Issuu on Google+

nrc next VRIJDAG 3 JANUARI 2014

next weten

4

5

Dit was ooit de bedrijfshal van de failliete deurenfabriek in het Spaanse Villacañas, die aan veel dorpelingen werk bood.

Nog altijd crisis //

Voor de huizenbubbel barstte, ging het geweldig met dit Spaanse dorp // Veel mensen werkten in de deurenindustrie, nu zijn ze werkloos // En de arbeidsmarkt zal niet erg verbeteren komend jaar, zo zijn de voorspellingen

Een van de hoofdstraten van Villacañas. Sinds niemand meer een nieuwe deur nodig heeft in Spanje, is de levendigheid verdwenen in het dorp. FOTO’S JASPER JUINEN

Het huisdeurendorp is totaal ineengestort

Achtergrond De cijfers worden beter, nu de arbeidsmarkt nog

ROSANNE KROPMAN

Kostwinner is oma, met haar pensioen

MAARTEN SCHINKEL REDACTEUR ECONOMIE

Villacañas. Het is een uur of elf ’s ochtends als Angel Pérez Bueno zijn eerste jointje draait. Het hoort bij zijn ochtendritueel: aankleden, koffie zetten, wiet vermalen en rollen. Hij rookt drie tot vijf joints per dag. Het kalmeert zijn gedachten en houdt zijn zorgen op afstand, zegt hij. „Als ik werk zou hebben, zou ik het niet doen. Dan rookte ik er misschien eentje als ik thuis kwam, meer niet.” Maar Angel Pérez Bueno (26) heeft geen werk, al zes jaar niet. Ja, soms eens een klusje hier of daar, tijdens de druivenpluk of de olijvenoogst in Villacañas. Maar vast werk, nee. Ook zijn beide ouders en zijn zusje Regina (21) zitten thuis. Het hele gezin is werkloos. Alles is nu anders dan zeven jaar geleden, toen Villacañas gouden tijden beleefde. Binnen één generatie, van de jaren 80 tot 2006, groeide het arme boerengehucht op de dorre vlakte onder Madrid uit tot een waar industriestadje. In Villacañas werden nagenoeg alle deuren geproduceerd die nodig waren voor de talloze nieuwbouwprojecten in Spanje. Tot de huizenbubbel in Spanje barstte. En niemand nog een nieuwe deur nodig had. Angel werkte vanaf zijn vijftiende bij Visel, één van de zeven grootste deurenfabrieken van Villacañas. Op zijn negentiende werd hij ontslagen. Hij dacht dat hij zo weer aan het werk zou zijn en nam zijn situatie niet al te serieus. Werkloosheid was een vreemd, exotisch begrip in de deurenstad. Uit de wijde omtrek kwamen mensen naar de stad om te werken in de deurenindustrie. De lonen waren er hoog, de arbeidsomstandigheden goed. Op het hoogtepunt van de deurenproductie lagen de salarissen boven de duizend euro netto en konden werknemers vaak ook nog een deel zwart bijklussen. De inwoners waren trots op de welvaart en plotselinge levendigheid in het voorheen doodse stadje. Huizen en auto’s werden op afbetaling gekocht, werk en geld was er genoeg. „Als je hier geen Audi of BMW had, deed je niet mee”, herinnert Angel zich. Zelf kocht hij een splinternieuwe auto op afbetaling toen hij achttien was. Het plan was: eerst de auto afbetalen, daarna een huis, een leuke vriendin en een gezinnetje. De blauwe Ford staat nu al weer een jaar bij de autodealer om verkocht te worden. De schuld drukt als een loden last op het gezin.

