Issuu on Google+

Landgoederen in Noord-Brabant Het lief en leed dat landgoed heet Br ab a nt s L a nd s c h ap e n Br ab a nt s Pa r t ic u l ie r Grondb e zit Pic t u re s P ubl i she r s


Landgoederen in Noord-Brabant Het lief en leed dat landgoed heet


Landgoederen in Noord-Brabant Het lief en leed dat landgoed heet

Aut eu r : T h ijs Ca spers Fotog ra f ie : Huub Sme d i ng

Br aba nt s L a nd s c h ap & Br aba nt s Pa r t ic u l ie r Grondb e zit Pic t u re s P ubl i she r s


Woord vooraf

woord vooraf

4

Brabant heeft vele gezichten. Het is de provincie van de steden, de dynamische economie – volgens de laatste inzichten de derde van het land – en de drukke (spoor)wegen. Het is ook een provincie met een hoge agrarische productie en grote export. Brabant is een vitale regio in Europa, gelegen tussen Roergebied, Randstad en Vlaamse stedenruit. Maar gelukkig is Brabant ook nog een groene provincie met bossen, heiden, vennen, beekdalen en agrarisch coulissenlandschap. Daarin liggen als parels de landgoederen verscholen, met hun landhuizen en kastelen, in een door de eeuwen heen gevormd harmonisch verband. Op dit rijke bezit smelten natuur en cultuur samen. Landgoederen hebben hun eigen verhaal, van de – niet zelden bijzondere – eigenaren en lokale gemeenschappen. Landgoederen maken kortom deel uit van de Brabantse identiteit. Maar tijden veranderen. Het is niet langer het geval dat een landgoed simpelweg kan worden opgevat als een rijk bezit. In immateriële zin nog wel, maar het onderhoud, het in leven houden van huis en goed vergen inventiviteit, inzet en soms de helpende hand van de overheid. Het is daarom een goede zaak dat de rijkdom van de landgoederen te boek is gesteld door Brabants Landschap en het Brabants Particulier Grondbezit. Wie het boek leest, zal zich verbazen over de rijke natuur en cultuur in Brabant. Het is een steun in de rug voor hen die zich inzetten voor het behoud en beheer van landgoederen.

Prof. dr. W.B.H.J. van de Donk Commissaris van de koningin in Noord-Brabant


Ten geleide

D

oor de eeuwen heen ontstonden landgoederen en buitenplaatsen doordat een persoon of hele familie het initiatief nam om op smaakvolle wijze een gebied in te richten. Dit leidde tot een afwisseling van landerijen, bos- en waterpartijen met tenslotte (vaak) een landhuis of kasteel. Het voorliggende boek bevat hiervan tal van voorbeelden: het is een veelkleurig palet geworden van landgoedverhalen rond de stichters en hun nazaten. Gelukkig bleven veel landgoederen en buitenplaatsen in bezit van de oorspronkelijke families of kwamen ze in handen van nieuwe eigenaren die er ook alles aan deden (en nog doen) om deze ‘parels’ van Brabant in stand te houden. De particuliere landgoedeigenaren zijn in onze provincie verenigd in het Brabants Particulier Grondbezit. Ook de natuurgebieden onder bescherming van Brabants Landschap zijn voor een flink deel opgebouwd uit oude landgoederen. Deze werden aangekocht van families, waarvan de jongere generatie geen mogelijkheid meer zag het beheer voort te zetten. Om het landgoed te verzekeren van een ongedeelde toekomst, werden ze toevertrouwd aan deze natuurbeschermingsorganisatie. Zowel Brabants Landschap als het Brabants Particulier Grondbezit stellen zich ten doel landgoederen te behouden als ensembles van gebouwen, lanen, landerijen, bossen en natuurterreinen; en ze als zodanig zelfs nog te versterken. Ook werken ze samen bij de stichting van nieuwe landgoederen. In 2012 vieren beide organisaties een jubileum. Brabants Landschap bestaat 80 jaar en het Brabants Particulier Grondbezit 20 jaar, tezamen 100 jaar. Om dit te vieren is het initiatief genomen een boek uit te brengen waarin 151 landgoederen en buitenplaatsen in Noord-Brabant worden beschreven.

De uitdaging is om dit rijke erfgoed een blijvende toekomst te bieden, waarbij de economische doelen de landschappelijke en ecologische kwaliteit niet mogen schaden. Voor het geven van een duurzame economische basis is veel inzet en creativiteit nodig. Gelukkig staat de tijd niet stil en staan er weer initiatiefnemers op die met een nieuw landgoed een meerwaarde willen geven aan hun omgeving. Dit boek beschrijft de doorlopende geschiedenis van landgoederen, die niet stopt bij vandaag. Moge het al die eigenaren, beheerders en bewoners, die zo intensief bij het Brabantse culturele erfgoed betrokken zijn, inspireren. Moge het ook voor een breed publiek een ontdekkingstocht betekenen door de wereld van de landgoederen en buitenplaatsen.

Bert van Dijk Voorzitter Brabants Landschap

Jan Hak Voorzitter Brabants Particulier Grondbezit

5


Colofon en inhoud

6

Colofon

Inhoud

Idee: Jan Baan { Brabants Landschap

Voorwoord van de commissaris van de koningin p 4

Tekstredactie en samenstelling: Thijs Caspers, Annelieke Kelderman { Brabants Landschap

Ten geleide van de beide voorzitters p 5

Research en tekst: Thijs Caspers Ontwerp en vormgeving: Feike de Keijzer, Frans Jansen { Boek{Design Fotografie: Huub Smeding { Outdoor Pictures Beeldredactie en samenstelling: Thijs Caspers, Annelieke Kelderman { Brabants Landschap Cartografie: Trudy Michels { Studio Michels CoĂśrdinatie: Annelieke Kelderman en Arno de Schepper { BPG Productie: CornĂŠ de Keijzer, Feike de Keijzer { Boek{Design Tekst met medewerking van: Lauran Toorians, Piet de Jongh, George Dirven en Victor Retel Helmrich Lees- en correctieteam: Jan Baan, Ernst-Jan van Haaften, Philo IJpelaar, John Meulensteen, Ed Michels en Arno de Schepper Research Historisch Beeldmateriaal: Thijs Caspers en Emy Thorissen { BrabantCollectie Universiteit van Tilburg Met medewerking van: Bruikleengevers, zie colofon achterin W 2012 Brabants Landschap Brabants Particulier Grondbezit Pictures Publishers

Algemene inleiding p 10

Hoofdstuk 1: Brabantse Wal Inleiding p 14 1 Mattemburgh p 18 2 Lindonk p 30 3 Groot Molenbeek p 31 4 Lievensberg p 32 5 Bieduinenhof p 33 6 Zoomland p 34 7 Boslust p 38 8 Wouwsche Plantage p 40 9 Groote Meer p 48 10 Putsche Moer p 54 11 Moretusbossen p 56 12 Buitenlust p 60 13 Dassenberg p 64

Hoofdstuk 2: Roosendaal-Breda Inleiding p 68 14 Visdonk p 70 15 Jachthuis Schijf p 71 16 De Moeren p 72 17 Oude Buissche Heide p 78 18 Pannenhoef p 84 19 Wallsteijn p 90 20 Abdij Maria Toevlucht p 92

Hoofdstuk 3: Rond Breda Inleiding p 98 21 De Vloeiweide p 102 22 Klein Zwitserland p 108 23 Huize Hazard p 109 24 Krabbebossen p 110 25 Zoudtland p 112 26 Lindenborg p 113 27 Liesbos p 114 28 Burgst p 118 29 De Hartel p 119 30 Valkenberg p 120 31 Weilust p 123 32 Vrederust p 124 33 IJpelaar p 125 34 Mastbos p 128 35 Kasteel Bouvigne p 136 36 Wolfslaar p 140 37 Blauwe Kamer p 142 38 Anneville p 144 39 Valkenberg p 150 40 Hondsdonk p 154 41 Luchtenburg p 160 42 De Slotjes p 162 43 Oosterheide p 163


in h o u d

Hoofdstuk 4: Langstraat e.o. Inleiding p 166 44 45 46 47 48 49 50 51 52 53

Slot Rijswijk p 168 Kasteel van Dussen p 170 Zuidewijn p 172 Wit Kasteeltje p 174 Kasteel van Drunen p 176 Plantloon p 177 Strijdhoef p 180 Huis ter Heide p 182 Efteling p 184 Mariënkroon p 191

Hoofdstuk 5: Rond Tilburg Inleiding p 194 54 55 56 57 58 59 60 61 62 63 64 65 66 67 68 69 70 71 72 73 74 75

Hollandsche Bosschen p 198 Kievitshof p 199 De Reeshof p 200 Oude Warande p 202 Dongewijck p 204 Heidepark / Vredelust p 205 Moerenburg p 206 Abdij Koningshoeven p 208 Riels Hoefke p 210 De Hoevens p 212 Ooijevaarsnest p 216 Nieuwkerk p 218 Gorp en Roovert / Gorp de Leij p 222 Annanina’s Rust p 230 Groenendael p 233 Rovertsche Heide p 234 De Utrecht p 238 Wellenseind p 254 Galgeven p 256 Hondsberg / Oude Hondsberg / Ter Braakloop p 262 Kampina p 266 Rozephoeve p 270

Hoofdstuk 6: Rond Den Bosch / Vught Inleiding p 274 76 77 78 79 80 81 82 83 84 85 86 87 88 89 90 91 92 93 94 95 96 97 98 99 100 101 102 103 104 105 106 107 108 109 110

Coudewater p 279 Wamberg p 280 Kasteel Maurick p 282 Oud Herlaer p 286 Nieuw Herlaer p 287 De Ruwenberg p 288 Dennenboom p 289 Zegenwerp p 290 Haanwijk p 294 Pettelaar p 301 Zionsburg p 304 Elzenburgh / Kapellebos p 308 Wilhelminapark p 310 Leeuwenstein p 312 Voorburg p 314 Steenwijk p 316 Zwijnsbergen p 318 Coebax p 319 Wargashuyse p 320 Sparrendaal p 322 Jagershagen p 328 Eikenhorst p 330 Beukenhorst p 334 Bleijendijk p 337 Venrode p 340 Halse Barrier p 342 Sparrenrijk p 343 Kasteel Stapelen p 344 Heerenbeek p 345 Velder p 346 Baest p 348 Seldensate p 354 Kasteel Heeswijk p 355 Kasteel Nemelaer p 362 Zwanenburg p 368

Hoofdstuk 7: Land van Cuijk Inleiding p 372 111 112 113 114 115

Mariëndaal / Russendaal p 374 Kasteel Tongelaar p 376 Barendonk p 380 Ossenbroek p 382 Hiersenhof p 384

Hoofdstuk 8: Peel

Inleiding p 392 116 Princepeel p 394 117 Lactaria p 397 118 Beestenveld p 400 119 Stippelberg p 402 120 De Sijp p 408 121 Dompt p 409 122 Groote Slink / Bunthorst p 410 123 Cleefswit / De Krim p 414 124 Kasteel Gemert p 416 125 Kasteel Deurne p 418 126 Aastein p 420

Hoofdstuk 9: Rond Eindhoven Inleiding p 424 127 128 129 130 131 132 133 134 135 136 137 138 139

Ten Vorsel p 426 ’s Heerenvijvers p 428 De Wielewaal p 429 Kasteel Henkenshagen p 430 Eyckenlust p 431 Kasteel Croy p 432 Kasteel Helmond p 434 Soeterbeek p 436 Eckart p 437 Kasteel Geldrop p 438 Kasteel Heeze p 440 Valkenhorst p 448 Treeswijk p 455

Hoofdstuk 10: Nieuwe Landgoederen Inleiding p 458 140 141 142 143 144 145 146 147 148 149 150 151

Westcreeke p 462 De Hertgang p 463 Vijverhoeve p 464 Ottermeer p 465 Klein Zundertsche Heide p 466 ’s Heeren Vrunten p 467 Kraaiveld p 468 Clootwijk p 471 Loonderhoeve p 472 De Bouwen p 473 De Langakkers p 474 De Berkt p 476

Index op de persoonsnamen p 480 Index op de logo’s p 485 Epiloog p 487 Colofon p 488

7


44

Landgoederen in Noord-Brabant B erg s c he

45

Ma a s

46

52 42 47

29 28

30 27 26

21

23

58

36

57

37 38

24

39

62

20

63

64

65

16

3

17 19

8

1

59

40

4 7 lde

56

18 15

sche

34 35

14

en 6

ster

22

32

33

41

12

Oo

31

25

13

51

43

2 54 55

9

W este

rsche

lde

5

10

11

Brabantse Wal

Roosendaal-Breda

Rond Breda

Langstraat e.o.

Rond Tilburg

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13

14 15 16 17 18 19 20

21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43

44 45 46 47 48 49 50 51 52 53

54 55 56 57 58 59 60 61 62 63 64 65 66

Mattemburgh Lindonk Groot Molenbeek Lievensberg Bieduinenhof Zoomland Boslust Wouwsche Plantage Groote Meer Putsche Moer Moretusbossen Buitenlust Dassenberg

Natuurgebied Infiltratiegebied Kwel-/doorstroomgebied schaal 1:285.000 10 km

Visdonk Jachthuis Schijf De Moeren Oude Buissche Heide Pannenhoef Wallsteijn Abdij Maria Toevlucht

De Vloeiweide Klein Zwitserland Huize Hazard Krabbebossen Zoudtland Lindenborg Liesbos Burgst De Hartel Valkenberg Weilust Vrederust IJpelaar Mastbos Kasteel Bouvigne Wolfslaar Blauwe Kamer Anneville Valkenberg Hondsdonk Luchtenburg De Slotjes Oosterheide

Slot Rijswijk Kasteel van Dussen Zuidewijn Wit Kasteeltje Kasteel van Drunen Plantloon Strijdhoef Huis ter Heide Efteling MariĂŤnkroon

67 68 69 70 71 72 73

74 75

Hollandsche Bosschen Kievitshof De Reeshof Oude Warande Dongewijck Heidepark / Vredelust Moerenburg Abdij Koningshoeven Riels Hoefke De Hoevens Ooijevaarsnest Nieuwkerk Gorp en Roovert / Gorp de Leij Annanina’s Rust Groenendael Rovertsche Heide De Utrecht Wellenseind Galgeven Hondsberg / Oude Hondsberg / Ter Braakloop Kampina Rozephoeve

66


l

aa W

Ma a

111

s

112

48

113 115 114

76 77

53

49

85 79 80 89 78 84 81 93 90 94 87 91 99 82 95 101 83 98 96 88 97 100 86

92

50

107

116

108 110

102

117

109

121

103

122 123

74

73

60

120

130

75

72

124

61

118

105 104

131

132

106 67

119

128

68

133

134

69

125

135 129 70 71

136

126 137

139 138

127

Rond Den Bosch / Vught 76 77 78 79 80 81 82 83 84 85 86 87 88 89 90 91 92 93 94 95 96 97 98 99

Coudewater Wamberg Kasteel Maurick Oud Herlaer Nieuw Herlaer De Ruwenberg Dennenboom Zegenwerp Haanwijk Pettelaar Zionsburg Elzenburgh / Kapellebos Wilhelminapark Leeuwenstein Voorburg Steenwijk Zwijnsbergen Coebax Wargashuyse Sparrendaal Jagershagen Eikenhorst Beukenhorst Bleijendijk

100 101 102 103 104 105 106 107 108 109 110

Venrode Halse Barrier Sparrenrijk Kasteel Stapelen Heerenbeek Velder Baest Seldensate Kasteel Heeswijk Kasteel Nemelaer Zwanenburg

Land van Cuijk

Peel

Rond Eindhoven

111 112 113 114 115

116 117 118 119 120 121 122 123 124 125 126

127 128 129 130 131 132 133 134 135 136 137 138 139

Mariëndaal / Russendaal Kasteel Tongelaar Barendonk Ossenbroek Hiersenhof

Princepeel Lactaria Beestenveld Stippelberg De Sijp Dompt Groote Slink / Bunthorst Cleefswit / De Krim Kasteel Gemert Kasteel Deurne Aastein

Ten Vorsel ’s Heerenvijvers De Wielewaal Kasteel Henkenshagen Eyckenlust Kasteel Croy Kasteel Helmond Soeterbeek Eckart Kasteel Geldrop Kasteel Heeze Valkenhorst Treeswijk

Nieuwe Landgoederen Zie kaartje op pagina 458. 140 Westcreeke 141 De Hertgang 142 Vijverhoeve 143 Ottermeer 144 Klein Zundertsche Heide 145 ’s Heeren Vrunten 146 Kraaiveld 147 Clootwijk 148 Loonderhoeve 149 De Bouwen 150 De Langakkers 151 De Berkt


Het landgoed als menselijk en landschappelijk fenomeen

Inleiding

10

N

e de rland telt maar liefst 1100 landgoederen. Het gekke is dat als je mensen vraagt welke streken ze van ons land associëren met landgoederen, ze steevast Brabant zullen overslaan, de Brabanders incluis. Streken als de Achterhoek, de Veluwezoom van Wageningen tot Dieren, de Vechtstreek en de binnenduinrand van Den Haag tot Haarlem zullen de revue passeren. Maar bij Brabant valt men stil, staat men met de mond vol tanden. Nog altijd bestaat van Brabant het stereotiepe beeld van een zandige provincie met bossen, vennen, heide en stuifzand en buiten deze natuurgebieden grootschalige maïsakkers. En een landgoed, een door de eeuwen heen organisch gegroeid geheel van hoogopgaande bossen en weelderige landouwen, doorsneden door statige lanen, uitkomend bij een voornaam landhuis of kasteel, laat zich daar nu eenmaal moeilijk mee rijmen. Niets is echter minder waar, Brabant wemelt van de landgoederen. Je hebt ze van groot tot klein, van eeuwenoud tot piepjong en ook alle grondsoorten worden aangedaan. Je vindt ze in beekdalen, op klapzand en klei en in verveende gebieden.

Boven: De ‘Hay-wain’ van John Constable uit 1821. Dit schilderij stond aan de basis van de Engelse Landschapsstijl, als parkstijl op landgoederen nog altijd onovertroffen. Of je nu over de Mattemburgh bij Bergen op Zoom, Eikenhorst bij Vught of Groote Slink in het verre oosten van de provincie loopt, het lijkt steeds weer of je als het ware dit schilderij ingetrokken wordt.

Tegeltableau in kasteel Bouvigne.


in l eid in g

De (officiële) definitie van een landgoed is ‘een aaneengesloten gebied van minstens 5 hectare dat voor minstens 30% bestaat uit bos en waar een landhuis bij hoort’, desnoods een grote boerderij. Wanneer aan deze eisen wordt voldaan en het goed is opengesteld voor het publiek, ontvangt de eigenaar belangrijke fiscale voordelen, ingesteld door de Natuurschoonwet uit 1928. Deze voor de natuurbescherming uitermate belangrijke wet voorkwam dat landgoederen werden opgesplitst en verkaveld. Het uitblijven van zo’n wet in buurland België heeft dit schrikbeeld daar wel tot werkelijkheid gemaakt. Met name in de jaren ’60, ’70 en ’80 konden veel landgoedeigenaren hun hoofd niet langer boven water houden en zagen zij zich genoodzaakt (delen) van hun landgoed te verkopen. Dat deden ze uiteraard het liefst aan instanties die dachten en handelden in dezelfde geest, zoals de Provinciale Landschappen en Natuurmonumenten, die als een soort vangnet fungeerden. Toch bevindt driekwart van het landelijke totaal aan landgoederen zich nog altijd in handen van particulieren, waar ze uiteraard het beste kunnen blijven, omdat in deze kringen de liefde voor het voorvaderlijk erfgoed – piëteit heet dat – het sterkst leeft. Van de om en nabij 150 Brabantse landgoederen – wegens grensgevallen is een exact aantal niet te geven – zijn tientallen in handen van natuurorganisaties en gemeenten, maar rust ook hier het gros nog altijd bij de nazaten van de stichters of bij de ‘nieuwe’ – inmiddels al weer oude – rijken die er ook een band mee kregen. Duikend in de geschiedenis en het huidige voorkomen van een landgoed bespeur je steeds meer eigen(aardig)heden, die typisch zijn voor dát landgoed en je niet snel zult vinden op een ander. De eigenheid van landgoederen

springt direct in het oog. Ze zijn ‘authentiek’: lijken alleen op zichzelf. Het waren en zijn gemeenschappen, werelden op zich. Er heeft zich veel lief en leed afgespeeld. In de geschiedenis van landgoederen komt de mens in al zijn aspecten aan bod. Om die reden staat de menselijke / sociale geschiedenis van landgoederen in dit boek centraal. Omdat ze werden bewoond door de machtigen en rijken der aarde, speelde er zich ook ‘grote’ geschiedenis af. Het waren ontmoetingsplaatsen voor politici, denkers, schrijvers, dichters en kunstenaars, zenuwcentra van politiek, cultureel en religieus leven. Er is letterlijk en figuurlijk geschiedenis geschreven, tot op (inter)nationaal niveau. De landschappelijke schoonheid van landgoederen zal hieraan niet vreemd zijn geweest. De groten der aarde trekken zich nu eenmaal graag terug op de mooiste plekjes om tot diepe gedachten en grootse daden te komen. Iedereen doet dit trouwens graag, maar we zijn niet allemaal daartoe in de gelegenheid.

11

Je komt onder de (voormalige) bewoners opvallend vaak dezelfde namen tegen. Er is in deze kringen onderling nogal getrouwd. Dat doe je nu eenmaal bij voorkeur binnen je eigen milieu – ook bij ‘lagere’ standen zie je dat – en geld zoekt geld op. Aanvankelijk gaat het vooral om adellijke personen als stichters, die na verloop van tijd steeds meer gezelschap krijgen van welvarende bestuurders, handelaren en industriëlen, die zich status aanmaten door middel van een buitenhuis met landgoed. Onder (voormalige) landgoedeigenaren kom je ook opvallend veel buitenlanders tegen, vooral Belgen en Fransen, die dat na verloop van tijd (in de volgende geslachten) natuurlijk niet meer waren, wat hen ongetwijfeld niets uitgemaakt zal hebben. Landgoedheren en -dames dachten niet in grenzen en lieten zich er zeker niet door tegenhouden. Wat dat betreft mag je ze beschouwen als een vroeg internationaal gezelschap – wereldburgers – en

Galant feestje in het Liesbos, omstreeks 1850.


dat in een tijd waarin de samenlevingen nog eng nationalistisch, provinciaal of zelfs regionaal dachten en handelden. Adel en nieuw geld hadden uiteraard ook de middelen om te reizen en hun horizon te verbreden, het een zal wel met het ander te maken hebben.

12

Een steeds weerkerend patroon is de bijzondere onderlinge band van landgoedbewoners. Er bestond een duidelijk standsverschil tussen de eigenaar en zijn pachters en knechten, maar omdat voor dezen doorgaans goed werd gezorgd, was er sprake van wederzijdse gehechtheid en zelfs bewondering. Ondanks het standsverschil was men vertrouwder met elkaar dan met mensen van buiten. Een tweede weerkerend patroon is de natuurliefde. Financieel-economische overwegingen kunnen een belangrijke (bij)rol hebben gespeeld bij het stichten of aankopen van een goed, maar het scheppen van schoonheid lijkt toch de hoofdrol te spelen. Het waren allemaal natuurliefhebbers wat zich toen – tegenwoordig is het voor velen vloeken in de kerk – bijna automatisch vertaalde in liefde voor de jacht, het oogsten van natuurproducten van eigen land. Aan het ontstaan van een lustwaranda, een concentratie van min of meer samenhangende landgoederen, zijn voorwaarden verbonden. De eerste is dat de omgeving op voorhand al mooi moet zijn. Waar het lelijk is wil – vanzelfsprekend – niemand zijn kasteel of landhuis bouwen. Een tweede voorwaarde is dat in de onmiddellijke omgeving een aansprekende grote stad moet liggen, want er is geen lol aan om het héle jaar door te brengen op het platteland met een stelletje heikneuters. Het moet mogelijk zijn om ’s zondags fatsoenlijk ter kerke te gaan. Ook de eentonige winterdagen brengt men liever door in een herenhuis in de stad. De nabije stad moet cultureel en maatschappelijk van niveau zijn. En ten derde werkt het al aanwezig zijn van oudere kastelen en landgoederen bevorderlijk. Dan kun je beleefdheidsbezoekjes aan elkaar afleggen, de kinderen kunnen met elkaar spelen en als ze wat ouder zijn trouwen: een lustwaranda is een zichzelf versterkend fenomeen. Naast hun historische betekenis, is er de landschappelijke. De stichters zoveel generaties terug, hebben hun landgoed nooit zo mooi gezien als wij nu: als eenentwintigste-eeuwers verkeren we dus in een bevoorrechte positie. Algemeen wordt aanvaard dat de boeren via hun bedrijfsvoering over vele generaties – onbedoeld – het Nederlands landschap hebben geschapen, van (veen) weidegebied tot heideveld. Het wordt onderhand eens tijd de landgoedeigenaren daar als tweede beroeps- of bevolkingsgroep aan toe te voegen, temeer omdat hun handelen wél bewust was. Zijn landgoederen tegenwoordig zó sterk met het (Nederlandse) landschap verweven – of zelfs het land-


in l eid in g

schap gewórden – dat hun bestaan voor ons vanzelfsprekend is, bij hun stichting (van de zestiende tot begin twintigste eeuw) moet de plattelander van toen perplex hebben gestaan. Het landschap werd volledig overhoop gegooid: de waterhuishouding werd aangepast, woeste grond werd ontgonnen of vruchtbare landbouwgrond juist bebost. Zeker in de begintijd verrezen ze op aantrekkelijke plaatsen dicht bij de stad. Hoewel deze ontvluchtend, brachten de eigenaren met hun landgoed een stukje stad en stadse cultuur naar het buitengebied. Deze ‘dubbele’ houding van hen die zich deze (seizoens)migratie konden veroorloven, laat zich makkelijk verklaren. In het landgoed komt het beste van twee werelden samen: enerzijds de natuur, rust en eenvoud van het platteland, anderzijds de cultuur, dynamiek en geneugten van de stad, waarvan men zogenaamd afstand doet (maar niet heus). Het verlangen naar buiten en het zoeken van deze combinatie bestaat al zo lang er stedelijke culturen zijn. Met het bouwen van villa’s in het arcadische buitengebied hadden de Romeinen er al ‘last’ van: één zijn met de natuur zonder afstand te doen van luxe. Het laatste kreeg op ‘den buiten’ zelfs een extra dimensie. Landgoederen vormen bij uitstek mooie en interessante landschappen. Die waardering is van alle tijden en wordt / werd algemeen geuit, van hoog tot laag. Wilden de stichters schoonheid scheppen, die werd door bezoekers van meet af aan ook daadwerkelijk ingezien. Hoewel gesticht als elitair vermaaksoord, vormden ze (in veel gevallen) al snel de speeltuin van het grote publiek. Onze halfnatuurlijke landschappen hebben veel langer op (algemene) acceptatie moeten wachten. Eind negentiende, begin twintigste eeuw kwam de natuurbescherming op om te voorkomen dat alle stuifzanden, heidevelden en moerassen er aan zouden geloven. Het lukte deze minderheidsgroep om representatieve voorbeelden van deze landschappen veilig te stellen, waarvoor pas later algemene maatschappelijke waardering kwam. Met uitzondering van echte natuurkenners, hadden maar weinig mensen er lol in om het barre stuifzand te betreden of een verzengend hete heidevlakte over te steken; laat staan een van kwade dampen vergeven moeras in te trekken. Maar door de kleinschalige afwisseling van open en besloten ruimtes, te weten vruchtbare landbouwgronden en hoopopgaand bos, dit alles doorsneden met lommerrijke dreven – kortom de gelijkenis met het Paradijs, de Hof van Eden – hebben landgoederen altijd de volle waardering genoten die hen toekomt. Hoe anders verging het dat andere afwisselende landschap, het arcadische kleinschalige coulissenlandschap. Ondanks de grote mate van gelijkenis werd dat vanaf de jaren ’30 in ruilverkavelingsverband bijna overal in ons land en vooral in Brabant rücksichtslos opgeruimd. Kwam dat misschien omdat het hier boerenland gold, en dus niet het waardige en individuele stempel van ‘landgoed’ droeg? De ruilverkavelingen spaarden de landgoederen, maar daar-

13

Langoedeigenaren worden steeds inventiever in het vinden van wegen om hun landgoed duurzaam te onderhouden; zonder daarbij afbreuk te doen aan natuur en cultuur daarop. Die worden er zelfs beter van. Vol goede moed blikken ze dan ook de toekomst tegemoet, zoals hier Caroline Vogels en Floris van der Lande op landgoed De Hoevens.

buiten moesten de houtwallen, grillige perceelsranden en solitaire bomen er aan geloven. Ook de toekomst van landgoederen lijkt verzekerd. De meeste liggen er goed bij, niet eens zozeer door het beleid van de overheid, maar door de tijd en het geld die eigenaren en andere betrokkenen er van oudsher – en nog steeds – insteken. De wereld van het landgoed kent een lange traditie van zorgvuldig omgaan met het landschap. Het onderhouden van een landgoed is duur. De drie klassieke peilers landbouw, bosbouw en jacht voldoen al lang niet meer om de landgoedeconomie te dragen. Het dierbaar goed uit financiële nood verkopen, is voor eigenaren een schrikbeeld. Wanneer een landgoedeigenaar geen opvolger had of wanneer zijn kinderen geen interesse toonden in opvolging, gingen de afgelopen decennia zoals gezegd veel landgoederen over naar natuurbeschermingsorganisaties. Dit was in zoverre geen ramp, omdat deze instanties de landgoederen doorgaans in dezelfde geest bleven beheren, met veel respect voor cultuur en landschap. De laatste jaren zien we een kentering ten goede. De particuliere landgoedeigenaar wordt steeds inventiever in het genereren van alternatieve inkomsten uit het landgoed; in het vinden van wegen om zijn landgoed duurzaam te exploiteren, zonder afbreuk te doen aan cultuur en natuur daarop. (Dat zou immers neerkomen op het slachten van de kip met de gouden eieren.) Met name op het vlak van de recreatie en de verbouw van streekproducten worden initiatieven ontplooid die een hele regio een aantrekkelijker aanzien geven. En de streekeconomie krijgt er een belangrijke impuls door. Gelukkig wordt steeds meer beseft dat landgoederen het gezicht zijn van een streek; of dat anders kunnen worden. De tijd lijkt rijp om het landgoed – net als bos, heide en ven – op te nemen in de ‘canon’ van Brabant. Dit boek hoopt daaraan een bijdrage te leveren.


De Brabantse Wal Verbelgd, niet verbolgen

Mattemburgh

14

1. Mattemburgh 2. Lindonk 3. Groot Molenbeek 4. Lievensberg 5. Bieduinenhof 6. Zoomland 7. Boslust 8. Wouwsche Plantage 9. Groote Meer 10. Putsche Moer 11. Moretusbossen 12. Buitenlust 13. Dassenberg

land g o e d s t i c h t i n g is in deze regio van vroege datum en komt voort uit de ontginningsactiviteit van de plaatselijk heren, de markiezen van Bergen op Zoom. Op de grote oppervlaktes woeste grond die onder hen vielen, startten zij plaatselijk met drooglegging van moeras en bebossing van heide en stuifzand. We danken er de oudste Brabantse boswachterij, de Wouwsche Plantage, aan, die startte in 1504. Maar zoals bekend verging het de heren en hun rechten slecht in de Franse Tijd (1795-1813). Ze werden hen afgenomen onder het mom van ‘vrijheid, gelijkheid en broederschap’. Na de val van Napoleon en de installering van ons eigen staatsbestel bleven veel Franse verworvenheden gehandhaafd. Wat voorheen van de heer was, bleef voortaan van ons allen, de staat, ‘Domeinen’. Die mocht daar, in aller (?)

13

12

6 4 7 3 1

8

2

9

5 11

10


br aban ts e w al

15


belang, mee doen wat haar goed leek. De door de staat opgeëiste woeste, en dus onrendabele grond werd verkocht aan vermogende particulieren. Dit leverde aan beide kanten blije gezichten op, bij de nieuwe eigenaars omdat de prijs voor een appel en ei was, aan de kant van de staat omdat men er vanaf was en er nog wat voor terug kreeg ook. En de (voormalige) markiezen? Die zullen wel hebben zitten kniezen, maar hun tijd(perk) was nu eenmaal voorbij. Omdat er in deze hoek van Brabant zoveel woeste grond in de aanbieding gedaan kon worden, ontstonden er onder regie van nieuwe rijken uitgestrekte landgoederen. Opvallend is dat 11 van de 13 werden gesticht door, of op een gegeven moment in handen kwamen van, Belgen. In het geval van Mattemburgh waren de stichters nog Brabantse notabelen / bestuurders, maar een generatie later al was de familie verbelgd. Wouwsche Plantage en Groote Meer vielen in handen van puissant rijke Antwerpenaren. De bloei van de Antwerpse haven in de negentiende eeuw kende geen grenzen, kennelijk ook niet in letterlijke zin. Dat zoveel grond op Nederlands grondgebied in Belgische handen kon vallen is mede opmerkelijk, omdat beide landen nog maar kort tevoren in staat van oorlog met elkaar verkeerden (1830-’39). In deze hoek van Brabant was de strijdbijl kennelijk al snel begraven; of heeft nooit zoveel animositeit tegenover elkaar bestaan. Dat geldt nog steeds. Wie de regio een beetje kent, zal direct beamen dat inwoners van dorpen als Ossendrecht en Hoogerheide qua leefstijl en mentaliteit hartstikke ‘bels’ zijn. En ook de stad Bergen op Zoom heeft een weinig Nederlands karakter. De landschappelijke uitgangssituatie moet al mooi zijn om een landgoed te stichten, zo werd in de algemene inleiding gesteld. En inderdaad was dat ook in dit heuvelachtige gebied het geval. Maar het moet gezegd dat de landgoedeigenaren het ‘geaccidenteerde’ karakter nog hebben ‘geaccentueerd’. Er werden letterlijk fantastische ruimtes ingericht en de eigenaren waren niet onwillig om daar anderen van te laten meegenieten. In de ‘Gids voor Bergen op Zoom en omstreken’ wordt aldus de loftrompet gestoken over de Wouwsche


Plantage: Dit is dé groote attractie van Bergen op Zooms toch reeds zoo schoone omstreken. Deze overschoone bezitting bestaat uit mastenbosschen, op heuvelachtig terrein aangelegd. De herberg is geheel in Zwitserschen stijl opgetrokken en maakt, ook door de slinger- en klimplanten aan den gevel, een heerlijk effect. Men kan gerust deze omgeving, in plaats van Wouwsche Plantage, wel ‘Wouwsche Fantasie’ noemen. Deze schoone streek wordt door niet vele punten in ons land geëvenaard. Het is heuvel op en heuvel af en ofschoon vermoeiend, is dat stijgen en dalen een genot; overal gaat men tot over de enkels in het zachte mos. Alles is wilde natuur, het geheel een Klein Zwitserland. Voor toegang tot de Groote Meer moest bij de veldwachter aan huis verlof worden gevraagd. En een aparte bewaker verschafte toegang tot de Belvédère, een uitkijktoren op het al 37 meter hoge Zwarte Duin. Zoals het een echte gids betaamt dreunde hij op wat je van bovenaf allemaal kon zien. Dat moet heel wat geweest zijn, zonde inderdaad dat de toren later verloren ging: Het uitzicht vanaf de Belvédère, is onbeschrijflijk mooi, vooral bij helder weer. Al de torens van de plaatsen uren in den omtrek zijn zichtbaar, van Antwerpen af tot Breda toe. De scheepvaart op Ooster- en Westerschelde; dorpen, overal verspreid; bosschen en heidevelden, doen u alle een panorama genieten van ongekende grootschheid en schoonheid. Onder u is het Groote Meer, een uitgestrekte waterplas, ter grootte van de stad Bergen op Zoom. Het is wel duidelijk dat de Belgen de Brabantse Wal hebben ‘verzwitserd’, de omgeving van Bergen op Zoom een nog buitenlandser karakter gaven. Wordt Zuid Limburg wel eens gezien als ons (Nederlandse) ‘eigen kleine buitenlandje’, hetzelfde kan gezegd worden van de Wal voor Brabant.

