Page 1

Dit boek is van: _ _______________________________________________

Gekregen van: _ ________________________________ _ _______________________________________________ _ _______________________________________________

Datum: ________________________________________


Eerder verschenen van Janwillem Blijdorp bij uitgeverij De Banier de volgende jeugdboeken: Serie: ‘Groep 8 beleeft altijd wat’ 1. Verzin iets beters 2. Foute wissel 3. Eerlijk duurt het langst Serie: ‘De drie avonturiers’ 1. Kampeerders in de knel 2. Wind in de zeilen 3. Terreur aan de Moezel 4. Kunstroof in Parijs 5. De ongrijpbare slavenhaler 6. Duistere praktijken in Zuid-Afrika 7. De wraak van de bendeleider

Janwillem Blijdorp Samen sterk © B.V. Uitgeverij De Banier, 2013 Omslag- en binnenillustraties: Hans Ellens Omslagontwerp en vormgeving: Albert Bloemert ISBN 978 90 336 34611 NUR 283 www.debanier.nl www.janwillemblijdorp.nl

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.


Samen sterk Janwillem Blijdorp

Groep 8 beleeft altijd wat Deel 4


Inhoud   1.  Een plan   2.  Krijgsraad   3.  Hobbels   4.  De laatste voorbereidingen   5.  Op pad   6.  Naar Arnhem   7.  Een onverwacht uitstapje   8.  Nog meer wilde dieren   9.  Meer verrassingen 10.  De dief 11.  Tegenwind 12.  Wie is de dief? 13.  Schoon schip 14.  Samen sterk


1. Een plan ‘Zo te zien hadden jullie vanmorgen allemaal heel veel zin om naar school te gaan!’ zegt meester Hiddema met een brede glimlach, nadat hij die maandagmorgen klaar is met zijn Bijbelverhaal. ‘Echt niet!’ kreunt Leonard van Beuzekom. ‘Ik heb bijna het hele weekend geslapen’, zegt Carmen. ‘Heerlijk, in mijn eigen bed!’ ‘Daar hoef je bij ons thuis niet mee aan te komen’, zucht Luuk. ‘Mijn familie heeft er totaal geen rekening mee gehouden dat ik een paar zware dagen achter de rug had.’ ‘Dat heb jij ook niet gedaan toen je oudere broers en zussen op kamp waren geweest’, weet Carmen. ‘Je mag best een beetje medelijden met me hebben, hoor!’ zegt Luuk. ‘Tja, jongens’, zegt de meester. ‘Als ik eerlijk ben, had ik er vanmorgen best moeite mee om uit mijn bed te komen. Ik denk dat ik te oud word om mee te gaan met een schoolkamp.’ ‘Dan moet u regelen dat u volgend jaar niet voor groep 8 staat’, vindt Thijs. ‘De meesters en juffen van groep 6 en 7 hoeven nooit mee op kamp.’ ‘Ik zal erover nadenken’, belooft de meester. ‘Maar niet nu! Of we het nu leuk vinden of niet, we moeten vandaag gewoon aan het werk.’ ‘Waarom eigenlijk?’ vraagt Leonard zich hardop af. ‘Of weet jij soms alles al?’ vraagt de meester spottend. 9


‘Ik wel!’ zegt Thijs droog. De rest van de klas schiet in de lach, als ze zien dat hun meester even met zijn mond vol tanden staat. ‘Als dat zo is, kun je vandaag mooi mijn taak overnemen’, probeert de meester zich eruit te redden. ‘Dan kan ik een dagje extra uitrusten van het kamp.’ ‘Mij best!’ zegt Thijs. Tot verbazing van iedereen komt hij overeind en loopt naar het bureau van de meester. Meester Hiddema besluit het spelletje mee te spelen. ‘Ga je gang’, zegt hij, terwijl hij op Thijs’ plaats achter in de klas gaat zitten. Een paar tellen is Thijs van zijn stuk gebracht. Deze reactie had hij niet verwacht. ‘Goed’, zegt Thijs, als iedereen is uitgelachen. ‘Voordat we beginnen met de taalles, zal ik proberen Leonards vraag zo goed mogelijk te beantwoorden. Ik kan begrijpen dat jullie je afvragen waarom we de komende weken nog naar school moeten. Weet iemand daarop een antwoord? Jij misschien, Eline?’ ‘Waarom ik?’ ‘Omdat jij altijd je woordje klaar hebt!’ ‘Tjonge!’ zegt Eline. ‘Van je vriendje moet je het maar hebben!’ ‘Vandaag ben ik niet je vriendje, maar meester Mellema’, zegt Thijs met een effen gezicht. Even lijkt het erop dat Eline boos wordt. Dan schiet ze in de lach. 10


