Page 7

doet dan wat wel schikt of voegt. Zie 1 Tim. 2:9. bekwaam om te leren;

3. Niet genegen tot den wijn,

Of zittende bij den wijn; dat is, zich niet begevende tot veel wijn, gelijk hij hierna spreekt, 1 Tim. 3:8.

geen smijter, geen vuil-gewinzoeker; maar bescheiden, Dat is, die anderen kan wijken en in redelijkheid verdragen, gelijk het Griekse woord medebrengt. geen vechter,

niet geldgierig. 4. Die zijn eigen huis wel regeert, Dat is, huisgezin, namelijk vrouw, kinderen, dienstbodne. Of zijn huis wel voorstaat. zijn

kinderen in onderdanigheid houdende, met alle stemmigheid; Of zedigheid, deftigheid, eerbaarheid. Zie 1 Tim. 2:2.

gestadigheid,

5. (Want zo iemand zijn eigen huis niet weet te regeren, hoe zal hij voor de Gemeente Gods zorg dragen?) 6. Geen nieuweling, opdat Grieks neophytos; hetwelk betekent nieuw geplant; dat is, die kort tevoren tot het geloof of tot de gemeente zich heeft begeven. hij niet

opgeblazen

worde,

Namelijk door gedachte van grote wijsheid, die hij zou menen te hebben, wanneer hij zo spoedig tot het leerambt zou zijn bevorderd. en in het

oordeel

Dat is, in zulk oordeel waarin de duivel gevallen is, toen hij zich over zijn wijsheid, pas geschapen zijnde, tegen God heeft willen verheffen. Anderen nemen hier het Griekse woord diabolos voor een lasteraar, gelijk het eigenlijk betekent en gebruikt wordt in 1 Tim. 3:11, en 2 Tim. 3:3, en verklaren het aldus: opdat hij zich zelf verheffende, niet valle in het oordeel of beschuldiging des lasteraars, tot verkleining en ergernis van Christus' gemeente, gelijk in 1 Tim. 3:7 ook wordt gesproken. des duivels

valle. 7. En hij moet ook een goede getuigenis hebben van degenen, die buiten zijn, Dat is, nog vreemd zijn van gemeente, gelijk 1 Cor. 5:12. opdat hij niet valle in smaadheid, en Of verachting; namelijk bij degenen, waaronder hij tevoren lichtvaardig of onrechtvaardig verkeerd

mocht hebben, zo hij met een volgend goed leven, nu gelovig geworden zijnde, het een tijd lang niet heeft verbeterd en bedekt. in

den strik des Of struik des lasteraars; gelijk 1 Tim. 3:6, waardoor sommigen verstaan enige kleinmoedigheid, die hem daardoor zou mogen overkomen, als een strik over zijne ziel; anderen, zulke versmaadheid, waardoor hij als met een strik van den duivel zou belet zijn de gemeente in dit zijn beroep behoorlijk te stichten. duivels.

8. De diakenen insgelijks

Van de instelling en het bijzonder ambt der diakenen in het verzorgen der armen, zie Hand. 6:1,2, enz. moeten eerbaar zijn, Of stemmig; gelijk hiervoor 1 Tim. 3:4. niet tweetongig, niet Grieks tweewoordig; dat is, ijdel en ongestadig van woorden. die zich tot veel

wijns begeven, gewinzoekers; 9. Houdende Grieks behoudende

of

geen hebbende; bewarende.

vuildat

is,

de

verborgenheid

Dat is, de leer of de belijdenis van de leer des evangelies, die doorgaans ene verborgenheid wordt genoemd, omdat deze den mens niet uit de natuur, maar door Gods openbaring bekend is gemaakt. Zie 1 Cor. 2:6,7. des geloofs in

een rein geweten. Dat is, goed of oprecht geweten, waarvan zie hiervoor 1 Tim. 1:19; want al was het ambt der diakenen niet om in de vergaderingen openlijk te leren, zo bracht nochtans hun dienst mee, dat zij met vele soorten van mensen verkeerden, die zij ook moesten onderrichten en troosten, en soms ook wederspreken, gelijk een voorbeeld is in Stefanus, Hand. 7. Dat Filippus den Moorman onderricht en gedoopt heeft, is door buitengewone roeping geschied, toen hij tot een evangelist was gesteld. Zie Hand. 8:29, en Hand. 21:8.

10. En dat deze ook eerst beproefd worden, Dit vatten sommigen zo op, alsof er nog een lagere trap in deze bediening ware geweest, die zij onder diakenen noemen, waarin zij eerst voor een tijd moesten worden beproefd; doch dat is niet nodig, daar dit woord bekwamelijk kan genomen worden van de beproeving van zulke personen aan de

1timothëus  
Advertisement