Issuu on Google+

2001 | 3

REVUE

Bureau de d茅p么t Bruxelles X Afgiftebureau Brussel X

3e trimestre 2001 3de trimester 2001

vocatio

TRIMESTRIELLE DE LA FONDATION BELGE DE LA

VOCATION

DRIEMAANDELIJKS TIJDSCHRIFT VAN DE BELGISCHE STICHTING ROEPING

APPEL AUX CANDIDATURES OPROEP VOOR KANDIDATUREN

p. 3

p. 4

BERLIJN

EEN

ANNO

1982

STAD AAN DE FRONTLIJN

p. 8

INTERVIEW SIEN EGGERS p. 10

REPORTAGE RELATIVE VALUES KARIM BEN KHELIFA 1


ÉDITORIAL EDITORIAAL

ÉDITORIAL EDITORIAAL

oitacov

Dit derde nummer staat resoluut in het teken van ontmoetin-

Ce troisième numéro est placé sous le signe de la rencontre

gen met oud-laureaten. Die ontmoetingen nemen gaandeweg

avec les anciens lauréats. Ces rencontres s’intensifient et don-

toe en geven aanleiding tot rijke, vaak hartelijke uitwisselin-

nent lieu à des échanges souvent chaleureux et toujours ami-

gen. Laureaten van een jaar of van dertig jaar geleden, al wie

caux. Lauréats depuis un an ou lauréats depuis trente ans,

aan Vocatio heeft meegewerkt, deed het met hetzelfde

tous ceux qui ont collaboré à Vocatio l’ont fait avec le même

enthousiasme, met dezelfde wens om mee te bouwen aan een

enthousiasme, avec le même désir de participer à une initia-

positief en open initiatief. Wij willen hen daarvoor danken.

tive qui se veut ouverte et positive. Qu’ils en soient remerciés

Wie kan immers beter getuigen van een roeping dan wie ze

car qui peut mieux parler, illustrer ou témoigner d’une voca-

ervaart als iets dat je leven dag na dag zin en vorm geeft?

tion que ceux qui la vivent jour après jour comme un choix de

Door haar werking wil de Stichting persoonlijke engagementen

vie. Par son action, la Fondation soutient des dynamiques et

steunen. Door publicatieruimte open te stellen ligt Vocatio in

des engagements personnels. L’objectif de Vocatio est de les

het verlengde van die steun. Elk nummer wil een ontdekking

faire connaître dans un esprit de découverte et de partage. A

zijn door bijzondere projecten en personen in de kijker te stel-

travers ces pages, vous découvrirez Berlin, Tokyo et Dakar vus

len. We kijken naar Berlijn, Tokio en Dakar via beelden en

par les yeux de ceux qui y ont vécu, un moment ou quelques

impressies van een reis of een verblijf. Vragen en bedenkingen

années, et qui par leur réflexion, leurs rencontres, ont tenté

komen boven in een magische mengeling van nieuwsgierig-

d’écouter et de comprendre une culture qui n’était pas la leur.

heid en betrokkenheid. Momentopnamen van een passie vin-

D’autres racontent l’implication et la curiosité sans cesse

den we ook terug in de gesprekken met zij die ons vertellen

renouvelées qui enrichissent l’exercice quotidien de leur métier.

over hun beroepsuitoefening, waarin ze steeds nieuwe uitda-

Enfin, vous trouverez, comme à chaque numéro, les agendas et

gingen vinden. Tenslotte vindt u, zoals in elk nummer, een

nouvelles concernant d’anciens lauréats.

agenda en nieuwtjes over oud-laureaten. Cette année encore, une nouvelle promotion de lauréats vien-

2

Een nieuwe promotie laureaten kondigt zich aan. De kandi-

dra s’ajouter aux précédentes. Les nouvelles candidatures sont

daturen worden tegen uiterlijk eind september verwacht. Aar-

attendues pour la fin de ce mois de septembre ; alors, n’hési-

zel dus niet, mogelijk is het de aanzet tot een nieuw begin...

tez pas : c’est peut-être une nouvelle aventure qui commence…

Veel leesgenot!

Bonne lecture !

Edouard Jakhian Voorzitter

Edouard Jakhian Président

Belgische Stichting Roeping Albertinaplein 2, 1000 Brussel Tel. 02 213 14 90 – Fax 02 213 14 95 E-mail : fbv.bsr@online.be www.stichtingroeping.be Het secretariaat is geopend op : • maandag, dinsdag en donderdag van 8.30 tot 12.30 uur en van 13.30 tot 17 uur ; • woensdag en vrijdag van 8.30 tot 12.30 uur.

Fondation Belge de la Vocation Place de l’Albertine 2 1000 Bruxelles Tél. 02 213 14 90 – Fax 02 213 14 95 E-mail : fbv.bsr@online.be www.fondationvocation.be Le secrétariat est ouvert : • lundi, mardi et jeudi de 8h30 à 12h30 et de 13h30 à 17h ; • mercredi et vendredi de 8h30 à 12h30.


OPROEP VOOR KANDIDATUREN APPEL AUX CANDIDATURES De Stichting biedt Belgische jongeren van 18 tot 30 jaar oud de kans om hun roeping te realiseren, voorzover ze al hebben aangetoond dat ze die werkelijk hebben. Ieder jaar reikt de Belgische Stichting Roeping een vijftiental beurzen uit van 10 000 ¤ (of ongeveer 400 000 BEF). Die beurzen gaan naar de laureaten, wat ook hun studieniveau, opleiding of aard van de roeping is. Alle domeinen komen in aanmerking: artistiek, sociaal, wetenschappelijk, ambachtelijk, technisch… De beurzen kunnen niet dienen om een studie of een commerciële activiteit op te starten. Het inschrijvingsformulier is beschikbaar op onze website www.stichtingroeping.be of u kunt het aanvragen op het secretariaat van de Stichting. De uiterste datum voor het indienen van kandidaturen is 30 september 2001.

TOURNAGE

La Fondation a pour mission de permettre à de jeunes Belges, entre 18 et 30 ans, d’épanouir une vocation dont ils ont déjà donné des preuves. Chaque année, elle octroie une quinzaine de bourses de 10 000 ¤ ( soit environ 400 000 francs). Celles-ci sont attribuées quels que soient le niveau d’études, la formation ou la nature de la vocation des candidats (scientifique, artistique, sociale, technique…). L’objectif est non pas d’aider le candidat à entreprendre des études ou une activité commerciale, mais de lui donner les moyens de parfaire ou de mener à terme un projet. Le questionnaire de candidature est disponible sur notre site internet www.fondationvocation.be ou au secrétariat de la Fondation. Il est à renvoyer pour le 30 septembre 2001 au plus tard.