‘Ik zou het echt niet weten, mééster!’ ‘Iemand anders?’ Iedereen begint door elkaar te praten. Hulpzoekend kijkt Thijs naar de meester, maar die doet net zo hard mee. Thijs weet niets beters te doen dan het houten liniaaltje te pakken, dat meester Hiddema af en toe gebruikt om de klas stil te krijgen. Hij slaat er zo hard mee op het bureaublad, dat iedereen verschrikt zijn mond houdt. ‘Dat is beter!’ zegt Thijs. ‘Het lijkt net of jullie tijdens het schoolkamp de meest basale regels zijn vergeten.’ Gelijk schieten er een paar vingers de lucht in. ‘Ja, Gerben?’ vraagt Thijs. ‘Wat betekent bassaal, meester?’ ‘Niet bassaal, maar basaal’, verbetert Thijs hem. ‘Net als in het woord basis. En dat betekent het ook. Het lijkt net als-_ of jullie de basisregels zijn vergeten. Maar nu ik zie dat_ jullie keurig je hand opsteken, blijkt dat gelukkig mee te vallen.’ Meester Hiddema steekt zijn vinger op. ‘Ja, eh, Hidde’, zegt Thijs. ‘Zeg het maar.’ ‘Wanneer beginnen we met de les, meester?’ ‘Volgens mij staat er taal op het programma’, herinnert Thijs zich. ‘Eigenlijk ben ik daar al een beetje mee begonnen, maar eerst zal ik uitleggen waarom we de komende vier weken gewoon naar school moeten.’ Hij steekt zijn wijsvinger in de lucht en begint op te sommen: ‘In de eerste plaats omdat jullie allemaal leerplichtig zijn. Als ik jullie vanaf vandaag naar huis zou sturen, zou 11


ik problemen krijgen met de onderwijsinspectie. Snappen jullie dat?’ Een aantal kinderen probeert Thijs van de wijs te brengen door een gek gezicht te trekken, maar niemand onderbreekt hem ditmaal. Daarom telt Thijs verder op zijn vingers: ‘In de tweede plaats kunnen we het jullie ouders niet aandoen jullie nu al vakantie te geven. Zes weken zomervakantie houden de meesten net vol, maar als dat er tien worden …’ ‘Fijn dat je aan de ouders denkt’, zegt meester Hiddema. ‘Ik heb geen vinger gezien!’ zegt Thijs streng. Hij loopt naar het bord, schrijft de naam ‘Hidde’ op en zet er een kruisje achter. De klas heeft het niet meer. ‘In de derde plaats’, vervolgt Thijs, als het eindelijk een beetje stil is, ‘weten jullie echt niet alles. Het feit dat de keuze voor jullie vervolgopleiding vaststaat, wil niet zeggen dat jullie alle stof goed onder de knie hebben. Daarom gaan we nu beginnen met de taalles.’ Thijs kijkt zoekend om zich heen en vraagt dan: ‘Wouter, kun jij ons het verschil tussen een regelmatig en een onregelmatig werkwoord uitleggen?’ ‘Nee meester’, zegt Wouter eerlijk. ‘Wie weet het wel?’ Niemand steekt zijn vinger op, ook meester Hiddema niet. ‘Zie je wel dat jullie niet klaar zijn voor de brugklas’, zegt Thijs triomfantelijk. ‘Ik zal het jullie proberen uit te leggen. Luister goed, want volgende week krijgen jullie een overhoring. Bij regelmatige werkwoorden blijven de klinkers van de woorden in de verleden tijd gelijk. 12


