Page 1

48 I N F O R M AT I E O V E R E U R O P E S E P R O G R A M M A’ S V O O R H E T H O G E R O N D E R W I J S

Een geslaagd Intensive Programme biedt een prima basis voor structurele samenwerking in een Strategic Partnership. Twee voorbeelden.

JAARGANG 10, MAART 2015

bewegen is beter

“Iedereen in Europa moet een kans krijgen, kennisontwikkeling moet mensen aan een baan helpen. Die sociaaleconomische kant is nieuw.” Dubbelinterview met Theo Hooghiemstra van EP-Nuffic en Judith Dayus van het Nationaal Agentschap over Erasmus+.

Hoe krijgen we de Europese burger van zijn stoel? Sportproject SPEACH doet een gouden voorstel.

2

Sarah Wijzenbeek

het tweede leven van intensive programmes



terugblik op één jaar erasmus+

IMPRO INTENSIVE, FOTO:

in dit nummer:

3

fair erkennen

groundwatch

Snel, eerlijk en transparant: FAIR geeft concrete tips. En: Doorstart Bologna-experts.

En: Ultieme gids ‘Joint Programmes from A to Z’.

4&5 6&7 8

Intensive Programmes in Nederland 2007-2013 Totale EU-subsidie

Aantal projecten

1.794.161

1.382.707

1.232.537

1.196.062

15

24 29

34

43

45

992.341

544.247

610.153

? 2007 2008 2009

2010

2011

2012

2013

2007

Zie pagina 4&5 voor IP‘s die een doorstart maken als Strategic Partnership.

2008

2009

2010

2011

2012

2013


2

dubbel­ interview

Theo Hooghiemstra en Judith Dayus kennen elkaar al van hun middelbare school in Drachten. "Internationalisering bestond toen eigenlijk nog niet in het

Erasmus+ biedt volop kansen. Een dubbelinterview met Judith Dayus van het Nationaal Agentschap en met Theo Hooghiemstra, directielid van EP-Nuffic. “De uitwisselingen zijn gebleven, maar het programma heeft nu meer impact op hele onderwijsinstellingen in plaats van alleen op een klas of groep,” zegt Judith Dayus van het Nationaal Agentschap Erasmus+. “En de instellingen werken samen met het bedrijfsleven, leerlingen doen praktische vaardigheden op, ze krijgen meer kansen op de Europese arbeidsmarkt.” “Kijk naar Duitsland. Daar is veel aandacht voor beroepsopleidingen. Samenwerking, bijvoorbeeld in de grensstreek, levert veel op en scholen gebruiken daarvoor de nieuwe mogelijkheden van Erasmus+,” zegt Theo Hooghiem­ stra, directielid van EP-Nuffic. De twee kennen elkaar van vroeger, van hun middelbare school in Drachten. “Internationalisering in het onderwijs bestond eigenlijk nog niet,” vertelt Hooghiemstra. “Wij hadden een Venezolaan in de klas, dat was al bijzonder.” Dayus herinnert zich hem nog goed. “Hij zat een jaar bij ons op school. De eerste keer dat hij sneeuw zag, dat is me bijgebleven.” Ze werken nu samen in het gebouw van EP-Nuffic in Den Haag. Ze maken de vertaalslag van ingewik­

kelde regels vanuit Brussel naar de praktijk en adviseren onderwijs­ instellingen hoe ze er hun voordeel mee kunnen doen. Op de startconferentie van Erasmus+ in Utrecht in december 2013 viel het al op: de verschuiving naar onderwijs in de volle breedte, van het primair onderwijs tot de universiteit. “Het is niet meer alleen het uitwisselingsprogramma dat het was,” zegt Hooghiemstra. “Het gaat om inclusion. Iedereen in Europa moet een kans krijgen, kennisontwik­ keling moet mensen aan een baan helpen. Die sociaaleconomische kant is ook nieuw.”

samenwerking moet leiden tot een gedetailleerd format dat ook andere EU-scholen kunnen gebruiken. Het ‘Geo Future Excellence Programme’ is een honours programme voor scholen met excellente leerlingen. Leerlingen werken samen aan thema’s als natuurlijke hulpbronnen, waterbeheer en globalisering. In het programma, dat een sterke ICT-component heeft, gaan de leerlingen aan de slag met real-world cases, waarbij ze bepaalde problemen moeten oplossen. “Het is een uitstekende voorbereiding voor een universitaire studie,” zegt Hooghiemstra. Basisscholen werken in Erasmus+ Onderwijsbreed samen met meerdere partnerscholen Projecten moeten voordelen ople­ in andere EU-landen. Zo heeft veren voor de hele onderwijs­ basisschool De Regenboog in instelling en het liefst ook daar­ Voorhout een internationaal partner­ buiten. Dayus: “Aanvankelijk ging schap met scholen voor primair het meestal om individuele uitwisse­ onderwijs in Polen, Turkije, Slowakije, lingen, zoals een docent die een Italië en Spanje. De bedoeling van het week op cursus ging in Engeland. Nu project ‘Equal Rights, Open Minds’ is zijn het programma’s waar een hele dat leerlingen inzicht krijgen in de school iets aan moet hebben.” diversiteit in Europa. De lessen gaan Het Vossius Gymnasium in bijvoorbeeld over discriminatie en Amsterdam bijvoorbeeld werkt gelijkwaardigheid. “Alles wat deze zes samen met scholen in Barcelona en scholen ontwikkelen komt uiteindelijk Heraklion. De ambitie is hoog: de beschikbaar voor iedereen”, zegt Dayus. “Dat is de meerwaarde van Erasmus+.”

