Page 3

volgende verzen. in ongerechtigheid Dat is, tegen alle recht en billijkheid, welke vereist, dat men Gode geeft wat Hem toekomt. ten onder houden. Dat is, onderdrukken, hun eigen gemoederen geweld doende, dewijl zij beter weten dan zij doen.

19. Overmits kennelijk is,

hetgeen

van

God

Namelijk zoveel als een mens zonder Gods Woord uit de natuur van God weten kan. in hen openbaar is; Dat is, in het binnenste van hun gemoed; of onder hen; dat is, onder hunne wijzen en geleerden, die hiervan zeer vele klare en wijze spreuken en redenen in hunne schriften hebben nagelaten, hoewel zij zelf daartegen gedaan hebben. want God heeft het hun

geopenbaard.

Namelijk eensdeels door de wet der natuur, in hunne conscientiĂŤn, Joh. 1:9; anderdeels door het aanschouwen der schepselen Gods, waardoor Zijne eigenschappen gelijk als getast worden; Ps. 19:2, en Ps. 148:4,5,6; Hand. 14:15; en Hand. 17:24, enz.

20. Want Zijn onzienlijke dingen worden Dat is, goddelijke eigenschappen., van de schepping der wereld aan, uit de schepselen verstaan Grieks maakselen, of gemaakte dingen. en doorzien, beide Zijn eeuwige kracht Waardoor verstaan wordt de eigenschap Gods, waardoor alle dingen zijn geschapen en hun begin hebben, welke daarom, gelijk ook Zijn wezen, eeuwig moet zijn, omdat zij voor alle dingen is en ene oorzaak van alles. en

Goddelijkheid,

Hierdoor verstaat hij de andere eigenschappen der majesteit Gods, welker voetstappen en beeltenissen in Gods schepselen blijkbaar zijn, als Zijne goedheid, wijsheid, gerechtigheid, enz. opdat zij niet

te verontschuldigen zouden zijn. Grieks onverontschuldigd, of alzo dat zij niet te verontschuldigen zijn; namelijk voor Gods rechtvaardig oordeel, alsof zij niet geweten hadden wat zij schuldig waren te doen. 21. Omdat zij, God kennende, Namelijk

Hem als God niet hebben verheerlijkt of op zulke wijze als tevoren verklaard is.

gedankt;

Dat is, gelijk het Zijn goddelijke majesteit toebehoorde, zelfs naar de kennis, die zij van Hem hadden. maar zijn

verijdeld geworden

Dat is, zij zijn door hunne overleggingen vervallen tot ijdele bedenkingen van God en van Zijn dienst, en hebben die gericht, niet naar de kennis, die zij van God hadden, maar naar de genegenheid van hun verdorven zinnen, in het uitvinden van ijdele godsdiensten, en in het verzinnen van vele fabuleuze en ijdele goden, waardoor de kennis van God meer en meer onder hen is verduisterd. in hun overleggingen en

hun onverstandig hart is verduisterd geworden; 22. Zich uitgevende voor wijzen, Dit zegt hij van hunne geleerden of wijsgeren, die een schijn wilden hebben van wijsheid, en somwijlen wel beter schenen te gevoelen en te spreken, maar nochtans de verkeerdheid en ijdelheid van anderen inderdaad dwaselijk navolgden; 2 Kon. 17:29. zijn zij dwaas

geworden; 23. En hebben de heerlijkheid des onverderfelijken Gods Dat is, die niet alleen in wezen, maar ook in eigenschappen onveranderlijk is. veranderd Of, verwisseld voor de gelijkenis; dat is voor een beeld, dat naar de gelijkenis van een sterflijk mens gemaakt is, ja ook van gevogelte, enz. Zie Lev. 27:10; Ps. 106:20; Jer. 2:11; want dat al deze soorten van afgoderij onder de heidenen gebruikelijk zijn geweest, is openbaar uit hunne schriften. Zie ook Deut. 4:15, enz.; Hand. 17:29, enz. in de gelijkenis eens

beelds van een verderfelijk mens, en van gevogelte, en van viervoetige en kruipende gedierten. 24. Daarom heeft God Namelijk om deze afgoderij en de ontering, die zij God daarmede aandeden. Zie Ps. 106:20; Jes. 40:17,18. hen ook overgegeven Dat is, die hun kwade begeerten niet ingetoomd, maar hun gang hebben laten gaan, Ps. 81:13; Hand. 14:16, en zich door Zijn rechtvaardig oordeel van Zijne gaven, die zij verachtten en misbruikten, meer en meer ontbloten, Matth. 25:28, en hen verlatende den Satan

Romeinen