Bijvoorbeeld: bedanken, bedankte, heeft bedankt. Bij onregelmatige werkwoorden is dat niet het geval. Je zegt niet lopen, loopte, gelopen, maar lopen, liep, gelopen. Pak jullie schriften en schrijf van beide werkwoordsvormen tien voorbeelden op.’ Min of meer tot Thijs’ verbazing doen zijn klasgenoten wat hij gevraagd heeft. Alleen de meester speelt het spel niet mee. Met open mond zit hij naar Thijs te kijken. Het lukt Thijs Mellema keer op keer hem versteld te laten staan. Thijs doet alsof het allemaal de normaalste zaak van de wereld is en gaat op de stoel van de meester, achter het bureau zitten. Als alle kinderen klaar zijn met de opdracht, steekt meester Hiddema opnieuw zijn vinger op. ‘Zal ik het maar weer overnemen?’ vraagt hij, nadat Thijs hem heeft toegeknikt. ‘Graag, meester’, zegt Thijs. ‘We zijn nu toe aan de nabespreking van het kamp.’ ‘Waarom?’ vraagt meester Hiddema verwonderd. ‘We zouden kijken of we een manier konden bedenken om Edo te helpen’1, zegt Caspar. ‘Dat is zo’, geeft meester Hiddema toe, terwijl hij naar voren loopt om met Thijs van plaats te ruilen. ‘Al ben ik bang dat we weinig voor hem kunnen doen. De regering beslist of een asielzoeker een verblijfsvergunning krijgt en 1  Zie deel 3: Eerlijk duurt het langst.

13


Edo’s pleegouders en vrienden hebben er alles aan gedaan om ervoor te zorgen dat hij hier mag blijven.’ ‘Zolang hij niet teruggestuurd is naar Angola, moeten we het blijven proberen’, vindt Marith. ‘Edo heeft in Angola helemaal niemand.’ ‘Hij spreekt de taal niet eens!’ doet Leonard een duit in het zakje. ‘U zei vorige week dat hij misschien bij een zendeling kon gaan wonen, als hij echt terug moet naar Angola’, zegt Carmen. ‘Ik heb het er thuis over gehad, maar volgens mijn vader en moeder hebben de zendelingen daar helemaal geen geld voor.’ ‘Dat zou kunnen’, aarzelt de meester. ‘Ze zijn in ieder geval niet rijk.’ ‘Eigenlijk moeten wij een manier bedenken om aan geld voor hem te komen’, zegt Luuk. ‘Hoe dan?’ vraagt Gerben. ‘O, er zijn genoeg manieren te verzinnen’, vindt Luuk. ‘Een paar honderd euro, misschien’, zegt Marith. ‘Maar als je Edo echt wilt helpen, heb je in ieder geval een paar duizend euro nodig.’ ‘Dat denk ik ook’, knikt de meester. ‘Kunnen we geen actie verzinnen?’ ‘Waar zit je aan te denken, Caspar?’ vraagt de meester. ‘Nou, een sponsorloop, of een rommelmarkt.’ ‘We hebben net een rommelmarkt van de kerk gehad’, zegt Eline. ‘Nou, dan kunnen we mooi de spullen die we daar 14


gekocht hebben, waar we uiteindelijk niets aan hebben, weer verkopen’, grijnst Thijs. ‘Mijn moeder heeft een paar pannen gekocht, maar daar doet ze niets mee. Ze staan nu bij ons op zolder.’ ‘O, maar die zijn vast voor jullie uitzet, hè Eline?’ plaagt Wouter. Eline laat zich niet van de wijs brengen. ‘Thijs en ik zoeken over een paar jaar samen onze uitzet bij elkaar’, zegt ze. ‘Daar hebben we Thijs’ moeder niet bij nodig.’ ‘En Thijs ook niet’, grinnikt Leonard. De rest van de klas, inclusief meester Hiddema, schiet in de lach. Sinds ze samen een angstig avontuur hebben beleefd2, zijn Thijs en Eline een stelletje, waarbij Thijs Eline zo veel mogelijk haar zin geeft, omdat hij weet dat hij niet tegen haar op kan. Daar staat tegenover dat Eline maar wat trots is op haar vriend, die verreweg de slimste van hun klas is. Al met al zijn ze best een vreemd stel, maar daar trekken ze zich allebei niets van aan. ‘Misschien hebben Marith en Caspar wel belang bij die pannen’, lacht Luuk. ‘Of jij en Carmen’, kaatst Marith de bal een beetje kattig terug. ‘Wat mij betreft gaan jullie allemaal fietsen!’ mompelt Caspar. ‘Fietsen!’ zegt Thijs. ‘Dat gaan we doen!’ 2  Zie deel 1: Verzin iets beters!