17


Mattemburgh Hele en halve Belgen en van begin tot eind Frans

brabants landschap

381 hectare

vrij toegankelijk

18

H

Petrus en Maria

e t ontstaan van dit landgoed hebben we in de verte ergens nog te danken aan de Fransen. Die belegerden Bergen op Zoom langdurig in 1747, waarbij de omgeving van de stad traditiegetrouw werd geplunderd. Nadat de rust was weergekeerd, werden veel hoeves niet terug opgebouwd, zoals de Musschenpot op de Zuidgeestse Heide. De grond werd verkocht aan de markies, die het liet beplanten met schaarhout. Een halve eeuw later, in 1801, worden de bezittingen en dus ook de gronden van de markies opgeëist door de staat, die besluit de onrendabele, zeg maar ‘woeste’ gronden te verkopen, wat ze nog een beetje rendabel maakt. Langs deze weg komen de voormalige gronden van de Musschenpot in 1807 in handen van Petrus Cuypers stammend uit een familie van gegoede kooplieden uit Oudenbosch. Zowel in de Bataafse en Franse Tijd als later onder koning Willem i weet hij zich te onderscheiden. De Franse Tijd luidt het begin in van zijn politieke carrière. Eerst wordt hij drossaard van het Oostkwartier van het Markiezaat om in 1795 op te klimmen tot burgemeester van Oudenbosch. Hij maakt de overstap van provinciale naar landelijke

politiek en is vanaf 1806 zelfs persoonlijk raadsheer van koning Lodewijk Napoleon. Dat hij vanaf 1810 tijdelijk ambteloos is, speelt in zijn voordeel, want Willem i benoemt hem in 1814 tot lid van de Staten van Brabant. In 1818 wordt hij burgemeester van Bergen op Zoom, wat hij blijft tot 1837. Welnu, deze Cuypers trouwt met Maria van Mattemburgh, uit een West Brabants geslacht van bestuurders, genoemd naar een in de zestiende eeuw bedijkte polder onder Nieuw-Vossemeer. Ze krijgen samen zes kinderen en worden zeer vermogend, wat vooral te danken is aan een aantal erfenissen, inhoudende boerderijen en gronden van Overflakkee tot Biesbosch.

Echte liefde Een van hun zonen, Louis, bezorgt hen heel wat kopzorgen. Hij is een rusteloze ziel en kan kennelijk ook zijn handen niet thuis houden. Het komt regelmatig tot een vechtpartij met militairen in de garnizoensstad Bergen op Zoom en een keer eindigt hij zelfs in het cachot. Zijn vader moet hem zoveel mogelijk beschermen en financieel bijspringen. Zeker nadat hij als ontvanger van de directe belastingen tekorten niet kan aanvullen. Dat hij

Na een veelomvattende jarenlange restauratie heeft Villa Mattemburgh sinds 2012 weer een functie: voor vergaderen, trouwen en kleinschalige partijen.


br aban ts e w al

een relatie aanknoopt met de dochter van een herbergier gaat zijn vader toch echt te ver. Louis negeert echter het vaderlijke bevel de relatie te verbreken en volgt de stem van zijn hart. En zo staat hij in 1839 met zijn aanstaande bruid Adriana Hips voor de ambtenaar van de burgerlijke stand van Halsteren, hij 40, zij 22. Er komt nog wel schriftelijke toestemming van de wederzijdse ouders, maar verder laat de familie geheel verstek gaan. Een jaar later verhuist het stel naar Antwerpen, vervolgens naar Berchem en tenslotte naar Brussel, waar een chique pand wordt betrokken aan de Jozef ii straat.

19

Waarom niet voor Cuypersburg werd gekozen Ofschoon het enfant terrible van de familie, danken we aan deze Louis de stichting van het landgoed. Waar wel onmiddellijk aan moet worden toegevoegd dat zijn moeder hem op het idee bracht. In een brief de dato 17-1-1846 legt ze haar zoon het plan voor een buiten te stichten. Een eerste vereiste daarvoor was een statig landhuis dat in fasen, tussen 1846 en 1853, tot stand kwam. Het werd een villa in neo-classicistische stijl, wat zoveel wil zeggen als ‘met sobere, strenge, doch rustige vormen’. De architecten uit die stijlperiode (1740-1860) vielen terug op de – vermeende – puurheid van gebouwen als tempels uit de klassieke oudheid, de Grieken en Romeinen. In die stijl werden onder meer ook de Arc de Triomphe in Parijs en het British Museum in Londen opgetrokken. Villa Mattemburgh, een product van de Antwerpse architect Franssen, bevindt zich dus in goed gezelschap. Nu het huis er eenmaal stond, was het tijd geworden voor een daarop aansluitend park. In 1849 leverde de – alweer – Antwerpse (tuin)architect Emile van Cuyk, onder meer ook bekend van de landschapstuin van de Zoo van Antwerpen, het plan voor eenen Engelschen hof en wandelingen door de velden, weyden en het Bosch daertegen gelegen. Maria zelf heeft nauwelijks van de geneugten van het landgoedleven kunnen genieten. In haar testament uit 1849 – het jaar daarop komt ze te overlijden – laat ze haar zoon de Buitenplaats, genaamd de Musschenpot na, inclusief bossen, landerijen en boerderij de Lange Teen, samen 166 hectare groot en geschat op f 32.000. Uit eerbied voor zijn moeder wijzigt Louis de naam van het landgoed van ‘Musschenpot’ in ‘Mattemburgh’, naar zijn moeders familienaam. Dat hij van zijn moeder gehouden moet hebben, blijkt ook uit een brief van Schiefbaan, zijn belangenbehartiger in Den Haag: Het lieve en schoone Mattemburgh, waarvan uw nooit volprezene moeder de grondslagen legde en van een slecht bosch een overschoon verblijf gemaakt heeft. Dat haar lieve en zachte geest u steeds omgeve. Omdat in eerder genoemd testament niets over een tuin wordt gezegd, mag worden aangenomen dat de aanleg daarvan pas kort daarna aanving. En een belangwekkende bron in de vorm van een lofdicht wijst erop dat die in grote lijnen vijf jaar later al was voltooid.

Boven de situatie in 1840, onder die in 2009. Ten oosten van de grote weg naar Antwerpen (en Zeeland) maakte stuifzand, met daarbinnen opvallend veel vennen, plaats voor productiebos. Ten westen van deze weg werd kostbare landbouwgrond omgezet in kostelijk parkbos. Landgoed Lindonk ligt er al die tijd nog ongeveer hetzelfde bij.


Mattemburgh

20

Boven: Schematische voorstelling van het landgoed omstreeks 1880. De hoofddreef in het productiebos bood zicht op de villa aan de andere kant van de weg.


br aban ts e w al

Geld en geloof hebben altijd iets met elkaar gehad Dat lofdicht was ter gelegenheid van Louis’ verjaardag op 15 augustus 1855 en van de hand van de bevriende pastoor uit Hoogerheide, Krüger: Het Buiten Mattemburgh en het Buitenleven, bezongen ter gelegenheid der verjaring van den Weledelen Heer Cornelius Ludovicus Antonius Cuypers. Het is ondoenlijk het hele lofdicht af te drukken maar een aantal coupletten zijn van belang om de lezer een idee te geven. ’t Was eer een duister oord, in nare en doodsche streken Men hoorde met veel schrik, van ’t eenzaam oord soms spreken O welk een ommekeer, wat wisselt niet de tijd? Wat wordt niet daargesteld, door menschelijken vlijt? Wat was er toch te zien, vóór slechts een tiental jaren? En nu een bouw, waar ’t oog met wellust op kan staren Een Buitenplaats vol smaak, een wereldsch paradijs Een hof van lusten ja, op onderscheiden wijz’ Hoe overheerlijk zijn de tuinen, paden, dreven Die gij, door noester vlijt, uit ’t niet hebt zien herleven? Uit ’t niet? – een beijert was ’t o ja! – geen woester oord Dan dit was elders nog aan oost- of westerboord Hier zijn bergen, daar zijn dalen, ginds een aardig lustpriëel Hier een vijver, daar weer masten, overheerlijk is ’t geheel Hier een vaartuig in het water, ginds een heuvel in het verschiet Hier gaan wij langs effen wegen, waar men niet één hugtje ziet Nu weer paden die ons leiden naar een lustverrukkend dal Ginds weer rijk beplante parken, hier een laagte, daar een wal Daar omlaag een brug, om over deze kronkelbeek te gaan Ginds omhoog een rijke koepel – schooner treft men zelden aan! En daaronder nog een kelder, die met kilkoud ijs gevuld ’s Zomers schenkt een lekker beetje, toebereid met taai geduld Ik zie den fieren wijntros hangen, persik, pruim en abrikoos Peren, kersen en morellen, appelen, blozend als een roos Wie toch telt de schoone vruchten, die in dezen boomgaard staan? In den moestuin – als men dezen eens oplettend rond wil gaan – Zie ik aard- en andere beijen, wit en rood, maar rijp en frisch Ananassen en meloenen, lekkernijen voor den disch Suikerpeen en artisjokken, gul gegroeid in overvloed Massa’s van verscheidne groenten, alles – alles even goed! En wat verder in de bakken, wordt gekweekt met vetten mest Sla en boonen, peen en meerder, voegt dat alles bij de rest’ In het lofdicht worden ook dieren genoemd als ganzen, fazanten, zwanen en duiven, maar het voornaamste dat van het gedicht blijft hangen is dat het park is aangelegd volgens de Engelse Landschapsstijl (els). Mogelijk deed Louis, die tussen 1851 en 1855 veel in Engeland verbleef, daar inspiratie op. Niet alleen de kleinschaligheid, doorzichten en afwisseling tussen hoog en laag wijzen daarop, maar ook ‘Chinese’ elementen als de boogbruggen en de theekoepel, die in de els al vóór 1800 in zwang waren. Overigens doet het laatste couplet vermoeden dat

de eerwaarde een welkome gast was op de zondagse dis. Als ontwikkelde lieden met gezag werden pastoors door de adel min of meer als gelijken gezien.

Louis ... Louis bleef tot zijn dood in 1884 in Brussel wonen en betrok de Mattemburgh ‘enkel’ als buitenverblijf, voor de zomermaanden en om er met vrienden te jagen in het seizoen. Desondanks hield hij zich vanuit België uitstekend op de hoogte van de gang van zaken. Hij breidde het landgoed nog uit met percelen mastbos en hakhout en hoeve De Konijnenheining, met bijhorende gronden in het dal van de Blaffert. Bij zijn overlijden was het landgoed gegroeid tot 187 hectare. De inventaris die werd opgemaakt van het huis, geeft ons een interessante ‘blik in de keuken’, met op de begane grond: eetzaal, huishoudkamer, ronde kamer, kleine kamer, biljartkamer en kantoor; op de eerste verdieping: grote logeerkamer, kleine logeerkamer, balkonkamer, kamer bij kleine trap en twee slaapkamers; zolderverdieping: dienstbodenkamers; sousterrain: mangelkamer, badkamer, keuken. Ondanks zijn nervositeit en temperament was Louis een berekenende ondernemer. Hij deed aankopen – boerderijen en grond – onder Zevenbergen, Dinteloord, Gastel, Hoeven, Steenbergen, Zwaluwe, Made en Geertruidenberg. Op Overflakkee liet hij gorzen bedijken. En ook voor het inpolderen van gorzen en grienden in de Biesbosch werd eind negentiende eeuw van de staat toestemming gekregen. Hij exploiteerde een cichoreifabriek in Ossendrecht, had aandelen in meestoven verspreid over Brabant en Zeeland en stichtte in 1854 een steenfabriek in Woensdrecht en in 1867 een suikerfabriek in Geertruidenberg.

... en Aymon: besturen vanuit Brussel Louis’ zoon Aymon, die in zijn jonge jaren in Antwerpen, Brussel en Leiden studeerde, kopieerde het leefpatroon van zijn vader: Brussel als vaste verblijfplaats en Mattemburgh als buitenverblijf. Op 61 jarige leeftijd besloot hij eindelijk eens een gezin te stichten en stapte in het huwelijksbootje met de 32 jaar jongere Victoria de Bagenrieux uit Aalst (België), die al zes jaar daarna overleed. Aymon hield zich tot in de kleinste details bezig met het beheer van het landgoed en breidde het regelmatig uit, onder meer met boerderij Hildernisse in 1909. Hij en zijn daar geboren dochter Marie-Louise (19051967) bleven in Brussel wonen, maar konden tijdens de Eerste Wereldoorlog (1914-’18) gelukkig uitwijken naar Mattemburgh in het neutrale Nederland. Mede door het opkopen van failliete boerenbedrijven in de jaren ’30, was het landgoed bij zijn dood in 1939 uitgegroeid tot ruim 300 hectare.

Een beetje landgoed heeft ‘body’ nodig Alvorens het verhaal voort te zetten met de laatste telg uit dit geslacht (in rechte lijn althans), Marie-Louise,

21


br aban ts e w al

eerst iets over de verdere aanleg van het landgoed, die in ruimte en tijd continu doorging. Bodemonderzoek wijst uit dat het landschapspark de vruchtbaarste ondergrond kent, in vaktermen zwarte enkeerdgrond, wat wijst op een langdurig agrarisch gebruik in het verleden en ophoging door het opbrengen van plaggen en mest. Eenmaal het landschapspark voltooid, werd van 1858 tot 1874

Mattemburgh

22

gewerkt aan de moestuin, met een ommuring, broeibakken en een onverwarmde en verwarmde kas. Bij de herbouw van de laatste in 1878 werd het glas geleverd door een Antwerpse firma, het ijzer door een Brusselse, terwijl het plantmateriaal afkomstig was van Schoten en Gent. Dit illustreert nogmaals hoe Belgisch de familie Cuypers georiënteerd was: zo niet halve, dan waren het inmiddels toch hele Belgen geworden. Aan de zuidmuur verrees een oranjerie (1874), die diende als winterverblijf voor de kuipplanten in de Formele Tuin, het laatste parkonderdeel. Maar voor een beetje landgoed zijn een landhuis met aangrenzend park niet genoeg. Dat wil als een buitenste schil omringende landbouwgronden en bossen, die door middel van wegen en paden verbonden zijn met het centrum. Zo verging het op een haast vanzelfsprekende manier ook Mattemburgh, waarvoor we terug moeten naar ‘aartsvader’ Petrus Josephus. Die had van 1823 tot 1840 een financieel zeer interessante bijbaan als lid van een staatscommissie, belast met de verkoop van overtollige, minder nuttig geachte gronden van het rijk (‘domeinen’). Dankzij voorkennis kon hij veel van deze woeste gronden voor een prikkie kopen, met name heidegronden ten oosten van de Antwerpse straatweg, welke hij liet inzaaien met dennen. Na het opheffen van genoemde commissie deed hij een beroep op een wet uit 1840, die voorzag in belastingvoordelen voor ontginners. Zijn aan-

1935 .


br aban ts e w al

gifte betrof het ontginnen van heide en droogleggen van binnenwaterplassen met visserij. Langs deze weg konden zijn nazaten van 1845 tot 1865 een grote oppervlakte heide en vennen, aansluitend op eerdere ontginningen, bebossen. In dit deel van het landgoed, tegenwoordig aangeduid als het bosreservaat, kwam een rechtlijnige padenstructuur tot stand, met de recht op het landhuis uitkomende Hoofddreef. Gaandeweg verflauwde de aandacht van de Cuypersen voor dit bos. Althans, er werd geen beheer meer gevoerd. De Bergense natuurvorser en leraar biologie Jan Sloff schreef over het decennia achterwege blijven van bosbeheer in 1969: Mag het bos bewesten de straatweg nog min of meer onderhouden zijn, beoosten de straatweg is dat allerminst het geval. Daar groeien grove dennen in dicht bestand. De vroegere eigenaar de heer Cuypers liet de bomen maar groeien of vallen zoals dat ging. Gekapt werd er niet noemenswaard, gedund nooit. In de jaren dat ik in Bergen op Zoom woon, dat is vanaf 1920, heb ik eigenlijk niet gemerkt, dat het bos wat gegroeid is. Wel is het dichter geworden. Hier en daar staan tussen de grove dennen ook wat zeedennen die in westelijk Noord Brabant nogal eens als opslag voor komen. Zowel in dit bos als langs de Dubbele Dreef groeien in gunstige jaren heel wat paddestoelen. Ten gevolge van oorlogshandelingen in ’40-’44 rond het aanliggende vliegveld Woensdrecht raakten de bomen besmet met kogels en granaatscherven. Exploitatie werd hierdoor nog minder interessant. Toen Brabants Landschap het landgoed in 1970 kocht, besloot zij dit deel ter grootte van 150 hectare als strikt bosreservaat in te richten, wat het in

Jaren ’20/’30.

feite al 85 jaar was. Bomen vallen om en mogen blijven liggen of sterven anders staande, ‘in het harnas’. Op het grote aandeel dood hout reageren flora en fauna uitbundig. Het betekent een schuilplaats en voedselbron voor insecten en andere ongewervelden, waarop weer amfibieen, vogels en vleermuizen afkomen. De rottingsprocessen worden bespoedigd door varens en paddestoelen. De roep naar een natuurlijk beheerd bos, een beheer van ‘niets doen’, kwam in Nederland pas op gang in de jaren ’80. Sindsdien zijn mondjesmaat verspreid over heel het land kleine bosreservaten ingericht. Een bosreservaat als hier, van een dergelijke ouderdom en oppervlakte, vinden we nergens anders in Nederland.

De schade te boven, maar het geslacht ten einde Marie-Louise, die bij haar vaders dood in 1939 het hele familiebezit erfde, trouwde datzelfde jaar nog met Jacques Pelletier, graaf de Chambure. Deze was geboren in Elsene bij Brussel en op zijn zestiende, bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, als vrijwilliger in het Franse leger gegaan. Daar onderscheidde hij zich zo, dat hij later het Croix de Guerre ontving. Logisch dus dat hij als voormalige oorlogsheld in 1939, bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, wederom dienst nam in het Franse leger. Dat zou hem en zijn vrouw zuur opbreken. De Duitse bezetter beschouwde de Mattemburgh als vijandelijk vermogen en de burgemeester van

23


br aban ts e w al

Mattemburgh

24

Woensdrecht moest het grafelijke echtpaar gelasten om vóór 9 september 1940 de gemeente te verlaten en zich niet meer in gemeenten ten westen van de lijn Oosterhout-Ginneken op te houden. Terwijl zij gedwongen hun intrek namen op hotel-landgoed Anneville onder Ulvenhout, werd villa Mattemburgh betrokken door 15 à 20 Duitse (onder)officieren. Voor de inrichting van 28 barakken in het bos ten oosten van de Antwerpse straatweg werden 5000 bomen gerooid. Ook werden er betonnen schuilkelders gebouwd ter ondersteuning van vliegveld Woensdrecht. Vanaf 1943 werden tankgrachten gegraven en op grote schaal bomen gekapt. Oktober 1944 woedden er op het landgoed en directe omgeving hevige gevechten, soms zelfs man tegen man. De tuinmanswoning en boerderij de Konijnenheining werden volledig verwoest. Theekoepel, bruggen en beelden werden zwaar beschadigd en de schade aan het landhuis werd begroot op f 80.307. Als gevolg van de Franse nationaliteit, die bij huwelijk ook de gravin had verkregen, duurde het tot halverwege de jaren ’50 voor de oorlogsschade werd vergoed. Marie-Louise, vanwege haar kleine gestalte in de streek minzaam ‘het gravinneke’ genoemd, behoorde bij haar overlijden in 1967 tot de meest gefortuneerde inwoners van Brabant. Omdat het echtpaar kinderloos was gebleven, zochten ze naar een instantie die het dierbaar erfgoed in dezelfde geest zou beheren als zijzelf altijd hadden gedaan. In 1970 ging 357 hectare van het landgoed voor f 2.200.000 over naar Brabants Landschap, met daar bovenop de schenking ‘Buitenplaats Mattemburgh’ van 17 hectare, pas te verkrijgen na het overlijden van de graaf, wat in 1982 gebeurde.

Prachtige perken ... Mattemburgh is beroemd om zijn mozaïekperken, bestaande uit in patronen geplante eenjarigen met kleurig blad. Dergelijke perken raakten in Europa eind negentiende eeuw in de mode als gevolg van de import van gekleurde planten uit Amerika. Vooral in Engeland en Frankrijk stak men elkaar de loef af met steeds ingewikkelder (kleuren)patronen. De perken vertoonden allerlei vormen, van cirkels tot slingers en van letters tot wapenborden. Om er goed zicht op te hebben, werden ze dicht bij het huis aangelegd. Niet alleen eenjarigen werden gebruikt maar ook groenblijvende planten, zoals hemelsleutel en huislook, in zogenaamde ‘vetplantperken’. De meest gebruikte perkplanten waren geraniums, verbena’s en pantoffelplantjes, in respectievelijk de kleuren rood, paars en geel. Door voortdurend te kruisen ontstonden ontelbare variëteiten. Om al die perken te kunnen vullen, waren honderden, soms duizenden plantjes nodig, die doorgaans op de buitenplaats zelf uit zaad werden opgekweekt. Het aanleggen en onderhouden van deze perken betekende een enorme verzwaring van het werk van de tuinbaas. Allereerst werd het patroon uitgezet, met stokken en touw. Vervolgens

moest niet alleen worden gezaaid, maar ook verspeend, gestekt, verpot, bewaterd en luisvrij gehouden. En om ze allemaal op dezelfde hoogte te houden, moesten de plantjes ook nog eens worden bijgesnoeid. Omdat ze overbodig waren en zelfs disharmonieerden, werden de bloemen eruit genepen. Vanaf de jaren ’50 raakten mozaïekperken in ons land uit de mode, maar binnen de afgesloten gemeenschap van Mattemburgh bleef men, ook letterlijk, aan de oude patronen vasthouden. Meest in het oog springend op dit landgoed is een perk in achtkantige tulbandvorm met een diameter van 6 meter: het ‘Fürst Pückler-bed’, genoemd naar de Duitse vorst Hermann von Pückler Muskau die er als een van de eersten mee experimenteerde. Er wordt nog altijd eigen materiaal voor gebruikt, dat stamt uit de negentiende eeuw. Ieder voorjaar wordt het bed opnieuw, volgens een nieuw patroon, uitgezet met 5 à 6000 plantjes. In de jaren ’50 waren er nog vijf van dergelijke ‘taarten’ over in Nederland, nu rest alleen nog die van Mattemburgh. Ook de laatste ‘bed-opmaker’, Dirk Vos van 85, is nog springlevend. Onderstaand een verslag van een interview met hem eind september 2011.

... verbloemen feodale verhoudingen Zijn levensverhaal is een belangrijke getuigenis van feodale (arbeids)verhoudingen diep in de twintigste eeuw. De gravin moet een werkgeefster zijn geweest van het type negentiende eeuw. Hij kon totaal niet met haar opschieten. In 1954 solliciteerde hij naar een functie als tuinman. Het begin van een gelukkig leven met veel kommer en kwel. Het was heel hard werken voor weinig geld. Mijn familie en vrienden verklaarden me voor gek. Ik had natuurlijk ook van baan kunnen veranderen, maar de liefde voor het vak en deze tuinen wonnen het altijd weer. Ik heb er meer van genoten dan zijzelf, de gravin en haar man, deden. Dat hield me op de been. Dirk begon voor f 35 in de week, waar na twee jaar f 5 bij kwam. Weer vier jaar later verdiende hij nog altijd maar f 40, terwijl iedereen al op f 60 zat. Ik vroeg er 10 bij. De gravin liet het de notaris uitzoeken. Ik moest in de mooie kamer komen. De papieren lagen op tafel. De gevraagde opslag werd geweigerd, alles zou volgens de cao zijn. Woedend veegde Vos de papieren van tafel en riep dat hij van papier niet kon leven. Hij kreeg op staande voet ontslag en moest zes weken lang, midden in de winter, door familie worden onderhouden. De bakker en de kruidenier gaven hem krediet. Daarna trok hij in bij zijn ouders in Genderen en ging in de fabriek werken. Na 10 maanden vroeg de gravin hem terug. Ze had in die tussentijd 13 tuinmannen versleten en zijn looneisen werden nu wel ingewilligd. Hij begon ’s morgens om 7 uur en ging ’s avonds om 6 uur naar huis. ’s Morgens zat ze achter het luikje te koekeloeren of ik wel op tijd kwam en tegen de tijd dat ik naar huis mocht, hield ze me op met loze praatjes. Er was een uur schafttijd en hier en daar een kwartier voor de koffie. Zaterdagmorgen moest je uiteraard ook werken. En dan was hij naast tuinman ook nog eens loodgieter, Rechtsonder: Grafische voorstelling (1879) van het ‘Fürst Pücklerbed’ van bovenaf en ‘en face’. Bovenaan de pagina is deze koningin onder de bloemperken in zijn huidige staat te bewonderen.


br aban ts e w al


br aban ts e w al

Mattemburgh

26

metselaar, schilder, behanger en klusjesman. Hij deed gewoon alles. Zijn hele gereedschap bestond uit een schop, hark en kruiwagen. De leilinden die tapsgewijs naar de oranjerie leiden, moest hij van de gravin met een snoeischaartje knippen om de blaadjes niet te beschadigen. Als de laurierboompjes last hadden van schildluis, moest hij op een trapje met een tandenborstel en een sopje de blaadjes afsponzen, want spuiten was uit den boze. Het mocht van de graaf en gravin allemaal geen geld kosten. Als ik een nieuwe hark nodig had, inspecteerde ze eerst de oude. En die had ik zelf al in elkaar gezet van een stuk hout en lange spijkers.

Is rijk zijn wel fijn? In dienst zijn bij de gravin betekende een leven van hard werken, slecht betaald worden en weinig waardering. Het besproeien van de tuin, moestuin en kas gebeurde allemaal met een gieter. De drukste tijd van het jaar was van november tot half januari met het verzamelen van bladeren uit het park. Dat was een gigantisch karwei in een tijd dat er nog geen bladblazers bestonden. Het blad werd in de broeibakken gegooid, waar in het voorjaar paardenmest overheen ging. Daarover kwam een laagje aarde en na 14 dagen broeien had je uitstekende potgrond voor de sierperken. Want die gingen bij Dirk voor alles. Het echtpaar ging ieder voorjaar 14 dagen op vakantie naar Frankrijk. Dan moest ik wel eerst het Fürst Pückler-bed in orde hebben. Op een keer viel de lente zo schraal uit, dat ik veertien dagen aan een stuk heb moeten begieten. Bij terugkomst was mevrouws enige opmerking dat één van de 6000 plantjes was gesneuveld. Had ik toen een geweer gehad, dan had ik op haar geschoten. De opbrengsten van de moestuin waren enorm, maar de enigen die er van aten waren de graaf en gravin. En van de jachtpartijen heeft Dirk noch een andere werknemer ooit een stukje wild mee naar huis gekregen. En dan te weten dat er in zijn beginperiode partijen werden gehouden met tableaux van 300 à 400 stuks wild, bestaande uit konijnen, hazen, fazanten en duiven. Tot aan het einde van zijn dienstverband werd er gemiddeld 3 à 4 keer per jaar een jachtpartij gehouden met gemiddeld 8 jagers en 20 drijvers. De genodigden waren allemaal Belgische heren die onderling Frans spraken. Na afloop werden de jagers in de jachtkamer vergast op oesters, terwijl de drijvers in de fazantenkooi mosselen kregen. Zo ongevoelig als ‘het gravinneke’ voor mensen was, zo diep was haar genegenheid voor dieren. Ik hakte wakken in het ijs en moest er ook nog de brokken ijs uithalen, zodat de arme zwanen er zich niet aan zouden verwonden. Daar was je uren mee bezig, geen pretje in de vrieskou. Iedere dag een ren aanharken voor zes honden was ook geen pretje. Mollen, de pest voor ieder gazon, mocht ik niet vangen, wat ik stiekem toch deed. Een muizennest dat ik een keer vond in de moestuin mocht ik niet vernietigen. Met de fles heeft ze de muisjes groot gebracht. Toen de gravin in 1967 werd afgevoerd naar het ziekenhuis in Brussel, waar ze kwam te overlijden, waren haar laatste woorden tot mij: ‘Dirk, zorg goed voor de planten.’ Bij haar dood bleek ze over een vermogen van f 100

miljoen te beschikken en onnoemelijk veel grond met daarop 350 pachters. Je mag je afvragen of deze rijkdom het echtpaar gelukkig heeft gemaakt. De graaf en gravin hadden ieder hun eigen kantoor, waarin ze de hele dag zaten te schrijven en te typen. Ze voerden rechtszaken over hun grondbezittingen. Verspreid over Zeeland en West Brabant hielden ze speciale ‘zitdagen’, waarop de boeren de pacht kwamen betalen, contant en tot op de cent. Als pachters langs kwamen, liepen ze al op straat met de pet in de hand. In het voorgaande verhaal over Mattemburgh kwamen regelmatig de verschillende parkonderdelen ter sprake. Omdat de hierin vertegenwoordigde stijlen op weinig andere plekken in Brabant zo fraai tot ontwikkeling kwamen, verdienen ze een nadere toelichting.

De Engelse Landschapsstijl Hoewel slechts 17 hectare groot, kent de tuin een grote afwisseling en een hoge belevingswaarde. Er bestaat een sterk visuele relatie met de omringende bossen en cultuurgronden: het loopt er naadloos in over, vloekt er niet mee en zoekt geen tegenstelling. Juist op de plaats van het park is sprake van een overgang van een hoog bosgebied naar een laag schorrengebied, met een hoogteverschil van zo’n 12 meter. Daar heeft de ontwerper dankbaar gebruik van gemaakt. Zoals in landschapsparken gebruikelijk, is ingespeeld op een grazig en weids beekdallandschap. In een groot gazon staan verspreid groepjes bomen en solitaire exemplaren van uiteenlopende soorten, in een speelse, natuurlijk aandoende setting. Hoewel aangelegd, streeft de Engelse stijl ernaar zo natuurlijk mogelijk over te komen, alsof er geen mensenhand aan te pas is gekomen. In het midden wordt het gazon doorsneden door een als een beek meanderende vijver. Die illusie wordt hoog gehouden door het beginen eindpunt van de vijver te camoufleren met rododendronbosjes. De kronkelende paden door de tuin bieden steeds wisselende beelden en verrassende doorkijkjes. Na een rondgang heeft men het idee dat men door een veel groter gebied heeft gelopen dan men in wezen deed. Het open beekdal van de Blaffert wordt omzoomd door golvende bosranden, waarin rode beuk en tamme kastanje opvallen. In de Landschapsstijl is ook ruimte voor exotische elementen. Zo liggen over de vijver twee bruggetjes, het Chinese bruggetje en een bruggetje dat geheel is opgebouwd uit rotsblokken. Aan de westkant van de vijver is, met materiaal dat vrijkwam bij het uitdiepen ervan, een kunstmatige heuvel opgeworpen (11 m +nap), waarop een wit theehuis staat. Vanuit ieder raampje vertrekt een zichtas, één naar het voormalige schorrengebied, twee richting Blaffert en twee lopen dood in het bos. Sinds 1995 wordt het gazon aan de voet van de theekoepel weer als hooiland beheerd, waardoor het rijker is geworden aan wilde planten. Afgaande op foto’s uit het begin van de twintigste eeuw betekent


br aban ts e w al

27

Zichtassen vanuit de theekoepel.

Dirk Vos.

Marie-Louise op de arm van haar moeder, circa 1906.


br aban ts e w al

Mattemburgh

28

Het uitgraven van de oude loop van de Blaffert.

dit herstel van een oude traditie. Onder het theehuis bevindt zich een ijskelder. Op bijna ieder landgoed vinden we er wel een. In de tijd dat er nog geen koelen ijskasten bestonden, vervulden ijskelders een belangrijke koelingsfunctie. Blokken ijs, afkomstig van de vijver, werden er in opgeslagen. Gedurende de lente en zomer smolten deze slechts zeer langzaam af. Door metselwerk en dikke aarden wanden geïsoleerd, drong de hoger wordende buitentemperatuur hier slechts langzaam door, waardoor er levensmiddelen konden worden gekoeld.

De Formele Stijl Deze zoekt juist de tegenstelling met de natuurlijke omgeving en zweert bij geometrische figuren en lijnen. De grilligheid van de natuur wordt ondergeschikt gemaakt aan de zelfverzekerde mens. De stijl is recht toe, recht aan, haast wiskundig van opzet. Rechthoek en cirkel gelden als basiseenheid. Composities van strak opgezette compartimenten van boomrijen, geschoren hagen, bloemperken, gazons en tuinsieraden zijn het gevolg. De filosofie achter deze stijl is te laten zien dat de mens controle heeft over de natuur. Streeft de Engelse Stijl naar harmonie, samenwerking, kortom integratie, dan streeft de Formele Stijl veel meer naar segregatie, sturing: heggen en bomen worden lineair aangeplant – ‘in het gelid opgesteld’ – en minutieus recht geschoren. Ook van deze stijl vinden we voorbeelden op Mattemburgh. Tot 2005 vormde de oranjerie het winterverblijf voor de oranjeboompjes en andere kuipplanten als citrus, agave, laurier, granaatappel en mimosa, die ’s zomers langs de paden van het Formele tuindeel staan opgesteld. Tegenwoordig vervult de oranjerie een hore-

cafunctie en verhuizen de kuipplanten noodgedwongen naar elders. Aan dit omslachtige gesjouw kan een einde komen wanneer er toestemming komt voor de bouw van een nieuw onderkomen op het landgoed zelf.

Erfgoed krijg je niet zo maar De schenking van het 17 hectare grote park met landhuis was weliswaar een genereus gebaar van het kinderloze paar, maar zadelde Brabants Landschap tevens op met een zware taak. Die zij overigens graag op zich neemt, want als erfgoedinstelling is dat bijna een morele plicht. Zij gaf ‘SB4, Bureau voor Historische Tuinen, Parken en Landschappen’ de opdracht een toekomstvisie te maken. Die kwamen in een rapport uit 2010 tot de conclusie dat een dergelijke fraaie en volledige presentatie van een eind negentiende-eeuwse buitenplaats verder niet meer gevonden wordt in Nederland. Na de restauratie van de villa september 2011, zijn nu verschillende onderdelen van het park dringend aan revisie toe. De meeste zorg baart de vijverpartij die, ten gevolge van de enorme grondwaterstandsdaling op de Brabantse Wal, te weinig water ontvangt. Terwijl binnen de esthetica van een landschapspark voldoende zichtbaar water (van bovendien goede kwaliteit) een absolute vereiste is voor een goede ruimtelijke en spiegelende werking. Om dit te bereiken moet de vijver worden opengehouden en van een leemlaag voorzien. Vooruitlopend hierop vond in 2011 natuurontwikkeling plaats die de Blaffert weer watervoerend maakte. Voor de moestuin wordt gezocht naar oude, ziektebestendige rassen waarvan we uit historische bronnen weten dat ze op Mattemburgh gestaan hebben, zoals vijgepeer, dubbele jut, blauwe wijnpruim, witte eierpruim en reine hortense.


br aban ts e w al

De Blaffert moet weer blaffen Vanuit het dal van de Blaffert heb je vrij zicht op ‘het Scheld’, de voormalige Oosterschelde, nu het Markiezaatsmeer. Hoewel al sinds 1972 in eigendom, kon Brabants Landschap de gronden in het dal pas in 2007 uit de pacht – en dus in eigen beheer – nemen. De oorsprong van de Blaffert ligt – eigenlijk lag – in het bosreservaat ten oosten van de Antwerpse straatweg. Tot ver in de twintigste eeuw trad in het dal nog kwel uit, afkomstig van de Brabantse Wal. Zoals gezegd werden de beek en haar dal eind negentiende eeuw betrokken bij het ontwerp van de stijltuin met vijver, welke laatste werd gevoed door Blaffertwater. De meanderende vijver stroomde als het ware met de beek mee. Omdat de Blaffert was vervallen tot niet veel meer dan een droge greppel, is de oude loop uitgegraven naar de situatie van omstreeks 1900. Door middel van drempels wordt het afstromende water nu langer vastgehouden. En nadat plaatselijk de voedselrijke bodemlaag was verwijderd, ontstond een uitgangssituatie voor bloemrijk grasland. Dit fraaie staaltje van natuurontwikkeling kan alleen op duurzaam succes rekenen, als de grootschalige waterwinning op de Brabantse Wal drastisch wordt gereduceerd. En niet steeds wordt uitgesteld, ondanks allerlei bestuurlijke beloften. Dan kan in afgegraven delen aan de beek en daarop uitkomende sloten zelfs weer dotterbloemgrasland tot ontwikkeling komen.