“Iedereen in Europa moet een kans krijgen”

Kinderziektes Naast al het positieve nieuws heeft Erasmus+ ook met kinderziektes te kampen. Het is een groot programma van 12 miljard euro en de regels zijn

ingewikkeld. Te ingewikkeld, vinden sommigen. “Het programma is op 1 januari 2014 ingegaan, maar de politieke besluitvorming was pas vlak daarvoor tot stand gekomen. De voorbereidingstijd is voor veel onderwijsinstellingen en ook voor de Nationale Agentschappen in heel Europa eigenlijk te kort geweest,” zegt Hooghiemstra. De vroegere samenwerkingsprojecten waren goed te overzien. Ze zijn vervangen door grotere en vaak complexe nieuwe vormen. Een aanvraag doen kost veel meer tijd, wat het voor instellingen extra zuur maakt als er dan een afwijzing komt. Voor de Strategic Partnerships was er in het eerste jaar een relatief laag budget beschikbaar, waardoor veel aanvragen afvielen. De Europese Commissie overweegt dat budget komend jaar al te verhogen. Al met al vinden Hooghiemstra en Dayus dat Erasmus+ veel nieuwe kansen biedt. “Het is een nieuwe uitdaging voor het primair en voort­ gezet onderwijs,” zegt Hooghiemstra. “Het is ook een uitdaging voor ons als Nationaal Agentschap om de bureau­ cratische regels hanteerbaar te maken. Daar hebben we een weg in te gaan, maar in Nederland zijn we daar goed in,” vindt Dayus. “Neder­ land speelt een voortrekkersrol,” zegt Hooghiemstra. “We zijn gevraagd om projecten bij de Europese Commissie te helpen verbeteren. Dat is toch fantastisch: hoe wij meeblazen binnen die 33 landen.”    RR

FOTO:

Eén jaar Erasmus+: de kinderziektes voorbij

Ralph Rozema

onderwijs."


3

sportproject speach

Erasmus+ voor Onderwijs, Jeugd én Sport

Kom van die stoel af! Met SPEACH – Sport Physical Education and Coaching Health – deed de Hanzehogeschool Groningen een voorbeeldige aanvraag in de eerste ronde voor sportprojecten in Erasmus+. Projectleider Johan de Jong presenteerde zijn aanvraag als ‘best practice’ op de voorlichtingsdag voor Sport, 11 februari in Brussel.

Het eindresultaat zal in oktober 2017 in Aarhus gepresenteerd worden op het congres van de European Network of Sport, Science, Education and Employment (ENSSEE), een van de partners van SPEACH. Deze organisatie verbindt diverse sportopleidingen in Europa. Het is de bedoeling om de nieuwe lesmodules uiteindelijk op te nemen in het curriculum van bestaande coachcursussen en opleidingen tot docent lichamelijke opvoeding.

Enorm bereik SPEACH, ingediend in de eerste aanvraagronde ‘Sport 2014, Collaborative partnerships covering topics on EU Guidelines’ kreeg van de experts die de voorstellen beoordelen maar liefst 99,5 van de 100 punten. Een belangrijke reden daarvoor was

Voorstellen voor ‘Collaborative partnerships in the sport field not related to the European Week of Sport 2015’ moeten worden ingediend bij de EACEA in Brussel. Zie de Erasmus+ Programme Guide voor alle voorwaarden. De deadline is donderdag 14 mei 2015, CET.

Eerherstel voor de aloude pingpongtafel: op kantoor kun je beter niet acht uur achter je beeldscherm blijven plakken.

kostya6969 / iStockphoto

Gymleraren en trainers Toch richt SPEACH zich in eerste instantie niet op de Europese burger, maar op de Europese profes­ sional in sport: zowel (toekomstige) gymleraren als trainers die al lesgeven in amateursportvereni­ gingen, van atletiek tot zwemmen. Hoe kunnen die ervoor zorgen dat hun leerlingen en leden ook buíten de uren in de gymzaal en de sportclub regelmatig van hun stoel af blijven komen? De Jong: “De slogan ‘stilzitten is dodelijk’ vind ik een vrij negatieve boodschap. ‘Staand vergaderen is efficiënter’ is bijvoorbeeld al positiever, en als je het positief brengt, zijn mensen ook meer geneigd hun gedrag te veranderen.” Daarvoor zijn er mogelijkheden te over, zegt De Jong. “Je kunt als trainer met iemand sparren over de strategieën die hij in zijn dagelijks leven zou kunnen volgen om gedurende de dag meer te bewegen, je kunt een buddysysteem opzetten via een online-community, je kunt er eventueel elementen uit een game aan koppelen. Maar we beginnen ermee om de behoefte in kaart te brengen van de docenten en trainers. Welke kennis en vaardigheden om deze boodschap op een positieve manier in hun lessen uit te dragen ontbreekt er nog? Vervolgens gaan we lesmodules en workshops ontwikkelen. Die gaan we uitproberen bij verschillende partners, zoals de Spaanse tennisbond.”

