk is een illusie.

De tranen schieten haar in de ogen. Nee, dit mag ze hen niet aandoen. Haar ouders en broertje en zusje zouden de rest van hun leven met een traumatische gebeurtenis moeten leren omgaan. Opeens moet Sylvie ook denken aan Sjoerd, de stoerste en knapste jongen uit de klas. Hij maakte aan het eind van de avond zachtjes een opmerking tegen haar, waar ze zich op dat moment geen raad mee wist en niet op gereageerd had: “Sylvie, wanneer kom jij uit jouw knop en mag ik er dan bij zijn? Want ik weet zeker dat jij een mooie bloem wordt!” In het donker bloost ze, als ze aan de sympathieke opmerking van deze mooie jongen denkt. Zou ze hem beter willen leren kennen? Langzaam komt bij Sylvie een positieve gedachte op: “Hij zag haar staan!” De trein scheert aan Sylvie voorbij en ze neemt de afslag naar huis. Met tranen in de ogen rent ze de trap op en grist de foto uit de la en scheurt hem verwoedt in tientallen kleine stukjes. Het is afgelopen met dat gesomber. Liefdevol spreekt ze zichzelf toe: Zij mag er zijn! Ze mag er zijn voor haar ouders, haar broertje en zusje, haar paarden en wie weet misschien wel voor Sjoerd. Sylvie mag zijn wie ze is! einde

Langzaam komt Sylvie dichter bij het spoor. Zou ze dan straks misschien dan toch maar gewoon…..? Als ze zich dan voorstelt dat een rechercheur bij haar ouders aanbelt om te vertellen wat ze gevonden hadden, dan stokken haar gedachten. pagina 91


Opdracht vier

pagina 92


Carmen van Coesant

De vakantie toen alles anders werd!

“I

k sta op de steiger en ik gooi met een steentje, hij ketst wel acht keer, voordat hij in het water verdwijnt. Niet alleen het steentje is weg, maar mijn pappa ook. De vakantie is niet leuk meer! Elke zomer gaan we in mijn schoolvakantie hiernaartoe, maar nu wou ik dat we nooit waren gegaan. Mijn mama is alleen maar aan het huilen. Opa en oma zijn gekomen om te helpen en er is ook politie geweest. Mijn papa is twintig nachtjes geleden naar Nederland gegaan op zijn motor. Pappa heeft een Harley en opa ook, ik wil ook een Harley als ik groot ben. Papa’s baas belde waar hij bleef en nu is papa kwijt. Toen papa naar Nederland ging, kreeg ik een hele lange knuffel en hij zei, dat ik groot ben en dat ik goed op mama moet passen. Mama is vaak bang. Ze durft hier niet alleen boodschappen te doen, want iedereen praat Deens. Ze kan dat niet verstaan. Ik ook niet, maar ik ben nog een kind. Papa wel, want opa en oma hebben dit huisje gekocht toen hij acht was en zo oud ben ik nu. Opa en oma zijn boos op mama, ze moet toch weten waar papa is. Ik ben niet boos op mama, ik ben boos op mijzelf. Ik had moeten zeggen dat ik te klein ben om op mama te passen. Met opa en oma gaan wij terug naar Nederland. Ik ben bang in de auto, want mama huilt en gilt veel. Mama zegt dat ze mij niet alleen kan opvoeden, dat ze dat niet alleen aankan: “Ik heb dat mannetje op de wereld gezet en dat maakt mij bang, ik ben verantwoordelijk voor hem!” Zegt ze tussen het snikken door. Oma schreeuwt naar mama, dat ze zich niet zo moet aanstellen en dat het ook afgelopen moet

zijn met die overdreven angstaanvallen. Wat moet haar zoon toch met zo’n vrouw! Opa zegt niets en kijkt alleen naar de weg. Het lijkt net alsof ik er niet ben, want niemand praat met mij. Papa vertelde mij wel altijd veel en hij vertelde ook spannende verhalen, maar nu niet meer. Niemand weet waar papa is. Het is negen jaar later wanneer mijn begeleider mij de sleutel overhandigt van mijn eigen kamer. Vanaf morgen gaan de deuren ’s avonds niet meer dicht en word ik niet meer de hele dag in de gaten gehouden door die vervelende pedagogen. Na het verdwijnen van mijn vader ging het mis. Mijn moeder kwam het bed niet meer uit, ze kon het leven zonder hem niet aan en is opgenomen. Ze is haar geheugen kwijt en ze doet alsof ze een kind is. De dokter zei, dat ze het verdriet niet kan verwerken. Ik ging naar een pleeggezin, maar ik wilde geen ander gezin, ik wilde mijn ouders. Door maar genoeg rottigheid uit te halen, kwam ik op twaalfjarige leeftijd in een jeugdinrichting terecht en nu kom ik vrij. Een maand later ben ik alweer terug in een andere inrichting. Ik kwam jongens tegen die mij op sleeptouw namen en met hen heb ik ingebroken in een café. We hebben de hele zaak vernield en veel drank gestolen en opgezopen. Toen ik nuchter was, voelde ik mij wel een beetje schuldig. Maar toch, het leven is gewoon verrot. Ik heb het geluk dat ik nog niet als een volwassen man wordt berecht. De coach die mij deze keer is toegewezen is een geschikte vent. Omdat ik al zolang in het systeem zit, herken ik ze wel.

pagina 93


Opdracht vier

Ik heb wekelijks een gesprek met Johan. Hij is de eerste die ik echt vertel over de verdwijning van mijn vader en wat dat met mij deed. Ook vertel ik hem dat mijn moeder denkt dat hij dood is, daarom gedraagt zij zich als een kind. Ik vertel hem dat mijn opa en oma boos zijn op mijn moeder. Ze was vast geen goede vrouw voor hem en daarom is hij verdwenen. Ik vind dat onzin, want wat zegt dat over hen en over mij, wanneer alleen mijn moeder er toe doet. Ik denk nu niet meer dat het mijn schuld was. Mijn vader is vast ontvoerd of dood. Hij kan toch niet zomaar verdwijnen, maar af en toe hoor ik dat stemmetje in mijn hoofd dat zegt: ‘Hij zit vast op een zonnig eiland te genieten, zonder de stress van een gezin’. Johan zegt dat hij niet weet wat er gebeurd is, maar dat hij zelf een zoon heeft en hij zich niet kan voorstellen dat hij zonder iets te zeggen zou verdwijnen. Bovendien, mijn vader heeft geen extra geld opgenomen, niet gepind en niets meegenomen. Tussen Denemarken en Nederland is er vast iets gebeurd. Johan vraagt wat mijn dromen zijn en daarmee zet hij mij aan het denken. Ik heb geen dromen. Samen bespreken we de toekomst. Johan rijdt, net als mijn vader, ook motor en hij vraagt of ik dat niet wil. Zo voel ik mij misschien dichter bij mijn vader. Ik vind dat een heel goed idee en via het duizend jongerenplan vind ik een baan bij een restaurant als leerling-kok. Ik mag nu overdag het terrein waar ik zit, verlaten en ik mag ook rijlessen volgen van mijn eigen verdiende geld. Ik ben vastbesloten om de volgende keer, wanneer ik op mijzelf woon, vrij te blijven en een baan te vinden als zelfstandig kok.

Ik ben 24 wanneer dat eindelijk gebeurt, Johan drukt mij op het hart om uit de problemen te blijven. Hij weet dat ik het kan en als er wat is, dan moet ik hem bellen. Hij is de eerste man, na mijn vader, die ik vertrouw. Voor het eerst geloof ik in mijzelf. Vorige week heb ik mijn motorrijbewijs gehaald en ook dat geeft zelfvertrouwen. Johan heeft tussen mij en mijn opa het contact een beetje hersteld. Hij doet de ruzie met mijn moeder af als wrok tussen twee vrouwen. Mijn opa voelt zich schuldig dat hij mij zo aan mijn lot heeft overgelaten. De dag waarop ik de sleutel krijg van mijn kamer, komt hij aangereden met achter zijn auto een aanhanger met daarop zijn oude Harley. Trots vertelt hij dat de motor helemaal is opgeknapt en dat deze op mijn naam is gezet. Ik bedank hem en in mijn hoofd ontstaat de gedachte om met de motor de laatste rit van mijn vader te rijden. Pas dan kan ik mijn jeugd loslaten.”

pagina 94

einde


Margriet Dalmeijer

De straatmuzikant

“M

eneer, kunt u misschien wat kleingeld missen?” Ik kijk verstoord op van mijn iPhone, zonder mijn gehaaste tred ook maar iets te verminderen. Elke dag kom ik hier langs op weg van mijn werk naar huis en elke dag staat hij daar: Sem, de alom bekende straatmuzikant. Normaal staat hij met zijn accordeon altijd een Jordaanse medley te spelen, maar vandaag is het opvallend stil. Het is vrijdagmiddag en het laatste waar ik behoefte aan heb, is een zwerver die om geld bedelt. Mijn tactiek om gehaast langs Sem heen te lopen en net te doen of ik heel druk ben met mijn telefoon, heeft tot nu toe altijd gewerkt. Ik heb Sem zelfs nog nooit een blik waardig gekeurd en nu spreekt hij me ineens rechtstreeks aan. Hij moet het wel tegen mij hebben, want verder is er niemand in de buurt. Ik kijk Sem aan, terwijl een resolute weigering om hem geld te geven al op mijn lippen ligt. “Ga maar een baan zoeken,” denk ik bij mezelf, “voor niks gaat de zon op!” Als ik hem echter aankijk, gebeurt er iets met me: ik word op onverklaarbare wijze geraakt. Nog nooit eerder heb ik iemand gezien met zo’n heldere en wereldwijze blik. Voordat ik er goed en wel over heb nagedacht, pak ik mijn portemonnee en haal ik er een biljet van 10 euro uit, dat ik hem vlug toestop. De ogen van Sem beginnen te glimmen. “Dank u wel, meneer,” zegt hij, “u hebt geen idee hoeveel dit voor mij betekent!” Zijn dankbaarheid lijkt oprecht te zijn. Is hij echt blij met een tientje? Als ik naar mijn favoriete stamkroeg ga, geef ik al meer geld uit aan een goed glas wijn! Op dat moment gaat mijn telefoon en zonder Sem te groeten, loop ik weg.

In het weekend blijft Sem me bezighouden. Hij lijkt heel anders dan ik me had voorgesteld. Zijn trotse, heldere blik heeft me aan het denken gezet en plotseling ben ik heel nieuwsgierig naar zijn levensverhaal. Ik neem mezelf voor om maandag vanuit mijn werk een gesprek met hem aan te knopen, maar ik weet niet goed hoe ik beginnen moet. Als ik eraan kom lopen, herkent Sem me al en zijn ogen beginnen weer te glinsteren. “Uw geld is goed besteed, meneer,” zegt hij, “ik heb er twee dagen van in de opvang kunnen slapen.” Ik glimlach hem toe en we beginnen een geanimeerd gesprek over alledaagse en niet-alledaagse dingen. Ik ben blij verrast. Sem had net zo goed drank of drugs van mijn geld kunnen kopen, maar dat heeft hij niet gedaan. Bovendien blijkt het heel prettig te zijn om met hem te praten. In de weken die volgen, blijf ik na werktijd telkens even met Sem staan praten en ik merk dat ik me steeds meer ga verheugen op onze gesprekken. Soms hebben we het over koetjes en kalfjes, soms over filosofische onderwerpen, en stukje bij beetje vertelt Sem me zijn levensverhaal. Elke dag komt zijn dochter wel even ter sprake. Ze moet inmiddels in de twintig zijn, maar Sem heeft haar al ruim tien jaar niet meer gezien. Hij krijgt tranen in zijn ogen als hij me over haar vertelt. “Ach, ze is haar gekke, ouwe vader vast allang vergeten,” roept hij dikwijls. Maar dan slaat het noodlot toe. Het is donderdagmiddag, vier weken nadat ik Sem voor het eerst geld heb gegeven. Als ik de hoek om kom, zie ik twee slungelige jongens wegrennen. Sem ligt kreunend op de grond

pagina 95


Opdracht vier

en ziet lijkbleek. Met moeite brengt hij uit: “M’n accordeon..., m’n accordeon!” Een hevige woede borrelt in me op. Vier weken geleden was ik nog straal langs Sem heen gelopen, maar nu beschouw ik hem als een vriend, die net is beroofd van zijn dierbaarste en enige bezit! “Die klojo’s!” sis ik tussen mijn tanden door. Dan richt ik me tot Sem: “Kun je opstaan?” Ik probeer hem overeind te helpen, maar hij valt kreunend weer neer. Ik pak mijn telefoon om een ambulance te bellen. “Nee, geen ambulance”, kreunt Sem, “ik ben niet verzekerd!” “Ik kan je hier niet laten liggen, Sem,” zeg ik beslist, “ik regel de kosten wel!” Sem protesteert niet en als ik zie waarom, slaat me de schrik om het hart; hij is buiten bewustzijn! Hij zou toch niet…? Resoluut zet ik die gedachte van me af en met trillende vingers toets ik het alarmnummer in. De ambulance is snel ter plaatse en met gillende sirenes wordt Sem naar het ziekenhuis gereden. Een halve week gaat voorbij en al die tijd is Sem buiten bewustzijn. Elk bezoekuur zit ik aan zijn bed en ik ben er dan ook bij als hij voor de eerste keer zijn ogen open doet. Hij glimlacht als hij me ziet, maar meteen daarna staan zijn ogen weer ernstig. Hij legt zijn verweerde hand op mijn arm en zegt met zwakke stem: “Mijn dochter, vind alsjeblieft mijn dochter voor me. Als ik dit niet overleef, wil ik haar nog één keer gezien hebben.” Daarna sluit hij zijn ogen weer. De verpleegster zegt dat Sem moet rusten en dat ik beter weg kan gaan. Peinzend sta ik op. Sem heeft me gevraagd om zijn dochter te vinden, maar hoe moet ik

