Page 1

Samhain Patrick Brannigan De wind bijt met de kilheid van de naderende winter en laat ons kampvuur dansen. Een ijzige motregen striemt onze ruggen. Ik trek mijn vochtige mantel dichter om me heen. De late herfst is een beroerde tijd om ten strijde te trekken. Net als iedere andere tijd. Uit het woud klinkt de klaagzang van een wolf. Ik zie de jongere mannen onrustig in de duisternis staren. Ons vuur houdt die vervloekte beesten op afstand, maar het blijft een ongemakkelijk idee dat er geen pallissade om ons heen staat. Ook ik tuur in de duisternis. De wolven baren me weinig zorgen. Het zijn de Lloegryn die ik vrees. ‘Een nacht vol duisternis en onheil,’ mompelt Eoghain, terwijl hij gestoofde paddenstoelen uitdeelt. ‘De nacht van Samhain. Een spooknacht.’ ‘Als een geest onder mijn deken komt spoken, dan is ze welkom,’ roept Alain spottend. Hij springt overeind en wijst dramatisch naar de bosrand. ‘Alle ondoden met tieten zijn van harte welkom!’ Sommige krijgers grinniken. Totdat Vortigern spreekt. ‘Zwijg. De ondoden zijn net zo echt als dit kampvuur.’ De stilte die valt na zijn woorden is ongemakkelijk. Slechts het knisperen van het kampvuur weerklinkt in de doodstille nacht. We staren naar Vortigern, die een polsdikke tak met gemak in tweeën breekt en het kampvuur voedt. Het licht fakkelt over zijn brede schouders, de stierennek, zijn gespierde onderarmen en een gezicht dat uit een rotsblok gehouwen lijkt te zijn. Niemand heeft hem ooit op een leugen weten te betrappen. Juist daarom bezorgen zijn woorden mij kippenvel. ‘Geloof jij die oudewijvenpraat, Vortigern?’ smaalt Alain. ‘Oude vrouwen bezitten de wijsheid van een lang leven en de nabije dood,’ gromt Vortigern. Hij kijkt fronsend op. Het licht van het kampvuur weerkaatst in de diepe poelen van zijn ogen. Vortigern is geducht in de strijd. Alain moet op zijn woorden te letten. ‘Oude vrouwen zeggen dat de ondoden deze wereld bewandelen. Een wijs krijger luistert naar oude vrouwen,’ vervolgt Vortigern. ‘Want wijs is de krijger die niet ontijdig door Cailleach bezocht wil worden.’


Alain ploft neer en huivert. Hij raakt even zijn halsring aan. ‘Spreek die naam niet uit. Misschien hoort ze je.’ Vortigerns gezicht vertrekt tot een grimas. ‘Voor jouw spot zou de Almoeder je moeten straffen,’ grauwt hij. ‘En als de Almoeder het niet doet, dan doe ik het wel.’ Langzaam staat hij op. Ik merk dat mijn spieren zich spannen. Als Vortigern Alain doodt, is het mijn plicht om Vortigern te doden. En ik sta niet te popelen om mijn beste krijger te doden. Als het me zou lukken. Vortigern is jong en sterk, terwijl de jaren als lood op mijn schouders rusten. Ik heb teveel strijd gezien. Ik haat de Lloegryn, maar ik zou alleen maar willen dat ze weggingen. Terug naar het vasteland. Zodat ik vredig met Igraine onder mijn berenvel kan kruipen en nooit meer hoef te denken aan strijd en verminking. ‘Waarom spreek je over de Almoeder? Zij is geen ondode,’ komt Eoghain tussenbeide. Langzaam, als een beer die gestoord wordt terwijl hij zich volvreet aan zijn prooi, keert Vortigern zich naar Eoghain. Als Eoghain hem grijnzend de kruik met mede toesteekt, verdwijnt de grimmigheid van Vortigerns gezicht. Hij grinnikt en neemt een slok. Ondanks zijn sombere aard slaagt Eoghain er altijd in om de vrede te bewaren. Dat is dan ook de belangrijkste reden waarom hij mijn onderbevelhebber is. Opgelucht laat ik het gevest van mijn zwaard los. ‘Nee, de Almoeder is geen ondode,’ mompelt Vortigern. Zijn stem krijgt een bezwerende klank. Als hij niet zo overduidelijk voorbestemd was geweest voor de strijd, had Vortigern een uitstekende druïde kunnen worden. ‘Zij is veel meer dan dat. Zij roert de Ketel. Zij is de Winterkoningin. En in de nacht van Samhain stuurt zij de ondoden naar hen die haar macht bespotten.’ Fel blikt hij naar Alain, die dieper in zijn mantel wegduikt. ‘Grillig is het oordeel van de Almoeder,’ mompelt Eoghain. Inderdaad. Die middag waren we een voorbeeld van haar grilligheid tegengekomen. Zo te zien was het een prachtige hoeve geweest, met fraai houtsnijwerk en een stal voor een drietal koeien. De Lloegryn hadden de gebouwen in de fik gestoken. De as was nog warm. De koeien waren kadavers in de wei. De Lloegryn hadden niet eens de moeite genomen om er vlees vanaf te snijden.