Sarah Vanagt, laureate van de promotie 2001, filmde van 20 tot 27 augustus met haar ploeg op het Albertinaplein en op de Kunstberg. De film, een kortfilm met historisch gehalte, wordt samengesteld uit oud en nieuw beeldmateriaal. Hij geeft door de ogen van de standbeelden een uitzicht op Brussel, op heden en verleden. Enkele opnamen werden gedraaid in de burelen van de Stichting vanwaaruit men een prachtige uitzicht op de Kunstberg geniet. Du 20 au 27 août, Sarah Vanagt, lauréate de la promotion 2001, s’est installée avec son équipe sur la Place de l’Albertine et le Mont des Arts pour une semaine de tournage. Le film, un court métrage à caractère historique, sera également composé d’images d’archives. L’idée est de donner, au travers du regard des trois statues, des points de vue sur la ville, sur le présent et le passé. Quelques séquences ont été tournées dans les bureaux de la Fondation qui offrent une vue magnifique sur le site du Mont des Arts. Research en concept / Concept et recherche : Sarah Vanagt Camera / Caméra : Lucas Jodogne Productie / Production : Wild Heart Productions Productieleider / Responsable de production : Bavo Bostoen Muziek / Musique : Géographique Art direction / Directeur artistique : Lieven Baes Montage / Montage : Emiliano Battista

3


BERLIJN EEN

ANNO

1982

S TA D A A N D E F R O N T L I J N

VERHAAL RÉCIT

Bruno Coppieters 1982

In het begin van de jaren tachtig was Berlijn geen stad zoals de andere. Het westelijke deel van de stad was een enclave in het oostelijke gedeelte van het land. Het isolement van de stad in het verdeelde Duitsland beheerste het dagelijkse leven. De meeste inwoners kwamen zelden buiten de stadsgrenzen. Men moest een tweehonderdtal kilometer afleggen om in West-Duitsland te geraken. Op zich geen grote afstand, maar als je er dan nog de uren bijtelde om door de Oost-Duitse grensposten te geraken, was Berlijn behoorlijk ver van de rest van de wereld. De West-Berlijners hadden zich goed aan hun isolement aangepast. Hun stad was zeker groot genoeg, met veel bossen en meren. Eerder te vergelijken met de provincie Brabant (voor de splitsing) dan met Brussel. De West-Duitse regering deed al het mogelijke om het stedelijke eiland zo aangenaam mogelijk te maken. Werknemers kregen een loontoeslag van ongeveer tien percent. Tot begin jaren tachtig telde Berlijn nauwelijks werkloosheid. Men had er de beste Duitse orkesten (de Berliner Philharmoniker van Herbert von Karajan) en theaters (de Schaubühne van Peter Stein). De gulle financiële steun die het officiële culturele gebeuren kreeg, kwam ook de off-scène ten goede. Berlijn telde talloze professionele en amateurgroepen, die de stad de naam gaven van culturele hoofdstad. In Berlijn verblijven gaf ook recht op vrijstelling van militaire dienst. Redenen genoeg dus om de stad uit te kiezen.

UNE

VILLE ENCLAVÉE

Au début des années quatre-vingts, Berlin n’était pas une ville comme les autres. La partie ouest de la ville formait une enclave au sein de la partie est du pays. Malgré la valse des démarches administratives pour l’obtention d’un visa et les longues attentes aux nombreux postes frontières, il était à l’époque devenu plus commode de se rendre à l’Est. Pourtant les habitants de Berlin-Ouest ne montraient guère d’intérêt pour leurs voisins et l’attitude générale adoptée face aux Berlinois de l’Est pouvait se résumer en un seul mot : l’indifférence. L’État est-allemand n’encourageait pas les échanges entre les deux parties de la nation, notamment sur le plan scientifique, domaine dans lequel les programmes d’échanges ou de collaboration interuniversitaires étaient tout simplement inexistants. Les autres pays européens, dont la Belgique, avaient par contre pu conclure des accords culturels avec l’État est-allemand. C’est dans le cadre d’un tel accord que j’eus l’occasion d’étudier à Berlin-Est après avoir passé quatre années d’études à Berlin-Ouest. J’entamais à cette époque un doctorat en philosophie sur la critique de Montesquieu par Hegel. Comme Hegel bénéficiait de la même popularité parmi

1985. Een blik over de Muur.

lijker geworden. Het vergde wel nog heel wat administratieve rompslomp om een visum te verkrijgen. De tijd en de energie die het daarenboven kostte om voorbij de grensposten te geraken, maakte van een eenvoudig bezoek aan de andere kant van de stad een hele expeditie. Het Oost-Duitse culturele leven was weliswaar rijk aan activiteiten, maar dat trok de op dat vlak verwende West-Berlijnse inwoners niet aan. Er waren uiteraard nog heel wat familiebanden tussen Oost en West, maar dat verhielp weinig aan de wederzijdse vervreemding. Er was nauwelijks belangstelling onder de West-Berlijners voor het leven in Oost-Berlijn. Indien men de houding van de West-Berlijnse bevolking ten opzichte van hun oosterburen in één woord zou willen samenvatten, dan zou het begrip ‘onverschilligheid’ geschikt zijn. Er was maar één uitzondering: de literatuur. Oost-Duitse dichters en schrijvers werden graag gelezen. Daardoor ving men toch een glimp op van het leven in het oosten. Daarbuiten waren de culturele contacten toch maar mager.

De inzet van de Duitse regering in Berlijn was politiek gemotiveerd. De stad moest leefbaar blijven. Dat betekende in de eerste plaats dat de bevolking niet mocht wegtrekken. Ooit moest Berlijn weer de hoofdstad worden van een herenigd Duitsland. Dat was een politiek imperatief (de morele plicht tot hereniging was zelfs ingeschreven in de grondwet). De regering had bij Tiergarten een aantal pronkgebouwen zoals de Philharmonie en de Staatsbibliotheek laten optrekken, ver van het centrum, aan de buitenrand van West-Berlijn, aan de Muur, maar in het centrum van wat ooit de herenigde stad moest worden. De bevolking deelde die politieke belangstelling niet. Sinds de jaren zeventig was naar Oost-Berlijn reizen veel gemakke-

De Oost-Duitse regering deed uiteraard geen moeite om de contacten tussen de beide delen van de natie te bevorderen. Dat was zeer duidelijk op wetenschappelijk vlak: er waren geen studentenuitwisselingen of andere intensieve vormen van samenwerking tussen de universiteiten. Ideologische beïnvloeding uit het Westen was uit den boze. De halsstarrige weigering van West-Duitsland om de Duitse Democratische Republiek (DDR) officieel als een volwaardige staat te beschouwen, maakte het samenleven niet gemakkelijker. De overige West-Europese landen, zoals België, volgden een andere politiek. Zij hadden de DDR als een tweede Duitse staat erkend; België had er een cultureel akkoord mee. In het

© B. Coppieters

4

B E R L I N , 1982


kader van die samenwerking had ik in 1982 de mogelijkheid om na een viertal jaren studie in West-Berlijn naar Oost-Berlijn te trekken. Ik was toen net begonnen aan een doctoraat in de filosofiegeschiedenis aan de Freie Universität Berlin. Het ging over Hegels beoordeling van Montesquieu. Hegel was zowel in Oost- als in West-Duitsland populair. Het was dan ook geen probleem om daarover aan de Oostduitse Humboldt Universität te werken. Ik kreeg een promotor toegewezen, die daar al veel over gepubliceerd had. Hij stond ook bekend in academische middens als politiek vrijdenker met linkse kritiek op het regime. Vroeger had hij bij de Academie der Wetenschappen gewerkt, maar had met zijn publicaties en tussenkomsten moeilijkheden ondervonden met de autoriteiten. Als 'straf' moest hij in het onderwijs. In Oost-Duitsland gold het onderzoekswerk aan de Academie der Wetenschappen immers als prestigieuzer dan het universitair onderwijs. Hij stak zijn opvattingen over het Oost-Duitse regime niet onder stoelen of banken. Klaarblijkelijk kon men zich wel kritisch opstellen, zolang men geen open oppositie voerde. Gesprekken met andere vorsers en studenten bevestigden dat. Er bestond weinig vrees voor kritische meningsuiting, maar ze reikte niet buiten de privésfeer van vrienden en kennissen. Het onderwijs zelf aan de Humboldt Universität verliep heel anders dan in West-Duitsland: minder interactief en schoolser. Het kwam in zekere mate overeen met de manier van lesgeven aan Belgische universiteiten, die toen in vergelijking met het Amerikaanse of het Duitse systeem een veel passievere houding van de studenten vereiste. Het Oost-Duitse filosofieonderwijs had toch wel zijn eigen specificiteiten. In seminaries over hedendaagse filosofie kon je wel je zeg doen, maar je