dat in ’s hemelsnaam aanpakken? Ik weet alleen dat ze Marjolein heet, midden twintig is en dat ze tien jaar geleden een prachtige, blonde krullenbos bezat. Ontmoedigd rijd ik naar huis. Ik wil Sem niet teleurstellen, maar ik weet niet hoe ik dat kan voorkomen. Twee dagen later is het onrustig in de normaal zo stille ziekenhuisgang. Een jonge vrouw met een kort, blond kapsel en opmerkelijk heldere ogen staat bij de balie en roept duidelijk geagiteerd tegen de zuster: “Maar u kunt me toch wel vertellen waar mijn vader ligt? Alstublieft, ik heb hem al zo lang niet gezien!” De zuster schudt haar hoofd en zegt: “Sorry, mevrouw. We kunnen niet zomaar informatie over patiënten verstrekken.” Ze wendt zich tot een volgende wachtende, ten teken dat het onderwerp hiermee is afgedaan. De jonge vrouw beent de gang door naar de uitgang, terwijl ze een snik probeert te onderdrukken. Ik ren haar achterna. “Marjolein, wacht! Ik weet waar je vader is!” roep ik haar toe. Ze stopt abrupt, draait zich om en kijkt me achterdochtig aan. “Jij bent toch Marjolein, de dochter van Sem?” vraag ik haar. Ze knikt langzaam en vraagt: “Maar wie ben jij?” “Een vriend van je vader”, zeg ik eenvoudig. Ik leid haar naar de dichtstbijzijnde koffiecorner en gebied haar te gaan zitten. In enkele zinnen leg ik uit wat er met haar vader aan de hand is. Daarna neem ik haar mee naar de zaal waar Sem ligt. “Hij is het echt”, fluistert ze, “ik herkende hem meteen toen ze zijn foto op het journaal lieten zien!” Marjolein loopt naar het bed, en alsof het zo is afgesproken, doet Sem net op dat moment zijn ogen open. “Hoi papa”, zegt Marjolein met een klein stem-

pagina 96


Margriet Dalmeijer

metje. Sem is zo overmand door emoties, dat hij haar alleen maar kan aanstaren. Hij omvat haar gezicht met zijn handen en zo zitten ze elkaar een hele tijd aan te kijken, terwijl de tranen hen allebei over de wangen stromen. “Marjolein, ben je het echt?” vraagt Sem

met raspende stem. “Ja, papa, ik ben het echt. En waag het niet om nu dood te gaan, want we hebben nog heel wat tijd in te halen!”

pagina 97

einde


Opdracht vier

Stellvertreter

‘H

ess is dead. Presumably suicide’, die woorden hoorde Hugo zodra hij de telefoon opnam. Hij herkende de stem van Walt, één van de Britse bewakers uit Spandau. De verbinding werd direct verbroken na de woorden. wezenloos bleef Hugo naar de hoorn staren hopend dat er een stem zou klinken die hem vertelde dat het een grap was. Na een paar minuten legde hij de hoorn op de telefoon en keek naar de bladzijde in zijn typmachine. Hij was net bezig geweest het laatste gesprek uit te werken dat hij de week ervoor met Hess had gevoerd. Hugo las de woorden die Hess toen had gesproken bij het afscheid: ‘Je mag deze verhalen pas bekend maken als ik dood ben.’ En nu was dat moment aangebroken. Er zou een hoop ophef gaan ontstaan als het verhaal bekend zou worden waar hij aan werkte. Hugo had in het geheim het verhaal van de beroemdste gevangene van de BRD aangehoord en was zelf volkomen overdonderd geweest. Zoveel dingen die nooit bekend waren geweest, zouden nu de wereld en de geschiedenis – zoals tot nu toe bekend – op de kop zetten. ‘Ik ben niet Hess. Ik ben Nathan Rosenthal. Ik ben in 1894 in Frankfurt-am-Main geboren’, dat waren de woorden waar het laatste gesprek in Spandau mee begonnen was. Na deze woorden zette Hugo zette de memorecorder weer uit. Hugo kende alle verhalen over een dubbelganger uiteraard, maar toen de man tegenover hem het bevestigde, was hij toch met stomheid geslagen geweest. ‘Mijn ouders zijn in 1908 naar Londen verhuisd. Mijn vader werkte bij de bank

van de familie Rothschild. Mijn ouders hebben me in 1911 een jaar naar Neuchâtel gestuurd om aan het Ecole Supérieure de Commerce te studeren. En daar ontmoette ik Rudolf Hess. We deelden een slaapkamer en werden goede vrienden’, de man die tegenover Hugo had gezeten, vertelde op geanimeerde toon over zijn relatie met Hess. Hugo luisterde naar de stem van de man op de memorecorder en hoorde weer het bloed door zijn oren suizen van opwinding. ‘Je wilt natuurlijk weten hoe ik hier terecht ben gekomen en waar de echte Rudolf Hess is?’, had Nathan hem gevraagd. Hugo had niet meer kunnen doen dan knikken. ‘Rudolf en ik zijn tijdens ons jaar in Zwitserland beide gerekruteerd door MI6, de Britse buitenlandse inlichtingendienst. Duidelijk was wel dat er een oorlog aan zat te komen. Er waren immers volop spanningen in Europa. Rudolf ging bij de Duitse infanterie vechten, omdat hij opgeroepen werd. Na zijn verwondingen die hij opliep in Verdun en Ieper werd hij opgeleid tot piloot. Hij heeft in die tijd veel van zijn missise door kunnen spelen naar Engeland. Zelf werd ik opgeleid tot verbindingsofficier bij MI6. Ik onderhield contacten met een viertal agenten in Duitsland, waaronder Rudolf. Hij hoorde Hitler spreken ergens in 1920 en zag welke impact die toespraak had op mensen. Vanaf dat moment is hij zich puur gaan concentreren op Hitler. En dat heeft hij met verve gedaan. Mede-schrijver van ‘Mein Kampf’, zelfs plaatsvervanger van de Führer……ja, Rudolf heeft zijn uiterste best gedaan om zo hoog mogelijk op de

pagina 98


Barbara Dijke

ladder te komen’, Nathan had na deze woorden zijn hoofd geschud. ‘Zelfs zo hard zijn best dat de dienst bijna niet meer geloofde dat hij ons nog trouw was. Rudolf speelde ongelofelijk veel belangrijke informatie aan ons door, maar Chamberlain weigerde het te geloven. Hij was er van overtuigd dat hij Hitler kon stoppen en een oorlog kon voorkomen. Nou ja, we weten allemaal met welke gevolgen. Zelfs de plannen van Hitler met de joden had, hadden we in handen. En nog werd er niets gedaan......’, Nathan had zijn hoofd in zijn handen gelegd en was begonnen te huilen. Hugo had toen de memorecorder uitgezet om de man en zichzelf even op adem te laten komen. Na enkele minuten was Nathan rechtop gaan zitten en had zelf de memorecorder weer aangezet: ‘Vlak voor Duitsland Polen binnenviel, liet Rudolf me weten dat er verdachtmakingen tegen hem geuit waren door Martin Bormann. Hij was bang dat Bormann op de één of andere manier achter zijn dubbelrol was gekomen. Hij wist dat zijn leven in gevaar was als Hitler die verdachtmakingen te weten zou komen. Ik heb iedereen op de dienst ervan proberen te overtuigen dat het levensbedreigend was en dat we Rudolf naar Groot-Brittannië moesten halen. Uiteindelijk heb ik met behulp van agenten in Nederland zijn vlucht voorbereid. Maar het heeft tot mei 1941 geduurd voor ik de kopstukken overtuigd had en het plan kon worden uitgevoerd. Al die tijd heeft Rudolf in doodsangst doorgebracht. Hitler had hem gelukkig boven verdenking geplaatst, dus Bormann kon geen kant op. Maar Rudolf wist dat hij de gaten gehouden werd’, Nathan

klonk somber op het bandje. ‘Rudolf vloog van Augsburg naar Schiphol. Daar wisselde hij van vliegtuig. Hij vloog met extra brandstoftanks onder het vliegtuig naar Eaglesham. Het vliegtuig werd neergehaald en Rudolf sprong eruit met zijn parachute. Ik wist waar hij zou proberen te landen en was daar samen met Sir Stewart Menzies, het hoofd van MI6, om hem op te halen en mee te nemen naar het kantoor in Glasgow.’ Hugo hoorde zichzelf vragen: ‘Hoe komt het dan dat u hier zit en niet Hess?’ De stem van Nathan vervolgde het verhaal. ‘Er moest voor het grote publiek leiders gestraft worden. Rudolf stond bekend als een leider binnen de NSDAP. Dat hij voor MI6 werkte, mocht niet bekend worden. Rudolf en ik hebben van plaats geruild. We leken al veel op elkaar door onze halve Griekse afkomst. En we kenden elkaars manieren door en door. Plastische chirurgie heeft de rest gedaan. In Neurenberg dacht iedereen dat ik, en dus Rudolf, gek was. Zelfs Rudolfs vrouw en zoon dachten dat ik Rudolf was. En dat was ook de opzet. Rudolf woonde op dat moment in Liverpool en werkte bij MI6 als Daniël Silverberg. We hebben de tijd van mei 1941 tot september 1945 samen doorgebracht. Berichten die naar buiten kwamen, waren dat Rudolf zijn verstand aan het verliezen was en dat hij een poging tot zelfmoord had gedaan. Zo hebben we iedereen om de tuin geleid. Hermann Göring had het door tijdens het proces. Mijn Britse collega’s in Neurenberg hebben er dus voor gezorgd dat hij het niet verder kon vertellen.’

pagina 99


Opdracht vier

pagina 100


Barbara Dijke

‘Waarom hebt u van plaats geruild met Hess? Waarom hebt u u vrijwillig laten opsluiten?’, Hugo hoorde de verbazing in zijn eigen stem op de band. Nathan had hem aangekeken na die vraag, zijn ogen gesloten en verder gesproken: ‘Vorige week kreeg ik bericht van Sir John Sawers, de huidige chef van MI6, dat Rudolf was overleden.’ Na deze woorden had Nathan Hugo aangekeken: ‘Rudolf was de liefde van mijn leven en onze vier jaar samen waren de gelukkigste jaren van mijn leven. Ik wist ook dat mijn jongste zus zijn grote liefde was. Ze waren gelukkig tot mijn zus overleed drie maanden geleden. Rudolf is niet gestorven aan een hartinfarct, maar aan een gebroken hart. Hij kon niet zonder haar leven. En ik kan niet niet verder leven met het idee dat Rudolfd dood is en ik niet.’ Nathan had de memorecorder uitgezet. Ze hadden zwijgend tegenover elkaar gezeten. Na enkele minuten was Nathan opgestaan, had de hand van Hugo geschud en tegen hem gezegd: ‘Je mag deze verhalen pas bekend maken als ik dood ben.’ einde

pagina 101


Opdracht vier

Nieuw Atlantis Ik had nooit kunnen vermoeden dat het allemaal zo zou aflopen, toen ik hier een half jaar geleden naartoe kwam. Zo hoopvol, zo vol met dromen en plannen… om ze allemaal in het niets te zien verdwijnen. Nee, niet in het niets - in de zee.

