My book - Wie omhoogkijkt, ziet geen grenzen

Page 1



F O T O G R A A F :

J O

V O E T S


© 2006 – Erika Claessens & Uitgeverij Van Halewyck Diestsesteenweg 71a - B-3010 Leuven www.vanhalewyck.be www.dienstenthuis.be - 0800/20500 Cover: Filip Coopman Vormgeving binnenwerk: Iris Beeckman Foto’s: © Jo Voets Druk: New Goff, Mariakerke NUR 740 ISBN-10: 90 5617 732 x ISBN-13: 978 90 5617 732 4 D/2006/7104/61


Vooraf

Marc Van Buul

Dit boek onderneemt een tocht door het leven van mensen. Ouderen en jongeren, autochtonen en allochtonen. Ze hebben één ding met elkaar gemeen: ze werken als thuishulp met dienstencheques. Toen de federale regering de dienstencheque in het leven riep, wilde zij diensten en banen binnen een sociaal kader bevorderen. De dienstencheque zou nieuwe arbeidsplaatsen creëren en zwartwerk tegengaan. Bovendien zou iedereen voor thuishulp een beroep kunnen doen op een erkende onderneming. Dienstenthuis is zo’n erkende onderneming. Ze werd opgericht in juni 2004 en stelt vandaag ruim driehonderd thuishelpers en -helpsters tewerk met een gemiddeld uurrooster van zesentwintig uur per week; zij worden betaald met dienstencheques. De thuishelper werkt in loondienst en heeft een volwaardig werknemersstatuut. De ontvanger van de hulp kan de aankoop van de dienstencheques fiscaal aftrekken. En de onderneming die de thuishelpers tewerkstelt, krijgt een vergoeding van de overheid. Ik kreeg het idee voor dit boek tijdens een ontmoeting met een stel vrienden. Iemand vertelde dat hij en zijn huisgenoten erg tevreden waren over hun thuishelpster, een vrouw uit Oost-Europa. De vrouw wist

niet alleen van aanpakken, maar kon ook boeiende verhalen vertellen. Voor mij was dat nieuw. Ik had er nog nooit bij stilgestaan dat onze werknemers vaak een heel leven achter zich hebben, alvorens ze bij ons terechtkomen. De anekdote van mijn vriend bleef lang door mijn hoofd spoken. Ik was benieuwd naar wat mijn werknemers te vertellen hadden. Ik wilde hen een forum bieden, een plek waar ze met hun levensverhalen terechtkonden. Waarom zou die plek geen boek kunnen zijn? Een boek met portretten van mensen die door het systeem van dienstencheques hun kansen op een beter leven hebben zien stijgen. Het zou meteen de dienstencheque en de thuishulp in een positief daglicht stellen. Ik zou er bovendien mee kunnen aantonen wat ik dagelijks op de werkvloer zag: tevreden werknemers omdat ze eindelijk in vaste dienst kunnen werken tegen een faire verloning. Met dit boek wil ik trouwens ook de overheid een hart onder de riem steken. Want de geportretteerden gaan er stuk voor stuk prat op dat ze zonder dit werk geen goed oog op hun toekomst hadden. De overheid creëerde met de dienstencheque niet alleen een meerwaarde voor de maatschappij, maar ook voor de thuishelper en de gebruiker.

vooraf


Enerzijds wordt het zwartwerk binnen de schoonmaaksector teruggedrongen, anderzijds kan een groot aantal werkzoekenden en niet-beroepsactieven opnieuw ingeschakeld worden in het arbeidscircuit. Daar vaart de maatschappij wel bij, vooral doordat de kosten van de werkloosheidsuitkeringen beperkt worden. Maar ook de thuishelpers ervaren een meerwaarde. Ze hebben eindelijk een duurzame job gevonden met een volwaardig statuut; ze zijn verzekerd tegen ongevallen en bij ziekte ontvangen ze een uitkering zoals andere werknemers. De gewerkte periodes worden in aanmerking genomen voor het berekenen van hun pensioen en ze hebben recht op jaarlijks verlof en een eindejaarspremie. De meerderheid onder hen ontvangt nu zelfs een hoger maandelijks netto-inkomen dan voorheen (volgens cijfers uit het rapport van de Nationale Bank). Ook de aanvrager is gebaat met het stelsel van de dienstencheques. Hij kan een hele reeks huishoudelijke taken op een administratief eenvoudige manier en tegen een redelijke prijs uitbesteden. In een gezin van tweeverdieners bijvoorbeeld kunnen familie en werk zo beter met elkaar gecombineerd worden. En voor een alleenstaande of oudere brengt thuishulp een verlichting van

vooraf

het takenpakket met zich mee. Ook andersvaliden kunnen eindelijk en vrijwel meteen geholpen worden. De impact van dit alles op het welzijn van individuen en de gemeenschap waarin ze leven, is van onschatbare waarde. Beeld je maar eens in hoe het zelfvertrouwen van een werkloze die werknemer wordt, groeit. Vermenigvuldig dit met de dertigduizend banen die tot nog toe gecreĂŤerd werden en je kan niet anders dan besluiten dat het welzijn van een hele gemeenschap een opsteker krijgt. Als ondernemer ten slotte kan ik rustig stellen dat ook de economische meerwaarde een rol speelt: voor de door de overheid erkende ondernemingen staat het licht op groen om zaken te doen. De sociale en duurzame economie heeft een toekomst. Toegegeven, het systeem vertoont nog een aantal blinde vlekken en is voor verbetering vatbaar. Maar ik kan met de hand op het hart vertellen dat daar met man en macht aan wordt gewerkt. Ik zou geen ondernemer zijn, als ik ook niet een wat verborgen agenda zou hebben, al is het er in mijn geval een met een sociale ondertoon. Met dit boek hoop ik heimelijk de heersende verzuring tussen de verschillende gemeenschappen tegen te gaan. Ik ben er heilig van overtuigd dat onbekend


vaak onbemind is. Via deze levensverhalen wil ik de deur van de wereld op een kier zetten. Ik wil u, als lezer, vragen om begrip, bewondering en respect voor uw medemens. Want daar streeft toch ieder mens naar: erkenning en respect. Daarom geeft Dienstenthuis dit boek als eindejaarsgeschenk aan al haar klanten: opdat ze hun thuishelpster of -helper beter zouden leren kennen en er wederzijds respect kan groeien. Daarom zal Dienstenthuis dit boek ook cadeau doen aan al haar thuishelpers, opdat

ze zouden weten dat ze niet alleen staan met hun verhaal, dat ze uit de verhalen van hun collega’s moed kunnen putten om hun leven voort uit te bouwen. ‘Wie omhoogkijkt, ziet geen grenzen’ verwijst naar een Japans gezegde. Het is een oproep aan iedereen om omhoog te blijven kijken en het hoofd niet te laten zakken. Ga de toekomst tegemoet, waardig en vol vertrouwen, met hoop en optimisme. Overstijg jezelf, wars van alle grenzen of beperkingen.

vooraf


Inleiding

erika claessens

Het moet november geweest zijn. Ik had net een nieuwe baan en liet een frisse wind door mijn hoofd waaien. Ik wilde het toonbeeld van doeltreffendheid en harmonie worden. Ik zou mijn uiterste best doen om mijn leven en mijn werk op elkaar af te stemmen. Alles zou in de plooi vallen. Om deze gedachte kracht bij te zetten, had ik de kinderen gezworen niet langer duizend dingen tegelijk te doen. Lang leve mijn nieuwe baan. Lang leve de haard. Lang leve mezelf. Het was echter een telefoontje van Marc, een kennis, die het hele voornemen aan het wankelen bracht. Marc is een ondernemend man met een charisma om u tegen te zeggen. Hij doet aan economisch-sociaal ondernemen. Dat is werken met een missie. Ervoor zorgen dat het niet alleen goed gaat met de onderneming maar ook met de werknemers. Dat werken meer is dan werken alleen. Dat je opleiding kan volgen en dat je gecoacht wordt. Dat je geholpen wordt wanneer je in nesten zit. Dat je ’s morgens met plezier naar je werk trekt en dat je ’s avonds zegt dat je werk je leven weer wat draaglijker heeft gemaakt. Bestaat dat dan? Ja, dat bestaat. Maar we dwalen af. Marc vroeg me of hij me kon ontmoeten. We spraken af. Marc zei me dat hij een boek wilde schrijven. Laten schrijven eigenlijk. Door mij. Hij wilde de

inleiding

thuishelpers en strijkers uit zijn bedrijf een stem geven. Het ging erom hun levensverhalen te noteren. De verhalen van mensen die heel moedig iets van hun leven probeerden te maken. Mensen die zorgen voor hun gezin. Mensen die graag werken. Mensen ook die bij ons een nieuw moederland vonden en daarom onze taal leerden. Mensen. Mensen met verhalen. Samen in één boek. En zo geschiedde. Ik hing regelmatig rond in het strijkatelier, belde een heleboel medewerkers op en legde hen met hand en tand de doelstelling van het boek uit. Ik zocht naar woorden om sommigen te overtuigen mij in hun privéleven toe te laten. Ik leerde hun familieleden kennen. Ik trainde twee keer zo hard op de hometrainer wanneer ik tijdens een huisbezoek weer eens niet had kunnen weerstaan aan de lekkernijen die me voorgeschoteld werden. Ik omhelsde mijn gesprekspartners wanneer ze in tranen uitbarstten en assisteerde de fotograaf waar nodig. Kortom, ik ging slapen met het boek en ik stond ermee op. En soms sliep ik helemaal niet. Dan bleven de verhalen als een hamer op mijn hoofd beuken. Ik heb dit boek met al mijn zintuigen geschreven. Ik heb er plezier aan beleefd en ik heb erop gevloekt. Ik ontdekte het bestaan van een writer’s block en ik leerde


geneesmiddelen voor vermoeide computerogen kennen. Tot slot kreeg ik ook te maken met mensen die afzagen van hun deelname uit angst voor reacties van de buitenwereld, en met mensen die me vroegen hen niet letterlijk te citeren uit angst voor mogelijke represailles uit hun thuisland. Maar ik leerde vooral dat schrijven behelpen is. Dat verhalen van mensen om een luisterend oor vragen. Dat begrip edelmoedig is en bloed en tranen kost. Maar dat het de moeite is. Dat het dubbel en dik de moeite is om even,

heel even maar, naar het verhaal van een ander te luisteren. Het vergt alleen een andere manier van denken, van ontvangen en vooral van geven. Wat volgt laat zich lezen als een bundeling van 22 verhalen. Portretten van mensen. Mensen die soms in moeilijke omstandigheden verkeerden, maar de kansen die ze kregen met beide handen aangrepen. Mensen zoals jij en ik, uit alle hoeken van de wereld. 22 keer hoop. 22 keer de strijd aangaan met het verleden en toch doorgaan.