Het hoofd van de boer was op zijn eigen hek gespietst. Zijn vrouw leefde nog, maar ze stierf toen Eoghain haar naaktheid bedekte. EÊn van de jongere krijgers slaakte een kreet en wees naar een boom op het erf. Aan de eik hing het lijk van een jongen. Hij was misschien een jaar of zeven. De Lloegryn hadden hem vastgebonden en hun kunde met de boog op hem geoefend. Ongetwijfeld hadden ze gelachen om zijn gekrijs. Maar dit was niet wat enkele jonge krijgers deed overgeven. Iets had aan de jongen geknaagd. Wolven. Beren. Of iets anders. We vonden in ieder geval geen wolven- of berensporen. Welk ander wezen had zich vergrepen aan menselijk aas? De legenden over deze uithoek van Cymry zijn duister. Neerslachtig begroeven we de lijken; Vortigern sprak enkele devote woorden. Eoghain bestudeerde de voetafdrukken in de modder. Hij schatte hun aantal op veertig, dubbel zoveel als wij. Toch beval ik dat we hen moesten volgen. Wellicht kwamen we bondgenoten tegen. Wellicht konden we hen ’s nachts verrassen. Wellicht was ik gewoon een domme, koppige, oude man. Langzaam sjokten we oostwaarts. Het was niet moeilijk om hun spoor te volgen, want ze deden geen enkele moeite om hun sporen uit te wissen. De gruwel van het afgeslachte boerengezin achtervolgde ons tot zonsondergang, toen we onze achtervolging staakten om ons avondeten te bereiden. Ik stuurde een verkenner vooruit, op het enige paard dat we hebben. Ik bekijk de gezichten van de krijgers die zich rond het kampvuur warmen. Teveel jongemannen zonder ervaring, onzeker over de nabije strijd, met het beeld van die dode jongen in hun geheugen gebrand. Teveel mannen zoals ikzelf, met gerimpelde gezichten en gebogen ruggen, afgestompt door de oorlog die de Cymry teistert. Te weinig mannen als Vortigern. Vortigern zwijgt nu, alsof hij zijn ongebruikelijke spraakzaamheid betreurt. Iedereen zwijgt. Zelfs Alain staart somber in het vuur en houdt zijn mond. Dit zou het goede moment zijn om mijn mannen op te beuren, maar er schiet me niets te binnen. Mijn hart is gevuld met droevenis. De Lloegryn plunderen ons land al sinds de jongensjaren van mijn vader. Ieder jaar worden zij talrijker, terwijl onze rangen uitdunnen. Ieder jaar dringen zij ons verder terug naar het westen. Sommigen fluisteren dat onze


strijd hopeloos is. Dat het beter is om naar Armorica te vluchten. Dat Cymry ten onder zal gaan. De wind gaat liggen. De bewolking breekt, het houdt op met regenen en een bleke, volle maan werpt haar licht op de open plek. Meewarig kijk ik naar het westen, de richting waar we vandaan komen. Waar een man, zijn vrouw en hun zoon ongewroken in hun graf rusten. Net als duizenden anderen. Ik zie een donkere gestalte uit de bosrand schieten en naar ons toe rennen. Ik spring overeind, evenals een vijftal mannen die hem ook hebben gezien. ‘Onraad!’ schreeuw ik. Glanzend staal verschijnt onmiddellijk in ieders handen. Mijn mannen waaieren uit in een linie die zich naar de gestalte keert. De man struikelt en valt. Langzaam komt hij overeind, hinkt dan verder. ‘Het is Ywain maar,’ schreeuwt Eoghain aan mijn rechterzijde. ‘Die sukkel,’ mompelt hij erachteraan. Enkele mannen grinniken. Ik steek mijn zwaard weg, maar het bloed stroomt nog steeds wild door mijn aderen. ‘Waarom verlaat jij je uitkijkpost, stuk ongeluk?’ Ik merk dat ik schreeuw. Ik moet mezelf beheersen. Ywain strompelt hijgend naderbij, valt dan op zijn knieën. Ongerust zie ik dat zijn ogen wijd zijn opengesperd. Zijn gezicht is vertrokken in een grimas van angst. Ywain is niet één van de moedigsten, maar hij is ook geen lafaard. Dit is geen goed teken. Zouden de Lloegryn onze achtervolging hebben bemerkt? Zouden ze een omtrekkende beweging hebben gemaakt om ons in de rug aan te vallen? ‘Spreek op, Ywain. Zijn het de Lloegryn?’ Ywain schudt zijn hoofd. Hij wijst naar het westen. ‘Het …het kind,’ hijgt hij. ‘Bang voor een kind, Ywain?’ vraagt Alain met zijn kilste stem. ‘Dit … is geen … kind … meer.’ Ywain staat op. Hij kijkt over zijn schouder. Begint dan te gillen. Aan de bosrand is een kleine gestalte verschenen, die naderbij draaft. Alain lacht spottend, draait zich dan op en slaat Ywain met de rug van zijn hand in het gezicht. Ywains gegil wordt abrupt gesmoord.


