Issuu on Google+

Inhoud Woord vooraf   1. Bemoediging en voorbereiding   2. Rachabs woorden tot de verspieders   3. De afhandeling van zaken in Jericho   4. De enige Weg door de Doodsjordaan   5. De leerzame taal van de gedenkstenen   6. Doortocht, besnijdenis en pascha   7. Een bemoedigende ontmoeting met de Vorst des hemels   8. Gered vanuit een verbannen stad   9. Puinhopen, nederlaag en gebed 10. De openbaring van de ban in het volk 11. De prediking van het dal van Achor 12. Het oordeel over Ai voltrokken 13. Diep ontzag voor Gods wet geëist 14. Een arlistig handelend volk 15. Het openbaar gekomen bedrog en het vervolg daarop 16. De aangevallen Kerk door een wonderdoend God in Christus gered 17. Een volk in de spelonk verborgen en uit de spelonk gehaald 18. Het gehele land, stad na stad, veroverd en geërfd 19. De voortgaande overwinning en inneming van het land 20. Voorbijgaande dagen, levens en strijd 21. Het erfdeel van Juda aangewezen en ingenomen 22. Het erfdeel van Jozefs zonen, hun halfheid en de erfdochters 23. De bestemde plaats die de stammen wordt toegewezen 24. Gegeven vrijsteden 25. Het erfdeel van Levi in overdrachtelijke zin tot hoop en troost  26. Het vertrek van de stammen naar het Overjordaanse 27. Eén volk en één religie 28. Een afscheidsrede met terugblik 29. Een preek uit ’s lands historieblaân 30. Voor de keus gesteld 31. De vernieuwing en vaststelling van het verbond 32. Des mensen nietigheid en het geloof van de Kerk

11 13 26 39 53 66 81 94 109 126 142 157 163 174 189 201 213 227 241 253 264 276 286 298 307 316 325 335 344 358 370 380 386


1 Bemoediging en voorbereiding Zingen: Psalm 105:23 en 24 Lezen: Jozua 1 We zijn allen mensen die door de woestijn van dit leven reizen naar de Doodsjordaan. De grote vraag is: Zal het dan daarna mogen zijn een ingaan in het Kana채n der ruste onder de Meerdere dan Jozua? Een vraag waarmee we tot onszelf hebben in te keren, ook naar aanleiding van het Bijbelboek, waarvan we het eerste gedeelte hebben gelezen. Onze tijd Wat is het een voorrecht dat we nog leven in een tijd waarin terrorisme en oorlog alleen maar woorden zijn die we elke dag in de kranten lezen. De afbeeldingen die erbij geplaatst worden onderstrepen de woorden. Het zijn woorden en afbeeldingen waar we op een gegeven ogenblik ook weer aan wennen; waar we mee leren leven. We verzetten de bakens in onze gedachten. Maar de tekenen van onze dagen zeggen ons dat de komst van Christus genaakt. De oordelen Gods gaan over deze aarde. Volk zal tegen volk opstaan. Er is beroering alom. We hebben dat gezien met de opzettelijke vliegtuigrampen op 11 september 2001. Vanuit Manhattan en Washington kwamen de ontzettende berichten. We hebben ze in de krant kunnen lezen. Ineens was heel de wereld erbij betrokken. In 61 landen waren doden te betreuren. De gevolgen van de ramp zijn gebleven in de rest van de wereld. Angst Dat zijn toch wel zaken die we in het Woord des Heeren kunnen terugvinden als tekenen, waarbij we hebben op te merken wat de Heere daarmee te zeggen heeft. Wij mogen hier nog tezamen zijn. De Heere draagt en verdraagt ons nog, hoewel in de gehele westerse wereld een stuk angst leeft of er nog meer gaat gebeuren. Zal er nog een wereldoorlog komen? Ouderen weten daar allemaal van, want 13