inleiding


Aissatou / 20

geboren in Guinee Conakry, Labé

Ze wordt de ‘Naomi Campbell’ van de thuishelpsters genoemd. De lange, slanke, Aissatou schrijdt sierlijk over de werkvloer. Maar haar statige tred heeft geen enkel andere verdienste dan het maskeren van haar zwijgzaamheid en tristesse. Een aandachtige toeschouwer merkt de schaduw op Aissatou’s gelaat. De luiken van haar hart zijn sinds geruime tijd neergelaten.



Aissatou groeide op in Labé, een stadje in het noorden van Guinee Conakry, in WestAfrika. ‘Ik heb mooie herinneringen aan mijn kindertijd in Labé.’ Ze wrijft in haar ogen. ‘Vergeef me, maar ik heb het moeilijk als ik daaraan terugdenk. Mijn ouders gingen liefdevol met mij en mijn broer en zus om.’ Ze slikt en slaat haar hand voor haar ogen. ‘Mijn vader was een moslim. Hij vastte mee tijdens de ramadan, maar verder amuseerden we ons. We mochten dansen en naar muziek luisteren, we keken televisie en we mochten buitenshuis met vrienden en vriendinnen afspreken.’ Toen Aissatou’s vader op zestigjarige leeftijd stierf, kon ze niet vermoeden dat dit voorval haar leven een andere wending zou geven. De religieuze traditie in Guinee wil immers dat wanneer een man sterft, zijn jongste broer met de weduwe trouwt. Dat overkwam Aissatou’s moeder. Haar kinderen konden niet anders dan haar volgen. ‘De broer van mijn vader woonde in de hoofdstad Conakry en is een integrist. Hij volgt de koran op de letter. Toen hij met mijn moeder trouwde, verhuisden wij dus met heel het gezin naar de hoofdstad. Ik was op dat moment veertien jaar oud en ging naar een Franse school. Voor mijn stiefvader was dat onaanvaardbaar. Hij stuurde me manu

12

aissatou

militari naar de koranschool. Plots werd ik verplicht een hoofddoek en een lang kleed te dragen. Ik mocht enkel nog onder begeleiding buitenkomen. De eerste drie maanden in de koranschool werden gewijd aan de studie van het Arabisch. Daarna moesten we dag in, dag uit religieuze verzen opdreunen. Ik wilde voortstuderen en mijn diploma halen, net zoals mijn vriendinnen, maar er was geen ontkomen aan. Mijn leven veranderde drastisch.’ Er volgt een lange stilte. Aissatou’s stiefvader vond er niet beter op dan haar, zonder haar medeweten, uit te huwelijken aan een vriend van bijna vijftig. Aissatou was zijn derde vrouw. ‘Ik werd verplicht te huwen,’ zegt ze zachtjes. ‘Ze hebben me onder druk gezet. Ik was amper zeventien en wilde niets van een huwelijk weten, en al helemaal niet van een gedwongen huwelijk met een polygame integrist. Daar kwam nog bij dat zijn twee andere vrouwen ouder waren dan mijn eigen moeder en me als hun rivale beschouwden. Ze namen het allerminst voor me op, integendeel: ze waren jaloers en dachten dat ik hen de loef wilde afsteken. Ze begrepen niet dat ik die man niet wilde. Ze weten mijn grillig gedrag aan arrogantie en onvolwassenheid. Omdat ik koppig bleef volhouden dat ik niet instemde met de verbintenis,


Ik was amper zeventien en wilde niets van een huwelijk weten, en al helemaal niet van een gedwongen huwelijk met een polygame integrist.

sloot mijn echtgenoot me op. Iedere vrouw had een kamer, de mijne zat op slot. Mijn leven werd een hel.’ Aissatou zat drie maanden lang gevangen in het huis van een oude man die haar mishandelde en misbruikte wanneer het hem uitkwam. Ze bezat geen rechten, enkel plichten. ‘Onze gebruiken leggen ons eerbied voor oudere mensen op. Je moet je ouders respecteren en je mag ze in geen geval tegenspreken. Mijn protest werd door mijn stiefvader dus niet op begrip onthaald. Mijn moeder zag het aan, ook al was ze er ronduit tegen. Ze kon niet op tegen de traditie. Ze zat zelf al opgescheept met een man die ze enkel omwille van de traditie had moeten trouwen. Ze huilde voortdurend, net als ik. In Guinee heeft een man recht op vier vrouwen en iedereen vindt dat de normaalste zaak van de wereld. Een tante van me, de zus van mijn biologische vader, was de enige die het openlijk afkeurde. Van haar kreeg ik steun.’ Aissatou’s tante besloot haar te helpen vluchten. Zorgvuldig bereidde ze alles voor. Eerst vroeg ze Aissatou om haar houding te veranderen. ‘Ik moest voorhouden dat ik akkoord ging met het huwelijk om het vertrouwen van mijn echtgenoot te winnen.’ Ze wendt haar blik af. ‘Dat was erg moeilijk

voor mij maar er zat niets anders op. Na een tijdje merkte mijn man dat ik redelijker werd. Daarom beloonde hij me af en toe met een uitstapje. Ik mocht al eens naar buiten om wat brood te kopen of om op bezoek te gaan bij mijn ouders. Zo heb ik op een dag de benen kunnen nemen. Mijn man vertrok ’s morgens naar zijn werk en gaf me nog wat geld om met het openbaar vervoer naar mijn ouders te reizen. Ik ging recht naar het huis van mijn tante.’ Een Malinese zakenman en vriend van Aissatou’s tante beloofde Aissatou naar een veilige plek te brengen. Aissatou deed haar sluier af en kleedde zich weer als een modern meisje. De Malinees bracht haar naar een onbekend dorpje. Daar verbleef ze een maand lang moederziel alleen in een piepklein kamertje dat uitgaf op een binnenplaats. Ze herinnert zich enkel het bezoek van een fotograaf. Hij nam enkele foto’s van haar en vertrok. Aissatou huilde tranen met tuiten. Ze wist niet wat het lot voor haar in petto had en beleefde bange momenten. Toen Aissatou’s man de dag van haar vlucht thuiskwam, had hij meteen begrepen dat er iets niet klopte. Hij belde haar stiefvader op met de vraag waarom zijn vrouw nog niet naar huis was gekeerd. Die vertelde hem dat ze nooit bij haar ouders was aangekomen.

aissatou

13


‘Mijn man sloeg daarop natuurlijk onmiddellijk alarm. Aan iedereen die het horen wilde, vertelde hij dat hij mij zou vermoorden als ik niet meteen huiswaarts zou keren. Hij vermoedde echter niet dat ik naar mijn tante was gevlucht. Dat kwam bij niemand op.’ Zo kreeg de Malinese zakenman vrij spel om haar vlucht naar het buitenland te organiseren. Hij had daarvoor van Aissatou’s tante een grote som geld gekregen. ‘Op een avond stond de Malinees plots op de binnenkoer van mijn schuilplaats. Morgenavond zijn we weg, sprak hij me toe. Ik ging akkoord want ik keek ernaar uit eindelijk terug onder de mensen te zijn en het daglicht te zien. De avond van mijn vertrek sloegen onrust en angst echter weer toe. Hij had me gezegd dat we ver zouden reizen. Ik was nog nooit uit Conakry geweest. Erger nog, ik had nooit eerder een trein of vliegtuig van dichtbij gezien. Wat was hij in godsnaam met mij van plan? Ik wilde terug naar mijn familie maar besefte dat dit mijn dood zou betekenen.’ Aissatou en de zakenman vertrekken samen naar de luchthaven. ‘Niets in mij kon vermoeden dat ik op weg was naar Europa. Ik dacht nog steeds dat ik naar een dorpje in het zuiden van het land zou worden gebracht. Het hele gebeuren was voor mij een

14

aissatou

vreemd spektakel. Ik begreep er eigenlijk helemaal niets van. Een gevoel van onzekerheid sloeg me om het hart. Ik ben er zeker van dat noch mijn man, noch mijn moeder ooit hebben gedacht dat ik op dat moment in een vliegtuig zat. Ze achtten mij daar niet toe in staat omdat ik er de middelen niet voor had.’ Aissatou komt met het vliegtuig aan in een voor haar onbekend land. ‘Bij het verlaten van de luchthaven, namen we de trein. Ik keek mijn ogen uit. “Dit is België,” zei de Malinees. “Ik breng je naar een Afrikaanse vrouw. Bij haar zal je de nacht doorbrengen. Morgen gaan we samen naar de politie.” Ik was zeventien jaar en daar stond ik dan in België.’ De volgende morgen brengt de Malinese zakenman Aissatou naar de hoofdstad. Voor het politiecommissariaat houden ze halt. ‘Je gaat nu naar binnen en legt daar uit wat jou overkomen is, zei de man. Dus ik naar binnen. De agenten reageerden uitermate vriendelijk. Ze begrepen meteen dat ik nog een kind was. Ik had ook mijn trouwfoto op zak en dat hielp. Ze verwezen me door naar een asielcentrum in Neder-over-Heembeek, waar ik een asielaanvraag indiende. Na een tijd kwam er een positief bericht. Ik kreeg een sociaal assistente toegewezen en het