‘Zo’n grote kerel, bang voor een kind! Je bent een lafaard, Ywain,’ sneert Alain. Een belediging die met staal gewroken moet worden. Nu gaat er bloed vloeien. Maar Ywain verschuilt zich achter de brede rug van Vortigern, waar hij in snikken uitbarst. De mannen grinniken, maar het is een ongelovig, schamper gegrinnik, vol walging. Vortigern duwt de huilende man omver. Ik wend me af van het hoopje ellende op de grond en tuur naar het naderende kind. Wat zou een kind hier doen, zo laat op de avond? Het kind vermindert snelheid en wandelt langzaam naar ons toe. Ik huiver als een kille bries over de open plek waait. Dan voel ik hoe mijn maag zich tot een harde knoop spant. Mijn mond zakt open. Om me heen hoor ik verstikte kreten. ‘Een geest!’ ‘Ondood!’ Ik zie het jongensgezicht dat ik deze middag bedekt heb met stenen. Een gezicht dat nu verwrongen is door verdriet. Ik zie dode ogen waarachter een wit vuur brandt. Ik zie ingewanden uit een gapend gat in zijn buik bungelen. Ik zie een bovenbeen waarvan het vlees is weggevreten. Ik zie het, maar ik kan het niet geloven. De jongen heft een hand en spert zijn mond open. Een onaardse jammerklacht weerklinkt. Nimmer hoorde ik een dergelijk geluid. De mannen om mij heen struikelen achteruit. Sommigen vallen op hun knieën terwijl ze hun handen tegen hun oren drukken. In mijn ooghoek zie ik Vortigern die zijn zwaard trekt en naar voren stapt. Ook Eoghain staat klaar om de jongen aan zijn staal te rijgen. Deze mannen hebben van jongs af aan geleerd dat de aanval de beste reactie op een bedreiging. Anderen vatten hierdoor moed en herstellen zich van hun afschuw. De jongen staakt zijn jammerklacht en staart onbeweeglijk naar de naderende krijgers met zijn dode ogen. ‘Wacht!’ schreeuw ik. Ik weet niet wat mij op dat moment beweegt om voor de jongen te springen, mij om te draaien en mijn armen beschermend uit te spreiden. Is het de herinnering aan het droeve lijkje dat ik begroef? De tederheid die ik voel voor kinderen? Een influistering van de Almoeder? De mannen kijken me verbijsterd aan, maar houden halt. Snel draai ik me weer terug naar de jongen, plotseling doodsbang om dat dode ding ongezien in mijn rug te hebben. De jongen blijft doodstil staan.