“Wij gaan bewust van noord naar zuid en van oost naar west”

het enorme potentiële bereik van het project. SPEACH heeft in totaal tien partners: zes Europese instellingen voor hoger onderwijs en vier netwerk­ organisaties op gebied van sport, waaronder ENSSEE en NOC*NSF. Die vertegenwoordigt bijna alle sportbonden in Nederland, en is ook betrokken bij trainersopleidingen voor breedte­ sporters. De Jong: “Doordat we gebruik maken van bestaande netwerkstructuren, kunnen we hiermee zeer veel kinderen en leden van sport­ verenigingen in Europa bereiken.” Een ander pluspunt was de geografische reik­ wijdte. “Het is verleidelijk om in zo’n project alleen voor partners te kiezen uit Scandinavië, België en Duitsland, landen waar al veel kennis over dit thema bestaat. Maar wij gaan bewust van noord naar zuid en van oost naar west: van Denemarken tot Spanje en Portugal, en van Engeland tot Litouwen. Die geografische en culturele spreiding vindt de Europese Commissie belangrijk. Het was zelfs de enige opmerking die wij kregen: dat we misschien ook een land in het partnerschap hadden kunnen opnemen aan de grenzen van de EU, zoals een Balkanland. Dat was die halve punt aftrek!”    CB

FOTO:

Zitten en liggen: dat zijn de activiteiten waar een groot deel van de Europese bevolking zich gedurende de dag het meest mee bezighoudt, van jong tot oud. Zo’n ‘sedentaire leefstijl’ blijkt erg ongezond te zijn. Het leidt tot een grotere kans op hart- en vaatziekten, diabetes, kanker en obesitas. “Veel mensen hebben daar wel eens van gehoord”, zegt Johan de Jong, lector Healthy Lifestyle, Sports and Physical Activity aan de Hanzehogeschool Groningen, en projectleider van het SPEACH-project. “Je kent de slogan wel: stilzitten is dodelijk.” De meeste mensen hebben ook wel eens gehoord van de Nederlandse Norm Gezond Bewegen (minimaal vijf keer in de week minstens dertig minuten ‘matig intensief’ bewegen), of van de fitheidsnorm (minimaal drie keer in de week minstens twintig minuten ‘inten­ sief bewegen’ – oftewel sporten). “Het idee heerst dat je die drie dingen wel een beetje tegen elkaar uit kunt ruilen”, zegt De Jong. “Maar dat valt vies tegen. Het negatieve effect van een hele dag zitten kun je niet compenseren door te sporten, zelfs niet als je elke dag een uur sport. Ik doe zelf veel aan duursport, maar tijdens de rest van mijn dag doe ik veel zittend werk. Ik blijf wel fit, maar dat zegt niet per definitie hoe gezond ik ben. Ik zou eigenlijk vaker op de fiets naar mijn werk moeten komen, en staand moeten vergaderen.”


4

van intensive programme tot strategic partnership

Het tweede leven van Intensive Programmes

Erasmus Intensive Programmes waren een geliefd onderdeel van het Leven Lang Leren-programma: elk jaar werden er meer georganiseerd. Nieuwe aanvragen zijn niet meer mogelijk in Erasmus+, maar sommige Intensive Programmes hebben een interessante doorstart gemaakt in een Strategic Partnership. Twee ­inspirerende voorbeelden. Kort maar krachtig: dat was hét kenmerk van een Erasmus Intensive Programme. Studenten en docenten uit drie of meer landen kwamen twee tot zes weken bij elkaar om een speci­ fiek onderwerp uit hun vak vanuit alle hoeken en gaten te belichten. De Intensive Programmes waren een geliefd onderdeel van het Leven Lang Leren-programma: alleen al in Nederland zijn er tussen 2007 en 2013 een kleine tweehonderd van dit soort ‘snelkooksessies’ georganiseerd. Met de afloop van Leven Lang Leren hield echter ook de mogelijkheid om subsidie aan te vragen voor een

Intensive Programme op. In Erasmus+ is voor nieuwe vormen gekozen, omdat de Europese Commissie een stap verder wil zetten in internatio­ nale samenwerking. Van korte projecten tussen Europese universi­ teiten en hogescholen onderling (Leven Lang Leren), naar blijvende partnerschappen, juist ook met organisaties buiten het onderwijs (Erasmus+). Nieuwe vormen zijn Strategic Partnerships en Knowledge Alliances. Het leuke is dat sommige Intensive Programmes de basis hebben gevormd voor Strategic Partnerships.

‘Smart cities’ “Als je prettig hebt samengewerkt in een Intensive Programme, dan is het zeker de moeite om eens te kijken of je dat IP kunt uitbouwen tot iets groters en structurelers”, zegt Erlijn Eweg van Hogeschool Utrecht. Eweg was betrokken bij de organisatie van het Intensive Programme ‘Interdisci­ plinary Sustainable Architecture’, dat in de zomer van 2012 eenmalig plaatsvond in Valencia. Nu is ze de projectmanager van een Strategic Partnership waarin het thema ‘duur­ zame architectuur’ is uitvergroot tot ‘duurzame stedenbouw’.