à l’exubérance visuelle que dégageait la ville. J’ai moi-même vécu cet effet luna park au cours de mes allers et retours réguliers. En vélo le trajet durait au maximum deux heures, mais quand j’arrivais chez mes amis ouest-allemands, j’avais l’impression de débarquer sur une autre planète ! Mes dernières impressions de l’ancien Berlin-Est datent de novembre 1989, le mois où le régime s’effondra. Les premières manifestations de masse eurent lieu au début du mois. Des centaines de personnes défilèrent dans les rues. Quelques jours plus tard, après la chute du Mur, de nombreux habitants de la partie est « passèrent » pour la première fois à l’Ouest. Mais ce ne fut pas la ruée. La révolution se faisait après les heures de travail. Nombreux furent ceux qui ne tenaient pas à visiter aussitôt l’ouest de la ville et qui continuèrent à vivre en toute quiétude, à l’exemple d’un de mes amis qui affirma que « ce n’était pas parce que la cage était ouverte qu’il fallait s’en échapper comme une bête sauvage ». Bruno Coppieters (1956) est politologue et responsable du Centre de Sciences Politiques à la Vrije Universiteit Brussel (VUB). Il a été lauréat de la Fondation Belge de la Vocation en 1982 afin de terminer sa thèse de doctorat en philosophie politique à la Freie Universität Berlin.

© B. Coppieters

les philosophes à l’Est qu’à l’Ouest, je trouvai sans difficultés un promoteur de thèse, un professeur qui avait beaucoup publié sur le sujet. Connu comme un libre penseur dans les milieux académiques, celui-ci critiquait fermement le régime en place. Ce genre d’attitude semblait toléré pour autant qu’il ne participât pas à des activités dissidentes. Des discussions menées avec d’autres étudiants et chercheurs confirmèrent cette thèse : personne ne craignait de s’exprimer librement, mais la critique ne dépassait jamais le cercle privé des amis et des connaissances. Avec le recul, ce qui m’a le plus frappé est le fait qu’�� l’époque personne ne croyait au changement politique, même pas les dissidents. La dissidence traduisait un choix moral plutôt qu’un choix politique, un refus du système plutôt qu’une réelle tentative de changement. Pour tous, sans exception, l’idée même que les choses pouvaient changer dans les années à venir tenait de l’utopie. Berlin-Est était une ville grise. Non pas morose, car la vie culturelle riche et variée n’avait rien à envier à sa voisine occidentale, mais sans couleurs. Ici, pas de publicités criardes, pas de voitures de toutes les couleurs, pas de façades peintes. Cette ‘grisaille’ frappait particulièrement ceux qui se rendaient régulièrement à Berlin-Ouest (les pensionnés et les privilégiés du parti). Ils se plaignaient tous de la difficulté d’adaptation

November 1989. Betoging in Oost-Berlijn. moest er rekening mee houden dat er steeds iemand was die daarover bij de "bevoegde instanties" berichtte. Dat had doorgaans geen concrete gevolgen. De discussies waren hoogst abstract en hadden weinig uitstaans met concrete gebeurtenissen. Men ging er wel van uit dat dergelijke verslagen de verdere carrière van de Oost-Duitse filosoof konden beïnvloeden.

5


© B. Coppieters

November 1989. Betoging in Oost-Berlijn.

6

Daarenboven gaf de idee dat iemand mogelijk je mening noteerde, uiteraard een specifieke sfeer aan de discussies. Wat mij achteraf beschouwd het meeste opviel, is dat niemand in verandering geloofde, zelfs de dissidenten niet. Dissidentie was toen eerder een morele keuze dan een politieke, eerder weigeren mee te doen aan 'het systeem' dan een realistische poging om machtsverhoudingen te veranderen. Dissidentie was ook een uiterst marginaal gegeven. Pas enkele jaren later, met Gorbatsjov en de sovjetperestrojka, zou de oppositie een serieuze uitbreiding kennen. Mensen dachten wel steeds zelfstandig, maar bleven met hun ideeën binnenskamers. Illustratief voor het gebrek aan vertrouwen in een betere toekomst waren de vele gesprekken over reisplannen. Toerisme was alleen mogelijk in het Oostblok, en dan nog: het opstandige Polen met Solidarnosc was grotendeels afgesloten. Dromen over reizen naar het Westen kon wel, maar er waren maar twee mogelijkheden: ofwel wachtte je tot je oud genoeg was om met pensioen te gaan (65 voor mannen en 60 voor vrouwen) en officiële toelating te krijgen om een kijkje over de Muur te gaan nemen, ofwel besliste je om onmiddellijk een aanvraag in te dienen om het land te verlaten. Dat was inderdaad mogelijk: het duurde wel een aantal jaren voor de aanvraag werd goedgekeurd; ondertussen kon je je werk verliezen. Daarenboven moest je rekening houden met alle mogelijke pesterijen en miserie, maar het kon. Voor wie niets te verliezen had, was het een mogelijke keuze, maar niet voor de anderen. Mensen met familie moesten er bij het indienden van zo'n aanvraag rekening mee houden dat hun kinderen al hun rechten zouden verliezen op een hogere opleiding. De mogelijkheid dat alles in de komende jaren zou veranderen, was zonder uitzondering voor iedereen echter illusoir. Oost-Berlijn kwam in de westerse media over als een kleurloze stad. Dat beeld is zeker verkeerd, wat het culturele leven betreft, dat zoals gezegd heel rijk was en de vergelijking met de meeste westerse steden goed kon doorstaan. Het beeld was echter niet verkeerd, wat de industriële kleuren betreft. De veelheid aan kleuren die de westerse industrie kon produceren, was buiten het bereik van het onderontwikkelde productieapparaat in Oost-Duitsland. De explosie van kleuren in het Westen na de Tweede Wereldoorlog was aan het Oosten voorbijgegaan. Mensen kloegen erover dat ze hun Trabants maar in een vijftal kleuren konden bestellen. Oost-Berlijn was grijs. Dat had merkwaardige gevolgen voor reizen van Oost naar West. Wie de mogelijkheid had om naar het Westen te reizen (gepensioneerden en zogenaamde ‘reiskaders’) kloegen over de problemen die ze in de eerste dagen hadden om aan het bonte stadsbeeld in het Westen gewoon te worden. Ik had hetzelfde probleem, toen ik om de zoveel maanden voor een kort bezoek van Oost- naar West-Berlijn trok.. Ik kon snel

