Page 1

DRAMA LEIDEN - mei 2011

PERSONEN: Generaal David Kolonel Steen Simone Heitinga

Sergeant Jan Heitinga Adjudant Soldaat

SCENE 1-David zit samen met zijn staf aan tafel. David: Hoe is de strijd aan het front? Kolonel: Het gaat niet zo goed, generaal. We moeten meer troepen inzetten. David kijkt naar de kaart, aan de wand: Als we de vijand willen overwinnen, zullen we listig moeten zijn. Kolonel: Hoe wilt u dat doen, generaal? David staat op, neemt een stok en wijst op de kaart: Als wij van hier en hier aanvallen, dan hebben ze geen schijn van kans. Stuur nog 2 pantserdivisies Adjudant: Wat geniaal naar het front! Kolonel: Dat is precies wat wij moeten doen. David: Laat het dan gelijk uitvoeren. Kolonel: Tot uw orders, generaal. Er wordt bevel gegeven. SCENE 2- David zit samen met zijn staf aan tafel en ze bespreken de overwinning. David: God is met ons geweest. We hebben gewonnen. Kolonel: Ja, generaal, dat was inderdaad een geweldige overwinning. Er wordt nog wat gedronken en gepraat. David: Jullie kunnen gaan, heren. Anderen: Generaal! Ze vertrekken. David knielt neer en prijst God voor de overwinning. SCENE 3-David zit in zijn kantoor. Een soldaat komt binnen: Code Rood, generaal. De Russen vallen aan. David springt op en rent naar de kaart. Zijn stafleden komen binnenlopen en komen om hem heen staan. David stuurt zijn staf, samen met hun mannen, naar het front. Hij blijft achter, met zijn adjudant. David loopt door het gebouw en ziet een mooie vrouw aan een bureau zitten. Hij wordt nieuwsgierig naar haar. Hij loopt zijn kantoor in en roept zijn adjudant. David: Wie is die vrouw in kamer 204? Ik heb haar nog nooit gezien. Adjudant: Dat is Simone Heitinga. De vrouw van Jan Heitinga. Hij is momenteel aan het front. Ze werkt part-time hier. David: Stuur haar een bos bloemen en een uitnodiging, voor een etentje, bij mij thuis. Adj.: Tot uw orders, generaal. David: En nog iets: Niets van dit mag bekend worden. Als ik er iets over hoor, in de wandelgangen, dan zul je het berouwen. Adj: Generaal! David: Ingerukt! Adjudant salueert en vertrekt. SCENE 4-David en Simone zitten bij hem thuis te dineren. David: Hoe lang ben je getrouwd? S.: Al 10 jaar. David: En geen kinderen? S.: Nee. We hebben van alles geprobeerd, maar het lukt niet. Daarom ben ik ook weer gaan werken. Omdat ik me thuis verveel. Voor mijn huwelijk heb ik ook in het leger gezeten. D.: Waar is je man nu? S.: Aan het front. Ik hoop dat alles goed met hem gaat. D.: Ik weet wel zeker, dat alles goed met hem gaat. Zullen we op de bank gaan zitten? S. staat op en loopt op de bank toe. David gaat naast haar zitten. Hij heeft 2 glazen meegebracht en overhandigt haar een glas. D.: Weet je, ik zag je aan het bureau en dacht 'wat een knappe vrouw'. Die wil ik beter leren kennen. S.: Dat is aardig van u, om te zeggen. Maar, zoals u weet, ik ben getrouwd. D.: Ach, je man hoeft er niets van te weten. Niemand op kantoor weet ervan. In feite zijn jij en ik de enigen, die het weten .IMPROVISATIE!! Muziek wordt luider.