zij hebben de Tweede Wereldoorlog meegemaakt. Zij hebben daar allemaal bewust kennis van genomen vanuit een persoonlijke ervaring. Zal er een nieuwe wereldbrand ontstaan, die de ganse wereld in vlammen zet? Zullen er nog meer rampen gebeuren, in bijvoorbeeld tunnels, treinen, samenkomsten, gebouwen, met gifgas of chemische wapens …? Wat is er veel wat de wereld kan vernietigen. En als de Heere de omheining komt weg te breken, wat zal er dan van deze wereld worden? Dan hebben we te vrezen dat het zal worden als Sodom en Gomorra, zoals het niet alleen in Genesis staat, maar ook in Jesaja 1. We kunnen de lijnen wel doortrekken naar het boek Openbaring. En och, dan is er eigenlijk maar één Schuilplaats, dat is dat we in Christus mochten schuilen. Dat we in Christus mochten weten dat we uit Egypte, door de woestijn in Kanaän zijn aangekomen. Wel, dat hopen we dan te mogen bezien elke keer wanneer we opnieuw een hoofdstuk van het boek Jozua hopen te lezen. Woestijnreis Het boek Deuteronomium is beëindigd. Wat zijn er een leerzame lessen te trekken vanuit de woestijnreis van de kinderen Israëls. We zien daar hoe de Heere met dat volk geweest is en hoe Hij veertig jaar verdriet van hen gehad heeft. Wat is dat een beschamende zaak, wat een beschuldigende zaak. Daarmee hebben we in te keren tot onszelf omdat het ook een spiegel is voor ons allen. Ze zijn uit Egypteland getogen. De psalmist zegt: Dus toog ’t verkoren volk des Heeren, Al juichend uit op Gods begeren. Maar er staat ook dat de Heere het land der heidenen van rondom hun tot hun eigendom schonk. Wel, dat staat dan in het boek Jozua beschreven. Het land Kanaän, overvloeiende van melk en honing, was beloofd aan de voorvaders en de ‘oudvaders’, de patriarchen Abraham, Izaäk en Jakob. De aan Abraham gegeven belofte was in Egypteland vergeten. Men is daar vierhonderddertig jaar blijven hangen en er waren een zware onderdrukking, slavernij en het juk der dienstbaarheid voor nodig om het volk daaruit te halen. Maar de Heere heeft dat willen doen. Veertig jaar zijn ze door de woestijn getrokken. In die woestijn is een generatie gestorven. Iedereen boven de twintig jaar … 14


Men zegt wel in de toepassing dat het oude gestorven is en het nieuwe binnen is gegaan. Op zichzelf is dat een waardevolle gedachte. In zijn algemeenheid gesproken zijn allen gestorven die ouder waren dan twintig jaar. Want alleen Kaleb en Jozua (men zegt wel eens ‘een hond en Jezus’; dan wordt de betekenis van de namen vergeestelijkt) zijn overgebleven. Al de anderen hebben naar het lichaam hun graf gevonden in het zand der woestijn, óf ze zijn levend nedergedaald ter helle, zoals Korach, Dathan en Abiram en die met hen waren. Mozes en Aäron Ook Mozes en Aäron zijn gestorven. Aäron op de berg Hor, zijn priesterkleding afgelegd hebbende, en met een geloofszicht op de voortgaande, ambtelijke, priesterlijke bediening, die zag op de Hogepriesterlijke bediening van Christus. Het ambt gaat door tot op Christus. Niet alleen Aäron, maar ook Mozes is gestorven. Hij stierf op de berg Nebo. Hij mocht nog een zicht hebben op het land dat de Heere aan Zijn Kerk beloofd had. Dat zicht op het letterlijke land was symbool van het zicht op het Kanaän der ruste waarvan Hebreeën 4 spreekt: Immanuëls land, waar alles vrede, sjalom, zal zijn. Waar het is zoals Psalm 72 zegt, dat de bergen vrede zullen dragen, en de heuvels heilig recht. Zo heeft de Godsman Mozes niet het letterlijke land Kanaän gekregen, maar hij heeft het wel in het geestelijke gekregen. Hij heeft het wel wat betreft de eeuwigheid gekregen. Hij is ingegaan in het land hierboven, zij het dat hij in verheerlijkte gedaante op de berg Thabor tezamen met Elia zijn voeten nog gezet heeft in het aardse land Kanaän. Dat was toen daar de verheerlijkte Christus in hun midden was en hij met Christus mocht spreken van het ambtelijke werk, dat Christus zou gaan volbrengen. Jozua Nadat Mozes is heengegaan, heeft de Heere gegeven dat in zijn plaats Jozua kwam. Hij trok reeds tezamen met Mozes op, zodat hij middellijkerwijze al ingeleid en ingewerkt was in het werk dat hem te doen stond. Hij stond daar niet nieuw en vreemd tegenover, maar in de middellijke weg heeft de Heere Jozua daarin een zekere scholing, een zeker onderwijs gegeven, zodat wanneer zijn ambtelijke werk zou aanvangen, hij toch een zekere ervaring had opgedaan. Deze ervaring moest echter wel gezegend worden. Jozua met name, staat getekend 15