Het grootste deel van hun tijd brengen Angel Pérez Bueno, zijn ouders en zijn zus nu door in de kleine keuken van oma Juana. Zij is met haar tachtig jaar degene die het meeste geld binnenkrijgt, dankzij haar pensioen: vierhonderd euro per maand. Ze heeft geld om de verwarming aan te zetten en zorgt twee keer per dag voor eten. In hun eigen huis zitten ze in de kou, er is geen diesel is om te stoken. „Zonder mijn oma had het gezin nu onder een brug gelegen”, zegt Angel. De meltdown die het inzakken van de economie teweegbracht, is door het hele stadje te zien. Desolate fabriekshallen staan als reusachtige karkassen op het uitgestrekte bedrijventerrein. Onbewaakte fabrieken worden door dieven van de laatste resten hout en metaal ontdaan. Splinternieuwe machines zijn door curatoren per kilo verkocht aan Marokko. „Daar zijn de deuren goedkoper en gaat het nog wel goed”, zegt Angel bitter. Een overwoekerd golfbaantje herinnert eraan dat het hier ooit goed toeven was. De weg waar ooit zwaar vrachtverkeer overheen moet hebben gedenderd, is spookachtig stil. Fabriekshekken zijn dicht, erachter groeien distels tussen de scheuren in het asfalt. De crisis zorgt er ook voor dat de verhoudingen binnen gezinnen zijn veranderd. Opgroeiende kinderen blijven langer thuis wonen, terwijl hun ouders weer afhankelijk zijn geworden van hun eigen, bejaarde ouders. Gepensioneerden en kleine kinderen zijn vaak de enige manier om – via kinderbijslag of pensioenen – wat geld binnen te krijgen. Angel en Regina Pérez Bueno hebben het er moeilijk mee dat ze afhankelijk zijn van hun ouders, die op hun beurt ook weinig uit te delen hebben. Als het aan Angel gelegen had, had hij een auto, een eigen huis en een gezin gehad. Ook Regina verbijt zich bij de gedachte dat ze nog steeds als een afhankelijk kind leeft. „Ik

IN VILLACAÑAS WERDEN ZOWAT ALLE DEUREN GEMAAKT VOOR NIEUWE HUIZEN IN SPANJE – TOEN KWAM DE CRISIS

heb het altijd fijn gevonden om alleen te zijn, om aan niemand verantwoording af te leggen. Dat kan nu niet. Er is geen werk, waardoor ik alles aan mijn ouders moet vragen. Dat is zwaar.” Volgens de gemeente is zo’n 30 procent van de bevolking van Villacañas werkloos. Angel gelooft er niets van, het is veel meer volgens hem. „Wat weten zij nou? Ze meten tijdens de olijfoogst, als iedereen even lekker aan het werk is.” Ook andere stadsgenoten trekken het officiële cijfer in twijfel. Jesus Fernandez, oud-vakbondsleider in een deurenfabriek, nu restauranthouder, houdt het op 50 à 60 procent werkloosheid. En de helft daarvan is al langer dan vier jaar zonder baan. Vacatures zijn er niet voor ongeschoolde arbeiders. Het weinige werk in de overgebleven fabrieken is alleen via via te krijgen.

En het ergste moet nog komen...

De ouders van Angel Pérez Bueno, in het huis van Angels oma. Ze hebben geen geld voor de verwarming.

Inmiddels is ook het moreel van de bewoners laag. Niemand spreekt nog sussend of optimistisch over de situatie. Nee, het ergste is nog niet geweest. Bijna iedere werkloze die je vraagt of hij of zij in het buitenland zou willen werken, zegt volmondig ja. Ook Angel en Regina. Maar tegelijk heeft niemand concrete plannen of een strategie. „Wij willen werken. Wat voor werk maakt niet uit”, zeggen ze strijdvaardig. Velen zijn het land nooit uit geweest en spreken geen andere taal. Bovendien zijn de meesten niet gewend om te solliciteren. En ze hebben weinig of geen opleiding. Dat hoefde ook niet, de werkloosheid was de laatste 15 jaar bijna nul. Angel en Regina zwoegen nu allebei in de avonduren op een diploma. Regina droomt ervan om kapster te worden of met kleine kinderen te werken. Om haar eigen spullen te kunnen kopen. Maar ze ziet het nieuwe jaar somber in. De uitkering die hun vader nu ontvangt, stopt dan. Het enige inkomen dat het gezin dan nog heeft, is van hun oma. En haar broer? Op zijn leeftijd geldt hij inmiddels als oud, maar onervaren. Hij staat al zo lang stil, zegt hij, dat hij soms niet eens zijn bed uit wil komen. „Je voelt je alleen, want je hebt niets. Vroeger had ik mijn collega’s uit de fabriek. Je ging er samen heen en samen weer naar huis. Samen stappen, afspreken. Ik zie ze niet veel meer.” Alleen vertrekken biedt uitkomst, denkt hij. „Ik zoek al twee jaar niet meer naar werk. Het is hier doods.” Maar waarheen? Hij weet het niet. Aan wat hij echt goed kan, deuren maken, is voorlopig geen behoefte.