‘Laat hem door,’ roep ik. Mijn stem is schor, alsof ik een week lang gezopen en gezongen heb. Langzaam loop ik naar achteren, dan opzij. Ik gebaar dat de mannen plaats moeten maken. Aarzelend splijt de haag van mannen uiteen. De jongen wandelt ongehaast naar voren, tussen de mannen door. Op de gezichten van mijn krijgers zie ik ongeloof, afschuw en doodsangst terwijl ze naar het kind staren en achteruit deinzen. Bij het kampvuur draait de jongen zich om, zodat zijn silhouet donker is afgetekend tegen een vurige achtergrond. Hij wijst naar het oosten. Opnieuw horen we zijn onaardse kinderstem. Hij spreekt slechts twee woorden, die we allemaal duidelijk verstaan. ‘Wreek ons.’ Een bliksemflits verblindt ons. Terwijl we met onze ogen knipperen, de donder weergalmt en een plotselinge hoosbui ons doordrenkt, zien we dat de jongen verdwenen is. Huiverend onder onze natte mantels hebben we onder een enorme eik beschutting tegen de regen gezocht. Al snel krijgen Vortigern en Alain opnieuw ruzie. Er zijn drie mannen nodig om Vortigern in bedwang te houden. De twee krijgers staren elkaar woedend aan. Eoghain staat tussen hen in, maar zijn kalmerende gebaren werken niet langer. ‘Alain bespotte de doden,’ schreeuwt Vortigern. ‘Laat me hem straffen!’ ‘Ik hak die lelijke kop van je romp, grote klootzak,’ briest Alain vanaf een veilige afstand. ‘Houd allebei je bek dicht,’ schreeuw ik. Ik haal diep adem en bedwing mijn neiging om die twee met hun achterlijke koppen tegen elkaar te rammen. ‘Wij hebben maar één vijand,’ zeg ik ijzig. ‘En die heeft meer mannen dan wij en is niet ver weg.’ Ik wijs in dezelfde richting die de ondode jongen aanwees. Dat brengt ze tot bedaren. Vortigern snuift, schudt de handen af die hem vasthouden, draait zich met een ruk om en verdwijnt in de duisternis. Alain spuugt op de grond en beent in de tegenovergestelde richting. De rest van de mannen verspreidt zich, op zoek naar de droogste plekken onder de eik. Ik hoef hun gefluister niet te verstaan om te weten dat hun moreel het dieptepunt heeft bereikt. De verschijning van de ondode jongen zou zelfs de moedigste mannen hebben gebroken. En de dreiging van de nabije


Lloegryn doet de rest. Mijn mannen zijn bang. Ik moet iets ondernemen. Moedeloos leun ik tegen de stam van de eik en laat me zakken. Eoghain hurkt bij me neer. ‘Waarom beschermde je dat dode … ding?’ vraagt Eoghain. ‘De mannen begrijpen het niet. Ik ook niet, trouwens.’ ‘Ik weet het niet,’ zucht ik. ‘Medelijden, denk ik.’ ‘Medelijden, met een geest? Het zal wel. En wat gaan we nu doen?’ vraagt Eoghain. Ik zwijg lange tijd. Eigenlijk hoop ik dat Eoghain me met rust laat. Het liefst zou ik naar huis terugkeren. In mijn bed kruipen. Slapen, sluimeren, in vergetelheid wegzakken. Zodat ik de woorden van de ondode jongen kan vergeten. Maar dat gaat niet. Ik ben geen lafaard. Eoghain gaat niet weg. Hij wacht op een antwoord. Ik haal diep adem. ‘Die ondode jongen bracht een bevel van de Almoeder. We moeten haar onverwijld gehoorzamen, want het is de nacht van Samhain. We zullen de doden wreken,’ zeg ik. Zuchtend laat ik mijn adem ontsnappen. Mijn besluit is genomen. ‘Over een half uur hervatten we onze achtervolging. De nacht zal ons dekking verschaffen.’ Eoghain knikt langzaam, staat op en verspreid mijn bevel. Het houdt op met regenen. De nacht is opnieuw doodstil na het eerdere ruisen van het neervallende water. Ik sluit even mijn ogen en voel direct een zware loomheid zich over mijn ledematen verspreiden. Hoefgetrappel. Ik schrik wakker uit een onwerkelijke halfslaap. Het maanlicht prikt door het bladerdek van de eik. Een ruiter in draf verschijnt op de open plek, die we van onder de eik goed kunnen overzien. De ruiter mindert vaart, kijkt dan zoekend om zich heen. ‘Uthyr, hier zijn we,’ roept Eoghain. Ik voel een sprankje hoop. Ieder nieuws is welkom, zelfs slecht nieuws. Onze verkenner draaft naar de boomgrens, stijgt dan af. Uthyr is een jonge kerel met uitstekende ogen en een lenig verstand. Hij snelt naar ons toe en groet met zijn gebalde vuist. Ik trek hem mee, buiten gehoorafstand van de mannen. Eoghain volgt ons. Dan knik ik Uthyr bemoedigend toe. ‘Ze zitten zes mijl oostwaarts.’ Uthyr verspilt geen woorden aan klachten over zijn verkenning in het pikkedonker, op onbekend terrein. ‘Ik telde tweeënveertig man met zwaarden, bijlen en bogen. Drie paarden. Maliënkolders en verhard leer. Wellicht de voorhoede van een grotere macht. Dat is het goede nieuws.’ Het maanlicht beschijnt zijn