als een mens die afhankelijk was van de Heere, aanhankelijk aan de Allerhoogste. Een mens met fouten, gebreken en zonden; maar een mens die ook mocht getuigen dat het zijn wens en wil was in de weg des Heeren een leidsman te zijn voor het volk des Heeren. We lezen in vers 1, dat na de dood van Mozes, de knecht des Heeren, de Heere kwam te spreken tot Jozua. Hij was de zoon van Nun en hij was al de dienaar van Mozes. De Heere gaat tot hem spreken. Wat is dat een wonder, ja, wat is dat een voorrecht, wanneer ook ambtelijk geweten mag worden dat er een sprekend God is Die Zich niet onbetuigd laat, Die Zich niet verbergt achter dikke wolken en donkerheid, maar Die hier op deze aarde spreekt tot Zijn Kerk. Hij spreekt gewis tot elk die voor Hem leeft. Tot Zijn gunstgenoten, het volk dat Hij de vrede in het hart geeft vanwege het bloed van de Gekruisigde. Dat geldt nog. Geen moed Dan gaat de Heere Jozua wijzen op een ernstige zaak. De Heere zegt: ‘Mijn knecht Mozes is gestorven’ (vers 2). Zie, dat is een roepstem, dat is een waarschuwing tot u en tot mij. Wij allen zullen eenmaal sterven; eenmaal zal die doodsmare ook van ons uitgaan. Betekent het dat we dan een pas op de plaats kunnen maken? Nee, het leven gaat verder, moet verder en mag verder. Gelukkig de mens die, terwijl hij zijn geliefde doden beweent, ook dat laatste mag kennen, dat men verder mag en dat de Heere een weg gaat openen. ‘Och dominee’, zegt iemand, ‘ik zie geen weg.’ ‘Wel’, vraag ik, ‘wat ziet ge dan?’ Hij antwoordt: ‘Ik zie de Jordaan, ik zie de Doodsjordaan. In mijn gedachten en misschien wel in mijn hart komt Psalm 42 op. Die psalm spreekt van het leed en de tranen, van diepten en aanvechtingen, bestrijdingen, en van het hart dat zo nameloos onrustig is in het binnenste van me. Geen hoop, geen verwachting.’

Belofte Maar nu zegt de Heere tot Jozua: U komt net bij het graf van Mozes vandaan en u hebt de Doodsjordaan voor u. Dat is toch geen aangename situatie? Toch zegt de Heere dan: ‘Zo maak u nu op, trek over deze Jordaan.’ Dat is wat! Rondom Jozua is enkel de dood, en toch zegt de Heere: ‘Maak u op, sterk u en trek over deze Jordaan.’ Hij zegt niet: Trek ín deze Jordaan en kom dan 16


om in het water, maar: ‘Trek óver deze Jordaan, gij en al dit volk.’ Dat woord geldt Jozua zelf en dat geldt ook de ganse gemeente van Israël, die hij mag dienen en die hij ten leidsman mag zijn. Hij mag ze vóórgaan ‘tot het land dat Ik hun, de kinderen Israëls, geef.’ De Heere zegt: Trek over de Jordaan, en het land dat Ik hun, het zaad van Abraham, beloofd heb, zullen ze beërven; want Ik geef het hun, Ik schenk het ze. Het is een gift van Mijnentwege. Ik geef het aan het volk des verbonds, de kinderen Israëls. De verbondsnaam Heere, met hoofdletters, wordt hier uitdrukkelijk gebruikt. De God des verbonds laat zien dat Hij van Zijn kant het verbond komt te houden met Zijn Kerk. ‘Alle plaats waarop ulieder voetzool treden zal, heb Ik u gegeven.’ Dat wil zeggen: vóórdat u met uw voeten op het land zult gaan staan, heb Ik het u al gegeven. Dat ligt vast in het besluit en de belofte van de Heere. In de toepassing zullen ze het gaan ervaren, want het gaat wel om de toepassing! De Heere houdt Zijn Woord. Hij had het ook tot Mozes gezegd en vanuit Mozes’ mond wist het volk dat ook. En nu gaat de Heere het waar maken. Nee, Mozes gaat het niet waar maken, Jozua gaat het niet waar maken, de ambtsdrager niet en het volk niet! De Heere gaat waar maken, wat Hij Zelf gezegd heeft.