SCENE 5-David zit op kantoor. De telefoon gaat over . Hij neemt het op. Simone is aan de lijn. David: Simone, hoe is het met je? Ik zat net aan je te denken. Simone: David, er zijn problemen. Ik ben zwanger! D: Zwanger? S: Ja, zwanger. Uitgerekend nu. In al die jaren dat ik getrouwd ben, werd ik niet zwanger en nu ben ik zwanger. Wat moet ik doen? D: Rustig maar! Voor alles is er een oplossing. Maak je niet druk! Ik verzin wel wat. Blijf maar een paar dagen thuis. S: Maar wat ga je doen? D: Dat weet ik nog niet. Je hoort nog van mij. David legt de hoorn neer. En begint op en neer te lopen. En mompelt in zichzelf: “Ik moet iets hierop verzinnen. Niemand mag hier achter komen. Wat moet ik doen? Wacht eens: ik heb het.” Hij gaat achter zijn bureau zitten en roept zijn adjudant. David: Ik wil een bericht naar het front sturen. Jan Heitinga mag een paar dagen met verlof. Als hij hier is, moet hij zich bij mij melden. Adjudant: Tot uw orders generaal! SCENE 6-Jan Heitinga komt het kantoor van David binnen. Hij blijft voor het bureau staan. David: Op plaats rust, sergeant. Hoe is het aan het front? Jan: Het gaat er hevig aan toe generaal. D: Neem wat rust en bezoek je vrouw. Jan: Dank u generaal! ( Salueert en vertrekt. ) SCENE 7-David zit aan zijn bureau. Zijn adjudant komt binnen. Adjudant: Er zijn 2 berichten van het front net binnen gekomen, generaal. De adjudant overhandigt hem de berichten. David opent ze en lees ze door. Hij legt de berichten neer en kijkt zijn adjudant aan: Hoe is het met Jan Heitinga? Is hij nog naar huis en zijn vrouw gegaan? Adj.: Nee, generaal. Sergeant Heitinga weigert om naar huis te gaan. Hij is al die tijd op de kazerne gebleven. D.: Stuur sergeant Heitinga onmiddellijk naar me toe. Adj.: Tot uw orders, generaal. (Salueert en vertrekt). David begint heen en weer te lopen en mompelt: Waarom is hij niet naar huis gegaan? Hij moet naar huis gaan, anders mislukt mijn hele plan. Ik moet hem dwingen naar huis te gaan. Hij gaat achter zijn bureau zitten. Sergeant Heitinga meldt zich en salueert. D.: Plaats rust, sergeant. Wat hoor ik? Wil je niet naar huis gaan? Jan: Nee, generaal. D.: Waarom niet? J.: Hoe kan ik naar huis gaan, terwijl ik weet hoe heftig het er aan toegaat, aan het front? Vele van mijn vrienden zijn daar en sterven op dit moment. Hoe kan ik dan naar huis gaan, plezier hebben en dan nog een zuiver geweten hebben? D.: O, dat is wel zo, maar van mij mag je gaan. Weet je wat? Laten we wat drinken. Pak een stoel, kerel en ga zitten. J.: Tot uw orders, generaal. D.: Noem mij maar David. David roept zijn adjudant en vraagt om een karaf wijn en 2 glazen. De adjudant brengt het en vertrekt. David schenkt de glazen vol en proost met Jan. (Muziek wat harder) Het ene na het andere glas drinken ze. (Muziek zachter) D.: Jan, ik denk dat je het beste naar huis kunt gaan, nu. Volgens mij zijn we te ver gegaan met drinken. Ik wed dat je niet meer op je benen kunt staan. Jan staat op en zwaait wat van links naar rechts, salueert en vertrekt. D.denkt hardop: Nu heb ik hem. Nu moet hij wel naar huis gaan. Er is geen ontkomen aan. Hè, hè, dat is ook weer opgelost. Even S. bellen, dat Jan er aan komt. Hij pakt de telefoon en zegt tegen S.: S., hij komt er aan. Een beetje dronken, maar hij komt er aan.


