Page 1


De Bastaard


Frans StĂźger

De Bastaard roman


Met dank aan Mieke

An unhappy childhood, is a writers goldmine. Graham Greene

De auteur acht het boek, in verband met bepaalde felrealistische passages, minder geschikt voor jongvolwassenen. RenĂŠ de Graaf


Van Frans StĂźger verscheen eerder: De gedachte (1975), G.A. van Oorschot Desillusies (1982), Em. Querido Het misverstand (1983), Em. Querido Vaste lasten (1989), Em. Querido Paso doble in de herfst (1996), Prometheus Een lichaam in de lente (1997), Prometheus Een zomer voor later (1999), Prometheus Sporen in de winter (2001), Prometheus Weerloos (2003), Bert Bakker Een jaar uit het leven van Hugo Zandsteen (2010), Compaan Personages, conflict, perspectief (2011), Atlas/Contact


© 2018 Frans Stüger Omslag en binnenwerk: Wouter Fris, Zaandam Eerste druk: 2018 Druk: Scanlaser, Zaandam Afbeelding: L’origine du monde van Gustav Courbet Foto auteur: Sjaak Ramakers, Utrecht ISBN: 978.90.827997.0.5 NUR: 301 Uitgever: SenS www.fransstuger.nl fmstuger@gmail.com


Inhoudsopgave 11 Waarom die dwang? 12 Haring in tomatensaus 19 Pathetique 24 Het voorspel 29 Het openbare meisje 36 De andere wang 42 Misplaatst 50 Het eerste wonder 55 De verrassing 61 Een nieuwe oma 68 Mat op zondag 73 Bramen plukken 81 Het laatste wonder 85 Het is maar spel 90 Zonder familie 95 Retour hemel 100 Guillotine voor huiselijk gebruik 106 Het medium 109 De langste dag 115 Het verzet 121 De dode jongen 128 Het weerzien 137 Vakantie 143 Goed Nieuws 150 Kaspar 157 Witte seringen 169 De nieuwe jongen 175 Gewoon een gek meisje


184 Herdersuur 188 De verloren zoon 213 De dirigent 225 Debuteren 236 De autodidact 245 Woo is me? 265 Eros, Thanatos en andere feestjes 285 De verdwijning van RenÊ 293 Er gebeurde iets vreemds‌ 296 Slaapkamergeluk 305 De toegift 315 Er gaat iets niet goed 321 Bericht van gene zijde 327 Vijverplaque 337 Deus ex machina 339 Het afscheid


Woo is me? Nu de autodidactische studie naar de betaalde liefde feitelijk niets had opgeleverd, begreep René dat hij in dat wereldje van gezellige genegenheid niets had te zoeken. Daarbij kwam dat hij zichzelf nog steeds mocht trakteren op een feestje. Het was toch niet niks, zo’n eerste boek, of wel? Hij zou graag voor wat intimi een feestje geven, maar omdat hij nog niet zo lang in Amsterdam woonde kende hij niemand, laat staan intimi; zijn collega’s op de afdeling hypotheken buiten beschouwing gelaten. Die beschouwden kunstenaars en artiesten als gajes. Maar ook hasjiesjblazers, negers, eigenlijk alle buitenlanders, homofielen, vrouwen in het algemeen, lesbiennes in het bijzonder, straat- en hangjongeren en mensen die de verkeerde krant lazen; in feite ieder specimen van de menselijke soort dat niet op de afdeling hypotheken werkte, was in hun feilloze opinie een gevaar voor de gewone hardwerkende mens. Op dat soort zat niemand te wachten. Alleen de steunpilaren van de maatschappij verdienden hun respect, zoals zijzelf, hoewel René hen ervan verdacht dat ze ook een hekel aan zichzelf hadden. Maar dat vormde nooit het onderwerp van gesprek tijdens de eerste koffie en het doorkijken van de ochtendkranten. En dus besloot René komende zaterdagavond alleen de stad in te gaan – je wist nooit wie je tegenkwam – om zichzelf te trakteren; het glas te heffen op de goede verkoop van het boek, zichzelf bewusteloos te nippen en de zondag in bed door te brengen. Na een buurtbami vroeg in de avond, bezocht René 245