Ruim Zo krijgt het volk dat land, van de woestijn en van de Libanon af tot de grote rivier, de rivier Frath, ofwel de Eufraat. ‘Het ganse land der Hethieten, en tot aan de Grote Zee, tegen de ondergang der zon, zal ulieder landpale zijn’, zegt de Heere. De Heere wijst ze het land toe. Het is niet zomaar zo’n klein benauwd stukje, maar een groots, ruim en weids land. Ten tijde van David en Salomo is het land tijdelijk heel groot geweest. In 1948 hebben de Verenigde Naties het volk der Joden het land Israël gegeven, dat wil zeggen: een gedeelte van dat land, een klein stukje, té klein. Het had groter moeten zijn en bijvoorbeeld geheel Jeruzalem moeten omvatten met de Westbank en de Gazastrook. Dat had veel problemen kunnen voorkomen. En de Arabieren hebben dat altijd weer bestreden, ze hebben dat land altijd weer willen afpakken. Ze hebben altijd gezegd: Wij hebben daar recht op! Net als de Palestijnen, die de Gazastrook en de Westoever van de Jordaan tot hun eigendom hebben gemaakt en niet zullen rusten voordat ze het gehele land weer in hun macht hebben. Dat is althans hun grondslag 17


en bedoeling. We zouden daar rekening mee moeten houden in onze houding naar de Palestijnen toe. Maar tegenover dit alles heeft de Heere gezegd: Heel dat ruime land behoort u toe, Ik zeg het u toe, van het noorden tot aan het zuiden, van de rivier tot aan de zee, van de Eufraat tot aan de Middellandse Zee toe. Zie, wat een ruime belofte des Heeren. Dan kan iedereen daar wel tegen ingaan, zoals in de tijden en eeuwen die voorbij zijn gegaan gebeurd is, en zoals dat ook nu in onze eeuw nog gebeurt, maar als de Heere zegt: Ik geef het, dan geeft Hij het. Dan is er geen vijand vanbinnen of vanbuiten, in letterlijke of geestelijke zin, geen vijand in de godsdiensten en geen vijand in de goddeloosheden die dat kan verhinderen. ‘Niemand zal voor uw aangezicht bestaan al de dagen uws levens’, zegt de Heere. Als de Heere Zijn genade geeft, dan is het een vrije genadegift die onwederstandelijk is. Die wordt wel bestreden en van alle kanten springen ze erop, maar het zal niet gelukken die te wederstaan. Dat staat hier heel uitdrukkelijk in vers 5. Het is dus een kostelijk woord dat Jozua daar mag ontvangen, een gezegend woord.

Met u Hoe zal dat toch moeten, Jozua, hoe zal dat toch gaan? Jozua zou kunnen denken: Hoe moet ik dat toch doen? Welke maatregelen zal ik toch moeten nemen en welke methoden zal ik toch moeten verzinnen? Jozua, ge behoeft niets te verzinnen, want ge krijgt het uit de hand des Heeren. Want de Heere zegt: ‘Gelijk als Ik met Mozes geweest ben, zal Ik met u zijn.’ De God van het voorgeslacht is de God van het nageslacht. Geslachten mogen wegvallen en wegsterven, maar Hij is en blijft de God der geslachten, Die meegaat met de volgende geslachten, met de volgende generaties. Zo is het nog! Wat is het groot als er mogen zijn van de nageslachten en de voorgeslachten die dit mogen kennen, dat deze God, in Christus, hun God is Die met hen meegaat. Van geslachte tot geslacht, van kind tot kind, tot de naneef, eeuwenlang, naar het woord van de Psalmen. Ik zal met u zijn. Ik denk aan een Naam. Aan welke Naam? Ik denk aan de Naam Immanuël: God met ons. Ik zal met u zijn. Wat een wonder dat God niet tegen, maar mét hen is. Van nature zijn we van God afgevallen in Adam. We zijn tegen Hem opgestaan. Dan moeten we zeggen: We hebben God tégen. Maar de Heere zegt: Ik zal mét u zijn, niet 18