15


‘Hoe bedoel je?’ vraagt Eline verbaasd. ‘Nou, we gaan een eind fietsen voor het goede doel!’ zegt Thijs enthousiast. ‘Alsjeblieft niet’, schrikt Anneloes. ‘Ik was vorige week dolblij toen we die ellenlange fietstocht vanuit Schoonoord achter de rug hadden.’ ‘Ik ook!’ klinkt het van alle kanten, maar Thijs laat zich er niet door van de wijs brengen. ‘Als je ergens geld voor vraagt, moet daar een prestatie tegenover staan’, legt Thijs uit. ‘En dan bedoel ik niet zoiets simpels als een sponsorloop, waarbij we een keer of twintig rond het schoolplein rennen.’ ‘Nou, dat is anders knap vermoeiend!’ vindt Wouter. ‘Aan wat voor fietstocht zit jij te denken, Thijs?’ vraagt meester Hiddema. ‘Door heel Nederland’, antwoordt Thijs prompt. ‘Door alle provincies!’ ‘Toe maar!’ zegt de meester. ‘Weet je hoeveel kilometer dat is?’ ‘Nog niet, maar als u me tien minuten geeft, kan ik het u vertellen.’ ‘Goed’, knikt de meester. ‘Wat mij betreft mag je dat straks uitzoeken. Maar eerst gaan we gewoon aan het werk. Per slot van rekening hebben we vandaag tot nu toe bijna niets gedaan.’ ‘Dat maakt niet uit’, vindt Thomas. ‘Als we na de zomervakantie in de brugklas zitten, halen we de schade vast wel in.’

16


Het blijft een onrustige dag. ’s Middags, als Thijs klaar is met zijn sommen, mag hij achter de computer uitzoeken hoe ver je minimaal moet fietsen als je vanuit hun woonplaats alle provincies wilt bezoeken. Op een kaart in een atlas, waarop de provinciegrenzen duidelijk staan aangegeven, zoekt hij eerst de plaatsen op waar ze naartoe moeten rijden. De rest is voor Thijs eigenlijk een koud kunstje. Zijn vader heeft geen navigatiesysteem in zijn auto en gebruikt altijd de ANWB-routeplanner als hij ergens heen moet waar hij niet eerder geweest is. Thijs heeft regelmatig een uitdraai voor hem gemaakt. Op deze routeplanner kun je ook aangeven dat je op de fiets wilt gaan. Op zijn dooie gemak begint Thijs aan de klus. Vanuit hun woonplaats in Drenthe kiest hij eerst de route naar Mook, de meest noordelijke plaats in Limburg. De totale afstand is een kleine honderdveertig kilometer, dwars door Overijssel en Gelderland. Daar doe je drie dagen over, beseft Thijs. Misschien kan het in twee, maar dan moet je iedere dag een heel eind fiet-_ sen. Vanaf Mook gaat de tocht naar Zeeland. Het dichtstbijzijnde Zeeuwse plaatsje dat hij in de atlas kan ontdekken is Sint Philipsland, op het eiland Tholen. De route daarheen is ongeveer net zo lang als de eerste etappe. Ik wist niet dat Noord-Brabant zo groot was, denkt Thijs. Van hier naar Zeeland via Limburg kost ons zes dagen en dan heb je nog niet eens de helft van de provincies gehad! Voor ervaren, volwassen fietsers is het vast mogelijk om in 17


één week alle Nederlandse provincies te bezoeken, maar wij doen er waarschijnlijk twee keer zo lang over. Hoewel hij eigenlijk heel goed weet dat zijn plan bijna onuitvoerbaar is, gaat Thijs gewoon verder. Vanuit Zeeland gaan we via Zuid-Holland, Utrecht en Noord-Holland naar Flevoland, bedenkt hij. Daarna dwars door de polders naar Friesland, dan naar Groningen en dan de laatste etappe naar huis. Tot zijn verrassing merkt Thijs dat je vanuit Sint Philipsland bijna rechtstreeks naar de polders kunt fietsen. Hij had min of meer verwacht dat je een omweg moet maken om in de provincie Noord-Holland te komen, maar dat blijkt niet het geval te zijn. Dankzij het feit dat Hilversum en het Gooi bij de provincie Noord-Holland horen, kunnen ze een hele hoek afsnijden. Vanaf Zeeland naar Hilversum is de afstand ongeveer honderdvijfentwintig kilometer. Dat moet in twee dagen te doen zijn, constateert hij tevreden. Opnieuw raadpleegt hij de atlas. Als hij een denkbeeldige lijn van Hilversum naar de dichtstbijzijnde provinciegrens van Groningen trekt, komt hij vanzelf door Friesland. Nou ja, vanzelf. Je moet er minstens honderdvijftig kilometer voor fietsen! Weer drie dagen! rekent Thijs uit. Maar vanaf Zevenhuizen, een dorpje in de buurt van het Groningse Leek, moet het mogelijk zijn in één dag terug te fietsen naar huis. Hij blijkt gelijk te hebben. De afstand tussen hun dorp bij Hoogeveen en Zevenhuizen is minder dan vijftig kilome-_ ter. 18