een aantal P-cafés in het centrum van de stad; bij hem om de hoek. Soms trof je het in zo’n gelegenheid. Dan hing een bekende artiest aan de bar het zat te zijn dat iedereen hem kende, maar dat niemand hem aansprak, of andersom. Dan wou zo’n tv-god ook wel eens een lulpraatje maken over niks met de gewone Nederlander en gaf hij, via een korte blik van verstandhouding met een willekeurig iemand, toestemming om iets tegen hem te zeggen. René herinnerde zich zo’n onsamenhangend gesprek met de bekende Nederlander Raymond, tot een vrouw Raymond bij zich riep en René kwaad aankeek alsof híj de bekende Nederlander had aangesproken als een provinciaalse artiesttoerist en niet andersom. Toch zou René graag zo’n gesprek voeren. Het leverde zo’n aardig plaatje op voor de omstanders: ‘Goh, wie zou die man toch zijn naast die bekende Nederlander?’ Trouwens, hij behoorde nu toch ook tot de gilde der kunstenaars, of niet? Maar de kans op zo’n gesprek, op een zaterdagavond was klein, want je wordt niet zomaar beroemd, daar moet je vreselijk keihard voor werken, juist op zaterdagavond. En dus was René in een geanimeerd gesprek geraakt, die zaterdagavond, met een barman en zijn theedoek; alleen aan de bar, geflankeerd door zwijgzame barkrukken. De barman vertelde hem over het optreden van een beroemde Amerikaanse band in het Ajaxstadion; dat daar waarschijnlijk iedereen heen was en dat hij de eerste bezoekers vanavond niet voor enen verwachtte. Terwijl René zich gestaag uit een sombere bui omhoog dronk, zette de barkeeper af en toe een plaatje op in de jukebox om een zaterdagavondsfeer te creëren. 246


Ineens zei René met een geforceerde opgewektheid: ‘Het is nu nog een dooie boel hier, maar straks staat de tent op zijn kop.’ De barkeeper hield een bierglas tegen het licht en vroeg: ‘Hoezo?’ René vroeg zich af of het wel verstandig was om het te zeggen, maar hij kon het niet laten. ‘Ik ben onlangs gedebuteerd,’ hij hoorde het zichzelf zeggen, ‘en ik heb met wat vrindjes afgesproken hier om een feestje te bouwen.’ ‘Gedebuteerd?’ ‘Ja, er is een boek van me uitgegeven.’ ‘O zo… zo hé! Dat wordt binnenlopen. En dan komen jullie straks de tent even verbouwen? Van mij mag je. Een beetje leven in de brouwerij kan geen kwaad.’ Er viel een diepe stilte tot de barkeeper ineens zei: ‘Doen we eerst een pils van mij. Hoe heet je boek?’ vroeg hij, terwijl hij twee glazen onder de tap hield. René schraapte zijn keel en zei met schorre stem: ‘Nachtschade. De hoofdpersoon is een geesteszieke man die…’ ‘O, ik snap hem al. Het gaat zeker over een stel van die gasten die de tent op zijn kop komen zetten, niet?’ ‘Eh, nou, ja, nee. Doet er niet toe.’ Hij hief zijn glas bier en nam een slok, toen de barkeeper zei: ‘Op je boekie. D’r was hier laatst nog een schrijver hier, een hele beroemde, ik ben even zijn naam kwijt. Ik zelf kom niet aan lezen toe, met dit werk, snap je? Meestal lig ik niet voor vijf uur in bed. Toch jammer.’ ‘Wat vervelend voor je,’ zei René. ‘Maakt niet uit,’ antwoordde de barkeeper. ‘je kunt niet alles hebben, toch?’ 247


‘Daar heb jij weer gelijk in,’ beaamde René en dacht: hoe diep kan een mens zinken? En terwijl hij naar het imploderende schuim in zijn glas staarde, dacht hij: het glas bier dat ik van hem heb gekregen is meer waard dan de royaltie van één verkocht boek. Ik kan beter in glazen bier worden uitbetaald. Als de uitgever 10% zou krijgen en ik 60%, dan zou niemand weten wat een boek is. Alleen neurotici en andere zielszwakken gaan voor zo’n fooi aan het werk. Het is niet voor niks dat je gedebuteerd wordt en niet: ik heb gedebuteerd. ‘Trouwens,’ onderbrak de barkeeper zijn gedachtegang,‘van mij komt straks ook een gedichtenbundel uit.’ René fronste zijn wenkbrauwen, dacht: hij bedoelt waarschijnlijk dichtbundel. ‘Nee, echt?’ vroeg René om toch hartelijk over te komen. ‘Heb je al een titel?’ vroeg hij op een toon van vakbroeders onder elkaar. ‘Jazeker,’ antwoordde de barkeeper. ‘O, dat is heel goed, dan kun je zo’n bundel thematisch opbou…’ ‘Ik en mijn pik.’ De barkeeper perste zijn lippen en ogen dicht om niet in lachen uit te barsten. ‘Wat zeg je?’ ‘Ik en mijn pik.’ Nu hield de barkeeper het niet meer en barstte in lachen uit. ‘Hoe is-ie, hoe is-ie? Is-ie goed of is-ie goed? Ja, ja, ik kan rijmen en..’ O jee, ik moet weg, dacht René. ‘Sorry, sorry, ik moet even naar het toilet. Ben zo terug.’ ‘O, eh… ga je gang dan sluit ik even een nieuw fust aan.’ Toen René zijn hoofd voorbij zag komen in de spiegel van de wc zei hij hartgrondig tegen zichzelf: ‘Lul.’ Hij stel248