met de fiets over Checkpoint Charlie in het Westen geraken. Dat duurde nauwelijks een uur of twee, maar toen ik bij vrienden in West-Berlijn aankwam, had ik wel het gevoel een wereldreis te hebben gemaakt. Ik was de vele straatkleuren niet meer gewoon en hield er steeds een kater aan over. Mijn laatste ervaringen met het oude Oost-Duitsland dateren van november 1989, de maand waarin het regime ten onder ging. Ik werkte aan de VUB. Die had een samenwerkingsakkoord met de Humboldt Universität, die de mogelijkheid gaf om in Oost-Berlijn onderzoek te doen. Begin november had in de stad de eerste massademonstratie plaats. Honderdduizenden trokken door de straten. Opvallend was dat er geen enkele leuze weerklonk over de eenheid met West-Duitsland. Enkele dagen later viel de Muur. Vele duizenden gingen voor het eerst naar West-Berlijn, maar de meesten bleven rustig doorwerken. Kennissen en vrienden gingen ervan uit dat ze een bezoek aan het Westen konden uitstellen. Een vriend formuleerde het zo: het is niet omdat de bewakers de deur van de kooi openen, dat we ons als dieren moeten gedragen. Hij wilde zelf beslissen wanneer hij naar West-Berlijn zou gaan. In die dagen bleef de sfeer zeer alledaags. De Oost-Duitse revolutie vond buiten de werkuren plaats. Pas bij mijn terugkeer in Brussel begreep ik dat die dagen een historische betekenis hadden. Dat besef kwam, toen ik thuis de televisiebeelden van de val van de Muur zag. Je zag een enthousiaste menigte op de Muur zitten, met hamertjes stukjes van de Muur kloppen en met Duitse vlaggen zwaaien. Ook West-Berlijners vonden blijkbaar groot plezier in die theatrale gestes. De onverschilligheid van de West-Berlijnse bevolking tegenover de andere kant hield pas dan op. De nieuwe belangstelling van de West-Duitse bevolking voor Oost-Duitsland vond ik uitermate vreemd, vooral onder wetenschappers. Voor 1989 hadden ze zeker geen buitensporige interesse getoond voor het oosten van het land. Er waren dan ook nauwelijks goede publicaties over de DDR. Dat veranderde in enkele weken tijd. Na 1989 was wetenschappelijk onderzoek over Oost-Duitsland razend populair. Plots waren er onbeperkt geldmiddelen voorhanden. West-Duitse wetenschappers kregen ook een bevoorrechte positie in de concurrentie om jobs aan de nieuwe universiteiten in Oost-Duitsland. Die kentering is zeker begrijpelijk, maar toch merkwaardig. Het is alsof het Westen Oost-Duitsland pas wilde leren begrijpen op het ogenblik dat het dat land volledig zou opslorpen. Bruno Coppieters (1956) is politoloog en hoofd van de vakgroep Politieke Wetenschappen van de Vrije Universiteit Brussel (VUB). In 1982 was hij laureaat van de Belgische Stichting Roeping voor het afwerken van zijn doctoraatsthesis in de politieke filosofie aan de Freie Universität Berlin.


É T I E N N E D U YC K A E R T S

PORTRAIT PORTRET

1984 Etienne Duyckaerts (1956) est conservateur du musée de Louvain-la-Neuve et responsable de la cellule CORé, cellule d’intervention pour la conservation et la restauration du patrimoine public en Région wallonne. Il fut lauréat de la Fondation Belge de la Vocation en 1984 pour ses projets de restauration de sculptures en terre cuite.

1

2

Mon objectif en tant que conservateur de musée et restaurateur consiste, notamment, à mettre en valeur - c’est-à-dire à étudier, à valoriser et à sauver - un patrimoine populaire peu connu, donc souvent négligé. Tout d’abord parce que l’art populaire fait partie de notre patrimoine au même titre que l’art savant, ensuite parce qu’il s’agit d’une forme d’art spécifique qui réfère à un modèle prestigieux. Ces œuvres peuvent se révéler de véritables chaînons manquants dans l’étude de l’histoire d’une image, d’une iconographie ou d’un type de représentation. La bourse de la Vocation obtenue en 1984 m’a permis d’effectuer le traitement d’un calvaire populaire en terre cuite polychrome provenant de Chapelle-à-Wattines et datant du début du XIXe siècle. J’effectuais alors mon service civil au musée de Louvain-la-Neuve, que je connaissais bien pour y avoir fait des stages à l’atelier de restauration au cours de mes études d’histoire de l’art. J’avais consacré mon mémoire de licence aux calvaires populaires en terre cuite de la région d’Ath et j’avais terminé le traitement du calvaire de Moustier, lié géographiquement et chronologiquement au calvaire de Chapelle-à-Wattines. Celui-ci se trouvait en dépôt au musée en attendant que soient débloqués les fonds qui permettraient sa restauration. Calvaires à multiples personnages, ordonnés en deux scènes superposées, l’une des deux scènes figurant la Crucifixion, l’autre la Mise au tombeau, tous deux émanent d’artisans qui n’étaient pas sculpteurs de profession. En effet, l’étude du système de construction des éléments sculptés a montré qu’ils avaient été réalisés par des artisans travaillant habituellement dans des briqueteries de campagne ou des usines de pannes et de tuyaux, établies en nombre dans la région à l’époque. Cela se traduit par une certaine fragilité structurelle au niveau de l’assemblage, réalisé avec du plâtre, ainsi que par des traitements décoratifs de surface et une polychromie richement contrastée dans l’habillage des personnages. Tout le charme de l’art populaire réside dans cette approche technique spontanée, dénuée de tout académisme.

Etienne Duyckaerts (1956) is conservator van het museum van Louvain-la-Neuve en verantwoordelijke van CORé, de interventiecel voor het behoud van het openbare patrimonium in het Waalse gewest. Hij werd laureaat van de Stichting in 1984 voor zijn roeping als restaurateur van sculpturen in aardewerk, in het bijzonder voor de behandeling van een Calvarie bewaard in Chapelle-à-Wattines, een dorpje in de streek van Aat. De technische analyse van de beelden (assemblage, structuur, beschildering) heeft aangetoond dat dit ensemble niet het werk is van professionele kunstenaars maar wel van handarbeiders die werkten in de talrijke plaatselijke steenbakkerijen. Etienne Duyckaerts ijvert al jaren voor het behoud en het beheer van dergelijke uitingen van volkskunst. Via de interventiecel CORé tracht hij plaatselijke instanties zoals gemeentebesturen, kerkfabrieken of regionale musea te sensibiliseren voor de waarde van het lokale patrimonium waarover zij waken. Door preventie en bewustmaking hoopt hij tot een herwaardering van de populaire kunst te komen.