De 26-jarige Angel Pérez Bueno.

AMSTERDAM. Wéér een mager jaar? Of het begin van een economische lente? Wie, net als bij Google Earth, op planetaire schaal begint en steeds verder inzoomt, krijgt een buitengewoon somber resultaat. De wereldeconomie groeit volgens het Internationaal Monetair Fonds volgend jaar met iets meer dan 3 procent. Dat houdt in internationaal perspectief niet over, maar het is wel de beste groei sinds 2010. Toen werd de financiële crisis onderbroken door een kortstondige economische opleving. We vergroten het beeld wat en krijgen alleen de gevestigde industrielanden in het vizier. Zij maken volgend jaar een groei door van 2 procent. Dat is al minder. Verder inzoomen verduidelijkt waarom: de eurozone, als onderdeel van die groep van gevestigde industrielanden, haalt het gemiddelde naar beneden. Die groeit maar met 1 procent in 2014. We draaien nog iets verder aan de lens en komen bij Nederland. Dat groeit volgend jaar volgens het IMF met 0,3 procent: het laagste van het laagste van het laagste. Nederland laat daarmee in de eurozone alleen Cyprus, Slovenië en Spanje achter zich. Zelfs de voormalige crisislanden Griekenland, Portugal en Ierland doen het volgend jaar beter. De verwachtingen zijn intussen wel iets positiever. Vrijwel alle instanties, inclusief de grote banken, denken nu dat de Nederlandse groei in 2014 0,5 procent zal zijn. Tegelijk krijgt de burger een groot deel van de tientallen miljarden aan bezuinigingsplannen van de afgelopen kabinetten dit jaar pas over zich heen. Die bezuinigingen vormen in wezen een factor die achter de economische conjunctuur aan sleept. En er zijn daar meer van. Het zal vrijwel overal in Europa nog lang duren voor de arbeidsmarkt zich enigszins herstelt. Ook als bedrijven zien dat het beter gaat, zullen zij de eerste stijging van de omzet opvangen met

bestaand personeel – en wachten om nieuwe mensen in dienst te nemen. In Nederland is de verwachting dat de werkloosheid in 2014 nog wat oploopt – hoewel de jongste cijfers verrassend wijzen op het tegendeel. In november, de jongste maand waarover cijfers beschikbaar zijn, nam de werkloosheid hier met 21.000 mensen af, tot 653.000, waarmee het werkloosheidspercentage terugliep tot 8,2 procent. Maar het zal nog moeten blijken of deze recente opleving duurzaam is. En dat geldt zeker ook voor de grootste probleemlanden van de eurozone. De OESO, de club van rijke industrielanden, schat het werkloosheidspercentage in Spanje op 26,4 procent in 2014. En daarmee neemt het, hoe enorm het ook is, niet af ten opzichte van vorig jaar. Dat geldt ook voor Portugal (16,1 procent) en Griekenland (27,1 procent). In landen als Frankrijk, Italië en Finland neemt het werkloosheidspercentage zelfs nog toe in 2014. Een nog slechte arbeidsmarkt, bezuinigingen die nu pas toeslaan én – voor Nederland – een van de magerste groeicijfers ter wereld: het is een nogal sobere boodschap. Maar er staat een ander perspectief tegenover: 2014 wordt in wezen het jaar dat zal uitmaken in hoeverre al dat slechte nieuws al is ingecalculeerd. Door het bedrijfsleven en vooral door de burgers zelf. Het is een standaardonderdeel van de meeste economische theorie dat die burger ‘rationele verwachtingen’ heeft. Het effect van alle maatregelen zal in dat geval al zijn gebleken uit het gedrag waarmee de burger daar bewust of onbewust op heeft geanticipeerd. Denk aan het extra aflossen van de hypotheekschuld, dat vorig jaar een hoge vlucht nam. Kan het zijn dat we, in onze schuttersputjes murw gebeukt door jaren van slecht nieuws, ons geen positieve verrassing meer kunnen voorstellen? Dit jaar zal, Europese en internationale calamiteiten uitgezonderd, uitwijzen of al het slechte nieuws al is verwerkt. En of de animal spirits bij burgers en bedrijven nog intact zijn.


nrc next VRIJDAG 3 JANUARI 2014

next weten

4

5

Dit was ooit de bedrijfshal van de failliete deurenfabriek in het Spaanse Villacañas, die aan veel dorpelingen werk bood.