OCMW van Mortsel zocht een appartementje voor me. Toen begon mijn zoektocht naar werk. Dat is nog maar zes maanden geleden.’ Ze weent nu zonder ophouden. ‘Ik zie mijn moeder niet, en zal haar waarschijnlijk nooit meer zien. Ik heb hier in België niemand. Geen broer, geen zus, geen tante. Niemand. Ik huil altijd maar. Daar komt bij dat ik het Nederlands nog niet onder de knie heb. Mijn leven bestaat uit lijden. Het is zo hard om niemand om je heen te hebben.’ Aissatou wil zich voorlopig alleen nog maar concentreren op haar werk en haar toekomst. Ze is ongelukkig maar ze behelpt zich, zegt ze. ‘Ik werk graag. Werken helpt me te

vergeten. Met het loon kan ik mijn huishuur betalen, eten kopen en regelmatig naar huis bellen. Ik spreek dan met mijn tante een moment af en mijn moeder gaat tegen die tijd op bezoek bij haar. Zo kunnen we elkaar even horen. Veel zeggen we niet want we huilen beiden onophoudelijk. Ze zegt dat ze voor me bidt. Als haar man zou sterven, is ze vrij. Misschien kunnen we elkaar dan terugzien.’ ‘Die korte telefoongesprekken met mijn moeder geven me wat hoop. Verder trek ik me op aan mijn werk. Mijn collega’s zijn vriendelijk tegen me, maar jammer genoeg kan ik niet met ze praten. Dat bemoeilijkt de zaken toch wel. Gelukkig springt mijn

aissatou

15


Hollandse buurvrouw af en toe bij me binnen om me wat woordjes Nederlands te leren. Toen ik pas in België was, dacht ik niet dat het nog goed zou komen met me. Maar nu denk ik dat de toekomst me geluk zal brengen, je zal het zien. Ik zal ervoor vechten. Ooit zal ik mijn moeder terugzien.’ Ik kijk Aissatou zijdelings aan. Naast mij zit,

16

aissatou

ineengedoken, een mooie vrouw met een verscheurde binnenkant. Wat zegt een mens op zo’n moment tegen een ander mens? Dat ze nog een heel leven voor zich heeft? Dat ze niet moet wanhopen? Dat alles wel goed komt als ze maar geduld heeft? Ik zeg niets. Ik denk: ze heeft een steen in de rivier verlegd.



Bruno / 46 en Ingrid / 49

beide geboren in BelgiĂŤ, Berchem en Borgerhout

Bruno en Ingrid hebben elk hun verhaal, maar beiden verwoorden hetzelfde gemis. Ze stonden allebei erg vroeg op eigen benen en misten de geborgenheid van een gezin. Het is precies dat wat hen later samenbracht en sterk maakte.



Er rijdt een brommertje met twee passagiers het bedrijfsterrein op. Achter de transparante schermpjes van de motorhelmen zie ik lachende gezichten. Motorhelm Eén verbergt de lange, blondbruine haren van Bruno. Ze geven hem een gevoel van vrijheid, zegt hij. Want vroeger knipten ze thuis zijn kopje altijd kort. Onder motorhelm Twee gaan de lange, donkerbruine haren van Ingrid schuil. Ze ziet er jonger uit dan ze is. Nochtans is ze al oma. Helmen Eén en Twee vormen al éénentwintig jaar een onafscheidelijk stel. Bruno’s levensloop kende van meet af aan een slechte start. De ouders van Bruno gingen uit elkaar toen hij nog erg jong was. De eerste zes jaar van zijn leven bracht hij bij zijn moeder door, samen met zijn zusje. Daarna nam zijn vader hen in huis. Het contact met zijn moeder verwaterde. Bruno was nog te klein om de draagwijdte ervan te beseffen. ‘Ik kwam van de ene dag op de andere in het huis van mijn vader terecht. Ik begreep eerlijk gezegd weinig of niets van de situatie. Mijn vader had een andere vrouw leren kennen. Zij werd mijn stiefmoeder. Ze woonde in het huis naast ons. Er zat een gat in de omheining tussen de huizen. Zo konden we over en weer wanneer we wilden. We zaten

20

bruno en ingrid

een beetje tussen twee stoelen, dan weer bij haar, dan weer bij mijn vader. Het ging eigenlijk allemaal wat aan me voorbij. Echt missen deed ik mijn biologische moeder op dat moment niet. Dat kwam pas later.’ De periode dat Bruno bij zijn vader woonde was echter ook niet van lange duur. Zijn vader stierf een plotse dood toen Bruno tien jaar oud was. ‘Opnieuw werd ik geconfronteerd met een gebeurtenis die voor mij moeilijk te vatten was. Mijn vader vertrok ’s morgens naar het werk en later op de dag kregen we het bericht dat hij overleden was. Hij had een hartaanval gekregen. De oudere broer van mijn vader, mijn oom dus, voer op zee. Hij gaf zijn zeemansbestaan op om voor ons te zorgen.’ Maar Bruno’s oom komt bij een verkeersongeval om het leven. Bruno blijft alleen achter met zijn zus en stiefmoeder. Hij zit op dat moment in het vierde jaar automechanica van de middelbare school. Verder naar school gaan, dat was er voor hem te veel aan. Door de omstandigheden kon hij al niet meer zo goed mee op school en wilde hij bovendien als jonge kerel een leven zoals zijn leeftijdsgenoten er een hadden. Een leven van uitgaan en zich amuseren. ‘Wij waren echt arm thuis. We kochten alles op de poef. Poefen voor de beenhouwer, poefen voor


Door mijn moeder weer tegen te komen, kwam ik erachter dat ik eigenlijk op zoek was naar een warme thuis, een regelmatig leven en een goede relatie.

het winkeltje. Voor alles werd er gepoeft. Je kan je voorstellen dat ik als jonge gast wel eens wat geld op zak wilde hebben. Ik wilde dus niets liever dan te gaan werken.’ Bruno vond een job in een kroonkurkenfabriek. Daar werkte hij een tijdje tot hij het leger in kon. De keuze om soldaat te worden was snel gemaakt. Bruno wilde immers weg van huis. Niet lang nadat hij bij het leger was gegaan, huwde hij een jeugdvriendinnetje. ‘We dachten dat het wel goed zou gaan omdat we elkaar al zo lang kenden. Maar niets was minder waar. Zo snel als we getrouwd waren, zo snel was ons huwelijk ook achter de rug. Zij verdween met de noorderzon en liet me met een boel schulden achter. Ik ben na dat huwelijk een beetje in een sukkelstraatje terechtgekomen. Ik werkte wel maar ik had ook een gat in mijn hand. En ik was op mijn vrijheid gesteld. Het was altijd wat werken en dan weer stempelen. Er lag nooit een vaste baan in het verschiet. Op een dag liep ik per toeval mijn biologische moeder tegen het lijf. Ik bleek een stiefzuster te hebben; samen met haar ben ik een frituur begonnen. Ik dacht dat ik nu mijn eigen boontjes wel zou kunnen doppen, maar het mocht weer niet zijn. Er was niet genoeg werk in de zaak voor twee personen en mijn stiefzus ging er alleen mee verder.’

Bruno zat in zak en as. Eigenlijk verlangde hij slechts naar één ding: een thuis. ‘Door mijn moeder weer tegen te komen, kwam ik erachter dat ik eigenlijk op zoek was naar een warme thuis, een regelmatig leven en een goede relatie. Dat had ik al heel mijn leven gemist. Toen ik Ingrid leerde kennen, dacht ik meteen: zij is de ware. Ik zie haar doodgraag en zou haar niet meer kunnen missen. Door haar kreeg mijn leven weer zin en schepte ik moed om er iets van te maken. Ingrid heeft mij opnieuw op het juiste spoor gezet.’ Ingrid lacht luid wanneer ze het hem hoort zeggen. Maar ze weet ook dat Bruno het meent. Hij is een man van weinig woorden, zegt ze, met een sterk verantwoordelijkheidsgevoel. Bruno is Ingrids steun en toeverlaat, begrijp ik, en als hij er niet was geweest, dan had ze het nooit alleen gered. Ze zegt dat er over haar niet veel te vertellen valt. ‘En over mijn jeugd al helemaal niet. Ik heb simpelweg geen jeugd gehad. Mijn vader was havenarbeider, mijn moeder huisvrouw. Ik groeide op als enig kind. De komst van een nakomertje op mijn tiende bekeek ik met argwaan, want mijn moeder ging soms vlinderen. Dan verdween ze gewoon voor een tijdje. De opvoeding en de zorg voor mijn broertje

bruno en ingrid

21


liet ze op die momenten helemaal aan mij over. Voor een kind van tien was dat een hele opgave; in feite een haast onmogelijke taak. Naar buiten gaan kon niet want ik zat steeds met mijn broertje opgescheept. Ik bracht mijn tijd dan maar door naast de platenspeler. Ik was een fan van Elvis. Er is één liedje dat me nog steeds aan het huilen kan brengen. Het heet My boy. Because you’re all I have, my boy/You are my life, my pride, my joy/ And if I stay, I stay because of you, my boy/ Sleep on, you haven’t heard a word/ I’ll stay here and watch you grow. Het gaat over een relatie die op de klippen loopt. De man blijft achter met een gebroken hart en vertelt daarover aan zijn zoon. Zie, daar begint het al. Ik krijg al tranen in mijn ogen als ik eraan denk. Ik zocht vroeger troost in die muziek.’ Ondanks de zware verantwoordelijkheid die op Ingrids schouders rustte, deed ze het goed op school. Ze volgde de richting kantoor en behaalde goede resultaten. Na een tijdje kon ze de druk van het huishouden en de zorg voor haar broer niet meer aan, en besloot ze de school te laten voor wat ze was. Niet lang daarna kreeg haar moeder een hersenbloeding en overleed. Ingrid bleef alleen met haar vader en haar broer achter. ‘Mijn vader werkte dus in de haven en was