3

4

Il est intéressant de souligner que, de manière indirecte, le projet récompensé par la Fondation a constitué le prélude à la création de la cellule CORé en 1986. En effet, du mouvement qui s’était installé autour de l’œuvre à restaurer et qui réunissait historiens de l’art, restaurateurs, conservateurs et responsables locaux, a germé l’idée de créer ce service spécialisé dans la sauvegarde et la mise en valeur du patrimoine régional. Cette cellule agit en étroite concertation avec les responsables de ce patrimoine : autorités communales, fabriques d’église, musées et autres associations ou personnes privées soucieuses de préserver le patrimoine dont elles sont les garantes. Aujourd’hui, nous constatons que, petit à petit, l’art et la tradition populaire gagnent en reconnaissance, et surtout que ceux qui en ont la charge mettent en valeur leur patrimoine. Ce travail de sensibilisation et de conseil en matière de prévention, d’entretien et de conservation constitue l’essentiel de notre action. 1,2,3 : Calvaire de Moustier 4,5 : Calvaire de Chapelle-à-Wattines Photos J.-P. Bougnet. Musée de Louvain-la-Neuve 5

7


ACTEREN 1972

IS SAMEN MET ANDEREN EEN NIEUWE

INTERVIEW SIEN EGGERS INTERVIEW SIEN EGGERS

Talrijke kijkers hebben vorig jaar genoten van Sien Eggers’ acteerprestaties in de televisiereeks In de gloria. Spontaan, grappig, hartelijk; zo is ze ook achter de schermen. In een gesprek aan de koffietafel overlopen we haar veelzijdige carrière als actrice in de Koninklijke Vlaamse Schouwburg (KVS), Theater Victoria, de VRT-producties: Liegebeest; Meester, hij begint weer; Buiten de zone… Vijfentwintig jaar al staat ze op de planken. Haar acteertalent is meermaals met prijzen bekroond, onder andere in 1992 met de Vlaamse Theaterprijs van de Nacht van het Theater en in 1999 met de Nederlandse Colombinaprijs (prijs voor de beste vrouwelijke bijrol). Een van haar eerste onderscheidingen kreeg ze in 1972, toen ze als eerstejaarsstudente toneel aan het conservatorium van Antwerpen laureate werd van de Belgische Stichting Roeping.

maar zij praatte met mij alsof ik een volwassene was. Ze luisterde aandachtig naar me en we voerden lange gesprekken. Het feit dat zij mij als persoon erkende, gaf mij een groot besef van mijn mogelijkheden. Zij heeft iets wezenlijks in mij geraakt. Dat gevoel van samenhorigheid, van verwantschap heb ik als actrice achteraf altijd willen terugvinden. Als dat er is, lijkt alles mogelijk.

Was acteren een kinderdroom? Zoals alle kinderen wilde ik piloot worden, of dokter of sportman, maar het verlangen om het leven in al zijn facetten uit te beelden of weer te geven, en de toeschouwers te confronteren met bepaalde levenssituaties, zat al van toen ik klein was, in mij. Mijn passie voor toneel heeft zich langzaam ontwikkeld als gevolg van ontmoetingen en beïnvloedingen. Zo heeft mijn lerares dictie van het Conservatorium in Leuven een belangrijke rol gespeeld in mijn roeping. Ik was toen nog maar een kind,

Welk aspecten van het beroep spraken je dan zo enorm aan? Acteren is samen met anderen een nieuwe realiteit samenstellen, waar mensen naar kunnen kijken. Tonen hoe de dingen kunnen zijn of niet zijn. Mogelijkheden verzinnen, relaties onderzoeken. Elementen laten samensmelten in een kunstmatige werkelijkheid, waarvan de ingrediënten uit de realiteit komen. Het is je opdracht als acteur om de toeschouwers te bezielen, zodat ze hun eigen verhaal bij het spel betrekken. Je kunt je taak pas als volbracht beschouwen, als ze achteraf komen vertellen dat het verhaal hen gegrepen heeft, omdat ze situaties uit hun eigen leven herkend hebben. De relatie met het publiek in de zaal is altijd een rechtstreekse, fysieke en vooral onvermijdelijke confrontatie. Op de scène hoor je elke kuch, elke beweging; je merkt zowel geïnteresseerde als ongeïnteresseerde blikken op. Daarom is acteren telkens een avontuur. Steeds weer moet je die wisselwerking met het publiek laten plaatsvinden, steeds weer moet je van nul beginnen. Telkens moet je hopen dat je zenuwen je geen parten zullen spelen, dat je de trac zult doorstaan. Nooit weet je vooraf wat het zal worden.

En 1972, Francine Eggers obtenait une bourse de la Fondation pour sa vocation théâtrale. Elle avait alors 21 ans. Trente ans plus tard, on l’appelle Sien et elle est devenue une valeur sûre dans le paysage théâtral et télévisuel flamand. De nombreux prix ont ponctué sa carrière, notamment le Vlaamse Theaterprijs en 1992 et le prix néerlandais Colombina pour le meilleur second rôle en 1999. L’année passée, elle a conquis le grand public par sa très forte présence dans la série télévisée humoristique In de Gloria (VRT). Parodie dramatique de la vie de tous les jours, elle y incarnait des personnages d’une simplicité et d’une naiveté touchantes et risibles à la fois. Lors de notre rencontre, elle parle de son métier de comédienne avec passion. « Le théâtre c’est construire avec d’autres comédiens une nouvelle réalité et l’offrir au public. Nous avons une relation directe, physique avec les spectateurs qui nous permet de sentir si oui ou non ils sont entraînés, charmés par notre jeu. La tâche ultime du comédien c’est de parvenir à amener ce public, qui change tous les jours, à se reconnaître dans l’histoire qui se joue devant lui. C’est pourquoi chaque représentation est une nouvelle aventure, un nouveau défi qui nous est lancé. Malgré le trac ou la fatigue parfois, nous avons pour but de faire passer le courant afin que la magie s’installe, pour que rien d’autre n’existe que cette histoire, ces relations qui se nouent et se dénouent sur une scène de théâtre. »

8

Een symbiose? Zo kun je het noemen (lacht). Zij kon mij bezielen. Ik gooide mij op de poëzie en toen ik op zestienjarige leeftijd ook met toneellessen mocht beginnen, scheen de wereld te klein voor mijn vreugde. Ik deed mee aan allerlei voordrachtwedstrijden en sloot aan bij een amateurskring.

Sommige kunstenaars zeggen dat het creatieproces voor hen veel belangrijker is dan het afgewerkte product. Ik begrijp wat ze bedoelen. Het is natuurlijk een hele opdracht om elke avond door heel dat verhaal te gaan, soms zestig avonden na mekaar. Een toneelstuk is een geheel waaraan je lang en intens werkt en sleutelt om tot het juiste resultaat te komen. Toch is elke voorstelling anders, want je bent anders, je voelt je anders, er zitten elke dag andere mensen. Opvallend is ook dat de voorstellingen waarvan je dacht dat ze de zwaarste zouden zijn, achteraf de sterkste blijken. Zo’n dingen weet je pas als je wat ouder bent. Soms denk je: "Vanavond heb ik niets te bieden." Tegelijk sta je volledig open, laat je de dingen gebeuren, want de mensen zijn er, ze verwachten iets van je. Eigenlijk wil je dan opkomen en zeggen:


REALITEIT SAMENSTELLEN

Speelt de regisseur een belangrijke rol? Ja. Het succes van een stuk steunt op zijn gave om het beste uit de acteurs te halen. In dat opzicht heb ik in mijn vijfentwintigjarige carrière al veel bijzondere momenten meegemaakt, momenten van intens aanvoelen van een persoon. Een goede regisseur is iemand met wie je op dezelfde golflengte kunt komen, die veel aandacht heeft voor je verbeeldingswereld, letterlijk de beelden waarin je leeft, die je begrijpt en je zonder dwang meevoert naar zijn wereld. Een goede regisseur kan je, zonder dat je het zelf beseft, dingen laten doen die je nooit eerder hebt gedaan. Als het moeizaam gaat en je als acteur moet horen: "Het is niet goed" of "Probeer het nog eens", dan zit het fout. Niet alleen maakt dat je onzeker, maar in zo'n situatie kan sowieso niets vruchtbaars tot stand komen. Als een regisseur allerlei kunstjes van je verwacht, verslapt je aandacht en verliest het moment zijn intensiteit. Een regisseur die aanvoelt hoe je bent, brengt je precies waar je mogelijkheden natuurlijk opbloeien. Dan wordt acteren zo eenvoudig. Voor mij is acteren absoluut geen technische aangelegenheid. Het is iets wezenlijks in de mens, zuiver gevoelsmatig. Welke momenten zijn beslissend geweest voor je carrière? Een jaar na het behalen van mijn diploma werkte ik in vast verband bij het Mechels Miniatuurtheater en ik ben daar weggegaan. Het lag zeker niet aan dat theater zelf, maar ik voelde me er niet thuis. Niemand kon dat begrijpen. Ze zeiden: "Je bent een doodgeboren kind. Niemand kent je. Wij bieden je een vast contract aan, goede rollen voor het komende jaar, en je gaat weg." Het was een vreselijk moment. Ik vroeg me voortdurend af of ik de juiste keuze maakte. Mijn vertrek was impulsief, want ik wist absoluut niet wat er met mij ging gebeuren, maar niet onredelijk, want innerlijk kon ik me niet verbinden met de manier waarop ze daar met toneel omgingen. Intuïtief voelde ik: toneel is iets anders. Ik was vijfentwintig, ik was rebels. Het leek zelfmoord om zo jong als freelancer te beginnen. In die periode zag het theaterlandschap er ook helemaal anders uit dan nu: drie grote gezelschappen beheersten de hele toneelwereld; daarbuiten bestonden er slechts

© S. Windels

"Dames en heren, sorry, vanavond ben ik niet in staat." Dat bedoelen acteurs die zeggen dat het hen soms zwaar valt om te spelen. Ze bedoelen niet dat ze onmenselijke inspanningen moeten leveren of het onderste uit de kan moeten halen, want zo zit theater nu eenmaal niet in mekaar, maar wel dat ze nooit vooraf weten of die band met het publiek wel tot stand zal komen. Zoals ik al zei: het is vaak omdat je die keer dat je moe was, een zin anders hebt uitgesproken, dat de hele voorstelling plots een nieuw gezicht kreeg. enkele kleine, als marginaal beschouwde troepjes. Gelukkig vond ik snel werk bij het Brussels Kamertoneel (BKT) en iets later, in 1978, bij de KVS. Ook daar ben ik uiteindelijk weggegaan, toen ik voelde dat ik alles had opgebruikt, dat ik te bieden had. Bij momenten werd het mij daar zo zwaar, dat ik helemaal stijf van de stress in de coulissen stond. Dat vertrek heb ik lang, te lang uitgesteld. Ik temperde mijn impulsieve kant, in het besef dat weggaan telkens wanneer iets je niet aanstaat, ook geen oplossing is. Bovendien was ik bang voor de consequenties van mijn beslissing, bang om in een zwart gat te vallen. Ik was toen ook geen vijfentwintig meer, maar zesenveertig. Is het nu anders voor jonge acteurs dan toen? Helemaal anders. Acteurs zijn mobieler, gaan van het ene gezelschap naar het andere. De versnippering en de verscheidenheid zijn enorm. Dat is heel positief voor de evolutie van het theater. Er wordt veel geëxperimenteerd, gezocht naar nieuwe vormen. Jongeren krijgen veel meer mogelijkheden om zich te uiten, om hun weg te zoeken. Ik denk ook dat de acteurs beter worden opgeleid, niet alleen vanuit wat ze moeten kunnen, maar meer vanuit wie ze zijn, hoe ze denken. Er gaat veel meer aandacht naar hun eigenheid. Toen ik aan het conservatorium studeerde, waren er enkele leerkrachten die dat ook al begrepen hadden, maar in het algemeen werd er volgens strikte regels gedoceerd. Je uiterlijk was belangrijker dan je innerlijk. Welke uitdagingen wil je nog aangaan? Er moeten andere manieren van filmen en van toneelspelen bestaan. Die wil ik zeker nog meemaken, maar ik kijk niet uit naar bepaalde rollen, als je dat bedoelt. Je kunt de grootste, de mooiste rol krijgen en er niets aan hebben, omdat de samenwerking met de andere acteurs niet vlot. Of je dan duizend of tien zinnen hebt, je bent even ongelukkig, dat weet ik uit ervaring. In dat opzicht kan ik stellen dat ik als actrice heel veel geluk heb gehad. Ik heb in mijn beroep heel waardevolle mensen ontmoet. Die ontmoetingen hebben mijn carrière kleur gegeven. Interview : Séverine Windels.

9


R E L AT I V E V A L U E S REPORTAGE REPORTAGE

1 2

Photos et textes © Karim Ben Khelifa

"Vous avez carte blanche! Demandez-moi ce que vous voulez, nous ferons notre possible pour vous satisfaire". C'est en ces termes que Chiaki Asano, chef du département des relations externes du bureau du PDG, m'ouvre ainsi les portes d'un des plus importants journaux du monde et l'un des plus respectés du Japon, l'Asahi Shimbun. Avec 12 millions d'exemplaires vendus quotidiennement, 5 éditions du matin et 3 éditions du soir, l'Asahi Shimbun emploie 2800 journalistes dans son quartier général de Tokyo, ses 4 bureaux régionaux, ses 300 antennes locales et ses 29 bureaux étrangers. Fondé en 1879, il fut anéanti par le grand tremblement de terre qui dévasta Tokyo en 1923. Depuis lors, le journal n'a cessé de grandir, atteignant une diffusion d'un million d'exemplaires en 1924 et de 5 millions en 1968. En 1976, le quotidien arrache son plus grand scoop en révélant les détails embarrassants de l'affaire de corruption Lockheed et en forçant le Premier ministre à démissionner. En 1988, l'Asahi Shimbun est le premier médium japonais à annoncer que l'empereur du Japon est condamné par la maladie. Aujourd'hui, avec une diffusion de 12 millions d'exemplaires, dont 99% destinés à

10

des abonnés, c'est le géant des quotidiens du monde entier. Un mois plus tard, à Dakar, à 14.000 km de la capitale japonaise, trois journalistes rédigent à la main leurs articles sous un néon tremblant, pendant qu'un collègue recopie ceux-ci sur le seul ordinateur disponible, une véritable pièce de musée. Nous sommes dans les bureaux du Walfadjri, un quotidien national très respecté, fondé en 1993. Avec trente journalistes, deux graphistes, un photographe et un rédacteur en chef, le Walfadjri participe à l'émergence d'une activité presque inconnue en Afrique: le journalisme indépendant. La liberté de presse en Afrique, comme dans beaucoup de pays en voie de développement, est rare. Peu de journaux sont réellement indépendants, même s'ils prétendent le contraire. Et ceux qui le sont, subissent la pression, les menaces ou tout simplement une interdiction de publication de la part du régime politique au pouvoir. Cela dit, il serait incongru de comparer le Walfadjri et l'Asahi Shimbun strictement sur base de leurs choix éditoriaux ou de leurs tendances politiques. L'encadrement des journalistes, très différent à Tokyo et Dakar, joue un rôle autrement plus important.