Nog altijd crisis //

Voor de huizenbubbel barstte, ging het geweldig met dit Spaanse dorp // Veel mensen werkten in de deurenindustrie, nu zijn ze werkloos // En de arbeidsmarkt zal niet erg verbeteren komend jaar, zo zijn de voorspellingen

Een van de hoofdstraten van Villacañas. Sinds niemand meer een nieuwe deur nodig heeft in Spanje, is de levendigheid verdwenen in het dorp. FOTO’S JASPER JUINEN

Het huisdeurendorp is totaal ineengestort

Achtergrond De cijfers worden beter, nu de arbeidsmarkt nog

ROSANNE KROPMAN

Kostwinner is oma, met haar pensioen

MAARTEN SCHINKEL REDACTEUR ECONOMIE

Villacañas. Het is een uur of elf ’s ochtends als Angel Pérez Bueno zijn eerste jointje draait. Het hoort bij zijn ochtendritueel: aankleden, koffie zetten, wiet vermalen en rollen. Hij rookt drie tot vijf joints per dag. Het kalmeert zijn gedachten en houdt zijn zorgen op afstand, zegt hij. „Als ik werk zou hebben, zou ik het niet doen. Dan rookte ik er misschien eentje als ik thuis kwam, meer niet.” Maar Angel Pérez Bueno (26) heeft geen werk, al zes jaar niet. Ja, soms eens een klusje hier of daar, tijdens de druivenpluk of de olijvenoogst in Villacañas. Maar vast werk, nee. Ook zijn beide ouders en zijn zusje Regina (21) zitten thuis. Het hele gezin is werkloos. Alles is nu anders dan zeven jaar geleden, toen Villacañas gouden tijden beleefde. Binnen één generatie, van de jaren 80 tot 2006, groeide het arme boerengehucht op de dorre vlakte onder Madrid uit tot een waar industriestadje. In Villacañas werden nagenoeg alle deuren geproduceerd die nodig waren voor de talloze nieuwbouwprojecten in Spanje. Tot de huizenbubbel in Spanje barstte. En niemand nog een nieuwe deur nodig had. Angel werkte vanaf zijn vijftiende bij Visel, één van de zeven grootste deurenfabrieken van Villacañas. Op zijn negentiende werd hij ontslagen. Hij dacht dat hij zo weer aan het werk zou zijn en nam zijn situatie niet al te serieus. Werkloosheid was een vreemd, exotisch begrip in de deurenstad. Uit de wijde omtrek kwamen mensen naar de stad om te werken in de deurenindustrie. De lonen waren er hoog, de arbeidsomstandigheden goed. Op het hoogtepunt van de deurenproductie lagen de salarissen boven de duizend euro netto en konden werknemers vaak ook nog een deel zwart bijklussen. De inwoners waren trots op de welvaart en plotselinge levendigheid in het voorheen doodse stadje. Huizen en auto’s werden op afbetaling gekocht, werk en geld was er genoeg. „Als je hier geen Audi of BMW had, deed je niet mee”, herinnert Angel zich. Zelf kocht hij een splinternieuwe auto op afbetaling toen hij achttien was. Het plan was: eerst de auto afbetalen, daarna een huis, een leuke vriendin en een gezinnetje. De blauwe Ford staat nu al weer een jaar bij de autodealer om verkocht te worden. De schuld drukt als een loden last op het gezin.