Studenten over het Intensive Programme ‘Interdisciplinary Sustainable Architecture’

TOCH EVEN NAAR HET BUITENLAND TIJDENS DE STUDIE

Jeroen van den Biggelaar

Jeroen van den Biggelaar (25) was een van de andere deelnemers van Hogeschool Utrecht. Hij studeerde op dat moment bouwkunde, en hoorde via-via van het IP in Valencia. “Wie wil er nu niet drie weken naar Valencia? We konden er gratis eten en slapen.” Ook inhoudelijk bleek het project voor hem de moeite waard te zijn. “In Valencia heb ik geleerd om een life cycle analysis te maken: hoeveel energie het kost het om bouwmateriaal te maken, te vervoeren en ooit weer af te breken. Bij een later project van bouwkunde over materiaalkeuze heb ik die benadering toegepast op de vraag: wat is beter, houten of aluminium kozijnen? Een combinatie bleek het beste: houten kozijnen met een aluminium buitenkant. Wij denken bij duurzaamheid aan driedubbel glas, een dikke laag isolatie en een klimaat­­­ installatie, maar échte duurzaamheid zit in het keihard doorcalculeren van dit soort materiaalkeuzes.”

FOTO:

Niels Rensink (26) studeerde bouwtechnische bedrijfskunde aan Hogeschool Utrecht toen hij in 2012 meedeed aan het Intensive Programme in Valencia. “Ik heb wel overwogen om er tijdens mijn studie een half jaar tussenuit te gaan, maar ik had een vriendin thuis die dat niet zag zitten. Voor mij was dit de ideale mogelijkheid om toch de internationale ervaring op te doen die ik altijd had gewild.” Het studieprogramma, verzorgd door docenten uit Portugal, Italië, Spanje, Amerika, Nederland, Finland en Duitsland, was zeer gevarieerd. “In mijn studie ging het vooral om het financiële plaatje van een bouwproject, de bedrijfsvoering. Dit IP heeft voor mij tot een verbreding van mijn kennis geleid. We kregen bijvoorbeeld les in de constructie van bruggen, maar ook over het aanvragen van milieucertificaten, en over belichting en verlichting van gebouwen. Een heel brede benadering dus, maar allemaal met dezelfde focus op duurzame architectuur.” Rensink is inmiddels logistiek medewerker van een bedrijf in led-panelen, en projectleider bij een afbouwbedrijf. Zijn eerste ervaring met het projectleiderschap deed hij op in Valencia, waar hij de moed erin hield bij een groepje van acht studenten uit Spanje, Finland en Nederland. De opdracht was namelijk behoorlijk pittig: een hele woonwijk inspecteren op duurzaamheid, verbeteringen bedenken en hierover een presentatie geven in het bijzijn van een architect. “We hebben er drie weken non-stop aan gewerkt.”

Van IP naar SP: niet alleen het thema is groter, alles is groter. Het aantal deelnemende landen ging van drie naar vijf, het aantal organisaties van drie naar acht, het budget steeg van € 13.000 voor drie weken naar € 450.000 voor drie jaar. Bovendien zijn er niet alleen hogescholen bij betrokken, maar ook drie gemeenten, en wordt er een veel groter onder­ wijsaanbod ontwikkeld. Studenten kunnen meedoen aan de ultrakorte vijfdaagse start-up competitie in Manchester, of juist intekenen voor een long term assignment in Utrecht: een soort minor van 30 ECTS. Het Intensive Programme als onderwijs­ vorm komt terug in “de carrousel”: drie “IP-achtige cursussen” in Utrecht, Turku (Finland) en Valencia, waar de studenten oplossingen gaan bedenken voor concrete problemen die de stadsbesturen hebben aangedragen. “We zien al deze onderwijsvormen als pilots”, zegt Eweg. “Dit zijn geen programma’s die je gaat ontwikkelen voor een eenmalig project. Het is onze ambitie om de minor ook na afloop van dit project te blijven aanbieden. Het IP was een leuke activiteit, die veel enthousiasme bovenhaalde. Maar een IP is inciden­ teel. Nu zetten we met vijf hoge­ scholen structureel in op de moderni­ sering van het onderwijs door blended learning.” Het voorstel voor het Strategic Partnership (voluit: CARPE European Sustainable Solutions for Existing and New City Environments) kreeg 90 van de 100 punten, het hoogste aantal van de voorstellen die in 2014 door Nederlandse penvoerders zijn ingediend. Zonder het eerdere Intensive Programme was de aanvraag nooit zo’n succes geworden, denkt Eweg. “Wij hebben onderling grondig besproken wat we met dit partnerschap willen bereiken. Dat was mogelijk doordat we al eerder hadden samengewerkt. Om zo’n grote aanvraag te doen, is een zeker onderling vertrouwen nodig.”


