Page 1

DE HEIDELBERGSE CATECHISMUS onderwijs in de christelijke leer die in de Nederlandse gereformeerde kerken en scholen geleerd wordt Zondag 1 Vraag en antwoord 1: Wat is uw enige troost, beide in het leven en sterven? Dat ik met lichaam en ziel, beide in het leven en sterven, niet mijn, maar mijn getrouwe Zaligmaker Jezus Christus eigen [= het eigendom] ben, Die: – met Zijn dierbaar [= kostbaar, waardevol] bloed voor al mijn zonden volkomen [= volmaakt, helemaal] betaald heeft; – en mij uit alle heerschappij [= overheersing, macht] van de duivel verlost heeft; – en alzo [= zo] bewaart dat zonder de wil van mijn hemelse Vader geen haar van mijn hoofd vallen kan, ja ook, dat alle dingen tot mijn zaligheid dienen moeten; – waarom Hij mij ook door Zijn Heilige Geest van het eeuwige leven verzekert [= zeker maakt]; – en Hem voortaan te leven van harte willig [= gewillig] en bereid maakt. In eigen woorden Wat is uw enige troost in leven en sterven? Dat ik met lichaam en ziel in leven en sterven niet het eigendom ben van mijzelf, maar van mijn trouwe Zaligmaker Jezus Christus. Hij heeft met Zijn dierbaar bloed voor al mijn zonden helemaal betaald. Hij heeft mij uit alle overheersing van de duivel verlost. Hij bewaart mij: zonder de wil van mijn hemelse Vader kan er geen haar van mijn hoofd vallen en alles wat er in mijn leven gebeurt, is tot mijn zaligheid. Hij maakt mij door Zijn Heilige Geest zeker van het eeuwige leven. En Hij maakt mij bereid om van harte en gewillig voor Hem te leven.

7


Vraag en antwoord 2: Hoeveel stukken [= dingen] zijn u nodig te [= moet u] weten, opdat u in deze troost zalig leven en sterven moogt [= mag]? Drie stukken: – Ten eerste: hoe groot mijn zonden en ellende zijn. – Ten andere: hoe ik van al mijn zonden en ellende verlost word. – Ten derde: hoe ik God voor zulke [= zo’n] verlossing dankbaar zal zijn. In eigen woorden Hoeveel dingen moet u weten om in deze troost zalig te leven en te sterven? Drie dingen: – Ten eerste: hoe groot mijn zonden en ellende zijn. – Ten andere: hoe ik van al mijn zonden en ellende verlost word. – Ten derde: hoe ik God voor zo’n verlossing dankbaar zal zijn.

HET EERSTE DEEL Over de ellende van de mens Zondag 2 Vraag en antwoord 3 Waaruit kent u uw ellende? Uit de wet van God. Vraag en antwoord 4 Wat eist de wet van God van ons? Dat leert ons Christus in een hoofdsom [= samenvatting]: Mattheüs 22:37-40: Gij zult liefhebben de Heere uw God met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand, en met geheel uw kracht. Dit is het eerste en het grote gebod. En het tweede, aan dit gelijk, is: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. 8


Aan deze twee geboden hangt de ganse [= hele] Wet en de profeten. Vraag en antwoord 5 Kunt u dit alles volkomen [= helemaal, volmaakt] houden? Nee, want ik ben van nature [= van mijn aard/wezen (hoe iemand is)] geneigd God en mijn naaste te haten. In eigen woorden: Kunt u dit alles helemaal doen? Nee, want naar mijn aard haat ik God en mijn naaste.

Zondag 3 Vraag en antwoord 6 Heeft dan God de mens alzo [= zo] boos en verkeerd geschapen? Nee, maar God heeft de mens goed en naar Zijn evenbeeld geschapen, dat is in ware [= echte] gerechtigheid en heiligheid, opdat hij God zijn Schepper recht [= echt, oprecht] kennen, Hem van harte liefhebben, en met Hem in de eeuwige zaligheid leven zou, om Hem te loven en te prijzen. In eigen woorden Heeft God de mens dan zo boos en verkeerd geschapen? Nee, God heeft de mens goed en naar Zijn beeld geschapen. Dat betekent: in echte gerechtigheid en heiligheid. Opdat hij God zijn Schepper echt zou kennen, Hem met heel zijn hart zou liefhebben en met Hem in de eeuwige zaligheid leven zou, om Hem te loven en te prijzen.