Het weidse beekdal, dat een duidelijk landgoedkarakter draagt, is een ideaal ‘laveergebied’ voor reeën.

29


Tussen Roosendaal en Breda Turf was hier de smurf

68

in deze omgeving werd het veen veel eerder vergraven dan in de veel bekendere Peel in Oost Brabant. Men begon in 1400 en omstreeks 1750 was alles al op. Voor het transport naar de steden werden turfvaarten gegraven, de voornaamste was de ‘Turfvaart’ uit 1620 naar Breda. De turf ging er heen als brandstof voor huishoudens en brouwerijen. Omdat mensen ook toen al erg economisch waren ingesteld, keerden de schepen naar de te vervenen gebieden terug met stadsmest. Dan kon gelijk een begin worden gemaakt met de ontginning van de heidevelden die na verwijdering van het veen achterbleven. Het oudste landgoed, De Moeren, is een stichting van de ‘buitenburgemeester’ van Breda, een bevoorrechte positie omdat hij erover ging wie mocht vervenen. Vanwege de voor die tijd geïsoleerde ligging – 13 tot 23 km van Breda – hebben

14. Visdonk 15. Jachthuis Schijf 16. De Moeren 17. Oude Buissche Heide 18. Pannenhoef 19. Wallsteijn 20. Abdij Maria Toevlucht

14 18 20

15

16 17 19


deze landgoederen het lang moeten stellen zonder centraal gebouw, waarmee je een landgoed intuïtief toch associeert. Zelfs de herenkamers (logiesverblijven) bij boerderijen ontbraken. De eigenaren hadden gewoon geen zin in een moeizame reis over de spaarzame, slecht begaanbare wegen. Maar de aanleg van de Napoleonsweg van Antwerpen (over Zundert) naar Breda bracht verlichting. De landschappelijke inrichting van deze turflandgoederen is veel rationeler – meer recht toe recht aan – dan die van de speelse landgoederen (direct) rond Breda, Bergen op Zoom en Vught. Dit heeft te maken met de meer schrale, eenzijdige en onvruchtbare ondergrond. Uit de aard der zaak sluit een frivole landgoedaanleg namelijk eerder aan bij een afwisselende bodemsamenstelling, zoals in en aan beekdalen. De landgoederen hier deden er dus langer dan elders over om te rijpen, maar dat is ze op een gegeven moment toch gelukt. Naast ontginning tot landbouwgrond en bos was men zo goed enkele heiderestanten te sparen. Dat was uiteraard bedoeld voor de jacht – hoe afwisselender een gebied hoe rijker aan wild – maar esthetica zal er ook niet vreemd aan zijn geweest. Want uit de geschriften van de latere generaties landgoedeigenaren blijkt een grote zin voor schoonheid en zelfs spiritualiteit. Op drie landgoederen verrezen op verhogingen ‘koepeltjes’, vanwaar men van een weids uitzicht (over heide) genoot, en in goed gezelschap er op los mijmerde. De religieus-socialiste Henriëtte Roland-Holst noemde haar koepel het ‘Graf van Rousseau’. Ze dweepte met deze achttiende-eeuwse Franse filosoof en schreef een biografie over hem, waarvoor ze in 1912 zelfs afreisde naar zijn voormalige ballingsoord Genève. En om in buitenlandse sferen te blijven: de heide waarop de koepel uitzicht bood noemde ze de ‘Rivièra’. Zonder fantasie vaart niemand wel. Deze ‘dode hoek’ van Brabant kwam erdoor tot leven.

69


Pannenhoef ... Blijft lokken

brabants landschap

674 hectare

vrij toegankelijk

84

E

Gazellig ontginnen

e n o ude re naam voor dit gebied is Arendsberg, welke afkomstig zou kunnen zijn van Willem van der Marck, die het gebied tot 1460 in bezit had en erfzoon was van de heren van Arenberg. De naam zou ook een afleiding kunnen zijn van ‘aardenberg’, analoog aan ‘zavel’- of ‘savelsberg’. Zoals eerder vermeld onder De Moeren, is de Pannenhoef voortgekomen uit een excentrisch gelegen ontginning van de familie Snellen (later Van der Hoeven) en kan het dus worden beschouwd als een afscheiding van eerdergenoemd landgoed. Met de ontginning werd een begin gemaakt rond 1800. De eerste beplantingen met naaldhout waren omstreeks 1810. Rond 1840 werd de Pannenhoef gesticht, waarschijnlijk als schapenboerderij. Een met pannen belegd dak was in die tijd bijzonder. Eind negentiende eeuw kwam het gebied in handen van de Bredase bankier Van de Meer, die in 1889 Jan Adriaensen aanstelde als bosbaas. Na het landgoed eerst nog door aankoop te hebben uitgebreid, moest hij het in 1891, uit financiële nood gedreven, alweer doorverkopen. De nieuwe eigenaar, de Leidense meelfabrikant De Koster, besteedde het beheer, vooral neerkomend op bebossing, uit aan de Heidemij.

De bodem werd eerst met behulp van ossen beploegd tot een diepte van 40 cm, wat veel opzien baarde in de streek. Daarna werd lupine ingezaaid en bemest met 800 kg slakkenmeel en 400 kg kaïniet per hectare. Pas na deze ‘lupinevoorbouw’ werd de grond geschikt geacht voor beplanting met grove den. De kosten van de lupinevoorbouw werden goedgemaakt door ‘landbouwvoorbouw’, bestaande uit één of meerdere jaren rogge en daarna haver. Tenslotte werden de betere gronden duurzaam omgezet in cultuurland en de mindere in bos. Het bosbeheer was gericht op de productie van mijnhout. Twee generaties later ging het landgoed door huwelijk over in handen van de familie De Mooy, houthandelaren. Ze lieten in 1916 de ‘Zwarte Schuur’ bouwen. Adriaensen, die in 1939 zijn vijftigjarig dienstverband vierde, woonde in het bakhuisje ernaast. Vanwege de lage houtprijzen werd het landgoed in 1923 van de hand gedaan. Het ging naar Willem Kölling, stichter van de N.V. Gazelle Rijwielfabriek te Dieren, die het landgoed op zijn beurt verder uitbreidde. Om er met zijn gezin de vakantie te kunnen doorbrengen, liet Kölling in 1925 in het centrum onder architectuur van de Heidemij villa De Arendsberg bouwen. Omdat het steeds moeilijker werd


85

Dit landgoed is mede door de vele – terug tot leven geroepen – vennen een druk bezocht recreatiegebied. Voor het ‘sturen’ van de bezoekers zijn bruggetjes, vlonders (links) en vogelkijkhutten aangelegd.


r o o s en d aal – br ed a

Pannenhoef

86

de jonge ontginningen verpacht te krijgen aan boeren in de streek – de Pannenhoef lag nogal geïsoleerd – werd besloten landbouwers naar het gebied toe te lokken door eigen boerderijen te stichten. In 1936 werd De Hooiberg gebouwd, in 1937 De Hazemeiren en in 1938 De Riggen. In 1940 werd Huize de Pannenhoef gebouwd als gastenverblijf annex beheerderswoning. Het werd door de Duitsers meteen gevorderd als hoofdkwartier.

De Lokker: Een kweekvijver? De vroegste vermelding van ‘de Lokker’ of Lockaert vinden we in ‘Beschrijvingh van Rijsbergen’ van Johan Gommers uit 1909. De naam komt van ‘lokke’, zowel de streeknaam voor veenpluis als de aanduiding voor een taaie laag in het veen, gevormd door fossiel veenpluis. De oppervlakte van dit ven wordt in genoemd werk opgegeven als 120 hectare, waarvan 43 hectare onder Rijsbergen en de rest onder de gemeenten Rucphen en Sprundel. Wat een groot ven! Bedoelde men hiermee enkel de oppervlakte water of telde men ook het moerasland eromheen mee? Dat wordt uit de tekst niet duidelijk. De opmerking dat de Lokker algemeen bekend stond als zeer vischrijk doet echter wat bellen rinkelen. Onaangetaste heidevennen zijn doorgaans voedselarm en bijgevolg kan er nooit veel vis in hebben gezeten. Wanneer langs natuurlijke weg kalkrijke kwel uittrad, kan dit de groei van bepaalde planten hebben bevorderd, maar het ven toch nooit echt visrijk hebben gemaakt. Het lijkt er op dat de Lokker, zoals zoveel andere ven-

nen in Brabant, al in een vroeg stadium door menselijk toedoen was verrijkt. Dergelijke vennen kregen het karakter van ‘kweekvijvers’. Dat gebeurde door er beken of slootjes naar toe te leiden met daarin meststoffen. De Lokker zal ook toen al voor een deel door moeras- en rietland zijn omgeven. De verrijking was niet dermate dat het héle ven er onder ‘leed’. In delen van de Lokker bleven planten van voedselarme milieus stand houden. En hoe.

Een botanisch eldorado Op 20 augustus 1923 maakt ene Charles Behrens met zijn vriendjes, allen lid van de ‘Nederlandsche Jeugdbond voor Natuurstudie’ (njn), een verkenningstocht naar de Lokker. Hij doet daarvan verslag in het orgaan van die bond, ‘Amoeba’. De ondernemende jongeling voelt zich een ware ontdekkingsreiziger. Met een gerust hart kan ik zeggen, dat ik de eerste n.j.n.-er ben, die de Lokkert bezocht, maar hij ligt ook zoo ver van de bewoonde wereld af, dat het makkelijk te begrijpen is. Hij betitelt de Lokker als een groot veenmoeras. Elders in het artikel spreekt hij van een groot open ven, omgeven door een brede riet- en biezenzoom, en het geheel omringd door een open, boomloze heide. Een kruip- en sluiptocht naar planten voert de koene knapen langs klokjesgentiaan, tormentil, gagel en heele complexen Beenbreek, een echte veenplant. Dichter naar het meertje toe wordt de grond zo drassig dat schoenen en kousen op een hoge zeggenpol worden achtergelaten. Wadend gaat de zoektocht verder. Heele stukken veen


roo s en d aal – br ed a

87

Links: De in onbruik geraakte Turfvaart. Boven: ‘Moeras’, Pen- en inkttekening van Vincent van Gogh uit zijn Ettense periode, 1881.

zijn bedekt met de glanzend groene blaadjes van de Waternavel (Hydrocotile vulgaris). Drie jaar later, in 1926, slaat een andere njn-er, Rien Donk, zijn tent op aan de rand van de Lokker. In ‘Amoeba’ wordt wederom verslag gedaan. Om het ven te ronden, hebben hij en zijn vriendjes ruim drie uur nodig, maar de beloning is er dan ook naar. Ook deze njn-ers spreken van een veenzone rond het ven. In het open water ontwaren ze waterlobelia, de veenmosbulten hebben weer andere verrassingen in petto. Een eindje verder op zien we een pol veenmos met twee licht groene Malaxissen [= veenmosorchis], fijne orchideetjes, verwant aan Sturmia. Andere bulten geven onderdak aan groot en klein blaasjeskruid en klein glidkruid. De jongens zijn diep onder de indruk van de uitgestrektheid van het terrein en van de bloemenpracht die zij er aantreffen. Zij doen een oproep: We hadden er geen idee van gehad, dat ’t terrein zóó uitgestrekt was. Een plek die in de allereerste plaats in aanmerking komt voor natuurbescherming. De streek is in handen van diverse eigenaars die ‘m zooveel mogelijk gaan cultiveeren. Nog is ’t tijd, om in te grijpen.

Oord van plezier of poel des verderfs? De Lokker was in de jaren ’30 een wijd en zijd bekend recreatiegebied. De mensen kwamen van veraf gelegen dorpen aanfietsen naar dit grote en ondiepe ven. Je kon er vissen en ’s winters schaatsen. Maar het was vooral de enige plek in West Brabant waar je gemengd kon zwemmen: jongens en meisjes samen, wauw! Aan de noordzijde lag een cafeetje waar je roeiboten kon huren. Het was van de gebroeders Kamps, afkomstig uit Dordrecht, die in de Eerste Wereldoorlog als schippers flink geld hadden verdiend door voor de Duitsers te varen. Ze kochten een boerderij nabij de Lokkerberg met wat kippen, varkens en koeien. Ze hadden echter geen verstand van het boerenbedrijf en begonnen dan maar een handeltje in van alles en nog wat. Op een gegeven moment kwamen ze op het lumineuze idee een uitspanning te beginnen aan het ven. Op zomerse dagen kwamen er wel 150 recreanten, die na het watersporten neerzegen op het terras of binnen een biertje dronken. Voor velen was het een heerlijk zomers uitje, want de mensen gingen nog nauwelijks op vakantie. Overal in West Brabant en zelfs daarbuiten hingen affiches met de volgende tekst:


r o o s en d aal – br ed a

Pannenhoef

88

Lokker Wilt gij genieten van alle watersport Gaat dan naar Café de Lokker Prachtig groot mooi ven midden in de heide Nabij bosschen iets voor Natuurliefhebbers Roeien 10 cent per uur per persoon Cano’s 15 cent per uur per persoon Beslist ongevaarlijk Gratis Speeltuin, Kampeerterrein 10 cent Per dag per persoon Rijwielstalling 5 cent Gezellig zitje op onze terrassen Billijke Consumptie Nette Bediening Wordt ook Belgisch geld aangenomen Te bereiken over Sprundel of Rijsbergen, aangegeven door paddestoelen van a.n.w.b. Auto’s alleen over Sprundel. Aanbevelend Gebr. Kamps Lokker Sprundel (N. Brabant) Een Vogelparadijs De dreigende drooglegging liet de toenmalige natuurbescherming niet koud. Een verontruste Bredanaar trok aan de bel en riep de hulp in van Natuurmonumenten. M.J.A E. Bannier Breda 1 Juli 1934 Parkstraat 7 Aan de Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland te Amsterdam Dezer dagen kwam mij het gerucht ter oore, dat ik niet nader heb kunnen verifiëren, dat ‘de Lokker’, een groot ven gelegen z-w van Rijsbergen, grenzende aan het landgoed Arendsburg, beter bekend onder de naam ‘Pannenhoef, Ganger en Hazemeren’, tevens begrensd door de Turfvaart en Bijloop, als werkverschaffingsobject Recreatie op en rond de Lokker omstreeks 1935.

werd beschouwd en zou worden drooggelegd. Dit geheele complex is inderdaad een schitterend natuurmonument; mooie bosschen en dreven, met akkers en heidestruiken behoorende tot het landgoed, vlak daaraan grenzende de twee stroompjes en het ven met welige plantengroei eromheen, westelijk ervan loopt het terrein op en is de helling gedeeltelijk begroeid met heide en hier en daar een akker. De laatste paar jaar is het ven gebruikt als zwembad, hetgeen door de zeer conservatieve plattelandsche autoriteiten met leede oogen wordt aangezien. De lust tot droogleggen zal dan ook haar oorzaak, zeer zeker voor een groot deel, vinden in deze mentaliteit. Het zou eene groote verarming van het landschap beteekenen, indien dit onzalige plan uitgevoerd mocht worden en als het mogelijk zoude zijn niet alleen het ven, maar ook eenige omliggende perceelen te bewaren, dan zou het weer een vogelparadijs worden, zooals het vroeger – 20 jaar geleden [= 1914] – geweest is, hetgeen ik uit eigen ervaring weet, want hier vonden wij een buit van een honderd eieren van steltloopers en watervogels op een middag zoeken, dus hoogstens gedurende een paar uur, niets bijzonders. Ik meende u een en ander te moeten melden. Kan ik nadere bevestiging van het gerucht verkrijgen, dan zal ik u dit alsnog mededeelen. (s.v.p. na lezing retour aan mr. P.G. v. Tienhoven) ‘Steltlopers en watervogels’ klinkt wat vaag, maar aannemelijk is dat kievit, grutto en wulp daar bij zaten.

... het mocht niet zo blijven Onder druk van boeren, die uit waren op land, en de pastoor van Sprundel, die de Lokker een losbandig oord en poel des verderfs vond – men had lol, dat kon toch niet – werd het lot van de Lokker bezegeld. Oude Sprundelnaren weten zich nog te herinneren hoe ze thuis een standje kregen als ze er waren gesignaleerd en hun naam ’s zondags door meneer pastoor van de kansel was afgelezen. Door het beekje de Bijloop te vergraven, lees te verbreden en te verdiepen, liep het ven vanaf 1938 langzaam leeg. De grondwaterstandsdaling zorgde ervoor dat de omgeving van het ven gemakkelijker kon worden ontgonnen. Het verdroogde ven zelf veranderde door inspoeling van voedselrijk landbouwwater geleidelijk in


De Lokker en de Flesch – het is wel duidelijk waaraan dit ven zijn naam ontleent – nog in hun volle glorie op de topografische kaart uit 1899.

een moerasbos en rietveld. In het bedrijfsplan uit 1942 van de Heidemij voor de eerstvolgende 10 jaar wordt melding gemaakt van 35 hectare die al was ontgonnen en wordt het voornemen uitgesproken 25 hectare in te richten als natuurreservaat, om de herinnering aan den vroegeren toestand voor het nageslacht levendig te houden.

Als een fenix uit zijn as herrezen In 1952, veertien jaar na de drooglegging, was volgens Staatsbosbeheer nog 50 hectare van de Lokker intact. Namens deze instantie deed Mörzer Bruijns onderzoek naar de resterende natuurwaarden. Door daling van de grondwaterstand en vervuiling met ontginningswater was de zeldzame flora dramatisch achteruitgegaan, zo concludeerde deze natuurbeschermer. De vogels hadden duidelijk minder geleden. Kievit, grutto en wulp broedden in 1952 tenminste plaatselijk talrijk in de natte heide. Zomertaling en watersnip broedden er geregeld en het korhoen werd er alom gesignaleerd. De door eutrofiëring (voedselverrijking) tot ontwikkeling gekomen rietkraag had als prettig gevolg de vestiging van roerdomp en bruine kiekendief. Niet Natuurmonumenten in 1934, noch Staatsbosbeheer in 1952, maar Brabants Landschap in 1970 wist de Pannenhoef met de bijhorende Lokker te verwerven. Deze organisatie heeft er eerst decennia werk aan gehad om externe invloeden als vermesting en verdroging uit de Lokker te weren. Daarna kon werk gemaakt worden van intern beheer: het open kappen van moerasbos, maaien van riet en ruigte, afgraven van maïsakkers en terug opengraven van vennen. En zie, een wonder geschiedde: de floristische schatten, in de vooroorlogse tijd bezongen, keerden weer. Op de Pannenhoef zijn van 1995 tot heden 10 in de eerste helft van de twintigste eeuw begraven vennen ‘terug tot leven gewekt’ (en er zit nog meer in het vat). Dit zijn ze: 1. Padvindersven (nooit weggeweest) 2. Schaapsven (’01) 3. Wildertven (’01) 4. De Bak (’98/’99) 5. De Lokker (een ver-moerast ven) 6. Lokkerven-West (’99) 7. Lokkerven-Zuid (’95) 8. Kolkven (’99) 9. Hezemansven (’99) 10. Hazemerenven (’07) 11. De Flesch (’95) 12. Groot Geertven (’09)


Het landgoederenlandschap rond Breda ‘Als gulden al de lanen zijn / Hoe zullen dan de zalen zijn / Van het Hemels Paradijs’ 98

21. De Vloeiweide 22. Klein Zwitserland 23. Huize Hazard 24. Krabbebossen 25. Zoudtland 26. Lindenborg 27. Liesbos 28. Burgst 29. De Hartel 30. Valkenberg 31. Weilust 32. Vrederust 33. IJpelaar 34. Mastbos 35. Kasteel Bouvigne 36. Wolfslaar 37. Blauwe Kamer 38. Anneville 39. Valkenberg 40. Hondsdonk 41. Luchtenburg 42. De Slotjes 43. Oosterheide

de directe omgeving van Breda is nou nog eens een écht landgoederenlandschap. Historisch geograaf Karel Leenders komt in een reconstructie tot het getal van 60, waarvan een deel verdwenen is – letterlijk van de kaart – een ander deel nog slechts fossiel aanwezig is, maar een groter deel nog springlevend overeind staat. Daarvan worden er in dit hoofdstuk 23 behandeld. Voor een belangrijk deel bepalen ze het waardige, rijke en chique karakter van de (directe) omgeving van Breda. De landgoederen waren ruimtelijk zowel op de stad als op elkaar gericht. En dat gold in sociaal opzicht ook voor de landgoedeigenaren. De heren van Breda, de Nassaus, later Oranje-Nassaus, hadden in de stad een kasteel, de huidige kma, met daaraan een tuin, het Valkenberg.


De domeingoederen verder van de stad af, waaronder het Liesbos en Mastbos, zijn op te vatten als een superlandgoed. Ze waren in de eerste plaats van belang voor de jacht. Het wild hieruit vond zijn weg naar het kasteel om de magen van de bewoners en hun talrijke gasten te voeden. Het centrale pad in het Mastbos was het Eeuwigheidslaantje. Bij de aanleg van dreven in het Liesbos in de zeventiende eeuw – het bos werd een soort schaakbord – kwam een op de Grote Kerk van Breda gerichte Torendreef. De overdracht in 1899 naar Staatsbosbeheer heeft het karakter van deze prinselijke landgoederen niet aangetast. Het is de laatste decennia door deze natuurorganisatie zelfs nog versterkt. De heer van Breda had niet alleen een machtige positie in de streek, maar in het hele land en was een bezitter van buitengewone proportie, de anderen waren duidelijk van een mindere orde. Toen het hof van de heer van Breda landelijke betekenis kreeg – dat was al vóór 1500 – trok dat tal van edellieden aan, die voor hun status zowel binnen als buiten de stad een aanzienlijk huis moesten hebben. Uit de buitenhuizen van deze groep ontstonden de eerste particuliere landgoederen als Burgst, Bouvigne en IJpelaar. Tijdens en na de Tachtigjarige Oorlog verdween die groep om vervangen te worden door aanzienlijke burgers en hoge militairen. Hier verliep het proces van landgoedstichting geleidelijk. Men bezat ‘land’ met daaraan verbonden een ‘goed’, een boerderij. Wanneer men eens langs kwam om de boel te inspecteren – was het wel een goede investering? – dan wilde men comfortabel logeren in een aangebouwde herenkamer. Hieruit groeide op den duur een landhuis, zoals op Hondsdonk, Valkenberg en Wolfslaar. Bestond de uitgangssituatie in deze gevallen uit een oudere ontginning, men kon er natuurlijk ook voor kiezen zijn geld te steken in een nieuw ontginning, met een nieuwe boerderij, uiteraard ook hier weer met herenkamer. Naarmate men er over langere perioden verbleef, werd de deftige ruimte vergroot of een apart huis opgetrokken. En met een wat grotere tuin en een oprijlaan was het landgoed al een heel eind op dreef. Om de band met de stad te onderstrepen, werden dreven aangelegd die er als zichtassen op

99


100

waren gericht. Men was de stad weliswaar ‘ontvlucht’, maar wilde er toch innig mee verbonden blijven. Dat was mede om banden van persoonlijke aard, want de nieuwe landgoedeigenaren bleven in wezen stadse figuren. Dat wilden ze laten zien ook. Als herkenningspunt aan de horizon werd in 17 gevallen gekozen voor de bijna 100 meter hoge toren van de Grote Kerk van Breda, in 5 voor de kerktoren van Princenhage, in vier maal 2 die van Bavel, Chaam, Meer en Meerle en in één geval voor die van Rijsbergen. De lage en tussen hoog geboomte verscholen toren van Ginneken was ongeschikt als richtpunt, het klooster van Meerseldreef wel. Dan waren er ook nog torendreven die niet goed uitgemeten waren. Hierbij ging het kennelijk vooral om het idee er een te hebben. Hun onderlinge familie- of vriendschapsbanden onderstreepten de landgoedeigenaren met op elkaar gerichte lanen. Dan was het vanaf de vijftiende eeuw ook nog eens een goed Bredaas gebruik om openbare wegen met bomen te omzomen. En omdat de heer van Breda daarbovenop dreven aanlegde tussen zijn landgoederen en de stad, en de ‘gewone’ landgoedeigenaren naar deze dreven weer oprijlanen, ontspon zich een steeds dichter web aan lanen. En dat allemaal binnen een afstand van 5 km van de (huidige) stadsrand. De hechte band met de stad en elkaar kon landschappelijk niet sterker tot uitdrukking worden gebracht. Dit innige net heeft in belangrijke mate bijgedragen aan de roem van de omgeving van Breda als aangenaam oord. Het chauvinisme van Bredanaars in het algemeen en ‘Ginnekenezen’ in het bijzonder is ergens dan ook wel te begrijpen. Het zit diepgeworteld. Vreemdelingen kenden eerder Breda dan welke andere (Noord-)Brabantse stad, wat mede te danken was aan haar faam als aloude residentie der Oranjes: Om de verrukkelijke gezigten, die bosschen, graanakkers, wei- en hooilanden afwisselend vormen, zetten zich vele vreemdelingen in de Baronie van Breda neder. Rondom de stad lag een menigte moestuinen en de groenten daarin gekweekt werden zeer geprezen. De stadswallen voorzagen als wandelboulevard in een belangrijke recreatieve behoefte. Door de aangename ligging van buitenherbergen werden de stedelingen ook naar buiten gelokt. In Breda en omge-


ving was alles beter. De landbouw was er verder gevorderd, de inwoners waren er welvarender, de huizen en straten smaakvoller en de gemeentehuizen hadden een sierlijker voorkomen. De dorpen waren in hun centrum met keien of klinkers bestraat. Onderwijs en een goede opvoeding waren er algemene zaken, en er bestaat meer lust tot het lezen van goede boeken. Dit alles had Breda te danken aan de ligging aan de belangrijke weg van België naar Holland, die de stad een blik op de wereld gaf. Dagelijks was het langs deze route een komen en gaan van handelaars en andersoortige reizigers. Aan het einde van de negentiende eeuw begon zich in Nederland het binnenlandse toerisme te ontwikkelen. Er ontstonden toeristencentra langs de Veluwezoom, in Zuid Limburg en in het Rijk van Nijmegen. Ook het Ginneken raakte in trek bij rust- en gezondheidszoekers. Dit dorp lag dan ook wel erg gunstig, vlakbij een aantrekkelijke woonen uitgaansstad en goed bereikbaar per trein en paardentram. Belangrijkste trekpleister waren de bossen, vooral het Mastbos. Waarom het Ginneken zo aantrekkelijk was als toeristisch oord, staat het duidelijkst in een gids uit 1917: Wie zijn krachten wil herstellen door een rustig verblijf in een der natuurschoon rijkste streken van ons land; Wie zich wil verpoozen door heerlijke wandelingen en tochtjes, te Princenhage voet, per rijwiel of per as; Wie bij dit alles toch het kunst- en andere genot, dat het stadsleven aanbiedt, niet wil missen; Die gaat naar het lustoord van Neerlands Zuiden, het onvolprezen Ginneken, welks hoofddorp is aaneengebouwd met Breda, dat tweede Den Haag en stadje van pleizier waar altijd wat te doen is.

101

Drieweg

Blokhuis

Bergvliet

Grote Warande

Bosdal

IJzer Hek

Mastland

Rustenburg

Burgst

Gageldonk

Kleine Warande Laanzicht

Emer Speelhuis

Lacoerdenstede

Breda

Heilaar

Vinkenburg

Weilust

Vredeburcht

Liesbos

Zoudtland

Kleine IJpelaar Rustland

Lindenborg

't Hout

Bouwlust

Vrederust

Vredenberg

Bouvigne

Vloeiweide

Mon Plaisir Kl.Gr.

Wolfslaar

Oudhof

Mastbos

Biesdonk

Bavel

Valkrust

Elzenburg

Zuurland

IJpelaar

Blauwe Kei

Hazard

Echo

Charlottenburg

Zuilen

Grimhuizen

Nieuwenhuis

Ulvenhoutsebos Leeuwerik

Pekhoef

Blauwe Kamer

St.Annabos

Koekelberg Anneville

Buikse Hoef

Schoondonk

Valkenburg Luchtenburg

Daasdonk Hondsdonk

Rijsbergen

N

De inmiddels beroemd geworden ‘pijlenkaart’ van Karel Leenders, 1999.

W

Strijbeek

O Z

Meerseldreef

Meer Richtpunt

Meerle-Dreef

Zichtlijn Elsakker

Ontginningslijn, Dreef schaal 1:73.771 2 km

Meer

Meerle

Chaam


De Vloeiweide Dramatische schoonheid

br a ba nts la ndscha p

136 h e c t ar e

vr i j t oe ganke li j k

102

Een van de vele prachtige zandpaden in De Rith. Rechter pagina: Over een grote lengte is de Bijloop een echte houtwalbeek. Door de schaduw die op het water valt, komen er minder waterplanten tot ontwikkeling, waardoor het waterschap er minder werk aan heeft.

O

Bomen over het Wilhelmus

p De Rith, een oude ontginning ten zuid-westen van Princenhage, was oorspronkelijk veel landbouwgrond in handen van Belgische adel, zoals de familie Montens. Tweede helft negentiende eeuw kwam via een boedelscheiding echter alles in handen van de (eveneens Belgische) graven De Marnix, van wie het bezit in de loop van de twintigste eeuw opliep tot ruim 500 hectare, verdeeld over 30 boerderijen. Het bezit werd nog kleiner verkaveld tot blokken van 6 hectare, onderling van elkaar gescheiden door houtwallen, sloten en dreven, wat een bijzonder fraai en intiem landschap opleverde. Markant was graaf Filips, die woonde in Brussel maar regelmatig een kijkje kwam nemen in het gebied. Men kon de edelman vooral verwachten als er verbouwd moest worden of een bedrijfsopvolger aantrad. Als eerste tufte hij er met zijn auto over de onverharde paden. Zijn verblijfplaats was hoeve de Boomkensberg, die een herenkamer bevatte. Er rest geen steen meer van. De ‘site’ is nog in het landschap te herkennen aan een laan van markante oude tamme kastanjes en een voormalige ‘brand- of blusvijver’. De algemeen geliefde, zachtaardige graaf, die bovendien Nederlands sprak, werd tot 1937 altijd vergezeld van zijn rentmeester Blankers. Omdat deze de pacht moest innen, zagen de bewoners van De Rith hem liever gaan dan komen. Het was een grote zware man met een zwarte baard. De honden bleven blaffen als hij het erf op kwam. De afkeer was wederzijds. Blankers bezat namelijk het jachtrecht voor alle pachtgronden. En hij aarzelde niet om een stropende hond neer te schieten. De graaf zelf jaagde niet.

Door verkoop van grond en boerderijen aan pachtboeren werd het bezit van de familie De Marnix alsmaar kleiner. Bij de dood van graaf Filips in 1984 was er nog 220 hectare over. De laatste boerderij werd door zijn zoon in 1986 van de hand gedaan. Belangrijkste reden voor het afstoten van gebouwen was het dure onderhoud. Na de invoering van een nieuwe wet in België (1985), die voorzag in veel hogere successierechten over buitenlandse onroerende goederen, werd de grond versneld in de verkoop gedaan. De voornaamste kopers waren in 1988 de gemeente Breda, die zich ontfermde over verwaarloosde zandpaden, lanen en dreven (voorbeeldig hersteld tussen 1990 en 1994), en Brabants Landschap. De bezittingen van deze laatste organisatie sloten aan op bos op een dekzandgrond, acht jaar eerder aangekocht van de familie Van Malland van de Suiker Unie in Dinteloord. Vanaf 1884 mag de familie De Marnix na koninklijk besluit van Leopold ii de achtervoeging Sint Aldegonde voeren, naar de grote Nederlands staatsman en letterkundige Philips van Marnix van Sint Aldegonde. Hij was een vertrouweling van Willem van Oranje en was van 1583 tot 1586 burgemeester van Antwerpen, in welk laatste jaar deze metropool ten val kwam, wat hem werd verweten. Al kort na zijn dood werd hem het auteurschap van het Wilhelmus toegeschreven, waarover echter geen zekerheid bestaat. Dat hij voor zijn verdiensten voor de Republiek gronden in De Rith ontvangen zou hebben, moet helemaal naar het rijk der fabelen verwezen worden. Een familieverband is overigens niet helemaal uitgesloten.


roo s en d aal – br ed a


Het bos als achtergrond van een menselijk drama zonder weerga ‘Voor koningin en vaderland’

De Vloeiweide

104

Verscholen in de bossen van de Vloeiweide herinnert een sober doch aangrijpend monument aan een drama dat zich hier in de laatste dagen van de Tweede Wereldoorlog afspeelde. Op deze plek is het altijd adembenemend stil. Het lijkt alsof de natuur ter plaatse, die toch zeer uitbundig is, de adem inhoudt. Wat is, of wat was er aan de hand? De verzetsgroep van Breda werd geleid vanuit de boswachterswoning op de Vloeiweide. Op 4 oktober 1944 werd die door de Duitsers overvallen. Daarbij verloren verzetslieden en gezinsleden van de boswachter het leven. De fundamenten van het boswachtershuis vormen een monument voor hen die vielen. Jaarlijks wordt op die plek het drama herdacht op de eerste zondag van oktober.