FOTO:

Sarah Wijzenbeek

5

in te dienen, wellicht in een iets afgeslankte vorm”, zegt Prchal. Dit gaat ook zeker gebeuren. “Een IP is een mooie manier om studenten te laten reizen, en om intensief samen te werken op een zeer gespecialiseerd vakgebied. Maar je hebt tijdens zo’n IP geen tijd om te praten over structurele samenwerking op lange termijn. Als je het over improvisatie hebt: hoe moet je dat bijvoorbeeld beoordelen? Kun je dat op Europees niveau doen? Hoe wordt er in verschil­ lende landen beoordeeld, wat zijn de criteria, welke cijfers worden er gegeven? Dat moet helemaal uitge­ zocht worden, dat vereist aandacht. Een andere vraag is of er enige vorm van online-onderwijs kan plaatsvinden. Improvisatie vindt plaats à la minute: het gebeurt en het is weer weg. Zijn er toch manieren om dat online pedago­ gisch te ondersteunen, bijvoorbeeld door oefeningen te publiceren, of informatie die studenten en docenten zou kunnen helpen?” Mocht het uiteindelijk niet tot een Strategic Partnership komen, dan nog heeft ‘Impro Intensive’ een blijvend effect gehad in Den Haag. “Op basis van onze ervaring met deze IP’s hebben we een compleet nieuw curriculum ontwikkeld voor ons theorieonderwijs”, zegt Prchal. “De neiging bestaat om dat heel geïso­ leerd en met veel aparte vakken aan te bieden, maar door improvisatie als vast onderdeel in het theorieonderwijs op te nemen, leggen we een verband met het eigen instrument.” Uit heel Europa komen collega’s inmiddels kijken naar deze nieuwe vorm van onderwijs.    CB

Koninklijk Conservatorium Den Haag organiseerde drie keer een Intensive Programme over improvisatie voor studenten klassieke muziek. "Dit was heel innovatief onderwijs."

‘Impro Intensive’ Over naar het Koninklijk Conservato­ rium in Den Haag: drie jaar achter elkaar de organisator van het Intensive Programme ‘Impro Intensive’, waarin telkens veertig studenten uit in totaal elf landen les kregen van de internati­ onale top aan docenten op gebied van improvisatie. Adjunct-directeur Martin Prchal: “Dit was heel innovatief onderwijs: in de jazz is improvisatie normaal, maar bij klassieke musici niet. Aanvankelijk heeft het ons daardoor wel wat moeite gekost om onze eigen studenten van het nut van improvisatiet­echnieken te overtuigen. Maar in het laatste jaar was het zo populair dat we studenten hebben moeten teleurstellen.” Ook dit Intensive Programme werd

uitgebouwd tot een voorstel voor een Strategic Partnership, met als doel een Joint Master in improvisatie te ontwikkelen. De penvoerder was het conservatorium in Tallinn; van alle partners het conservatorium met de meeste ervaring in improvisatie. Het voorstel werd dus ingediend bij het Nationaal Agentschap van Estland, en gooide daar hoge ogen: 90 punten. Hoewel dat de hoogste score was van alle voorstellen die in Estland werden ingediend, besloot het Nationaal Agentschap om zijn beperkte budget van € 450.000 niet aan dit ene partner­ schap te besteden, maar in plaats daarvan meerdere kleine partner­ schappen te subsidiëren. “Ze hebben ons wel aangemoedigd om het voorstel volgend jaar opnieuw

“Collega’s komen uit heel Europa naar Den Haag voor ons nieuwe ­theorieonderwijs”


6

key action 3: policy experimentation

Voor de kick-off van FAIR kwamen de 37 projectpartners vanuit heel Europa

Hoe sneller en transparanter erkenningsprocedures van buitenlandse studieresultaten verlopen, hoe beter dat is voor de mobiliteit van studenten in Europa. Het project Focus on Automatic Institutional Recognition (FAIR) gaat daaraan bijdragen met gerichte aanbevelingen aan 23 universiteiten en hogescholen uit zes landen. Elk jaar melden zich zo’n zeshonderd buiten­ landse studenten aan voor een bachelor-oplei­ ding aan NHTV internationaal hoger onderwijs Breda. Van de studenten die worden toegelaten, blijkt ongeveer de helft te besluiten toch niet naar Breda te komen. “We weten niet precies waar dat aan ligt”, zegt Joyce Seegers, hoofd van het Student Office. “Het kan zijn dat een student zijn financiën niet rond krijgt, dat hij gezakt is voor zijn eindexamen, of dat hij voor een andere studie heeft gekozen. Maar de reden zou in elk geval niet moeten zijn: ik hoor niets van NHTV Breda, dus probeer ik het nu maar bij een andere school.” Om het toelatingsproces zo snel, transparant en eerlijk mogelijk te laten verlopen, heeft Seegers haar hogeschool aangemeld als kandidaat voor het project FAIR: Focus on Automatic Institutional Recognition. FAIR krijgt € 600.000 subsidie uit Erasmus+ (Key Action 3: Policy Experimentation). Het Nederlandse Ministerie van Onderwijs is de projectcoördinator, EP-Nuffic voert het projectma­ nagement. Behalve NHTV Breda hebben zich nog 22 universiteiten en hogescholen aangemeld uit zes Europese landen. Daarnaast doen er diverse Ministeries van Onderwijs en ENIC-NARIC’s mee (landelijke informatiecentra voor erkenningspro­ cedures, zoals EP-Nuffic in Nederland).

