Page 64

denwelken niet alleen ik danke, maar ook al de Gemeenten der heidenen. Overmits Paulus waren; Hand. 18:18.

dezelve daardoor verkregen hebben die weldaad, dat ik nog in het leven ben gebleven om dezelve te leren en te versterken.

5. Groet ook de Gemeente in hun huis. Dat is, de gelovigen, die òf tot hun huisgezin behoorden, òf die in hun huis vergaderden. Zie Col. 4:15; Filem.:2. Groet Epenetus,

mijn

beminde,

bijzondere godzaligheid.

Namelijk

om

zijn

die de eersteling

is Dat is, die een van de eersten is, die ik door mijne predikatie tot het geloof gebracht heb. Zie Rom. 11:16; 1 Cor. 15:20, en 1 Cor. 16:15. van Achaje in Christus. Dat is, van al de gelovigen, diein Achaje zijn. 6. Groet Maria, die veel voor ons Dat is, voor de gelovigen, en voornamelijk voor de leraars. gearbeid heeft. Namelijk met hen te herbergen, en andere diensten te doen.

7. Groet Andronikus en Junias, mijn magen, Dat is, Joden van mijne maagschap. en mijn medegevangenen, Dat is, die ook mede, gelijk als ik, om des Evangelies wil gevangen zijn geweest; Col. 4:10; Filem.:23.

welke vermaard zijn onder de apostelen, Dat is, onder degenen, die het Evangelie hier en daar prediken. Want dit woord wordt niet alleen den twaalf apostelen bijzonder toegeschreven, maar ook somwijlen anderen leraars; zie 2 Cor. 8:23. Of, wel bekend, bij de apostelen. die ook voor mij Dat is, eer ik bekeerd ben geweest.

in

Christus geweest zijn.

Dat is, tot den Christelijken godsdienst zijn bekeerd geweest.

8. Groet Amplias, mijn beminde in den Heere. Dat is, omdat hij ook in den Heere gelooft.

9. Groet Urbanus, onzen medearbeider in Christus, en Stachys, mijn beminde. 10. Groet Apelles, die beproefd is in Christus. Dat is, die door vele gevaren en

schijnt dat deze Aristobulus nog zelf geen Christen was, omdat de Apostel hem niet doet groeten; doch het blijkt evenwel dat hij een bescheiden man is geweest, die de Christenen in zijn huisgezin duldde.

11. Groet Herodion, die van mijn maagschap is. Zie Rom. 16:7. Groet hen, die van het huisgezin van Narcissus zijn, degenen namelijk, die in den Heere zijn. Dat is, die Christenen zijn. Want die nog heidenen waren in dat huisgezin, die groet hij niet.

12. Groet Tryfena en Tryfosa, vrouwen die in den Heere arbeiden. Zie Rom. 16:5. Groet Persis, de beminde zuster, die veel gearbeid heeft in den Heere. 13. Groet Rufus, den uitverkorene in den Heere, Dat is, die een uitgelezen en bijzonder man is. en zijn moeder Namelijk naar de natuur. en de mijne. Namelijk naar de liefde en toegenegenheid. Zie 1 Tim. 5:2.

14. Groet Asynkritus, Flegon, Hermas, Patrobas, Hermes, en de broeders, die met hen zijn. 15. Groet Filologus en Julia, Nereus en zijn zuster, en Olympas, en al de heiligen, die met henlieden zijn. 16. Groet elkander met een heiligen kus. Dat is, met een kus van vrede en broederschap, met welken de gelovigen, naar het gebruik van die landen en tijden, elkander plachten te groeten. En wordt heilig genaamd, omdat zij niet uit vleselijke maar geestelijke liefde en zonder geveinsdheid gegeven worden; Gen. 29:11. De

Gemeenten van Christus groeten ulieden. 17. En ik bid u, broeders, neemt acht op degenen, Hij verstaat door dezulken zo

zwarigheden geoefend zijnde, oprecht is bevonden. Groet hen, die van het

andere ketters als degenen, die, den Christelijken godsdienst aangenomen hebbende, leerden dat de ceremoniën der wet nog noodzakelijk moesten onderhouden worden ter zaligheid. Zie Gal. 1:7; Filipp. 3:2; 1 Tim. 4:1; 2 Tim. 3:1, enz.; Tit. 3:10. die

huisgezin van Aristobulus zijn.

tweedracht

Het

en

ergernissen

Romeinen