22

bruno en ingrid

zelden thuis. Ik speelde moedertje én vadertje voor mijn broer. Hij was eigenlijk niet anders gewoon dan dat ik er voor hem was. Daarom besloot ik te stoppen met studeren. Mijn moeder had nog geprobeerd me op andere gedachten te brengen maar na haar dood hield niets me nog tegen. Ik haastte me om met mijn eerste vriendje te trouwen. Het huis uitgaan was voor mij de enige uitweg. Ik wilde vrij zijn. Ik wilde mijn eigen leven leiden.’ Het huwelijk van Ingrid hield langer stand dan dat van Bruno. Haar man was ruitenwasser en de kostwinner van het gezin. Ingrid poetste her en der wat in het zwart. Ze was elf jaar getrouwd en had al drie kinderen toen haar man haar in de steek liet voor een andere vrouw. ‘Naar eigen zeggen omdat hij verlangde naar een leven zonder kinderen. Ik bleef achter met Cindy van elf, Eddy van tien en Michael, ons nakomertje van twee. Ik had geen andere keuze dan de onbetaalde facturen en schulden die hij bij zijn vertrek naliet, voor mijn rekening te nemen. Ik heb later nog vaak aan de woorden van mijn moeder gedacht. Waarom had ik in godsnaam mijn studies opgegeven? Als ik mijn diploma had gehaald, dan had ik bij de scheiding sterker in mijn schoenen gestaan. Dan had ik vast werk gehad. Toen mijn man


het huis verliet, had ik letterlijk niets meer. Ik was altijd afhankelijk geweest van zijn inkomen. Er zat niets anders op dan naar het OCMW te gaan. Op zich is het al niet aangenaam om zo’n dienst geld te vragen, maar daar kwam nog bij dat het bedrag dat ik kreeg veel te laag was om er de rekeningen en de huur mee te betalen. Toen had je bij het OCMW ook nog geen dienst voor schuldbemiddeling, dus echt geholpen voelde ik me niet.’ Hoe ze zich erdoor heeft gesleept weet ze eigenlijk niet zo goed. Ze ging af en toe ergens poetsen om een centje bij te verdienen en ze leende hier en daar. Maar ze had nooit genoeg geld om rond te komen. ‘Het

was verschrikkelijk. De put was zo diep dat ik hem nooit gevuld kon krijgen. Een gezin van vier personen onderhouden als je geen inkomen hebt en van de bijstand leeft, is een onmogelijke zaak. Toen ik Bruno leerde kennen, klikte het meteen. Ook met de kinderen. Ze beschouwen hem nu als hun eigen vader. Met Bruno erbij ging het vullen van de put trouwens sneller. Elke frank die we verdienden ging naar onze schuldenberg.’ Toen Ingrid en Bruno eindelijk wat licht aan het einde van de tunnel zagen, sloeg het noodlot weer toe. ‘Dat was acht jaar geleden. Wij verwarmden ons huis met een

bruno en ingrid

23


houtkachel. Er brak een schouwbrand uit en het huis brandde volledig af. We stonden van de ene dag op de andere op straat. Mijn twee oudste kinderen waren toen al het huis uit, maar Michael woonde nog thuis. Er restte ons niets meer. Zelfs geen ondergoed. We hadden wel een brandverzekering maar de eigenaar van het huis was met niets in orde. Het duurde dan ook een hele tijd, eer de verzekering tussenkwam. Een naburig café bood ons woonruimte aan op de bovenverdieping. We hebben meteen toegehapt.’ Bruno en Ingrid begonnen opnieuw als gekken te werken. Ze hadden samen al wat watertjes doorzwommen dus dit kon er ook nog wel bij. Twee jaar na de brand kregen ze uiteindelijk de verzekeringspremie. Daarmee betaalden ze in een keer alle openstaande schulden af en huurden ze een appartementje. ‘Sindsdien zitten we goed,’ zegt Ingrid. Bruno beaamt. ‘We zijn niemand nog iets verschuldigd,’ zegt hij. ‘We hebben allebei een goed leven. Daar zijn we fier op. Ingrid beheert de bankkaart en regelt de administratie, want daar ben ik geen held in. Wij zijn ondertussen oma en opa van zes kleinkinderen. Ik ben nu al meer dan een jaar aan het werk als schoonmaker met dienstencheques. Ik doe dat graag. Eerst ben ik voor het Plaatselijk Werkgelegenheidsagentschap

24

bruno en ingrid

(PWA) gaan werken. Zes en een half jaar lang heb ik schoongemaakt op verschillende adressen. Ik werkte zo’n veertig à vijfenveertig uren per week. Het agentschap heeft me dan voorgesteld om als thuishelper aan de slag te gaan. Ik zag dat wel zitten. Je wordt dan voor allerlei zaken ingezet: schoonmaken, boodschappen doen, het verzorgen van zieke mensen, karweitjes opknappen,... Omdat ik bij het PWA al een heleboel klanten had, kon ik die behouden voor mijn job als thuishelper. Hoewel ik sommige klanten maar weinig zie, zijn ze allemaal tevreden over mijn werk. Na acht jaar mag ik wel spreken van een soort vertrouwensband.’ ‘Als je Michael vraagt wat het beroep van zijn ouders is, dan zegt hij “poetsvrouw”. Hij vindt dat cool en vindt dat we ervoor moeten gaan. Een man als poetshulp is vandaag de dag niet meer zo bijzonder. Schamen doe ik me er in elk geval niet voor. Als thuishelper voel ik me eerlijk gezegd als ne vis in ’t water.’ We schieten alledrie in de lach. Want op het T-shirt van Bruno staat een visje getekend. Het opschrift luidt: ‘Ik ben goed voor de natuur.’ Met zijn lange haar en zijn grappig shirt ziet deze ‘poetsvrouw’ er werkelijk schattig uit. Ik kan me best voorstellen dat hij met zo’n imago succes heeft bij zijn vrouwelijke klanten. ‘Hij is niet alleen goed


voor de natuur. Hij is ook goed voor ons,’ zegt Ingrid lachend maar zeker gemeend. ‘En hij poetst goed. Nochtans heb jij thuis nooit echt veel gekuist, hé. Dat was toen niet echt je favoriete tijdverdrijf.’ Ze giert het uit. Ik vraag Bruno wat zijn manier van poetsen zo uniek maakt. ‘Het gaat om mijn manier van werken, denk ik. Ik poets anders dan de vrouwen. Ik schrik er niet voor terug om eens een kast of een zetel te verzetten. Ik ben geen moeilijk mens, mij mogen ze alles vragen. En wat misschien niet onbelangrijk is: ik ben geen babbelaar. Als ik bezig

ben, dan hoor je me niet. Dat hebben de klanten graag. Wat het voor mezelf zo boeiend maakt, is dat ik zelfstandig kan werken en toch een vaste baan heb.’ Ingrid is als thuishelpster en poetshulp aan de slag gegaan nadat Bruno het al een tijdje deed. Ze dacht in eerste instantie dat alleen werklozen met dienstencheques konden werken. Toen ze hoorde dat ze ook in aanmerking kwam, ging ze meteen een formulier halen. ‘Het ging heel snel. Ik legde eerst een kleine test af. Ik was geslaagd en kon direct starten. Ik werk nu sinds negen maanden als thuishelpster en ben tevreden met mijn eerste, voltijdse, officiële job. Het is bovendien een toffe bende op het werk. We mogen van geluk spreken. We zien onze collega’s niet veel, maar als er een feestje is, zijn we altijd van de partij.’ Wanneer ik Ingrid vraag wat ze zichzelf en Bruno in het leven nog zou toewensen dan blijft haar antwoord niet lang uit: ‘Laat me nog een jaartje of veertig op deze manier leven. Samen met den Bruno. Dat is mijnen droom.’ Bruno knikt. ‘Samen blijven met Ingrid, nog jaren kunnen werken en er nog lang zijn voor de kinderen en de kleinkinderen. Dat is mijnen droom. De rest is van genen tel.’

bruno en ingrid

25


Mira / 50

geboren in Polen, Krasnic

Toen ze haar stoute schoenen aantrok en Polen voorgoed achter zich liet, lag de wereld aan Mira’s voeten, en als dat niet zo was, dan zou ze hem eigenhandig voor haar voeten deponeren. Want ‘wie geen voetspoor heeft om in te lopen, die baant zichzelf een weg’. Dat is Mira, breeduit.