Joop Bakker (1921)

Ko van den Boogaard (1921)

Rien van den Boogaard (1922)

hokten deze 17 hier bij elkaar? In een klein huis met een gezin van man, vrouw en 8 kinderen? De verzetsgroep was de dupe geworden van een vals bericht dat op 4 september door het persbureau Reuter (van de geallieerden) was verspreid en dat meldde dat de Tommy’s Breda bereikt zouden hebben. Op dit bericht reagerend togen de 17 naar de post op de Vloeiweide. Ze handelden volgens consigne, wat luidde dat ze zich bij Neefs moesten verzamelen zodra de geallieerden Breda hadden bereikt. Ze zouden dan als verspieders en gidsen met de Tommy’s mee oprukken. Dit is een belangrijk gegeven, omdat kort na de oorlog nogal eens de verwijtende verzuchting werd gehoord dat het zo dom was om met zoveel man voor zo’n lange tijd zijn bivak bij een gezin op te slaan; dat men de elementaire begrippen der voorzichtigheid uit

Henri Brautigam (1895)

Onderstaand een samenvatting van een onuitgegeven roman van Joris van den Bergh, ‘De post in de Vloeiweide’, geschreven in november 1944, dus slechts een maand na het drama. Het boswachtershuis van Ernest Neefs was een vriendelijk wit huisje met groene luiken. Neefs werd dan wel boswachter genoemd, maar hij was in werkelijkheid jachtopziener. Hij woonde daar verduveld aardig, maar voor de kinderen die naar school moesten was het een heel eind, vooral in de winter. Er komt nagenoeg geen sterveling [dat is nog steeds zo!] en in den winter zie je helemaal geen mensch, de sneeuw blijft hier lang liggen enne ... hij heeft er nog al wat, ik geloof dat ze met z’n tienen zijn, acht kinderen, waarvan de helft nog school gaat. Buurtbewoners was het opgevallen dat er bij Neefs vanaf september 1944 nogal veel mensen rondhingen, 17 om precies te zijn. Ze werden gezien op het erf en bij de schuur en er stonden emmers vol met geschilde aardappelen. De buurtbewoners vermoedden wel dat het om onderduikers of verzetslieden zou gaan maar het parool was ‘mondje dicht’. De commandant van de groep was Paul Windhausen, een kunstschilder en leraar aan het lyceum te Breda. Zijn bijnaam was ‘kapitein’ de man had een natuurlijk leiderschap. Waarom

Janus van den Heuvel (1910)

Henk Hofman (1923)

Jan Nelissen (1913)

het oog had verloren. Dat oordeel was dus voorbarig. Nadat de 17 waren gearriveerd en zelf ook wel merkten dat de Engelsen nog lang niet in aantocht waren, bleven ze toch op hun post bijeen, omdat hetgeen nu nog niet waar was, om zo te zeggen, iedere minuut waar kon worden. In die maand – 4 september tot 4 oktober – zat de groep trouwens ook niet stil. Ze telde 5 marconisten die per toerbeurt, 24 uur per etmaal, een zender bedienden. Overdag werd achter het huis nog met oranje vlaggen geseind naar vliegers die laag over de post kwamen. Iedere dag werden de Duitse transporten en posities verkend. Gekeken werd waar de Duitsers doende waren met landmijnen en boobytraps. Hierbij werd een zone afgewerkt die zich uitstrekte van Wouw tot Baarle Nassau. Daarbij werd gebruik gemaakt van een Duitse auto voorzien van Duitse kentekenen. In Duitse lokalen werd ingebroken om Duitse uniformen te ontvreemden en op de openbare weg werden Duitse soldaten overvallen en van hun wapens en munitie beroofd. Kortom, men was dag en nacht doende voor de goede zaak. De leden van de groep sliepen verspreid door het huisje en in de schuur en ’s nachts werd gepatrouilleerd.


r o n d br ed a

Op de ochtend van woensdag 4 oktober stonden vader en moeder Neefs naar gewoonte om 5.00 uur op. Ze maakten het ontbijt gereed en zetten koffie. Neefs had al eens zijn neus buiten de deur gestoken maar had niets bemerkt omdat het nog schemerdonker was en bovendien mistig (‘nacht und nebel’). De waakhond in zijn hok sloeg nog wel aan maar bij inspectie werd niets verdachts bespeurd. Om kwart over vijf traden drie Duitsers binnen. Hoe konden zij de woning zo ongemerkt zijn genaderd? Wellicht heeft de bodem van vochtige dennennaalden het geluid van de voetstappen volledig gedempt. Er werd gevraagd waar zijn de verzetslieden? Neefs antwoordde uiteindelijk dat het om vrienden van hem ging. De Duitsers wilden daarop de woning doorzoeken. Een van de 17 die wakker was geworden, sprong door de deur en schoot een van de Duitsers neer. Daarop ontbrandde een hevig vuurgevecht. Een overtal van Duitsers lag buiten in stelling en nam zowel het huis als de schuur onder vuur. Neefs commandeerde zijn kinderen naar de kelder. Daar kwamen er uiteindelijk vijf van terecht, de moeder voegde zich bij hen. Neefs zelf verschanste zich op zolder. Daar trof hij een van de marconisten, Henk Touw, die bezig was om het ont-

Jo Oberg (1907)

Harrie van der Sande (1921)

Henk Touw (1913)

dikke wolk sprong hij omlaag. Hij vluchtte de moestuin in en liet zich languit in een diepe ruige aardappelgroef vallen. Intusschen speelde zich beneden in het huis het ploertigste bedrijf van het drama af. Nadat het huis in brand was gestoken kwam bij de vluchtelingen in de kelder de hoop op dat de Duitsers het hierbij zouden laten. Maar nee hoor, de Duitsers en hun Nederlandse handlangers wierpen handgranaten door het keldergat. Een afschuwelijk gekrijs en gegil ging op. Maar het was nog niet genoeg. Anderen kwamen naar voren en richtten hun geweren in het keldergat. De schoten knalden van één, twee meter afstand en de kogels die niet troffen, sprongen van de muren terug. Toen kregen de helden het van het vuur en de rook zelf te benauwd en begaven zich naar buiten. Even later stortte het brandende plafond in, en ook de brandstapel viel in het keldergat. Er was geen uitkomen meer mogelijk. Want er was slechts één klein keldergaatje en daar zaten spijlen voor. De toestand in de kelder was vreselijk. De 16-jarige dochter Rietje was op slag dood en van moeder Maria was een been afgerukt (even later bezweek ze). Alle anderen hadden scherf- en schotwonden. De hitte werd ondragelijk in het kleine keldertje en

Frans de Visser (1911)

vangsttoestel, de radio en de zender te vernietigen. (Na eerst nog geseind te hebben dat ze overvallen werden.) Neefs, zijn oudste dochter Wies en de verzetslieden in huis werden door de Duitsers onder vuur genomen met geweren en handgranaten, die door de kapotgeschoten ramen werden geslingerd. Uit latere reconstructies en verhalen van degenen die het overleefden bleek dat onder de ‘Duitsers’ opvallend veel Nederlandse SS-ers zaten. Maar goed, het was een ongelijke strijd, zowel in aantal als in bewapening. Zo beschikten de Duitsers over een mitrailleur. Enkele verzetslieden ondernamen een doorbraakpoging (hevig schietend naar buiten stormend) maar werden allen doodgeschoten. Ondertussen waren enige Duitsers het huis binnengedrongen. De vluchtelingen in de kelder zagen hoe ze de kostbaarheden roofden, wat ze niet mee konden nemen vernielden en een brandstapel op de vloer van de keuken oprichtten. Neefs, nog steeds op het zoldertje, hoorde door het geknetter van het vuur om zich heen, zijn kinderen om water roepen. Hij kon niets doen, verbrandde haast zelf. Toen wankelde een deel van het dak. Neefs trapte het in elkaar, de brandende dakbedekking stortte omlaag, waardoor plots een dikke rookwolk ontstond. Daar lag zijn kans. In de

Joop de Vries (1918)

Paul Windhausen (1895)

de rook werd alsmaar verstikkender. De in hun doodsangst gillende en krijschende kinderen die zich voor de spijlen verdrongen en telkens om ‘water, water, water!’ smeekten, zagen voor het huis de Duitschers loopen, met een sigaretje in den mond. En deze Duitschers lieten branden wat brandde. Zij zagen de kinderen handenwringend achter de spijlen, en zij hoorden hen gillen en om water smeeken. Doch zij rookten hun sigaretje en lieten branden wat brandde. Om 9.30 uur arriveerden de door de SS verwittigde Nederlandse politieagenten, die te horen hadden gekregen dat ze ergens lijken moesten ophalen. Dit waren goede politiemannen, geen foute, er zaten er bij die samen werkten met het verzet. Toen zij arriveerden hoorden ze de kinderen krijsen en grepen meteen in. De kinderen smeekten nog steeds om water en door het raampje (met spijlen) werden emmers met water gegooid. Met een afgezaagde dennenboom werden de spijlen kapot gebeukt. Zo wist men de ernstig verbrande kinderen te bevrijden. Reconstructie achteraf maakte duidelijk dat die mensen ongeveer twee uur in een rokende en brandende kelder gezeten moeten hebben. Het onmiddellijk verwittigde Rode Kruis voorzag de kinderen van noodverband en wikkelde ze in dekens. Ondertussen hield een van de goede politiemannen,

105


r o n d br ed a

De Vloeiweide

106

Gerrit Verdaasdonk, de jongste, Cornelis van 4 jaar oud, in zijn armen. Het manneke was bij volle kennis en zeer lief, doch zijn uren waren geteld. Verdaasdonk wiesch zijn gezicht en dat deed den kleine man zóó goed dat hij ervan glimlachte. En toen Verdaasdonk zich even van hem verwijderde om den handdoek te verfrisschen volgde het manneke hem met de oogen en het glimlachte weer toen Verdaasdonk bij hem terug kwam. Na ongeveer 20 minuten werd de kleine Cornelis onrustig; de glans verminderde in zijn oogjes, zijn gezichtje begon te teekenen en even later drukte Verdaasdonk de oogjes van Cornelis zachtjes dicht. Nog eenmaal sloeg Cornelis de oogen op. Hij stierf in de armen van Verdaasdonk zonder een klacht te uiten. Hij stierf met een glimlach om de lippen. De kinderen die het hadden overleefd werden naar het ziekenhuis gebracht. Ze werden er onder een valse naam ingeschreven en op verschillende zalen gelegd. Men hield er namelijk rekening mee dat de Feldgendarmerie nog eens terug zou keren om ze aan de praat te krijgen. Na een paar dagen werden ze getransporteerd en doken onder. Neefs zelf wist dus te ontkomen en trachtte door de Duitse linies heen de geallieerden in het Antwerpse te bereiken. Dat mislukte. Gedreven door emoties keerde hij terug naar de Vloeiweide. In de omgeving wist hij onder te duiken, vluchtte weer het bos in en werd op een gegeven moment opgepakt door de Duitsers. Hij werd opgesloten en zou de volgende dag worden neergeschoten. Twee marechaussees lieten hem ontsnappen en hij wist via een uitgebreide vluchtroute te ontkomen en overleefde zo de oorlog. Het waren de laatste dagen van de bezetting en de Duitsers waren op hun gemeenst maar in tal van kerken in en rond Breda werden diensten gehouden en heilige missen voor de gevallenen opgedragen. Daarbij zonden duizenden hun gebeden op. De Duitsers dorsten niet in te grijpen. En de ter aardebestelling van de verzetslieden werd een stille doch gloedvolle demonstratie van sympathie en dankbaarheid, waarbij toefen en oranjekleurige bloemen, omslingerd van ons rood-wit-blauw, vermetel werden aangedragen. Thans buigen wij eerbiedig het hoofd en als wij het ontroerd weer opheffen brengen wij met vaste hand een groot saluut aan hen die vielen: den vaderland getrouwe, tot in den dood.

Renard trad uit het gelid en moest toekijken. Het laatste wat de acht uitbrachten was Leve de Koningin en God wees met ons. Pas na vijf dagen wist Renards moeder haar zoon los te weken uit de Chassé-kazerne waar hij gevangen zat. Toen Van den Bergh hem na de oorlog vroeg naar de executie, bracht zijn antwoord ons voor een uiterst merkwaardig psychisch geval. Er heeft geen vezel aan hem getrild. Hij heeft geen seconde van angst of ontsteltenis gekend. Hij was totaal onbewogen. Het was alsof hij naast zichzelf stond. Hier stond zijn geest, zijn ziel en daar stond zijn vleesch en gebeente. Hij keek naar den grond waarop hij stond en hij dacht, daar zal ik nu dadelijk liggen en dat bij zulk mooi weer. Pas na het vallen van zijn vrienden zeeg hij ineen.

Het eenvoudige verzetsmonument op de plaats van de afgebrande boswachterswoning. Als bezoeker van deze plek voel je nog altijd het grote leed dat zich hier heeft afgespeeld; en dat de natuur daar troost tegen wil bieden.

Vervolg in het Mastbos De acht op de Vloeiweide ingerekende verzetsstrijders werden al de volgende ochtend vroeg om 8.30 uur naar de Kogelvanger in het Mastbos gebracht, waar ze werden opgewacht door een executiepeloton, voor ieder één soldaat. Tot de ter dood veroordeelden hoorde bij toeval ook de negentienjarige Frie Renard. Hij was een vriend van Neefs’ zoon Emiel en had die geholpen bij de aardappeloogst. Te laat geworden om nog naar huis terug te keren, was hij bij de familie Neefs blijven slapen. Die jongen daar is onschuldig, hij heeft er niets mee te maken, zo trachtten de veroordeelden de dienstdoende Duitse officier te vermurwen, wat als bij wonder nog lukte ook.

Moeder Neefs en haar drie eveneens bij de overval om het leven gekomen kinderen.


r o n d br ed a

Hemels oord het Hellegat Bijloop en Turfvaart – ze lopen parallel aan elkaar – vormen niet alleen de ruggengraat van de Pannenhoef (ziedaar) en de Vloeiweide, binnen de ‘Ecologische Hoofdstructuur’ (ehs), een beleidsinstrument, werden deze ‘beken’ eind twintigste eeuw ook aangewezen om tussen beide landgoederen de ‘ecologische verbindingszone’ (evz) te vormen. De zone moest geschikt gemaakt worden voor (de migratie van) amfibieën, reptielen en struweelvogels, wat vooral het ‘scheppen’ van moerassige terreindelen inhield. Omdat de daartoe benodigde gronden het eerst aan de kant van de Vloeiweide konden worden aangekocht, werd daar met de inrichting begon-

nen: project het ‘Hellegat’, een oude kronkel van de Bijloop die al begin twintigste eeuw was dichtgegooid. Ze werd terug open gegraven en de overgang naar de hogere gronden werd geleidelijk gemaakt. Buiten bereik van de beek werden poelen gegraven. Zo zijn ze bij overstroming onbereikbaar voor vissen, die het zoals bekend gemunt hebben op amfibieën(broed). De oeverwallen van de Bijloop zijn van hun voedselrijke teeltlaag ontdaan en weer aangevuld met arme grond. Na oplevering van het project staken op de kale zandbodem zeldzame planten hun kop op, zoals zonnedauw. Om verbossing tegen te gaan vindt begrazing plaats met schapen en runderen.

Natuurontwikkelingsgebied het Hellegat wordt begraasd door Schotse Hooglanders. Afgraven van de voedselrijke bodemlaag resulteerde in het ontkiemen van zeldzame planten als de zonnedauw.

107


Rond Tilburg Onsamenhangend samenhangend

Xxxxxx

194

54. Hollandsche Bosschen 55. Kievitshof 56. De Reeshof 57. Oude Warande 58. Dongewijck 59. Heidepark / Vredelust 60. Moerenburg 61. Abdij Koningshoeven 62. Riels Hoefke 63. De Hoevens 64. Ooijevaarsnest 65. Nieuwkerk 66. Gorp en Roovert / Gorp de Leij 67. Annanina’s Rust 68. Groenendael 69. Rovertsche Heide 70. De Utrecht 71. Wellenseind 72. Galgeven 73. Hondsberg / Oude Hondsberg / Ter Braakloop 74. Kampina 75. Rozephoeve

hoewel tilburg pas veel later dan Breda en Den Bosch uitgroeide tot een belangrijke stad en er lange tijd ook veel minder notabelen en rijken te vinden waren, doet het aantal landgoederen in deze regio niet onder voor dat in andere. En dat geldt al helemaal niet voor hun gezamenlijke oppervlakte! Het was een verrassing om vast te stellen dat ook de ‘Kruikenstad’ een eigen, min of meer samenhangend landgoederenlandschap kent. Lange tijd beschouwd als het lelijke eendje onder de Brabantse steden – nou ja, meer een samenhangend geheel van dorpen – kreeg Tilburg al in 1710 van de heer van Tilburg zijn eigen sterrebos; zij het ver van de stad verwijderd maar wel met een eigen torendreef. En midden achttiende eeuw werden er al landgoe-

56 58

59

57

73

60

72 61

62 63

64

65

67

66

68 69

54

70 55

71

74 75


195


Xxxxxx

196

deren gesticht in de Reeshof en Moerenburg – nu een buitenwijk respectievelijk stadsrandschap – die al na korte tijd als sneeuw voor de zon verdwenen. Het stichten en uitbouwen van landgoederen was in de regio Tilburg vooral te danken aan de ontginningsactiviteit van (textiel)fabrikanten in de negentiende en twintigste eeuw, toen Tilburg een industriële vlucht nam en er derhalve een groep van kapitaalkrachtigen opstond. Ze belegden in woeste grond, bebosten deze en ontvingen er hun jachtvrienden. De adel is hier gewoon overgeslagen, hoewel gezegd moet worden dat vóór overname van Gorp en Roovert door een textielbaron hier achtereenvolgens vijf Belgische adellijke geslachten de scepter zwaaiden. Trouwens, hoe dichter je de grens nadert, hoe hoger het getal Belgische landgoedeigenaren. Zie bijvoorbeeld ook Nieuwkerk, dat zich zelfs aan beide zijden van de grens uitstrekt. Net als bij de eerder beschreven Brabantse Wal vormde de staatsgrens hier kennelijk geen belemmering voor het vrije verkeer van personen, goederen en geld. En hoewel De Hoevens – wellicht het mooiste landgoed van de regio – feitelijk pas werd gesticht in 1919, is het gerijpt op een eeuwenoude ontginning van de norbertijner abdij van Tongerlo, gelegen diep zuidelijk in de Belgische Kempen. Deze kloosterorde was als ontginner al vanaf de twaalfde eeuw actief, maar het grootste deel van deze grensoverschrijdende streek bleef er woest en ledig bijliggen. Grootschalige ontginning kwam er pas op gang in de negentiende eeuw, onder meer door genoemde fabrikanten; maar niet alleen zij sloegen de hand aan de ploeg. Het (verreweg) grootste landgoed in de regio, De Utrecht met 2600 hectare (26 km2), was een initiatief van levensverzekeringsmaatschappij ‘De Utrecht’, uit de gelijknamige stad. Er werden boeren uit Zeeland geplaatst omdat men weinig fiducie had in de conservatieve Brabantse boertjes. Er werd een vakantieverblijf gesticht voor de eigen werknemers, die als enigen ook mochten zwemmen in het ven De Flaes. Een wezensvreemd element in deze Brabantse, Tilburgse regio zou je


denken; maar niets is minder waar. De band met Tilburg werd in de loop der tijd alleen maar sterker. Vanaf 1935 werden er de jaarlijkse hogeschooldagen gehouden, bijeenkomsten van professoren en (oud-) studenten van deze voorloper van de Universiteit van Tilburg. Voor de jaarlijkse boomplantdagen – de eerste in Nederland – werden schoolkinderen uit Tilburg ingezet. En wie neerstrijkt op de terrassen van ‘uitspanning ‘De Bockenreijder’, sinds 1930 in vol bedrijf, moet afgaande op het dialect beamen dat het publiek er voor 90% uit Tilburgers bestaat. ‘Natuur is heel mooi, maar je moet er wat bij te eten en te drinken hebben’: nergens sterker dan hier word je geconfronteerd met die typisch zuidelijke instelling. De landgoederen ten zuiden van Oisterwijk vertonen een wat afwijkend beeld ten opzichte van de rest. De Hondsberg is gesticht door een baron uit Utrecht, De Kampina door een rentenier uit Rotterdam – later uitgebouwd door een regent uit Amsterdam – en de Rozephoeve door een tabakshandelaar van boven de grote rivieren. Omdat de eerste twee landgoederen uit ongemeen rijke natuur bestonden – in de zin van woeste grond – vielen ze in handen van de landelijke natuurbescherming. De Oisterwijkse Bossen en Vennen, welke naam de Hondsberg nu draagt, groeiden uit tot een vroeg toeristisch oord. Je zou kunnen zeggen dat de sociale natuurbescherming van Nederland hier een aanvang nam. En het massale bezoek kwam alweer voornamelijk uit Tilburg. De inwoners van deze stad legden gewoon zelf het verband, daar was geen graaf of fabrikant voor nodig.

197


Riels Hoefke Niet geschoten is altijd mis

b ra ba n ts l an d s ch ap / fa m il ie va n lidth de jeude

5 2 / 23 h e c t ar e

vr i j t oe ganke li j k

210

B

e g in twintigste eeuw verkocht de Beekse notaris Emile Huijsmans een stuk heuvelige heide aan de Tilburgse wollen stoffenfabrikant Van Dooren, die een begin maakte met de bebossing. Hij was voornemens het gebied in gebruik te nemen voor de jacht en liet als verblijf alvast een houten gebouwtje neerzetten. Vooruitlopend op een villa liet hij een bijhorende slingervijver uitgraven, compleet met bruggetje, omliggende slingerpaden en een uitkijkheuvel. Daar bleef het echter bij. Uit geldnood deed hij het landgoedje in 1928 alweer van de hand, voor f 9000 aan zijn buurman op de Korvel, kammenfabrikant Vinks. Deze werd behandeld aan zijn urinewegen – hij had het ‘aan zijn water’ – en deed Maria de belofte een grot voor haar te bouwen als hij zou genezen. Toen dat inderdaad gebeurde, loste hij zijn schuld in. Het lieftallige onderkomen van de moeder Gods is geheel opgebouwd uit veldkeien, die door boeren uit de omgeving werden bijeenverzameld tijdens het bewerken van hun land. Tegelijkertijd liet Vinks notarieel vastleggen dat het nooit mocht worden afgebroken, in wiens handen het ook mocht vallen. Toen ‘het Hoefke’ in 1932 eerst werd verpacht en later verkocht aan de protestantse notaris Gerrit Kuijk uit Geldermalsen, werd dit geëerbiedigd. Het ‘pastoorke’ van Riel, Van Raamsdonk – hij was inder-

daad heel klein – had zich daar zorgen over gemaakt. Om een beter jachtverblijf te hebben, liet genoemde notaris het houten theehuis vergroten met een keuken en slaapkamers. Als landbouwkundig experiment – heimwee naar de bloeiende Betuwe? – waagde hij zich zelfs aan het planten van een boomgaard, wat op het arme klapzand natuurlijk moest mislukken. Door de ligging vlakbij schijnvliegveld ‘De Kiek’ (‘Scheinflugplatz sf 37 Kamerun’), aangelegd om de aandacht van Gilze Rijen af te leiden, is het Riels Hoefke in de Tweede Wereldoorlog veelvuldig door de (kennelijk slecht mikkende) geallieerden gebombardeerd. De vele bomkraters getuigen daarvan. Bij een van die bombardementen verloor Maria een handje. Het werd gevonden door mevrouw Elisabeth van Lidth de Jeude-Van Wely, die tot haar dood in 2004 de scepter over het landgoed zwaaide, en opgeborgen in een soepterrine in de keuken van het houten buitenhuisje. Ze had de intentie om het in betere tijden weer aan te brengen. Voor het zover was, werd de inboedel van het buitenhuis, inclusief terrine en handje, geroofd. Bij de inwoners van het vlakbij gelegen Riel is het Hoefke mateloos populair omwille van de vele tamme kastanjes. Het rapen van de gelijknamige vruchten met het hele gezin in oktober, behoort tot de hoogtepunten uit zo’n beetje ieders jeugd.


la n g s tr aat e. o .

211


Gorp en Roovert / Gorp de Leij Paradijs op Aarde

B

222

1 1 1 6 / 43 h e c t ar e

vr i j t oe ganke li j k

e langrijk voor het ontstaan van het latere landgoed was de aanwezigheid van een aantal oude ontginningen in de nabijheid van de Rovertsche Leij, zogenaamde ‘leengoederen’. Ze werden geleend van de ‘leenheer’, in dit geval de hertog van Brabant. Dit systeem zat als volgt in elkaar. Een ‘leenman’ mocht er de baas spelen, in ruil voor trouw aan zijn leenheer, terwijl de administratie over het goed centraal werd bijgehouden. De geschreven geschiedenis van de leengoederen vangt aan in 1312, het jaar waarin hertog Jan ii van Brabant zijn testament opstelde. De oudst bekende leenman in deze omgeving was Godschalck, die de scepter zwaaide over Gorop. Dit goed wordt in de oude cijnsboeken van de Raad- en Leenhof te Brussel omschreven als meer dan 111 bunders groot (1 bunder = 1,25 hectare), bestaande uit akkers, weiden en beemden. Waarschijnlijk was het gebied al rond 1250 in cultuur. Deze geïsoleerde ontginningen kwamen, met de omringende woeste gronden, in de loop der tijd steeds

• f am i li e va n p u ije n b r oe k / b r aba nts la ndscha p

Lenen is wenen

Rovertsche Leij.

meer in één hand. Halverwege de achttiende eeuw in die van Cornelis Bles, notaris te Tilburg, die het door aankopen aanzienlijk uitbreidde en er pas een landgoed van maakte. Door verkoop, huwelijk en vererving kwam het daarna in bezit van achtereenvolgens vijf Belgische adellijke families: Bosschaert de Bouwel (1819), Osy de Wichem (1837), Della Faille (1852), du Fontbarré de Funal en Zerezo de Tejada (1868), van origine een Spaans geslacht. Met name de laatste familie wist het landgoed aanzienlijk uit te breiden en gaf er een zekere grandeur aan door de bouw van Het Jachthuis, nu beter bekend als Het Kasteeltje. De eerste Zerezo, Eugène, maakte handig gebruik van de ‘grondpolitiek’ van de gemeenten Goirle en Hilvarenbeek, gekenmerkt door passiviteit en zuinigheid. Iedere uitgave boven de begroting werd bij voorkeur gefinancierd door de verkoop van woeste gronden, de vroegere ‘gemeinten’. De laatste telg uit dit geslacht was Gustave, een jonge losbol. Hij was aan de drank, had regelmatig een delirium en verbraste zijn erfdeel. Bij een diner in Parijs, vlak vóór zijn vertrek naar


r o n d til bu r g

het vreemdelingenlegioen, werd hij gedood, nog maar 27 jaar oud. Zo kwam het landgoed in 1894 opnieuw onder de hamer. Gorp kwam in handen van Hubert van Beusekom en Rovert werd eigendom van notaris Emile Huijsmans. Diens weduwe verkocht Rovert in 1920 door aan de Goirlese textielfabrikant Eduard van Puijenbroek, over wie straks meer.

Krasse knar Van Beusekom behoorde tot een aanzienlijke Brabantse familie van protestantse huize. Hij was tijdens zijn lange loopbaan onder meer controleur der directe belastingen in Breda en Rotterdam, inspecteur van de grondbelasting in Rotterdam, directeur van de Provinciale Hypotheekbank NV in Den Haag en inspecteur en hoofd van de grondbelasting. Na zijn pensionering in 1925 – dat is op zeventigjarige leeftijd – werd hij benoemd tot adviseur honorair van het Ministerie van Financiën. Als je dit rijtje zo naleest, begrijp je hoe de man aan zijn fortuin is gekomen. Voor zichzelf en zijn gezin zocht hij een plek uit waar zij tot rust konden komen. Ieder afscheid van het paradijselijke oord en de terugkeer naar het grauwe jachtige Rotterdam viel de kinderen zwaar. Van Beusekom zelf genoot vooral van de jacht. In het jagershuis tegenover het Kasteeltje was een kennel honden ondergebracht. Vóór het Kasteeltje liet hij een standbeeld oprichten van Diana, de Griekse godin van de jacht. Het

Het Kasteeltje.

is een prachtig beeld, voorstellende een bevallige jonge vrouw met wie je best wel eens een beschuitje zou willen eten. Op het voetstuk is een gedenkplaat aangebracht met daarop de tekst ‘Nostris Canibus Fidelibus’: voor onze trouwe honden. In 1938 zond hij een vriend nog een koppel fazanten die hij gisteren geschoten had. Een jaar later overleed Van Beusekom, kort na zijn vierentachtigste verjaardag. Zijn vitalisme tot op hoge leeftijd was om jaloers op te worden. Nog enkele maanden vóór zijn dood schreef hij: Gister heb ik met een gast hier nog van 11-1 en 1-5 gejaagd, en na mijn gebruikelijke hoeveelheid ouden wijn goed geslapen en thans al weer aan mijn zesden brief. Zoals bekend zijn geld en macht aan elkaar gepaard. Tot aan zijn dood, maar liefst 60 jaar lang, was Van Beusekom lid van de ‘Illustere Lieve Vrouwe Broederschap’ in Den Bosch. Van dit genootschap, dat al stamt uit 1318, maakten en maken enkel aanzienlijken deel uit. Sinds de val van genoemde stad in 1629 – inname door Frederik Hendrik en daardoor opname in de Republiek – kent de broederschap naast een katholieke ook een hervormde lijn. Die tellen beide 18 leden, verdeeld over ‘hoogeerwaarde proosten’ en ‘zeereerwaarde broeders’. De andere leden van de broederschap liepen weg met deze markante, goed van de tongriem gesneden man. Dat kan niet worden gezegd van zijn buren – hij zag overal spoken – de gemeentebesturen – hij

223

Hubert van Beusekom.


l an g s tr aat e. o .


r o n d til bu r g

had altijd iets te zeiken – en de ‘gewone man’. Met grote angstvalligheid waakte hij ervoor dat zijn landgoed door onbevoegden werd betreden. Dat heeft hij gemerkt ook. Toen een groot deel van zijn bossen ergens in de jaren ’20 afbrandde, daagden er nauwelijks blussers op. Je kon hem eigenlijk wel een misantroop noemen. Een jaar vóór zijn dood schreef hij: Hoe meer ik van de mensen weet / hoe minder ik mijn hond vergeet. Zijn hond noemde hij een aristocraat: Heusch, hij veranderde van uitdrukking als ie op een mooie stoel of in een auto mocht zitten. Dan keken zijn prachtige zielvolle ogen met verwondering en hij kon ze neerslaan als een mensch wanneer hij werd overladen met liefkozingen. Het beest ligt nog ergens begraven in het bos, gemarkeerd door een grafsteen. Nog tijdens zijn leven verkocht Van Beusekom grote delen van zijn landgoed aan eerder genoemde Van Puijenbroek. De laatste grondtransactie was tegen zijn zin. Hij wilde eigenlijk verkopen aan De Utrecht, maar die maakte een deal met Van Puijenbroek. De laatste bood de verzekeringsmaatschappij namelijk als ruilobject landgoed Tulder, dat voor De Utrecht veel strategischer lag. De verbolgen Van Beusekom bezwoer zijn familie de laatste enclave van 40 hectare, Gorp de Leij, nooit aan een Van Puijenbroek te verkopen. Zijn nazaten bleven er wonen en verkochten het goed in 1962 uiteindelijk aan Brabants Landschap, de lachende derde.

225

Jantje van Gorp ...

hij ‘Jantje van Gorp, geboren aan de beek’. Die beek is de Rovertsche Leij, en zijn – vermoedelijke – geboortehuis, een omgrachte herenboerderij, de Leenhof, staat er nog altijd. Hij bezocht eerst de kapittelschool in Hilvarenbeek, waarna hij de humaniora voltooide aan de fraterschool in Den Bosch. Goed geschoold trok hij naar de universiteit van Leuven om nóg geleerder te worden. Bij zijn vertrek uit Leuven sprak hij vloeiend Latijn, Grieks en Hebreeuws. Al in 1542 oefende hij het vak van geneesheer uit, dat is op zijn drieëntwintigste! Snel daarna, zijn faam was hem vooruitgesneld, werd hij gevraagd lijfarts te worden van de twee zussen van Karel V, Maria en Eleonora, de eerste was koningin van Hongarije, de tweede van Frankrijk. Deze dames resideerden met hun hofhouding het grootste deel van het jaar in Brussel, zodat Goropius niet ver hoefde te reizen. Bij testament bedachten ze hem met een aanzienlijke jaarlijkse som. Philips ii wilde hem ook als zijn arts en bood hem een rijk inkomen. Hij weigerde en vestigde zich in 1554 als ‘gezworen medicus’ (stadsarts) te Antwerpen. Hier kon hij zich, vrijgemaakt van het hofleven, met hart en ziel wijden aan zijn grote liefde, de filologie (taalkunde).

Gorp is de geboorteplaats van Johannes Goropius Becanus (1518-1572), de eerste vergelijkende taalwetenschapper uit de geschiedenis. Hij huldigde de theorie dat Adam en Eva Brabants spraken en situeerde het Paradijs juist hier. Eerst in 1569 en later in 1580 kwamen bij de Antwerpse drukker Plantijn Moretus (postuum) zijn verzamelde werken uit, de ‘Origines Antwerpianae’. Het lijvige boekwerk beslaat meer dan 1000 pagina’s. Eigenlijk heette de geleerde in kwestie Jan van Gorp, maar zoals zoveel humanisten uit die tijd – denk ook aan Desiderius Erasmus die eigenlijk Gerrit Gerritsen heette – deed hij graag chique en verlatijnste hij zijn naam. Voor ons blijft

In Goropius’ tijd hield men in het algemeen het Hebreeuws als de oudste taal. De meeste boeken van het Oude Testament zijn immers in deze taal geschreven. Het Hebreeuws zou door God rechtstreeks aan Adam zijn geleerd. Goropius opponeerde daartegen dat het Hebreeuws, zoals de meeste andere talen, van na de Babelse spraakverwarring dateerde. Volgens hem was het Nederlands de oudste taal en spraken Adam en Eva het al. Ze deden dit – uiteraard – in het Paradijs dat volgens hem in Brabant gelegen moest hebben.

De spijker op zijn kop Op Gorp de Leij ligt De Nieuwe Hoef uit 1641, van oorsprong een zogenaamde ‘spicarium’ of ‘spijker’, in onbruik geraakte woorden voor een tiendhoeve: een opslagplaats voor pacht in natura of ‘tienden’. Nog altijd loopt er een zware balk door de hoef waaraan een weegschaal of ‘waag’ hangt, een ‘evenaar’ waarmee men goederen vergeleek en woog. In het woonhuis woonde een rentmeester die alles wat binnen kwam opschreef, controleerde, opstapelde en bewaakte. Later zorgde hij dat het volgens de wens van de eigenaar werd vervoerd, geruild of verkocht. Toen in de Franse Tijd het geld de ruilhandel verving, werd de schuur als opslagplaats overbodig. De pacht werd voortaan voldaan met simpel op te bergen munten. Met de opmars van de banken werd ook het rentmeesterschap op de Nieuwe Hoef overbodig.

... houd(t) je niet voor de gek


r o n d til bu r g

Gorp en Roovert / Gorp de Leij

226

Hoe zat zijn theorie in elkaar? Onze taal werd vóór 1800 gewoonlijk aangeduid als ‘Diets’ of ‘Duyts’, zoals in het Wilhelmus ben ick van duytschen bloet. Hierin kan, allemaal volgens Goropius, ‘douts’ = ‘d’outs’ = ‘de oudste’ gelezen worden. Omdat ‘sen’ of ‘son’ zoon betekent, zijn ‘doutsen’ ‘allen die zich van de oudste taal bedienen’. Ook oudtestamentische figuren als Adam, Eva, Abel, Kaïn en Noach moeten volgens Goropius Nederlanders of liever Brabanders geweest zijn. In de naam Adam las Goropius ‘haat-dam’, dit is een ‘dam tegen de haat van het serpent’. Eva moet uit ‘eeuw’ en ‘vat’ samengesteld zijn, een vat voor alle eeuwen, het ‘Ewig-Weibliche’. Wie dat vat vult is een ‘vat-er’, kortom een vader. Kaïn is opgebouwd uit het Brabantse ‘kaot’ = kwaad en ‘ent’ = einde, terwijl Abel een ‘a’ oftewel afkeer heeft van de ‘bellum’ = oorlog. Noach komt van ‘nood’ en ‘acht’ = zorg, hij was namelijk bezorgd over de komende nood. De naam Methusalem tenslotte is een samenstelling van ‘Maect thu salich’. De goddelijke oorsprong van het Nederlands was volgens Goropius ook te zien aan haar volmaaktheid: indien men een woord omgekeerd leest, bekomt men het tegenovergestelde ervan. Hieronder volgen enkele voorbeelden. Alp-pla: alp = berg, van al-op = helemaal boven, pla = plat. Alb-bla: alb = wit, van al-ab = zonder alles = zonder kleur, bla = zwart, denk aan het Engelse ‘black’. Loh-hol: loh of lo = een hoogte (bijvoorbeeld Tongerlo, Westerlo), hol duidt op een diepte. Cal-lac: cal = mooi, zoals het Griekse ‘kalos’. De schoonheid van de mens komt vooral tot uiting door zijn taal, vandaar het Engelse ‘to call’. Lac

daarentegen komt van ‘laac’ = wat te laken is. Barg-grab: barg = berg en grab = graf in de betekenis van put. Vannau: ‘van’ duidt op een verwijdering en ‘nau’ is een vernauwing. Goropius moet lof worden toegezwaaid omdat hij als eerste zag dat er een duidelijk verband bestaat tussen de verschillende Indo-Europese talen. Helaas werkte hij slechts in één richting, die van zijn moedertaal. De verwantschap tussen het Nederlands en het Latijn was voor hem evident, als voorbeelden van verwante woorden gaf hij: auris-oor, cornu-hoorn, ego-ik, genu-knie, habere-hebben, pecus-vee, pes-voet, pilum-pijl, piscisvis, quis-wie, stare-staan, sedere-zitten, stella-ster, viduaweduwe, ventus-wind, vae-wee. Voor ons is het nu wel duidelijk dat deze Latijnse woorden niet zijn afgeleid van de Nederlandse, maar juist andersom.