E

en half jaar geleden kreeg ik een gouden kans op een zilveren presenteerblaadje. Ik was al jaren bezig met social media en probeerde hier mijn werk van te maken. Een zakelijk contact uit één van mijn vele netwerken bood me de kans op een baan als accountmanager voor een softwarebedrijf, gespecialiseerd in social media, in Sillicon Valley, San Francisco. Hoewel het een flinke verandering betekende, hoefde ik niet lang na te denken over deze beslissing. Had ik niet al jaren zitten azen op zo’n goede baan? Had San Francisco mijn hart niet gestolen toen ik daar als kind met mijn ouders eens was geweest en we er hadden gelogeerd bij mijn oom? Hadden mijn vriend Hendrik en ik niet samen hardop gedroomd van een toekomst aan de westkust van de Verenigde Staten? Deze kans was te mooi om te laten lopen. Tussen de euforische momenten door hadden we ook zo onze zorgen. Hoe gingen we de verhuizing regelen? Konden we onze ouders wel achterlaten? Wat moesten we met de kat? Veel van die praktische vraagstukken losten zichzelf op. Ik kon terugvallen op de ervaring van een andere kennis uit een netwerk, die al jaren geleden samen met haar gezin de verhuizing naar Los Angeles had gewaagd en daar inmiddels een

goed bestaan en een succesvolle onderneming had opgebouwd. Mijn nieuwe werkgever regelde de rest. Ik kreeg een verhuisbudget en verschillende medewerkers van het bedrijf stelden zich beschikbaar om me te helpen behoorlijke woonruimte te vinden en de verhuizing van mijn spullen te regelen. Desalniettemin bleek het een hele onderneming. En niet voor niets. Het ging immers om onze toekomst. Om alles in één keer goed te kunnen regelen spraken Hendrik en ik af, dat ik alvast vooruit zou reizen terwijl hij alles in Nederland zou proberen af te ronden. Het bedrijf wilde me graag snel aan het werk hebben en ik moest natuurlijk ook beslissingen nemen over ons toekomstige huis. Het waren spannende tijden en lang niet alles verliep meteen van een leien dakje. Zo leverde het nodige papierwerk en de ambtelijke molen flink wat frustraties op en ook de reactie van onze ouders was minder enthousiast dan we hadden gehoopt. Maar het ging om onze toekomst en na het grootste deel van ons leven eerst aan anderen te hebben gedacht, waren Hendrik en ik van mening dat we nu dan toch eindelijk eens een keer eerst aan onszelf mochten denken. We gingen ervoor. Toen eenmaal alles was geregeld en ik klaar voor de reiswas, kon ik niet stoppen met zingen: “If you’re going to San Francisco – be sure to wear some flowers in your hair”. Ik had het oude fotoalbum van de

pagina 102


Andrea de Palm

Na al die jaren samenwonen en bijna alles samen doen, zou het raar voelen om alleen te reizen – en om heel eerlijk te zijn best een beetje eng – maar ik keek erg uit naar ons nieuwe leven in the Land of Opportunity. Het afscheid, hoewel tijdelijk, was emotioneel, maar eenmaal onderweg voelde ik me gezond gespannen.

al voorstellen, als hij al die ruimte zou zien, vooral die heerlijke grote keuken. In één oogopslag zag ik dat we al onze spullen met gemak kwijt zouden kunnen in dit huis. Maar het mooiste vond ik toch het uitzicht op de Golden Gate. Wat zouden we hier gelukkig worden! Maar er was één ding waar ik geen rekening mee had gehouden. Als kind had ik me er wel eens zorgen om gemaakt, vanaf het moment dat ik in mijn bosatlas de reliëfkaart van de Verenigde Staten bekeek: de San Andreas fault line, de breuklijn in de aardkorst die dwars door California liep. Bezorgd had ik mijn moeder gevraagd of mijn oom wel veilig was in San Francisco met dat aardbevinggevaar, waarop mijn moeder me gerust had gesteld dat het “onze tijd wel zou uitdienen”. De meeste Californiërs bleken net zo laconiek over het aardbevinggevaar. Ze zijn er aan gewend en leven met het idee dat het “af en toe een beetje schudt”.

Bij aankomst op het vliegveld werd ik opgehaald door één van mijn toekomstige collega’s, die me een beetje wegwijs zou maken. Ze bracht me eerst naar een hotel om even bij te komen van mijn lange reis. Ik werd de rest van de dag voornamelijk gebeld door mijn nieuwe collega’s, die van alles voor me aan het regelen waren en de makelaar, die me het huis wilde laten zien dat het bedrijf voor me had gehuurd. Het bleek een heerlijk huis, dat me erg deed denken aan het huis van mijn oom destijds. Het was een typisch San Francisco town house, ruim, licht en van alle gemakken voorzien. Ik kon me Hendriks gezicht

Vandaag schudt het niet een beetje. Vandaag dondert het. We hebben een aardbeving gehad met een kracht van 7.5 op de schaal van Richter. Grote delen van California zijn al compleet verwoest. Ter hoogte van Los Angeles staat alles in brand. Hier in San Francisco wachten we op de naschok die de landtong, waarop we wonen, volledig zal afscheuren van het vasteland en ons in de zee zal doen verdwijnen. Ik ben, net als veel stadsgenoten, overvallen door de aardbeving tijdens het boodschappen doen. We liggen in de supermarkt op de grond, in de deuropening naar het magazijn, tussen de omgevallen flessen en dozen en

reis met mijn ouders teruggevonden en beleefde mijn eerste kennismaking met San Francisco opnieuw. Van al de plekken die ik tijdens reizen met mijn ouders had aangedaan, was deze plaats me het meest bijgebleven. Haarscherp waren mijn herinneringen aan het wakker worden met uitzicht op de Golden Gate Bridge, elke ochtend in mysterieuze nevelen gehuld. De ludieke Cable Car, het fraaie Golden Gate Park, Crooked Street, Fishermen’s Wharf, Chinatown, Seal Rock, Alcatraz… San Francisco had, toen al, zo vertrouwd gevoeld.

pagina 103


Opdracht vier

pagina 104


Andrea de Palm

houden elkaars hand vast. Volslagen vreemden, die elkaar troosten, wetend, dat we hier niet meer levend vandaan komen. We vertellen elkaar onze levensverhalen, hopend dat er nog iemand zal overleven om ze te vertellen aan onze geliefden, die we nu niet meer kunnen bereiken. Toen de stroom nog niet was uitgevallen, zagen we op het nieuws dat de situatie hopeloos is. San Francisco is opgegeven. Er is geen telefoonverkeer mogelijk, zelfs mobiele telefoons werken niet meer. Ik kan de nachtmerrie, die onze droom is geworden, nog maar nauwelijks bevatten. Ik kan niet eens meer contact opnemen met mijn geliefde Hendrik, die het nieuws aan de andere kant van de oceaan ongetwijfeld al heeft gehoord, maar mij niet zal bereiken. Ik schrijf een laatste boodschap aan hem, op ĂŠĂŠn van de vele papieren, die om ons heen slingeren en steek deze in een lege fles. Misschien vindt iemand mijn boodschap nog, wanneer men ooit de stad onder water ontdekt, die eens San Francisco heette. einde

pagina 105


Opdracht vier

Indrukken

S

tille getuigen, zoals sporen, afdrukken, fossielen, uilenballen, knaagdierskeletjes, stuk voor stuk erg verhullend, maar toch ook weer niet. Ik weet wel, dat het veel mensen intrigeert en mij ook. Naast het knopen leggen, vuur maken, tenten bouwen, eten koken en dergelijke, is bij de scouting het spoorzoeken mijn favoriete bezigheid. Vandaag gaan we met de schoolklas een bezoek brengen aan de Veluwe en ik heb er nauwelijks van geslapen - niet alleen vanwege de geplande dag, maar ook omdat mijn geheime liefde er zal zijn. Annemiek heet ze, ik vind haar zóóó mooi. Maar meer weet ik eigenlijk niet over haar, dus vandaag ga ik er alles aan doen om haar aandacht te verdienen. Ik gooi alles wat ik weet van de natuur in de strijd en ook al het andere wat ik van de scouting heb opgestoken. Ik schat mijn kansen dus goed in! Ja hoor, daar staat ze. Was ze maar het enige meisje in mijn klas, dan was het vast makkelijker om haar aandacht te krijgen. Maar nee, Ingrid, Angela en Angelique staan alweer om haar heen en dan vind ik het moeilijk om mezelf te zijn. Meisjes zijn zo anders dan mijn vriendjes en ze geven me ook vaak het gevoel dat ik maar zo-zo ben. Maar vandaag heb ik me voorgenomen alleen maar op Annemieks reactie te letten als ik mezelf naar voren schuif! De bus waarmee we reizen is inmiddels gestopt en ik ben al buiten vóór de deur goed en wel geopend is. Meester De Vries roept nog dat ik geen tweede waar-

schuwing meer krijg en dat hij niet op ongelukken zit te wachten! Weet hij veel! Tijdens de wandeling worden door de meester allerlei vragen gesteld over waar we lopen en over wat we zien en ik ben steeds de eerste, die de juiste antwoorden geeft, maar Annemiek lijkt niet onder de indruk van alles wat ik weet! Nou, dan weet ik het ook niet hoor. Ik zal wel wat minder mijn best doen, want daarnet hoorde ik iets dat niet voor mijn oren bestemd was. Annemiek zei tegen Angela dat ik volgens haar alles zou doen wat ze maar in haar hoofd kon halen, iets als: “Hij zou mijn pies nog drinken als zijn dorst maar wordt gelest met iets van mij!” Ze is dan wel mooi om te zien, maar ik vind toch dat ze nu te ver gaat en ik geloof, dat ze me gewoon niet leuk vindt. Nee, ik ben teleurgesteld, nu ik haar zo meemaak, moet ik zeggen. Ik bedoel, hoe naar moet je zijn om zoiets over een ander te zeggen, als die alleen maar wil laten blijken dat hij je geweldig vindt. En dan heb ik het nog niet eens over... Ik schrik op uit mijn gedachten, omdat ik mijn naam hoor! “Gerard!! Kom eens!” Hoor ik het nou goed... Ja, verdomd, het is Annemiek en ze roept om mij! Mijn hart maakt een sprong en vóór ik het weet ben ik al bij haar en ‘r vriendinnen. Ze wijst naar de grond en vraagt me wat dat voor een vreemd spoor is. Ik kijk met volle aandacht naar de

pagina 106


Dennis Pronk

plek die ze aanwijst en zie in het zand de ruwe lijnen van een vogelafdruk. Direct denk ik aan een valk door het formaat. “Een torenvalk”, zeg ik met grote overtuiging, terwijl ik met een stokje als een presentatie mijn fantasie de loop laat en uitleg geef over de afdruk, “hij heeft vermoedelijk iets gevangen op deze plek, want jullie kunnen duidelijk de omtrekken van een worsteling zien in het zand. Vleugels hier, en een deuk... vermoedelijk een muisje dat daarvoor zorgde, toen de valk hem met zijn klauwen in de grond drukte tijdens de overval.” En terwijl ik me weer wat beter begin te voelen, omdat ik dit vraagstuk toch maar mooi weet te verklaren, valt mij luid hoongelach ten deel. Annemiek en haar vriendinnen schateren het uit en ik voel mijn hoofd gaan gloeien. “Wat?!” krijg ik er nog net uit, “Wat staan jullie nou te lachen?” Nu toont Annemiek het stokje in haar hand. “Ze heeft het zelf getekend in het zand”, schiet er door mijn hoofd. “Hè schijt, dit soort spoorzoeken bevalt me niks!” Ik draai me om en loop weg. Mooie boel. Ik zou zelf nooit zoiets doen en daarom ben ik een gemakkelijke prooi voor dat soort mensen. Ja, Annemiek, zoek het maar uit. Ik mag hopen dat jij je eigen maniertjes zelf te verduren krijgt.

Ik sta nu, vele jaren later, op het strand van Scheveningen te staren naar de vele voetafdrukken in het zand. Ze brachten zonder moeite dit dagje in mijn hoofd naar voren. Verder doen ze me ook denken aan “in de voetsporen treden”. Mijn vaders voetsporen bijvoorbeeld, of die van meester De Vries. Het komt me voor dat ik eigenlijk altijd ben blijven zoeken naar sporen die me kunnen bekoren... Oohh, daar was er weer één! Ik bedoel “sporen die me kunnen bekoren” - mooi toch als je zoiets er gewoon uitgooit. Ik zou best willen kunnen schrijven wat ik allemaal denk en heb gedacht, bedenk ik me nu. Maar ik heb geen directe voetsporen om in te treden als het op schrijven aankomt. “Wellicht kan een workshop je goed op weg helpen”, is wat mijn lieve vriendin Martha me zegt, als ik bij thuiskomst vertel over mijn dag op het Scheveningse strand. “Mijn eventuele talenten aan de dag leggen zeker, in het bijzijn van anderen?” antwoord ik. “Nou, als je dat eng vindt, ga ik zelf ook meedoen”, zegt ze, “dan ben je in ieder geval niet alleen.” Ze verschijnt uit haar kantoor en geeft me een dikke knuffel. “Wil jij dan zeggen, dat je ook al een workshop wéét?” “Ja”, klinkt het droogjes, “ik ga ons direct inschrijven.” En weg is ze weer. We zijn er vandaag voor de laatste keer - bij de workshop bedoel ik. Iedere keer hiervoor was voor mij weer een overwinning op mezelf.

pagina 107


Opdracht vier

pagina 108


Dennis Pronk

Het wil trouwens zo zijn, dat alle medecursisten vrouwen zijn - ook de workshopgever is een juf. Maar wat een verschil met al die indrukken die ik heb opgedaan met vrouwen en vriendinnen in mijn leven, v贸贸rdat ik mijn huidige vriendin en deze heerlijke workshopgroep mocht meemaken en ik hoop dat deze sporen onuitwisbaar in mijn hoofd zullen blijven bestaan. Dus Miranda, Irene, Carmen, Margriet, Barbara, Mira, Marjan en Marielle: super en bedankt hiervoor! einde

pagina 109


Opdracht vier

Liefde op het eerste gezicht

D

e eerste keer dat ik hem zag was tijdens een open huis. Mijn zus bezocht een aantal woningen tijdens de open huizendag en ik vergezelde haar. Ik had er eigenlijk geen zin in, maar ik had het haar beloofd. Mijn zwager kon die dag niet mee en ze wilde graag een extra paar ogen bij zich hebben. Ik vind het leuk om in andere huizen te kijken, maar zo’n open huis vind ik verschrikkelijk. Je stapt binnen bij mensen die je niet kent en die jou een rondleiding door hun huis geven in de hoop dat je er als een blok voor valt. Je maakt de verplichte op- en aanmerkingen en voelt je heel ongemakkelijk. Zo gaat dat tenminste bij mij. En op de één of andere manier tref ik ook altijd mensen die zich minstens zo oncomfortabel lijken te voelen. Mijn zus had het gelukkig enorm naar haar zin en ze babbelde ontspannen met de, inderdaad, nerveuze huiseigenaren. Dit maakte het voor mij een stuk aangenamer. Ik keek ondertussen ongegeneerd rond en voorzag de verschillende inrichtingen van het nodige commentaar. In mezelf natuurlijk. Toen mijn zus me eerder die ochtend ophaalde, vertelde ze dat ze de vorige dag toevallig langs een huis was gereden waarop ze acuut verliefd was geworden. ‘Het was liefde op het eerste gezicht!’ zei ze met een verrukte blik in haar ogen. ‘Ik heb meteen op internet gekeken en ook daar kunnen we vandaag terecht. Ik ben zo benieuwd hoe het er van binnen uit ziet!’ Enthousiast als ze is, was ze er het liefst meteen naartoe gereden. Maar het lijstje met zorgvuldig uitgezochte adressen, dat ze samen met haar man gemaakt had, dwong ons in een andere richting.