tégen u. Ik zal u niet alleen laten, Ik zal u niet aan uw lot overlaten. Ik zal niet zeggen: Zoek het zelf maar uit. Ik zal mét u zijn. Wat een wonder als een mens dat mag weten. In Christus Jozua en het volk zijn nog aan deze kant van de Jordaan, aan deze kant van de rivier die het beeld is van de dood. Ze zijn nog aan de woestijnkant van de doodsrivier. En dan zegt de Heere aan de woestijnkant tot Zijn volk: Ik zal met u zijn. Ik zal met u verdergaan. Vrees niet als ge door het water zult gaan, als de stromen daar zullen zijn, als de golven zullen koken, als het gedruis der waat’ren groeit. Wanneer ze u dreigen te verslinden en te overstromen: Ik zal mét u zijn. Daar ligt de kracht, de hoop voor Jozua. Daar ligt zijn toekomstverwachting. Zelfs de doodswateren kunnen hem en het volk niet tegenhouden en verslinden. Daar ligt de vervulling van de beloften Gods: ‘Ik zal u niet begeven en zal u niet verlaten.’ Mozes moest u verlaten. Vader en moeder hebben ons verlaten. De ouders van velen uit ons midden zijn al de weg van alle vlees gegaan. Velen moeten zeggen: Mijn man, mijn vrouw is weggegaan. Er zullen er zijn die moeten zeggen: Zoon of dochter is weggereisd. Voor ons allen geldt dat we de weg van alle vlees zullen gaan. Maar de Heere zegt: ‘Ik zal u niet verlaten.’ Ik zal u niet vergeten, Ik zal u niet alleen laten. Zou een moeder haar zuigeling vergeten? Ja, dat gebeurt. Maar Ik, de Heere, zal u niet begeven en verlaten in Christus Jezus. In Hem, Die aan het vloekhout des kruises heeft uitgeroepen: ‘Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?’ Hij van God verlaten, opdat ik niet van God verlaten zou zijn, zo zegt de opsteller van het formulier om het Heilig Avondmaal te bedienen.

Eed Wat is het toch nodig, geliefden, in de landstreek der Jordaan, dat we niet alleen maar de blik naar achteren slaan, achterwaarts naar het verleden, maar dat we ook de blik voorwaarts mogen slaan naar de Jordaan en naar Kanaän. Dat we zouden mogen weten dat die God onze God is, dat we Hem zouden mogen kennen. Ter dood toe zal Hij ons geleiden, ja, door de dood heen, tot in der eeuwigheid. Wees sterk en heb goede moed, want ge zult dit land erfelijk bezitten, en ge zult het aan uw volk geven tot een erfdeel; want Ik heb het met een eed gezworen, zegt de Heere Heere. Het is een eeuwige 19


eed bij God Zelf. God heeft bij Zichzelf gezworen: Gelijk Ik God ben, alzo zweer Ik dat Ik Mijn beloften zal houden. Het staat ook in Psalm 89 geschreven. Kijk, en die eed des Heeren is meer dan al onze jawoorden. Alhoewel het groot zou zijn als onze jawoorden in Christus en door de Heilige Geest ‘ja’ mochten zijn en kracht mochten hebben vanuit de eed des Heeren bij Zichzelf.