Adam en Eva, Jos en Janus Aan het begin van de lange beukenlaan die naar de Nieuwe Hoef voert, stond tot 1911 een herberg, ‘In het Paradijs’ geheten. Uiteraard ontleende de herberg zijn naam aan de taaltheorie van Goropius. Het pand werd in genoemd jaar getroffen door de bliksem en brandde volledig af. De bewoners, Adrianus en Cornelis Poullissen en hun nichtje Anneke van Iersel, vonden een nieuw onderkomen in de Nieuwe Hoef. Tot de schamele huisraad van de herberg die gered werd, behoorde het uithangbord. Het bord, 80 bij 100 cm, is in 1893 geschilderd door de Hilvarenbeekse drogist Jos Naaijkens, een verdienstelijk amateurschilder. Hij maakte verder onder meer de


r o n d til bu r g

decors voor de toneelvereniging. Na de dood van de gebroeders Poullissen bleef Anneke alleen wonen op de Nieuwe Hoef. Na de overdracht aan Brabants Landschap in 1962 verhuisde ze naar het huis ‘Kijk Uit’, eveneens op Gorp de Leij, en nam het uithangbord mee. Het raakte verloren en werd vele jaren later teruggevonden onder een afdakje, bedekt met afbraak- en kachelhout. Het bord had veel geleden, het Paradijselijke tafereel was haast niet meer te herkennen. ‘Het Goirle’s Nieuwsblad’ kwam woensdag 29 april 1981 met een artikel over het Paradijs en een tekening van Cees Robben, die als reconstructie moest gelden. Janus Kluijtmans restaureerde het bord in 1997 en deed daar 10 weken over. De afgebeelde planten en dieren zijn voor de ene helft die van een zomergroen loofwoud van de gematigde streken – onze eigen wildernis – en voor de andere helft Afrikaans van oorsprong. Gekscherend wordt wel eens opgemerkt dat Naaijkens een vooruitziende blik moet hebben gehad, namelijk dat hij het safaripark van de Beekse Bergen heeft voorzien. In een begeleidend schrijven geeft Kluijtmans tekst en uitleg: Ik heb met veel plezier aan ‘Het Paradijs’ gewerkt, ongeveer 10 weken. Ik wil wel vermelden wat ik heb toegevoegd, 54 dieren en planten: 2 papegaaien, 2 uilen, 1 [grote bonte] specht, 2 apen, 1 vleermuis, 1 houtduif, 1 zwaluw, 1 struisvogel, 3 olifanten, 2 kamelen, 1 leeuw, 1 panter, 1 zebra, 2 flamingo’s, 1 hop, 1 krokodil, 1 kangoeroe, 1 gods bidder [volksnaam voor de torenvalk, maar we zien een sperwer afgebeeld], 1 [blauwe] reiger, 1 zilver-fazant [of goudfazant?], 2 eenden, 1 ijsvogeltje, 1 koolmees, 1 kikker, 1 fazant, 1 merel, 1 putter, 1 goudvink, 1 Vlaamse gaai, 1 ekster, 1 kauw, 1 gele kwikstaart, 1 witte kwikstaart, 1 roodborstje, 3 vissen, 1 libel, 1 eekhoorn, 1 groot hert, 1 hert met 2 jongen, 2 bossen met bloemen, 4 vlinders, 4 appels, 1 slang, en een bosje riet met het nestje van de winterkoning. Getekend, Janus Kluijtmans 30-12-1997. Een appelklokhuis in het gras aan de voeten van Adam en Eva is een dichterlijke vrijheid van de schilder. Het bord vormt nu het pronkstuk van de Nieuwe Hoef.

227

Johannes Goropius Becanus, afgebeeld in de muur van zijn geboortehuis midden op het landgoed.

Lach niet te hard Door mensen van buiten de streek is altijd hartelijk gelachen om de koddige voorstelling van Adam en Eva in het Paradijs en om de inwoners van Gorp, die maar wat graag wilden geloven dat de Hof van Eden inderdaad bij hen gelegen had. Hoe het ook zij, kijkend vanaf de Paradijsbrug en de Rovertsche Leij volgend, zowel stroomop- als afwaarts, moeten we erkennen dat het hier paradijselijk mooi is. En bovendien: is het niet menselijk om chauvinistisch te zijn? Nog in 1998 schreef de Tilburgse publicist Ed Schilders in zijn column in het ‘Brabants Dagblad’ dat het Paradijs niet in Gorp gelegen kan hebben, maar in Tilburg, nog wel op De Heuvel. Hij toont dit als volgt aan. Eva komt van ‘eu-val’, wat betekent ‘de val van het woord’. Adam en Eva hadden immers beloofd dat ze niet van de verboden vrucht zouden eten, maar ze braken hun woord. Dit heet meestal een ‘zondeLinks: Anneke van Iersel leefde in 1965 nog ‘lekker primitief’ op de Nieuwe Hoef. De kippen liepen de bijkeuken of ‘geut’ in en uit.

Op de kaart uit 1841 is duidelijk te zien dat de kern van het landgoed voortkomt uit een oude, geïsoleerde ontginning. Het gebied was al in de dertiende eeuw in cultuur. De spectaculaire groei van het landgoed door middel van ontginning en bebossing is pas iets van de laatste anderhalve eeuw.


r o n d til bu r g

Gorp en Roovert / Gorp de Leij

228

val’. Later werd eu-val verbasterd tot ‘euvel’ – namelijk het euvel van de zondeval – en eeuwen later werd dat ‘heuvel’, de heuvel waar de eerste mensen hun woord braken. Natuurlijk meent Schilders dit niet serieus, hij wil er enkel op wijzen dat het aards paradijs dient te liggen waar je woont. Dat mensen overal ter wereld en door alle tijden heen het Paradijs in eigen omgeving zochten, is in principe niet verkeerd. Sterker nog, het niet langer (h)erkennen van de eigen omgeving als een Paradijs kan duiden op een negatieve tendens; op een verloedering van het landschap, waarin het niet langer goed toeven is. Zo bezien kunnen er niet genoeg Paradijsclaims opklinken. Eens was de aarde één groot Paradijs met overal Gods wonderen zichtbaar, tastbaar en voelbaar. De restauratie van zo’n toestand is in wezen het streven van de natuurbescherming.

Een heilig... Direct achter de kerk van Sint Jans Onthoofding in Goirle vertrekt over het landgoed een fietspad, dat het oude tracé is van de tramverbinding van Tilburg via Goirle en Hilvarenbeek naar Esbeek. Ze is aangelegd op instigatie van de Esbeekse pastoor Leonardus Martinus Jurgens, die voor zijn kerk enkele minuscule relikwieën van de Heilige Cornelius had verworven. Het bleek een commerciële meesterzet. Vanaf het moment dat de populaire heilige ook in Esbeek lichamelijk aanwezig was, trokken drommen mensen er heen, met als hoog-

tepunt de viering op 16 september. Vooral bij vrouwen en kinderen deed hij het goed. Je kon bij hem terecht voor ongemakken als de stuipen, zenuwen en epilepsie. Hij beschermde ook het hoornvee, wat natuurlijk weer belangrijk was voor boeren. De bezoekers kwamen aanvankelijk vooral per tram. De eerste reed erover in 1907, de laatste alweer in 1935. Dat kwam door de concurrentie van de autobus en het afnemend aantal bedevaartgangers. Al zijn de rails al lang geleden verwijderd, bij goed zoeken vind je nog sintels. Onthutsend is de breedte of beter gezegd ‘smalte’ van het voormalige spoor, illustratief voor de schaalvergroting van de infrastructuur in de vorige eeuw. Het is een voor huidige begrippen krap bemeten fietspad – wat vooral zo moet blijven – waar eens met veel kabaal ‘ijzeren moordenaars’ voorbij rammelden.

... en een geilig verhaal Kort na de Tweede Wereldoorlog bestond in kerkelijke en politieke kring grote zorg over de moraliteit van de Nederlandse jeugd. In 1948 stelde de Brabantse Commissaris van de Koningin Jan de Quay, het vraagstuk van de zedenverwildering aan de orde. Hij schreef de gemeenten aan om verslag uit te brengen. Voor een vervolgonderzoek viel de keuze op Uden, Deurne en Goirle. Over Goirle werd een rapport geschreven (13 juli 1951) dat insloeg als een bom. Het ging om massale delicten, vaak in groepsverband gepleegd, waarbij een groot deel van

Adam en Eva in het Paradijs, een schilderij van Janus Kluijtmans uit 1997, geïnspireerd op een tekening van Cees Robben uit 1981.


r o n d til bu r g

de jeugd in Goirle betrokken is. Het kan niet anders of veel moet ontsproten zijn aan de fantasie van de rapporteur zelf: Niet alleen hebben er zeer frequent verregaande handtastelijkheden plaats tussen jongens en meisjes onderling, op vele plaatsen van Goirle, zoals de huizen, de tuinen, de schuurtjes, de buitenwegen, de bossen, de steegjes en niet het minst de kleedhokjes van het zwembad, waar niet zelden zelfs een jongen met een meisje zich tezamen in één kleedhokje bevinden, maar ook moet vastgesteld worden, dat zeer regelmatig enkele keren per week jongens beneden 18-19 jaar met jongere meisjes van 10 tot 13 jaar cohabiteren, waarbij gewoonlijk de coïtus interruptus wordt toegepast. Als gevaarlijkste ‘loci delicti’ werden de bossen en het natuurzwembad op Gorp en Roovert aangemerkt. Het zwembad werd verboden verklaard, de omkleedhokjes werden afgebroken. De politie hield extra toezicht in de bossen en op basis van een gemeentelijke verordening van 17 augustus 1951 was het kinderen onder de 14 jaar verboden om zich, zonder geleide van een volwassene, tussen één uur na zonsondergang en één uur voor zonsopgang op de openbare weg te bevinden. Buiten de bebouwde kom was het de kinderen zelfs niet toegestaan langs de weg of in het bos op de grond te zitten of te liggen! De gezagsdragers waren duidelijk op hol geslagen. Uit latere onderzoeken in de jaren ’80 en ’90 kwam pas naar voren hoeveel leed deze opgeblazen zaak had veroorzaakt. De zedenzaak is voor de Goirlese gemeenschap een zeer traumatische ervaring geweest.

Opgestuwd in de vaart der volkeren Na lange uitweidingen over Adam en Eva en aanverwante zaken zou je haast vergeten dat het landgoed alweer in de derde en vierde generatie, respectievelijk Alexander en Guus, eigendom is van de familie Van Puijenbroek. Met succes runnen zij een landgoed van 1170 hectare, verdeeld over 800 hectare bos en 370 hectare landbouwgrond. Het op moderne leest geschoeide landbouwbedrijf produceert voedergewassen voor de eigen koeien en akkerbouwproducten voor derden. De percelen op de jonge heideontginningen zijn er grootschalig – 12 hectare of een veelvoud daarvan – en allemaal gedraineerd en geëgaliseerd. Dit zorgt niet alleen voor een financieel sluitende exploitatie – iets wat trouwens ook voor de bosbouw geldt – maar geeft het landgoed ook, in de woorden van de eigenaren, een apart karakter. Zij willen als landgoedeigenaren meegroeien met hun tijd, de meest moderne landbouwmethodes toepassen en een zo hoog mogelijke productie nastreven, zowel per hectare als per werknemer, aldus een schrijven van 22-4-2011. Met name de grootschaligheid van onze aanpak stuit nog al eens op onbegrip bij biologen en landschapsdeskundigen in dienst van de overheid. Als deze groep haar idealen naar voren brengt, gaat het altijd over de kleinschaligheid anno 1850, met kromme verbindingszones en kleinschalige landschapselementen.

229

Gelukkig is het op Gorp en Roovert nog altijd betoverend mooi. Trotse landgoedeigenaren gaven vroeger ansichtkaarten uit van hun jachtprestaties.


Annanina’s Rust Liefdesnest en vervelend nest

br a ba nts la ndscha p

151 h e c t ar e

vr i j t oe ganke li j k

230

O

Van de ene naar de andere Emile

p een kadastrale kaart uit 1830 bestaat het latere landgoedbos uit tientallen perceeltjes van boeren uit Diessen en Hilvarenbeek. Ze waren in gebruik als ‘mastbos’ (dennenbos), maar meest nog als akker of weiland. Plaatselijk zat er leem in de ondergrond. Het toegangspaadje aan de Beekse Weg heet het Steenovenstraatje, waaraan je nog altijd ondieptes vindt. Het zijn herinneringen aan de tijd waarin men op primitieve wijze stenen bakte in zogenaamde ‘veldovens’. In de noordpunt van het landgoed, waar Rentmeestersdijk en Biestsedijk samenkomen, ligt een weiland met vijver. Op het eiland daarin ligt volgens de overlevering een paardenkerkhof, een begraafplaats voor paarden en ander vee dat onder verdachte omstandigheden aan zijn einde kwam. Een belangrijke grootgrondbezitter uit de laatste jaren van de negentiende en de eerste van de twintigste eeuw was notaris Emile Huijsmans. Overal in Midden Brabant wist hij op gemakkelijke wijze woeste gronden en bossen te verwerven. Ze werden hem bij wijze van spreken in de schoot geworpen. Hoe ging dat in zijn werk? Als in die tijd ergens een stukje ‘onland’ of bos publiekelijk werd verkocht, was Huijsmans als notaris de verkoper. Wanneer niemand een bod deed, wat nogal eens het geval was, zette hij in voor een rijksdaalder. Zo werd hij zelf de koper van wat hij verkocht, een geniale constructie: Hij zat dan met zijn jas open achter de tafel, zodat men zijn horloge met gouden ketting zag blinken, haalde een zilverling van f 2,50 uit zijn vestzak en overhandigde die dan aan de verkoper, en de koop was gesloten. Huijsmans verwierf onder meer grote delen van wat nu de uitgestrekte landgoederen Gorp en Roovert en De Utrecht zijn. In de loop der jaren wist hij ook stukje bij beetje, als een puzzel, het latere Annanina’s Rust ‘bij elkaar te leggen’. In de volksmond heette het aanvankelijk ‘Mieltjes Bos’, wat aan duidelijkheid niets te wensen overliet. Het grootste deel, bestaande uit kleine landbouwperceeltjes van keuterboertjes (zie boven), liet hij bebossen met grove den, beuk, Amerikaanse eik en zomereik. Dit met het oog op de jacht, hij was immers een hartstochtelijk jager. In het zuidwestelijke deel werden enkel beuk en zomereik geplant, als parkbos voor aangename wandelingen. Zeer tot zijn verdriet heeft hij er nooit mogen jagen. Het ‘heerlijke jachtrecht’ was namelijk in bezit van de Tilburgse fabrikant Hubertus Swagemakers. Die had dat alleenrecht over maar liefst 9000 hectare (= 90 km2) in Midden Brabant. Met andere woorden: niet alleen op Annanina’s Rust maar ook op

veel andere eigendommen zag Huijsmans zich door de fabrikant gedwarsboomd. Pas in 1923, drie jaar na Huijsmans’ dood, kreeg de Jachtwet, die het heerlijke jachtrecht afschafte, zijn beslag. Het werd afgekocht per hectare. Sinds die tijd is het grondeigenaren toegestaan op eigen grond te jagen; of er de jacht aan anderen te verpachten. Na Huijsmans’ overlijden verkocht zijn weduwe alle in de loop der jaren verworven gronden. Zo kwam Annanina’s Rust in handen van Emile Gimbrère, hoogleraar en later rector magnificus aan de Economische Hogeschool in Tilburg. Hij en zijn gezin brachten er veel tijd door in een vakantiehuisje. Er werd zelfs een zwembadje aangelegd. Dit alles moest verbetering brengen in de gezondheidstoestand van een van de kinderen. Gimbrère overleed in 1974, waarna zijn weduwe Philomena Herculeijns het landgoed verkocht aan Brabants Landschap.

Kleine Anna Annanina is Russisch voor ‘kleine Anna’, een koosnaampje. Geen vrouwelijk lid van noch de familie Huijsmans noch de familie Gimbrère droeg die naam. Waarschijnlijk – maar ook weer niet helemaal zeker – was Anna de naam van Huijsmans’ maîtresse. Wellicht was zij (tijdelijk) ‘ondergebracht’ in een zomerverblijf op het landgoed, zeg maar hun beider ‘liefdesnestje’. Iedereen wist dat hij die maîtresse had, maar hij zal natuurlijk niet openlijk met haar naam te koop hebben gelopen, dat spreekt voor zich. Een andere naamsverklaring is minder romantisch van aard en eerder luguber. Volgens de mondelinge overlevering – er staat niets van op papier – zou zich in vroeger tijd ter plekke een drama hebben afgespeeld. Een zekere Anna en haar dochter Nina zouden zich hebben verhangen of verhangen zijn en liggen begraven op een plek die later de Hemelberg is gaan heten.

Horen, zien en zwijgen De keuterboertjes die er land pachtten, spraken niet van Annanina’s Rust maar van ‘Nooit Rust’. De boerderijtjes, akkertjes en weitjes lagen alle omzoomd door eiken en populieren. Door de schaduw- en bladval kon er op die kleine perceeltjes cultuurgrond niet veel groeien. En wat nog opkwam, werd afgevreten door konijnen en hazen. Huijsmans’ weduwe, Marie Louise Henriëtte Sletering, woonde in een groot wit huis in Hilvarenbeek, wat nu de pastorie is. Ze was maar liefst 40 jaar jonger dan haar man, wat deze ‘krasse knar’ er toch niet van


r on d t i lb u r g

231

Emile Huijsmans met zijn vrouw Marie Louise HenriĂŤtte Sletering, 1910.


r o n d til bu r g

Annanina’s Rust

232

weerhield om er een buitenechtelijke relatie op na te houden. (De man moet onverzadigbaar zijn geweest). Hierdoor wellicht verbitterd, verwerd zij tot een lastig en grommig wijf, dat haar dienstbode slecht behandelde en niet alleen haar. Boer Braam, een van de kleine pachters, woonde in een boerderijtje midden in het bos. Zijn dochtertje Marie was in dienst bij dokter Bloem en diens vrouw, sociaal voelende, humane mensen die haar goed behandelden. Dit was kennelijk tegen de zin van de weduwe Huijsmans, want ze eiste van Marie’s ouders dat ze bij haar kwam wonen en werken. Zo niet, dan zouden Braam en zijn vrouw uit hun boerderijtje gezet worden. Een andere pachter die over haar grillen mee kon praten, was Jan van Hamond. Hij woonde in een boerderijtje aan de Bremstraat, een keuterige boel met een paar koeien, een varken en wat kippen. Ook hij was aan de machtswellust van ‘madame’, zijn huisbazin, overgeleverd. Zo moest de arme Jan elke week 20 eieren afleveren bij de feeks. Als hij dan ’s morgens om 10.00 uur aanbelde, zei de dienstbode dat hij om 14.00 uur terug moest komen, want mevrouw had geen tijd. Om 14.00 uur belde Jan weer aan. Het meisje vertelde dat mevrouw zo lastig was, dat zij haar niet dorf te storen. Hij moest maar om 16.00 uur terugkomen, als de bui over was. Dus trok Jan om 16.00 uur maar weer eens

aan de bel. Dan kwam mevrouw aan de deur, keek in het mandje en vroeg of de prijs nog f 0,03 per stuk was. Jan antwoordde bevestigend. Dan merkte het serpent op: Maar er zijn drie kleintjes bij, daar geef ik maar f 0,02 cent voor. Jan kreeg f 0,57 uitbetaald en moest daar ook nog eens het kalkoenhok voor uitmesten. Als hij de helft had gezegd van wat hij toen dacht, had hij diezelfde dag nog op straat gestaan. In die tijd was het horen, zien en zwijgen. Jan moest keihard werken om rond te komen. Naast het runnen van zijn eigen boerderijtje moest hij nog daglonen: rogge maaien, aardappels rooien en ’s winters houtwallen uitdoen. Van gerooide eiken verkocht hij de schors aan looiers in Hilvarenbeek. ‘Witzand’ verkocht hij voor een stuiver de mand aan burgers. Al dit zware werk werd ook nog eens slecht betaald. Nog een geluk dat Jan ieder jaar zijn varken op gemakkelijke wijze kon mesten. Het dier lag in een buitenhok te wroeten. Omdat boerderij en erf zo dicht door bos waren omzoomd, vielen de eikels en kastanjes zo binnen de omheining. Het dier kreeg er nog gekookte aardappelen en roggemeel boven op. Als gevolg van dit gevarieerde en hoogwaardige voer was het vlees van dit varken bijzonder lekker, een delicatesse. Jan en zijn gezin zullen het wel hebben moeten afstaan aan de ‘zwarte weduwe’ uit Hilvarenbeek.


Groenendael In huis gebeuren de meeste ongelukken

19 h e c t ar e

ni e t t oe ganke li j k

233

intact. Op zijn eenennegentigste overleed hij ten gevolge van een merkwaardig ongeval. Uit de mooiste eik achter zijn kasteel had hij een doodskist laten maken en die op de overloop gezet. Bij het sluiten van een venster woei de kaars in zijn hand uit, waarop hij in het donker over zijn eigen kist struikelde en daarbij een been brak. Hij kreeg er een infectie aan waaraan hij zes weken later stierf. Hij werd met militaire eer begraven. Het park, de moestuin en de oprijlaan zijn aangelegd door de volgende eigenaar Hubert Swagemakers, heer van Hilvarenbeek, Diessen, Riel en Westelbeers. In 1956 kwam Groenendaal in handen van de N.V. Philips Gloeilampenfabriek, welk concern midden jaren ’90 een groot conferentieoord op het terrein liet neerzetten: het ‘Philips Management Training Centre’. Het grootste deel van het park wordt omgeven door grachten, waarvan de aftakkingen donkere vijvers vormen. Voor de teambuilding is in het park een outdoor parcours aangelegd.

va n der weegen

D

i t g o e d is genoemd naar Jan van Groenendael, een leenman van de hertog van Brabant die leefde omstreeks het midden van de veertiende eeuw. Er was sprake van een huis, omgeven door een gracht en een wal. Na drie generaties Groenendael en nog wat eigenaren kocht Marcellis van Brecht: een steenen omgraven huys, genoemd Groenendael, een poirte, valbrugge, erve, hof, scuer, bouhuys, somerhuys en andere zijnde structuren binnen water gelegen en graften daaromme ende omtrent lopende mitsgaders ook die wallen, dijcken, structuren en houtwassen. Onder de vele eigenaren de eeuwen daarna was de Franse luitenant-kolonel Jacques Joseph Majoie wel de meest ondernemende en schilderachtige. Hij nam Groenendael in 1837 over en kwam er na zijn pensionering in 1842 vast wonen om er te gaan boeren, op moderne wijze nog wel. Hij liet het kasteel herbouwen in empirestijl. Zo verschijnt het nog altijd aan ons, als een klassiek Nederlands landhuis met mooie verhoudingen. Wel liet hij een van de gewelfkelders en de om het huis lopende gracht


Rond Den Bosch en Vught ... ... zoals Parijs en Versailles

76. Coudewater 77. Wamberg 78. Kasteel Maurick 79. Oud Herlaer 80. Nieuw Herlaer 81. De Ruwenberg 82. Dennenboom 83. Zegenwerp 84. Haanwijk 85. Pettelaar 86. Zionsburg 87. Elzenburgh / Kapellebos 88. Wilhelminapark 89. Leeuwenstein 90. Voorburg 91. Steenwijk 92. Zwijnsbergen 93. Coebax 94. Wargashuyse 95. Sparrendaal 96. Jagershagen 97. Eikenhorst 98. Beukenhorst 99. Bleijendijk 100. Venrode 101. Halse Barrier 102. Sparrenrijk 103. Kasteel Stapelen 104. Heerenbeek 105. Velder 106. Baest 107. Seldensate 108. Kasteel Heeswijk 109. Kasteel Nemelaer 110. Zwanenburg

de carnavalsnaam voor Den Bosch luidt ‘Oeteldonk’, te herleiden tot ‘oetel’, een kikker, en ‘donk’, wat staat voor een zandige opduiking in een moerassig terrein. Aan deze geografische ligging dankt onze provinciehoofdstad zijn voormalige strategische ligging. Ze ligt aan een soort ‘delta’, een punt waar veel Brabantse beken vanuit het zuiden samenkomen vóór ze als Dieze gezamenlijk verder gaan naar de Maas. Eeuwenlang gaven de beken wateroverlast en deden ze het gebied ten zuiden van de stad grote delen van het jaar blank staan. Temidden daarvan zaten de Bosschenaren veilig hoog en droog op hun donk. Lange tijd was de stad onneembaar voor vijanden. Hetzelfde principe gold voor de vele kasteeltjes – waaruit de eerste landgoederen ontstonden – gelegen op natuurlijke of kunstmatige verhogingen aan de Aa, Dommel Ma

as

76 77

85 86 79 80 89 78 84 81 93 90 94 87 91 99 95 101 83 98 96 88 100 97

92

102 109 103

105 104

106

107 108 82

110


275


Xxxxxx

276

en Essche Stroom. Aan oude prenten en kaarten is nog het beste te zien dat het hier om onneembare waterburchten ging. En de heren van deze kastelen stichtten weer ‘lenen’, ontginningen met daarop een boerderij, iets verder op. Eventueel ontstonden hieruit weer nieuwe kastelen. Zo werden vanuit Oud Herlaer, tegenwoordig niet veel meer dan een boerderij op een terp, de kasteeltjes Nieuw Herlaer, Kasteel Maurick, Ruwenberg, Zegenwerp en Haanwijk gesticht. ‘Dankzij’ de voortgang van de krijgskunde – zwaarder geschut – voldeden de kastelen al aan het einde van de Middeleeuwen niet meer aan hun militaire functie. En met de uitvinding van de genie, een nieuw legeronderdeel, wist Frederik Hendrik in 1629 het Bossche Broek leeg te malen en de stad in te nemen. De zekerheid van de ‘splendid isolation’ was verdwenen en tegen het broek werd nu heel anders aangekeken omdat men er zo weinig mee aankon, bouwen bijvoorbeeld. De schrijver van reisboeken Christiaan Hendrik Clemens schreef in 1840 lovend over Den Bosch als een stad met ruime pleinen, fraaie gebouwen, prachtige hoofdkerk, reine, luchtige straten en bekoorlijk casino. Overeenkomstig zijn tijdgenoten verfoeide hij echter de moerassige omgeving: Iets echter ontsiert u, het zijn de biesrijke, moerassige gronden, die u des zomers, als een verpestende gordel, omgeven. Logisch dat werd aangezet voor een reuzensprong over het moeras heen. Vught werd dé trekpleister voor naar rust en ruimte snakkende, welvarende Bosschenaren voor wie de stadsommuring te verstikkend, de stad te overbevolkt en de Binnendieze te stinkend werd. Vught daarentegen bood bijna alles wat de stad niet had. Geen wonder dat men hier zijn toevlucht nam en grond kocht om er een buitenhuis te bouwen voor permanente of periodieke bewoning. Het mes sneed aan twee kanten: de Bosschenaren profiteerden van het buitenleven, maar konden zich in geval van nood snel terugtrekken achter de ‘veilige’ muren van de nabij gelegen vesting. Aldus verrezen er in Vught, temidden van prachtig aangelegde parken, de meest schitterende villa’s en buitenplaatsen.


Vught kende lange tijd een lineaire structuur. Rond 1800 kreeg het de vorm van een gelijkbenige driehoek, met in de top de oude kern van de gemeente. Van daaruit liepen de steenwegen naar respectievelijk Tilburg en Eindhoven. Deze driehoek vulde zich geleidelijk helemaal op met buitens. Het is het landgoederenlandschap rond Vught maar van Den Bosch geworden. Het waren immers de bestuurders en nieuwe rijken uit deze stad die hier hun prachtlievendheid en/of interesses botvierden. Vergelijk het een beetje met de relatie tussen Versailles en Parijs. En toeval of niet: het waren ook de ideeën die ons met de Franse tijd kwamen aanwaaien, die een belangrijke rol speelden bij de landgoedinrichting. In deze lustwaranda ontmoeten we Fransgezinde bestuurders en aanhangers van Franse filosofieën, zoals het fysiocratisme, wat de ontginning van de Meierij geen windeieren heeft gelegd. De landgoedeigenaren in het Bossche waren via huwelijk sterk aan elkaar gelieerd, meer dan elders. Vooral de families Van Lanschot en Van Rijckevorsel onderscheidden zich op dit vlak. Ook beroepsmatig gezien was het op een gegeven moment één mêlée. Geld en macht hebben nu eenmaal veel, zo niet alles, met elkaar te maken. Binnen een en dezelfde ‘landgoedfamilie’ had je leden die het (aanzienlijke en/of lucratieve) beroep van bestuurder, bankier of koopman uitoefenden, en allemaal even succesvol, temeer omdat je elkaar als familie natuurlijk steunde, een zelfversterkend mechanisme. Vielen je via vererving meerdere landgoederen toe, dan kon dat reden zijn tot verkoop, men had er op een gegeven moment gewoon teveel van, het was niet langer overzichtelijk. In dit hoofdstuk zijn ook landgoederen opgenomen die daar ruimtelijk gezien ogenschijnlijk niet thuishoren, maar historisch wel. Baest onder Middelbeers is in oorsprong een zestiendeeeuwse bisschoppelijke buitenplaats en Nemelaer was een cadeautje van de commissaris van de koningin – die zelf op Heeswijk woonde – aan zijn zoon. Bovendien ligt het aan de Nemer, de bovenloop van de Essche stroom; en die gaat naar Den Bosch toe ...

277


Haanwijk Wie spande de haan?

br a ba nts la ndscha p

215 h e c t ar e

vr i j t oe ganke li j k

294

A

Hanig

l in de Romeinse Tijd – de eerste eeuwen na Christus – werd Haanwijk permanent bewoond. Er zijn tenminste vondsten gedaan uit deze periode die wijzen op landbouw, ambachtelijk leven en handel. ‘Wijk’ is afgeleid van het Latijnse woord ‘vicus’, wat burcht betekent. En de haan is door de Romeinen in onze streken ingevoerd. De kern van het landgoed ligt op een natuurlijke hoogte of ‘donk’. De voor het gebied zo kenmerkende dijkjes zijn van diverse oorsprong. Sommige werden aangelegd om woningen en akkers te beschermen tegen het water; andere om de donken onderling te verbinden (om droogvoets te kunnen gaan); weer andere zijn restanten van de liniedijk die Frederik Hendrik in 1629 liet aanleggen bij het beleg van Den Bosch.

Zwitserse roots Het landhuis is in 1649 gebouwd op een hoge plaats in een verder moerassige omgeving door Jacob Sweerts (of Zuerius) de Landas. Hij behoorde tot een Meierijse familie van wol- en lakenhandelaren, die het tot de adelstand had geschopt. Op zijn vijfenvijftigste trouwde

hij nog met een zeventienjarig meisje. De muurankers in het gebouw geven nog het bouwjaar aan en ook de knotlindes voor het huis zouden uit die tijd stammen. In de achttiende eeuw trouwde een vrouwelijke telg uit dit geslacht, Christina Clementia, met baron Marc du Tour. Hun zoon Onno Tamminga werd officier in het Staatse leger. Een van zijn dochters trouwde met Christiaan van Beresteyn van het aangrenzende Maurick. Na een onverkwikkelijke familieruzie – op een gegeven moment werd vanuit Haanwijk zelfs ‘het stinkt hier naar beren’ geroepen – mocht men niet meer over de hoofdingang die via Maurick liep. Vanaf die tijd kon men Haanwijk alleen nog bereiken via de ‘nooduitgang’ over Halder, de met fraaie platanen beplante laan die voor de tegenwoordige bezoekers toch oogt als de hoofdingang. Een andere dochter trouwde met Charles August Senarclens de Grancy, een Zwitserse militair zonder een duit die hier eind achttiende eeuw verzeild was geraakt nadat zijn oudste broer het familielandgoed – inhoudende de twee Zwitserse dorpjes in de naam – had geërfd. ‘Dan maar Haanwijk’, moet Charles gedacht hebben. Over zijn kleinzoon Guillaume, die Haanwijk in 1873 erfde, zijn prachtige verhalen bekend. Zo was hij in zijn stu-


r o n d d en bo s ch / vu g h t

Haanwijk

296

dententijd eens door vrienden opgesloten in een kamertje alleen met een vrouw. Edelman als hij was besloot hij met haar te trouwen, niet uit liefde maar uit eer en om roddel en achterklap te vermijden. Na haar dood hertrouwde hij met een vrouw van wie hij wel echt hield. Omwille van een ernstig zieke dochter werden koetsiers verplicht stapvoets langs Haanwijk te rijden, zodat er niet teveel stof opwaaide. Een andere dochter, Berthe, kreeg van vader te horen dat ze vanwege een verbrijzelde schouder maar het beste door kon leren omdat ze toch nooit aan een man zou komen. Zij werd het eerste meisje dat in zes jaar het stedelijk gymnasium in Den Bosch doorliep, waarna ze rechten ging studeren in welke studie ze zelfs de graad van doctor haalde. Duidelijk is wel dat het hier om een sterke persoonlijkheid ging. Trots droeg vader op haar de adellijke titel van jonkvrouwe over. En trouwen kon ze ook, met Nicolaas Bink, advocaat te Rotterdam, waar ze ook gingen wonen. Uit hun huwelijk is een dochter geboren die ook Berthe heet, maar in de wandeling ‘Pluis’ wordt genoemd. Ze is niet van adel zoals haar moeder omdat vrouwen hun adellijke titel niet kunnen overdragen. Vanaf 1953 woont ze vast op Haanwijk met haar zoon Bert. In 1984 werd het landgoed verkocht aan Brabants Landschap, terwijl huis, bijgebouwen en tuin in erfpacht werden genomen. Om de kosten van het dure onderhoud te kunnen opbrengen, wordt koffie- en theehuis ’t Haantje – met terras – uitgebaat.