Mira zette haar eerste pasjes op de groene akkers rond haar vaders erf in Krasnic, een dorp in het oosten van Polen. Na haar volgden er nog drie broers. ‘Op een boerderij steekt iedereen de handen uit de mouwen,’ begint Mira het gesprek, ‘maar als je de oudste dochter bent, dan krijg je er ook nog de zorg voor de jongere kinderen bij. Het was hard labeur, maar ik deed het zonder morren. Dat was in die tijd de normale gang.’ Ze kijkt me aan alsof het vanzelfsprekend is dat je als boerendochter opgroeit. ‘Wat wil je er nog meer over weten? Er valt niet zo veel over te vertellen,’ knoopt ze weer aan. ‘Het leven op een boerderij gaat er overal ter wereld hetzelfde aan toe. Het is zwoegen en zweten. Ik herinner me nog wel dat de hitte in de zomer ondraaglijk was. We maaiden dan het gras, dat we met paard en kar binnenhaalden. Er waren koeien en paarden en we hielden kippen. Mijn wereld reikte niet verder dan de omheining rond ons erf.’ Terwijl Mira het over het leven op het platteland heeft, kijk ik rond en denk na. Het klopt niet. Het is alsof ze niet over zichzelf praat, bedenk ik. Ik probeer me Mira op het veld voor te stellen, zonder succes. Ik ben nieuwsgierig. Hoe komt een Poolse vrouw uit Krasnic onder het juk van een boerenfamilie uit? Mira trekt een pak suikerhartjes

28

mira

open. Ik kies er eentje waar ‘love’ op gedrukt staat. Onaangekondigd wandelt een tiener de kamer in. Het blijkt Mira’s twaalfjarige dochter Agatha te zijn. Ze zet zich in een hoek van de kamer voor een computer en kijkt enkel op wanneer haar moeder vraagt om een Pools woord te vertalen. Mira merkt dat ik haar dochter gadesla. Ze straalt. ‘Ik zie in haar een journaliste, maar misschien wordt ze gewoon poetsvrouw,’ zegt ze ongevraagd. ‘Zelf wil mijn dochter dierenarts worden. Mij is het om het even. Ik droomde ervan verpleegster te worden, maar mijn moeder was ertegen. Voor de verpleegsterschool moest je naar een andere stad en mijn ouders konden me op de boerderij niet missen. Na het behalen van mijn diploma, zat er voor mij niet veel anders op dan aan de slag te gaan in een fabriek bij ons in de buurt.’ Ze denkt diep na. ‘Dat moet ergens begin jaren zeventig geweest zijn.’ De toon waarop Mira vertelt, blijft erg afstandelijk. Het lijkt alsof ze haar kindertijd en jeugdjaren als een onbestaand hoofdstuk beschouwt. Ze kan zich nauwelijks herinneren wanneer ze precies van school ging en met de zeventien jaren die ze daarna in de fabriek doorbracht, maakt ze ook gauw komaf.


het leven is als koffiedrinken. De ene keer drink je hem koud, dan heet, soms sterk, en af en toe zoet.

‘Mijn bestaan beperkte zich tot dat kleine universum. In mijn ogen was er buiten ons erf en de fabriekspoort niets meer. Dat ik ooit naar het buitenland zou vertrekken, kwam niet in me op. België had ik niet eens kunnen aanduiden op de wereldkaart. Op school had ik tijdens de aardrijkskundelessen wel eens over “Antwerpen, de grote havenstad” gehoord, maar meer niet. Ik had ook een vriendin, Barbara, die regelmatig over België praatte. Toen Barbara’s moeder emigreerde, zeurde Barbara mij de oren van het hoofd over Antwerpen. Uiteindelijk raakte ik ervan overtuigd dat België het land van melk en honing was. Ik nam al mijn vakantiedagen op en kocht een busticket met bestemming Antwerpen.’ Mira heeft er plots schik in. Niet zonder trots doet ze haar dappere parcours uit de doeken. Met wijde gebaren fleurt ze haar verhaal op. Ze vertelt alsof het een wereldreis betrof die ze pas gisteren beëindigde. ‘In eerste instantie wilde ik alleen maar een kijkje komen nemen. In die tijd was het krijgen van een visum nog een fluitje van een cent. Eens ik de bus uitstapte, trok ik mijn stoute schoenen aan en liep ik lukraak door de stad. Ik had wel een briefje met het adres van Barbara’s moeder op zak, maar ik wilde Antwerpen op mijn eentje verkennen.’

‘Zelfs toen mijn visum na zestien dagen verliep, bleef ik op eigen houtje door de stad dwalen. Ik hoorde van Poolse migranten dat er af en toe een razzia was en dat je dan opgepakt kon worden, maar daar zat ik niet mee in. Als ik gearresteerd zou worden, dan zouden ze me terugsturen en dan was ik weer thuis, niet?’ Ze kijkt geamuseerd. ‘Ik zie me nog door de stad lopen. Ik sprak enkel Pools en wat Ruski, dus maakte ik me met handen en voeten verstaanbaar. Op een gegeven moment kwam ik op het Falconplein terecht. De meeste handelaars uit de buurt waren joden en spraken ook wat Russisch. Ik zag meteen dat er ook Poolse migranten rondhingen. Een vrouw uit Lublin vertelde me dat Poolse vrouwen meestal als poetsvrouw werkten, of als au pair bij joodse families. Een joodse man sprak me aan en vroeg of ik misschien op zijn baby wilde passen. Zoiets wilde ik meteen uitproberen.’ Mira werkte tijdens haar eerste job twaalf uren per dag. Ze verdiende weinig maar ze was tevreden. ‘Dat joodse gezin zag me graag. De vrouw des huizes had veel geduld met mij. “Can you change pampers?” vroeg ze me. Ik had in mijn leven nog nooit zo’n luier van dichtbij gezien, dus dat was even wennen.’ Mira proest het uit. Ze is nu overduidelijk in haar sas. Plots

mira

29


herinnert ze zich levendig enkele jaartallen. ‘In juli 1990 ging ik terug naar Polen. Een vriendin van me nam tijdelijk mijn werk over. Eens terug in mijn geboorteland, zette ik alles op een rijtje. Met Polen ging het op economisch en politiek vlak de verkeerde kant uit. In België lagen de jobs voor het rapen en in Belgische frank betaald worden was nog altijd beter dan in Poolse zloty. Dus nam ik het besluit naar België terug te keren. Ik vroeg opnieuw een visum aan en ging voor mijn vertrek nog langs de fabriek. Ik heb er mijn collega’s bedankt en hen gezegd: Voilà, ik vertrek en ik kom nooit meer terug. Daaag!’ Mira liet Polen zonder blikken of blozen achter zich. Ze benadrukt dat ze geen spijt heeft van haar keuze. Ze klinkt vastberaden. ‘Soms weet je niet waar je weg naartoe leidt en kom je onverwachts ergens terecht. Ik heb nooit iets van tevoren gepland. Ik besliste altijd de dag zelf. Eens een besluit genomen, probeerde ik er het beste van te maken. Zo ben ik nu eenmaal.’ Ze draait zich om en haalt uit het dressoir een aantal fotoalbums. Ze toont me een foto van haar moeder. Daarna krijg ik beelden van de kleine Agatha te zien en van een getaande, struise kerel van een jaar of vijftig. ‘Hier, dat is mijn man. Ik leerde hem hier in Antwerpen kennen. In 1993 heb ik een

30

mira

studiootje gehuurd in de buurt van het Centraal Station. De eigenaar was een Poolse huisjesmelker. Mijn man woonde daar in de buurt. Hij verdiende zijn brood met het repareren van televisietoestellen. Ik bracht veel tijd met hem door. Hij sprak me aan in het Engels en ik antwoordde hem in het Russisch. Een kennis leerde me wat Engelse woordjes en stilletjes aan groeiden we naar elkaar toe. Ik zag hem graag en na een tijdje gingen we samenwonen. Van het een kwam het ander. Agatha werd geboren en wij huwden. Spijtig genoeg kon Agatha in België maar niet wennen aan de kleuterschool. Ze weende de godganse dag. Toen mijn moeder dat hoorde, droeg ze me op Agatha naar Polen te brengen. Zij wilde maar wat graag voor haar zorgen en het liet ons ook toe uit werken te gaan. Bovendien zag ik mijn dochter liever niet in onzekere omstandigheden opgroeien. Ik wilde eerst op mijn pootjes terechtkomen. Toen de Belgische overheid niet lang daarna een regularisatieprocedure opstartte, heeft mijn man zijn kans gegrepen. Hij diende een aanvraag tot regularisatie in en kreeg uiteindelijk verblijfsdocumenten. Daarna heb ik voor mezelf en voor mijn dochter een verzoek tot familiehereniging ingediend. Het heeft wel jaren geduurd, maar ons gezin is nu herenigd.’