Na vier nieuwbouwhuizen en een uitgebreide lunch in een gezellig café reden we naar de nieuwste liefde van mijn zus. Al bij de eerste aanblik op het huis begreep ik waarom ze zo verrukt was. Daar stond het liefste huis dat ik ooit heb gezien! Een ander woord kan ik er niet voor verzinnen. Het was oud en karakteristiek en werd omgeven door bomen. Rondom de tuin was een wit houten hekje geplaatst en de ramen aan de voorkant van het huis hadden rood beschilderde luiken. ‘Verkocht!’ mompelde ik terwijl ik uit de auto stapte. Mijn zus lachte terwijl ze me aankeek met een blik die ‘zie je wel’ verraadde. Helaas voor haar viel ik al snel weer van mijn roze wolk, want zodra ik over de drempel stapte verdween het idyllische plaatje net zo snel als het gekomen was. Van binnen was het een nachtmerrie van een huis. Het was oud en vervallen. Behang bladderde van de muren en de kozijnen zagen er van dichtbij uit alsof er een grote familie houtwormen van gegeten had. Tot mijn verbazing leek mijn zus dit niet te zien. Of in ieder geval scheen ze het niet afschrikwekkend te vinden. Ze liet zich gewillig rondleiden door een makelaar die haar alle ‘onbeperkte mogelijkheden’ van het huis liet zien. De man zag waarschijnlijk zijn kans schoon om deze woning eindelijk uit zijn portefeuille te krijgen. Terwijl mijn zus druk met de makelaar in gesprek was, drentelde ik door het huis. Toen zag ik hem. Achteloos in een donkere hoek van de kamer. Verstopt bijna. Alsof iedereen hem vergeten was. Hij paste goed in

pagina 110


Irene Schrijver

de omgeving waarin hij zich bevond. Hij straalde hetzelfde oude en afgedankte uit. Je kon zien dat hij ooit geglansd had, maar daar was weinig van over. Een doffe en stoffige indruk was het enige wat hij tentoonstelde. En toch had hij ondanks alles nog een bepaalde waardigheid, een soort chique uitstraling. Misschien was dat de reden waardoor ik bij de eerste aanblik al door hem gefascineerd raakte. Later kwam ik er achter dat hij groots en bekend was geweest. Maar toen ik hem daar afgeleefd in die tochtige kamer zag staan, kon ik nooit vermoeden dat hij ooit zoveel mensen wist te raken, dat er ooit enthousiast voor hem geapplaudisseerd werd. Dit is inmiddels al bijna een jaar geleden. De liefde op het eerste gezicht van mijn zus is op niets uitgelopen. Zij woont nu alweer een tijdje in een kant-en-klaar nieuwbouwhuis. Laatst vertelde ze me dat ze erg blij is dat ze zich niet, in de waas van het romantische plaatje, in dat avontuur heeft gestort. Gelukkig heeft ze een nuchtere man, want twee paar linkerhanden hadden in dat huis om de nodige creativiteit en vooral om de nodige wonderen gevraagd. Ik daarentegen heb me wel in mijn liefde-op-het-eerste-gezicht avontuur gestort. Vanaf de eerste seconde dat ik hem zag, wist ik dat ik hem wilde hebben. Het kostte wel wat moeite. Mijn zus verklaarde me voor pagina 111


Opdracht vier

gek en ze begreep niet wat ik met hem moest. Wat ik enigszins humoristisch vond, omdat zij, de vrouw die nog geen verfkwast kan vasthouden, van plan was een bouwval te kopen. Maar het is gelukt! Hij heeft een plekje gevonden in mijn huis. Trots staat hij in de woonkamer. DominĂŠĂŠrt hij de woonkamer kan ik beter zeggen. De doffe uitstraling heeft plaatst gemaakt voor een nieuwe glans. Zijn klank is niet meer zo helder en zuiver als het vroeger geweest moet zijn, maar dat geeft niet. Hij is opgeknapt en staat weer te pronken. Net zoals vroeger. Soms kijk ik naar hem en denk aan alle vingers die hem hebben gestreeld. Aan alle handen die hem hebben aangeraakt. Een vergeten piano die nu in mijn huis staat om weer bewonderd te worden. einde

pagina 112


Miranda Weernink

Sneeuw!

V

annacht heeft het eindelijk dan toch gesneeuwd. Het is al begin februari en de winter loopt ten einde, ik had de hoop al opgegeven. De daken en straten zijn bedekt met een dun laagje wit poeder. Alles ziet er ineens zo licht uit en de zon is nog niet eens op. Vrolijk neuriënd loop ik door mijn huis, ik kleed me aan en werk snel mijn ontbijt naar binnen. Eenmaal buiten snuif ik de koude lucht diep naar op. Andere mensen worden depressief van de winter, met die eeuwig durende duisternis en kou, maar ik krijg er juist energie van.

Ik weet nog dat mijn vader me vroeger meenam naar het bos en me sporen leerde herkennen van de wilde dieren: vogels, eekhoorns, konijnen en zelfs reeën. Ik vond het leuk om die sporen in de sneeuw te volgen en te fantaseren over wat hun bestemmingen waren en wat ze onderweg allemaal meegemaakt hadden. In de stad vind je andere sporen, maar niet minder interessant, houd ik mezelf voor. Ik volg de sporen van de kat, maar die worden helaas al snel bedolven onder versere voetstappen van haastige, ongeïnteresseerde mensen. Ik voel een steek van heimwee.

Ik plant mijn voeten in de verse sneeuw en luister naar het krakende geluid. Ik sluit mijn ogen, terwijl ik luister en voel hoe mijn voeten wegzakken. Even voelt het alsof ik alleen ben en het kraken het enige geluid is waar het in de wereld om draait. Dan open ik ze weer en ik loop richting mijn werk, het is nog schemerig in de straten, normaal ben ik nooit zo vroeg op.

Ik loop verder door een smal straatje richting mijn werk. Het kleine beetje sneeuw dat de straat heeft bereikt is inmiddels vervormd in een vieze bruine drab, door de vele voetstappen vertrapt. Aan het eind van het straatje gaan de voetsporen als een waaier uiteen. Ieder zijn eigen weg, zijn eigen mysterieuze bestemming.

Een paar straten verder kom ik aan bij het plein en ik staar naar een grote verzameling voetsporen, grote, waarin mijn voeten verdrinken, afdrukken van kleine kinderschoentjes, schoenen met strepen of ruitjes, speelse letters of helemaal geen profiel. Zelfs afdrukken van iets wat lijkt op dunne naaldhakken. Bij de bosjes verraden kleine streepjes de bezigheden van een aantal vogels. Enkele grotere rondjes vertellen me dat een kat hier misschien op zoek was naar een lekker ontbijt, hoewel ik geen sporen van veren kan ontdekken.

Ik merk dat mijn nieuwsgierigheid nog steeds niet gestild is, dus ik kies een spoor uit, eentje die toch dezelfde richting uit gaat, al is het niet de weg die ik normaal neem naar mijn werk. Toch besluit ik door te gaan. Ik weet dat de sneeuw vanmiddag zal zijn gesmolten. Een lange tijd is het spoor goed te volgen, af en toe onderbroken, maar even verderop weer op te pakken. De sporen zijn waarschijnlijk van een man, in nette profielloze schoenen met een klein hakje en een spits toelopende neus. Het soort schoenen voor zakenmannen, niet het soort schoenen om door het park te lopen.

pagina 113


Opdracht vier

pagina 114


Miranda Weernink

Even heeft de man stilgestaan bij de vijver. Ik kijk op en zie het prachtige beeld van de licht besneeuwde vijver met een dunne ijslaag bedekt, in het midden daarvan ligt een wak en een doodstille grauwgrijze reiger staat aan de rand geduldig te wachten op zijn kansen. De zon laat zijn eerste voorzichtige stralen door de bomen schijnen. Ik glimlach en loop stilletjes verder. Misschien wilde de man ook eerst even genieten, voor hij zijn saaie grijze kantoor weer binnen moest.

Op enkele huizen, een kerk en een bowlingcentrum na zijn er aan de overkant voor kilometers lang niets anders dan weilanden en boerderijen. Het zijn dan ook alleen mijn voetafdrukken en die van de man, die op de brug te vinden zijn.

Ik volg de sporen langs de IJssel en zie het donkere water dreigend afsteken tegen de lichte, met sneeuw bestrooide oevers. Even krijg ik kippenvel van de koude wind die harder waait in dit open gebied. Ik zet mijn kraag hoger en vraag me af waarom iemand hier zou willen wandelen?

En dan ineens, midden op de brug, houden de voetstappen op. De sneeuw erachter ligt onaangetast op het voetpad. Ik durf nauwelijks nog dichterbij te komen, bang om de waarheid te zien. Dan zie ik nog twee afdrukken, op de muur. Voorzichtig schuifel ik ook naar de rand van de brug, steun met mijn armen op het muurtje en staar over de rand en zie het donkere wilde water onheilspellend onder me, anders niets. Geen mooi uitzicht, geen verborgen paden.

Ik probeer me de man voor te stellen en zie een lange, slanke man voor me, gekleed in een driedelig grijs pak en met achterovergekamde zwarte haren. In zijn ene hand een zwarte aktetas en in zijn andere een even zwarte paraplu. Het stereotype beeld van een zakenman, maar het beeld klopt niet met de route die hij tot nu toe heeft genomen. Ik probeer het beeld in mijn hoofd bij te stellen, maar het lukt me niet, er klopt iets niet. Ik kom bij de brug, waar automobilisten in de file staan om de stad te ontvluchten. Het is één van de weinige routes naar de omliggende steden en een belangrijke verkeersader. Maar veel voetgangers komen hier niet.

De wind waait hier nog harder en ik loop voorovergebogen, mijn armen om mijn middel geslagen, mijn ogen gericht op de sneeuw onder mijn voeten.

Waarom? Is de enige vraag die mij nog onbeantwoord blijft. Terwijl alle andere antwoorden op hun plek vallen, zal ik waarschijnlijk nooit het antwoord op deze vraag ontvangen. Ik voel mijn blijdschap wegtrekken, de koude lucht wordt ineens erg onaangenaam en ik erger me aan het lawaai en de stank van de rijen auto’s. Mijn sprookjeswereld lijkt nu een kinderachtige fantasie. Ik ben laat voor mijn werk, besef ik me. Ik draai me om en loop in mijn eigen voetsporen terug de brug af.

pagina 115

einde


biografie M iran da W ee rn in k Al s kind hi eld ik ve el va n r. jaa 25 n be ik k, in rn ee M ijn na am is M ira nd a W n ve rh aa l er grote leg ende s, ma ar ee ov Ín ee id t me l vo t za Ik . ik lez en en sc hrijv en ke r we rd me t sc ho ol, be n uk dr ik t da or Do . kt lu ge leidi ng ec ht af ma ke n is me no oit t ik kla ar wa s me t mi jn op da Na . en ijv hr sc t me pt sto lan gz am erha nd ge ge ov er vlo ed aa n vrije tijd, lin tse plo jn mi or do ik, n go en we rk ha d ge vo nd en , be r ik stu itt e no g we er me t sc hrijv en . M aa en . Ge mo tiv ee rd ste ed s op de ze lfd e prob lem le co lle ga’s di e do or mi jn vriend en en ke ale n wi lde n legraa g wa t va n mi jn ve rh vo or de ze wo rkze n, he b ik mi j op ge ge ve n et als re su lta at sh op cre at ief sc hrijv en . M et da nk aa n de vij f vo lto oid e ve rh ale n! M db ac k va n Ju f ha nd ige tip s en po sit iev e fee em ers! M ariel le en mi jn me de de eln

pagina 116


Marielle van Sleen

opdracht 5 Brief aan jezelf (psychologie van de koude grond!) Schrijf een brief aan je jongere, oudere of huidige ik. Vertel over een gebeurtenis. Waarom heb je die keuze gemaakt? Wat waren je argumenten? Wat wil je aan jezelf vertellen? Wordt het een waarschuwing? Een verantwoording of een verslag van de gebeurtenis? Uiteraard hoeft je brief niet volledig autobiografisch te zijn. Ergens in je verhaal zit een waargebeurd element en jij mag kiezen wat het is. Je hoeft je lezer ook niet te informeren over wat waar is of wat niet. Let op! Er moet natuurlijk wel iets interessants gebeuren.

pagina 117


Opdracht vijf

De rode lijn Deze kaart heeft mijn leven bepaald. 20 jaar geleden gaf ik de Zuid-Noord route op die kaart aan, langs de toppen van de Andes omhoog naar Midden Amerika, langs de golf van Mexico met eindpunt New York. Ik gebruikte een rode onuitwisbare stift, die helaas een onbedoelde herinnering op mijn doorleefde tafel achterliet. De kaart kreeg een mooi plaatsje in onze slaapkamer.

V

anaf dat moment zwierven mijn gedachten ‘s nachts langs deze weg. De eerste stop in mijn gedachten was Buenos Aires. De stad waar ik mijn hart aan verpandde; het temperament, de tango en de heerlijke empenadas1. De stad waar ik samen met Frankwin Spaanse les volgde tijdens onze eerst wereldreis in 2002. De dunne rode lijn op de kaart gaat verder omhoog naar Bolivia en Peru. Waar ik speur naar traditioneel bewoonde valleien, bergmeren en zoutvlaktes. Ik zoek naar authentieke bewoners die op het land aan het werk zijn, totdat ik in slaap val. Ik droom van de lama’s, die met grote pakken zout en gekleurde franjes in de oren door de bergen trekken. Deze paden worden al honderden jaren bewandeld door zoutkaravanen. Ik droom van de reis door Ecuador; zittend op het dak van een trein van Alausi naar Riobamba. De wind waait door onze haren en de zon lacht ons toe. We glijden door het agrarische landschap; een met de hand ploegende boer zwaait naar ons. Tot zover zijn de landen vertrouwd.

Het onbekende gedeelte van onze reis begint op de grens met Colombia. Krijgen we toestemming om door dit politiek onrustige land heen te fietsen of vliegen we veilig over Colombia en beginnen we ons nieuwe traject pas in Panama? In Costa Rica zie ik ons al lopen over de canopywalk2 door het oerwoud. De kleurrijke vogels vliegen om ons heen en apen slingeren van boom naar boom. Op de hangende loopbruggen bewegen wij ons tussen deze prachtige dieren. Beneden wachten de stalen rossen. Zij brengen ons naar de volgende bestemming. De rode lijn op mijn kaart slingert zich verder langs het mysterieuze ruïnes van de Azteken in Guatemala. Met sombrero op fietsen we Mexico binnen. We doorkruisen de uitgestrekte pampa’s met trein, bus en fiets. Onze weg vervolgt zich in de USA langs de Golf van Mexico met witte stranden en de jazzy klanken van New Orleans. Mijn ogen gaan verder over de prachtige toppen van de Blue Ridge Mountains om later af te buigen naar onze eindbestemming New York. Vol triomf zie ik ons fietsen langs de statige wolkenkrabbers in Madison Avenue. We parkeren onze fietsen onder het Vrijheidsbeeld en drinken met weemoed een wijntje op de goede afloop. Maar waarom toch die drang naar een reis naar het onbekende? Het is zowel een innerlijke tocht als een reis door een wildvreemd landschap. We zullen beren op de weg zien, in onszelf maar ook daarbuiten. We vinden onderdak bij onbekenden, vervloeken onze fietsen, verliezen angstig de moed en gaan ook weer verder. We stijgen op bepaalde tijdstippen boven onszelf uit. Uiteindelijk keren we terug met nieuwe

pagina 118


Mira Benes

kennis; van onszelf en van de wereld. Kennis die we gaan delen met de achtergebleven familie en vrienden. Uiteraard komen we thuis met ladingen digitale foto’s en een hoofd vol herinneringen. Ik word wakker. Met tegenzin open ik mijn ogen en ik besef dat ik in ons oude vertrouwde bed in Zwolle lig. Teleurgesteld overpeins ik de heerlijke droom. Wat zou het werelds zijn om mijn tassen weer aan te haken en de wereld weer per fiets te verkennen, net als in 2002. Ik beloof mezelf dat ik deze droom in de toekomst waar ga maken. Die dunne rode lijn staat niet alleen op de routekaart aan de wand, maar ook in mijn hart gegrift. Het is nu 2024 en iedere ochtend strijk ik de randen van de kaart vlak die steeds verder vergeeld is. De scheuren zijn met dikke stukken plakband gerepareerd. Zorgvuldig vouw ik hem op om hem vervolgens in een plastic hoesje te stoppen, zodat hij nog enigszins beschermd is. Om mij heen liggen mijn fietstassen, kookgerei, plastic zakjes met kleding en uiteraard een stapeltje Lonely Planets. Ik berg de kaart zorgvuldig op in een zijvak van mijn fietstas. Straks stappen we op de fiets voor onze eerste kilometers in Zuid-Amerika. empenada: een deeg lapje gevuld met vlees of vis en steevast in de hoek een olijfje 2 canopywalk: een wandelpad tussen bomen, gemaakt van hout en touwen. Je loopt vaak hoog in de lucht tussen de boomtoppen. 1

einde pagina 119


biografie M ira B en es ed er ie, he t lie fst pe r fie ts - mo nt ka va op r ve g aa gr at Bo uw jaa r 19 72 - ga - ma rk et ee r bi j Prob oo k in kw an Fr t me d uw tro ge he ek , va n tw ee lie ve kid s - is uk vo or an de re n: sp ee l-o -t dr ijd alt en zig be f tie ea M ed ia - is graa g cr l. mf ee st va n Jen ap lei ns ch oo leu bi ju rig -ja 25 , al tiv fes Be vr ijd in gs be ke nd e en st ee ds we er on t he n va en et ni ge n, na ar M ijn grot e pa ss ie is re ize td ek ke n, af zie n en te ru g on n va x mi n ee ijd alt is ve rd er kij ke n. He t id da gb oe k bi j. M et all e re eb tg ui n ee ik u ho n ize n. De de ba sis . Ti jd en s all e re oe rig er mi jn re ize n ve rs laa tv ui nu ik ga n tte va nd ha nd ige tip s en ha we me t z’n ac hko me nd e va ka nt ie ga an Ee n ui tg eb re id te n fie ts en op Sr i La nk a. nd ere fie ts to ch t ro ut eb oe k va n de ze bi jzo t kin de re n aa n of ee n bo ek ov er fie ts en me ld zi jn nu mi jn de an de r ka nt va n de we re mi ss ch ien oo k vo or ne me ns . Di t wo rd t jn me de re iziwe l ee n co -c re at ie me t mi ige co -c re at ie, ge rs . Ne t als de ze ge we ld lig t. Da nk da t he t bo ek da t nu vo or je zo’n ge we ld ige we di t me t zi jn all en op ma ni er he bb en ge da an !

pagina 120


Marjan de Boer

Schuren langs de grens

D

aar sta ik dan in mijn nieuwe praktijkruimte, die prachtig is geworden; een praktijkruimte voor coaching, counseling en trainingen. Ik ben in mijn leven altijd mijn droom achterna gegaan en mijn lijf vertelde me wat goed voor me was en zo is mijn leven eigenlijk altijd gegaan. Na een periode dat het wat minder met me ging, is het me ook dit keer weer gelukt. Mijn gezonde verstand en mijn intuïtie hebben me op deze plek gebracht. Ja, dat is wel eens anders geweest. Een voorval dat echt op het randje was, was het volgende. Mijn ouders hadden een zeilboot, dus zaten we vanaf Pasen tot en met de herfstvakantie ieder weekend en iedere vakantie op de boot. Mijn vader had een erg drukke baan en vond dat hij deze ontspanning echt nodig had. Ik ben enig kind, wat dus betekende dat ik die lange weekenden bij mijn vriendinnen weg was en mezelf maar moest vermaken. Nu kon ik dat goed, maar ik voelde me ook regelmatig eenzaam en dan keek ik vol verlangen naar boten met gezinnen met meerdere kinderen aan boord of naar gezinnen die gewoon lekker thuis bleven en leuke dingen met anderen gingen doen. Gelukkig leerde ik Ria kennen. Ook haar ouders hadden een boot en zij lagen vaak aan dezelfde wal bij de Wijde Ee. Ik was 11 en zij 13. Dit leeftijdsverschil vond ik wel spannend. Ria was in haar ontwikkeling een stuk verder dan ik en ik zag haar als mijn grote voorbeeld. Regelmatig ging Ria een weekend met me mee op onze boot.

Zo lagen we een keer met de boot in de Prinsenhof in Leeuwarden, een stadspark waar een gracht langs loopt. We hadden ’s middags heerlijk in het park rondgestruind en waren ook de stad in geweest. In het park hadden we een paar junkies gespot, die zaten te blowen in een vervallen muziekkoepel. Ria was op hen afgestapt en ik was met knikkende knieën achter haar aan gelopen. “Wat een rare, enge gasten”, dacht ik. Toch vond ik ze stiekem wel spannend en ik was nieuwsgierig naar hen en hun leven. In die tijd verslond ik de boeken over drugsverslaving, zoals “Christianne F” en “Het verrotte leven van Floortje Bloem”. Hoe zou het zijn om een junkie echt te ontmoeten? We hebben een tijdje bij hen zitten kletsen. Het waren best leuke jongens. Naast weed gebruikten ze ook LSD en zo nu en dan cocaïne. Aan de heroïne waren ze nog niet begonnen, omdat dat heel heftig scheen te zijn. De jongens vroegen of we zin hadden om ’s avonds naar hun kraakpand te komen en ze wezen ons de weg. Die avond gingen we al vroeg naar bed. “We zijn moe en hebben zin om nog even te lezen”, zeiden we. Als twee voorbeeldige pubers doken we de punt in, waar onze bedden waren. We deden deuren goed achter ons dicht. Mijn ouders zaten niets vermoedend in de kajuit tv te kijken. Na ongeveer een half uur klommen we uit het luik dat zich op het voordek bevond. Muisstil slopen we de boot af. Op de wal zetten we het op een lopen, alsof ons leven ervan afhing. Dubbel van het lachen doken we de hoek om en daar hijgden we uit. We wisten welke kant we op moesten en al snel vonden we het juiste adres.

pagina 121


Opdracht vijf

Het pand zag er onbewoond uit en het zat onder de graffiti. Ria vertrouwde het allemaal niet meer zo en ze wilde eigenlijk terug of doorlopen en ergens een kroeg in. Ook al waren we 12 en 14 jaar oud, velen zagen ons aan voor 16 of 17. Ik was erg benieuwd naar het leven van een junk en we waren er nu zo dichtbij dat ik doordramde om toch naar binnen te gaan. We bedachten dat we altijd nog weg konden gaan als we er geen zin meer in hadden. Ria ging akkoord en we duwden de deur open. Deuren van een kraakpand zijn kennelijk nooit op slot. Met een kriebel van spanning in onze buik liepen we de trap op naar boven. Links en rechts passeerden we kamertjes. Kleine rothokken met troep, etensresten en stinkende matrassen op de grond met vies beddengoed. Op sommige matrassen zaten jongeren dwaas voor zich uit te kijken, lam van de alcohol en drugs. Op andere matrassen zagen we paartjes onbeschaamd vrijen. Uiteindelijk troffen we de twee jongens uit de Prinsenhof. Ze leken aangeschoten en boden ons een glas drank aan. Ik had geen idee wat erin zat en nam voorzichtig een slokje. De drank brandde in mijn keel en was niet te drinken: “Lekker, zei ik” en dronk dapper nog een slokje. Gezellig gingen we bij hen zitten en kletsten over ons leventje en hun leven. Allebei hadden ze geen baan op dit moment en ze deden ook geen opleiding. Ze hadden alle tijd om samen met andere ‘vrienden’ te filosoferen over het ‘Leven’ en wat er allemaal goed en fout aan was. Eén van de jongens schreef er een boek over. Dit vond ik razend interessant

en ik wilde dat boek wel eens zien. De jongens boden ons een weedsigaret aan. Ik had wel eens gerookt en zag mijn kans schoon om nu eens een echt weedje te roken. Ach, nu we er toch waren, waarom niet. De jongen van het boek vroeg me of ik zijn boek wilde zien. Ik volgde hem de trap op naar boven naar een andere kamer. Hij liet me zijn boek zien en werd tegelijk een beetje handtastelijk. Hij wreef me over mijn rug, gleed met zijn hand onder mijn T-shirt over mijn rug en via mijn buik verder naar mijn borsten. Ach, ik vond dit gefriemel wel prima. Ik zou dit soort dingen eigenlijk nooit zo snel doen of toelaten, maar ik voelde me blij en volgzaam. We zoenden en ik was verrast dat ik er zo van genoot. Toen zijn vingers richting mijn slipje gingen, verstarde ik. Dit wilde ik niet. Ik ga niet zo maar met iedereen naar bed. Ik trok me terug, maar dat stond hij niet toe. Ik gaf een ruk en glipte langs hem heen de trap af naar Ria. Ook Ria worstelde met de andere jongen om van hem af te komen. Ik gaf een schreeuw, waardoor de jongen schrok en even losliet. Ria dook onder hem door en samen renden we zo snel als we konden de trap af. Buiten moesten onze ogen even wennen aan het donker. Achter ons hoorden we de jongens van de trap af struikelen en we zetten het voor de tweede keer die avond op een lopen. Hijgend, bleek en misselijk stonden we na een tijdje voorovergebogen stil. We keken elkaar angstig aan, dit zouden we nooit meer doen. We verlangden naar ons bed met schone lakens in de boot. Een beetje

pagina 122


Marjan de Boer

angstig liepen we terug, zouden ze iets gemerkt hebben. We zagen dat de lampen al uit waren. Het leek erop dat mijn ouders niets gemerkt hadden en onbezorgd waren gaan slapen. Heel voorzichtig lieten we ons door het luik zakken. We stonden stokstijf stil toen mijn moeder ineens riep: “Wat is er?” “Niets”, riep ik snel, “ik moet even naar de wc”. Opgelucht lagen we in bed. Nee, zo iets doms zouden we nooit weer doen, meegaan met vreemde jongens en sterke drank en drugs gaan gebruiken. We hadden ons portie gehad. Nu kijk ik tevreden in de prachtige lichte ruimte rond. Het is op de eerste verdieping van een grachtenpand in Zwolle. Door de grote ramen schijnt de zon door het prille groen van de oeroude boom in de tuin vrolijk naar binnen. Het geluk dat ik voel is intens. einde

pagina 123


Opdracht vijf

Brief aan mijzelf

H

et is al laat wanneer ik met een fles wijn in de hand kijk naar het betraande gezicht in de spiegel, die ik voor dit doel, op tafel heb gezet. Een brief aan mijzelf, waar zal ik beginnen? Hoezo werkt dit therapeutisch en zal het mij helpen een oplossing te vinden? Dat vraag ik mij af, maar ik probeer het toch. Ik begin met de aanhef. Lieve ik, waarom heb ik nooit beseft dat mijn vriend geen kinderen meer wil en dat ik dat wel dolgraag zou willen! Ik stop en kijk naar de woorden die ik opgeschreven heb. Ik steek de kaars aan die op de tafel staat en dan bij kaarslicht en zonder te haperen of na te denken rollen de woorden uit mijn pen. Het voelt bevrijdend om deze gevoelens van mij af te schrijven. Waarom ben ik vijf jaar geleden verliefd op hem geworden? Ik weet het wel, hij is fantastisch! Hij is alles wat ik zoek in een man, de jaren voor hem, waren jaren met vaak liefdesverdriet en het onbewuste verlangen naar wat ik nu heb. Daarnaast is hij een geweldige vader voor zijn vijftien jarige dochter, ze aanbidt hem. Het is vertederend om hem als vader te zien, hij is zo dol op haar. Ze zijn twee handen op één buik, nou ja meestal dan, nu heeft ze een geheim voor hem en ze heeft mij in vertrouwen genomen. Ik kijk om me heen, we wonen heerlijk en onze keuken, waar ik nu zit, is met de grote eettafel een geliefde plek waar iedereen graag aanschuift. Toch lijkt het alsof het hele huis zit te wachten op een helder zuiver kinderstemmetje dat de vertrekken vult met geluid.

Lieve ik, wat moet ik doen om hem te overtuigen dat hij nog een kind wil? Hij geniet van de vrijheid die hij terug heeft. Lisette heeft hem niet meer dagelijks nodig en hij voelt zich ‘oud’ met een puberende dochter. Wanneer ik lees in tijdschriften dat je vanaf je vijfendertigste zoveel minder vruchtbaar wordt en de kans op complicaties zoveel groter, dan ga ik het liefst vandaag nog naar de dokter om het spiraaltje te laten verwijderen. Was ik maar aan de pil, dan zou ik deze gewoon af en toe vergeten... Ohh, schrijf ik dat echt op, dat meen ik niet! Lieve ik, jij bent mij en ik ben jou, wat zou het toch mooi zijn als ik vannacht het antwoord kan dromen. Moet ik hem onder druk zetten? Zal ik proberen hem over te halen, of zal dreigen helpen? Alhoewel, misschien gaat hij dan wel bij mij weg. Hij zegt dat hij van mij houdt, dat weet en voel ik wel, maar wanneer is het voor iemand genoeg? Duw ik hem van mij weg, wanneer ik het op deze manier ga aanpakken, is wachten dan de oplossing? Hij is heel duidelijk, hij houdt van mij en het doet hem verdriet dat hij mij pijn doet, maar hij wil echt geen kinderen meer. Ik snap hem ook wel, ik verwacht van hem dat hij bij twee vrouwen een kind heeft, terwijl ik zelf geen kinderen van verschillende vaders wil. Kan één van ons veranderen? Ik houd zo ontzettend veel van hem, maar wanneer ik zijn keuze respecteer blijft de liefde dan wel sterk genoeg? Ga ik hem dan niet verwijten dat hij niet mee wil werken aan mijn kinderwens en dat wij nooit een ‘echt’ gezin worden? Lisette heeft een moeder, die ben ik niet.

pagina 124


Carmen van Coesant

Wat ben ik vorige week geschrokken toen ze dacht dat ze zwanger was. Wat waren zij en ik opgelucht dat het vals alarm was. Ik helemaal, kun je het voorstellen, oma worden op mijn vierendertigste, nog voordat ik moeder ben, dat kan echt niet! In het weekend mag ik ‘proeven’ aan het moederschap en nu wil ik het zelf ook zo graag. Het doet echt pijn dat hij dat niet wil. Wat was het fijn geweest wanneer hij enthousiast had gezegd; “Eindelijk lieverd, ik was net van plan om er met je over te beginnen.” En dat we dan samen elke maand in spanning zouden zitten of het al zo ver zou zijn. Ik leg de pen neer en lach sarcastisch, dat gebeurt alleen in romantische films. Ik stop met schrijven en sla het glas wijn in één keer achterover en pak dan de pen weer op. Zal ik bij hem weggaan en proberen om iemand anders te leren kennen, zodat ik van die man, even kijken, binnen twee jaar zwanger word? Kan ik verliefd worden op iemand anders alleen om een kind? Nee, ik kan me niet voorstellen om bij een andere man in bed te liggen, een ander lichaam aan te raken en laat staan proberen een baby te maken, dat lijkt mij geen oplossing. Ik schenk nog een glas wijn in en overdenk wat ik opgeschreven heb. Misschien ben ik wel onvruchtbaar, dan is deze hele brief overbodig. Wist ik dat maar. Misschien moet ik een zaaddonor overwegen, waar doe je dat eigenlijk? En als ik dan een kindje heb, ga ik hem of haar dan alleen opvoeden? Gatver, een zaaddonor, daar wil ik niet eens over nadenken. Ik leg de

pen neer en zucht. Mijn ogen glijden over de fotowand aan de muur. Ik zie foto’s van ons tweetjes in Botswana op een olifant, in Oeganda in de jungle op zoek naar Gorilla’s, in Thailand op een longtailboot en Groenland waar we op een boot uitkijken over de walvissen op het water. Ook met Lisette zijn we veel weekenden weg geweest, er hangen foto’s van ons drietjes in Rome, Londen en Barcelona. Hoe heb ik toch al die vijf jaar ongemerkt voorbij laten gaan zonder zoiets cruciaals als een kinderwens te bespreken? Ik weet niet of deze brief aan mijzelf helpt. Ik kan nog uren en uren doorschrijven, maar merk dat ik in herhaling val, ik eindig met de woorden; “Ik wil hoe dan ook moeder proberen te worden, maar het allerliefst wel samen.” De laatste woorden vloeien net mijn pen uit wanneer ik opschrik, daar staat hij in z’n boxershort. Zijn haar piekt alle kanten op en met een schorre slaperige stem vraagt hij wat ik aan het doen ben... Ai, morgen schrijf ik verder... Liefs, mij einde Noot voor de lezer: Verzonnen verhaal met maar een klein waargebeurd element.

pagina 125


Opdracht vijf

Brief aan mezelf Lieve Marg,

J

e zult wel verbaasd zijn om een brief te ontvangen van mij, je eigen ik. Al die jaren heb ik heel geduldig zitten luisteren als je me schreef, maar nu is het tijd geworden om eens iets terug te zeggen. Wees niet bang, ik zal je vertrouwen niet beschamen. Alles wat je me ooit hebt toevertrouwd, blijft tussen ons. Ook zal ik je niet afrekenen op je fouten en je onzekerheden. Nee, dit moet een positieve brief worden, zo eentje die je regelmatig nog eens terugleest en die je hart verwarmt en een glimlach op je gezicht tovert. Er is zoveel wat ik je wil vertellen! Laat ik dus maar bij het begin beginnen. Tegenwoordig schrijf je me vrijwel elke dag, maar er zijn ook periodes geweest dat je helemaal niets van je liet horen. Dit is geen verwijt hoor, maar in die periodes was ik ronduit nieuwsgierig naar hoe het met je ging. Soms was ik zelfs een beetje bezorgd en dacht ik: “Zou ze het nog wel leuk vinden om met me te corresponderen?” Het digitale tijdperk rukt steeds verder op en er zijn al zo veel mensen gezwicht voor het gemak van e-mail en Whatsapp. Aan de andere kant ken ik je ook goed genoeg om te weten dat je me niet in de steek zult laten. Genoeg nu over mij, want dit is een brief voor jou. Ik wil je namelijk laten weten hoe trots ik op je ben om wat je allemaal bereikt hebt, ook al is dat niet zonder slag of stoot gegaan. Zonder in detail te treden, weten we immers allebei dat de afgelopen jaren niet gemakkelijk voor je zijn geweest.

Weet je, ik zou terug in de tijd kunnen gaan en je kunnen behoeden voor al je fouten, maar dan had je leven er wel heel saai uitgezien. Bovendien gebeurt alles in je leven met een reden, ook al voelt dat niet zo als je net gedumpt bent of te horen hebt gekregen dat je contract niet wordt verlengd. Ik kan je echt aanraden om naar de positieve uitkomsten van deze negatieve gebeurtenissen te kijken. Wees blij dat je bij je vorige werkgever bent weggegaan voordat de boel failliet werd verklaard! Die jongen die je gedumpt heeft, heeft je bovendien een dienst bewezen. Zonder hem was je Olaf immers nooit tegengekomen. Oké, dit waren nog gemakkelijke voorbeelden, maar er zijn natuurlijk ook gebeurtenissen waar je echt geen positieve draai aan kunt geven. Het enige wat je in dat geval kunt doen, is ervoor zorgen dat je niet ten onder gaat aan negatieve gedachten en gevoelens... en dat heb je met verve gedaan! Ik vind het zo knap van je dat je zelfs op slechte dagen blijft kijken naar de positieve dingen. Je houdt nu ongeveer anderhalf jaar een boekje bij waarin je elke dag drie positieve punten noteert. Blijf daar vooral mee doorgaan en laat je blik niet vertroebelen door je eigen onzekerheid. Je hebt een heleboel persoonlijke eigenschappen die de moeite waard zijn. Zo ben je betrokken, sociaal en eigenwijs. Ik weet dat er mensen zijn die jouw eigenwijsheid ronduit irritant vinden, maar ik vind het eigenlijk wel verfrissend. Waar een ander allang zou hebben opgegeven, zet jij door. Ook al zeggen duizend mensen dat je beter naar links kunt gaan, dan nog ga jij naar rechts. Jij ziet namelijk mogelijkheden waar

pagina 126


Margriet Dalmeijer

anderen slechts beperkingen zien. Ja, ik snap als geen ander hoe frustrerend het is als mensen je niet begrijpen, ik ben immers jou, maar dat is geen reden om bij de pakken neer te gaan zitten. Laat anderen maar kletsen, want wij weten wel beter!

kijken: deze brief van mij aan jou is gepubliceerd in een heuse verhalenbundel. Wie had dat gedacht toen je een paar maanden geleden voor het eerst van de schrijfcursus hoorde? Zo worden we allebei toch ook nog een beetje beroemd ;-).

Er is één gebeurtenis in het bijzonder die ik hier wil uitlichten en dat is je besluit om, tegen alle adviezen in, na het behalen van je bachelordiploma toch een masteropleiding te gaan doen. “Ach, stop er toch mee,” zei iedereen, “want het is veel te zwaar voor je. Je zit al niet lekker in je vel en de universiteit is niet naast de deur.” Zelfs Olaf vond dat je beter met je opleiding kon stoppen. Jij keek echter naar de lange termijn en zei: “Als ik het niet doe, krijg ik er spijt van; ik moet en zal dat diploma halen, al is het ’t laatste wat ik doe!” Het was absoluut niet gemakkelijk, maar je hebt het gered. Deze gebeurtenis is een voorbeeld van hoe sterk je eigenlijk bent, veel sterker dan je zelf denkt! Er is moed voor nodig om tegen alle adviezen in te gaan en je eigen koers te volgen. Als je het niet probeert, weet je nooit of het lukt.

Ik weet niet wat de toekomst ons nog zal brengen, maar ik voorzie een heleboel goeds. Blijf me vooral schrijven en vertel me over de dingen die je hebt meegemaakt. Deel je dromen, je gevoelens en je verhaalideeën met me, maar wees bovenal jezelf, want je bent precies goed zoals je bent, inclusief je onzekerheden en de fouten die je maakt. Schrijf je me snel terug? Ik ben namelijk erg benieuwd naar je reactie op mijn brief. Veel liefs, Marg

Neem nou de cursus creatief schrijven die je hebt gevolgd. In het begin was je vreselijk onzeker en bij elke opdracht vroeg jij je af of je het wel goed had gedaan. Toch kwam je me na elke bijeenkomst weer vertellen over de positieve feedback die je op je schrijfsels had ontvangen. Zie je wel; je kunt het wel! Het gaat niet vanzelf, maar als je er je schouders onder zet, kom je een heel eind! En moet je nu eens pagina 127

einde


Opdracht vijf

Lieve Bee,

D

aar zit je. Op de bank bij je broer en schoonzus thuis. Tegenover je zitten je ouders met hun twee kleinzoons op hun armen. Net geboren, kwetsbaar en klein. Het is de plaats waar je het liefste wil zijn. Het is de plaats waar je het liefst hard vandaan wil rennen. De blijheid, de trots en de emoties die van de gezichten van je ouders zijn af te lezen, snijden door je ziel als een scherp mes. Daar zit je. In de katholieke kerk, naast je broer. Naast hem je schoonzus en haar beste vriendin. Je wordt meter van één van je neefjes. De trots en blijheid vechten in je hoofd en je hart met het verdriet en de pijn. Jarenlang heb je geroepen dat het allemaal niets was, dat je er niets van wilde weten, dat je er nooit aan zou beginnen. Maar als mensen goed hadden geluisterd, hadden ze gehoord en gezien dat je er niet aan toe durfde te geven. Want in kinderen zie je jezelf terug en dat is altijd het probleem geweest. Dat je jezelf niet de moeite waard vond om te herkennen in kinderen. Dat je jezelf überhaupt niet de moeite waard vond op welke manier dan ook. Men kon het tegendeel beweren, maar écht geloven deed je het niet. Zelfs niet als je ouders het tegen je zeiden, want diep in je hart dacht je dat je ouders niet anders konden dan het zeggen: je bent tenslotte hun kind. Na een hard en lang proces van werken en vechten ben je nu op een punt aangekomen dat je met jezelf in een kamer kan zijn, dat je naar jezelf kan kijken en

oprecht kan zeggen dat je de moeite waard bent. Een proces dat met vallen gepaard ging, met mensen die je nog verder naar beneden hebben geduwd, met mensen die je als vanzelfsprekend hebben beschouwd en met mensen die alleen aan zichzelf dachten. Maar ook een proces van stap voor stap de goede richting opgaan met mensen die je vooruit hebben geholpen, met mensen die je meenamen als je in een zwarte plaats zat en met mensen die je geleerd hebben dat je het waard bent om mee om te gaan. Je kunt nu zien dat je ouders het menen en dat kan je ook echt tot je laten doordringen. Hoe hard je gewerkt en gevochten hebt, weten de mensen die overgebleven zijn in je leven. Vijfentwintig jaar doen zoals je denkt dat mensen van je verwachten, creeërt ongelijke vriendschappen en relaties. Als je dan ‘ineens’ verandert, raken mensen in de war en snappen ze het niet. Je bent ‘ineens’ niet alleen meer met hen bezig, maar ook met jezelf en wat jij wilt. Veel mensen kunnen daar niet mee omgaan, maar de mensen die overblijven.........dat zijn de échte mensen. En daar kun je op bouwen. En die willen dat jij écht gelukkig wordt. Dat zijn de mensen die vanaf het begin hebben gezegd dat je goed bent, zoals je bent. Het probleem is echter dat je niet weet wat je gelukkig maakt. Is het je leven zoals het nu is? Gevuld met vrienden, familie, je beesten, werk, activiteiten waar je van geniet en de vrijheid om je eigen keuzes te maken. Een leven dat heerlijk is, maar waarbij je wel het gevoel hebt dat er iets mist.

pagina 128


Barbara Dijke

Of is het het leven waar je altijd tegenaan geschopt hebt: het leven met huisje-boompje-beestje. Het leven dat je bij mensen om je heen ziet en waar je diep in je hart een moord voor zou doen. Een leven met man en kinderen. Een leven dat fijn lijkt, maar waarbij vast en zeker niets alles fijn is. Het gras is immers altijd groener bij anderen. Voor het laatste leven moet je echter wel dingen veranderen in je leven, in jezelf. Je ziet om je heen dat mensen elkaar aanvullen, dat ze weten dat de ander hen ruggesteun geeft. Als je dat wilt, kan het niet anders dan dat je iemand zoveel vertrouwen geeft dat je hem toelaat achter dat laatste stukje muur dat je om je heen hebt zitten. Dat laatste stukje muur dat gebouwd is, nadat de Duitser het vorige deel met een sloopbal kapot geslagen heeft en de resten ervan tot stof vermalen heeft.

vertrouwen hebben in die ander. Helemaal als het gaat om hulp bij het vinden van de weg naar een leven dat misschien beter voor je is, dat beter bij je past. Bee, kies de weg die je naar het leven leidt dat je diep in je hart wil. Kies niet een andere weg uit angst en onzekerheid. Hef je hoofd, vind die ene en laat hem dat laatste stukje van jezelf zien. Dan zal je vertrouwen in hem niet verkeerd blijken te zijn. Je zult een nog mooier persoon worden als je je hart opent voor iemand die dat op waarde weet te schatten. En wees niet bang jezelf terug te zien in kinderen. Wees trots als je jezelf ooit kan terugzien in je kinderen. Dan hebben ze vechtlust, lef en de mogelijkheid tot liefhebben. Ga op de duikplank staan en spring in het diepe.............het risico is het waard. Je leven zal er waarschijnlijk mooier en liefdevoller van worden. einde

Een andere stap om tot dat leven te komen, is dat mensen je mogen helpen. Je hoeft niet alles alleen te doen: anderen willen je helpen. Je laat meer en meer toe dat mensen je helpen, maar de eerste reactie is bijna altijd nog om dingen zelf te regelen, te doen zonder hulp van anderen. Gelijkwaardige relaties bestaan uit tweerichtingsverkeer. Niet alleen dat jij er voor anderen bent, maar dat je ook toestaat en toelaat dat anderen er voor jou zijn, dat je om hulp vraagt. Ook al gaat het om het openmaken van je fietsslot als je vingers de kracht er niet voor hebben. Hulp is geen teken van zwakte. Hulp accepteren is een teken van pagina 129


Opdracht vijf

GELUK Lieve Andrea,

W

ant lief, dat ben je. Misschien zelfs een beetje te lief, en dat is waarom jij je in het verleden zo vaak de kaas van het brood hebt laten eten. Het is je vergeven. Je bent erfelijk belast. Gelukkig ben je ook méér dan lief. Je beschikt ook over ondernemersgeest, doorzettingsvermogen en je laat jezelf, wat er ook gebeurt, niet klein krijgen. Je hebt dan wel de nodige teleurstellingen verwerkt, je hart is meer dan eens gebroken, je bent beledigd, in de steek gelaten en verraden, maar je bent er nog steeds. Jouw tijd komt nog. Je bent immers een laatbloeier. Je ouders hadden niet kunnen vermoeden wat er achter je naam schuil ging toen ze je die gaven. Ze hebben je vernoemd naar een actrice uit hun tijd, Andrea Domburg. Ze vonden het zo’n bijzondere naam en wilden je een naam geven die je niet makkelijk afkort. Maar natuurlijk was je jaren bekend als Drée, voor familie zelfs Dreetje. Hoezo, niet afkorten? Van de betekenis van je naam ging echter niets af. Je naam betekent de mannelijke, de sterke, de krijger. Je bent ook nog eens geboren onder het sterreteken Ram, gedomineerd door de planeet van de oorlog, Mars. Mag het dan nog toeval heten dat je leven gekenmerkt werd door strijd? Hoe vaak had je niet het gevoel dat je strijd hebt moeten leveren om iets te bereiken? Of voelde je de behoefte om je los te vechten uit de situatie waar jij je in bevond?

Steeds als je dacht dat je niet meer verder kon, al die keren dat je zei dat je was moe gestreden, dan nog vond je de kracht om door te vechten. Wat moet het heerlijk zijn om vol zelfvertrouwen de wereld tegemoet te kunnen zien. Jij hebt dat genoegen nooit mogen smaken, gebukt als je – al van kind af aan – ging onder overgewicht en verlegenheid. Bovendien ben jij nooit gezegend met de sociale vaardigheden die zo veel vrouwen zo vanzelfsprekend en natuurlijk zijn gegeven. Dat maakt je een gemakkelijke prooi voor mannen die niet zulke goede bedoelingen met je hebben en die heb je dan ook op je weg gevonden. Dat heeft je veel geld en veel hartzeer gekost. Je ziel draagt de littekens van al die emotionele veldslagen. Vechten is je tweede natuur geworden, zelfs nu het niet meer hoeft. Je hebt een man, die van je houdt om wie je bent en die de vrouw in al die mannelijke bravoure terugvindt. Tegen hem hoef je niet te vechten, al probeer je dat toch nog wel eens. Oude gewoontes leer je immers maar moeilijk af. Maar je kunt hem vertrouwen, hij zal je niet in de steek laten. Eindelijk heb je geluk in de liefde, al had je er niet meer op gerekend. Wat was je vaak gefrustreerd over je werk! Na je begin als secretaresse had je al heel snel het gevoel dat dit werk niet geschikt was voor jou. Toch heb je het bijna 25 jaar gedaan, tot je kennis maakte met het vak dat echt bij jou hoorde, informatiemanagement.

pagina 130


Andrea de Palm

Ook daar kreeg je de nodige frustraties en teleurstellingen te verduren. Je kwam tot de ontdekking dat het werknemerschap niet bij je paste en je begon voor jezelf. Na twaalf jaar ondernemen met vallen en opstaan is nu dan ook eindelijk je grote zakelijke doorbraak gekomen. Behalve een goed lopend adviesbureau met een uitstekende reputatie heb je een paar bestsellers op je naam staan. Je moeder heeft het altijd al gezegd: “Je bent een laatbloeier”. Al heb je soms gewanhoopt, nu heb je alles bereikt wat je graag wilde: een goede man, een succesvolle onderneming, financiële onafhankelijkheid, het droomhuis dat je zo graag wilde en zelfs een prestigieus kantoor, gevuld met gemotiveerde mensen, die voor jou werken. Strijden hoeft niet meer, je mag je zwaard neerleggen en genieten van alles waar je zo hard voor hebt gevochten. Zo zie je maar dat het geluk zelfs voor jou is weggelegd! Liefs, Drée einde

pagina 131


Opdracht vijf

In het verleden behaalde resultaten... Beste Dennis,

G

oh, de laatste keer dat ik zo vriendelijk tegen je begon, kan ik me niet zo goed herinneren. Nee, sterker nog, de enige tekst aan mij gericht, die zo begint, is van je familie afkomstig, op een verjaardagskaart geschreven! Maar goed, Dennis, zoals de kop al doet vermoeden is er geen garantie voor de komende jaren. Als je eerlijk durft te zijn over vervlogen tijden en die nu bekijkt, is er een patroon te zien, waarin je jezelf tegen beter weten in de das hebt omgedaan door negatieve ervaringen te koppelen aan je verwachtingen. Die verwachtingen blijken dan eerder waar te worden dan je jezelf eigenlijk had willen wensen en het nadeel is natuurlijk dat je er erg onder gebukt bent gegaan. Erger nog, deze realiteit heeft ook de mensen, die veel van je houden, meer zorgen gebracht dan nodig was geweest. Om dit te voorkomen in de tijd die nog komen gaat, wil ik je graag jezelf zien helpen door alleen nog te zoeken en te kijken naar de positieve ervaringen die je hebt opgedaan over diezelfde jaren (zeker in de laatste acht jaar). Ik ben namelijk van mening, dat je in essentie een leuk mens bent! Na een moeizaam begin van je zelfstandige leven is het je goed recht - en plicht - om het roer, na omgooien, in de goede richting te houden. Dan zul je merken, dat de kans groot is dat je verwachtingen ook zo zullen uitpakken en dat het dan voor je

liefhebbende omgeving ook veel makkelijker wordt om van je aanwezigheid te genieten. In theorie is iedereen het hierover eens! Toch zijn er aspecten aan het aardse bestaan, die eigenlijk niet horen te worden geaccepteerd en die zullen je tegen de borst blijven stuiten. In het verleden zag je het als je taak deze momenten aan de kaak te stellen op een persoonlijke manier. Het resultaat was eigenlijk altijd hetzelfde: men voelde zich onterecht aangevallen en jij was dus de gebeten hond. Het is dus niet genoeg om het beste voor te hebben - men moet er zelf door ervaring achter komen om tot inkeer te geraken - iets wat dus niet aan jou is! Blijf voortaan maar op de vlakte tot men je vraagt naar je mening en zelfs dan is het verstandig om de vraag terug te spelen. Nu ik het risico loop om in herhaling te vallen wil ik je vragen nog eens terug te denken aan je allervroegste herinneringen, waarbij je teleurgesteld bent geraakt en bedenk dan dat je intenties altijd goed waren en dat er dus eigenlijk door de reactie en gevolgen een negatieve ervaring is ontstaan. Ik wil zeggen dat jij jezelf pas daarna hebt laten kennen en dat je daar eigenlijk de meeste last van hebt gehad. Je allerlaatste ervaring met andere mensen is een positieve. Het feit wil dat dit allemaal vrouwen betrof iets wat je eigenlijk als onmogelijk voorzag om zĂł goed met ze op te kunnen schieten. Het komt me voor dat jullie ĂŠĂŠn groot voordeel hadden.

pagina 132


Dennis Pronk

Jullie wilden namelijk allemaal hetzelfde: leren creatief te schrijven. Het lijkt me daarom zaak dat je meer tijd steekt in mensen met dezelfde wensen. Blijf lief, eerlijk en oprecht en ik hoop dan dat je jezelf in de toekomst weer weet te waarderen om wie je werkelijk bent. Groetjes en sterkte van je Ziel, XXX einde

pagina 133


Opdracht vijf

Brief aan jezelf Zwolle, maart 2012

H

et is vandaag prachtig weer! Je kunt wel merken dat het voorjaar in aantocht is. De zon schijnt en daardoor is het binnen heerlijk warm. Deze warmte is toch wel een stuk aangenamer dan die van de centrale verwarming. Zodra er een aantal stralen naar binnen vallen, merk je dat direct. Ik zit achter het raam in de zon, met een kopje thee binnen handbereik, deze brief aan mezelf te schrijven. Het is een fijn rustmomentje. Daar ben ik inmiddels ook wel aan toe. Ik heb het vandaag namelijk op mijn heupen. Met de eerste zonnestralen en de stijgende temperatuur, is ook de opruimwoede tevoorschijn gekomen. De lente is in aantocht en hij heeft de voorjaarsschoonmaakkriebels alvast vooruit gestuurd. Dat die kriebels echt bestaan heb ik inmiddels wel ontdekt. Eigenlijk zou ik vandaag een heleboel andere dingen doen, maar ik kon het niet laten om als een wervelwind door het huis te razen. Het begon toen ik een stapel papieren op mijn bureau zag liggen. Zo’n stapel die alsmaar hoger en hoger wordt omdat je er, een keer, nog even ‘iets’ mee moet doen. Plotseling stoorde ik me daar mateloos aan. Dat bureau wilde ik opgeruimd hebben. Gewoon wat rust creëren. Gestimuleerd door deze drang naar opruimen heb ik die stapel onder handen genomen. Het gevolg was dat er een sneeuwbaleffect optrad. De kasten zaten, wat mij betrof, veel te vol, en door de ramen kon ik bijna niet meer kijken. Hier moest iets aan gedaan worden en wel direct!