De uitverkoren das ... Het beheer van Brabants Landschap is er op gericht het agrarische cultuurlandschap te versterken. Oudere houtwallen en knotbomen worden onderhouden en nieuwe worden aangelegd of gepoot. Het beheer van de graslanden is speciaal gericht op de das. Ze worden bemest met ruige stalmest ter bevordering van het bodemleven, vooral regenwormen, het stapelvoedsel van deze marterachtige. De boerderij op Sterrenbosch was jarenlang de woon- en werkplaats van de Bossche kunstschilder Leon Adriaans (1944-2004), een eigentijdse Van Gogh die veel inspiratie putte uit het eenvoudige boerenbestaan. Brabants Landschap heeft de boerderij ingericht als ruimte waar gewerkt kan worden in de geest van de overledene. Zowel dit sterrebos als een in het centrum van Haanwijk zijn vervallen en nog nauwelijks als zodanig te herkennen. Met omgeving vormt Haanwijk een ‘groene poort’ die de inwoners van Den Bosch en omgeving toegang verschaft tot ‘Het Groene Woud’, het open gebied binnen de stedendriehoek Den Bosch – Eindhoven – Tilburg.

Ruige weilanden met houtsingels, solitaire bomen en kikkerpoelen – dit alles in kleinschalige afwisseling – vormen een belangrijk foerageergebied voor de das, die hier dan ook veel burchten heeft. Rechts onder: Laan in het voormalige sterrebos.


r on d d en bo s ch / vu g h t

297


r o n d d en bo s ch / vu g h t

... werd vroeger uitgespoten

Haanwijk

298

Dit landgoed kent een grote oppervlakte aan biologisch beheerde akkers, waar akkeronkruiden als de klaproos alle ruimte krijgen.

Haanwijk staat al langer bekend als een rijk dassengebied. Hoewel al sinds 1947 wettelijk beschermd, is er nadien nog lang op dit dier geschoten, niet alleen door stropers maar ook door jagers. Dat was bijvoorbeeld het geval in 1951 op een landgoed ‘ergens in de omgeving van Sint-Michielsgestel’. Over de exacte locatie wordt tot op de dag van vandaag geheimzinnig gedaan, maar met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid ging het om Haanwijk. De voornaamste bron die vertelt over deze dassenjacht is het artikel ‘Met de brandspuit op jacht’, in het tijdschrift ‘De Nederlandse Jager’. De jachtgerechtigden van een jachtveld voelden zich benadeeld toen binnen enkele dagen wel twintig fazantennesten, meestal met de broedende hen er op, waren verwoest. De schuld werd gegeven aan dassen die in het jachtgebied een burcht hadden. Bij de Minister van Landbouw werd een bijzondere machtiging aangevraagd én verkregen. Een burgervader [= burgemeester!], tevens jager, wist er een oplossing voor. De brandweer ter plaatse moest toch een oefening houden met het oog op het aanstaande bosbrandseizoen, welke oefening nu kon worden gecombineerd met de dassenjacht. Met de motorspuit werd water in de pijpen van de dassenburcht gebracht, om de arme dieren te dwingen aan de oppervlakte te komen. Overal stonden verdekt jagers opgesteld. Na ruim drie uur spuiten had men succes: drie mannetjes, van ieder ruim 30 pond, werden neergeknald. Een onbekend aantal (moertjes en jongen) verdronk in de burcht. Aan allen, die hebben meegewerkt aan

het succes van deze wel zeer uitzonderlijke jacht, nog onze hartelijke dank, zo besluit de schrijver van het artikel. We moeten gissen wie dat was; hij ondertekent in ieder geval met de initialen A. I. Het wekt bij dassenonderzoekers verbazing dat deze jager dassen verantwoordelijk hield voor een slachting onder fazanten. Een drastische klopjacht op deze rovers was zijns inziens bovendien gerechtvaardigd om de hazen en konijnen te behoeden voor eenzelfde lot: Laten we hopen dat de actie in zoverre succes heeft gehad, dat in het najaar toch nog een redelijke haarwildstand aanwezig zal blijken te zijn. Van het veerwild is dit seizoen niet veel meer te verwachten, daar te veel broedsels vernield zijn. De das wordt hier afgeschilderd als een bloeddorstige vleeseter, als een marter of veelvraat, terwijl het in werkelijkheid om een gemoedelijke alleseter gaat.

Wat een man ... In 1850 verhuurde eerdergenoemde Christina Clementia Haanwijk voor f 200 per jaar aan de 68-jarige graaf Casimir von Schlippenbach, gewezen luitenant-generaal in dienst van het staatse leger. Hij was een telg uit een oud-Duits adellijk geslacht uit Koerland, tegenwoordig een deel van Letland, en had als officier van een regiment dragonders gevochten in Spanje en het tegenwoordige België. Deze boeiende figuur had een bibliotheek van meer dan tweehonderd titels, merendeels over de krijgskunde – waar hij ook zelf over publiceerde – en verder collecties van landkaarten en muziekwerken. Hij was rijzig van gestalte, knap van uiterlijk, gevat en – hoe


r on d d en bo s ch / vu g h t

kan het ook anders – zeer geliefd bij de vrouwen. Hij had niet alleen een actief en opwindend liefdesleven, maar gokte ook volop, vocht duels uit, hield zich bezig met de wapenhandel en zong basrollen in opera’s. Hij was kortom een veelzijdig en intrigerend persoon. Dit maken we allemaal op uit zijn in het Frans gestelde en 550 pagina’s tellende memoires, ‘Journal de ma vie’, dat rust in het Nationaal Archief en pas in 2007 is vertaald en uitgegeven, ‘Een oorlogsman van dezen tijd en beminnaar der sexe’. Op zaterdagochtend 28 juni 1755 stierf hij op Haanwijk onder verdachte omstandigheden. De officiële lezing van zijn dood luidde zelfmoord, maar na het lezen van het volgende geloof je dat niet meer.

O, gelukzalige eenzaamheid Von Schlippenbach was blij om aan het platvloerse gekonkel in Den Haag te kunnen ontsnappen. De rust en het isolement van Haanwijk, nog versterk door het overstromingsregime van de Dommel, waren hem zeer welkom. Het is een aangenaam oord, met bomen, tuin en wandelpaden. Maar het is erg moeilijk bereikbaar, vooral wanneer in de herfst en als het veel regent de Dommel buiten zijn oevers treedt. Ik vond het niet zo bezwaarlijk dat het lastig te bereiken is, want daardoor is mijn rust gewaarborgd. Bezoekers zouden die rust slechts hebben verstoord, want ik wilde mijn leven alleen leiden. En hoewel de ongemakken van zijn militaire loopbaan hem op zijn levensavond parten speelden – doofheid en een kunstarm – komt hij uit zijn memoires zeker niet over als een suïcidaal persoon. De gezonde buitenlucht hier

had al spoedig een wonderbaarlijke uitwerking op mijn gezondheid. Ik herstelde wel, maar bleef doof. Ik merkte maar al te goed dat pijn en ouderdom de grootste kwellingen zijn die een mens te verduren krijgt, maar ik besloot weldra mijn verdriet te verzachten met behulp van het verstand. Daardoor kon ik afstand nemen van de pijn, de ouderdom minder erg vinden en tevens met kalmte op de dood te wachten. Ik bereid me daarop voor, zonder die nochtans te wensen of te vrezen. Hij bracht zijn tijd op Haanwijk door met tuinieren, musiceren, het overpeinzen van zijn leven en, het belangrijkst van al, het schrijven van zijn memoires.

Kersen, zó slecht voor u Hij dicteerde aan zijn secretaris Pieter Lievens Kersteman, een twintigjarige voormalige dragonder uit zijn regiment, uit zijn aantekenboekjes die hij tijdens zijn militaire loopbaan had bijgehouden. De avond voor zijn dood soupeerde hij nog met Nicolaus Kruger, een op nonactief gestelde luitenant uit zijn oude regiment. Zoals gewoonlijk had Von Schlippenbach flink gegeten, vooral van het dessert bestaande uit aardbeien en kersen uit eigen tuin, waarna hij al om tien uur naar bed ging. De volgende ochtend had hij, naar zeggen van Kruger, last van een koliek ten gevolge van het te veel eten van fruit. Toen de huishoudster Margaretha Kersten, moeder van zijn secretaris, hem iets wilde geven tegen de pijn, hoorde ze net voor het binnenkomen van de kamer een schot vallen, waarop Kruger jammerend naar buiten trad. Diezelfde middag kwamen de drost, Abraham Verster, en

299


r o n d d en bo s ch / vu g h t

schepenen van Sint-Michielsgestel ogenschouw nemen. Von Schlippenbach had een schotwond in de borst, maar het pistool dat naast hem lag bleek ongeladen, wat natuurlijk al bijzonder verdacht was. Later die middag arriveerden, verwittigd door Kruger, de auditeur-militair uit Den Bosch met twee officieren en een stel soldaten die ‘manu militari’ de drost en zijn mannen naar buiten werkten: een staaltje van over-ruling. Alles wijst er op dat Kruger de moordenaar was en dat hij handelde op instructie van hogerhand. Roofmoord was immers uitgesloten, want er viel (aan contanten) weinig te halen bij de graaf, hij bezat alleen prangende schulden. Wie zou toch de opdrachtgever geweest kunnen zijn?

Haanwijk

300

Haanwijk-gate Gezien zijn penibele financiële situatie was het niet ondenkbaar dat Von Schlippenbach geld zou vragen voor kennis die hij anders wereldkundig zou maken. Dat was dat de zevenjarige stadhouder in spe, Willem Batavus ofwel Willem v, helemaal niet de zoon was van de in 1752 gestorven Willem iv. Er waren twee regenten voor hem aangesteld, hertog Lodewijk van BrunswijkWolfenbüttel, veldmaarschalk van het staatse leger en in feite de alleenheerser van Nederland, en zijn moeder, de eerzuchtige en dominante prinses Anna van Hannover. Zij hadden het volgende te verbergen. Willem iv had zoals bekend bij enkele intimi – waaronder onze Casimir! – de lichamelijke afwijking fimosis (voorhuidsvernauwing) waardoor hij niet in staat kon worden geacht een kind te verwekken. Willem v was dan ook waarschijnlijk het kind van jonkheer Douwe Idzard Sirtema van Grovestins, opperstalmeester en huisvriend van de prinselijke familie. Dit delicate familiegeheim mocht koste wat kost niet uitlekken. Het stadhouder-

Voormalig veerhuis het Vaantje.

lijk gezag was nog maar net hersteld en de positie van de Oranjes bij lange na nog niet geconsolideerd. Pas ver na Anna’s dood verschenen de geruchten over haar en Grovestins in druk in 1780, toen het stadhouderlijk gezag een toenemende druk van de revolutionaire patriottenbeweging moest verduren.

Kraakwijk Bij de afhandeling van Von Schlippenbachs erfenis bleek eens te meer zijn beroerde financiële situatie. Omdat zijn kleindochters bedankten voor de eer, werd de hele boedel geveild. Tijdens de veiling werden de zware deuren van de binnenplaats van Huize Haanwijk uit hun scharnieren gelicht om plaats te bieden aan het koopgrage publiek. Er stonden zoveel mensen op dat ze bezweken. Het geheel van de publieke verkoop bracht f 3226 en dertien stuivers op. Daarvan moesten talloze crediteuren worden betaald, onder wie zelfs het huispersoneel. Zijn lijfknecht Johannes Schavio eiste f 22 en 17 stuivers op, tuinman Hendrik van der Donck f 70 en 4 stuivers, koetsier Hendrik Neeff f 122 en 6 stuivers, terwijl werkmeid Geertruij Everts, keukenmeid Maria Notermans en huismeid Hermina van Esch samen nog ruim f 75 ontvingen. De inventaris van de boedel beslaat 100 pagina’s. Ze gunnen ons een blik in het leven van de woelige graaf. Hij bezat onder meer veel wapens, een rijtuig met vier koetspaarden en een schitterende garderobe met veel hemden met losse mouwen.


Pettelaar Aan de drank bij De Gruyter

Onder: Platanen in ‘boomboeketten’: meerdere bomen in één plantgat.

47 h e c t ar e

vr i j t oe ganke li j k

301

bedrijvigheid aan en was later van militair-strategisch belang. Zo verrees er in 1623 de Pettelaarse Schans, een belangrijke schakel binnen de ketting van vestingwerken rond ‘s-Hertogenbosch. De jaren daarna werd er in dit gebied zand gewonnen voor ophogingen binnen de muren van deze stad. Nadat het gebied zijn strategische betekenis had verloren, werd het vanaf 1748 ingericht als landgoed met lanen en zelfs een ‘sterrebos’. Eerst kwamen er boerderijen en in 1769 stond er al een herenhuis. Louis de Gruyter, van het gelijknamige Bossche bedrijf, kocht het landgoed met zomerhuis als buitenverblijf in 1870. Zijn zoon Jacques, die het concern groot maakte, liet het zomerhuis slopen en de huidige villa bouwen. Architect Keulemans leefde zich uit met 76 binnen- en buitendeuren. Toch was ook deze villa, ondanks de vele in- en uitloopmogelijkheden, uitsluitend in gebruik als zomerverblijf. Dankzij deze ‘grootgrutters’ – met in de hoogtijdagen midden jaren zestig 530 winkels en 7000 man personeel – staat het landgoed plaatselijk nog altijd bekend als het ‘Bos van De Gruyter’. Na het vertrek van de familie in 1972 is het huis nog verhuurd als meubelshowroom, casino en bordeel. In 1995 werd het landgoed verkocht aan Brabants Landschap.

br a ba nts la ndscha p

D

e na a m betekent een open plek in het bos, ‘laar’, waar je lekker kon ‘petten’, oud-Nederlands voor ‘drinken’, en dan beslist niet van water maar iets sterkers. ‘Petterig’ zei men van iemand die aan de drank was. En ook de vogel ‘putter’ of ‘petter’ was bij onze voorouders verdacht om zijn bonte kleurenpracht: te mooi om waar te zijn, het zal wel een zuipschuit wezen. Het landgoed ligt zowel op de van west naar oost lopende dekzandrug, waar ook de Loonse en Drunense Duinen deel van uit maken, als in het laaggelegen Bossche Broek. Het hoge deel trok al vroeg, in de eerste eeuwen na Christus, agrarische


Kasteel Nemelaer Geen donatie Een rover en een krasse knar

oor h e t e e rs t is sprake van Amelaer in een document uit 1303, waarin ridder Geerlinck van den Bossche door de hertog van Brabant wordt vrijgesteld van bepaalde belastingen, waarschijnlijk als beloning voor geleverde krijgsdienst. Hij bezat, aldus het stuk, onder Haaren een versterkte hoeve onder bovengenoemde naam, welke later nog via Emer evolueerde naar Nemer, het beekje dat nog altijd achter het kasteel langs stroomt. Het heeft dus niks met ‘nemen’ en ‘geven’ te maken, maar met de oeroude aanduidingen voor water ‘amer’ en ‘emer’, denk ook aan de Amer bij Drimmelen en de Emerhaven in Breda; en aan een emmer waar je water in kunt doen. ‘Laer’ of ‘laar’ is een oude benaming voor ‘bos’ en tevens ‘open plek in een bos’, als je er bijvoorbeeld een kasteel in bouwt. ‘Nemelaer’ betekent dus een nederzetting ofwel open plek in het bos aan de Nemer. Tijdens een diep ingrijpende ruilverkaveling begin jaren ’60 zijn in het cultuurland rondom Nemelaer zoveel heggen, houtwallen en bosjes gekapt, dat het landgoed daarna als een boseiland in een kale omgeving kwam te liggen: het landgoed werd het tegenovergestelde van zijn naamsbetekenis.

Een volgende kasteelheer, ridder Jan de Roover, droeg het goed op aan de hertog van Brabant om het weer terug in leen te krijgen, een truc om er via bijkomende privileges beter van te worden. En inderdaad, in 1357 kreeg hij het eeuwigdurende jachtrecht met visserij over een uitgestrekt grondgebied dat zich uitstrekte van Udenhout en Berkel-Enschot via Oisterwijk en Haaren tot Esch en Boxtel. Er werd wel aan toegevoegd dat bij gelegenheid de hertogen er zelf ook mochten jagen. (Dit recht is pas in 1936 op twijfelachtige gronden vervallen verklaard.) Door de eeuwen heen wisselde het kasteel via huwelijk en vererving continu van eigenaar en groeide het uit tot een imposante burcht – veel groter dan het huidige gebouw – met een dubbele gracht, bereikbaar via een stenen poort in de voorburcht en een houten ophaalbrug op jukken. Pas begin achttiende eeuw werd het omgebouwd tot het landhuis zoals we dat nu nog kennen. De keldergewelven dateren nog van de vijftiende, en de toren en de rentmeesterswoning van de zeventiende eeuw. De restauratie en verbouwing uit 1718 – zie de gedenksteen aan het bordes – was te danken aan baron Isaac van Cronström, een Zweedse avonturier die in het Staatse

V

167 h e c t ar e

vr i j t oe ganke li j k

362

br a ba nts la ndscha p

Emmer niet zo

Omstreeks 1915.


r on d d en bo s ch / vu g h t

leger verzeild was geraakt en daar was opgeklommen tot de rang van generaal. Met hem kwam Nemelaer voor het eerst in handen van een protestant. Zijn vrouw Anna van Tuyll van Serooskerken schonk hem 12 kinderen in 15 jaar tijd, waarna ze bezweek. Dat Isaac een echte hauwdegen was, blijkt wel uit het feit dat hij nog op zijn zesentachtigste opperbevelhebber wilde worden van de vesting Bergen op Zoom, welke stad hij na een lang beleg in 1747 prijs moest geven aan de Fransen. Wegens vermeend vluchten werd hij in staat van beschuldiging gesteld. Op Nemelaer schreef hij een verweer waarin hij aandrong op een eindvonnis – dat hem eventueel vrij kon pleiten – aan welk verzoek geen gehoor werd gegeven. Hij stierf op zijn negentigste en werd naast zijn vrouw begraven in de Nederlands Hervormde Kerk in Oisterwijk.

Papa’s grote vriend Een nog schilderachtiger kasteelheer – niet helemaal eerlijk want er is meer over hem bekend – was Donatus Alberic van den Bogaerde van Terbrugge. Hij groeide op in Heeswijk waar zijn vader André, de eerste commissaris van de koningin in Noord-Brabant, kasteelheer was. (Het zat dus in de familie.) Na zijn internaattijd blijkt er niets van enige studiezin of een vervolgopleiding. Van jongs af gedroeg hij zich als een echte landedelman en later ontpopte hij zich nog tot kunstverzamelaar en bouwheer. De jacht was zijn favoriete tijdverdrijf. Zijn vader, wiens oogappel hij was, deed hem in 1849 voor f 3000 de heerlijkheid Moergestel cadeau, wat inhield dat hij over een uitgestrekt gebied de enige rechthebbende was om

te jagen. De titel ‘heer van Moergestel’ plakte hij achter zijn naam waardoor deze nóg langer werd. Daarna was het zoeken naar een passende behuizing in de buurt, waarbij het oog op Nemelaer viel, dat in 1852 voor f 65.000 in de wacht werd gesleept. Er zat een landgoed bij met daarop ‘...stallen, boerderijen, daggelderswoningen en verdere gebouwen en getimmerten, lanen en opgaand geboomte, mitsgaders vijvers, tuinen, boomgaard, bouw-, wei-, bosch- en broeklanden en heidevelden te zamen groot honderd zeventien bunders.

363

Niet geschoold, wel geslepen In 1863 nam Donatus er geen genoegen mee dat zijn grondgebied over grote lengte doorkliefd zou worden door de nieuw aan te leggen spoorlijn van Tilburg naar Boxtel. Hij spande een proces aan tegen de staat, maar omdat het een werk was van openbaar nut, stond op

Links: Oprijlaan. Onder: Het beekje de Nemer, waar het landgoed naar is genoemd.


r o n d d en bo s ch / vu g h t

Kasteel Nemelaer

364

voorhand eigenlijk al vast dat hij zou verliezen. Dat wist hij zelf ook wel, maar het ging hem om de hoogte van de vergoeding en de rechten die hem eventueel toe zouden vallen. Hij wilde het onderste uit de kan halen. Onteigening een jaar later ging inderdaad gepaard met een fikse schadeloosstelling van f 37.775, waar f 125 van afgetrokken moest worden, te weten de kosten van het geding die voor rekening van de jonker kwamen: hij zal er niet echt mee gezeten hebben. Om op het afgesneden deel van zijn landgoed te kunnen komen, werd voor de kasteelheer een aparte overgang gemaakt. Bovendien kreeg hij het voorrecht de trein bij het kasteel te laten stoppen als hij er gebruik van wilde maken. Een knecht waarschuwde dan de machinist met een rode vlag.

Spooky In 1880 liet Donatus het kasteel naar een ontwerp van architect Snickers ingrijpend verbouwen in de stijl van de neorenaissance en neogotiek. Hiervan getuigen de siermotieven in het smeedwerk voor de ramen en ven­ sters. Er zijn mathematische figuren in te ontdekken als cirkels, ellipsen, parabolen en drie­, vier­ en veelhoeken. Aan de achterzijde kwam een uitbreiding met serres en een middenpaviljoen. De eenvoudige dorpelingen zagen de serres als een kooi waaruit ontsnappen onmogelijk was. Later ging het verhaal dat zijn vrouw erin opge­

sloten zat, krankzinnig werd en uiteindelijk zelfmoord pleegde. Deze volkse fantasie borduurde voort op het oudere verhaal van het spook van Nemelaer, waarbij het ging om het astrale lichaam van een jonkvrouw. Eeuwen geleden zou ze door de toenmalige kasteelheer in drie stukken zijn gehakt, waarna de lichaamsdelen in een ven werden gegooid. Verschillende malen is ze in mistige nachten gezien in de lanen die uitkomen op het kasteel. Drie mistspiralen trekken dan naar elkaar toe om de vorm van een wit gesluierde dame aan te nemen die in de richting van het kasteel verdwijnt, op zoek naar haar moordenaar.

‘Ik doe wat ik doe’ Hoewel hij nauwelijks openbare functies bekleedde – gedurende een periode was hij gemeenteraadslid van Heeswijk – is dankzij de vele bewaarde briefwisselingen toch een goed beeld te schetsen van zijn persoonlijk­ heid. Hij was zonder twijfel een levensgenieter, een ‘Bourgondiër’, die zich weinig beperkingen oplegde en er geen strenge moraal op nahield. Naast een hartstoch­ telijk jager was hij een fervent roker. Op de weinige foto’s die van hem bewaard zijn gebleven, zien we hem afgebeeld met een sigaar in de hand. Sigaren werden in vele soorten en merken op het kasteel afgeleverd. Op bewaarde prijslijsten van omstreeks 1890 prijken


de namen van Buen Aroma, El Trabajo, El Amo, Rosita, Tabardilla, Brasilenos, La Vida, El Sello en Leo XIII. De goedkoopste was El Barca (100 stuks à f 1,30) en de duurste Nora (100 stuks à f 3,10). Daarnaast zijn veel offertes en rekeningen bewaard gebleven van geleverde bieren, wijnen en champagnes. Het kan niet anders of Nemelaer moet een gastvrij huis geweest zijn. Zelfs zuidvruchten, voor die tijd een luxe, werden en masse geleverd. Zijn vrienden kwamen niet alleen uit eigen stand, maar waren ook van ‘eenvoudige’ komaf, zoals de onderwijzer van Moergestel Adriaan van Gool en diens familie. Uit een briefje van de laatste van 9-3-1883: Mocht er aanstaande Zondag geen belet bij Uw zijn dan bennen wij vast van voornemen om es te komen kaarten. Hij ging geen wettig huwelijk aan, maar woonde samen met Jacoba (‘Koosje’) Jansen, dochter van de hoofdonderwijzer van Heeswijk. Om deze relatie werd Donatus door zijn familie met de nek aangekeken, iets waar hij dan weer verbolgen over was en volgens velen wraak voor genomen heeft. Toch zit het iets complexer in elkaar.

Het geheim van de smid In 1891 liet Donatus een testament opstellen dat berucht is geworden en waar lange tijd vreemd tegenaan is gekeken. Om zijn beweegredenen goed te kunnen volgen, is enige voorkennis noodzakelijk. Donatus had het altijd goed kunnen vinden met de broer net boven hem, Louis, maar totaal niet met zijn oudste broer Amedée. Deze had tijdens zijn leven een grote schuldenlast opgebouwd, reden waarom hun vader hem niet liet delen in de erfenis. En nu dreigde Amedées zoon Henri dat alsnog op te eisen. ‘Oncle’ Donatus wilde daar met de volgende bepalingen in zijn testament een stokje voor steken. De kinderen van Henri, Willem en Othon, benoemde hij tot zijn wettige erfgenamen, onder voorwaarde dat Henri geen bewindvoerder zou zijn. Dat werd meester Emile van Zinnicq Bergmann, die alles moest regelen tot de jongste van de twee, toen twaalf, tachtig zou zijn. Tot die tijd moesten beide kastelen, Heeswijk en Nemelaer, onbewoond blijven, behalve door Koosje en een eventueel door de bewindvoerder aan te stellen bewaker. Omdat hij anders niet bediend kon worden, trouwde Donatus in 1895 enkele uren voor zijn dood met Koosje. De laatste sacramenten werden toegediend door de abt van Berne monseigneur Augustinus Bazelmans, omdat de pastoor van Heeswijk als ambtsdrager geen kerkelijk huwelijk mocht sluiten vóór het wettelijke gesloten was. Bij de begrafenis waren maar 13 personen aanwezig. Zijn stoffelijk overschot werd bijgezet in de familiegrafkelder op het kerkhof in Heeswijk. Een jaar later werd Koosje door de familie uitgekocht voor f 61.500. Zij moest afstand doen van Donatus’ legaten en binnen twee maanden beide kastelen verlaten. Ze ging wonen in Schijndel waar

Horeca is een nieuwe economische drager van het kasteel.

365


r o n d d en bo s ch / vu g h t

ze trouwde met Hein van Balkon, de smid van kasteel Heeswijk die zij al langer kende en al dat prachtige sierwerk voor Donatus had gesmeed.

Xxxxxx

366

En dan te bedenken dat Donatus een paar jaar eerder voor zichzelf (en Koosje?) een grafmonument met beelden had laten oprichten op een schiereiland van een ven op zijn landgoed. Toen seminaristen van Haarendaal op een winter bij het schaatsen de beelden ontdekten, waren zij aanvankelijk geschokt bij het zien van de naakte figuren, maar ontstaken al snel in heilige woede. De beelden werden van hun sokkel gestoten en ontdaan van aanstootgevende lichaamsdelen. De brokstukken werden op het ijs gelegd en zonken na het stoken van een vuurtje naar de bodem. Hieraan dankt het Beeldven zijn naam. De later opgedregde brokstukken worden nog altijd achter het kasteel bewaard.

Uit zijn as herrezen Onder de bewindvoerder werd houtvester Kees van de Loo als bewaker aangesteld, die het kasteel met zijn vrouw en acht kinderen ging betrekken. Zijn zoon Hein volgde hem op. Tijdens de Eerste Wereldoorlog bood het kasteel onderdak aan Belgische vluchtelingen en Nederlandse militairen en aan het einde van de Tweede Wereldoorlog waren er geallieerden gehuisvest. De kasteelboerderij ging tot drie keer toe in vlammen op, in 1911, 1944 en 1952, waarna ze steeds weer werd opgebouwd. Na het verstrijken van de termijn in 1964 verkochten de erfgenamen – ze konden dan toch eindelijk hun geld vangen – het landgoed van 126 hectare voor f 646.000 aan Brabants Landschap. Het vervallen kasteel werd er voor het symbolische bedrag van f 1 bijgegeven. Achtenzestig jaar van leegstand is niet bevorderlijk voor een (monumentaal) pand. Noodzakelijk onderhoud was achterwege gebleven, wat resulteerde in lekke daken en goten, vermolmde vloeren, rottend behang en afbladderende verf. In 1967 werd het kasteel voor een periode van 75 jaar verhuurd aan de ‘Stichting Kasteel Nemelaer’, speciaal opgericht met het doel het te behouden en passend te exploiteren. In 1969 brak er op de zolder, die was verhuurd aan een galerie, brand uit. Veel vloeren en het dak moesten worden vernieuwd, waarna het weer op de lijst van rijksmonumenten werd gezet.


r on d d en bo s ch / vu g h t

367

Geheel boven: Het Beeldven. Rechts: Een stroomversnelling in de ‘bypass’ die is gegraven om een stuw in de Essche Stroom te omzeilen; uiteraard voor vissen en andere waterdieren.


Land van Cuijk De Maas de baas

Xxxxxx

372

afgaande op het ontstaan van deze landgoederen en hoe het hen verder verging, zou je kunnen zeggen dat het Land van Cuijk er altijd maar een beetje bij heeft gehangen; niet typisch Brabants was. En inderdaad, het is altijd een speelbal geweest tussen Brabant, Holland, Gelre en Duitsland, tot de laatste wereldoorlog aan toe. En voor de boodschappen in de grote stad gaan de inwoners nog altijd naar Kleef of Nijmegen. En voor het streeknieuws lezen ze de krant uit die laatste plaats. Gezien de ligging in het noordoosten van de provincie hadden we voor dit boek aansluiting kunnen overwegen bij de Peel. Dat is niet gedaan omdat de landgoederen in het Cuijkse van véél oudere datum zijn. En zoals het oude eerbiedwaardige landgoederen betaamt, liggen ze op veel betere grond. In de beginsituatie was dat moe-

111. Mariëndaal / Russendaal 112. Kasteel Tongelaar 113. Barendonk 114. Ossenbroek 115. Hiersenhof

Wa a l

Ma

as

111

112

Ma a s

113 115 114


ras, waar het wemelde van het wild en de heren van Cuijk graag kwamen jagen. Zowel de vruchtbaarheid als het waterige karakter hadden te maken met de nabijheid van de Maas. Die gaf en nam: rivieren zijn net als de zee. De vruchtbaarheid kwam door het afzetten van slib, het gevaar van overstromingen. Om het buitenlandse karakter van het Land van Cuijk hoef je niet echt te treuren. Integendeel, het vormt een aantrekkelijkheid. Want hoe ‘Bels’ is de Brabantse Wal, hoe Haags Breda, hoe Frans Den Bosch en Amerikaans de Peel? Bij een dynamische geschiedenis en open samenleving blijven we gelukkig niet ‘van vreemde smetten vrij’: anders zou alles maar bij het oude blijven. En de ‘goeie ouwe tijd’ heeft nooit bestaan.

+

+ + +

373


Kasteel Tongelaar Oorverdovende stilte in een roerig strijdgebied

br a ba nts la ndscha p

418 h e c t ar e

vr i j t oe ganke li j k

376

D

Echt Floris-kasteel

e g e s c h re v e n geschiedenis van dit landgoed begint in 1282 toen Jan i, heer van Cuyc, zijn versterkt kasteel Tongelaar gaf aan Floris v, graaf van Holland, wat deze de mogelijkheid bood hier krijgsvolk te stallen. Deze gaf het als leen direct terug aan Jan, die van volle eigenaar dus leenman werd, een degradatie zou je denken. Door veertien jaar later als leenman te bedanken, verklaarde hij Floris min of meer de oorlog. Nog datzelfde jaar kwam de Hollandse graaf bij een aanslag in Muiderberg – eigen grondgebied! – om het leven, waarvan Jan, hoewel niet lijfelijk aanwezig, het brein werd geacht. De omgeving van Cuijk en Grave, zeg maar het noordoosten van Brabant, is de hele geschiedenis door de inzet van veel strijd geweest. Het lag op een kruispunt van wegen, waar de invloedssferen van de kleinere staatjes Brabant, Holland en Gelre en het veel grotere Heilige Roomse Rijk (‘Duitsland’) elkaar raakten. Zo waren de heren van Cuijk in de dertiende en veertiende eeuw bondgenoten van de hertog van Brabant en vochten ze onder meer mee in de beroemde

slag bij Woeringen (1288) tegen Gelre en Keulen. In de Tachtigjarige Oorlog was het Land van Cuijk, na de inname van Grave door Maurits, tot de Vrede van Münster in 1648 een speelbal tussen de Republiek en Spanje. De garnizoensstatus van Grave had zijn consequenties voor Tongelaar, dat een deel van de inkwartiering voor zijn rekening nam. Van de 100 onder Gassel te legeren militairen, moest Tongelaar er 27 herbergen. Omdat het de beste accommodatie bood, waren dat vanzelfsprekend de hogeren in rang. Eigenlijk waren het er 13, maar ook (of zeker) toen was niet iedereen gelijk: 7 manschappen / onderofficieren en 6 officieren, waaronder een regimentscommandant (die voor 5 telde), een overste en majoor (ieder voor 4), een ritmeester (voor 3) en een luitenant en kornet (ieder voor 2). Eenmaal de vrede getekend vond men nog geen rust, letterlijk en figuurlijk. Nadat het kerkje van Escharen in 1648 in protestantse handen was gevallen, kwam het tot verval: er waren immers nauwelijks protestanten om het te onderhouden. In de ruïne vestigde zich de schoolmeester – een protestant, want


l an d van cu ijk

katholieken mochten zo’n functie niet bekleden – die er ook koeien hield en er tenslotte een herbergje begon. Deze ontheiliging van gewijde grond was de heer van Tongelaar, Hendrik van Berchem – een vrome katholiek met zelfs enige theologische drukwerkjes op zijn naam – teveel. Hij startte een procedure om de beenderen van zijn voorouders uit de ruïne te laten verwijderen en in het Boxmeerse te laten herbegraven. En zelfs nog in de twintigste eeuw, aan het begin van de laatste wereldoorlog, lag Tongelaar in de vuurlinie. Het maakte onderdeel uit van de Peel-Raamlinie die liep van Grave tot Budel-Dorplein. Ze bestond uit een kanaal met om de 200 meter kazematten, betonnen verdedigingswerken waaruit gevuurd kon worden. Verder maakten prikkeldraadversperringen, loopgraven, mijnenvelden en vrije schootsvelden deel uit van de linie. In mei 1940 hebben de 3000 man bij Mill meer dan 24 uur stand gehouden tegen een veel grotere Duitse troepenmacht. Ze voerden hun beperkte opdracht met succes uit: het doorstoten van de vijand vertragen. In de ‘Slag bij Mill’ sneuvelden aan ‘onze’ zijde 31 militairen en 9 burgers.