Vage afwijzingsbrief Snelle, transparante en eerlijke erkenningsproce­ dures voor buitenlandse studieresultaten: zo is het in 1997 al afgesproken in de Lissabon Erkennings­ conventie. In praktijk blijkt dat vaak toch tegen te vallen, zegt Bas Wegewijs, een van de projectma­ nagers bij EP-Nuffic. “Het proces duurt vaak erg lang, ook bij uitwisselingen, en studenten weten vaak niet waarom ze afgewezen zijn. Ze krijgen

een vage afwijzingsbrief, zonder uitleg over procedures. Bijna nooit wordt aangegeven wat de wezenlijke verschillen zijn op grond waarvan hun diploma niet is erkend. De meeste studenten laten het daar dan bij zitten.” Dat is niet alleen voor die studenten een gemiste kans. “Wat wij de instellingen voorhouden”, zegt Wegewijs, “is dat een goede erkenningsproce­ dure de kwaliteit van hun eigen opleidingen ten goede komt, omdat ze op die manier de studenten kunnen toelaten die het meest geschikt zijn voor een bepaalde opleiding.” Dat zijn niet per se de studenten die aan alle formele eisen voldoen. “Nu is het uitgangspunt in sommige landen: wat je van je eigen studenten vraagt, moet je ook aan buitenlandse studenten vragen, bijvoorbeeld minimaal 300 ECTS om toegelaten te worden tot een promotietraject. Terwijl de bereikte leeruitkomsten en verworven competen­ ties veel belangrijker zijn dan het aantal behaalde ECTS.” Het is de bedoeling dat dit soort belemmerende wetgeving voor de duur van het project wordt uitgeschakeld door de ministeries die deelnemen aan dit project. En hopelijk ook daarna: “Tijdens de kick-off meeting, 20 januari in Amsterdam, gaven de Kroaten aan dat ze van plan zijn om in september een nieuwe wetgeving aan te nemen. Zij doen mee aan dit project om die nieuwe wetgeving zo goed mogelijk in te richten.”

Turven Het project begint met een nulmeting door een onafhankelijke evaluator, de European University Association. Tijdens de jaarlijkse aanmeldingspiek (voor de meeste instellingen in het voorjaar) turven de 23 ‘proefkonijnen’ hoe hun erkennings­ procedures verlopen. Hoeveel dossiers worden er

geheel erkend, hoeveel gedeeltelijk, en hoeveel worden er afgewezen? Werd de reden aan de student gemeld? Hoe lang duurde het hele proces? Wisten de studenten in welke fase hun aanmelding was (kruis aan: never, sometimes, often, always)? Enzovoorts. Na deze ‘nulmeting’ krijgen ze advies op maat om verbeteringen aan te brengen. Hoe het beter kan, is al bekend uit eerdere European Area of Recognition (EAR)projecten, waarin ‘good practices’ zijn gezocht en gevonden. Zo is het bijvoorbeeld beter om de procedures voor erkenning en selectie uit elkaar te houden. Ook de European Consortium for Accreditation geeft aanbevelingen, vanuit het perspectief van de kwaliteitszorg. Na een jaar wordt opnieuw gemeten hoe de procedure verloopt. Tot slot worden specifieke aanbevelingen gedaan voor elk van de zes deelnemende landen afzonderlijk, en – als sluitstuk – voor Europa als geheel. “In de afge­ lopen vijf jaar hebben we bij EP-Nuffic vooral projecten gedaan om onze collega-ENIC-NARIC’s in Europa te versterken”, zegt Wegewijs. “Voor ons is dit een kijkje in de keuken van de Neder­ landse instellingen. We hebben al een goed contact, maar hiermee spreken we onze doel­ groep nog directer aan. Verbetering van de procedures in Nederland kan al in deze eerste twee jaar tot stand komen.” Joyce Seegers van NHTV Breda: “Ik wil graag weten hoe wij het doen ten opzichte van andere instellingen in Nederland en Europa. Wij hebben onszelf een bepaalde manier aangeleerd om een dossier te behandelen, misschien zijn er wel veel handiger manieren. Hoe professioneler de erkenningsprocedure loopt, hoe beter wij studenten kunnen vasthouden in het toelatings­ proces.    CB

FOTO:

FAIR: snel, transparant en eerlijk erkennen

Maarten Noordijk

naar EYE in Amsterdam.


7

key action 3: policy reform

Bologna-experts klaar voor de volgende ronde Na een pauze van één jaar maakt het nationale team van Bologna-experts een doorstart. Het team gaat voorlichting en trainingen geven over het juiste gebruik van ‘Bologna Tools’, zoals het Diplomasupplement, de ECTS Users’ Guide en de ECTS Grading Table.

“Veel instellingen denken: we hebben de tweefasenstructuur ingevoerd, nu zijn we klaar. Maar er is nog meer te doen. We moeten het Bolognaproces weer op de agenda van de instellingen zien te krijgen.” Els van der Werf, senior advisor internationalisation and international relations aan de Hanzehogeschool Groningen, was al lid van de Bologna-expertgroep van 2004 tot eind 2013. Met haar collega-experts gaf ze voorlichting over het Bologna­ proces en alle hervormingen die dat met zich meebracht, zoals de invoering van de bama-structuur, het European Credit Transfer and Accumulation System (ECTS) en het Diplomasupplement. Met het eind van het Lang Leven Leren-programma kwam er ook een eind aan het werk van de Bolognaexperts, maar nu is er binnen Erasmus+ een succesvolle aanvraag gedaan voor een vervolg. Van der Werf doet weer mee, net als vier andere oudgedienden en twee nieuwe studentenleden; drie verse experts komen er binnenkort nog bij.