vrolijke grijns. Hij ziet mijn sombere gezicht en hervat haastig zijn rapport. ‘Het slechte nieuws is dat ze een leeg heuvelfort hebben bezet.’ ‘Wat voor een heuvelfort?’ vraag ik. De zaken zien er steeds slechter uit. Zonder belegeringswerktuigen wordt het erg moeilijk om de Lloegryn uit een fort te peuteren. ‘Het gebruikelijke soort. Op een heuvel, omsloten door een greppel en een pallissade van ongeveer zes voet. Twee poorten, aan de noord- en zuidkant.’ ‘Hoe heb je ze kunnen tellen als ze in een fort zaten?’ vraagt Eoghain verbaasd. ‘De Lloegryn hebben slechts twee wachtposten uitgezet. Op enkele plaatsen zitten er bressen in de pallissade. Ik denk dat het fort een keer belegerd is en daarna verlaten. Het was gemakkelijk om naar binnen te glippen en ze te bespioneren. Ze lagen allemaal te slapen.’ Opnieuw die vrolijke grijns. Gemakkelijk, zei hij. Alsof het een wandeling in het woud op een zonnige lenteochtend betrof. Ik zou graag een zoon als Uthyr hebben gehad. Maar de kinderen die Igraine baarde, leefden nooit langer dan enkele jaren. ‘Goed werk, Uthyr.’ Ik sla hem op zijn schouder. ‘Als jij de Lloegryn kan verrassen, dan kunnen wij dat ook. Dit zal de mannen moed geven. Ik stuur je opnieuw vooruit. Omcirkel het fort. Zoek de omgeving af naar bondgenoten. We kunnen iedere arm gebruiken die een zwaard kan hanteren. Eoghain, geef deze kerel wat van je stoofpot voordat hij gaat. Verzamel daarna de mannen. We vertrekken.’ Uthyr kijkt ons aan met een verbaasde frons op zijn gezicht. ‘Wat is hier gebeurd?’ vraagt hij. ‘Jullie zien er uit alsof jullie een geest hebben gezien.’ Eoghain en ik staren elkaar even aan. Dan barsten we tegelijk in lachen uit. Hengis staat achter de pallissade van het heuvelfort en laat zijn blik over de maanverlichte wouden glijden. Hij is blij dat zijn verkenners dit fort hebben gevonden, maar deze tocht bevalt hem verder allerminst. De buit is schaars, het weer is waardeloos en deze nacht is zwanger van onheil. Hij voelt dat iemand hem beloert vanuit de duisternis. Zijn vader zei altijd dat je je vijand moet doorgronden voordat je hem kunt verslaan, dus Hengis schraapt peinzend zijn kennis bijeen. Als de maan vol is aan het einde van de herfst, vieren de Cymry hun nieuwjaarsfeest. Ze noemen het Samhain, het begin van de wedergeboorte. Samhain begint tijdens zonsondergang, want de Cymry geloven dat alles vanuit het donker begint. Achterlijke barbaren, denkt hij. Ze geloven ook dat


in de nacht van Samhain geesten vrijelijk rondwaren. Wie gelooft er nou in geesten? En toch voelt hij vannacht een bijgelovige angst naar zijn hart kruipen, als koudvuur dat zich langzaam naar binnen werkt. Ten eerste beviel het hem allerminst wat er met Horsa was gebeurd. De zwaardvechter had vijf dagen eerder een wond opgelopen in een gevecht met de Cymry. De wond was gaan etteren. Gisteravond hadden ze hem iets buiten het kamp neergelegd, zodat hij rustig kon sterven. Horsa had zich verzoend met zijn lot. Hij zou sterven door een krijgswond, dus hij was verzekerd van een plaats in Asgard. Bijna vrolijk nam hij afscheid van zijn krijgsmakkers. Hengist had hem voor zijn moedige aandeel in de strijd een dolk gegeven, die hij in Asgard aan Wodan ten geschenke kon aanbieden. Maar de volgende ochtend hadden ze Horsa met een uitdrukking van starre angst en een doorgeknaagde keel gevonden. Zijn linkerarm ontbrak, afgerukt bij zijn schouder. Niemand had ’s nachts iets gehoord. Nergens vonden ze sporen van wilde dieren. Toch had iets zijn krijger beroofd van zijn plaats in Asgard door hem af te slachten als een schaap. Hengist huiverde bij de gedachte dat Horsa’s ziel in schande door de Onderwereld dwaalde. Ten tweede was Alarik vanavond doodsbleek het fort in komen rennen. Hij beweerde dat hij vanaf zijn wachtpost in de bosrand een man het fort had zien naderen. Een man met één arm. Ja, Alarik beweerde dat hij de geest van Horsa had gezien. En dat Horsa zijn ene hand naar hem had uitgestrekt. Zelfs toen Hengist hem in zijn gezicht sloeg, bleef de wachtpost bij zijn verhaal. Hengist had geen andere keus: hij liet Alarik opknopen aan het dwarshout van de noordelijke poort. De verradersdood voor het verlaten van zijn post. Maar zelfs toen het hennep zich om zijn nek sloot, bleef de man raaskallen over de spookverschijning. Hengist spuugde een fluim op de grond toen het gebazel afgeknepen werd tot gegorgel. Wat een vervloekte verspilling van mankracht. Hengist schudt zijn sombere gedachten van zich af. Hij daalt af van de pallissade en begint zijn ronde door het fort. Overal treft hij alerte, parate mannen aan, tot de tanden bewapend. Sommigen verschuilen zich onder rieten matten, anderen doen alsof ze slapen. Eén van de wachtposten rapporteert dat hij een schaduw het fort zag binnenglippen en een uur later weer verdwijnen, maar volgens bevel heeft hij gedaan alsof hij niets zag. Hengist knijpt hem waarderend in zijn wang. Zijn val heeft gewerkt. Nu weet