Ik neem een handjevol hartjes en knabbel erop los. ‘Friends’, ‘thank you’, ‘sorry’ en ‘forever’ passeren de revue. Hoe meer suiker op mijn tong, hoe meer ik Mira apprecieer. Wat een buitengewone dame! Het feit dat ze jarenlang in de illegaliteit vertoefde, heeft er haar niet van weerhouden haar eigen boontjes te doppen. Een kind als peuter afstaan aan je moeder, op duizenden kilometers van hier, is in België geen doordeweekse gedachte. Ik vraag Agatha hoe lang ze nu in België is. Ze draait haar bureaustoel in mijn richting en antwoordt me in perfect Nederlands: ‘Ik ben hier nu vier jaar. Ik zit op het Sint-Lievenscollege.’ Mira onderbreekt ons abrupt. Ze wil iets

kwijt over de school. ‘Ik wilde dat ze naar een katholieke school ging, omdat wij, Polen, een katholiek volk zijn. Kijk, zie je die bidprentjes van de paus daar? Toen hij stierf, heb ik geweend. It’s very nice, daar op die school. De directie heeft respect voor ons. Zulke vriendelijke mensen, dat valt met geen woorden te beschrijven. Wanneer ik iets niet begrijp, helpen de leerkrachten me onmiddellijk en de directeur volgt uit respect voor ons soms de eredienst in de Poolse kerk. Weet je wat het is? Hier in België zorgt de overheid voor de mensen. Men is beleefd en als er al eens een probleem opduikt, dan wordt er een oplossing voor gezocht. In Polen gaat het er helemaal anders aan toe.

mira

31


Alles verloopt er stroef en de bevolking is erg conservatief. Het zijn net robots: zij aanvaarden geen verandering. Zij willen niet mee. In Polen zag het er op het vlak van werken ook helemaal anders uit voor mij: ik ging om zeven uur aan de slag en stopte om drie uur in de namiddag. Ik werkte als bediende, maar met wat ik verdiende kon ik niet rondkomen. Natuurlijk had ik niet gedacht dat ik ooit poetsvrouw zou zijn, maar als ik zie dat er zelfs mensen met een diploma zonder werk zitten, dan ben ik blij dat ik op die manier mijn brood kan verdienen. Ik wil overleven en ik wil geld. Zo simpel is dat. Of een baan als poetsvrouw nu een respectabel beroep is of niet, dat kan me

32

mira

niet schelen. Vroeger werkte ik in het zwart bij Belgen, daar waren zelfs enkele banken bij. Sinds twee jaar werk ik met dienstencheques en heb ik een legaal salaris. Ik ben tevreden dat ik daar terechtgekomen ben. Zowel op mijn werk als in de stad voel ik me thuis. Overal waar ik ga, ben ik welkom. Ik ben happy en mijn man en mijn dochter zijn dat ook. Weet je, het leven is als koffiedrinken. De ene keer drink je hem koud, dan heet, soms sterk, en af en toe zoet. Twintig jaar geleden had je mij niet moeten vertellen dat ik op een dag in België zou wonen. Dat had ik me in nog geen honderd jaar kunnen voorstellen. De toekomst is onvoorspelbaar. En dat is oké.’



Matanat / 44

geboren in Azerbeidzjan, Zangilan

‘Azerbeidzjan is rijk aan grondstoffen,’ hoor ik een stem zeggen. Ik kijk de kamer rond. Vanuit de zithoek loert een krans van lekkernijen naar me. Even heb ik alleen oog voor de uitgestalde noten, pralines, verse vruchten, rozijnen, cake, chocoladerepen en bonbons op het salontafeltje. De stem komt uit de keuken en is afkomstig van Matanat, Mattie voor de vrienden. Ik maak kennis met de ambassadeur van de Azerbeidzjaanse gastvrijheid.



Mattie groeide op in een welgesteld, kroostrijk gezin. Ze heeft vier zussen en twee broers. Haar vader was schooldirecteur, haar moeder lerares. ‘We woonden in een mooi huis en het ontbrak ons aan niets. Tijdens de zomervakanties, die drie maanden duurden, verbleven we met de hele familie in een buitenhuisje aan de kust. De kinderen van chocolade, noemden ze ons bij terugkeer. Onze velletjes zagen diepbruin van de zon.’ ‘Ik heb goede herinneringen aan die tijd. Mijn papa hield van reizen. We gingen vaak op uitstap. Heel Rusland hebben we toen doorkruist. Met hem bezochten we het theater en de opera. Onze dagjes uit waren heuse culturele belevenissen. Maar mijn vader was ook gek op voetbal. Hij nam wel eens het vliegtuig naar Kiev, enkel en alleen om er een voetbalwedstrijd mee te maken. Als klein meisje mocht ik dan met hem mee. Ik hield ervan met hem op stap te gaan.’ Toch is Mattie niet minder trots op haar moeder. ‘Mijn moeder gaf Duitse les en had een voorliefde voor de Duitse taal en cultuur. Het lesgeven zit ons werkelijk in de genen want mijn zussen werden stuk voor stuk leerkracht en een van mijn broers is schooldirecteur. Maar mijn moeder had nog een troef: ze was een primus in koken. Die liefde

36

matanat

voor de keuken, die hebben we van haar. Ik heb een passie voor kokkerellen en ik schotel mijn gasten graag een lekkere maaltijd voor. Trouwens, je eet zo meteen toch mee? Ik heb voor je gekookt.’ Parmantig voert ze een zilveren schaal dolmarolletjes binnen. Mijn neusvleugels trillen. Als nichtje Sabina een typisch yoghurtdrankje met kruiden laat aanrukken, ben ik overtuigd dat nee zeggen geen goed idee is. Tussen twee happen door vervolgt Mattie haar verhaal. ‘Mijn schooltijd doorliep ik met glans. Als vanzelfsprekend studeerde ik verder aan de universiteit. Ik koos voor Russische taal- en letterkunde. Daarnaast behaalde ik ook mijn managerstitel en in mijn vrije tijd volgde ik een opleiding piano aan de muziekschool. Mijn vader was trots op me. Toen ik mijn diploma lesgeven had behaald, trouwde ik met mijn verloofde, Sammehdine.’ ‘Tot dan verliep alles eigenlijk naar wens voor mij, hoewel het in die tijd al behoorlijk rommelde in de grensstreek waar wij woonden. Er waren voortdurend problemen met ons buurland Armenië. Daar gaat een hele geschiedenis aan vooraf. De ons omringende landen vechten al decennialang over de eigenlijke grenzen.’ ‘Op een gegeven moment liep de onenigheid


Hoe kan het dat je jarenlang in België leeft en werkt zonder dat er schot in de zaak komt? Zonder een verblijfstitel te krijgen? Waar haalt deze kranige tante de moed vandaan?

tussen Armenië en Azerbeidzjan zo hoog op dat het gebied waar wij woonden door het Armeense leger omsingeld werd. Wij zaten als ratten in de val. Helikopters dropten voedselpakketten boven de stad. Niemand durfde zich in het gebied te wagen. Er kwam dus ook geen hulp. Tot overmaat van ramp kregen de bewoners uit de wijde omgeving het ook benauwd en iedereen vluchtte onze kant uit.’ Nichtje Sabina schenkt nu wijn uit en Mattie somt op welke kruiden er in het witte yoghurtdrankje schuilen. Ik verorber de met gehakt en rijst gevulde koolbladeren met smaak en probeer me ondertussen Azerbeidzjan als vakantieoord voor de geest te halen. Dat ik vegetariër ben, is even niet van tel. Voor ik er erg in heb, neemt het verhaal een geheel andere wending. ‘De Armeense bezetter zette de aanval in met bommenwerpers. Mijn zoontje van negen werd gedood. Mijn man en ik hebben het op een lopen gezet. We lieten alles achter: ons huis, onze kleren, onze bezittingen. Een van mijn zussen had de bruidschat voor haar drie kinderen in mijn huis opgeborgen. Al die waardevolle zaken moesten we achterlaten.’ Het wordt stil. Mattie’s ogen worden vochtig. Ze zegt me kordaat geen vragen te

stellen over haar oudste kind. Ze heeft zichzelf beloofd om niet te huilen, en, voegt ze er pragmatisch aan toe, ze wil haar makeup niet om zeep helpen. Ik schuif ongemakkelijk op mijn stoel. Welke houding moet ik mezelf geven? Is het wel kies om iemands leven uit te spitten en te boek te stellen? Is dit het juiste moment om te lachen met een grapje over make-up? Zal ik het interview beëindigen, misschien een ander keertje verder gaan? Ik slik, zij slikt. Het kruidendrankje smaakt plots bitter. Mattie breekt abrupt de stilte door haar stoel naar achteren te schuiven en met vaste tred de keuken in te gaan. ‘We probeerden via Iran een uitweg te vinden,’ vervolgt ze vanuit de keuken. Gerommel. Huilt ze of houdt ze zich kranig? ‘De grens tussen Azerbeidzjan en Iran wordt door een rivier gevormd. Langs beide oevers bevindt zich een mijnenveld met prikkeldraad. We hoopten al zwemmend de overkant te bereiken. Van daaruit konden we dan landinwaarts trekken om een eind verder terug over te steken naar het vrije gebied in Azerbeidzjan.’ Mattie voegt zich met een kan verse koffie terug bij ons. ‘De vlucht verliep chaotisch. De mannen knipten de omheining stuk. Tegen de tijd dat we bij de rivier aanbeland-

matanat

37


den, was het aardedonker. Weinigen onder ons konden zwemmen. Ik had het voorrecht in mijn kindertijd genoeg tijd aan zee te hebben doorgebracht, dus kon ik de stroming wel de baas. Maar wat later maakte ik een ongelukkige val. Ik wist meteen dat ik mijn zwangerschap van enkele maanden nooit tot een goed einde zou brengen.’ Mattie krijgt het weer moeilijk. Ze wil nogmaals dat ik haar verdriet negeer. ‘We zijn toe aan het dessert.’ Ze wenkt haar nichtje, dat ons koffie met room en honing serveert. We verhuizen naar de canapé en het salontafeltje met lekkernijen. Mattie schuift een chocoladereep in mijn richting en begint ongevraagd een stuk fruit voor me te schillen. Ik knabbel ondertussen op wat noten. Ik neem me voor om de dingen even te laten voor wat ze zijn, maar als vanzelf vervolgt Mattie haar verhaal. ‘Eens de rivier over, kwam de Iraanse bevolking ons te hulp. Er volgden nog eens twee bange uren op een tractor langs een hobbelig pad. Ik had bovendien dringend medische verzorging nodig. De kliniek in het grensstadje zat echter barstensvol vluchtelingen. Omdat ik zwanger was, mocht ik de nacht doorbrengen in de woning van een van de dokters.’ Mattie benadrukt dat ze zonder de hulp van anderen, zoals de bewoners van