Le journal Asahi Shimbun Quotidien national depuis 1935 Diffusion : 12 millions / jour 99 % d'abonnés 7 500 employés 2 800 journalistes 130 photographes 135 limousines et chauffeurs 38 gardes de sécurité 2 avions jet 5 hélicoptères Site Internet : 3 000 000 de visites / jour Salaire annuel moyen d’un journaliste : 120 000 $ 1 Le bâtiment appelé "Annex" dans le complexe de Tokyo. Le quotidien Asahi Shimbun possède 4 rédactions centrales, 300 bureaux locaux partout au Japon et 29 bureaux de correspondance dans le monde. 2 L'entrée principale du complexe du quotidien Asahi Shimbun à Tokyo . Des journalistes et des employés sont salués par des gardes de la sécurité.

KARIM BEN KHELIFA 2000

Le journal Walfadjri Quotidien national depuis 1993 Diffusion : 12 000 / jour O % d’abonnés 30 journalistes 2 metteurs en page un photographe un correcteur un garde de sécurité un mini-bus une voiture Site Internet : 200 visites / jour Salaire annuel moyen d’ un journaliste : 2 350 $ 3 Entrée principale du bureau de Walfadjri à Dakar. Le journal n'a aucun bureau régional, les 5 correspondants des villes principales envoient leurs articles par fax. 3

Dans les minuscules bureaux du Walfadjri à Dakar, seules trois lignes de téléphone sont disponibles : une pour les appels sortants, une pour les appels entrants et une pour Internet. Lorsque les journalistes veulent consulter la presse étrangère, ils descendent au marché de Tilenne, où les journaux distribués gratuitement aux passagers des vols internationaux sont revendus pour 10 fb pièce. Avec la radio et la télévision, c'est l'unique source d'information extérieure. Contraste total à Tokyo, où c'est l'ordre, la hiérarchie et un incroyable arsenal logistique qui permet aux journalistes de couvrir leurs sujets et, plus important, d'être là les premiers. Lorsqu'un journaliste part en reportage et qu'il a reçu l'autorisation écrite de son chef de service, il n'a plus qu'à se rendre au sous-sol où l'attend une armée de 135 limousines et chauffeurs également prévenus par leur responsable. Pour les sujets de première importance, il peut aussi se rendre sur le toit de l'immeuble et embarquer à bord d'un des 5 hélicoptères appartenant au quotidien, ou prendre une limousine vers l'aéroport de la ville où l'attend un des 2 jets privés de l'Asahi Shimbun. L'Asahi Shimbun prend aussi à sa charge les quelconques

4

4 Dans la rue, en face du journal, l'unique garde de sécurité accueille les journalistes arrivant à la rédaction.

11


1

Le journal Walfadjri 1 La salle de rédaction du quotidien. 4 Doudou Diop Sall est le seul photographe employé à la rédaction. Il travaille 6 jours par semaine et reçoit 120 $ de frais et 30 pellicules photo par mois. Son matériel consiste en un boîtier Minolta, une optique zoom et sa mobylette. Il couvre 3 à 4 sujets par jour. Le journal Asahi Shimbun 2 Les "Onegaï" («s'il vous plait» en japonais) sont les coureurs livreurs de la rédaction centrale de l'Asahi Shimbun à Tokyo. Ils sont à la disposition des journalistes et des metteurs en page. Lorsque les employés prononcent "Onegaï", ils arrivent en courant pour réaliser des photocopies, porter des mémos ainsi que livrer les boissons et les cigarettes,... Le journal Asahi Shimbun emploie 20 "Onegaï" à plein temps. 3 Un des 5 hélicoptères du journal Asahi Shimbun mis à la disposition des journalistes et photographes pour couvrir l'actualité au Japon. Au total, l'Asahi Shimbun emploie 130 photographes dont 80 sont basés à la rédaction de Tokyo. 2

souhaits de son personnel et anticipe au maximum ses pertes de productivité. Le complexe de Tokyo offre tellement de services qu'il est devenu inutile de quitter le bâtiment :190 lits capsules, deux bains traditionnels japonais, plusieurs restaurants, une salle d'aérobic et de musculation, un service de massage, un petit hôpital, un cabinet de dentisterie, un salon de coiffure, une agence de voyage, un service de livraison, et une centaine de distributeurs automatiques de cigarettes, de boissons, de snacks... A Dakar, devant les bureaux du Walfadjri, une grosse femme nous invite dans son restaurant, une simple pièce blanchie avec un panneau Coca-Cola pour seule décoration. Le restaurant, exclusivement loué par le journal, est réservé au personnel de celui-ci pour pouvoir déjeuner sans perdre trop de temps. Les plats de viande de Yassa et les Thieboudienes, offerts par Walfadjri, sont dégustés dans d'immenses plats communs en aluminium, le thé final restant à la charge de l'employé. Le restaurant est le seul service externe organisé par le Walfadjri. Il est symbolique de la manière dont les journalistes, ici comme ailleurs en Afrique, doivent se battre pour valoriser leur profession.

12

Hoe functioneert de geschreven pers? Waar komt de informatie vandaan en voor wie is ze bestemd? Welke evolutie zullen de media in het volgende millennium doormaken? Om de werking van de pers op relevante wijze te kunnen bevragen, moet je haar doelstellingen en haar middelen kennen en begrijpen, en weten welke sferen er invloed op uitoefenen. Kortom, je moet achterhalen waar de macht ligt. Door een parallel te trekken tussen de hoogtechnologische werkomstandigheden van de journalisten van de grootste Japanse krant enerzijds en de dagelijkse plantrekkerij van hun Afrikaanse collega's in Dakar anderzijds wilde Karim Ben Khelifa een antwoord vinden op die vragen. Hij wilde een verband leggen tussen twee extremen, het verhaal vertellen van twee verschillende werelden. De reportage Relative Values verscheen in december 2000 in De Standaard Magazine; in september 2001 wordt ze geprojecteerd op het festival Visa pour l’Image in Perpignan (FR). Karim Ben Khelifa was laureaat van de Stichting in 2000. Sindsdien heeft hij reportages gemaakt in onder meer Israël, Macedonië en Irak. Een reis naar Brazilië is gepland voor februari 2002.


3

4

13


AGENDA AGENDA Notre agenda est consacré aux activités d’anciens lauréats. Onze agenda spitst zich toe op de activiteiten van oud-laureaten.