hij dat hij achtervolgd wordt. Dat zijn achtervolgers vlakbij zijn. Dat ze wellicht zullen aanvallen. Hij voelt een brede grijns over zijn gezicht glijden. Laat ze maar komen. Het kunnen er nooit veel zijn. En als hij met de krijgers heeft afgerekend, marcheert hij verder. Zijn verkenners rapporteren dat ze op een dagmars afstand een welvarend dorp hebben gevonden, rijk aan vrouwen en vee, armzalig verdedigd door jongens en oude mannen. Misschien dat deze tocht toch nog een succes wordt. Ik aarzel. Het fort is weliswaar een ruïne, maar ik kan vanaf de bosrand niet zien wat zich daarbinnen afspeelt. Het licht van hun kampvuren schijnt door de bressen. Ik tel niet meer dan twee schaduwen achter de pallissade, vaal verlicht door het maanlicht. Alles is zoals Uthyr het beschreef. Toch knaagt er iets, diep in mijn ingewanden. Ik schuifel achteruit op mijn ellebogen, op mijn hoede om geen enkel geluid te maken. Dieper in het woud draai ik me om en kruip naar mijn mannen. Ik ruik zweet, leer en ongewassen tunieken. Maar ook varkensmest. De jonge boer die Uthyr heeft meegenomen stinkt niet alleen, hij maakt ook meer geluid dan me lief is. ‘Wees stil, man,’ bijt ik hem fluisterend toe. ‘Wil je onze aanval verknoeien?’ De boer mag dan stinken en luidruchtig zijn, hij heeft wel het verstand om niet te antwoorden. Hij knikt alleen en grijpt zijn riek beet. Zijn gezicht is net zo bleek als de maan. Bang, natuurlijk. Maar geen lafaard. Hij ging zonder aarzeling mee met Uthyr om huis en haard te verdedigen. Ik hurk neer bij Eoghain. ‘Het zou kunnen lukken,’ fluister ik hem toe. ‘Maar we moeten wel met die wachtposten afrekenen.’ ‘Laten we Alain en Vortigern er op afsturen,’ fluistert Eoghain. ‘Ze zullen niet voor elkaar willen onderdoen.’ Alain is een uitstekende boogschutter en Vortigern kan een wachtpost met één hand nog kelen. Ik knik goedkeurend, maar Eoghain blijft me afwachtend aankijken. Hij wacht op mijn beslissing over leven en dood. Aanvallen of niet? Ik voel me in een hoek gedrongen. De jonge boer vertelde over een onverdedigd dorp op de marsroute van de Lloegryn. Als we afwachten, zijn die mensen ter dood veroordeelt. Als we niets doen, dan zal het zijn alsof we ze zelf de keel doorsnijden. We moeten de Lloegryn