Zijn adjudant komt binnen en ruimt de glazen en de karaf op. D.: En, heb je Jan naar huis gebracht? Adj.: Hij wilde niet naar huis, generaal. Hij ligt nu te slapen op de kazerne. D.: Wat? Ik heb hem nog wel bevolen, naar huis te gaan. Adj.: Nou, hij is hier op de kazerne, generaal. D.luidop: Adjudant, als sergeant Heitinga wakker is, stuur hem dan naar mij toe. Adj.: Tot uw orders, generaal. Hij salueert en vertrekt met dienblad. David zegt in zichzelf: Ik moet wat anders verzinnen. Ik kan hem niet overtuigen, dat hij naar huis moet gaan. Dit vraagt om drastischer maatregelen. Wacht eens. Dat is het! SCENE 8- David zit in zijn kantoor. Sergeant Heitinga meldt zich. David: Op de plaats rust, sergeant. Ik wil dat je naar het front vertrekt en een bericht aan kolonel Steen overhandigt. Dit moet je persoonlijk aan hem overhandigen. Niemand mag ervan weten. Jan: Jawel, generaal. David overhandigt hem een verzegelde envelop. Jan salueert en vertrekt. SCENE 9-(In de verte geluiden van een oorlog en lichtflitsen). Kolonel Steen zit aan een tafel. Jan Heitinga overhandigt hem de brief. Kolonel S. leest het in gedachten voor: “Plaats sergeant Heitinga daar, waar de strijd het heetst is en trek dan terug en laat hem sterven.” Dit is ongelofelijk, maar ik moet het doen, anders kost het mij de kop. Tegen Jan zegt hij: Meldt je bij luitenant Overman, sergeant. SCENE 10- David zit aan zijn bureau en leest brieven door. Zijn adjudant komt binnenlopen: Generaal, een bericht van het front, van kolonel Steen. David: Ik luister. Adj.: Er zijn honderden soldaten gevallen, generaal. Het was een sterke overmacht. Ook sergeant Heitinga is onder de gevallenen. David: Dit is heel erg, adjudant. Stuur het volgende bericht naar kolonel Steen: “Maakt u zich geen zorgen, want de dood komt voor een ieder van ons. Zet de strijd voort en vernietig de vijand.”. Adj.: Tot uw orders, generaal. David belt S.: Ik heb net vernomen, dat je man gesneuveld is. Na de rouwperiode zullen we trouwen. SCENE 11-David slaapt en droomt. Hij hoort een stem: David, er is een probleem. Misschien weet jij de oplossing voor dit probleem. Er waren 2 mannen in de stad: De een was rijk en de andere arm. De rijke had erg veel schapen en runderen; de arme had niets, behalve dan 1 klein ooilam, dat hij had gekocht en opgefokt. Het groeide bij hem op, samen met zijn kinderen. Het at van zijn eten, dronk uit zijn beker en sliep in zijn schoot. Het was voor hem als een kind. Op een dag kreeg de rijke man bezoek en hij kon er niet toe komen een van zijn schapen of runderen te nemen om die te braden voor de reiziger, die bij hem was gekomen. Dus nam hij het ooilam van de arme man en bereidde dat voor zijn gast. In zijn droom schreeuwt David woedend: Deze rijke man moet het ooilam dubbel vergoeden, omdat hij dit gedaan heeft en geen medelijden had met de arme man. Toen antwoordde de stem: Jij bent die man David. Ik , de Heere, heb je overwinning op overwinning gegeven. Als het weinig was geweest dan had Ik je nog meer gegeven. Waarom heb jij mijn woord veracht en gedaan wat kwaad is? Je hebt Jan Heitinga laten sterven aan het front en je hebt hem zijn vrouw afgenomen. David schrikt wakker en begint te huilen:Ik heb gezondigd tegen U God, vergeef mij. De stem van God: Ik vergeef je, je zonde, je zult niet sterven maar het kind, je zoon, geboren uit deze zonde zal sterven. SCENE 12-David vast en bidt. Adjudant en kolonel Steen bespreken de situatie. Kolonel: Hoe gaat het met de generaal? Adj.: Nou, niet zo goed. Hij eet niet en drinkt heel weinig. Hij is eigenlijk alleen maar aan het bidden. Kolonel: En hoe gaat het dan met de kleine jongen? Ik heb gehoord dat hij erg ziek is.


Adj.: Kolonel:

Ja, ik heb de indruk dat het alleen maar slechter en slechter gaat met hem. Ik vrees het ergste. Aan het front merken we het ook, hoor. We missen de instructies van de generaal, met betrekking tot de vijand. En de vijand lijkt ook te merken, dat er geen leider is. Hun aanvallen worden steeds feller. Adj.: We moeten maar afwachten, maar ik denk niet dat de jongen het einde van de week haalt. Laten we maar bidden dat dit goed afloopt. Soldaten komen vertellen, dat de jongen gestorven is: Adjudant, de zoon van de generaal is zojuist overleden. Wie gaat dat aan hem vertellen? De generaal hoort hen praten en zegt: Is hij dood? Adjudant: Ja generaal, uw zoon is overleden. Generaal: Breng me mijn jas en wat eten en drinken. Adjudant: Maar generaal, ik begrijp het niet. Waarom doet u dit? Moet u niet rouwen? Generaal: Waarom zou ik nu gaan rouwen? Mijn zoon is dood en ik kan hem niet terughalen. Eerst vastte en bad ik omdat ik hoopte dat God hem misschien toch zou laten leven. Nu is hij dood en waar hij nu is, zal ik later ook heen gaan. God heeft gegeven, God heeft genomen. Geprezen zij zijn grote Naam. Einde drama

David en Simone in Leiden  

Moderne versie van het verhaal van David en Bathsheba.

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you