Thijs heeft van de vijf routes een print gemaakt en neemt daarvan de afstanden over. Ruim zeshonderd kilometer, rekent hij uit. Dat kan dus net in twaalf dagen. Als ze op een maandag vertrekken, kunnen ze de zaterdag van de week daarop terug zijn. Op zondag zullen ze uiteraard niet verder trekken. Met een zucht verzamelt Thijs de papieren en loopt terug naar zijn plaats. De anderen, die net klaar zijn met hun rekenwerk, kijken hem nieuwsgierig aan. ‘Nou’, zegt meester Hiddema, ‘hoeveel kilometer is het, Thijs?’ ‘Ruim zeshonderd, meester’, zegt Thijs zacht. ‘Dat is van hier naar Parijs’, weet Caspar. ‘Het valt mij, eerlijk gezegd, mee’, zegt de meester. ‘Ik had verwacht dat het veel verder zou zijn.’ ‘Als je langs alle provinciehoofdsteden wilt, is het veel verder’, legt Thijs uit. ‘Van Limburg, Zeeland en Groningen heb ik alleen de uiterste puntjes meegenomen.’ ‘Het zou leuker zijn alle hoofdsteden te bezoeken’, mijmert Carmen. ‘Zal ik uitrekenen hoe ver het dan is?’ biedt Luuk aan. ‘Doe maar niet’, raadt Thijs hem af. ‘Van Mook naar Maastricht is volgens mij minstens honderd kilometer. En Middelburg, Den Haag en Haarlem liggen ook een behoorlijk eind uit de route.’ ‘En Leeuwarden en Groningen’, bedenkt de meester. ‘Nou jongens, jullie hebben het gehoord. Als je alle provincies in Nederland wilt bezoeken, moet je zeshonderd 19


kilometer fietsen. Dat lijkt me een beetje te veel van het_ goede.’ ‘Ik zie het helemaal zitten!’ zegt Leonard stoer. ‘Het hangt ervan af hoe lang je erover mag doen’, vindt Wouter. ‘Nou, dat lijkt me duidelijk’, grinnikte de meester. ‘Eén zaterdag! Op zondag doen we zoiets niet en door de week moeten jullie naar school.’ ‘Maar op school doen we de komende weken bijna niets meer’, zegt Thijs. ‘Volgens mij leren we veel meer als we twee weken door Nederland gaan fietsen.’ ‘Twee weken?’ echoot Eline. Thijs knikt. ‘Vijftig kilometer per dag moet haalbaar zijn. Als je zeshonderd kilometer wilt fietsen, ben je twaalf dagen onderweg.’ ‘Cool!’ vindt Caspar. ‘Wanneer gaan we?’ ‘Ik dacht dat jullie de fietstocht van hier naar Schoonoord maar nauwelijks hadden overleefd’, zegt de meester. ‘Ja, maar toen hadden we de nachten daarvoor heel weinig geslapen. Als we ’s avonds op tijd naar bed gaan, moet het kunnen’, vindt Luuk. ‘Naar welk bed?’ vraagt de meester met een effen gezicht. Thijs heeft maar een paar tellen nodig om het helemaal voor zich te zien. ‘Ons luchtbed!’ zegt hij. ‘We nemen een paar tenten mee, en slaapzakken en luchtbedden.’ ‘En potten en pannen, om eten te koken’, spot de meester. ‘Hoeveel bagage kun jij op je fiets meenemen, Thijs?’ 20