de zich op voor het urinoir, doelloos zwabberend met zijn lid, en wachtte tot hij de barkeeper bezig hoorde. Toen opende hij de toiletdeur geluidloos, stelde vast dat er niemand in de zaak was te zien en spurtte vervolgens door het café naar buiten, waarna hij het op een lopen zette. Pas om de hoek durfde hij zijn pas in te houden Na een aantal bezoeken aan dit soort gelegenheden, besloot René naar discotheek De Cocon te gaan op de Rozengracht. De Cocon stond bekend om zijn introverte sfeer, die hoofdzakelijk door poëten en prozaïsten op prijs werd gesteld. Een gelegenheid die René bij uitstek geschikt leek om zijn debuut te vieren. (By the way, ‘kben onlangs nog gedebuteerd, pilsje?) Terwijl René richting Het Letterenhok liep, (zoals De Cocon door de vaste bezoekers werd genoemd) zette een druilige regen in. Hij dacht, dat zou ik nooit doen: in een boek, een eenzame adolescent opvoeren, op een zaterdagavond, op zoek naar een tent where it all happens, en het dan miezerig laten regenen. Te makkelijk, ook al gebeurt het in het echt wel. Zei Tjechow al niet: je kunt in een verhaal een doodgeboren baby het beste tijdens een stralende zomerdag begraven? De werkelijkheid doet maar wat. Toch had René geregeld het idee dat iemand hem van boven in de gaten hield, of zelfs zijn leven bestuurde, zoals hij zijn personages stuurde. René besefte dat het voor een schrijver niet zo’n vreemde gedachte was, immers hij stuurt zelf geregeld de levens van zijn personages. Maar René kon zich niet voorstellen dat de werkelijkheid waarin hij leefde in feite fictie was, bedacht door een schrijver ‘boven hem’. Als dat zo is, vroeg hij zich af, wie stuurt dan die schrijver boven mij weer aan? En zo tot in de eeuwig249


heid. Dit gaat al aardig richting mataglap, dan had ik net zo goed Rooms-Katholiek kunnen blijven. In die wereld wemelt het ook van de fictieve personages zoals duivels, engelen en heiligen. Nee, één werkelijkheid is al moeilijk genoeg. Na deze overpeinzingen bereikte René De Cocon. In een glazen hokje, verlicht door een spotje, zat een voluptueuze vrouw bladerend in WriteNow!. Ze keek met tegenzin fronsend uit het blad op en scheen te overwegen of ze René wel toe zou laten. Haar inconsequent deurbeleid was bekend in de stad; sommigen meenden een samenhang te zien met haar maandcyclus, maar René vond deze logistiek niet overtuigend. Het was veel eenvoudiger, volgens hem, zoals nu ook weer bleek toen hij de zaal inliep: er waren drie mensen aanwezig: een barman, een vrouw aan de bar en nu René zelf. En dus was iedereen welkom. René vertraagde zijn pas tot zijn ogen aan het halfduister gewend waren, liep voor het lege podium langs waarop een eenzame standaard met microfoon op literatuur wachtte. Terwijl hij in de richting van de bar liep, vroeg hij zich af waar hij moest gaan zitten, ondanks dat alle krukken, op één na, onbezet waren. Als hij naast de vrouw ging zitten, zou ze het als opdringerig kunnen ervaren en vinden dat hij gele tanden had, maar als hij verderop ging zitten, zou ze kunnen denken dat zij zelf gele tanden had. En dus besloot René tot een compromis: hij ging één kruk van haar vandaan zitten, groette de barman en knikte even naar de vrouw aan de bar die een glimlach liet zien tussen meewarig en aanmoedigend. ‘Rustig,’ begon René maar eens tegen de barman, en bestelde een glas bier. 250