Het grootste deel van hun tijd brengen Angel Pérez Bueno, zijn ouders en zijn zus nu door in de kleine keuken van oma Juana. Zij is met haar tachtig jaar degene die het meeste geld binnenkrijgt, dankzij haar pensioen: vierhonderd euro per maand. Ze heeft geld om de verwarming aan te zetten en zorgt twee keer per dag voor eten. In hun eigen huis zitten ze in de kou, er is geen diesel is om te stoken. „Zonder mijn oma had het gezin nu onder een brug gelegen”, zegt Angel. De meltdown die het inzakken van de economie teweegbracht, is door het hele stadje te zien. Desolate fabriekshallen staan als reusachtige karkassen op het uitgestrekte bedrijventerrein. Onbewaakte fabrieken worden door dieven van de laatste resten hout en metaal ontdaan. Splinternieuwe machines zijn door curatoren per kilo verkocht aan Marokko. „Daar zijn de deuren goedkoper en gaat het nog wel goed”, zegt Angel bitter. Een overwoekerd golfbaantje herinnert eraan dat het hier ooit goed toeven was. De weg waar ooit zwaar vrachtverkeer overheen moet hebben gedenderd, is spookachtig stil. Fabriekshekken zijn dicht, erachter groeien distels tussen de scheuren in het asfalt. De crisis zorgt er ook voor dat de verhoudingen binnen gezinnen zijn veranderd. Opgroeiende kinderen blijven langer thuis wonen, terwijl hun ouders weer afhankelijk zijn geworden van hun eigen, bejaarde ouders. Gepensioneerden en kleine kinderen zijn vaak de enige manier om – via kinderbijslag of pensioenen – wat geld binnen te krijgen. Angel en Regina Pérez Bueno hebben het er moeilijk mee dat ze afhankelijk zijn van hun ouders, die op hun beurt ook weinig uit te delen hebben. Als het aan Angel gelegen had, had hij een auto, een eigen huis en een gezin gehad. Ook Regina verbijt zich bij de gedachte dat ze nog steeds als een afhankelijk kind leeft. „Ik

IN VILLACAÑAS WERDEN ZOWAT ALLE DEUREN GEMAAKT VOOR NIEUWE HUIZEN IN SPANJE – TOEN KWAM DE CRISIS

heb het altijd fijn gevonden om alleen te zijn, om aan niemand verantwoording af te leggen. Dat kan nu niet. Er is geen werk, waardoor ik alles aan mijn ouders moet vragen. Dat is zwaar.” Volgens de gemeente is zo’n 30 procent van de bevolking van Villacañas werkloos. Angel gelooft er niets van, het is veel meer volgens hem. „Wat weten zij nou? Ze meten tijdens de olijfoogst, als iedereen even lekker aan het werk is.” Ook andere stadsgenoten trekken het officiële cijfer in twijfel. Jesus Fernandez, oud-vakbondsleider in een deurenfabriek, nu restauranthouder, houdt het op 50 à 60 procent werkloosheid. En de helft daarvan is al langer dan vier jaar zonder baan. Vacatures zijn er niet voor ongeschoolde arbeiders. Het weinige werk in de overgebleven fabrieken is alleen via via te krijgen.

En het ergste moet nog komen...

De ouders van Angel Pérez Bueno, in het huis van Angels oma. Ze hebben geen geld voor de verwarming.

Inmiddels is ook het moreel van de bewoners laag. Niemand spreekt nog sussend of optimistisch over de situatie. Nee, het ergste is nog niet geweest. Bijna iedere werkloze die je vraagt of hij of zij in het buitenland zou willen werken, zegt volmondig ja. Ook Angel en Regina. Maar tegelijk heeft niemand concrete plannen of een strategie. „Wij willen werken. Wat voor werk maakt niet uit”, zeggen ze strijdvaardig. Velen zijn het land nooit uit geweest en spreken geen andere taal. Bovendien zijn de meesten niet gewend om te solliciteren. En ze hebben weinig of geen opleiding. Dat hoefde ook niet, de werkloosheid was de laatste 15 jaar bijna nul. Angel en Regina zwoegen nu allebei in de avonduren op een diploma. Regina droomt ervan om kapster te worden of met kleine kinderen te werken. Om haar eigen spullen te kunnen kopen. Maar ze ziet het nieuwe jaar somber in. De uitkering die hun vader nu ontvangt, stopt dan. Het enige inkomen dat het gezin dan nog heeft, is van hun oma. En haar broer? Op zijn leeftijd geldt hij inmiddels als oud, maar onervaren. Hij staat al zo lang stil, zegt hij, dat hij soms niet eens zijn bed uit wil komen. „Je voelt je alleen, want je hebt niets. Vroeger had ik mijn collega’s uit de fabriek. Je ging er samen heen en samen weer naar huis. Samen stappen, afspreken. Ik zie ze niet veel meer.” Alleen vertrekken biedt uitkomst, denkt hij. „Ik zoek al twee jaar niet meer naar werk. Het is hier doods.” Maar waarheen? Hij weet het niet. Aan wat hij echt goed kan, deuren maken, is voorlopig geen behoefte.

