Issuu on Google+

Werkwoordspelling: Kijk goed naar de zin of het t.t. of v.t. is! Gebruik je ww-schema!! 1.

vertrekken

Morgen…………………………………………….. mijn vader naar Amerika.

2.

maken

Hoe hebben ze dat nieuwe tijdschrift eigenlijk …………………………………………?

3.

starten

Toen de wedstrijd begon, ………………………………. de rode motoren het eerst.

4.

worden

Hij ………………………………….. morgen 50 jaar.

5.

zwemmen

Die man …………………………………… vorige week helemaal naar de overkant.

6.

geloven

Mijn opa …………………………………… ons eerst niet.

7.

vrezen

Ja, zoiets ……………………………….. ik al.

8.

zweven

De ballon is helemaal naar Duitsland …………………………………………………

9.

wachten

Mijn opa heeft erg lang ……………………………………………. op de taxi.

10.

dragen

11.

gebeuren

Dat ……………………..………….. bijna nooit!

12.

verdienen

Die prijs heeft hij echt ……………………………………….

Na gisteren heeft oma last van haar rug; ze ……………………… een te zware tas.


13.

besteden

Mijn tante ………………………………. veel geld aan kleding.

14.

kosten

Dat etentje ……………………………………. ons vorige week veel geld!

15.

verkleden

Jan was ……………………………………. als piraat

16.

vinden

…………………………….. jij het ook een goed plan?


Werkwoordspelling oefening tt en vt