Moed Wees daarom sterk en heb goede moed. De oproep om in die weg te gaan en om in die weg de geboden des Heeren na te wandelen, wordt nog een keer herhaald. Het is de oproep om de wet des Heeren te mogen houden, waarnemende de geboden des Heeren, welke Mozes, Mijn knecht, u geboden heeft. De Heere wijst terug op Mozes, want door middel van Mozes heeft Hij het volk de wet gegeven. De Wet der tien geboden, de ceremoniële wetten, de zedenwet, de wetten van de priesters en de offers, de wetten van de tempeldienst en ook de algemene, nationale lands- en volkswetten voor het volk Israël. Het volk moet in die wegen gaan, niet afwijken ter rechterhand, niet afwijken ter linkerhand, maar, zegt de profeet van de oude dag, luisteren naar de stem achter ons die zegt: Dit is de weg, wandelt op dezelve wanneer uw natuur in Adam zo verdorven is dat ze ter rechter- of ter linkerhand zou willen afwijken. Dat is een leven der heiligmaking naar de wet, zonder verdienstelijkheid van de kant van de mens, van het volk, van de gelovige. Handel verstandiglijk, zegt de Heere, naar Mijn geopenbaarde wetten. Waar ge uw voetstap ook zoudt zetten: houd Mijn geboden door het geloof, dat door de liefde werkende is. Wet ‘Dat het boek dezer wet niet wijke van uw mond, maar overleg het dag en nacht.’ Dat wil zeggen: Spreek daarvan en overdenk het. Zoals we dat zingen in Psalm 1: Maar ’s Heeren wet blijmoedig dag en nacht Herdenkt, bepeinst, en ijverig betracht. In Psalm 119 vers 1, berijmd, lezen we daar ook over. O, hoe welgelukzalig, mijne geliefden, is toch die mens die zó, vanuit een rechte geest, mag leven en mag wandelen in de wet des Heeren. De mens 20


die de zaken van het Woord dag en nacht mag overleggen, die waarnemende naar alles wat daarin geschreven is. Want er is ook een andere kant, een waarschuwing: Vervloekt is een ieder mens, die niet blijft in alles wat geschreven is in het boek der wet, om dat te doen. Dat staat in Deuteronomium 27, dat staat in de Galatenbrief en de Heidelbergse Catechismus citeert het ook in het begin en later wederom. De Heere komt Zijn Woord en Zijn wet op Jozua te leggen. Ten derden male lezen we dat de Heere zegt: ‘Wees sterk en heb goeden moed, verschrik niet en ontzet u niet.’ Want er is voor Jozua alle reden om te schrikken en met ontzetting bewogen te zijn. Er is alle reden toe, behalve als hij een ogenblikje op de Heere mag zien. Wanneer hij op de allerhoogste God mag zien, dan mag het zijn: Maar de Heere zal uitkomst geven, Hij, Die ’s daags Zijn gunst gebiedt; ’k Zal in dit vertrouwen leven, En dat melden in mijn lied (Ps. 42:5).

Parallel Ziet u, dat is de weg van Gods volk, zoals de Heere, de Verbondsgod, dat belooft. Jahweh, uw God in Christus, is met u, alom waar gij heen gaat. Kennen we dat, weten we dat, is dat in ons hart waar geworden? Is dat levend geworden in onze zielen? Daar zal het toch om gaan. Zo lezen we dat hier in het eerste hoofdstuk van het boek Jozua: de letterlijke gang, met de geestelijke lessen die daarin liggen. In de loop der eeuwen hebben Gods kinderen deze zaken mogen ervaren, over deze zaken mogen nadenken en zijn ze ingeleid in deze zaken. Telkens weer blijkt dan in de uitleg, bij de toepassing, dat er vergelijkingen worden gemaakt, parallellen worden getrokken. Wij weten best wat een parallel is. Een weg die gelijk op loopt met een andere weg heet bijvoorbeeld Rijksparallelweg of Westerparallelweg. De Rijksparallelweg loopt gelijk op met de grote weg, met de grote verkeersader. De parallelwegen bijvoorbeeld langs een spoor gaan gelijk op met de spoorbaan. Wel, zo is het ook in de uitleg dat er dingen zijn die wel eens gelijk op gaan, die parallel lopen.