MUSIQUE MUZIEK

Soprano/Sopraan

Sophie Karthaüser Orchestre Philharmonique de Liège

6/10 15.00/Antwerpen, Koningin Elisabethzaal Info: 0900 00311 Harpe/Harp

Sophie Hallynck

18/11

Koninklijk Filharmonisch Orkest van Vlaanderen 11.00/Berchem, Zaal 7 Debussy / Mallarmé / Mourey Info : 0800 21036

Whoosh©Anouk De Clercq

5/10 12/10

Violoncelle/Cello

Marie Hallynck

13/10

15/9 20.00/Église de Vieux-Genappes Duo avec Jean-Claude Venden Eynden (piano) Info: 010 61 60 15

11/11

Violon/Viool

Hendrik Ide

16/10

1/12

Brussels International Youth Orchestra 20.00/Brussel, Paleis voor Schone Kunsten Carmina Burana, Carl Orff Vioolconcerto in g op.26, Max Bruch Info: 02 507 82 00 Orchestre National de Belgique 20.00/Charleroi, Palais des Beaux-Arts Roussel /Vieuxtemps / Schubert Info : 071 31 12 12

Vlaams Radio Orkest

26/10 20.00/Gent, Bijloke Bartók SITE INTERNET WEBSITE

Vivian Kral artiste-peintre vkral.multimania.com VIDÉO VIDEO

9/10

«Stockhausen»

6/10 20.00/ «Muziek in Beeld»-festival in

12/10

piano/piano

Jan Michiels

11/10

14

Orchestre Philharmonique de Liège 20.00/Brussel, Paleis voor Schone Kunsten Grieg

NEWS NEWS Cécile Henry est nominée pour le titre de " Meilleure actrice " pour la saison 2000-2001 pour son interprétation dans Elektra mise en scène de Julien Roy. Choix opéré par la presse culturelle francophone. Résultat en octobre 2001. PHOTOGRAPHIE FOTOGRAFIE

Karim Ben Khelifa expose dans le cadre de la Biennale de la Photographie Africaine de Bamako au Mali en Octobre 2001. COURT METRAGES KORTFILMS

Anouk De Clercq

Sophie et Marie Hallynck Concert de midi avec le trio Ronald Van Spaendonck 12.20/Charleroi, Palais des Beaux-Arts Bruck / Lysight Info : 071 31 12 12

Prometheus ensemble 20.00/Sint Niklaas, Salons Mozart / Schönberg / Strauss 20.30/Halle, Stadhuis Mozart / Schönberg / Strauss 20.00/Op-Brakel, Sint-Martinuskerk Brahms / Zimmermann 11.00/Genk, Cultureel Centrum Brahms / Zimmermann

13/10

Cinema Nova (Brussel) org. Festival van Vlaanderen, Argos en QO-2 Info: 02 229 00 03 (Argos) «Whoosh» 20.30/«Rammatutti» Monty (Antwerpen) Info : 03 238 64 97 (Monty) «The History of Photography in Sound» 13.30-17.00-19.30/«Transit/ Leuven New Music Festival» (Leuven) org. door Festival van Vlaanderen Vlaams-Brabant Info: 016 20 05 40 (Festival van Vlaanderen)

Pieter De Buysser schreef het scenario van de kortfilms “De Dans” en “De Intrede”. De opnamen van “De dans” vonden plaats van 1 tot 6 augustus 2001 in Sicilië (regie: Pieter De Buysser, camera: Ruben Impens, tweede camera, geluid en assistentie: Anouk De Clercq ,spel: Lise Solar en Alice Chauchat.). De kortfilm "De Intrede" wordt gedraaid in de tweede helft van september (regie: Pieter De Buysser, camera: Ruben Impens, spel: Benjamin Verdonck, Lise Solar, Willy Thomas, Guy Dermul, Margijn Bosch, Robby Cleiren, Bruno Van den Broucke, ...).


AD VALVAS AD VALVAS ANOBLISSEMENT ADELLIJKE TITEL A l’occasion de la fête nationale, il a plu à Sa Majesté le Roi Albert II d’accorder la faveur nobiliaire à M.Jacques Leduc avec le titre de Chevalier. Jacques Leduc est compositeur, recteur de la Chapelle musicale Reine Elisabeth depuis 1976, président de l’Association belge des auteurs, compositeurs et éditeurs (Sabam) ainsi que de l’Association des compositeurs belges, et membre du Conseil d’Administration de la Fondation Bernheim. Ayant rejoint la Fondation Belge de la Vocation en 1977, il en est aujourd’hui vice-président ainsi que vice-président du jury. Notre Fondation adresse au Chevalier Leduc ses vives et amicales félicitations. Ter gelegenheid van de nationale feestdag heeft het Zijne Majesteit Koning Albert II behaagd de adellijke gunst te verlenen aan de heer Jacques Leduc met de titel van Ridder. Jacques Leduc is componist, rector van de Muziekkapel Koningin Elisabeth sind 1976, voorzitter van de Belgische Vereniging voor auteurs, componisten en uitgevers (Sabam) en van de Vereniging van Belgische Componisten, en lid van de Bestuurs-

raad van de Stichting Bernheim. Hij is ondervoorzitter van de Belgische Stichting Roeping en ondervoorzitter van de jury. Onze Stichting wenst Ridder Leduc van harte proficiat.

De gauche à droite / Van links naar rechts : Baron de Posch, Baron Sion, Chevalier Leduc.

EXPOSITION TENTOONSTELLING

PUBLICATION PUBLICATIE

Gabriel Belgeonne

Gabriel Belgeonne

«noir d’encre» (estampes 1959-2001) Du 17 novembre 2001 à la mimars 2002 au Musée de la Cohue, 56019 Vannes (France). Van 17 november tot half maart 2002 in het Musée de la Cohue, 56019 Vannes Août (4), aquarelle, 1999. (Frankrijk). Gabriel Belgeonne est membre du Jury Arts Plastiques de la Fondation depuis 1999. Gabriel Belgeonne is lid van de Jury Plastische Kunsten van de Stichting sinds 1999.

© D.Moulaert, 1992.

Publication du catalogue raisonné de l’œuvre de Gabriel Belgeonne, texte de Pascal Bonafoux, Philippe Roberts Jones et René Léonard aux Editions Tandem, 42 Place d’Hymié, 6280 Gerpinnes. 80 exemplaires sont accompagnés d’une gravure spécialement réalisée à cette occasion. Publicatie van de overzichtscatalogus van het werk van Gabriel Belgeonne, tekst van Pascal Bonafoux, Philippe Roberts Jones en René Léonard aux Editions Tandem, 42 Place d’Hymié, 6280 Gerpinnes.80 exemplaren zijn voorzien van een voor deze gelegenheid gedrukte ets.

COMITÉ EXÉCUTIF UITVOEREND COMITÉ Président d’honneur | Erevoorzitter Claude Wielemans Président - Voorzitter Edouard Jakhian

Vice-présidents | Ondervoorzitters Chevalier Evers Baronne Vaxelaire Baron de Posch Chevalier Leduc

Trésorier | Penningmeester Edouard De Ruydts Membre | Lid Jacques Dopchie

15


FONDATION BELGE DE LA VOCATION Sous le haut patronage de Sa Majesté la Reine Fabiola BELGISCHE STICHTING ROEPING Onder de hoge bescherming van Hare Majesteit Koningin Fabiola

P HOTOGRAPHIE DE COUVERTURE | C OVERFOTO © Karim Ben Khelifa, California street, San Francisco. G RAPHISME | V ORMGEVING Marie-Hélène Grégoire. RÉDACTION | REDACTIE Séverine Windels. RELECTURE | HERLEZING Nadine Wampach, Jan H. Verbanck. É DITEUR RESPONSABLE | V ERANTWOORDELIJKE UITGEVER Edouard Jakhian, Albertinaplein 2 place de l’Albertine, Bruxelles1000 Brussel.

16


Vocatio 3 - 2001