Page 1

19 December 2016 Trending Topics Student: Laura van Hooff Studentnummer: 2319837 Docent: Linda van Loon Aantal woorden: 2299

De invloeden van sociale media op het empathisch vermogen van jongeren


‘Doe nou eens sociaal en leg die telefoon weg!’, een veelvoorkomende uitspraak die tot ieders verbeelding spreekt. Maar is het gebruik van sociale media wel zo asociaal als vaak gedacht wordt? Wanneer men in gezelschap van anderen met sociale media bezig is op bijvoorbeeld zijn of haar smartphone wordt dit als onbeleefd ervaren. Je richt je namelijk tot een online wereld en keert daarbij de offline, fysieke omgeving de rug toe. Omdat jongeren ruim de helft van hun vrije tijd online besteden (SCP, 2013), komt er steeds meer wetenschappelijke aandacht voor de invloeden hiervan. Onderzoekers richten zich daarbij tot zowel de ervaringen en invloeden die het sociale media gebruik op de fysieke omgeving heeft, als tot de invloed op het sociale vermogen van de jongeren zelf. Het internet, en dan voornamelijk sociale media, is tegenwoordig een belangrijk middel voor communicatie tussen vrienden. Er wordt steeds meer onderzoek gedaan naar het effect van online interactie op de kwaliteit van vriendschappen en discussies waaien op rondom de vraag of het online ‘dubbelleven’ van jongeren niet ten koste gaat van hun offline leven. De belangstelling voor de invloeden van sociale media op de psychologische en sociale ontwikkeling vertaalt zich naar onderzoeken over het effect op meerdere sociale factoren. Het huidige betoog focust op de sociale factor empathie. Recente studies uiten hun zorgen over de vermindering van de empathie en sympathie onder jongeren (Konrath, 2012; Twenge, 2014). Dit is een zorgwekkende ontwikkeling omdat voornamelijk gedurende de tienerjaren het vormen van betekenisvolle relaties als een van de belangrijkste persoonlijke ontwikkelingsdoelen wordt gezien, en hiervoor is empathisch vermogen nodig (Vossen en Valkenburg, 2016). Zijn deze zorgen terecht, of stompt sociale media de empathie van jongeren juist niet af? Aan de hand van literatuur wordt dieper ingegaan op de stelling dat het overvloedige gebruik van sociale media positieve invloed heeft op het empathisch vermogen van tieners (13 – 19 jarigen).

Sociale media zijn online toepassingen die gebruik maken van technische mogelijkheden en waar het creëren en delen van content en interactie centraal staan (Kaplan & Haenlein, 2010). Interactie is dus een cruciaal onderdeel van sociale media, zonder dit element zijn het enkel media. Studies naar de invloeden van sociale media op het empathisch vermogen spreken vaak over zowel sympathie als empathie. Dit zijn weliswaar twee verschillende begrippen, maar ze zijn nauw met elkaar verbonden en in voorgaand onderzoek worden de termen ook vaak tezamen of door elkaar gebruikt. Het verschil tussen beiden is dat sympathie verwijst naar het ‘voelen voor’ en empathie naar het ‘voelen met’ een ander (Eisenberg & Fabes, 1990). Het ervaren van sociale interactie verhoogt het vermogen empathie en sympathie te tonen voor de emoties van anderen (Preston, 2007). Tijdens deze ervaringen vormen jongeren namelijk afspiegelingen van emoties die nodig zijn om die van anderen te herkennen (Preston & de Waal, 2002). De studies van Preston (2007) en Preston en de Waal (2002) concluderen dat men zich beter kan inleven wanneer iemand ervaring heeft met de gevoelens en situaties van een ander. De ervaringen van interactie op sociale media bevordert de empathie doordat men de toestand van een ander middels afspiegelingen uit die ervaringen begrijpt.


