Page 35

God, die degenen, die Hij uitverkoren heeft, ook krachtiglijk roept en tot het geloof en de godzaligheid brengt, Rom. 8:30; 2 Tim. 1:9. Zie ook Gal. 5:8; 1 Thess. 2:12. Zo is het dan niet uit het geloof, want hetzelve is niet in den roependen God, maar in den geroepen mens.

12. Zo werd tot haar gezegd: De meerdere Dat is, de oudste; alzo Ezau de eerstgeborene zijn zou en Jakob de laatstgeborene; Gen. 25:25,26. zal den

mindere dienen.

Dit wordt niet verstaan van een uiterlijken dienst of heerschappij, want Ezau heeft Jakob aldus niet gediend, maar van de eeuwige en geestelijke heerschappij, die de kinderen Gods hiernamaals zullen hebben, waarvan de erve en de heerschappij in het land Kanaän een voorbeeld was; Hebr. 11:13,14,15,16, en waarvan Ezau is verstoken geweest.

13. Gelijk geschreven is: Jakob heb Ik liefgehad, Omdat het woord dienen niet klaar genoeg scheen, om de verkiezing van Jakob en de verwerping van Ezua in Gods voornemen uit te drukken, zo brengt de apostel deze plaats, Mal. 1:2, er nog bij, tot verklaring van het eerste, en bewijst dat deze dienst of onderwerping van Ezau aan Jakob met Gods eeuwige en onverdiende liefde jegens Jakob en rechtvaardigen haat tegen Ezau gevoegd was; gelijk uit het volgende breder blijkt. en Ezau heb Ik gehaat.

14. Wat zullen wij dan zeggen? Is er onrechtvaardigheid bij God? Namelijk dat Hij de mensen, die den anderen gelijk zijn, zo ongelijk behandelt, alzo dat Hij den een liefheeft en verkiest, en den ander haat en verwerpt. Dit dunkt de natuurlijke rede vreemd; doch de apostel antwoordt dat hierin gene ongerechtigheid is, omdat God dengene, dien Hij verkiest, uit genade verkiest, en dengene, dien Hij verwerpt, rechtvaardiglijk verwerpt, hetwelk hij uit Gods Woord bewijst: het eerste met het voorbeeld van Mozes, en het andere met dat van Farao. Dat zij

verre. 15. Want Hij zegt tot Mozes: Ik zal Mij ontfermen, Dat is, Ik zal met de daad en gestadig mij blijven ontfermen; of, meer en meer mij ontfermen. diens Ik Mij

ontferm,

Dat is, wien Ik voorgenomen heb mij te ontfermen; of, wiens Ik heb begonnen mij te ontfermen. Alzo, dat door de verdubbeling dezer woorden de eerste oorsprong en de volharding daarin verstaan wordt. Is het dan ontferming, zo is het gene ongerechtigheid, want ontferming ziet op de ellende des mensen en is ene weldaad die onverdiend is en uit enkele goedwilligheid voorkomt, en van gene onrechtvaardigheid kan beschuldigd worden, zo hierdoor niemand wordt verongelijkt. en zal

barmhartig zijn, dien Ik barmhartig ben. 16. Zo is het dan niet desgenen, die wil, Dat is, des mensen, die, door zijn goeden wil en goeden loop zijns levens, God er toe zou bewegen; Rom. 11:35; Filipp. 2:13, daar niemand dit van zichzelven heeft. noch

desgenen, die loopt, maar des ontfermenden Gods. Namelijk die dit alles besluiten doet naar het welbehagen Zijns willens, Rom. 9:18; Ef. 1:11.

17. Want de Schrift zegt tot Farao: Met dit voorbeeld van Farao bewijst hij het tweede lid van het antwoord op de voorgaande tegenwerping, namelijk dat er ook gene onrechtvaardigheid is ten aanzien van degenen, die in hunne zonden worden verlaten en verworpen, dewijl God zulks rechtvaardiglijk doet en tot eer van Zijnen naam richt. Tot ditzelve heb Ik u

verwekt,

Dit woord verwekken kan genomen worden, òf voor de verwekking van Farao tot het koninkrijk, òf voor zijne behoudenis in het midden van al de plagen, die God over hem en zijn volk had gebracht. En ook wordt tevens daaronder verstaan zijne verharding tegen het volk Israëls en Gods bevel, gelijk uit het besluit van Paulus in Rom. 9:18 blijkt; niet dat Hij hem tot zondigen zou hebben verwekt, hetwelk niet zijn kan, Jak. 1:13, maar omdat Hij hem rechtvaardig in zijne zonden heeft verlaten, en aan zijn eigen boze en hoogmoedige begeerten overgegeven, waardoor hij tegen God en Zijn gebod zolang heeft geworsteld, totdat God de verdiende straf over hem heeft uitgevoerd, en Zijne eer en macht alzo voor de gehele wereld

Romeinen  
Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you