Gerooide schat Geheel in overeenstemming met het geopolitieke brandpunt dat het Land van Cuijk was, vormden de heren en dames van Tongelaar een interregionaal en zelfs internationaal gezelschap, waarbinnen eveneens lijnen uit het oosten, noorden en zuiden samenkwamen. Na de van

Cuijks zien we onder meer de geslachten Van Merwick en Van Bocholt en dan een reeks Belgische adellijke families, te weten Van Berchem, De Hinnisdael en De Thiennes de Lombise. Charles de Thiennes werd in 1815 bij de totstandkoming van het Koninkrijk der Nederlanden (Nederland en België werden gedurende een korte tijd één) voorzitter van de Eerste Kamer, geen onnozelaar dus. Onder zijn dochters die het kasteel erfden, moesten voor de verbreding van de Beerse Overlaat, waterberging ‘avant la lettre’, de prachtige eikenbossen van Tongelaar eraan geloven: Een groot gedeelte der eeuwen ouden eiken, die vroeger in den omtrek van de Tongelaar de bewondering van ieder tot zich trokken, bestaan niet meer, voor eenige jaaren [midden negentiende eeuw] zijn die bosschen gedeeltelijk uitgeroeid, om aan de Beersche Maas een vrijere loop te verschaffen. En om dezelfde reden moesten delen van het landgoed bij Koninklijk Besluit met 30 duim worden verlaagd. Omdat de eigenaars vanaf de zeventiende eeuw zelden op het kasteel vertoefden, was het tegen het einde van de negentiende eeuw zo sterk verruïneerd dat zelfs de rentmeesters er niet meer wilden wonen. De waarde van het kasteel werd in zijn mysterie gezocht. Hardnekkig was het geloof in een verborgen schat, waarover in de plaatselijke kranten tot ver in de twintigste eeuw werd geschreven. Om zicht te houden op de schat, bouwde Gaeten de Thiennes bij de verkoop van Tongelaar in 1917 een clausule in. In de akte werd de voorwaarde gesteld dat verkoper ... zich voorbehoudt den eigendom van alle voor-

377

Getekend door J. Christ en gegraveerd door C. Vieweg, 1846, lekker ‘spooky’.


l an d van cu ijk

Kasteel Tongelaar

378

werpen van kunst, oudheden, munten en schatten die zouden worden ontdekt in het vroegere kasteel en speciaal in den toren. De openbare verkoop schetst een beeld van het landgoed waaraan het in grote trekken nog altijd voldoet: ... met kasteel, opzichterswoning, tien vruchtbare boerderijen, boomgaard, tuin, kweekerij, bouw- en weiland, lanen en wegen, dijken, opgaande boomen, bosschen, schaarhout enz. De boerderijen waren ... alle gelegen langs goed onderhouden wegen en bestaande uit huis, hal, schuren, erven, tuin, bouw- en weiland. Het geheele landgoed is doorsneden met tot het te verkoopene behoorende breede lanen met opgaande boomen en rijwielpaden, alles uitstekend onderhouden. Het te verkoopene ligt geheel aaneengesloten, wordt door geen publieke wegen doorsneden en is met geen erfdienstbaarheden belast. Wildrijk jachtterrein. Tenslotte wordt in de verkoopakte nog gesproken over een kapel in het kasteel, een boomgaard en een groten moestuin. Net vóór de verkoop van de heerlijkheid werden nog 772 eiken en 601 canada’s (populieren) op stam verkocht, maar er bleef genoeg opgaand geboomte over: 1883 welwassende eikenboomen, 3181 canadaboomen, 71 beukenboomen, 23 iepenboomen en ongeveer 40 kastanjeboomen. Voorts 360 fruitboomen staande in de boomgaard en nabij de verschillende boerderijen. Al een jaar na verkoop aan jonkvrouw Louisa van Nispen, werd Tongelaar doorverkocht aan de gebroeders Van Wagenberg uit Vlijmen, waarmee een nieuw tijdperk intrad.

(Niet) grien(d)en De Van Wagenbergs joegen er niet alleen graag, ze zullen hun begerig oog ook hebben laten vallen op de percelen met wilgenhakhout, ‘grienden’, die een eeuw eerder de eikenbossen op Tongelaar waren komen vervangen. Ze hadden in Vlijmen immers een mandenfabriek. Het Tongelaarse teenhout vond daar zijn bestemming,

hoewel de opbrengst tegenviel. Uit een brief van Frans van Wagenberg aan archivaris Douma (1981): Uit die tijd [jaren ’20] herinner ik mij dat de zgn. ontginning geen groot succes was, zeker niet in de eerste tijd. De tewerkgestelden waren eerstens niet aan dit soort werk gewend omdat zij o.a. waren kleermakers, schoenherstellers etc. En tweedens hadden zij er niet veel zin in. De griendhoutcultuur werd deels omgezet in appel- en perenteelt, waarvan het areaal omstreeks 1950 circa 70 hectare besloeg. Datzelfde jaar onthult hij in een brief aan oud-directeur Dolf Gijtenbeek van Brabants Landschap meer bijzonderheden: Van het kasteel liep een brede sloot richting Raam. Voor het vervoer van teenhout kon er met gemak een schuit van twee meter breed over. Verder weet hij zich nog te herinneren dat in die tijd de kasteeltuin werd doorsneden door een kruis van paden en dat aan het kasteel een vaste timmerman verbonden was. Een vroeg toeristische beschrijving van Tongelaar vinden we in ‘Met het schetsboek door Brabant’ (1924) van Jan Looyen. Deze bezingt als een van de eersten de schoonheid van het rivierenland en zelfs ... het broekland! Dat laatste is bijzonder, want dit landschapstype kon door zijn geringe economische betekenis maar de goedkeuring van weinigen wegdragen: In het open landschap maakten zich weer meer boomengroepen los en de lanen van grillige canada’s met hun trillende loover evenals het zilveren wilgenteenhout schepten een lachende atmospheer in deze omgeving, die het sterke karakter van broeklanden verkreeg. Kijk, als men met vacantie er op uittrekt, dan zijn de geliefkoosde oorden, waar men kracht gaat opdoen, de bosschen, de hei, de zeekanten en dan wat verder de Limburgsche heuvels, om ons tot ons land te bepalen. Er zijn er maar weinigen, die de pracht van onze groote rivieren gaan genieten en nog veel minder, die nieuwe levenskracht gaan opdoen in de lagere broeklanden. En toch moet de blinkende kracht der broeklanden niet onderschat worden.


l an d van cu ijk

Mot dat nou? Van Wagenberg stortte zich met ziel en zaligheid op de prehistorie van Tongelaar. Volgens hem moest hier al veel eerder, ten tijde van de invasies der Noormannen (800-1000), een vluchtburcht of ‘motte’ hebben gelegen. Per definitie lag een motte binnen het bereik van een (grote) rivier op een natuurlijke verhoging te midden van moeras. Voor de ‘berg’- of burchtfunctie volgde nog kunstmatige ophoging en werd de toegang steiler gemaakt. Hoewel geen enkele archeologische vondst op zo’n onderkomen wijst, doen dit wel enkele veldnamen of ‘toponiemen’. Het ‘Hoogveld’ is een uitgestrekt akkercomplex, omsloten door lager gelegen weiden die vóór de ontwatering in de jaren ’70 een uitgesproken moerassig karakter kenden. Ook de ‘Kammerberg’ is een hoge akker, waarbij ‘kamer’ wijst op een behuizing. Ten overvloede grenst het aan een perceel dat de ‘Toren’ heet. Tegen het huidige kasteel aan ligt, nog binnen de grachten, een weitje in de vorm van een halve maan dat het ‘Mot’ heet. Bij opgravingen werden hier de funderingen van een klein versterkt huis gevonden. De ‘Nachtweide’ ten zuiden van het kasteel kan slaan op een door grachten omheinde ruimte, waarbinnen het vee in onrustige tijden ’s nachts werd geborgen, zoals bij oude versterkingen en kastelen te doen gebruikelijk was. Van Wagenberg kan zich uit zijn jeugd nog herinneren dat het kasteelterrein werd gebruikt als vluchtheuvel voor mens en vee wanneer de Beerse Overlaat in werking trad. ‘Tongelaar’ zelf tenslotte betekent een (in het oerbos) open (gekapte) plaats op een ‘tong’, een terreinverhoging. Toch bezig met toponymie, verdienen de monumentale boerderijen op het landgoed een naamsverklaring. Grenzend aan het ‘Kapellekampje’ ligt boerderij ‘De Ooievaar’, welke naam mogelijk verband houdt met een kapel die daar heeft

gestaan. Men was gewoon in kapellen te dopen en op de daken van deze bedehuisjes was vaak een ooievaarsnest geplaatst. Bij boerderij ‘De Doelen’ kan een kegel- of kaatsbaan hebben gelegen, in de kasteelgracht is in ieder geval wel eens een houten kegelbal gevonden. Of hier ooit een motte heeft gestaan, zal wel nooit met zekerheid worden achterhaald. Omdat het archief van Cuijk door een vernietigende brand in de zeventiende eeuw werd vernietigd, zal de geschiedenis van Tongelaar altijd in nevelen gehuld blijven. Van Wagenberg heeft zijn ‘gelijk’ nooit kunnen halen, maar is dat erg? Een duistere geschiedenis hoort wel een beetje bij een kasteel. En sinds Brabants Landschap hier vanaf 1978 de scepter zwaait, is het beheer er grotendeels gericht op de das, een burchtbewoner die de duisternis prefereert boven het licht.

Natuurontwikkeling door middel van maaiveldverlaging.

379


De Peel Het Wilde Westen van het Oosten

Xxxxxx

392

de landgoedstichters hier waren nog eens échte pioniers, onverschrokken avonturiers vol ondernemingszin. Want het begrip pionier is toch vooral tot ons gekomen via verhalen over cowboys en gelukszoekers uit het Wilde Westen van Noord Amerika. Zij waren slechts de ‘soldaten’ van de openlegging van het nieuwe continent, achter hen zaten kapitaalkrachtige bazen, de échte ondernemers. Spoorlijnen werden doorgetrokken naar de Pacific, waarna de onafzienbare prairies werden herschapen in zeeën van graan. Ongeveer rond dezelfde tijd, eind negentiende, begin twintigste eeuw, werden in het Wilde Oosten van Brabant grote oppervlakten hoogveen en heide aangekocht van noodlijdende gemeenten, zeg maar de ‘stammen’. Ook hier was de einder ver, lag het ontginningstempo hoog en

116. Princepeel 117. Lactaria 118. Beestenveld 119. Stippelberg 120. De Sijp 121.Dompt 122. Groote Slink / Bunthorst 123. Cleefswit / De Krim 124. Kasteel Gemert 125. Kasteel Deurne 126. Aastein

116 Ma as

117 121

122 123

120 124 118 119

125

126


kwam het geld voor de exploitatie van lieden (ver) buiten het gebied zelf; die er trouwens niets mee hadden. Niet de schoonheid van het landschap trok hen aan, maar de lage grondprijs. Overigens moést het geld wel van elders komen, want net zo min als de indianen kon je de oorspronkelijke Peelbewoners kapitaalkrachtig noemen. Lagen de eerder in dit boek behandelde landgoederenlandschappen rond historische steden waar het voor een ontwikkeld en vermogend persoon goed toeven was, hier lag zelfs nog geen ‘spookstadje’ – om de vergelijking met het Wilde Westen door te trekken – maar op zijn hoogst een plaggenhut waar zelfgestookt ‘vuurwater’ werd geschonken. Het stichten van een landgoed in deze godvergeten negorij moét wel voorbehouden zijn geweest aan echte doorzetters. En dat waren het ook, hoewel ze zeker de eerste jaren (of decennia) buiten de grenzen van de Peel bleven wonen. Tot de boel ‘af’ was, want het werk werd natuurlijk uitbesteed aan een deskundige maatschappij. Een groep van vermogende niet-Brabanders gaf een door hen bijeengekocht gebied van 3800 hectare (38 km2) in handen van de Heidemij en haar de opdracht mee er iets moois van te maken: ‘heren we hebben alle vertrouwen in jullie.’ Deze uitbesteding op zijn Amerikaans leidde tot Houtvesterij de Peel die later weer uiteenviel, toen ieder zijn deel op kwam eisen. De ontginning tot vooral bos en in mindere mate cultuurland ging gepaard met schrijnende arbeidsomstandigheden, die associaties oproepen met de uitbuiting van indianen. Maar zonder leed komt iets moois doorgaans niet tot stand, zo ook hier. Het ontbreken van zichtassen in deze landgoederen laat zich makkelijk verklaren. Voordat de Groote Slink – het mooiste – werd uitgebouw tot een levend schilderij, strekte zich een kale vlakte uit vanwaar 16 kerktorens waren te zien. Dan wil je wel eens wat anders ...

393


Groote Slink / Bunthorst Levend schilderij

br a ba nts la ndscha p

360 h e c t ar e

vr i j t oe ganke li j k

410

V

Waar een wil is ...

anaf 1903 kochten de gebroeders Adam en Jan-Berent Roelvink, directeuren van de Twentsche Bank in Amsterdam, in fasen 1050 hectare heidegrond van de gemeenten Oploo, Bakel en Gemert. De gemeente Oploo ging pas tot verkoop over na een positief advies van de Heidemij en goedkeuring van Gedeputeerde Staten. Het ging om geheel verlaten, droge en natte heide, eenzaam in de grote Peelvlakte, ver van bestaande buurtschappen en woningen, spaarzaam doorsneden door zandwegen. De Peel is bijna overal rationeel ontgonnen tot cultuurland en bos. Dit houdt in dat voor hoogveen en heide een landschap in de plaats kwam dat weinig ruimte liet aan de fantasie. Wegen, akkers, weiden en bosvakken zijn er rechttoe, rechtaan. Dit is, heel begrijpelijk, zo gedaan voor een economisch verantwoorde exploitatie. De Groote Slink vormt op dit patroon echter een uitzondering. Toen ze er nog geen onderkomen hadden, stelden de broers zich op de hoogte van de werkzaamheden door middel van inspectiereizen. Daar waren steeds drie volle dagen mee gemoeid: per trein van Amsterdam naar Helmond waar werd overnacht, de volgende dag per rijtuig naar de ontginning 20 km verderop, en ’s avonds weer terug naar Helmond waar wederom werd overnacht om de volgende ochtend terug te keren naar de hoofdstad. Aan de bouw van een villa, eerst ‘Groote Slink’ later ‘Bronlaak’ geheten, werd begonnen in 1908. De Amsterdamse architect Karel Muller wist het karwei te klaren in 1910, waarna Adam Roelvink en zijn vrouw Christine Willink er veel tijd doorbrachten,

Villa Bronlaak uit 1910, verblijf- en later woonplaats van Adam Roelvink, die er via een portret nog altijd aanwezig is.

vanaf 1919 woonden ze er zelfs vast. Ze verbleven er niet alleen graag, het was ook beter voor de gezondheid van mevrouw. Nu de villa er stond, was het tijd geworden de omgeving daarop te laten aansluiten. Als je bedenkt dat de uitgangssituatie een monotone kale vlakte was – vanuit de villa waren 16 kerktorens te zien – dan is hier iets groots verricht. Roelvink nam contact op met Leonard Springer die een landgoed ontwierp in Engelse Landschapsstijl, waarvan de aanleg zeven jaar in beslag nam. Het werd een verrassend geheel met doorkijkjes – een verademing in de verder saaie streek – en vormt het landschappelijke bewijs dat iemand die zijn eigen, onafhankelijke weg gaat daarvoor door nakomende generaties wordt bewonderd. Bij de ontginning van de heide werden markante vliegdennen en eiken gespaard. Hier en daar zijn ze nog aanwezig, evenals een oude houtwal aan de Kromme Baan, die wellicht de oude grens vormt tussen de Oploose en Bakelse Peel. Vlakbij in het struikgewas staat een gedenksteen die de oude justitieplaats – zeg maar de galg – van de Hoge Vrije Heerlijkheid Oploo markeert. Waar Brabants Landschap nu streeft naar behoud en zelfs terugkeer van de heide, bestreed Springer deze driekwart eeuw geleden te vuur en te zwaard. In een inspectierapport lezen we: Enkele gedeelten zijn niet voldoende verzorgd. De struikheide is weder de baas geworden. De oorzaak zit in den weinig krachtigen bodem en daardoor de weinig krachtige groei van het geplante houtgewas, wat door meer grondbewerking en bemesting verholpen kan worden. De Groote Slink is net zozeer een cultuur- als natuurmonument, een levend schilderij met kenmerken van de Jugendstil.


peel

411

De rijzige man boven is Leonard Springer, die helemaal rechts samen met Roelvink ook nog eens op de rug wordt gezien.


peel

... is een weg

Groote Slink / Bunthorst

412

Het Slinkven (onder) diende als basis voor de Slinkvijver (rechts).

Vanuit de villa vertrekken zichtassen, onder meer naar de ‘Slinkvijver’, die de illusie moet wekken van een meanderende rivier, maar in werkelijkheid een vergraven ven is, het ‘Slinkven’. Natuurlijke glooiingen in het terrein werden benut als ‘dalflanken’, met speels verlopende paden. Springer ging minutieus te werk. Hij bemoeide zich zelfs met de precieze planting van de stuks bomen en struiken. De dennen sloegen goed aan, maar bij de aanplant van andere soorten kreeg men te kampen met tegenvallers. Op de weliswaar ontgonnen maar natuurlijk nog altijd magere heidegrond, kwam weinig tot niets terecht van de ruim 4000 beuken, 2000 kastanjebomen en 41 lindes. De twee lanen vanuit de villa, de ‘Long Walk’ en de ‘Düsseldorfer Allee’, zijn kaarsrecht. De laatste is in vorm en afmetingen een kopie van de Königsallee in Düsseldorf, waar Adam als bankier regelmatig moest zijn voor zaken. Hij mat de allee met passen precies na: de lengte, de breedte tussen de twee dubbele rijen, de onderlinge afstand der bomen etcetera. Voor de aanplant liet hij 20 à 25 jarige zomereiken overkomen. Opvallend is dat de bomen die het dichtst bij de bewoning staan het dikst zijn. De pachters kregen als taak de bomen te bemesten. Lopend vanuit hun boerderij hielden ze naar het einde toe steeds minder mest over, zodat de bomen achteraan in de allee het minst kregen. Dit verschijnsel van naar het einde toe ‘wegstervende’ lanen komen we op meer landgoederen

tegen. Springer en Roelvink hadden een majestueuze laan in gedachten, die op de arme Peelgrond nog altijd niet van de grond is gekomen. (Maar wat niet is, kan nog komen.) Bronlaak is omringd door uitheemse bomen, die door Roelvinks gasten als geschenk werden meegenomen. Bijna alle zijn weggekwijnd. Een Judasboom, de oudste en dikste van Nederland, heeft het wel overleefd. Het Slinkven was eind twintigste eeuw door inwaaiing en inspoeling van voedingsstoffen verrijkt en verland en kwam door grondwaterstandsdaling van de omgeving steeds vaker droog te staan. Daarom is het opgeschoond en zijn bomen en struiken op de oever ver wijderd. Hierdoor zijn de zichtlijnen vanuit Bronlaak hersteld. In een weiland bij de vijver staat op een kunstmatig verhoging een theekoepel. Dit was zo om op zwoele zomerdagen en -avonden een fris briesje op te vangen. Uit de nabijgelegen ijskelder konden dan versnaperingen worden aangesleept.

Ratio als tegenwicht De Bunthorst, die bij de splitsing van het landgoed in 1914 aan Jan-Berent toeviel, is in tegenstelling tot de Groote Slink een rationeel-economisch opgezette ontginning met rechthoekige akkers en bosvakken en strakke lanen van Amerikaanse eik. (En strookt dus wél met het algemene beeld van de Peelontginningen.) Bij de bosaanleg werd vooral gekozen voor snelgroeiende boomsoorten. Door de vereenvoudiging van het


(bedrijfs)padennet zijn grote, rustige bosvakken gecreeerd. Verspreid over alle landgoederen van de voormalige houtvesterij liggen ontginningsboerderijen van stijlen uit alle Nederlandse provincies, met name de noordelijke. Zo is de Christinahoeve op de Groote Slink Fries. De naam van de boerderij Plekenpol houdt verband met de linnenweverij. In het vroege voorjaar werd het nieuwe linnen gebleekt op het gras. Om het half uur werd het natgegoten. Hiervoor gebruikte men water uit de ‘bleekkuil’ of ‘bleekpoel’. Op de grens van beide landgoederen ligt de halfverharde, 4 km lange Particuliere Weg die de Roelvinks lieten aanleggen als verbinding tussen de overheidswegen van Sint-Anthonis naar Gemert en die van Oploo naar Deurne. De erven Roelvink hadden zelfs een speciale wegwerker in dienst. Zijn enige taak bestond uit het berijdbaar houden van deze weg door ze aan te aarden met grind en leem. Het materiaal werd per boot aangevoerd tot Beek en Donk en vandaar met karren naar de Peel vervoerd. Aan deze weg liggen de mooiste bouwwerken van beide landgoederen, namelijk zes oude arbeiderswoningen. Ze zijn aangelegd volgens de Jugendstil en lijken zó weggelopen uit het sprookje van Hans en Grietje.

Rechts: In tegenstelling tot de Groote Slink is Bunthorst ‘rationeel’ ingericht, met grootschalige akkers. De arbeiderswoningen zijn dan weer in Jugendstil.


Rond Eindhoven Kastelen, Philips en vis

Xxxxxx

424

de landgoederen die we voor dit hoofdstuk rond Eindhoven hebben gerangschikt, hangen veel minder met elkaar en de centraal gelegen stad samen dan de landgoederen in de eerder behandelde regio’s doen. Het is moeilijk onder hen een gemene deler te herkennen; of het moet het hoge aantal van zeven kastelen zijn. Ze stammen allemaal uit de (late) middeleeuwen, maar hadden opnieuw niets met Eindhoven te maken, terwijl de kastelen rond Breda en Den Bosch wél op hun stad waren gericht. Hoewel omwald, is Eindhoven natuurlijk heel lang onbeduidend gebleven; eigenlijk tot de vestiging, opkomst en bloei van Philips vanaf 1890. De afwezigheid van eerst een bestuurlijke en later industriële bovenklasse – potentiële landgoedstichters – verklaart natuurlijk alles. Landgoederen sticht

127. Ten Vorsel 128. ’s Heerenvijvers 129. De Wielewaal 130. Kasteel Henkenshagen 131. Eyckenlust 132. Kasteel Croy 133. Kasteel Helmond 134. Soeterbeek 135. Eckart 136. Kasteel Geldrop 137. Kasteel Heeze 138. Valkenhorst 139. Treeswijk

130

131

132 128 133

134 135 129

136

137

139

127

138


je namelijk met geld. Het moet gezegd dat leden van de familie Philips als laatkomers veel voor de Eindhovense gemeenschap hebben betekend, ook op het vlak van groenvoorziening. Maar hun enige echte landgoed, De Wielewaal, dat helemaal binnen de bebouwde kom kwam te liggen, bleef altijd hermetisch afgesloten voor het publiek. Zolang de immens populaire Frits Philips in leven was, zat de bevolking daar niet zo mee. (Hij stierf in 2005 op de gezegende leeftijd van 100 jaar, waarna het goed overging in vreemde handen.) Landgoed ’s Heerenvijvers onder Oirschot kwam in 1930 in handen van een lid van de raad van bestuur van Philips, dat is dus een tweede, maar daar houdt het mee op. Komen we tenslotte uit bij de heerlijkheid Heeze en Leende, dat 100 jaar geleden nog een oppervlakte besloeg van 5500 hectare (55 km2), groter dan menig Nationaal Park tegenwoordig. Er gebeurde hier van alles, maar het voornaamste om voorlopig te onthouden is dat het laatste en nog zittende geslacht, Van Tuyll van Serooskerke, een bijzondere interesse aan de dag legde voor (het kweken van) vis. Dat werd in eerste instantie gevangen op eigen terrein, in de vennen van de uitgestrekte Strabrechtsche Heide, en in tweede instantie in speciaal aangelegde visvijvers aan de Tongelreep. Door verkoop in de jaren ’20 kwamen deze te liggen op een nieuw landgoed, Valkenhorst. En als je weet dat op ’s Heerenvijvers al eind zeventiende eeuw visvijvers gereed kwamen, begrijp je de ondertitel van deze inleiding een stuk beter.

425


Kasteel Heeze Vette vis is niet vies

fam il ie van t u yl l v an s e r oos ke r ke n / br a ba nts la ndscha p

5 1 / 332 h e c t ar e

vr i j t oe ganke li j k

440

O

Héérlijk, die rechten ...

m ie t s te begrijpen van de geschiedenis van dit landgoed, is enige uitleg nodig over het ‘leenheerlijke stelsel’. Een ‘heerlijkheid’ is een gebied, compleet met allerlei soorten rechten, dat onder een heer valt. Die rechten kunnen zeer divers zijn. Je hebt het jachtrecht, visrecht, molenrecht, recht om vee te weiden, te plaggen, te veel om op te noemen. Omdat de heer onmogelijk overal zelf kon vissen, graan malen, vee weiden en plaggen steken, werden de rechten verpacht. Kerkelijke instellingen of gewone dorpelingen waren de pachters, tegen betaling in pecunia, een vergoeding in natura of het verrichten van diensten. Zo had iedereen er plezier aan. Het leenheerlijke stelsel heeft in Brabant bestaan van de twaalfde eeuw tot de Franse Tijd (1795-1815).

... maar niets blijft voor eeuwig De ‘Heerlijkheid Heeze, Leende en Zesgehuchten’ (HLZ) bestond in de Middeleeuwen en ver daarna voor het overgrote deel uit woeste gronden, te weten droge en

En dan te bedenken dat dit forse kasteel nog maar als ‘voorbouw’ was bedoeld voor een veel rianter gebouw ...

natte heide met vele, waaronder grote, vennen en langs de beken broekland. Oorspronkelijk betekenen de toponiemen ‘Heze’ en Heesch’ beukenbos, later stonden ze voor kreupelhout. Deze verandering van woordbetekenis liep parallel aan de bosontginning en -degradatie. Al wat restte na grootschalige boskap was heide en kreupelhout. Maar nog in zestiende-eeuwse geschriften wordt gewag gemaakt van uitgestrekte eikenbossen ten noorden van Heeze: een groote menichte ende ontallijcke eijcke boomen die bij maniere van een bosch zoe verre men zien mach. Hoe het ook zij, het gebruiksrecht over de gronden van de heerlijkheid werd aan de dorpen gegeven, waarbij de dorpsbesturen het beheer in de praktijk regelden. Over deze regeling met de dorpelingen, het al dan niet ‘goede bestuur’, moest de heer verantwoording afleggen aan zijn superieur, de hertog van Brabant. Zoals Philips van Horn, de heer van hlz omstreeks 1440, deed: Zoe heb ick dair die heyden ende die gemeynte die ick den gebueren late gebruycken om haere beesten daer op te gaene, daer voire zy my schuldich zijn te geven telcken drie oft vier jaeren ene gifte ofte bede gelyck ende alzoe groot als men mit henliede overdragen


r o n d ein d h o ven

can. De jacht zullen de heren van Heeze zo min mogelijk hebben ‘uitbesteed’. Hier hielden ze het privilege toch dicht bij zich! Zo wilden op 29 september 1763 twee valkeniers op de heide bij Bruggenhuis onder Leende een valk doen opvliegen. Hoe machtig deze beroepsgroep ook was in Zuidoost Brabant, het jachtgezelschap van de vrouwe van Heeze wist hen dit te beletten en calangeerde (bekeurde) hen. De rechten van de leenheren namen door de eeuwen heen af ten gunste van degenen die het gebruiksrecht hadden. Vanaf de Franse Tijd werden de gemeenschappelijke gronden gewoonweg gemeentebezit. De heerlijke rechten vervielen, de titelatuur bleef. Bij keizerlijk decreet van 14 mei 1810 werd de heerlijkheid hlz opgesplitst in zelfstandige eenheden oftewel gemeenten.

sen van de Topografische Dienst daarvan te overtuigen. Over een burcht wordt ‘pas’ gesproken in een oorkonde uit 1203. De hertog van Brabant en de graaf van Gelre verklaarden toen beiden dat zij rechten hadden op ’t Huys te Heeze. De heerlijkheid was lange tijd de grootste van Noord-Brabant. Middelpunt was het kasteel, waarvan men deszelfs weerga in deze landstreek nauwelijks zal vinden. Begin twintigste eeuw besloeg de oppervlakte van de heerlijkheid nog altijd 5500 hectare (55 km2). Daarmee was het groter dan het huidige Nationale Park de Hoge Veluwe! Het landgoed strekte zich uit van het Eindhovensch Kanaal (tussen Eindhoven en Helmond) in het noorden tot de Achelse Kluis op de grens met België in het zuiden. Het grootste deel bestond uit woeste grond.

Géén Hubertus a.u.b.

De heerlijkheid hoorde de volgende adellijke geslachten toe: Van Horn tot 1615, Van Renesse tot 1659, Snoeckaert van Schauburg tot 1732, De Holbach tot 1760, en Van Tuyll van Serooskerken tot heden. Tot 1648 werd de heerlijkheid opgedragen aan de hertog van Brabant, daarna aan de Staten Generaal van de Verenigde Provinciën. Het huidige kasteel danken we aan Albert Snoeckaert, die aan Pieter Post, onder meer bekend van het Mauritshuis in Den Haag, opdracht gaf op de plaats van het oude kasteel – dat dus het veld moest ruimen – een grote vierkante burcht te bouwen. Diens ontwerpen waren voor

In 1172 wordt voor het eerst melding gemaakt van de ‘heren van Heeze’. De vroegst bekende heer was Herbertus, naar wie de bossen op het landgoed zijn genoemd. Hij heette dus niét ‘Hubertus’, bisschop van Luik in de zevende eeuw en patroonheilige der jagers, wat tot in den treure foutief wordt vermeld. Tot voor kort werden zelfs in de topografische atlas, de Van Dale onder de atlassen, de Heezer bossen aangeduid als ‘Hubertus’- in plaats van ‘Herbertus’-bossen. Het heeft Brabants Landschap heel wat energie gekost om de men-

441

Heimelijk staat hij er nog

De niet onbescheiden uitgevallen tuinmanswoning binnen het omgrachte kasteelterrein.


peel

Xxxxxx

442

Gobelin in de Grote Salon met de slag tussen Alexander de Grote en Darius, koning van Perzië.

de opdrachtgever echter veel te duur en zo verrees een gebouw, dat oorspronkelijk slechts bedoeld was als voorbouw van een veel rianter kasteel, dat er gelukkig nooit is gekomen (zie verder). Het geheel in baksteen opgetrokken kasteel kwam gereed in 1670 en is in de stijl van de Renaissance sober van opvatting, volgens een vaste architectonische lijn. Omdat huis en tuin in die tijd als eenheid werden gezien, maakte Post ook daar het ontwerp voor, uiteraard in dezelfde symmetrische en monumentale stijl: een reeks van vierkante en rechthoekige vakken binnen één grote rechthoek. Eind achttiende, begin negentiende eeuw werd aanpalend aan het kasteel een Engelse Tuin met slingerpaden aangelegd, wat weer paste in het tijdsbeeld van de Romantiek. Dankzij het niet doorgaan van de megaburcht staan achter het ‘nieuwe’ kasteel gelukkig nog altijd de (goed geconserveerde) resten van het oude kasteel Eymerick: een zaalgebouw met onderaardse gewelven. De naam zou afkomstig zijn van ‘Hemelrijk’, een oude benaming voor rechtsplaats. Eymerick, met als varianten ‘Emmerich’ en ‘Heimerick’, komt echter ook voor als persoonsnaam. Over de vervallen staat schreef historieschrijver Philips van Leefdael (1640): Emerick is soo langen tijt ruineux gheweest, dat op de mueren en fondamenten eenen eyckenboom van meerchelijcke groote ghewassen was. Op zijn beurt staat Eymerick weer op de plaats van een nóg oudere sterkte. Logisch, want ook Herbertus wilde in 1172 al veilig zitten.

Zit je bad zonder water ... Hoe eenvoudig van buiten, innerlijk is Heeze van een flamboyante kracht. De indeling van het gebouw is in overeenstemming met zijn uiterlijk: simpel. Gelijkmatig zijn de 30 zalen en vertrekken over de étages verdeeld, maar wacht tot je de ruimtes binnentreedt. In de grote salon hangen gobelins (industrieel vervaardigde wandtapijten) waarop krijgskundige afbeeldingen staan afgebeeld. Ze zijn aangeschaft door François de Holbach, vervaardigd naar tekeningen van Charles le Brun en stellen episodes voor uit het leven van Alexander de Grote (356-323 vóór Christus), een van de grootste veldheren uit de geschiedenis. Zo wordt de slag tussen Alexander en Darius, de koning van Perzië, afgebeeld. De overwinnende jeugdige Alexander, die de hele toen bekende wereld aan zich wist te onderwerpen – en dat in zo’n kort leven! – ziet men te paard naar Darius, op zijn oorlogswagen in een fauteuil, toesnellen. Alles strijdt, kampt, hakt, slaat, vlucht of sneeft. Een andere gobelin vertelt de grootmoedigheid van Alexander na de slag: Darius’ vrouwen en kinderen worden gespaard. In de jachtkamer of rode kamer werd na de jacht een glaasje gedronken voor men verhuisde naar de eetkamer. Aan de wand hangt een portret van freule Ursula Adèle Aurore. Deze bleef haar leven lang ongehuwd en drukte een belangrijk stempel op het landgoed (zie verder). Via een speciale trap binnendoor waren de slaapkamers op


r o n d ein d h o ven

den, heet stroomafwaarts Rul of Kleine Dommel. In een wei pal voor het kasteel staat het eikenbosje ‘De Twaalf Apostelen’. Bij goed tellen blijken er maar elf bomen te staan. Judas staat rechts helemaal alleen.

In de tegelvloer verdiept bad met stippen ter markering (zodat je er niet in dondert).

... dan ga je baden in de beek

de eerste verdieping verbonden met de badkamer op de begane grond. Daarin bevond (en bevindt zich nog steeds) een merkwaardig peervormig bad uit 1795. Oorspronkelijk stond er een hek omheen wat, gezien de verdieping, geen overbodige luxe was. Ter markering zijn op de blauwstenen vloer rond het bad witte stippen aangebracht. De predikanten – de Van Tuylls waren en zijn protestant – spraken destijds schande van het bad. De voornaamste dienstwoningen op het kasteelterrein zijn ‘Jachtlust’, de jagerswoning, en de tuinmanswoning, niet bepaald een nietig optrekje. Een deel ervan was in gebruik als werkplek en opslagplaats voor landbouwmachines. Er omheen werd groente geteeld. Er was genoeg voor eigen consumptie, wat overbleef werd verkocht aan de dorpelingen. In de omgrachte tuin bevindt zich een boomgaard van hoofdzakelijk peren- en appelbomen. Boven de ingangspoort van het kasteel zijn twee familiewapens te onderscheiden: links dat van de familie Van Tuyll, rechts dat van de familie Van Westrenen. Zij herinneren aan het huwelijk van de kleinzoon van de eerste Van Tuyll, Jan Diederik, met Johanna van Westrenen. Het kasteel staat aan de samenvloeiing van Sterkselsche Aa en Groote Aa, een keuze die te maken had met de watervoorziening van de grachten. Die ontvangen, via een sluizensysteempje, het water van de eerste beek. Om het grachtwater vers te houden, wordt geloosd op de tweede beek. Het verzamelde water, één beek gewor-

De Herbertusbossen waren lange tijd slechts toegankelijk tegen betaling. In de jaren ’20 en ’30 stonden aan de ingang borden met de tekst: Verboden toegang art. 461 WvS / Alleen opengesteld voor houders van wandelkaarten / Gezinskaarten f 0,30 per jaar / Dagkaarten f 0,12 per persoon / Verkrijgbaar bij Th. Smulders Boslaan 20 / De wandelpaden zijn verboden voor motorvoertuigen en rijwielen. Voor weinig geld kon men dus het hele jaar op het terrein terecht. Veel gezinnen uit het dorp namen dan ook zo’n kaart. In de zomer trokken de jonge moeders er op woensdagmiddag en ’s zondags, omringd door de ‘keinder’, op uit om hier in de Sterkselsche Aa pootje te baden. Dat ging heel goed in deze schone, heldere beek, die in de volksmond toepasselijk de ‘Baai-Aa’ werd genoemd. Terwijl de kinderen in het water ravotten, zochten de moeders aan de oever een plekje op in de schaduw van de hoge bomen, met de tas vol thee en handwerk. In het bos hingen borden die waarschuwden tegen het stichten van brand en beschadigen van bomen. In deze omgeving vond in 1981 het eerste beekherstelproject in Brabant plaats. Het bestond uit een simpele maatregel, namelijk het terug water laten voeren van een afgesneden en zo ‘doodgemaakte’ meander van de Aa. In 1970 had baron Van Tuyll, die hier toen nog de scepter zwaaide, een rechte ‘kortsluiting’ laten graven. De sterk meanderende beek vernielde naar zijn zin het bos: oevers werden ondergraven en bomen die daar stonden stortten neer. Toen Brabants Landschap dit bos verwierf, werd de oorspronkelijke situatie hersteld. Natuurbeschermers zijn namelijk juist gecharmeerd van natuurlijke beekdynamiek: ‘o tempora, o mores’. De eroderende (uitslijtende) buitenbochten zijn ideaal voor de ijsvogel om zijn nestholte in uit te graven.

