Page 36

aan hem betoond. Zie Spreuk. 16:4; Habak. 1:12. opdat Ik in u Mijn kracht

mensen, die niet minder is dan de macht van den pottenbakker over zijn leem. geen

bewijzen zou, en opdat Mijn Naam verkondigd worde op de ganse aarde. 18. Zo ontfermt Hij Zich dan, diens Hij wil, en verhardt, dien Hij Dat is, neemt

macht over het leem, om uit denzelfden klomp Waardoor afgebeeld

de hardigheid des harten, die zij van zichzelven hebben, niet weg, maar geeft hen over tot dezelve. Zie hiervan breder in de aantekening op Rom. 1:24. wil. Het woord willen wordt hier niet genomen voor een wil, die geen reden zou hebben van Zijn doen. Want de wil Gods is een regel van alle rechtvaardigheid, Deut. 32:4, en is nimmermeer gescheiden van Zijne wijsheid en rechtvaardigheid, al is het dat de redenen daarvan ons niet zijn geopenbaard, of ons verstand teboven gaan; Rom. 11:33,34, waarmede wij ons ook altijd moeten tevreden houden. En dit is het besluit van Paulus uit de voorgaande voorbeelden van Mozes en Farao.

19. Gij zult dan tot mij zeggen: Wat klaagt Hij dan nog? Of, wat beschuldigt en toornt Hij nog? namelijk over degenen, die Hij verhardt, overmits zij naar Zijn wil, die onwederstandelijk is, verhard worden. Dit is een nieuwe tegenwerping des vleses tegen de voorgaande woorden van Paulus, waarop het antwoord volgt. Want wie heeft Zijn wil

wederstaan? 20. Maar toch, o mens,

In dit woord mens is de eerste reden van antwoord, dewijl een broos mens niet behoort tegen God te twisten, als te gering en onbekwaam zijnde om over Gods doen te oordelen. wie zijt

gij, die tegen God antwoordt? Of, God tegenspreekt? Zal ook het maaksel tot dengene, Dit is het tweede deel van Paulus' antwoord, waarmede hij toont dat het den mens onbetamelijk is aan God redenen van zijn doen af te eisen, dewijl God zijn Schepper is, en hij Zijn maaksel of schepsel. Zie Jes. 45:9. die het gemaakt heeft, zeggen:

Waarom hebt gij mij alzo gemaakt? 21. Of heeft de pottenbakker Dit is de derde reden van Paulus' antwoord, genomen van het recht en de macht van God over alle

wordt de oorsprong van het gehele verdorven menselijke geslacht uit ĂŠĂŠnen bloede; Hand. 17:26. te maken, het ene vat ter ere, Dat is, tot eerlijk gebruik; 2 Tim. 2:20.

andere ter onere?

en het

Dat is, tot slechter of

verachtelijker gebruik. 22. En of God, Dit is de vierde reden van Paulus' antwoord, genomen van het loffelijk einde, waarom God zulks doet, namelijk om toorn, dat is, rechtvaardige straf, te oefenen tegen de vaten des toorns, Dat is, over welke God Zijn rechtvaardigen toorn voorgenomen heeft te

nadat Hij die met veel lankmoedigheid in hunne verdorvenheid en wederspannigheid heeft verdragen. bewijzen.

willende Zijn toorn bewijzen, en Zijn macht bekend maken, met vele lankmoedigheid verdragen heeft de vaten des toorns, Dat is, over welke God Zijn rechtvaardigen toorn voorgenomen heeft te bewijzen. tot het verderf toebereid; Namelijk ten dele door henzelven, daar zij in hunne verdorvenheid en wederspannigheid een vermaak hebben: en ten dele door Gods rechtvaardig oordeel die hen daarin heeft willen verlaten en tot de verdiende straf brengen, gelijk aan Farao is geschied.

23. En opdat Hij zou bekend maken Dit is het andere einde, hetwelk God voorgehad heeft in het verkiezen van de Zijnen, namelijk het bewijzen van Zijn overvloedige genade en heerlijkheid, welke Hij hun wil deelachtig maken; Rom. 8:29. den

rijkdom Zijner heerlijkheid over de vaten der barmhartigheid, Dat is, over welken Hij Zich heeft willen ontfermen, om hen door Christus van het verderf te verlossen. die Hij te voren bereid heeft

tot heerlijkheid?

Dat is, van eeuwigheid geschikt en uitverkoren heeft tot het eeuwige leven; Ef. 1:4,5,6. 24. Welke Hij ook Tot hiertoe heeft de apostel gesproken van Gods voornemen der verkiezing van sommigen en der verwerping

Romeinen  
Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you