vannacht uitroeien. Bovendien heeft de Almoeder ons bevolen om onze doden te wreken. En toch aarzel ik nog steeds. Het zit me niet lekker. ‘Waar wachten we nog op?’ Een donkere gestalte is naar ons toe gekropen. Ik herken de stem van Alain. ‘Gaan we hier wortel schieten? Of ontbreekt het onze hoofdman aan moed?’ ‘Zwijg, idioot,’ gromt Eoghain. Maar het is te laat. Ik voel een duistere woede opborrelen. Er is nu geen weg terug meer. Ik trek mijn zwaard. ‘Splits ze op in twee groepen, voor de oost- en westkant. Stuur dat stuk ongeluk hier vooruit met Vortigern. Denk erom: toon de Lloegryn evenveel genade als ze die jongen toonden.’ Vloekend dept Hengist het bloed uit de wond op zijn schouder met een lap stof van zijn tuniek. Snel kijkt hij om zich heen. Het vuur in zijn aderen brandt nog ongeremd. Daar ziet hij een vijand naar de noordelijke poort kruipen. Hij laat een spoor van donker bloed achter. Hengist springt naar voren en steekt zijn zwaard in de rug van de man op de grond. Zijn staal is zo scherp dat het weinig weerstand ondervindt, totdat de punt op de rotsige grond stuit. De vijand kreunt en probeert met zijn hand het wapen beet te grijpen, maar hij kan er niet bij. Hengist draait zijn lemmet een kwartslag om. Dik bloed gutst uit de wond. De man crepeert van de pijn, stuiptrekt en verslapt dan. Een enorme kerel met drie pijlen in zijn bast wordt met een lans in zijn rug gestoken en valt zwaaiend om, als een eik die zich uiteindelijk gewonnen moet geven aan de bijlen van de houthakkers. Een jonge ruiter slaagt erin één van de Lloegryn te doden voordat zijn paard onder hem wordt weggeschoten. Hengist hoort iets kraken. De ruiter gilt van pijn. Zijn been ligt in een onmogelijke hoek. Eén van Hengists mannen hakt met zijn zwaard in het gezicht van de gevallen ruiter. Het gegil eindigt abrupt. Drie van zijn krijgers omsingelen lachend een jongeman met een riek en roepen uitdagingen naar hem. De knul prikt met zijn belachelijke wapen naar de krijgers terwijl hij jankt als een meisje. De tranen stromen langs zijn wangen. Eén van de krijgers krijgt genoeg van het spelletje. Hij slaat de riek opzij, stoot de jongen met zijn schouder tegen de grond en hakt op hem in. Zijn makkers juichen, dringen naar voren, hakken en houwen. Hengist kijkt op zich heen en ziet slechts dode of gewonde vijanden. Hij haalt


diep adem, gooit zijn hoofd in zijn nek en schreeuwt dierlijk naar de maan die neerkijkt op het bloedbad. Zijn mannen vallen hem bij en schreeuwen zich schor. Langzaam bedaart het pompen van zijn hart. Hengist voelt zijn benen trillen nu het gevaar geweken is. Zoals altijd komt de misselijkheid opzetten. Hij laat zich op zijn knieën vallen, sluit zijn ogen en dankt Wodan voor zijn overwinning. Als hij weer opstaat, valt het hem op hoeveel van zijn mannen roerloos tussen de dode vijanden liggen. Dit was een overwinning, maar wel een kostbare. Hij haalt diep adem en beveelt om de dode vijanden in de greppel aan de voet van de pallissade te gooien. ‘Hengist!’ Snel draait de aanvoerder zich om. Eén van zijn krijgers wenkt hem en wijst naar een gewonde vijand. Nieuwsgierig komt hij dichterbij. ‘Volgens mij is dit hun hoofdman. Hij leeft nog,’ zegt de krijger. Hengist kijkt neer op een oudere man met een indrukwekkende halsring. Uit een wond in zijn buik puilen de ingewanden. De man probeert ze terug te duwen. Hij hijgt zwaar, maar klemt zijn kaken op elkaar. Te trots om zijn pijn aan zijn vijand te tonen. ‘Ja, hij leeft nog. Maar niet lang meer,’ zegt Hengist. ‘Gooi hem bij zijn dode mannen, maar laat hem rustig sterven. Dat heeft hij wel verdiend.’ De pijn is bijna onverdraaglijk. Ik voel het warme bloed tussen mijn vingers wegstromen. Tegelijk voel ik de kilheid van de dood langs mijn benen omhoog kruipen. Als die kilheid mijn hart bereikt zal ik eindelijk weten of de Almoeder op mij wacht. Of niet. Uit het fort klinkt het gezang van de Lloegryn. Ze zullen nu wel stomdronken zijn. Zij vieren hun overwinning, terwijl ik hier tussen mijn dode mannen ligt te creperen. Ze zullen mijn Igraine vinden en verkrachten totdat ze hen smeekt om de dood. Ik voel verbittering en woede, totdat ik besef dat het allemaal zinloos is. Ik besef dat Cymry verloren is. De Lloegryn zullen ons overspoelen en uitroeien. Ze zijn te sluw, te wreed, te talrijk. Hier, aan het einde, verwachtte ik dat ik nergens meer bang voor zou zijn. Maar als ik in mijn ooghoek een kleine gestalte met witte ogen zie die langzaam en geluidloos de heuvel opklimt, weet ik dat het niet waar is. Ik probeer overeind te komen. Het lukt niet. Als ik een tweede, grotere gestalte zie opdoemen, begin ik te lachen. Het is de lach van een waanzinnige. Want ook deze tweede gestalte heeft de witte ogen van een ondode.


