Page 38

niet zochten,

Dat is, die zich nevens anderen overgaven tot alle ongerechtigheid en goddeloosheid, eer zij door de kracht van deze roeping tot Christus bekeerd zijn; Rom. 1:18; Ef. 2:1,2,3, enz. de

rechtvaardigheid verkregen hebben, doch de rechtvaardigheid, die uit het geloof is. Dat is, de rechtvaardigheid van Christus door het ware geloof aangenomen; 2 Cor. 5:21; Filipp. 3:9.

31. Maar Israel, die de wet der rechtvaardigheid zocht, Namelijk in de uitwendige onderhouding der wet en der ceremoniën. is tot de wet der

rechtvaardigheid niet gekomen.

Dat is, tot de verkrijging of het recht bezit der rechtvaardigheid, die voor God bestaat, niet gekomen.

32. Waarom? Omdat zij die zochten niet uit het geloof, Namelijk in Christus, gelijk in Rom. 9:33 wordt uitgedrukt. maar als uit de werken der wet, Namelijk waarin zij ver tekort zijn gekomen, gelijk de apostel tevoren geleerd heeft; Rom. 3:20.

want zij hebben zich gestoten aan den steen des aanstoots; Dat is, zij hebben zich geërgerd aan den geringen uiterlijken stand en het kruis van Christus. Zie 1 Cor. 1:23. 33. Gelijk geschreven is: Namelijk bij den profeet Jesaja Jes. 8:14, en Jes. 28:16, welke twee plaatsen de apostel bijeenvoegt. En wordt Christus hier genaamd een steen des aanstoots, ten aanzien van de ongehoorzamen en wederspannigen, gelijk Petrus verklaart; 1 Petr. 2:7,8. Ziet, Ik leg

in Sion een steen des aanstoots, en een rots der ergernis; en een iegelijk, die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden. Romeinen 10

1. Broeders, de toegenegenheid mijns harten, en het gebed, dat ik tot God voor Israel doe, is tot hun zaligheid. Dat is, opdat zij bekeerd en alzo zalig mochten worden; hetwelk verstaan wordt van

degenen, die uit onwetendheid dwaalden, gelijk uit Rom. 10:2 blijkt, niet van degenen, die in den Heiligen Geest zondigden, van welke Christus spreekt Matth. 12:31.

2. Want ik geef hun getuigenis, dat zij een ijver tot God hebben, Grieks, ijver Gods; dat is een vurige begeerte hebben om de wet Gods en den godsdienst, door Mozes ingesteld, voor te staan; en tegen te staan degenen, welke die schenen te willen veranderen. maar niet met verstand. Grieks, niet naar kennis; dat is, niet met rechte kennis, waartoe de wet en de godsdienst in het Oude Testament was ingesteld, gelijk Rom. 10:3 ook medebrengt.

3. Want alzo zij de rechtvaardigheid Gods Dat is, die God in het Evangelie geopenbaard heeft, en die ons God door Christus schenkt; 2 Cor. 5:21; Filipp. 3:9. niet

kennen, en hun eigen gerechtigheid Namelijk door hun eigen werken, of door de gehoorzaamheid der wet; waarin zij nochtans verre tekortkomen, gelijk bewezen is van alle mensen, Rom. 3, en van Abraham en David, Rom. 4. zoeken op te richten, Grieks, te stellen. Hier wordt de vermetelheid van het menselijk gemoed betekend, dat zijn eigen gerechtigheid voor God staande wil houden, gelijk de Farizeën; Luk. 18:11,12. zo zijn zij

der rechtvaardigheid Gods niet onderworpen. Dat is, willen zichzelven die niet onderwerpen; en daarom kunnen zij tot de gerechtigheid, die voor God bestaat, niet komen; gelijk Rom. 8:7.

4. Want het einde der wet is Christus, Dat is het oogmerk, waarom de wet door Mozes is gegeven, is opdat de mensen daardoor tot kennis hunner zonden gebracht zijnde, tot Christus en zijne rechtvaardigheid hunne toevlucht zouden nemen, als die de wet voor ons volkomen volbracht heeft. Zie Gal. 3:19, enz. tot rechtvaardigheid een

iegelijk, die gelooft. 5. Want Mozes In deze

navolgende zeven verzen stelt de apostel een klaar onderscheid tussen de rechtvaardigheid der wet en des geloofs; en bewijst zowel de ene als de andere met de woorden van Mozes zelven.

beschrijft de rechtvaardigheid, die

Romeinen