’Tis nog vroeg,’ antwoordde de barman, terwijl hij met een theedoek vettige strepen trok over de bar. ‘Met een uurtje herken je het niet meer. Er is geen peil op te trekken.’ ‘Tja,’ besloot René het gesprek en dacht: een goed gesprek met je medemens is toch maar alles. Hij wierp een blik op zijn horloge en stelde vast dat het bijna half één was. ‘Vorige week,’ begon de vrouw naast René ineens, ‘was ik hier om elf uur en toen was het helemaal vol.’ ‘Klopt,’ antwoordde de barman, ‘het wil nog wel eens wisselen.’ Soms ook niet, dacht René, tip voor scenario-schrijvers: dit is een typische Edwardiaanse Hopper-dialoog. Op dat moment ging de deur van de zaal open. Iemand stak zijn hoofd om de hoek, keek even rond, vervolgens naar de bar en vertrok weer. ‘Ik moet ook maar eens gaan, zei René tegen niemand in het bijzonder nadat hij een kwartiertje met zijn bierviltje had gespeeld, ‘het is morgen weer vroeg dag.’ ‘Gelijk heb je,’ zei de barman. René stond op, rekende af en wilde de bar verlaten toen de vrouw vroeg: ‘Sorry, misschien een rare vraag, maar bent u met de auto? Ik woon in Abcoude en er gaan nu geen bussen meer. Wel een metro. Zou ik...’ ‘Natuurlijk,’ zei René, ‘ik breng u wel even naar het station, geen enkel probleem.’ ‘Dat is erg aardig van u.’ Ook zij rekende nu af en ging René voor. De vette knipoog van de barman irriteerde hem. Buiten voor De Cocon zei de vrouw: ‘Laat ik mij even 251


voorstellen. Ik heet Erna.’ ‘René,’ antwoordde hij en schudde een warme hand. Hij vroeg: ‘Heeft u soms een zus die Nadien heet?’ ‘Nee, wel een broer die Ervoor heet; flauw hoor.’ ‘Sorry, ik probeer het feestje op te krikken. Kan ik beter niet doen.’ ‘Waar staat uw auto?’ ‘Asjeblieft, Erna. Zeg maar jij.’ ‘Ok, waar staat jij auto?’ René schoot in de lach en zei: ‘Ik heb geen auto.’ Hij proestte het uit, alsof het een dolkomische opmerking betrof. Erna op haar beurt zei, terwijl ze hem droogkomisch aankeek: ‘En ik… ik woon niet in Abcoude.’ Hij antwoordde: ‘Fraai is dat, jongedame. Maar ik vergeef het u.’ Erna glimlachte en antwoordde: ‘Mooi gezegd, bent u soms een schrijver, of gewoon een oude man uit een andere eeuw?’ ‘Hoewel het één het ander niet uitsluit, schat ik mijzelf rond de acht en twintig. Dus als uw voorkeur uitgaat naar oude mannen, dan moet ik u teleurstellen. Wat mijn beroep betreft, of ik soms een schrijver ben, kan ik u antwoorden dat je niet soms een schrijver bent, maar altijd of nooit. En dan nog iets: schrijver is een groot woord. Een schrijver heeft twee gezichten: een boodschappengezicht en een schrijfgezicht. Ben je een schrijver op het moment dat je boodschappen doet, zeg maar: met losse handen leeft, en je de omgeving niet duidt? Ze keek hem een tijdlang onderzoekend aan en vroeg toen: ‘Gaat het goed met je?’ 252


‘Allemaal flauwekul,’ verontschuldigde hij zich. ‘Ik was met een feestje bezig. Een paar weken geleden is mijn eerste boek verschenen en dat ben ik nu aan het vieren, geloof ik.’ Erna keek om zich heen en vroeg: ‘Alleen?’ René knikte. ‘Ik woon nog maar pas hier, dus… ‘Zullen we het dan… met zijn tweeën vieren?’ ‘Goed idee, stel maar voor.’ ‘Jouw bed of mijn bed? ‘Laten we beginnen met mijn bed,’ zei René en sloeg een arm om Erna’s schouder. Meteen zag hij zijn jeugdvriendje voor zich, Mario, en wilde hij luidkeels zingen: ‘Wij zijn lekker een páártje,’ maar hij beheerste zich. Erna zou het niet begrijpen en kon eens op ideeën komen. Met hun hoofden gebogen, dicht bij elkaar alsof ze elkaar al jaren kenden, liepen ze naar de Prinsengracht. Onderweg vertelde Erna, dat ze zes jaar geleden verhuisd was van het platteland naar Utrecht om een studie te volgen aan de Sociale Academie. En nu werkte ze bij een bureau voor maatschappelijke dienstverlening in Amsterdam. In afwachting van een vast vriendje, man en gezin, dacht René en verzweeg dat hij een blauwe maandag op de Sociale Academie colleges had gevolgd. Ineens bedacht hij: misschien kent ze Masha en Leo wel. Dat maakt de wereld wel heel klein. ‘Woon je hier?’, vroeg Erna even later verbaasd toen ze voor het huis van René stonden, haar hoofd in haar nek terwijl ze naar de zolderverdieping keek. ‘Niet het hele pand, natuurlijk,’ antwoordde René, ‘alleen de eerste en tweede verdieping. Ik hoorde toevallig van een vriend van mij dat de bewoners iemand zochten 253