Vraag en antwoord 7 Vanwaar [= waarvandaan] komt dan zulke [= zo’n] verdorven aard [= natuur, wezen] van de mensen? Uit de val en de ongehoorzaamheid van onze eerste voorouders Adam en Eva, in het paradijs, waar onze natuur alzo [= zo] verdorven is geworden, dat wij allen in zonden ontvangen [= in de buik van onze moeder gekomen] en geboren worden. 9


In eigen woorden Waar komt deze verdorven aard van de mensen dan vandaan? Uit de val en de ongehoorzaamheid van onze eerste voorouders Adam en Eva in het paradijs. Daar werd onze natuur zo verdorven, dat wij allemaal in zonden in de buik van onze moeder groeien en uit haar geboren worden.

Vraag en antwoord 8 Maar zijn wij alzo [= zo] verdorven dat wij gans [= helemaal] onbekwaam [= ongeschikt] zijn tot enig goed en geneigd tot alle kwaad? Ja, tenzij dan dat wij door de Geest van God wedergeboren worden. In eigen woorden Maar zijn wij zo verdorven dat wij helemaal ongeschikt zijn tot iets goeds en geneigd zijn tot elk kwaad? Ja, behalve wanneer wij door de Geest van God wedergeboren worden.

Zondag 4 Vraag en antwoord 9 Doet dan God de mens geen onrecht [= oneerlijke behandeling], dat Hij in Zijn wet van hem eist [= verplicht vraagt] wat hij niet doen kan? Nee, want God heeft de mens alzo [= zo] geschapen dat hij dat kon doen; maar de mens heeft zichzelf en al zijn nakomelingen, door het ingeven [= influisteren] van de duivel en door moedwillige ongehoorzaamheid [= expres], van deze gaven beroofd. In eigen woorden Is het niet oneerlijk van God dat Hij in Zijn wet van de mens vraagt te doen wat hij niet doen kan? Nee, want God heeft de mens zo geschapen dat hij dit kon doen. Maar de mens heeft zichzelf en al zijn nakomelingen hiervan beroofd door te luisteren naar de duivel en expres ongehoorzaam te zijn.

10


Vraag en antwoord 10 Wil God zo’n ongehoorzaamheid en afval [= ontrouw] ongestraft laten? Nee, geenszins [= helemaal niet]; maar Hij vertoornt Zich [ver]schrikkelijk beide over de aangeboren en werkelijke zonden, en wil die door een rechtvaardig oordeel tijdelijk en eeuwig straffen; gelijk [= zoals] Hij gesproken heeft: Vervloekt is een iegelijk [= iedereen] die niet blijft in [= zich niet houdt aan] al hetgeen [= alles wat] geschreven is in het boek der wet, om dat te doen. In eigen woorden Wil God zo’n ongehoorzaamheid en ontrouw ongestraft laten? Nee, helemaal niet. Maar Hij vertoornt Zich verschrikkelijk over de aangeboren zonden en de zonden die wij doen. Hij wil die door een rechtvaardig oordeel straffen in tijd en eeuwigheid, zoals Hij gezegd heeft.

Vraag en antwoord 11 Is God dan ook niet barmhartig? God is wel barmhartig, maar Hij is ook rechtvaardig; daarom eist [= vraagt, verplicht] Zijn gerechtigheid dat de zonde, die tegen de allerhoogste Majesteit van God gedaan is, ook met de hoogste, dat is met de eeuwige straf aan lichaam en ziel gestraft wordt. In eigen woorden Maar God is toch ook barmhartig? God is wel barmhartig, maar Hij is ook rechtvaardig. Daarom verplicht Zijn gerechtigheid dat de zonde die tegen de allerhoogste Majesteit van God gedaan is, ook met de zwaarste, dat is met de eeuwige straf aan lichaam en ziel gestraft wordt.