De ondode jongen en de ondode man blijven roerloos aan de rand van de greppel staan en kijken op mij neer. Met milde verbazing zie ik dat de man de uitrusting van een Lloegryn draagt. Zijn keel is opengescheurd en hij mist een arm. Het kan me allemaal niet meer zoveel schelen. Ik hef mijn hand op in een spottende groet. In antwoord dalen de ondoden af in de duisternis van de greppel. Ik zie ze niet meer. Maar ik hoor ze wel. Ik hoor het scheurende geluid van vlees dat van botten wordt gerukt. Ik hoor het geluid van kauwende, smakkende monden. Ik hoor een onaards gekreun. Even wordt het zwart voor mijn ogen. Als ik mijn ogen weer opendoe, staan er bijna twee dozijn ondoden op de helling. Ik herken Vortigern. Hij heeft drie pijlen in zijn borst. Ik zie Alain. Ik zie Ywain. Ik zie Uthyr. Hij wankelt, want zijn linkerbeen is gebroken. Zijn gezicht is bijna onherkenbaar verminkt. En ik zie Eoghain, wiens rechterarm is afgehakt. Ik zie al mijn mannen, die stierven omdat ik in de val liep. Giechelend zwaai ik naar ze, maar ze negeren me. Dan draaien ze zich om, in de richting van de bosrand. Nieuwsgierig hef ik mijn hoofd. Een oude, gebogen vrouw wandelt de heuvel op, geholpen door een lange staf. Het maanlicht verlicht een kraai die met een soepele bocht op haar schouder landt. De ondoden wankelen achteruit als zij tussen hen door loopt. ‘Gegroet, hoofdman. Mooie nacht om te sterven.’ De oude vrouw giechelt. ‘Gegroet, Cailleach. Welkom op mijn sterfbed. Bij wijze van spreken, dan.’ Ik zou moeten gillen van angst, maar ik voel alleen melancholie. ‘Eindelijk iemand die me bij mijn naam durft te noemen. Wat een verademing.’ Ze gaat zitten en laat haar benen over de rand van de greppel bungelen. De kraai krast en loert naar me met zijn kraalogen. ‘Het doet me deugd iemand te ontmoeten met wie ik een beetje kan kletsen. Eén nacht per jaar is het mij vergund om de doden tot leven te wekken. Dat is een goddelijk geschenk, maar de doden zijn nogal zwijgzaam.’ Een nieuwe giechel. Ik grinnik met haar mee. Dan schiet me opeens een gedachte te binnen. ‘Zeg me, moedertje: als de Lloegryn alle Cymry doden, hoe zal het u dan vergaan? Houdt u dan op met bestaan?’ De oude vrouw schatert. ‘Maak je over de Cymry maar geen zorgen, liefje,’ hikt ze uiteindelijk. ‘Ik zal je een geheimpje verklappen.’ Ze laat haar stem afzwakken tot gefluister. ‘Een man zal voortkomen uit de stenen van Tintagel. Een koning die de Cymry


zal verenigen. Hij zal de Lloegryn verdrijven. Zelfs na zijn dood zal hij eeuwig over de Cymry waken. En hij zal jouw naam dragen.’ Het gelal uit het fort bereikt een nieuw hoogtepunt. Met een ruk kijkt de oude vrouw op. Ze maakt een geërgerd gebaar. De ondoden komen in beweging; steels dringen ze het fort binnen. Een doodsbang gekrijs weerklinkt. Tevreden grijnst de oude vrouw me toe. ‘Ben je er klaar voor, Arthur?’ vraagt ze zachtjes. Ik voel hoe de kilte mijn hart heeft bereikt. Ik stuur een laatste gedachte naar Igraine. Dan knik ik. Het is tijd. Het zwart van de dood. Een onmeetbare spanne tijds. Dan: wedergeboorte.

Samhain - Patrick Brannigan  

Patrick Brannigan (1971) was onder meer matroos op de wilde vaart, kelner op het zonnige Lefkas en hij studeerde af als historisch letterkun...