Naast de afspiegelingen van emoties die jongeren vormen tijdens sociale interactie is ook zelfonthulling een aspect dat online wordt gestimuleerd. Valkenburg, Sumter en Peter (2011) hebben het verschil tussen de mate van online en offline zelfonthulling van jongeren onderzocht. Zelfonthulling staat in verband met een aantal gunstige vriendschapsvaardigheden en -eigenschappen zoals emotionele nabijheid of ondersteuning en kwaliteit van een vriendschap. Deze eigenschappen zijn factoren die het empathisch vermogen stimuleren. Uit het onderzoek van Valkenburg en collega’s (2011) bleek dat zelfonthulling van jongeren hoger is in offline communicatie met vrienden dan in hun online communicatie. Ondanks dat jongeren meer gesloten zijn als ze online communiceren met vrienden geldt dat hun sociale media gebruik helpt bij het oefenen met sociale skills zoals zelfonthulling. Aangezien zelfonthulling het empathisch vermogen bevordert en jongeren middels online interactie hiermee oefenen, bevordert het gebruik van sociale media indirect het empathisch vermogen (Preston & de Waal, 2002).

Eerder onderzoek laat zien dat online interactie het empathisch vermogen bevordert door de ervaringen die jongeren hier opdoen, daarnaast dienen sociale media ook als oefenplatform voor meerdere sociale skills. Verschillende onderzoeken concluderen dat sociale media een positief effect hebben op de ervaren verbondenheid van vriendschappen en het sociale vermogen. Dit zijn factoren die net als de hierboven genoemde zelfonthulling in verband staan met de empathie van jongeren. De studie van Apaolaza, Hartmann en Medina (2013) laat zien dat er een positief verband is tussen het intensieve gebruik van sociale media door tieners en hun sociale vermogen offline. Hun onderzoek concludeert dat sociale media een geschikt platform zijn voor de groei van sociale relaties offline. Wanneer vrienden op sociale media als Facebook lezen over het medeleven dat anderen tonen in reacties onder berichten kan dit een voorbeeld voor hen zelf zijn. Dit verband wordt bevestigd door het onderzoek van Koutamanis, Vossen, Peter en Valkenburg (2013). Hun studie laat zien dat het gebruik van sociale media de mogelijkheid van tieners om offline vriendschappen te initiëren verbetert. Door met online communicatie ‘partners’ te oefenen verhoogt het offline sociale vermogen. Als oorzaak voor dit verband worden het verbeteren van het empathisch vermogen en de online ervaringen met sympathie genoemd. Koutamanis en collega’s (2013) concluderen het volgende: “These findings suggest that adolescents can practice social skills online and learn to relate to a variety of people, which increases their ability to initiate offline friendships”. Ook Vossen en Valkenburg (2016) hebben in hun studie specifiek het effect van sociale media gebruik onder jongeren op hun sympathie en empathisch vermogen onderzocht. Uit hun studie bleek dat sociale media een manier zijn om sociale vaardigheden te oefenen. Jongeren die vaker sociale media gebruiken verbeteren het vermogen om gevoelens te delen en begrijpen, of te wel verhogen de empathie. “Through social interactions we create more representations of emotions and they become more easily available to us, which increases our natural tendency to empathize”, Aldus Vossen en Valkenburg (2016).