HET TWEEDE DEEL Over de verlossing van de mens Zondag 5 Vraag en antwoord 12 11


Aangezien wij dan naar [= volgens] het rechtvaardig oordeel van God tijdelijke en eeuwige straf verdiend hebben, is er enig middel, waardoor wij deze straf zouden kunnen ontgaan [= ontkomen] en wederom [= weer] tot genade komen? God wil dat aan Zijn gerechtigheid genoeg geschiedt [= betaald wordt]; daarom moeten wij aan haar [= die gerechtigheid], óf door onszelf óf door een ander volkomen betalen. In eigen woorden Volgens het rechtvaardig oordeel van God hebben we tijdelijke en eeuwige straf verdiend. Is er iets waardoor we aan deze straf kunnen ontkomen en weer in Gods genade kunnen komen? God wil dat aan Zijn gerechtigheid voldaan wordt. Daarom moeten wij daaraan óf zelf óf door een ander álles helemaal betalen.

Vraag en antwoord 13 Maar kunnen wij door onszelf betalen? In generlei wijze [= op geen enkele manier], maar wij maken ook de schuld nog dagelijks meerder [= groter]. In eigen woorden Maar kunnen wij zelf betalen? Op geen enkele manier. Wij maken de schuld juist elke dag groter.

Vraag en antwoord 14 Kan ook ergens een bloot schepsel [= schepsel dat alleen maar schepsel is] gevonden worden dat voor ons betaalt? Nee; want: – ten eerste wil God aan geen ander schepsel de schuld straffen die de mens gemaakt heeft; – ten andere kan ook geen bloot [= puur] schepsel de last [= het gewicht] van de eeuwige toorn van God tegen de zonde dragen en andere schepselen daarvan verlossen. In eigen woorden Is er ergens een schepsel dat voor ons betaalt? Nee. Ten eerste wil God geen ander schepsel straffen voor de schuld 12


die de mens gemaakt heeft. Ten tweede kan een schepsel de eeuwige toorn van God tegen de zonde niet dragen en andere schepselen daarvan verlossen.

Vraag en antwoord 15 Wat moeten wij dan voor een Middelaar en Verlosser zoeken? Zulk [= Zo] EĂŠn, Die een waarachtig [= echt] en rechtvaardig Mens is, en nochtans [= toch] ook sterker dan alle schepselen, dat is, Die ook tegelijk waarachtig God is. In eigen woorden Wat voor een Middelaar en Verlosser moeten wij dan zoeken? Iemand Die echt en rechtvaardig Mens is en toch ook sterker dan alle schepselen. Dat betekent: Die ook tegelijk echt God is.

Zondag 6 Vraag en antwoord 16 Waarom moet Hij een waarachtig en rechtvaardig Mens zijn? Omdat de rechtvaardigheid van God vorderde [= eiste, verplichtte], dat de menselijke natuur, die gezondigd had, voor de zonde betaalde; en dat een mens, zelf een zondaar zijnde, niet voor anderen kon betalen. In eigen woorden Waarom moet de Middelaar een echt en rechtvaardig Mens zijn? Omdat de rechtvaardigheid van God eist dat de menselijke natuur die gezondigd heeft, ook voor de zonde betaalt. En omdat een mens, die zelf een zondaar is, niet voor anderen kan betalen.

Vraag en antwoord 17 Waarom moet Hij tegelijk waarachtig God zijn? Opdat Hij, uit kracht van Zijn Godheid, de last [= het gewicht] van de toorn van God aan Zijn mensheid zou kunnen dragen, en ons de gerechtigheid en het leven zou kunnen verwerven [= verdienen] en wedergeven [= teruggeven]. 13


Lerenderwijs tekstboek h1  
Advertisement
Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you