Monitoring Elke universiteit of hogeschool die mee wil doen aan Erasmus+, moet in bezit zijn van een Erasmus Charter for Higher Education (ECHE). Met de ondertekening van het Charter

belooft de instelling om serieus aan de slag te gaan met ‘Bologna Tools’ voor transparantie en kwaliteitszorg. “Dat moet niet alleen een theoretisch ideaal zijn”, zegt Van der Werf, “er moet echt naartoe gewerkt worden. Een van de taken van de Nationale Agentschappen is om te onder­ zoeken in welke mate de instellingen voortgang maken op alle punten die ze in het ECHE beloofd hebben. Daarmee zijn de praktische Bologna Tools en het subsidieprogramma van de Europese Commissie in elkaar geschoven, wat meer handvatten geeft om instellingen daarop aan te spreken dan tijdens het Leven Lang Leren-programma het geval was.” Deze monitoring, die de expertgroep samen met het Nationaal Agentschap zal opzetten, zal uitwijzen waar instellingen nu nog de meeste praktische vragen over hebben. Daar kunnen de experts vervolgens met gerichte trainingssessies op inspelen. “We gaan intussen al wel een aantal sessies uitzetten waarvan je met je gezonde verstand kunt nagaan dat er behoefte aan is”, zegt Van der Werf. Zij verwacht dat er vooral veel vragen zullen leven over de opzet van een tweetalige ECTS Course Catalogue, waarin je als instelling zeer gedetail­ leerd ingaat op de inhoud van al je opleidingen, tot op het niveau van de afzonderlijke modules. “Heel veel

Transnationaal onderwijs is een snelgroeiende

“Het Erasmus Charter moet geen theoretisch ideaal zijn”

bedrijfstak. Stenden Hogeschool heeft al campussen in onder

FOTO:

Stenden

meer Qatar.

instellingen hebben daarin nog een lange weg te gaan”, zegt Van der Werf. “Het idee erachter is dat het internationale samenwerking bevor­ dert. Als je wilt gaan samenwerken met een opleiding in Finland, heb je immers niet zoveel aan een opsom­ ming van modules, zoals ‘Marketing 1’. Want wat gebeurt er dan wel in Marketing 1?” Ook verwacht ze veel belangstelling voor sessies over het juiste gebruik van de ECTS Grading Table, waar­ door instellingen elkaars cijfers op de juiste waarde kunnen schatten door een statistische vergelijking van het aantal keren dat een bepaald cijfer gegeven is. “De Grading Table was tot nu toe optioneel, maar heeft in de herziene editie van de ECTS Users’ Guide een veel prominentere plaats gekregen.”

Transnationaal onderwijs Het project heet voluit ‘Facilitating the Use of Bologna Tools for HEIs and Quality Assurance Agencies’, en is ingediend in de aanvraagronde van 2014 voor Key Action 3, ‘Support to Policy Reform’. De officiële aanvrager is dan ook het Ministerie van Onder­ wijs. In de Visiebrief internationalise­ ring van afgelopen zomer gaf Bussemaker aan de mogelijkheden voor trans­nationaal onderwijs te willen verruimen. Nederlandse

instellingen voor hoger onderwijs mogen hun opleidingen dan ook in het buitenland gaan aanbieden. Maar hoe organiseer je de accreditatie van zo’n transnationale opleiding, om maar een praktisch punt te noemen? Om dit uit te zoeken, gaat Sjoerd Roodenburg, beleidsmedewerker Kennis & Innovatie bij EP-Nuffic, een studie doen naar transnationaal onderwijs, inclusief twee relatief nieuwe vormen daarvan: onlineonderwijs (MOOC’s) en joint programmes. “Dit zijn ontwikkelingen die gevolgen kunnen hebben voor de manier waarop de Europese ruimte voor hoger onderwijs functioneert. Online-onderwijs kan bijvoorbeeld invloed hebben op de mobiliteit van studenten. En hoe doe je het met de erkenning; geef je ECTS uit voor een MOOC? Worden die dan ook in elk land erkend? En wie bepaalt of de kwaliteit ervan voldoende is?” Het wordt een beschrijving van de stand van zaken in drie tot vijf Europese landen, waaronder Neder­ land, om zo een aantal voorbeelden te krijgen van manieren waarop je deze nieuwe vormen van onderwijs op een nationaal niveau kunt regelen. Roodenburg: “Want nationaal beleid moet uiteindelijk wel in de pas lopen met het Bolognaproces en met wat er in de rest van Europa gebeurt.”    CB


8

agenda & info

Alle informatie over Erasmus+ (voorlichtingssessies, deadlines, programmagids) vindt u op de vernieuwde website www.erasmusplus.nl Europese Commissie

Nationaal Agentschap Erasmus+

W  http://ec.europa.eu/programmes/

W  www.erasmusplus.nl

erasmus-plus

 https://www.facebook.com/­

https://www.facebook.com/­

ErasmusplusNL

EUErasmusPlusProgramme

[at]ErasmusplusNL

[at]ErasmusPlus

Vragen aan de redactie kunt u sturen naar: ­europaexpresse[at]nuffic.nl Europa Expresse is een publicatie van EP-Nuffic. Deze publicatie werd gefinancierd met de steun van de Europese Commissie. De

Erasmus Mundus Joint Master ‘GroundwatCH’ Grondwatersystemen kunnen in droge gebieden functioneren als zoetwaterreservoir. Hoe dat op een verantwoorde manier kan, leren studenten in de Erasmus Mundus Joint Master ‘GroundwatCH’. Een irrigatieput aan de

FOTO:

Tibor Stigter

Atlantische kust van Marokko.