21


Mozes en Jozua Want als blijkt dat de Kerk des Heeren ervaren heeft dat Mozes sterft, dan betekent dat niet alleen dat het de méns Mozes is die sterft. Dan is het niet alleen de man, de wetgever, de leider en het type van Christus die sterft. Nee, dan gaat het, overdrachtelijk, om de wet. Mozes, de man van de wet, sterft. De wet heeft dan geen heerschappij meer over de mens ten oordele, ten vloek en ten dode. Door een gestorven Mozes wordt er plaatsgemaakt voor Jozua. De naam Jozua, Hoséa, is dezelfde als Jezus. In het Nieuwe Testament, in de Griekse taal, betekent die naam: Redder, Behouder. ‘Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden’, zegt de engel Gabriël tot Jozef. Ziet u? Als Mozes, de wet, sterft, wordt er plaatsgemaakt voor Jozua, voor de Heere Jezus Christus. Opdat de Kerk onder leiding van Jozua, de Heere Jezus Christus, uit de woestijn door de Jordaan geleid wordt om het hemelse Kanaän binnen te gaan en te beërven. Weet u daarvan? Het is een zaak die toch gekend zal worden wanneer de Heere, door Zijn Geest, genade in ons leven verheerlijkt. Dan is het toch dat Mozes niet altijd meer heerschappij over ons kan houden en dat Mozes ons niet langer meer onder druk kan houden. De Heere Jezus, met het Evangelie van vrije genade, doet alles en in Hem ligt alles, ja, het eeuwig behoud. Hij krijgt, door de toepassende bediening van de Heilige Geest, kracht in ons leven, kracht in onze ziel, zoals het ook in de Romeinenbrief staat geschreven. Ook daar lezen we van het voorbeeld dat de eerste man sterft en plaatsmaakt voor de tweede man. Dat ziet op de Kerk die geestelijk weduwe wordt en dan de geestelijke Bruidegom Christus krijgt. Het is een ietwat ander beeld, maar toch met dezelfde strekking, dezelfde bedoeling. Wat zou het een wonder zijn om daar weet van te mogen hebben in ons hart en in ons leven. Om dat te mogen kennen in ons binnenste. Dat we zouden vragen: ‘Heere, U eist geloof, geeft U me geloof. U eist bekering, geeft U me toch bekering. Heere, wilt U me geven dat Mozes, de wet, geen zeggenschap meer over mij hebbe. Want zolang Mozes, de wet, zeggenschap over mij heeft, ben ik een kind des doods. Maar als Jozua zeggenschap over mij krijgt, zal ik uit de dood overgaan tot het leven.’ Zo staat het hier ook geschreven in het Woord des Heeren. 22


Ambtsdragers In deze weg kan ook het volk Kanaän binnengaan. Jozua gaat dan ook de ambtlieden van het volk aanspreken. Dat zijn de leidslieden, degenen die toch op de een of andere manier bestuurlijk en regerend een bepaald gezag over het volk hadden gekregen van de Heere. De Heere heeft alles zo geordend. Men wil in onze dagen in alles gelijk hebben. Het gezag, de ambten in kerk en staat worden niet geacht. Wel, de Heere werkt door middel van Jozua. Jozua heeft de ambtlieden en de meerdere Jozua heeft de ambtsdragers. Ze zijn hemelvaartsdaggiften, zoals er in een van de nieuwtestamentische brieven staat. En die ambtsdragers, als instrumenten, kunnen gebruikt worden door de genadige regering van Koning Jezus vanuit de hemeltroon. Doorgaan Wat zegt Jozua tegen deze ambtlieden? Hij zegt: Ge moet midden door het volk gaan, tussen de tenten door van al de verschillende stammen, en terwijl ge daartussendoor gaat, moet ge tegen het volk zeggen: ‘Bereidt teerkost voor ulieden; want binnen nog drie dagen zult gijlieden over deze Jordaan gaan.’ Dat is wat! De Jordaan is in dit seizoen kolkend, stromend, bruisend. Het water komt van de Libanon af, stroomt naar beneden toe en kolkt en bruist door de Jordaan heen. Hoe moet je daardoorheen komen? Wel, dat is geen vraag waarvoor een mens de oplossing moet zoeken. Neen, dat is de zaak des Heeren. De Heere zegt: Ik zal ervoor zorgen. Zorg dat ge bereid zijt en Ik zal ervoor zorgen dat ge binnen drie dagen over deze Jordaan zult trekken en dat ge in het erfland zult komen. Boodschap Als die boodschap nu eens tot ons zou komen dat het sterven wordt binnen drie dagen, binnen drie weken of binnen drie maanden. Die boodschap kan komen. Het kan ook zijn dat die boodschap niet komt, maar dat we al gestorven zijn voordat we er erg in hebben omdat een hartinfarct of een hersenbloeding ons treft en ons lichaam gesloopt heeft. Het kan ook dat er een boodschap des Heeren komt door middel van een slopende ongeneeslijke ziekte, en dat die boodschap tot ons persoonlijk komt. Die hoeft niet alleen te komen tot man of vrouw of tot degenen die reeds zijn uitgedragen. Die boodschap kan ook tot ons komen. En als dan die boodschap komt, mogen we dan 23


weten, op goede gronden, dat we het erfland binnen mogen gaan? Och, mijne geliefden, wat is dat een grote, wonderlijke en aanbiddelijke zaak als de Heere dat wil geven. Want als het leven Christus is, dan is het sterven gewin. Dat mag de Kerk weten, dat is hetgeen de apostel Paulus in de nieuwe bedeling komt te zeggen. Wat een wonder om dat dan te kennen, te weten en te verstaan in onze zielen. O, dan mag de Kerk het woestijnleven voor eeuwig vaarwel zeggen. Het uiterlijke woestijnleven en het innerlijke woestijnleven. Het woestijnleven van de zonde, van de ellende, van de gevolgen van de zonden, van de straffen der zonden, van de kastijdingen over de zonden. Om dan in te gaan in het land van Immanuël. O, mijne geliefden, wat zou het een voorrecht zijn om dat eens te mogen kennen. Hebben we er niet van gezongen uit Psalm 105 de verzen 23 en 24: Het land der heid’nen van rondom Schonk Hij hun tot een eigendom; Der volken arbeid werd geheel Aan Israël ten erf’lijk deel. Nee, niet uit verdienste, maar uit enkel genade. ‘Die gunst heeft God Zijn volk bewezen’, in Christus, Die meer is dan Jozua. In Hem mag de Kerk binnengaan in het Kanaän van Hebreeën 4. Dit staat nu beschreven hier in het begin van het boek Jozua. En dan hebben we een paar dingen uit de eerste verzen van dat boek onderstreept. We hebben een ogenblikje een paar dingen eruit gehaald, opgelicht. Maar zou het ons gebed niet moeten zijn of de Heere ons door Zijn Geest wil geven het nu ook in de ziel te mogen kennen! Die Geest leidt immers in al de waarheid, zodat we ook ingeleid worden in deze zaken en in deze stukken met een zaligmakende kennis. Zouden we dan niet moeten roepen: ‘Heere, wil Uw waarheid ook in mijn ziel waar maken!’ Het staat hier geschreven voor het gehele volk: de ouderen, de jongeren, de grijsaards en de kleine kindertjes, die de borsten zuigen, voor allen tezamen. Velen zijn oud en volwassen. Velen weten dat ze al een heel eind op weg zijn naar de volheid van de dagen en jaren ons toegemeten. Dan weten we zeker dat we niet zulk een lange tijd meer hebben. Maar mogen we dan ook weten wat hier staat in Jozua 1 vers 1 en verder? Dat we op goede gronden sterk mogen zijn, moed 24


mogen hebben en zo voort mogen reizen? Wij sterven allemaal, zo gaat het. Maar McCheyne zei: Nu reis ik getroost, onder het heiligend kruis, naar ’t erfgoed hierboven, naar ’t Vaderlijk huis. Zo staat dat ook geschreven van de Kerk van Hebreeën 11. Wat is het groot om bij dat volk te mogen behoren. Och, als we buiten Christus leven en sterven, dan is er geen hoop en geen moed te geven. Daarom: zoek de Heere en leef. Bekeert u en leef. Geloof in de Heere Jezus Christus en leef. Ge kunt niet geloven, ge kunt u niet bekeren, maar de Heere kan het geven! Smeek toch de Heere dat Hij door Zijn Geest dat waarachtige geloof in de Meerdere dan Jozua zou willen geven. Opdat we zouden mogen getuigen, niet alleen met woorden en met de lippen, maar met het hart en het innerlijk, niet alleen de klanken kennende, maar ook de zaken bevindend in onze ziel: Zo ik niet had geloofd dat in dit leven Mijn ziel Gods gunst en hulp genieten zou, Mijn God, waar was mijn hoop, mijn moed, gebleven? Ik was vergaan in al mijn smart en rouw. Wacht op den Heer’, godvruchte schaar, houd moed; Hij is getrouw, de bron van alle goed; Zo daalt Zijn kracht op u in zwakheid neer; Wacht dan, ja, wacht; verlaat u op den Heer’.

25


Strijdend erven inh h1