38

matanat

het Iraanse grensstadje en de arts, niet ver geraakt zouden zijn. ‘Het doet een mens goed wanneer hij voelt dat een ander om hem geeft. Ik dank God dat ik het avontuur heelhuids ben doorgekomen. Maar na mijn verzorging moesten mijn man en ik een nieuwe woonplaats zoeken. We begonnen helemaal opnieuw in Rusland, in de hoofdstad Moskou.’ Het koppel leeft nu al meer dan tien jaar in het buitenland. In Moskou werden ze als Azeri’s gediscrimineerd. Dat deed hen na enkele jaren ertoe besluiten naar Europa te trekken. Teruggaan naar Zangilan is uitgesloten. De Armeniërs bezetten het gebied nog steeds. De enkele inwoners die er toch bleven, zijn op één hand te tellen. Ze werden verplicht zich te assimileren en een Armeense naam aan te nemen. Aan de grens wordt nog altijd gevochten en er sterven regelmatig onschuldige burgers. ‘Naar Azerbeidzjan terugkeren is onmogelijk omdat we geen paspoort hebben. Dat de Belgische overheid na al die jaren nog steeds geen beslissing over mijn verblijfsstatuut als vluchteling heeft genomen, weegt op me. Drie jaar geleden had ik mijn tweede interview en de uitkomst was positief. Sindsdien wacht ik nog steeds op mijn derde en definitieve


verhoor. Toen ik de laatste keer in de wachtzaal van de overheidsdienst mijn beurt zat af te wachten, hoorde ik plots een aantal Azerbeidzjaanse namen afroepen. Ik dacht: ja, nu is het eindelijk aan ons. Toen mijn man een kijkje ging nemen, zag hij dat er voornamelijk Armeniërs een interview kregen. Ze gaven een Azerbeidzjaanse naam op en deden zich voor als vluchtelingen uit mijn land. Nu vraag ik je: is het al niet erg genoeg dat wij slachtoffer van een bezetting zijn? Is het niet erg dat die mensen een vluchtelingenstatuut vragen terwijl wij als slachtoffers van een oorlog niet gehoord worden? Ik heb er geen woorden voor, voor zoveel onrecht.’ Ik sta paf. Ik duw mijn notities van me weg

en leun achterover in de zetel. Hoe kan het dat je jarenlang in België leeft en werkt zonder dat er schot in de zaak komt? Zonder een verblijfstitel te krijgen? Zou ikzelf in staat zijn om zo’n lange tijd hoopvol te blijven? Waar haalt deze kranige tante de moed vandaan? Mattie haalt haar schouders op. ‘Je hebt gewoon geen keuze. Je probeert te overleven. Zodra ik kon, heb ik werk gezocht. Ik ben thuishelpster. In het begin had ik het natuurlijk niet breed. Mijn werkgever heeft me daarom met alles geholpen. Hij heeft de waarborg voor mijn appartement voorgeschoten en ik heb dat bedrag met maandelijkse afkortingen aan hem terugbetaald. Alle meubeltjes die je hier ziet,

matanat

39


kocht ik tweedehands met een kleine lening van mijn werkgever. We krijgen op het werk ook Nederlandse les en iedereen heeft een coach die je helpt wanneer je daar om vraagt.’ Plots kijkt ze me vragend aan en steekt haar beide armen in de lucht. ‘Erika!’ roept ze uit. ‘Wil je alsjeblieft aan mijn baas zeggen dat ik hem héél erg dankbaar ben voor alles wat hij voor me doet? Wil je dat?’ Natuurlijk wil ik

40

matanat

dat voor haar doen. Het siert haar dat ze daaraan denkt. Heeft ze nog andere verlangens? ‘Ja, hoewel jij daar niet bij kan helpen,’ antwoordt Matanat en ze schiet in een onbedaarlijke lach. ‘Ik wil opnieuw moeder zijn. Mijn eigen moeder heette Gulara. Ze is overleden. Ik zou zo graag haar naam aan mijn dochter willen schenken. Gul betekent bloem. Ik wil een bloem van een dochter.’



Linda / 49

geboren in België, Mortsel

‘Wie uit de boot valt, kan op mij rekenen. Wit of zwart, vuil of proper, ik geef daar niet om.’ Voor me zit Linda. Ze draagt een wit T-shirt met daarop een madelief. In haar vrije tijd doet ze aan karabijnschieten. Met haar felblauwe ogen schiet Linda haar leven op me af. Ik ben het doelwit.



Linda’s roots liggen in Mortsel, daar waar de huizen met achterliggende tuinen aan het vliegveld van Deurne palen. ‘Ik kom uit een nest van acht kinderen, vier jongens en vier meisjes. Een warm nest. Er werd altijd veel plezier gemaakt. Met mijn jongste zus trok ik het meest op, en met de zigeunerkes van ’t vliegplein. De tuin van ons ouderlijk huis lag pal aan een speelplein. Die zigeunerkinderen, dat waren mijn beste maatjes.’ Het solidariteitsgevoel werd bij Linda thuis met de paplepel ingegeven. Linda’s vader was een rechtvaardig man. Iedereen was gelijk voor de wet. ‘Ons vader kon géén ongelijkheid verdragen. Racisme en achterklap, dat waren zaken waarmee je bij hem niet kon afkomen. Hij heeft ooit een kleindochter een flink pak rammel verkocht omdat ze ‘zwartzakske’ had geroepen naar een kind. Ze was, ocharme, drie jaar.’ Linda liep school bij de Mortselse nonnetjes van Sint-Lutgardis. Ook daar was ze er altijd als de kippen bij om haar vaders woorden kracht bij te zetten. ‘Soms zag ik dat er een meisje op de speelplaats alleen tegen de muur stond. Dan haalde ik haar bij het spel. Ik zal gemakkelijk een ander helpen. Wanneer ik zie dat iemand aan het sukkelen is, sta ik paraat.’ Maar haar schooltijd was van korte duur.

44

linda

Er waren thuis genoeg monden te vullen. Toen ze veertien was, stak ze de handen uit de mouwen. ‘Ik ging in de koekjesfabriek van Mortsel werken, bij Jespers. Dat was bandwerk. Hele dagen koekjes in blekken dozen inpakken. Ik heb altijd graag gewerkt en bij mij kan het niet snel genoeg gaan. Dus ging ik ook op vrije dagen werken. Dan stond ik daar helemaal alleen in het magazijn, samen met de bakkersgast. Wij kwamen goed overeen.’ Maar dappere Linda stond ook op haar strepen. ‘Iedere keer als de chauffeur langskwam, kon hij het niet laten om mij vast te pakken. Daar was ik niet van gediend. De baas zag er geen graten in. Ik moest dat maar verdragen. Maar dan kennen ze Linda nog niet. Ik gaf meteen mijn ontslag.’ Linda liet zich niet kisten. Ze had zo haar trots. Haar jongere broer en zus zaten nog op school en haar vader was ondertussen ziek geworden. Als kostwinner kon ze het zich niet permitteren om zonder werk te vallen. ‘Ik kon niet gaan doppen, maar ik had al iets op het oog in een drukkerij. Ik ging de volgende dag meteen aan de slag. Bovendien verdiende ik er meer. Het werd dus opnieuw den inpak. Ja, ik moet daar geen tekeningetje bij maken, zeker? Het moest daar voor mij weer vooruitgaan. Ik werkte zo hard dat de bazin me in de gaten kreeg.


Je ziet iemand graag en plots is die weg. Je staat ervoor en je moet erdoor.

Ze had graag gezien dat ik me wat meer ging bezighouden met het reilen en zeilen in de drukkerij, maar ik voelde er niets voor om baas te spelen over maskes met jarenlange dienst. Ik weigerde resoluut. Dat pikte die bazin niet. We kregen het met elkaar aan de stok en ik besloot mijn eigen weg te gaan.’ Linda ratelt aan één stuk door. Bij haar moet overal speed in zitten. In luiheid blinkt ze niet uit. Na haar ontslag in de drukkerij solliciteert ze bij een home aan het Harmoniepark in Antwerpen. ‘De directrice was geen eerlijke vrouw. De bejaarden werden slecht behandeld en ik trok me dat erg aan. Eigenlijk werkte ik er als poetsvrouw, maar ik gaf de oudjes ook te eten en ik verzorgde hen.’ Tot het home in het nieuws kwam. ‘Dat zat zo: de directrice hield ook nog café in ’s Gravenwezel en ze liet haar stiefdochter er met de mannen slapen. Die dochter kon dat niet meer trekken en stak het bejaardentehuis in brand. De politie kwam erop uit en wij, het personeel, werden ook beschuldigd. Het werd me allemaal te veel en ik kreeg een zenuwinzinking.’ De jarenlange zorg voor haar familie en het harde werken eisen hun tol. Linda’s batterijen zijn leeg, haar motor is opgebrand. In haar huwelijk steekt haar man op zijn beurt stokken in de wielen. ‘Mijn man werkte als chauffeur bij een brouwer. Geen goed idee!

