Page 3

Zijn adjudant komt binnen en ruimt de glazen en de karaf op. D.: En, heb je Jan naar huis gebracht? Adj.: Hij wilde niet naar huis, generaal. Hij ligt nu te slapen op de kazerne. D.: Wat? Ik heb hem nog wel bevolen, naar huis te gaan. Adj.: Nou, hij is hier op de kazerne, generaal. D.luidop: Adjudant, als sergeant Heitinga wakker is, stuur hem dan naar mij toe. Adj.: Tot uw orders, generaal. Hij salueert en vertrekt met dienblad. David zegt in zichzelf: Ik moet wat anders verzinnen. Ik kan hem niet overtuigen, dat hij naar huis moet gaan. Dit vraagt om drastischer maatregelen. Wacht eens. Dat is het! SCENE 8- David zit in zijn kantoor. Sergeant Heitinga meldt zich. David: Op de plaats rust, sergeant. Ik wil dat je naar het front vertrekt en een bericht aan kolonel Steen overhandigt. Dit moet je persoonlijk aan hem overhandigen. Niemand mag ervan weten. Jan: Jawel, generaal. David overhandigt hem een verzegelde envelop. Jan salueert en vertrekt. SCENE 9-(In de verte geluiden van een oorlog en lichtflitsen). Kolonel Steen zit aan een tafel. Jan Heitinga overhandigt hem de brief. Kolonel S. leest het in gedachten voor: “Plaats sergeant Heitinga daar, waar de strijd het heetst is en trek dan terug en laat hem sterven.” Dit is ongelofelijk, maar ik moet het doen, anders kost het mij de kop. Tegen Jan zegt hij: Meldt je bij luitenant Overman, sergeant. SCENE 10- David zit aan zijn bureau en leest brieven door. Zijn adjudant komt binnenlopen: Generaal, een bericht van het front, van kolonel Steen. David: Ik luister. Adj.: Er zijn honderden soldaten gevallen, generaal. Het was een sterke overmacht. Ook sergeant Heitinga is onder de gevallenen. David: Dit is heel erg, adjudant. Stuur het volgende bericht naar kolonel Steen: “Maakt u zich geen zorgen, want de dood komt voor een ieder van ons. Zet de strijd voort en vernietig de vijand.”. Adj.: Tot uw orders, generaal. David belt S.: Ik heb net vernomen, dat je man gesneuveld is. Na de rouwperiode zullen we trouwen. SCENE 11-David slaapt en droomt. Hij hoort een stem: David, er is een probleem. Misschien weet jij de oplossing voor dit probleem. Er waren 2 mannen in de stad: De een was rijk en de andere arm. De rijke had erg veel schapen en runderen; de arme had niets, behalve dan 1 klein ooilam, dat hij had gekocht en opgefokt. Het groeide bij hem op, samen met zijn kinderen. Het at van zijn eten, dronk uit zijn beker en sliep in zijn schoot. Het was voor hem als een kind. Op een dag kreeg de rijke man bezoek en hij kon er niet toe komen een van zijn schapen of runderen te nemen om die te braden voor de reiziger, die bij hem was gekomen. Dus nam hij het ooilam van de arme man en bereidde dat voor zijn gast. In zijn droom schreeuwt David woedend: Deze rijke man moet het ooilam dubbel vergoeden, omdat hij dit gedaan heeft en geen medelijden had met de arme man. Toen antwoordde de stem: Jij bent die man David. Ik , de Heere, heb je overwinning op overwinning gegeven. Als het weinig was geweest dan had Ik je nog meer gegeven. Waarom heb jij mijn woord veracht en gedaan wat kwaad is? Je hebt Jan Heitinga laten sterven aan het front en je hebt hem zijn vrouw afgenomen. David schrikt wakker en begint te huilen:Ik heb gezondigd tegen U God, vergeef mij. De stem van God: Ik vergeef je, je zonde, je zult niet sterven maar het kind, je zoon, geboren uit deze zonde zal sterven. SCENE 12-David vast en bidt. Adjudant en kolonel Steen bespreken de situatie. Kolonel: Hoe gaat het met de generaal? Adj.: Nou, niet zo goed. Hij eet niet en drinkt heel weinig. Hij is eigenlijk alleen maar aan het bidden. Kolonel: En hoe gaat het dan met de kleine jongen? Ik heb gehoord dat hij erg ziek is.

David en Simone in Leiden  

Moderne versie van het verhaal van David en Bathsheba.