om op het huis te passen, omdat ze een paar jaar naar Zuid-Amerika gaan voor zaken.’ ‘Jemig,’ riep Erna, ‘ik wou dat ik ook zo’n vriendje had. Zie je wel! Mijn vader zei altijd: “De duvel schijt altijd op de grote hoop.”’ ‘Zo kun je het ook zien,’ antwoordde René glimlachend, ‘zullen we naar binnen gaan?’ René ging haar voor op de blauwstenen stoep, en opende de voordeur. Erna trad de vestibule binnen, hield de tochtdeur voor René open en riep toen ze de lange marmeren gang tot in het achterhuis zag: ‘Wauw, te gek hé!’ René zette een geaffecteerde stem op en zei: ‘Elise vond het wat benauwd hier, omdat ze haar vleugel niet kwijt kon.’ ‘Wat een trut,’ antwoordde Erna. ‘Nou nou, Meisjemijn, het is een brave ziel, ze is nu een paar daagjes naar een wijnproeverij ergens in de Provence. Ze is misschien beetje een tutje, maer er zit geen greintje kwaed bij. Dat is toch ook een hoop waerd, nietwaer? Komt u toch vooral verder.’ René gooide met een zwaai de kamerdeur open. ‘Entree.’ Toen Erna een paar stappen in de kamer had gezet, bleef ze perplex staan, keek met grote ogen naar De oorsprong van de wereld, een hand voor haar half geopende mond geslagen. ‘Jezus, wat is dit?’ vroeg ze tenslotte. ‘Wat, lieve?’ ‘Nee, even serieus. Je hangt toch niet… en dan zo groot?’ ‘O dat. Misschien heb je gelijk,’ antwoordde René, ‘ik wilde het eerst ook meteen weghalen, of omdraaien. Maar 254


bij nader inzien vond ik het een decent schilderij. Het meest intieme gedeelte is toegedekt door haar pubes. Dit is waar wij vandaan komen, Erna.’ ‘Maar je hangt toch ook geen schilderij van een pe…’ ‘Waarom niet in besloten kring en wel in musea? Ik bedoel: het wemelt van borsten en billen in musea, doorgaans fraai geschilderd, want we vinden onszelf lelijk.

Nogmaals: dit is wel waar wij vandaan komen. En na een paar dagen viel het doek mij niet eens meer op. Maar ga zitten dan haal ik iets te drinken voor je. Wijn, witte, rode?’ ‘Eén glas dan, want ik moet morgen vroeg op. Het liefst een rode,’ antwoordde Erna en nam plaats op de chaise longue. René verdween via de gang naar de keuken en schonk daar twee glazen wijn in, terwijl hij overdacht dat steeds meer mensen zondags vroeg op moeten. 255


Toen hij de kamer weer binnenkwam, bleek Erna een paar knopen van haar blouse te hebben losgeknoopt en haar schoenen uitgeschopt. Ze zat onder het schilderij met haar rug ernaar toe. René zette de twee glazen op de salontafel en nam plaats naast Erna. Nadat ze hadden geproost, legde Erna haar hand op Renés knie en glimlachte. En alsof een regisseur het sein had gegeven, vlogen ze elkaar hartstochtelijk in de haren, zoals je alleen in films ziet, en bedolven elkaar onder lebberende kussen. Nog voordat René het in de gaten had, was zijn overhemd opengescheurd – een boordknoopje rolde over het parket onder de salontafel – en trok hij op zijn beurt haar zwartkanten bh aan gort. In een fractie van een seconde, te snel om op te schrijven, trokken ze hun kleren uit. Kennelijk ging het Erna allemaal te langzaam, want nadat ze haar slipje had uitgeschopt, trok ze woest de boxershort van René omlaag. René-junior, zoals René zijn geslacht na talloze puberale ontmoetingen was gaan noemen, schrok wakker toen Erna hem op zijn bol kuste. (De benaming René-junior, vond René toen zelf ook niet bijster origineel, maar het is nu eenmaal lastig om met je kleine vriend in de hand origineel te zijn.) René stelde zijn lid aan Erna voor en zei: ‘Dit is René-junior. Zeer getalenteerd, staat op het punt om de zaak over te nemen.’ ‘Ik zie het,’ zei Erna, terwijl ze een blik wierp op René-junior die haar strak aankeek. Erna liet zich niet intimideren door de indringende blik, sloeg een been over René heen en nam plaats. In blijde afwachting van haar welkom, trommelde Junior uitgelaten tegen Renés buik. Terwijl hij het geroffel van Junior gadesloeg, vroeg René zich af hoe het komt dat bij een erectie het lichaamsge256


wicht niet toeneemt, zoals hij ooit in zijn vroege pubertijd had vastgesteld. Een gewichtstoename van een halve Hema-rookworst, (aan een hele rookworst heb je in deze situatie niets…) zeg zo’n honderd en vijfentwintig gram, zou hem niets verbazen; eerder het tegenovergestelde. ‘Is René-junior nog op de zaak,’ vroeg Erna, hij neemt de telefoon niet op.’ ‘Ik was even ergens anders,’ antwoordde René, ‘het is momenteel een gekkenhuis hier, maar junior komt eraan.’ Met een routineus gebaar hielp Erna René-junior naar binnen. …en ze ontving hem in haar willige schoot, mooie titel voor een boek, dacht René, terwijl junior op de tast in Erna’s boudoir zijn weg zocht en vond. ‘Gewoon recht oversteken,’ wilde René René-junior aanmoedigen, maar hij vond de woordspeling bij nader inzien te flauw voor woorden en hij ergerde zich aan zijn meligheid op dit moment die ten koste dreigde te gaan van zijn libido en in het verlengde daarvan (of juist niet in het verlengde, sjongejonge…) zijn potentie. Erna leunde achterover met beide handen op Renés knieën, schudde haar zwarte haren en leidde de onbesuisde jongeling rond in haar vagina, door wild met haar bekken te draaien. Haar ritmisch deinende borsten, alsof René enige aanmoediging nodig had, dreigden het snoepgoed van het Junior op te eisen; hoewel Junior niets van haar borsten zag omdat hij in het duister tastte. Nu Erna Junior zover had gekregen dat hij op het punt stond om zich over te geven, vleide ze zich lang uit over René en bleef roerloos liggen. Langzaam streelde René haar haar, krabde zachtjes bij de haargrens, dwaalde traag 257


met zijn hand omlaag naar haar rug en billen, volgde even het spoor van haar bilnaad en zocht toen weer de haargrens in haar nek. René snoof diep haar geur op. Haar huid rook naar houtvuur in de winter, terwijl haar vochtige lippen de gulzige overdaad van een rijpe perzik hadden. Haar ogen schitterden als regendruppels op een spinnenweb in een herfstige ochtendmist en haar drie oksels geurden zwaar naar dennenbos tijdens een broeierige zomer, terwijl de geur van haar donker-donzige billen bedwelmend waren als vers gemaaid gras in het voorjaar, kortom: Erna was een vrouw voor alle seizoenen. René voelde het pulserend bonzen van haar hart in haar vagina; zachtjes knijpend in de wang van René-Junior, zoals een liefhebbende moeder in de wang knijpt van haar zoontje. Langzaam kwam bij René het beeld boven, als een foto in een ontwikkelbad, van zijn buurmeisje uit zijn jeugd. Ze raapte haar kaatsballen op, waardoor ze haar hagelwitte onderbroek van badstof toonde die nauwgezet de tedere golving, als een Engels landschap, van haar billen volgde. De structuur van de stof deed hem aan zijn teddybeer denken, waarvan de vacht dezelfde aaibaarheid toonde. Naast de gestoffeerde welving, iets uit het midden, contrasteerde een minuscuul rood vlekje. René-junior dreigde zijn snoepgoed kwijt te raken. Gelukkig bleek René niet het eerste vriendje te zijn van Erna, want ze drukte zich omhoog, sloot met een vinger de zaadleider af tussen Renés benen en hield zo junior in bedwang. René die steeds net niet klaarkwam, greep woest haar heupen en schudde haar heen en weer, alsof hij René-junior wilde bevrijden. Waaruit, waarvan? Toen 258


Erna’s vinger iets verschoof, waardoor het beeld van het meisje met de kaatsballen weer terugkwam, gaf Junior zich over. En zoals bij de meeste ejaculaties was degene die er niet bij was, de oorzaak van het orgasme, in dit geval Renés buurmeisje. Zijn zaad fonteinneerde geluidloos in Erna’s oorsprong van de wereld. Kort daarna ging René-junior braaf op zijn matrasje Loomgenot liggen en vroeg René zich hijgend af: Hoe vaak zijn wij, zonder het te weten de reden van iemands orgasme? Hij kreeg niet de gelegenheid zijn vraag te overdenken, want op dat moment schreeuwde Erna: ‘Godverdomme, Jezus Christus, Sodemieter toch op allemaal.’ René voelde hoe Erna in rengalop schokkend en jankend haar hoogtepunt bereikte; haar vagina woest pulserend. De stilte implodeerde. Alleen nog het zware hijgen van twee huiverende lichamen, was te horen. Ze rustten in elkaar uit. ‘Moe maar gelukkig?’ vroeg René na een tijdje. Omdat hij geen antwoord kreeg, draaide hij zich op zijn zij naar haar toe, tilde met een vinger haar kin op en zag dat een traan een glinsterend slakkenspoor over haar gezicht trok. Die mensen heb je ook, dacht hij, die gaan huilen als ze heel gelukkig zijn. ‘Wat is er?’ vroeg hij. ‘Heb ik iets verkeerds gezegd? Erna keek hem aan en zei: ‘Nee, maar je lijkt op iemand.’ ‘George Clooney?’ ‘Ken u zelve. Wil je het echt weten? Het is niet leuk.’ ‘Hoe zie je mij, Erna? Als een one night stand?’ ‘Nee, natuurlijk niet.’ 259