De 26-jarige Angel Pérez Bueno.

AMSTERDAM. Wéér een mager jaar? Of het begin van een economische lente? Wie, net als bij Google Earth, op planetaire schaal begint en steeds verder inzoomt, krijgt een buitengewoon somber resultaat. De wereldeconomie groeit volgens het Internationaal Monetair Fonds volgend jaar met iets meer dan 3 procent. Dat houdt in internationaal perspectief niet over, maar het is wel de beste groei sinds 2010. Toen werd de financiële crisis onderbroken door een kortstondige economische opleving. We vergroten het beeld wat en krijgen alleen de gevestigde industrielanden in het vizier. Zij maken volgend jaar een groei door van 2 procent. Dat is al minder. Verder inzoomen verduidelijkt waarom: de eurozone, als onderdeel van die groep van gevestigde industrielanden, haalt het gemiddelde naar beneden. Die groeit maar met 1 procent in 2014. We draaien nog iets verder aan de lens en komen bij Nederland. Dat groeit volgend jaar volgens het IMF met 0,3 procent: het laagste van het laagste van het laagste. Nederland laat daarmee in de eurozone alleen Cyprus, Slovenië en Spanje achter zich. Zelfs de voormalige crisislanden Griekenland, Portugal en Ierland doen het volgend jaar beter. De verwachtingen zijn intussen wel iets positiever. Vrijwel alle instanties, inclusief de grote banken, denken nu dat de Nederlandse groei in 2014 0,5 procent zal zijn. Tegelijk krijgt de burger een groot deel van de tientallen miljarden aan bezuinigingsplannen van de afgelopen kabinetten dit jaar pas over zich heen. Die bezuinigingen vormen in wezen een factor die achter de economische conjunctuur aan sleept. En er zijn daar meer van. Het zal vrijwel overal in Europa nog lang duren voor de arbeidsmarkt zich enigszins herstelt. Ook als bedrijven zien dat het beter gaat, zullen zij de eerste stijging van de omzet opvangen met

bestaand personeel – en wachten om nieuwe mensen in dienst te nemen. In Nederland is de verwachting dat de werkloosheid in 2014 nog wat oploopt – hoewel de jongste cijfers verrassend wijzen op het tegendeel. In november, de jongste maand waarover cijfers beschikbaar zijn, nam de werkloosheid hier met 21.000 mensen af, tot 653.000, waarmee het werkloosheidspercentage terugliep tot 8,2 procent. Maar het zal nog moeten blijken of deze recente opleving duurzaam is. En dat geldt zeker ook voor de grootste probleemlanden van de eurozone. De OESO, de club van rijke industrielanden, schat het werkloosheidspercentage in Spanje op 26,4 procent in 2014. En daarmee neemt het, hoe enorm het ook is, niet af ten opzichte van vorig jaar. Dat geldt ook voor Portugal (16,1 procent) en Griekenland (27,1 procent). In landen als Frankrijk, Italië en Finland neemt het werkloosheidspercentage zelfs nog toe in 2014. Een nog slechte arbeidsmarkt, bezuinigingen die nu pas toeslaan én – voor Nederland – een van de magerste groeicijfers ter wereld: het is een nogal sobere boodschap. Maar er staat een ander perspectief tegenover: 2014 wordt in wezen het jaar dat zal uitmaken in hoeverre al dat slechte nieuws al is ingecalculeerd. Door het bedrijfsleven en vooral door de burgers zelf. Het is een standaardonderdeel van de meeste economische theorie dat die burger ‘rationele verwachtingen’ heeft. Het effect van alle maatregelen zal in dat geval al zijn gebleken uit het gedrag waarmee de burger daar bewust of onbewust op heeft geanticipeerd. Denk aan het extra aflossen van de hypotheekschuld, dat vorig jaar een hoge vlucht nam. Kan het zijn dat we, in onze schuttersputjes murw gebeukt door jaren van slecht nieuws, ons geen positieve verrassing meer kunnen voorstellen? Dit jaar zal, Europese en internationale calamiteiten uitgezonderd, uitwijzen of al het slechte nieuws al is verwerkt. En of de animal spirits bij burgers en bedrijven nog intact zijn.


Villacañas