“Voor sommige landen kan grondwater bijdragen aan een oplossing voor het gebrek aan zoet water”, zegt Tibor Stigter van UNESCO-IHE. “Maar om vervuiling en uitputting te voorkomen moet je wel het grondwatersysteem goed kennen, en weten hoe de wisselwerking met andere onderdelen van de waterkring­ loop verloopt. Ook kennis van sociaal-economische factoren is van belang.” UNESCO-IHE, kennis- en oplei­ dingscentrum voor water in Delft, heeft samen met de technische universiteiten van Lissabon en Dresden een Erasmus Mundus Joint Master opgezet waarin studenten hun gecombineerde kennis op dit terrein krijgen aangereikt: hydrologie, hydroge­ ologie, klimatologie en milieu­ kunde. ‘GroundwatCH’ is de roepnaam van het project. Voluit heet het ‘Groundwater and Global Change – Impacts and Adaptation’.

In een Erasmus Mundus Joint Master moet minstens 75 procent van de studenten van buiten Europa komen. In totaal is er (voor drie edities van de master) voor 39 studenten een beurs van Erasmus+ beschik­ baar; ook het collegegeld wordt voor hen betaald. “Kennis over

verantwoordelijkheid voor deze publicatie ligt uitsluitend bij EP-Nuffic; de Commissie kan niet aansprakelijk worden gesteld voor het gebruik van de informatie die erin is vervat.

Hoofdredactie

dit thema is juist ook voor ontwikkelingslanden van groot belang”, zegt Stigter. “Zowel voor landen waar nu al droogte heerst, als voor delen van de wereld waar door klimaatveran­ dering droogte zal gaan heersen.” Stigter hoopt dat het programma daarnaast ook belangstelling zal trekken uit landen als Australië en China. Met voldoende studenten die hun eigen studiekosten kunnen financieren, zou de master ook na afloop van de subsidiëring door Erasmus+ kunnen blijven bestaan.

Cathalijne Boland

Reservelijst Het voorstel voor GroundwatCH kwam eerst op de reservelijst terecht. “We hadden 78 punten, de grens voor selectie lag op 79,5 punten. Als er aan het eind van het jaar geld over was, zouden we alsnog geselecteerd kunnen worden.” En dat gebeurde inderdaad, in november 2014. “Heel fijn natuurlijk, maar wel wat laat voor een programma dat in september 2015 van start gaat. We zijn daarom van plan om voor de eerste lichting met een kleinere groep studenten te beginnen en het daarna op te bouwen.”    CB

Redactieadres

Tekst Cathalijne Boland, Ralph Rozema Vormgeving Sabrina Luthjens BNO (makingwaves.nl) Drukwerkcoördinatie Elma Leidekker Druk Drukkerij Verloop, Alblasserdam Redactieraad Nationaal Agentschap Erasmus+ Onderwijs & Training

EP-Nuffic, Postbus 29777, 2502 LT Den Haag T 070 426 0261, F 070 426 0259, E europaexpresse[at]nuffic.nl Hoewel de informatie in deze uitgave met de grootste zorg is samengesteld, kan EP-Nuffic niet instaan voor het feit dat de gegevens juist en/of volledig zijn. De informatie kan tussentijds gewijzigd zijn of aangepast. EP-Nuffic aanvaardt ter zake geen aansprakelijkheid. U wordt daarom geadviseerd om in voorkomende gevallen de juistheid van de informatie zelf te verifiëren. Het auteursrecht op deze uitgave berust bij de Stichting EP-Nuffic, Den Haag. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt,

ONMISBARE GIDS: JOINT PROGRAMMES FROM A TO Z Bent u ook van plan om een of andere vorm van een joint programme op te zetten? Maak dan vooral gebruik van de gids Joint programmes from A to Z. A reference guide for practitioners. In dit online-naslagwerk op www.nuffic.nl vindt u praktische informatie over alle denkbare aspecten waar u mee te maken krijgt bij opzet én beheer van een joint programme. De gids is het resultaat van het JDAZ-project, dat in oktober 2012 van start ging en deels gefinancierd werd door het Erasmus Mundus-programma. 

zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van EP-Nuffic.

gratis abonnement ­ voor medewerkers ho-instellingen: www.nuffic.nl/europaexpresse

Profile for Europa Expresse

Europa expresse maart 2015 (jrg 10, nr 48)  

Informatie over Erasmus+, het subsidieprogramma van de Europese Commissie voor Onderwijs, Jeugd en Sport.

Europa expresse maart 2015 (jrg 10, nr 48)  

Informatie over Erasmus+, het subsidieprogramma van de Europese Commissie voor Onderwijs, Jeugd en Sport.

Advertisement

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded