Page 19

of die deze gave aannemen, Rom. 5:17.

tot

rechtvaardigmaking des levens. 19. Want gelijk door de ongehoorzaamheid Hier besluit de apostel de gelijkenis van Adam en Christus; namelijk dat, gelijk de ongehoorzaamheid van Adam ons toegerekend wordt tot schuld der verdoemenis, alzo Christus' gehoorzaamheid ons toegerekend wordt tot ontslaging van die schuld. Het is wel waar dat gelijk wij door Adams eerste misdaad niet alleen schuldig zijn geworden aan dezelve en aan de straf van dien, maar ook onze natuur daardoor verdorven is geworden, dat alzo wij door Christus' gehoorzaamheid niet alleen van de straf verlost zijn, maar ook door de kracht derzelve van Zijnen Geest in ons gemoed vernieuwd en geheiligd worden; doch daarvan heeft de apostel tot nog toe niet gesproken, maar begint daarvan te spreken in het volgende. En deze vernieuwing is in dit leven ook geheel onvolmaakt, gelijk hij met zijn eigen voorbeeld zal bewijzen in Rom. 7, zodat wij daardoor voor God niet rechtvaardig kunnen gesteld worden. van dien enen

mens velen tot zondaars gesteld zijn geworden, alzo zullen ook door de gehoorzaamheid van Enen velen tot rechtvaardigen gesteld worden. 20. Maar de wet Hier beantwoordt de apostel deze tegenwerping: Indien wij door de gerechtigheid van Christus alleen tot rechtvaardigen gesteld worden, waartoe is dan de wet den IsraĂŤlieten door Mozes gegeven; en verklaart dat de wet niet is gegeven om gerechtvaardigd te worden door haar, maar opdat de zonde en de straf, die wij vanwege de zonde schuldig zijn, te beter zou bekend worden; en dat alzo de genade Gods in Christus, die ons, niettegenstaande de zwaarheid onzer zonden, rechtvaardigt, te meerder zou geacht worden, en wij te vlijtiger onze toevlucht tot dezelve zouden nemen. Zie Gal. 3:19. is bovendien ingekomen, Namelijk boven de schuld, die wij van nature onderworpen waren; of, boven de belofte, die alrede aan Abraham gedaan was, waarvan in Rom. 4 en Gal. 3:17, gesproken wordt.

opdat de misdaad te meerder

worde;

Dat is, te blijkelijker en ook te sterker, niet door de schuld van de wet, maar van onze verdorven natuur, die altijd streeft tegen hetgeen haar verboden is; Rom. 7:5,8.

en waar de zonde meerder geworden is, daar is de genade veel meer overvloedig geweest; Zie de aantekeningen op Rom. 5:15.

21. Opdat, gelijk de zonde geheerst heeft Dat is, de overhand over ons gehad heeft, of ons Zijne macht heeft onderworpen. tot den dood, Grieks in den dood; namelijk de tijdelijke en eeuwige dood, gelijk blijkt uit de volgende tegenstelling. alzo ook de

genade zou heersen Namelijk Gods over ons. door rechtvaardigheid Namelijk die ons van Hem door het geloof is geschonken. tot het eeuwige leven, Namelijk hetwelk hier in ons begint, en namaals ten volle over ons zal geopenbaard worden; Joh. 11:25,26; Col. 3:3,4. door Jezus Christus onzen

Heere. Romeinen 6

1. Wat zullen wij dan zeggen?

Deze tegenwerping rijst uit hetgeen Paulus in de Rom. 5:20,21 had gezegd. Zullen wij in de

zonde

blijven,

Dat is, onder de heerschappij der verdorvenheid, die in ons nog overig is, Rom. 7:14. Of, in allerlei zonde, die in de wereld de overhand heeft. opdat

de genade te meerder worde? Namelijk gelijk in Rom. 5:20,21 schijnt betuigd te zijn; hetwelk aldaar verklaard is. 2. Dat zij verre. De apostel verwerpt met deze woorden zulk gevolg, als het antwoord onwaardig, en bewijst het tegendeel, dat wij in de zonde niet moeten blijven. Wij, die

der zonde gestorven zijn,

Dat is, wij die van de heersende macht der inwonende zonde door Christus' Geest verlost zijn, Rom. 6:6,7; want der zonde sterven betekent in de Schrift des Nieuwen Testaments de zonde in ons geen leven laten hebben, dat is, niet leven onder de macht en heerschappij der zonde. hoe zullen wij nog in dezelve

leven?

Dat is, de zonde haar leven en kracht laten, en in ons de overhand laten hebben.

Romeinen  
Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you