Roekeloos Veel grove dennen in de Engelse Tuin dateren nog van de aanleg omstreeks 1800. Het zaad ervan is vermoedelijk uit de omgeving gehaald. Het zijn dus van origine inheemse en geen uitheemse bomen, wat bijna overal elders in ons land wel het geval is. Dat het om ‘aparte’ grove dennen gaat is te zien aan de afwijkende schorssculptuur. Hier wordt duidelijk dat de door velen saai gevonden grove den, als je hem de tijd geeft, een fraaie boom kan worden, net als eik en beuk. In hun stammen vinden we hier en daar nog verweerde roestige spijkers uit de jaren ’30 die oorspronkelijk veel groter waren en functioneerden als ‘treden’: samen vormden ze een soort ‘boomladder’. Hierlangs en met behulp van handklemmen en een touw klom men omhoog om de nesten uit te halen van roeken, waarvan hier vroeger een kolonie was.

443


444

Linksboven: De eroderende kracht van de Sterkselsche Aa: een door ecologen, maar ook ‘gewone’ natuurliefhebbers, hogelijk gewaardeerd aardkundig proces.

1916.

1916.

Jonge roeken golden als een delicatesse, zeker in een tijd waarin vlees van varken en rund voor de gewone man duur was. Tegenwoordig broedt de roek bijna alleen in loofbomen die in of aan de rand van agrarisch gebied staan. Zijn historisch voorkomen in deze oude grove dennen zal wel te maken hebben met het feit dat bijna al het bos in de wijde omgeving erg jong was en daarmee ongeschikt om in te nestelen. In Heeze wordt dit bos nog altijd aangeduid als het ‘Kraaienbos’. De locale carnavalsvereniging heet zelfs ‘de kraaienvangers’.

In iedere familie dondert het wel eens Op de scheiding van de Herbertusbossen en de open heide ligt het ‘Freulelaantje’, bestaande uit markante, grillig gevormde grove dennen. Dit laantje heet naar de eerder genoemde freule Ursula, die zich graag over het landgoed liet rondrijden. Zij was een van de vijf kinderen van Diederik en Johanna – die van de familiewapens boven de poort. Ursula was onbetwist degene die zich het meest met het landgoed bemoeide. Tot op hoge ouderdom behield zij haar fijn verstand, haar gezonden zin en haar welwillende vriendelijkheid.

Om die kwaliteiten werd zij door de bevolking hoog geacht. Zij was aan het oude gehecht, had groote liefde voor het natuurschoon, voor boom en bosch en wilde daarom van geen rooien van geboomte weten. ’t Was een eigenaardige opvatting, die het prachtige hout, dat men rondom in de statige bosschen vindt, tot over-ontwikkeling [bestaat dat?] deed komen, zo lezen we in het geïllustreerde weekblad ‘Buiten’ uit 1912. Gelukkig maar dat de freule hier eigenzinnig de scepter zwaaide en de oude bomen spaarde, wat recht inging tegen de algemene opvatting uit die tijd dat bomen tijdig gekapt dienden te worden. Zij was een rentmeesteres in de beste zin van het woord. Zo hebben landgoedeigenaren op wel meer plaatsen in Brabant en trouwens heel Nederland kunnen voorkomen dat het buitengebied enkel economisch werd ingericht. Dankzij hen bleef er ook ruimte voor het esthetische. Het was de freule een grote zorg waar de heerlijkheid heen moest na het uitsterven van de kinderloze tak waar zij deel van uitmaakte. (Zij zou uiteindelijk op 96-jarige leeftijd overlijden in 1901.) Aanvankelijk had zij bepaald dat het landgoed naar een verre neef in Voorburg zou gaan, hij had het daar geschopt tot burgemeester. Toen zij min-


peel

445


r o n d ein d h o ven

Kasteel Heeze

446

der gunstige berichten over hem hoorde, besloot zij het goed aan een andere verre neef te vermaken. Dat besluit stak zij niet onder stoelen of banken. De eerste neef ontstak daarop in grote woede. Hij verdacht een oom van hem, ene Jan van Bronkhorst, van kwaadsprekerij. Daarom gaf hij de rechtbank in Den Haag opdracht de voornaam van een van zijn zonen, die naar die oom was genoemd, te wijzigen. De tweede neef, de gelukkige, was 24 jaar oud toen hij de blijde tijding vernam dat een verre tante hem als erfgenaam had aangewezen. Hij heette Samuel John en was kamerheer in buitengewone dienst van koningin Wilhelmina. In zijn tijd kwamen de Duitse ex-keizer Wilhelm en Wilhelmina’s gemaal prins Hendrik enkele malen naar Heeze om er te jagen. En geheel in de adellijke traditie gaf Samuel het goed bij zijn dood door aan een andere verre neef. Zo bleef het wel in de familie.

Je kijkt niet op een hei voor een kasteel Tegenwoordig beslaat het landgoeddeel van de Van Tuylls nog maar 50 hectare, ongeveer 1% van de oppervlakte een eeuw geleden. Constant is bos en woeste grond verkocht om aan geld te komen voor onderhoud aan het kasteel. De Herbertusbossen kwamen in handen van Brabants Landschap, het grootste deel van de heide ging over naar Staatsbosbeheer en onder Leende werden de visvijvers met omgeving verkocht aan de familie Loudon. De Strabrechtsche Heide is met 1000 hectare de grootste van Brabant en een van de grotere Freule Ursula Adèle Aurore werd 96 jaar, bleef haar leven lang ongehuwd, toonde zich een rentmeesteres in de ware zin des woords en schreef kookboeken. Rechts: Duiventoren.

in ons land. Dominee Stephanus Hanewinkel schreef in, ‘Reize door de Majorij van ’s-Hertogenbosch’ (1799) over deze heide: Van Heeze ging ik regt op Zomeren door eene heide, welke zich aan mijne beide zijden ontzaglijk ver uitstrekte. De stichting van een reservaat op de Strabrechtsche Heide hebben we te danken aan een particulier initiatief in de jaren ’30 van de families Van Alphen en Carp, waarvan veel telgen natuurliefhebber waren en verontrust raakten over de ontginningsgolf in die tijd. Dit leidde in 1942 zelfs tot een huwelijk tussen Jens van Alphen en Rie Carp. Het echtpaar kocht hele stukken aan van baron Van Tuyll, dat het later in beheer gaf aan Staatsbosbeheer. Het oostelijke deel met het uitgestrekte Beuven ging naar de gemeente Someren. Uit historische bronnen maken we op dat ook vroeger het venwater niet altijd even helder en voedselarm geweest moet zijn. Onze voorouders brachten er bewust op de een of andere manier meststoffen naar toe om de visstand op te krikken. Dat was ook met het Beuven het geval. De eerder geciteerde Hanewinkel: Ten zuidwesten van Lierop in de heide wordt ene grote versameling van water gevonden, welke den naam draagt van Beuven; dit Ven of Meirtjen levert zeer lekkeren Baars en anderen Visch op. Er gaan wel eens Gezelschappen naar Lierop, om ene vriendschappelijke Vischpartij aldaar te houden. De Visch, in het Beuven gevangen, is blank, smakelyk en beroemd. De kroniekschrijver Johan Hendrik van Heurn noemt een halve eeuw eerder nog meer vissoorten: In het jaar 1749 heb ik te Liedrop Snoek, Baars en Paling, die daar in gevangen en zeer blank was, geëten; dezelve smaakte volmaakt wel.


r o n d ein d h o ven

Een blik in de keuken In het archief van kasteel Heeze bevindt zich een met de hand geschreven kookboek met honderden recepten. Het dateert van eind negentiende eeuw en is waarschijnlijk van de hand van, jawel alweer, freule Ursula. Met name vlees- en visgerechten nemen er een opvallende plaats in. Kalfs- en rundgebraad zijn te verwachten op een kasteel en van het gevogelte springt de duif het meest in het oog. Aan de oprijlaan van het kasteel staat een duiventoren waarvan het gevogelte nog altijd wordt verzorgd door vrijwilligers. Dergelijke torens waren in vroeger tijd kweekcentra voor duiven, vooral met het oog op mest en vlees. Een eeuw geleden moet de duiventoren op Heeze nog gefloreerd hebben, zo bewijst het kookboek ten overvloede. Bij het doorbladeren ervan struikel je over de duivenrecepten: duivenragout, duiven en fricassé (gestoofd), duiven gefarceerd à la glace (gevuld met ijs), daube van duiven (gesmoord), duiven à la basilique (met basilicum), duiven tot een waterzootje (langdurig gekookt), duiven te vullen en tenslotte jonge duiven in wijn. Deze opsomming doet je het water in de mond lopen, ook al heb je nog nooit duif op. Ook het wild, waarschijnlijk geschoten op het landgoed, vond zijn weg naar de kasteelkeuken. Dan ging het onder meer om patrijzen, talingen en hazen (haazepastij, haaze fricadel, hazebrood en haaze mooten met groen lof ingelegd). Maar wat te denken van de recentelijk in Nederland uitgestorven ortolaan? Hij verdween zonder pardon in de adellijke magen van Heeze: Om ortolans te braaden: Deze vogeltjes moeten in gesmolten boter worden gerold, daarna in gestooten

[fijngestampte] beschuit op een papier gelegd, en met een gloeijenden taartedeksel schielijk gebakken, ook een weinig zout daar opgedaan. Van de ‘natuurlijke voortbrengselen des velds’ namen de vissen evenwel de voornaamste plaats in. Uit de vennen op de Strabrechtsche Heide werd, naar eeuwenoud gebruik, volop snoek, baars en paling opgediept en smaakvol bereid. Hoewel, smaakvol? De recepten wijzen in de richting van een vette hap. Bij ontstentenis van friet, mayonaise en frikadel voorzag men in zijn vetbehoefte door vet van vlees en vis aan te spreken. Wanneer de snoek niet vet genoeg was, werd daar gewoon ‘wat’ vet van kalf of rund aan toegevoegd: Om gehakte snoek te maken: Den snoek gevild en van de graat gedaan, gehakt met 1/2 pond runder- of kalfsvet, anderhalve beschuit of de kruim van een witte brood, in Rijnsche wijn geweekt, een notenmuskaat, tien peperkorrels, wat gehakte peterselie, een ei wel geklopt, twee ansjovissen, de schotel met boter bestreeken, en den snoek daar in gelegd, een half glaasje Rijnsche wijn, en wat gekookt water en boter, den snoek met beschuit bestrooid en bedropen, onder en boven vuur, doch boven het meest, 3/4 uur laten stooven. Om met een palingrecept te eindigen: ook hier is wederom de voorliefde voor vet opvallend. Het recept rolade van paling begint met men neemt een dikken paling, terwijl de (fijne) keuken van vandaag toch echt de dunne, fijne palinkjes prefereert en de dikke verfoeit.

Recent is de waterhuishouding hersteld in ‘De Waarden’, het weilandencomplex vóór het kasteel. Er is nu weer sprake van een ‘Natte Natuurparel’ in optima forma.

447


Valkenhorst Zoetwaterbiggen belaagd door vermaledijde gluipers

br a ba nts la ndscha p

8 2 8 h e c t ar e

b e pe r kt t oe ganke li j k

448

D

Van valken vangen naar vissen verschalken

e toponiemen ‘Valkenhorst’ en ‘Valkenswaard’, de gemeente waarbinnen het landgoed valt, danken hun naam aan de valkenjacht of valkerij. Hieronder verstaat men zowel het jagen op (prooi)vogels met behulp van roofvogels, vooral valken, als het africhten of ‘treinen’ van de laatste. De Kempen met zijn uitgestrekte heidevelden – met vrij uitzicht – leende zich tijdens de voor- en najaarstrek uitstekend voor het vangen van slechtvalken. ‘Gewone’ ingezetenen van Valkenwaard ontwikkelden zich tot gerenommeerde valkeniers, die gevraagd waren aan alle grote hoven van Europa. En valkeniers uit het buitenland streken in Valkenswaard neer om zich verder in het vak te bekwamen. Vanaf de zeventiende eeuw ontleende Valkenswaard er niet alleen roem maar zelfs een zekere welvaart aan, die aanhield tot de Franse Revolutie (1789), die zoals bekend een zware klap betekende voor de adel. Jaar op jaar werd minder gevangen, totdat in 1925 het doek viel met de laatste vangt van de laatste wilde valk door de laatste valkenier, Karel Mollen. Toeval of niet, maar het einde van deze unieke benutting van een dier door de mens viel ongeveer samen met de opkomst van de commerciële viskweek, die in Valkenswaard voor ons land unieke proporties aannam. En ook deze bedrijfstak werd beoefend in de vrije natuur, te weten vennen.

Vissen in vennen is verdorie oud Van nature – vóór ingrijpen van de mens, dus heel lang geleden – waren vennen volledig met veen opgevulde, Ideaal gebied om valken te vangen. In Nederland gebeurde dat hier voor het laatst in 1925.

verlande meertjes. Pas nadat onze verre voorouders het veen hadden verwijderd om te dienen als brandstof, ontstonden open meertjes die voor uiteenlopende doeleinden in gebruik waren, onder meer voor de viskweek. Deze benutting is in onze contreien geïntroduceerd door kloosterlingen, vrij snel na de kerstening en dus zeker 1000 jaar oud. Dat had te maken met het verbod van de kerk om op vrijdagen, dagen vóór belangrijke feestdagen en in de vastentijd vlees te eten. Vis mocht wél. Om die reden hadden abdijen, kloosters en kerken vaak één of meer viskwekerijen of ‘wijers’ in eigendom. Van nature waren de meeste vennen echter te voedselarm en te zuur voor viskweek. Dit probleem loste men op door min of meer voedselrijk en kalkhoudend (= ontzurend) beekwater naar vennen te leiden of door vennen te bekalken of anderszins te bemesten. Vennen in beekdalen konden in de regel eenvoudig door sloten met de nabij gelegen beek verbonden worden. Ook verder van beken af gelegen vennen kregen soms een verbinding, zeker wanneer men een reeks van vennen in één slootsysteem op kon nemen. Dankzij de aan- en afvoer van beekwater was men in staat venwater voortdurend te verversen. Met behulp van eenvoudige stuwen werd de waterstand geregeld. Om de vis beter te kunnen oogsten, liet men de vennen soms leeglopen.

Burgemeester, sigarenboer, baron: de Heidemij maalt er niet om Al in de vijftiende eeuw slaagde men erin kuit kunstmatig te bevruchten en vissenlarven gecontroleerd te laten groeien. Die kennis ging echter verloren en pas in


peel Potloodtekening van de Duitse valkenier Oto Kaltz, aangeboden aan de familie Loudon uit dank voor het in stand houden van de laatste valkenvangplaats in Nederland, 1939.

Het landhuis van de familie Loudon in 1932, geschilderd door een vriendin des huizes.

Links Karel Mollen en rechts George Oxer, die was komen overwaaien van de ‘Old British Falcon Club’, omstreeks 1900.

Vanger in dienst van Karel Mollen bij een zogenaamde ‘tobhut’, bedoeld voor het vangen van valken. Zulke onderkomens waren maar 2 meter in doorsnee en 1 meter diep, vandaar de naam; 1910.


de negentiende eeuw begon men zich weer te interesseren voor het kweken van vis. Koning Willem iii stelde een commissie in die maatregelen moest treffen voor het inrichten van viskwekerijen. Een van de leden was baron Ernst Leopold van Tuyll van Serooskerken, de heer van Heeze, Leende en Zesgehuchten. Hij maakte een studiereis naar Frankrijk en schreef over zijn bevindingen een ‘Handleiding tot de kunstmatige vermenigvuldiging van vissen’ (1853). Hierin werd gesteld dat er goede mogelijkheden waren voor de visteelt in Nederland en dat deze een belangrijk hulpmiddel kon worden om: den armen en behoeftigen een onkostbaar, smakelijk en deugdelijk voedingsmiddel in overvloed te verschaffen. In de jaren 1860 verschenen de eerste viskwekerijen in den lande en veertig jaar later ook in Valkenswaard. In 1900 startten de broers Antoon en Jasper van Best, de een burgemeester van Valkenswaard en de ander sigarenfabrikant in die plaats, met de aanleg van visvijvers aan de westkant van de Tongelreep. Tegen een schappelijke prijs verpachtte de gemeente 20 hectare grond aan hen voor een periode van 20 jaar: over belangenverstrengeling gesproken. Daarna zouden de vijvers in eigendom terug overgaan op de gemeente. Dit geschiedde inderdaad en de vijveroppervlakte werd nog uitgebreid. Samuel John van Tuyll van Serooskerken, een telg uit hetzelfde geslacht als boven, wilde niet achterblijven en legde in 1902 aan de oostkant van de Tongelreep, de Heezerkant, op eigen grond nog twee karpervijvers aan. De ene was het uitgestrekte Greveschutven, dat hiervoor alleen maar een beetje vergraven hoefde te worden, de andere werd nieuw gegraven in broekbos. Na een dijkdoorbraak in de beginjaren werd de laatste opgesplitst in zes kleinere vijvers, wat de kans op herhaling verkleinde. In de jaren ’20 werd Valkenhorst mét vijvercomplex verkocht aan de familie Loudon die, om de handen vrij te hebben, de vijvers onmiddellijk verpachtte aan de Heidemij. Aanvankelijk was bijna enkel sprake van karperteelt. Deze vis werd voor f 1,50 per kg aan de vijver verkocht. De hoge prijs maakte de lage productie van 90 kg per hectare per jaar meer dan goed. In de jaren ’30, de crisistijd, daalde de prijs van de karper tot f 0,60 per kg en werd de vis later zelfs voor f 0,30 per kg aan het buitenland gesleten. Door nood gedreven verpachtte ook de gemeente haar vijvers maar aan de Heidemij. Aan het doorzettingsvermogen van deze organisatie is het te danken dat de vijvers überhaupt nog bestaan. Door de voedselschaarste kwam de karper in de oorlogsjaren weer in aanzien, zij het dat de productie door een tekort aan meststoffen laag bleef. De dieren moesten immers continu worden bijgevoerd. Na de oorlog kwam er een kentering met de opkomst van de sportvisserij. Kweekvis

450

Boven en midden: Om de vissen te verschalken werden de vijvers regelmatig ‘afgelaten’, waarbij ze leegliepen. De slikbodems waren dan een ideaal foerageergebied voor steltlopers.

Onder: Primitief gemetselde veldoven van omstreeks 1950 waarin dagelijks het voer voor de karpers werd bereid.

Rechts: Vóór de hermeandering in 2006 was de Tongelreep een té snel stromende beek, dat zie je ook aan de stroomrichting van de waterplanten. Bij piekafvoeren werden waterdieren gewoon meegesleurd. Maar het bood wel een mooi plaatje.


peel

451


r o n d ein d h o ven

legde het af tegen pootvis, die uit de vijvers werd weggevangen om elders door visclubs te worden uitgezet in viswater: consumptie legde het dus af tegen ‘sport’. De exploitatie van de vijvers werd overgenomen door de ‘Organisatie ter Verbetering van de Binnenvisserij (ovb)’, een overheidsorgaan.

Valkenhorst

452

Intermezzo: de Loudons versus de konijnen Jonkheer Hugo Loudon kocht het landgoed van 500 hectare van baron Van Tuyll voor zijn zoon James, die zijn studie agronomie had afgerond en een grote belangstelling aan de dag legde voor bosbouw en fruitteelt. James’ voorkeur ging weliswaar uit naar het vruchtbaardere Zeeland, maar in die tijd hadden ouders het nog voor het zeggen. Het landhuis werd gebouwd in 1928 en een jaar later ging James er al vast wonen. Hij stichtte een groot gezin, wat noopte tot uitbreiding van het huis. Hij hield zich bezig met het aanleggen van bossen en lanen en het onderhouden van contacten met de drie pachters op het landgoed. Van het personeel hielden acht er zich bezig met beplantingen, de verkoop van hout en appels, het toezicht op de jacht en het verzorgen van de paarden. (Daarvoor kwam een paardenstal, thans bungalow.) Het huispersoneel fluctueerde tussen de vier en zes koppen. De nagel aan zijn doodskist vormde de jarenlange, steeds terugkerende schade aan gewassen en jonge aanplant als gevolg van konijnenplagen, aldus zoon Ronald – de huidige bewoner van het landhuis – over zijn vader. Ze werden bestreden met fretteren (het jagen met een fret), drijfjachten en het werken met lichtbakken. Helaas heeft James het instorten van de konijnenstand door myxomatose in de jaren ’50 niet meer mogen meemaken. In de oorlog moest het gezin het landhuis aan de bezetter laten, maar keerde in 1947 voltallig terug. Zijn Duitsers en konijnen geweken, de Loudons wonen er nog steeds.

Vissen verdienen geen aflaat Maar verder met het wedervaren van het viskweekbedrijf. De vijvers waren (en zijn) omgeven door dijkjes die dienden om afstroming van water naar de beek te voorkomen. De vijvers werden er ook door gecompartimenteerd, nodig om de verschillende soorten vis en de leeftijdscategorieën van elkaar te scheiden. Een verbinding met de Tongelreep was levensnoodzakelijk om de vijvers te vullen, voeden, verversen en op peil te houden. Door de zandige bodem zeeg het water namelijk vrij snel weg, zo’n 1 à 2 cm per etmaal. Door een vijver te lagen leeglopen, het ‘aflaten’, verzamelden de vissen zich in de geul vóór de stuw. Uit deze ondiepte konden ze makkelijk in zinken teilen worden geschept, die weer werden geleegd in een tank. Via een smalspoor over de dijkjes werd de buit op het erf van het bedrijfsgebouw verzameld. Bij het afvissen waren eerst de vijvers bij de Tongelreep aan de beurt, daarna de hoger gelegene, met als laatste het Greveschutven, dat er een week over deed Rechts boven: Door kades zijn de vijvers onderling van elkaar gescheiden. Rechts: De grootste ‘vijver’ is het Greveschutven.

leeg te lopen. Het terug vullen van de vijvers gebeurde in omgekeerde volgorde, van ‘boven’ naar ‘beneden’. De laagst gelegen vijvers stonden dus het langst droog. Het opnieuw vullen met water geschiedde via aanvoersloten. Die aan de Valkenswaardse kant heet de ‘Witte Sloot’, een verbastering van ‘weteringsloot’, die aan de Heezer kant de ‘Bronzesloot’, wat komt van ‘de baron zijn sloot’.

Is vis lekker, vissenvoer is vies De bijvoering, waarvan zojuist al even sprake, nam in de loop der tijd steeds grotere proporties aan, uiteraard om de visproductie te verhogen. Er werd volop geëxperimenteerd met meststoffen. Bemesting in de vorm van bekalking leidde in eerste instantie tot de groei van plankton, ideaal vissenvoer. Deze ‘indirecte’ bijvoering kreeg aanvulling van ‘directe’, in de vorm van graan en dierlijk voedsel. Midden in het vijvercomplex ligt nog altijd een primitief gemetselde veldoven van omstreeks 1950 waarin dagelijks het voer voor de karpers werd bereid. Eerst gebeurde dat bij de bedrijfsgebouwen aan de ingang van het complex, maar vanwege de stank werd deze activiteit verplaatst. Per dag werden er tientallen kilo’s slachtafval van het abattoir in Eindhoven afgeleverd. Het werd er vermalen, vermengd met lupinemeel en gekookt in twee grote ijzeren, op hout gestookte ketels. Omdat de oven midden in het gebied stond, kon het voer eerlijk over de vijvers worden verdeeld. In de jaren ’60 en ’70 intensiveerde de visteelt zich sterk, ongeveer zoals de veeteelt destijds. Niet alleen de bemesting, maar ook het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen nam toe. In een verslag over 1964 geeft de ovb zelf de volgende cijfers. Vijvers met een slibbodem ontvingen in het vroege voorjaar 600 à 1000 kg ongebluste kalk per hectare en al enige weken daarna nog eens 300 à 400 kg superfosfaat over dezelfde oppervlakte-eenheid. Vijvers met een


r o n d ein d h o ven

zandbodem kregen eerst 600 à 1000 kg kalkmergel en vervolgens 300 à 400 kg thomasslakkenmeel, wederom allemaal per hectare. In de zomer werd reikhalzend uitgekeken naar de bloei van blauwalgen. Een continue ‘regen’ van afgestorven algen op de bodem kwam de ontwikkeling van bodemorganismen ten goede, vooral die van muggenlarven, het lievelingskostje van karpers. Om algenbloei te bevorderen, werd de onderwaterflora in het voorjaar twee- tot driemaal gemaaid. Zo drong voldoende licht door en warmde het water op. De thans zo gevreesde algenbloei werd zo’n 40 jaar geleden dus bewust in de hand gewerkt! Door gunstige omstandigheden voor licht en temperatuur te scheppen! Maar ook toen kende men er al de schaduwzijde van: ... daar het zuurstofgehalte van het water des nachts of in de vroege ochtenduren als gevolg van de nachtelijke ademhaling der algen sterk kan dalen en zodoende aanleiding tot vissterfte kan geven. De ovb, die daar natuurlijk niet op zat te wachten, dokterde een probaat tegenmiddel uit. In juli en augustus werden de vijvers dagelijks op hun zuurstofgehalte onderzocht. Was die te laag, dan werd preventief doorgestroomd. Hoe kritischer het zuurstofgehalte, hoe meer karpers zich in de vroege ochtend bij de aanvoerleiding verzamelden. Ze lagen er ‘op stroom’ tot het zuurstofgehalte weer voldoende was. Vanaf het moment dat Brabants Landschap in 1978 het landgoed overnam, werden met de ovb afspraken gemaakt om de bemesting terug te dringen. Dat gebeurde om de zoveel jaar bij het verlengen van het pachtcontract. Op den duur werd de bemesting, een onnatuurlijke activiteit, helemaal gestaakt, waarna de ovb in 2002 haar tenten sloot.

Ongewenste disgenoten Viskweek heeft altijd in een slechte verhouding gestaan tot de wilde natuur, die vurig werd bestreden, tot nog

maar 15 jaar geleden. In een schoolboek uit eind jaren ’40, ‘De luister van ons land’, wordt verslag gedaan van een uitstapje naar de visvijvers van Valkenswaard, met als kop De big van het zoete water. Je werd er tegen betaling van een kleine entreeprijs door een werknemer van de Heidemij rondgeleid en kreeg dan tekst en uitleg over het bedrijf. De gids in het boek heeft een hartgrondige hekel aan alle natuur die zich niet laat dwingen. Dat gevoel komt steeds weer bij hem bovendrijven, zoals naar aanleiding van ondoelmatig bijvoeren: Iedere morgen gaat de voerknecht de vijver op, om enkele honderden kilo’s maïs op de voederplaatsen te brengen. En die zijn al spoedig weg, vooral als de zon flink schijnt, want een karper is op zijn best bij een tropische warmte; dan vooral toont hij een dankbare eetlust. Maar de vermaledijde koeten en eenden, die halen vaak een lelijke streep door de rekening, die we elke maand van de graanhandelaar krijgen. Mee-eters en profiteurs zijn het! En wat staat er tegenover? Niets! Is de gids al niet te spreken over de watervogels, daar zijn nog andere zwervers langs de waterkant, die heel wat meer op hun kerfstok hebben. Nou brandt de heidemijer pas goed los. Wat is het toch een godvergeten tuig dat de vijvers onveilig maakt! Allereerst de nachtelijke rover, sluiper en gluiper van de eerste rang, de otter, die in één nacht groot onheil kan stichten op de kwekerij. Dan zijn er de ratten, die overal rondschuimen en niet te schatten schade toebrengen, omdat zij niet alleen vis roven, maar ook aanvallen doen op de maïs voor de karpers. En dan is er nog de otter in zakformaat, de waterspitsmuis. Een kleine, bloeddorstige en roofzieke zwerver, die vooral het broed bedreigt. De gids buigt zich ook over de plantenwereld, hij toont zijn gasten twee exoten, immigranten uit Zuid-Amerika. De waterpest acht hij voordelig voor de visstand, omdat hij het water zuurstofrijk maakt. De indringer kan echter wel een pest worden wanneer hij ongebreideld zijn gang kan gaan. Het is duidelijk dat je natuur op de vingers moet

453

Van de watervogels vallen de knobbelzwanen het meest in het oog.


Valkenhorst

454

tikken en zo nu en dan eens tuchtigen. De watervaren of azolla, hij bedoelt kroosvaren, is schadelijk voor de visstand omdat hij voortwoekerend op de waterspiegel, alles verstikt wat er onder leeft. De laatste onverlaat die de revue passeert is die verre Aziaat, de wolhandkrab. ’n Rare Chinees, letterlijk en figuurlijk! Want eenmaal meegereisd met een rijstboot uit China, wist deze roofzieke en plundergrage zwerver alras terrein te winnen. Grauw, gajes, geteisem, gespuis, janhagel, crapuul, canaille, rapaille, schuim, schoelje en schorriemorrie: woorden schieten te kort om dit tuig van de richel een naam te geven. Waar halen ze de brutaliteit vandaan om hun eigen zorgeloze weg te gaan, zomaar te woekeren en zich niets van de diersoort mens, toch het opperwezen, aan te trekken? Boeren en buitenlui, jagers en vissers, ze stonden niet alleen in hun harde oordeel over de natuur. Iedereen, de samenleving in haar geheel, dacht er destijds zo over. We kunnen het ze in hun dagelijkse strijd om het bestaan – voedsel was toen veel schaarser dan thans – niet kwalijk nemen. De gebetenheid op ‘wild’ moet je zien in het tijdsbeeld. Wie weet hoe latere generaties tegen ons aankijken.

En tóch een pluim Viskwekerijen waren vooral ‘populair’ bij visetende vogels, dat spreekt voor zich. Economisch gezien, het ging uiteindelijk om een bedrijf, was vervolging van deze diergroep dan ook logisch, want de ongenode gasten drukten wél op de exploitatie. Ook nadat vogels als fuut en blauwe reiger bij wet al lang waren beschermd, mochten ze hier nog worden geschoten. En zelfs in ‘Het Vogeljaar’, nota bene een tijdschrift van en voor vogelvrienden, worden visetende vogels aangeduid als schadelijk. Er heerste toen kennelijk een heel andere mentaliteit (1961): De aalscholver en de visarend houden zich met de

grotere vissen bezig, en zijn dan ook, in ’n bepaald tijdsverloop, ’t meest schadelijk, ofschoon de hoeveelheid kleine vis, welke b.v. de fuut in het gehele seizoen verorbert, niet onderschat mag worden. Jaarlijks vroeg de ovb een vergunning aan om visetende vogels binnen de perken te houden. Nog in 1997 en ’98 werden 111 futen en 7 blauwe reigers afgeschoten en 21 futennesten leeggehaald. De ovb ging er van uit dat elke door vogels opgegeten vis verkocht had kunnen worden en berekende een jaarlijks schadebedrag van f 400.000. Volgens Vogelbescherming Nederland aten de futen voornamelijk zieke en langzame vis die toch niet verkoopbaar was. Daarop gaf de ovb toe dat er onder haar vissen inderdaad een natuurlijk verlies optrad van 5 à 10%, maar dat futen vooral ‘fout’ waren omdat ze stress veroorzaakten onder vis. De Provincie geloofde dit en leverde jaarlijks een afschotvergunning. Pas in 2001 werd deze ingetrokken. En toch moet achteraf de conclusie luiden dat het vogelparadijs van Valkenhorst te danken is aan de historische viskweek. Veel soorten waren er anders nooit voorgekomen. Ze zijn onder te verdelen in vier categorieën. Ten eerste de visetende vogels – aalscholver, visarend, fuut en blauwe reiger – ten tweede de echte watervogels – eenden, ganzen en zwanen – ten derde de rietvogels – roerdomp, woudaapje en bruine kiekendief – en ten vierde de steltlopers op de tijdelijk droogvallende vijverbodems – kleine plevier, tureluur en groenpootruiter. Met alle respect voor de historische betekenis van de viskweek heeft Brabants landschap het gebied toch heringericht. De vijvers zijn opgeschoond en de kades zijn houtvrij gemaakt. De visfauna is er nu natuurlijker qua soortensamenstelling en dichtheden. Wat de vogels betreft, zijn er nu minder schrokkoppen maar varen de specialisten wel bij bovengenoemde ingrepen.


Treeswijk Theresiastadt

2 hectar e (par k)

b e pe r kt t oe ganke li j k

455

landbouw en vruchtbaarheid, en Proserpina, godin van de plantenwereld. Tot de stijlkamers behoort een Chinese kamer. Via huwelijk kwam het goed in bezit van diverse adelijke families. Het kreeg een boerderij en in de tweede helft van de negentiende eeuw een dubbele dienstwoning. Rond 1900 werd een park in Engelse Landschapsstijl aangelegd. In de jaren ’60 is een groot deel van het goed verkaveld voor villabouw, ‘Domein Treeswijk’. Villa Treeswijk heeft momenteel een kantoorfunctie en de boerderij die van restaurant. Het park van ruim 2 hectare telt veel oude eiken.

d iver s e pa r ticulier en

D

e g e s c hie de nis van dit landgoed begint in 1824 met de aankoop van de heerlijkheid Waalre door Andreas van Velthoven, president van de rechtbank in Eindhoven en tevens lid van zowel Gedeputeerde als Provinciale Staten van Noord-Brabant, een man van aanzien dus. Vijf jaar later liet hij op zijn goed een villa bouwen in neoclassicistische stijl, Treeswijk, waar de naam van zijn vrouw, Maria Theresia, baronesse van Pallandt, niet vreemd aan zal zijn geweest. Bijzonder zijn twee nissen in de voorgevel waarin beelden zijn geplaatst, voorstellende Ceres, godin van de


Ontdek de wondere wereld die landgoed heet Wat is een landgoed? En een landgoederenlandschap? Het fenomeen landgoed wordt in dit boek in zijn landschappelijke en historische context geplaatst. Ze liggen van west naar oost door de provincie geconcentreerd rond de antieke steden Bergen op Zoom, Breda en Den Bosch. Maar meer verspreid zijn ze ook gesticht in afgelegen gebieden als de Kempen en de Peel. Het spectrum loopt van oude domeinen die teruggaan tot de Middeleeuwen, via jacht- en lustparken uit de vroegmoderne tijd tot negentiende- en twintigste-eeuwse heideontginningen. Eigenlijk liggen ze overal en het gekke is dat de meeste Brabanders dat niet eens weten. Zij associëren het natuurschoon van onze provincie met bos, heide, vennen en stuifzand. Daar blijft het doorgaans bij. Maar je kijkt toch niet zomaar langs 150 – want zoveel zijn het er – landgoederen heen? Hoewel er in architectuur, parkstijl en bosaanleg veel overeenkomsten te vinden zijn, heeft elk landgoed toch vooral zijn eigen gezicht. Dat individuele karakter komt in dit boek zoveel mogelijk aan bod, onder meer in de vorm van verhalen over de (voormalige) bewoners. Het is de bedoeling dat dit boek met rode oortjes gelezen wordt. Aan het ontstaan van landgoederen ligt het scheppen van schoonheid ten grondslag. Maar omdat een landschap doorgaans moet ‘rijpen’, hebben de stichters hun ‘goed’ nooit zo mooi gekend als wij nu. De oude landgoederen bereiken nu pas hun top. Dat is mooi meegenomen voor ons, maar we moeten ook aan toekomstige generaties denken. Omdat ze de belevingswaarde van het buitengebied zo sterk verhogen, is veel te zeggen voor de stichting van nieuwe landgoederen, waarmee bovendien een traditie van eeuwen wordt voortgezet. Voor zowel oude, nieuwe als toekomstige landgoederen is het vinden van economische dragers dé grote uitdaging.


Landgoederen in Noord-Brabant