‘Geen idee’, zegt Thijs eerlijk. Omdat hij het plan niet zomaar uit zijn hoofd wil zetten, voegt hij eraan toe: ‘Stel dat we dat probleem zouden kunnen oplossen, ziet u het dan zitten om in twee weken met ons een rondje door Nederland te fietsen?’ ‘Dat kun je beter aan je klasgenoten vragen’, lacht de meester. ‘Zij zaten vorige week te kreunen en te steunen op de fiets, ik niet.’ ‘Goed’, neemt Thijs de uitdaging aan. ‘Wie van jullie ziet het zitten?’ Direct schieten de handen van bijna alle jongens en een stuk of vijf meisje de lucht in. Daarna vinden de meeste anderen dat ze niet achter kunnen blijven. Er zijn maar een paar jongens en meisjes die eerlijk zeggen dat ze niet weten of ze het vol kunnen houden. ‘Die helpen we wel’, zegt Leonard stoer. ‘Desnoods duwen we elkaar.’ ‘Daar komt niets van in’, zegt de meester beslist. ‘Waar niet van?’ vraagt Thijs. ‘Van dat duwen of van die sponsortocht?’ ‘Geen van beide’, zegt de meester. ‘Je bent slim genoeg om te snappen dat jouw plan niet uitvoerbaar is, Thijs.’ ‘Het kan wel!’ zegt Thijs koppig. ‘En ik weet zeker dat we op die manier een heleboel geld voor Edo op kunnen halen! Als wij die fietstocht maken, kunnen we best een bericht naar de krant sturen. Zo’n verhaal willen ze vast wel plaatsen. En als ze er dan bij zetten dat we niet voor onszelf, maar voor een goed doel fietsen, stroomt het geld binnen.’ 21


Ondanks het feit dat hij niet echt gelooft in het plan van Thijs, schiet de meester in de lach. ‘Je ziet het helemaal voor je, hè?’ ‘Natuurlijk’, knikt Thijs. ‘Als we er samen voor gaan, moet het lukken!’ ‘Samen sterk!’ roept Eline. ‘Dat wordt onze slagzin!’ zegt Thijs. ‘We gaan ervoor!’ Meteen neemt de rest van de klas de kreet over, zodat het een oorverdovend lawaai wordt. Laat hen maar, denkt meester Hiddema. Het is juist goed voor hen dat ze samen ontdekken dat een plan verzinnen heel iets anders is dan het uitvoeren. Als hij vindt dat de herrie lang genoeg geduurd heeft, klapt hij in zijn handen. ‘Goed, jongelui’, zegt hij. ‘Ik geef jullie een week de tijd om alles uit te zoeken en op papier te zetten. Als jullie met een gedegen plan komen, zal ik proberen met de inspectie te regelen dat we twee weken samen op pad mogen.’ Oeps! denkt Thijs. Daar heb ik helemaal niet aan gedacht. ‘We kunnen zeggen dat het werkweken zijn’, bedenkt hij. ‘Per slot van rekening komen we onderweg een heleboel bezienswaardigheden tegen.’ ‘En we leren op een heel bijzondere manier topo’, schiet Eline hem te hulp. ‘En bio!’ vult Anneloes aan. ‘Ik neem tenminste aan dat we zo veel mogelijk door de bossen en zo fietsen.’ ‘En we moeten uitrekenen hoeveel geld we nodig hebben voor de boodschappen’, zegt Carmen praktisch. 22


‘En psalmen zingen kunnen we onderweg ook’, vindt Marith. ‘En het maakt niet uit of u onderweg ’s morgens een Bijbelverhaal vertelt of hier in de klas.’ ‘En het is heel goed voor de teamgeest’, bedenkt Thijs een nieuw argument. ‘Dan kunnen we beter met groep 1 op pad gaan’, zegt de meester met een effen gezicht. ‘Over een paar weken valt jullie klas uit elkaar, omdat jullie niet allemaal dezelfde opleiding gaan doen.’ ‘Dat had u nu niet moeten zeggen!’ kreunt Caspar. ‘Tot die tijd zijn we samen sterk’, zegt Eline beslist. ‘Dat plan van Thijs gaat door, of ik heet niet langer Eline Antonides!’ ‘Toe maar’, grinnikt de meester. ‘Maar nu is het echt de hoogste tijd om aan het werk te gaan, jongens en meisjes. Tot vrijdagmiddag wil ik er niet meer over horen. Tot die tijd kunnen jullie het plan uitwerken. Is dat afgesproken?’ ‘Als u dat zegt, zal het wel moeten’, zegt Leonard. ‘Zo is dat!’ knikt de meester.

23

Samen sterk 1e hoofdstuk  
Advertisement