‘I’m your man.’ Ze zuchtte, legde een arm over Renés borst en begroef haar gezicht in zijn hals. Terwijl ze sprak voelde René haar adem op het ritme van haar woorden langs zijn gezicht strijken. ‘Heb ik je verteld dat ik een broer had?’ René vroeg: ‘Nee, maar hoezo: had?’ ‘Je hebt gelijk, had. Hij is… hij is jong gestorven, door toedoen van de nonnen van De Eeuwige Liefde. Het heette Ronald.’ Meteen zag René de rouwkaart voor zich toen hij met Leo een bezoek bracht aan zijn moeder: dus zijn stiefvader leefde misschien nog. René kreeg geen tijd om dit inzicht te laten bezinken, want Erna vervolgde: ‘Zo’n door en door goede jongen. Hij was zo lief. Ik hield zielsveel van hem.’ Ze zweeg even en vervolgde toen: ‘Ik kan het jou wel vertellen. We speelden vaak ziekenhuisje en dan was ik de patiënt en hij de specialist. De ene keer was hij gynaecoloog, de andere keer ook. Nou ja, je begrijpt dat het mijn lievelingsbroer werd.’ ‘Logisch, want je had er maar één,’ probeerde René gevat. ‘Toen wel, maar er gebeurde iets vervelends. Ik weet niet of ik het je moet vertellen.’ ‘Ga verder,’ zei René, en drukte Erna steviger tegen zich aan. ‘Nou ja, dan maar de hele shit. Onze moeder was vreemd gegaan. Vlak na de bevrijding was ze een paar dagen zoek geweest en kwam ze ineens weer boven water. Bijna een jaar later moest ze bevallen. Mijn vader werd razend, want algauw bleek dat het kind niet van hem 260


was, maar van een blanke man, misschien een Canadees, Amerikaan, of een Engelsman. Mijn moeder moest van mijn vader in het haar ouderlijk huis bevallen in Doorn en was niet meer welkom. Binnen een paar maanden was de scheiding uitgesproken. Mijn vader ging terug naar zijn familie in Suriname en liet mijn moeder met twee kinderen, Ronald en ik, achter. Het blanke kind hebben we nooit gezien, dat werd meteen bij een kinderloos echtpaar in Amsterdam ondergebracht. En het was ook toen, dat mijn moeder mij bekende dat Ronald ook van een andere man kwam; de broer van mijn vader. Maar dat heeft ze mijn vader nooit laten weten. Volgens de voogdijraad zou een blank kind met gekleurde broer en zus alleen maar moeilijkheden geven. Alsof een blanke moeder met twee donkere kinderen, zonder man, dat niet doet. Nu mijn moeder alleen woonde met twee kinderen in een achterbuurt van Doorn, tegenover het Molukkenkamp, was het armoe troef bij ons thuis. Haar enige inkomen was een baantje bij de kazerne waar ze de hele dag aardappels schilde. We konden er amper van rondkomen, vooral toen ze begon te drinken. Toen Ronald elf werd, besloot de voogdijraad dat hij het huis uit moest. Tenminste dat was wat mijn moeder zei. Misschien had het ook te maken met die woensdagmiddag dat ze Ronald en mij samen in bed aantrof. Hoe dan ook: ik als oudste en dochter moest mijn moeder bijstaan. Ronald verdween naar een kindertehuis in Amsterdam. Nog geen jaar later werd hij ineens ziek en was hij binnen een paar weken gestorven. Mijn moeder had hem nog willen bezoeken, maar kon niet aan geld komen voor de reis naar Amsterdam en het laatste wat ik van Ronald heb gezien was hoe hij in 261


de Volkswagen van de voogdes stapte met een boodschappentas met kleren en de straat uitreed naar het weeshuis in Amsterdam.’ Erna zuchtte. Er viel een lange stilte tot René opmerkte: ‘Ik moet je iets vreemds vertellen.’ ‘Wat is er?’ vroeg Erna, terwijl ze haar hoofd hief om René aan te kijken. ‘Je kijkt geschrokken. Heb ik iets raars gezegd?’ ‘Nee, maar je zult het niet geloven. Ik ben bang… bang dat ik ook in dat weeshuis verbleef toen Ronald er zat. Hij zat, zonder dat we het van elkaar wisten bij mij in de groep. Hij viel mij op omdat hij de enige donkere jongen was. Kinderen leren elkaar niet bij de achternaam kennen, En ook al zou ik geweten hebben dat hij De Graaf heette dan nog had ik dat verband niet gelegd, want doorgaans hebben blanke kinderen blanke ouders; zeker toen. En erger nog: ik heb hem dood gezien.’ René voelde hoe door Erna een huivering trok. ‘Ik had straf omdat ik zei dat God niet kon bestaan en moest daarom ‘s morgens de binnenplaats vegen. Ik denk nu zelfs dat mijn godslasterlijk gedrag mijn redding is geweest. Misschien was ik anders ook zo geëindigd. Ik bedoel: hij was op een verkeerde manier het liefje van de non van onze groep. Ronald zong ook zondags tijdens de hoogmis in het nonnenkoor Nee, die kon geen kwaad doen. Maar van mij bleef ze af, want je mocht natuurlijk niet met je Eeuwige Liefdestengels aan een duivelskind, zoals ik, komen. Ronald lag toen naakt op een tafel in een souterrain. Hij werd door twee nonnen gewassen en aangekleed voor zijn begrafenis. Ik was bij de dienst die in de kapel van het weeshuis werd gehouden, omdat het een jongen betrof uit 262


onze groep. Door wat je nu vertelt, weet ik nu dat hij mijn halfbroer was en… nog vreemder… dat jij mijn halfzus bent.’ René zweeg een tijd en vroeg toen: ‘Wat nu?’ Erna begon geluidloos te huilen. ‘Weet je wat het ergste is,’ stamelde ze na enige tijd, ‘toen ik jou binnen zag komen in De Cocon en je naast mij kwam zitten, dacht ik meteen: dit is hem. Geen gedoe meer met ex-jaargenoten. Ik wil hem en hem alleen. Verdomme. Maar nou weet ik waarom. Je lijkt sprekend op Ronald, ook al heb je een wit velletje. Dezelfde bouw, maar dan met blauwe ogen en ook dat krullende haar.’ ‘Kunnen we geen vrienden, of gewoon broer en zus...’ René maakte zijn zin niet af, want hij besefte dat het inmiddels onmogelijk was. ‘Ik moet je iets vragen, René.’ Erna sloeg haar ogen neer. ‘Wil je de kamer verlaten tot ik mij heb aangekleed. Ik voel mij ineens naakt.’ René knikte, trok haastig zijn kleren aan, liep schoorvoetend de kamer uit en sloot behoedzaam de deur achter zich. Toen Erna kort daarna de gang opkwam, was ze helemaal aangekleed. Ze knoopte haar jas dicht. ‘Het is beter dat ik ga, voordat ik niet meer zonder je kan.’ Ze ging op haar tenen staan, drukte een vluchtige kus op zijn wang en zei: ‘Dag… broertje.’ En hij dacht, terwijl hij haar wang streelde: dit ga ik straks heel, heel verdrietig vinden. Erna opende de voordeur en trok hem geluidloos achter zich dicht. René liep terug naar de kamer, stelde zich op voor het raam aan de grachtkant en keek hoe Erna oploste in de nacht. Langzaam draaide hij zich om en stelde zich op 263


voor ‘De oorsprong van de wereld’, nam in beide handen de twee onaangeroerde wijnglazen die op de salontafel stonden en zei:’ Op je boekie.’ Hij dronk de twee glazen achter elkaar leeg, ad fundum.

264


Waarde Lezer, Je kunt het boek bestellen door € 24,90 over te maken op rekening-nummer Triodosbank: NL25TRIO 01983.404.35, tnv FM Stüger ovv De Bastaard, uw naam en adres. Of via: fmstuger@gmail.com, als je het boek gesigneerd wilt hebben of als cadeau met opdracht, eventueel verpakt in cadeaupapier. Dan zend ik dezelfde dag het boek, na ontvangst van betaling, naar je toe; de porto betaal ik. Wil je geen gesigneerd boek dan kan je ook via Bol.com of 1boek op internet bestellen uiteraard tegen dezelfde prijs. Het boek is ook via de reguliere boekhandel verkrijgbaar bij het Centraal Boekhuis via het ISBN-nummer op de achterflap van het boek. Recensie-exemplaren voor de media zijn gratis. *** De pers over Frans Stüger: Stüger is een meester in typisch Nederlandse treurhumor. Snoeck, Arie Storm Frans Stüger kan erg grappig schrijven, op het surrealistische af. Herman Brusselmans


Bestelformulier Titel: Aantal: PrivĂŠ: Boekhandel: Bibliotheek: Media:

De Bastaard

Adres Naam: Straat Plaats e-mail: Cadeau*: Cadeaupapier*:

*** Richt deze bestelling aan: fmstuger@gmail.com

Hartelijk dank, SenSuitgevers


De bastaard tweede druk inkijk  
De bastaard tweede druk inkijk  
Advertisement