Konrath (2012) benadrukt in zijn studie dat zonder het zien van iemands lichaamstaal het lastiger is om het gevoel van een ander in te schatten. De studie beweert dat er een gebrek is aan deze nonverbale communicatie op sociale media en dit zou het empathisch vermogen verminderen. Ook Walther (2011) zegt dat communicatie die op tekst is gebaseerd minder sociaal is en minder emoties aanspreekt dan interpersoonlijke communicatie. Het uitdrukken van emoties is nodig om het empathisch vermogen op een ander over te laten komen. Echter, deze online beperking betreft de perceptie van de omgeving van jongeren die minder empathie ervaren. De beperking heeft geen negatief effect op het empathisch vermogen van de jongeren zelf doordat hij of zij in online interactie minder emoties bij anderen aanspreekt. Het onderzoek van Derks, Fisher en Bos (2008) laat zien dat er geen verschil is tussen de intensiteit van het online en face-to-face uitdrukken van emoties. Emoties zijn overvloedig aanwezig in online communicatie en er zijn geen aanwijzingen dat sociale media onpersoonlijk zijn of dat het lastiger is om emoties online uit te drukken. Dit komt mede door bijvoorbeeld het gebruik van emoticons of het explicieter verbaliseren van emoties. Derks, Fisher en Bos (2008) concluderen dat mensen emoties uitdrukken, delen en erover communiceren via sociale media. Zoals in eerder genoemde studies wordt gezegd dat het oefenen van emoties in online interactie zorgt voor een beter empathisch vermogen offline. Derks, Fisher & Bos (2008) bevestigen dat emoties online goed uitgedrukt en dus beoefend kunnen worden. Ondanks de beperkingen van het uitdrukken van emotie in communicatie via sociale media die Konrath (2012) en Walther (2011) benoemen, heeft dit geen negatief effect op het empathisch vermogen van jongeren. De empathie komt hooguit minder over op hun omgeving maar dit betekent niet dat het sociale vermogen van de persoon zelf vermindert. Een ander argument wat in eerdere studies wordt genoemd als factor voor het afstompen van de empathie door sociale media gebruik is de anonimiteit die men hier ervaart. Het onderzoek van Diener (1980) concludeert dat visuele anonimiteit in communicatie mensen minder laat denken over wat passend sociaal gedrag is en dit leidt tot deĂŻndividuatie (een toestand van verminderde zelfevaluatie waarin men niet moreel gedrag vertoont). Konrath (2012) benadrukt dit ‘asociale’ proces in de fysieke afstand tijdens communicatie via sociale media. Echter, Preston en De Waal (2002) concludeerden eerder al dat ondanks dat er sprake is van een zekere anonimiteit tijdens communicatie, de sociale interactie waarin men zich bevindt ervoor zorgt dat emoties van anderen gedeeld worden. Zoals eerder besproken helpt de sociale oefening die online interactie biedt het empathisch vermogen dus te stimuleren. Jongeren die verlegen zijn vinden het vaak lastig om offline anderen aan te spreken of interacties aan te gaan. De gedeeltelijke anonimiteit die sociale media bieden geeft ook deze jongeren de mogelijkheid te oefenen met interactie. Hierdoor verhoogt hun empathisch vermogen. De inleiding benadrukt al het belang van de ontwikkeling van het empathisch vermogen voor tieners omdat in deze levensfase het vormen van betekenisvolle relaties als een van de belangrijkste persoonlijke ontwikkelingsdoelen wordt gezien.


Konrath (2012) beweert naast dat het gebrek aan lichaamstaal in sociale interactie de empathie afstompt, jongeren hun offline sociale contacten verwaarlozen door meer tijd online door te brengen. Beide conclusies worden gezien als een vermindering van de empathie van jongeren. Deze argumenten focussen op de perceptie van de sympathie van jongeren door hun omgeving in plaats van het empathisch vermogen van de jongeren zelf. Het is wel zo dat tieners ruim de helft van hun vrije tijd online doorbrengen, maar deze tijd online besteden zij juist grotendeels aan hun vrienden. De tijd die jongeren doorbrengen op sociale media wordt voornamelijk gebruikt om vriendschappen met ‘offline’ vrienden te onderhouden (Bryant, Sanders-Jackson, & Smallwood, 2006). Er is een grote overlap tussen de online en offline sociale wereld van tieners, Konrath’s (2012) bewering dat het overvloedige gebruik van sociale media offline contacten verwaarloost kan dus verworpen worden.

De meningen over hoe sociaal jongeren zijn, worden of doen wanneer zij overvloedig sociale media gebruiken zijn verdeeld. Hier komen ook standpunten bij kijken die inzoomen op de perceptie van de mate van empathie en sympathie van de fysieke omgeving. Wanneer puur gekeken wordt naar het empathische vermogen van jongeren die veel sociale media gebruiken, wordt geen uitspraak gedaan over hoe ‘sociaal’ zij zijn. De hierboven besproken variabelen zoals afspiegelingen, ervaringen en zelfonthulling in online interactie of het verhogen van de empathie door sociale media als oefenplatform te gebruiken, vormen samen een beeld van de veranderingen in de empathie en sympathie van jongeren. Eerder onderzoek laat zien dat het overvloedige gebruik van sociale media onder jongeren hun empathisch vermogen bevordert. Voornamelijk door de sociale oefening die online interactie biedt verbetert hun empathisch vermogen. Vossen en Valkenburg (2016) concluderen het volgende: “Overall, the findings of this study suggest that, in contrast to concerns that have been raised, social media use can actually have a beneficial influence on empathy”. Op een smartphone met sociale media bezig zijn kan door de fysieke omgeving weliswaar worden ervaren als asociaal gedrag, maar dit stimuleert juist het empathisch vermogen van jongeren.


Apaolaza, V., Hartmann, P., & Medina, E. (2013). The relationship between socializing on the Spanish online networking site Tuenti and teenagers’ subjective wellbeing: the roles of self-esteem and loneliness. Computers in Human Behavior, 29, 1282e1289. http://dx.doi.org/10.1016/j.chb.2013.01.002 Bryant, A., Sanders-Jackson, A., & Smallwood, A. (2006). IMing, text messaging, and adolescent social networks. Journal of Computer-Mediated Communication, 11, 577e592. http://dx.doi.org/10.1111/j.1083-6101.2006.00028.x. Derks, D., Fischer, A. H., & Bos, A. E. (2008). The role of emotion in computermediated communication: a review. Computers in Human Behavior, 24, 766e785. http://dx.doi.org/10.1016/j.chb.2007.04.004. Diener, E. (1980). Deindividuation: the absence of self-awareness and selfregulation in group members. In P. Paulus (Ed.), The psychology of group influence (pp. 209e242). Hillsdale, NJ: Erlbaum. Eisenberg, N., & Fabes, R. A. (1990). Empathy: conceptualization, measurement, and relation to prosocial behavior. Motivation and Emotion, 14, 131e149. http:// dx.doi.org/10.1007/BF00991640 Kaplan, A. M., & Haenlein, M. (2010). Users of the world, unite! The challenges and opportunities of Social Media. Business horizons, 53(1), 59-68. Konrath, S. (2012). The empathy paradox: increasing disconnection in the age of increasing connection. In R. Luppicini (Ed.), Handbook of research on Technoself: Identitiy in a technological society. IGI Global. Koutamanis, M., Vossen, H. G. M., Peter, J., & Valkenburg, P. M. (2013). Practice makes perfect: the longitudinal effect of adolescents’ instant messaging on their ability to initiate offline friendships. Computers in Human Behavior, 29, 2265e2272. http://dx.doi.org/10.1016/j.chb.2013.04.033 Preston, S. (2007). A perception-action model for empathy. In T. Farrow, & P. Woodruff (Eds.), Empathy in mental illness (pp. 428e447). Cambridge University Press. Preston, S., & de Waal, F. (2002). Empathy: its ultimate and proximate bases. Behavioral and Brain Sciences, 25, 1e20. http://dx.doi.org/10.1017/ S0140525X02000018. SCP. 2013. Met het oog op de tijd. Geraadpleegd op 14 november 2016, van: http://www.scp.nl/Publicaties/Alle_publicaties/Publicaties_2013/Met_het_oog_op_de_tijd Twenge, J. (2014). Generation me-revised and updated: Why today’s young Americans are more confident, assertive, entitled and more miserable than ever before. New York, NY: Simon & Schuster Valkenburg, P. M., Sumter, S. R., & Peter, J. (2011). Gender differences in online and offline selfdisclosure in pre-adolescence and adolescence. Britisch Journal of Developmental Psychology, 29, 253e269. Vossen, H. G., & Valkenburg, P. M. (2016). Do social media foster or curtail adolescents’ empathy? A longitudinal study. Computers in Human Behavior, 63, 118-124. Walther, J. (2011). Theories of computer-mediated communication and interpersonal relations. In M. L. Knapp, & J. A. Daly (Eds.), Interpersonal communciation (pp. 443e479). Thousand Oaks, CA: Sage Publications.


Trending topic: Asociale media  
Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you