Het klinkt belachelijk, maar vandaag voel ik verwantschap met hamsters. Ik heb eens gelezen dat die wel veel verzamelen, maar dat ze hun huis heel netjes houden. Dat komt me bekend voor, want je kunt niet zeggen dat ons huis niet netjes is. De spullen die de hamsters verzamelen, bergen ze op in speciale ruimtes. Ik denk dat die ruimtes in de mensenwereld kasten genoemd worden. Die volle kasten, je kent het wel. We bewaren allebei veel spullen, want ‘het komt altijd nog wel eens van pas’. Onze kasten puilen dan ook behoorlijk uit. Ik besloot daar vandaag maar eens korte metten mee te maken. Uitmesten, opruimen en weggooien. Heel veel weggooien. Ik ben vastberaden aan het werk gegaan. Kleding, rommeltjes, boeken, tijdschriften en stapels papieren zijn op de dit-kan-weg-stapel beland. Inmiddels staan er drie vuilniszakken klaar om weggegooid te worden. Wat een heerlijk gevoel! Dat ruimt lekker op. Ik was goed bezig tot ik achter in een kast stuitte op een vrolijk oranje gekleurde doos. Ik kon me niet herinneren dat we die hadden. De doos bleek vol foto’s te zitten. Het is maar goed dat ik dat pas ontdekte nadat ik de eerste vuilniszakken gevuld bij de achterdeur had staan, want ik heb me er uren mee zitten vermaken. De opruimwoede was meteen over. Dat is altijd één van de grootste gevaren tijdens het opruimen. Je komt zeker weten dingen tegen die je was vergeten en die je niet kunt opbergen of weggooien zonder het eerst uitgebreid te bekijken.

pagina 134


Irene Schrijver

De rest van de middag heb ik niks gedaan en van de nietsontziende houding waarmee ik de voorjaarschoonmaak begon, was weinig over. Ik zat in kleermakerszit op de grond met de stapels foto’s om me heen. Wat een feest van herkenning en herinneringen! Het bleek een doos vol losse kiekjes te zijn. Er was niks ingeplakt en er zat ook geen logische volgorde in. Het ene moment zag ik een plaatje van mezelf als baby en de volgende foto was er één van tijdens mijn studie. Alles kwam voorbij.

Ineens was daar een sprongetje in de tijd, want ik kreeg een foto uit mijn studententijd te pakken. Het was er één van tijdens een feestje. De kleren die ik daar aan heb zijn erg leuk. Niks mis mee. Misschien zou ik ze nu weer aantrekken. Maar dan die schoenen! Ik snap niet dat men me zo de deur uit heeft laten gaan. Waarschijnlijk zijn dat de enige, in mijn ogen, geschikte schoenen geweest voor die gelegenheid, maar ze misstaan zo verschrikkelijk. Ik krijg er, met terugwerkende kracht, schaamtegevoelens van.

Het foto’s kijken is de aanleiding om deze brief aan mezelf te schrijven. Terwijl ik de foto’s één voor één bekeek, betrapte ik mezelf erop dat ik regelmatig ‘wat erg!’, ‘dat meen je niet!’ en ‘dat kan echt niet!’ riep. Er kwamen kapsels, schoenen en jurken voorbij die niet om aan te zien waren. De eerste foto waarvan ik erg schrok, was er één van mezelf met een enorme pony. Ik had lang, donker haar en wilde dat ineens afknippen tot een halflange lengte, inclusief een pony tot vlak boven mijn ogen. Zo’n pony staat me echt totaal niet. Een gevoel van spijt bekruipt me iedere keer als ik de bewuste foto zie. Zouden die pony’s toen in de mode zijn geweest?

Mijn vader zei eens, toen ik commentaar gaf op een foto waarop duidelijk te zien was dat ik een mislukte poging had gedaan om er leuk uit te zien, dat ik er over tien jaar weer zo over zal denken. ‘Dan zeg je precies hetzelfde over de kleren die je nu aan hebt.’ zei hij.

En dan zijn er nog die schoenen. Ik weet nog heel goed hoe verliefd ik was op mijn knal roze lakschoentjes. Mijn moeder vond ze afschuwelijk, maar ik wilde ze altijd dragen. Of de schoenen nou bij een outfit pasten of niet, het maakte mij niet uit. Ik droeg ze zoveel mogelijk. Inmiddels begrijp ik mijn moeders afschuw...

Een afschuwelijk idee is dat! De kleren die je nu aan hebt, die je met zorg hebt uitgezocht, waarin jij je lekker voelt of waarvan je zeker weet dat je er fantastisch in uit ziet, zijn misschien wel de kleren waar je later gechoqueerd naar kijkt. Maar het relativeert ook. Je hoeft je tenminste niet zoveel zorgen te maken over eventuele fashion bloopers. Later zul je toch vinden dat je ze hebt begaan. Wees maar blij met wat je nu aan hebt en kijk er later met plezier, wat voor plezier dan ook, op terug!

pagina 135

einde


Opdracht vijf

Wat nou als

D

oe dit nooit weer! Echt ik meen het. Laat je niet overhalen door anderen, welke mooie praatjes ze ook hebben. Ook niet door jezelf. Dat het goed is voor je, dat je hiermee je angsten overwint. Nou ik heb ze nog steeds niet overwonnen en ik ben nu zo zenuwachtig dat het eigenlijk niet leuk meer is.

Ik heb mezelf opgegeven voor een workshop. Had iemand me toen maar tegengehouden, want ik wil niet meer, nooit meer! Vanavond, of eigenlijk over enkele uren al, begint mijn eerste workshop Creatief Schrijven. En ik zie er de hele dag al tegenop. Van werken is niet veel terechtgekomen, veel drinken, weinig eetlust met als gevolg dat ik de helft van de tijd op de toiletten heb doorgebracht om mijn blaas te legen, ik zweet als een varken en ik ben mijn pepermuntjes vergeten, een goede indruk maken kan ik wel vergeten. Want wat nou als iedereen perfecte verhalen uit de mouw laat rollen of ter plekke een heel sprookje kan voordragen, met hele diepdoordachte symboliek en ingewikkelde zinsvormen mij verstomd kan laten staan of gewoon simpelweg mijn genre niet leuk vindt? Wat nou als ik tijdens de workshop al moet gaan schrijven en mijn inspiratie, mijn fantasie die me altijd en overal in de weg zit, nou net op dat moment stil blijft? Wat nou als er alleen maar stelletjes, mannen, bejaarden of kinderen op deze workshop hebben gereageerd, wat nou als ik er niet tussen pas?

Daarnaast denk ik niet dat ik ooit iets kan schrijven dat ik goed genoeg vind om met iemand te delen. En vooral niet als diegene tegenover mij staat. Doe dit vooral gewoon wel! Ik kom net terug van mijn eerste workshop creatief schrijven en het was gewoon ontzettend leuk! Al die wat-nou-als-vragen zijn gewoon allemaal niet uitgekomen. Ik heb in tijden niet zoveel plezier gehad en me zo op mijn gemak gevoeld bij vreemde mensen! Ze waren eigenlijk allemaal een beetje zoals ik: onzeker over hun eigen schrijfwerk tot nu toe of niet wetende hoe te beginnen of eindigen. Gewone, aardige, gezellige mensen, waar ik prima tussen pas. Mijn inspiratie liet me ook niet in de steek, zoals ik had gevreesd. Door middel van een moodboard kwamen de ideeĂŤn voor het eerste verhaal mijn hoofd al binnenstromen. Het wordt echt een goed verhaal, ik kan hem nu al bijna aan je voorlezen. En de verhalen van de workshop worden gebundeld en uitgegeven in een boek! Mijn boek! Mijn eerste stapje in de richting van een bestseller. Oh, zou ik nu een andere naam, een soort van alias moeten nemen voor als ik echt beroemd word? Weet je, mijn achternaam klink niet erg commercieel. Moet ik daarvoor iets verzinnen, met een A? Tussen welke schrijvers zou ik dan komen te staan? Eerst maar eens even mijn verhaal uittypen. Ik moet echt iedereen bedanken die me gestimuleerd heeft deze workshop te gaan volgen.

pagina 136


Miranda Weernink

Nee, doe dit toch maar gewoon niet, denk ik. Ik durf niet. Het mocht dan zo leuk zijn geweest tijdens de vorige workshop, maar nu moet ik mijn toch niet zo fantastische uitkomst van mijn verhaal gaan voorlezen! Ik kan helemaal niet voorlezen, ik heb een accent en ik stotter, en ik vind mijn verhaal niet goed genoeg! Ik durf niet! Wat nou als ik over mijn woorden struikel tijdens het voorlezen, of plots hardop moet lachen om een grap die nog moet komen. Wat nou als iedereen moet lachen op een niet grappig stuk, of andersom dat ze niet moeten lachen wanneer het juist wel grappig bedoeld is? Wat nou als mijn verhaal gewoonweg slecht is? Ik weet wel dat ik me aanstel, de anderen hebben natuurlijk ook elk hun eigen verhalen, met knappe oosterse prinsen en romantische scènes, achtervolgingen en ontsnappingen, liefde en bedrog, humor en ontroering. En als ze dan toch voor de literaire kant met de diepere gedachtegang kiezen, die uiteindelijk best wel indrukwekkend is, dan nog luisteren ze met evenveel belangstelling naar jouw poging tot chicklit. Ik durf niet, maar ik ga toch, de vorige keer was te leuk om deze kans te laten liggen. Maar toch, om mijn eigen verhalen voor te lezen, dat is doodeng. Ik moet mijn waarschuwing van hierboven terugnemen. Ik heb overwogen om de hele brief weg te gooien, maar het is toch belangrijk dat ik dit onthoud, voor de volgende keer wanneer ik weer twijfel aan iets wat ik ontzettend eng vind.

Met trillende handen en zweet onder mijn oksels stond ik daar, voor al die anderen, mijn verhaal voor te lezen. Ik probeerde mijn stem mooi en rustig te houden. Dat lukte wel aardig dacht ik, gewoon rustig ademhalen. Ik durfde niet over mijn papieren heen te kijken, maar ik was zo nieuwsgierig naar de gezichtsuitdrukkingen! Want, wat nou als ze allemaal verbaasd naar me zaten te kijken en mijn verhaal niet zouden snappen. Ik durfde niet te kijken, bang om dat te zien, bang om daarna niet meer verder te kunnen lezen. Toen het stil bleef na mijn voordracht wilde ik wel in de grond wegzakken maar toen: ‘Wow!’ zei iemand, dat woordje maakte de hele beslissing om wel te gaan weer goed. Vol opluchting zakte ik weer terug in mijn stoel. Ze vonden mijn verhaal mooi! Ik kreeg een beetje feedback op mijn verhaal en eerlijk gezegd had ik wel wat meer willen krijgen. Daarna kon ik lekker genieten van de verhalen die mij werden voorgelezen door de anderen. Al die angsten waren weer voor niets geweest. Op dit moment zou ik iedereen aanraden om wel zo’n workshop te volgen, ik wil het van de daken schreeuwen, de persoon voor me in de trein overhalen. Maar ik hou me nog maar even in. Ik concentreer me nu maar op mijn volgend verhaal, dit wordt echt een hit, ik weet het nu al!

pagina 137

einde


Workshop Creatief sChrijven Moet u een begaafd schrijver zijn? Welnee, het gaat erom dat u schrijven leuk vindt en dat u graag verhalen vertelt. Marielle van Sleen

M i ra B en es - Marjan d e Bo er - CarM en van Co esant - Marg ri et dalM eij er BarBara dij ke - andrea de palM - dennis pronk - irene sChrijver - Miranda Weernink

Profile for Foto Carmen

De beleving april 2012  

Beste lezer, ‘Als het maar leuk is…’ Informeer je bij mijn partner naar mijn bedrijfsvoering, dan krijg je dat als antwoord. Ik wil vooral a...

De beleving april 2012  

Beste lezer, ‘Als het maar leuk is…’ Informeer je bij mijn partner naar mijn bedrijfsvoering, dan krijg je dat als antwoord. Ik wil vooral a...

Advertisement