Hij deed niets anders dan drinken. ’s Morgens vertrok hij naar het werk, maar hij kwam er zelden aan. Altijd op de lappen!’ Linda lacht luid, maar haar blik heeft iets droevigs. Ze vertelt me dat ze altijd op zoek was naar haar man, want de brouwerij belde haar regelmatig om uitleg over zijn afwezigheid. Ze besloot daarom dat ze best terug aan de slag ging, al was het maar om haar eigen boontjes te kunnen doppen. Ze stond immers op het punt te scheiden. ‘In het atelier van Scaniaflex in Wommelgem zochten ze nog mensen. Ik bleef er werken tot de scheiding geregeld was. Niet evident natuurlijk met een man die altijd spoorloos was.’ Ze lacht luid. ‘Ge wordt daar zo muug van. Enfin. Ik heb daarna een andere man leren kennen. Die zag ik graag. Hij was tien jaar ouder dan ik. Zes jaar lang hebben we samengewoond. En dan, ineens, kreeg hij een hartinfarct. Hij is in mijn armen gestorven. Zoiets valt niet te beschrijven. Je ziet iemand graag en plots is die weg. Je staat ervoor en je moet erdoor. En nog erger, ik was een zotte doos, we hadden geen levensverzekering. Ik viel van de regen in de drop.’ Toch herpakt Linda zich weer. Ze sluit zich aan bij de karabijnschutters. In het café waar ze verzamelen, laat Linda haar oog vallen op de broer van de cafébazin. Het wordt haar

linda

45


tweede man. Hij heeft twee kindjes en Linda wil graag voor hen zorgen. ‘Dat liep drie jaar lang gesmeerd. We kwamen goed overeen. Hij werkte in de haven. ’s Morgens stond hij vroeg op om naar het werk te gaan. Na een tijdje echter leerde hij ne raren tiep kennen waarmee hij in de kroeg ging kaarten. Hij bleef weg van het werk en dat kon ik niet verteren. Hoe meer ik van mijnen tak maakte, hoe meer slaag ik van hem kreeg. Op een dag zat het er weer bovenarms op. Hij gaf me een pak rammel en stampte mijn schouder kapot. Na die schop is mijn miserie pas écht begonnen.’ Met Linda’s schouder kwam het niet meer goed. Met het manvolk al evenmin. ‘Mannen komen er bij mij niet meer in. Maar ik heb wel spijt dat ik geen kinderen heb. Eén keer ben ik zwanger geweest. Het werd een miskraam. Daarna is het me nooit meer gelukt. Daarom hang ik nogal aan de kinderen van mijn broers en zussen. Ze gaan altijd graag slapen bij tante Linda. Mijn jongste zus is mijn dikste vriend. Haar twee kindjes zijn mijn hemel op aarde.’ Linda ging de voorbije jaren regelmatig onder het mes. Ze was meer arbeidsongeschikt dan dat ze werkte. ‘Door die operaties aan mijn schouder. Gelukkig heb ik nog mijn poes. Als ik een slechte dag heb, komt ze

46

linda

lekker bij mij gekropen en dan knuffelen we. Zálig! Zij kan mij troosten. Vroeger kreeg ik die troostende schouder van mijn moeder, nu zorgt mijn poes daarvoor. Toen mijn moeder stierf, heb ik veel gehuild. Ik kwam die periode heelhuids door omdat ik vriendschap kreeg van mijn kat.’ Wanneer ze over haar moeder praat, krijgt Linda het moeilijk. ‘Mijn moederke, ik mis haar nog elke dag.’ Ze veegt tranen weg. ‘Ik heb voor haar gezorgd tot aan haar dood. Iedere dag ging ik bij haar langs. Eerst haalde ik haar sandwichkes, dan ging ik naar haar huizeke. Ik deed de draperies open en legde haar pillekes klaar. Ik liet de koffie doorlopen en dan aten we samen. Elke dag opnieuw. Zij was mijn alles.’ Werken en zorg dragen voor anderen, dat zijn Linda’s stokpaardjes. Nooit opgeven, altijd tot de grens willen gaan. ‘Je hoort het, ik wil altijd doorbijten en mijn grenzen verleggen. Dus trok ik naar de dokken om als interimkracht te werken in de fruitsector. Fysiek kon ik dat absoluut niet aan. Bij toeval kwam ik toen een vriendin tegen. Zij werkte in een strijkatelier. Ze heeft me dan een keertje meegenomen. Na een proefopdracht werd ik aangenomen. Ben ik blij dat ze me daar nog een kans gaven! Nu ik vijftig ben geraak ik nergens nog binnen. Bedrijven


betalen te veel voor oudere werknemers. En met die kapotte schouder kan ik natuurlijk niet veel meer aan. Vandaar dat strijken, de ideale job voor mij!’ Linda is tevreden en dat mag iedereen weten. ’s Morgens staat ze al een uur eerder op de werkvloer. ‘Gewoon omdat ik het graag doe. In het atelier zijn er geen problemen en dat speelt ook een rol. Ik kom goed overeen met mijn collega’s. Er zijn er wel die graag wringen en de boel tegen elkaar opzetten maar dat is niet aan mij besteed. Ik vorm mijn eigen oordeel over de mensen. De sfeer is tof en als er al eens wat gekrakeel is, dan hoor ik het niet. Want de radio staat

hard en ik ben doof. Als kind heb ik veel oorontstekingen gehad. Dat is soms wel een voordeel. Dat sommigen niet altijd overeenkomen, vind ik spijtig. In deze tijd, met al die moorden, denk ik dan, probeer toch een béétje met elkaar overeen te komen.’ Voor Linda is strijken nu haar lange leven. Dat wil ze nog een stukske volhouden tot aan haar pensioen. ‘Ik droom ervan nooit meer ziek te zijn. Ik amuseer me, ik lach behoorlijk veel op een dag. Soms ga ik een pannenkoekske eten met mijn zus en haar kinderen en dan zijn we op trot. In het weekend profiteer ik van het leven. Ik heb eigenlijk al wat ik wensen kan: werk, een fiets, een autootje en een mooi appartementje. Meer moet dat niet zijn.’

linda

47


Abdeslam / 42

geboren in Marokko, Temsamane

‘Ik ben een Marokkaan, ik ben een man en ik strijk. En strijken is een job. Of je nu een man bent of een vrouw, dat maakt niets uit.’ Abdeslam trekt schijnbaar zorgeloos door het leven. Je vindt hem elke dag terug in het strijkatelier, te midden een stel kakelende vrouwen. Met zijn eeuwige glimlach maait hij alle stereotypen het gras onder de voeten weg.



Abdeslam groeide op in het noordoosten van Marokko, in Nador. Als kleine jongen werd hij ziek. Abdeslam praat erover als was het een fait divers. ‘Toen ik plots ziek werd, begreep niemand wat mij overkwam. Wat het precies was, weet ik nog altijd niet. Het bracht wel met zich mee dat ik een moeilijke kindertijd had. Ik was gelukkig, jazeker, maar ik kon niet altijd doen waar ik zin in had. Ook in mijn latere leven was dat in mijn nadeel. Sommige jobs waren niet voor me weggelegd. Maar strijken vind ik ideaal.’ Bij Abdeslam thuis hadden ze het niet zo slecht. De kinderen van het gezin konden naar de lagere school. Abdeslam bracht het er goed vanaf. Op de middelbare school behaalde hij zijn ‘bac’ of baccalaureaat, zoals dat in Marokko wordt genoemd. ‘Ik studeerde moderne talen en bracht veel tijd met lezen door. Maar, net zoals bij vele van mijn landgenoten, was er geen geld om hogere studies te kunnen aanvatten. In Marokko kan je niet studeren met een beurs, zoals hier. Je hebt er veel geld voor nodig. Enkel als je ouders welgesteld zijn, kan je verder studeren. Want niet iedereen in Marokko is arm. Er is echter wél een grote kloof tussen arm en rijk. En de rijken zorgen ervoor dat de armen arm blijven. Dat is de tragedie van Marokko.’

50

abdeslam

Abdeslam bleef werkloos in Marokko. Hij bezat er weinig of niets. Hij werkte af en toe met zijn vader op het veld maar dat bracht niet veel op. Op zijn dertigste besloot hij op familiebezoek in Europa te gaan. Hij bezocht zijn broers en zussen in Nederland, Duitsland en België en had uiteindelijk het hart niet om naar huis terug te keren. Hij kwam erachter dat hij niet zonder zijn familie kon en wilde bij hen blijven. ‘Ik reisde van hot naar her om iedereen te bezoeken. In Duitsland woont een zus van me. Ze kwam terecht in een Duits dorpje met een plattelandsgeest. Ik vond het daar niet prettig wonen. In Nederland heb ik een broer wonen maar ook daar sprak het me niet aan. Toen ik in België kwam, voelde ik me meteen thuis. Ik vind het hier gezellig en geniet ervan om bij mijn familie te zijn. Daarom ben ik in België gebleven. Er is niets leuker dan de feestdagen met je familieleden door te brengen. Ik heb hen nodig om me goed te voelen.’ Dat wil niet zeggen dat Abdeslam niet in Marokko had willen blijven wonen. Als de economische mogelijkheden er niet zo beperkt waren geweest, was hij er graag gebleven. Abdeslam balt zijn woorden als een vuist wanneer hij het over de binnenlandse politiek van Marokko heeft. ‘Natuurlijk wil ik liever in mijn eigen land wonen.


Wat is nu het belangrijkste? Dat je vrij kan leven in een democratie, toch? Dat je medemens en jij het goed met elkaar kunnen vinden? Dat mensen van elkaar houden?

Wie wil dat niet? Maar de omstandigheden zijn er niet naar. Marokko heeft zo zijn voordelen: je hebt er de uitgestrekte natuur en de prachtige landschappen. Je vindt er mooie stranden en het is er bijna altijd zonnig. Maar de werkloosheid is er hoog en zelfs zij die een diploma behaalden, hebben meestal geen werk. Veertig zijn in Marokko betekent meestal dat je geen werk hebt. Dat is toch een ramp! In Marokko is dat dagelijkse kost. Het probleem ligt eigenlijk vooral op politiek vlak. Er is daar geen democratie.’ ‘Waarom ligt democratie je zo na aan het hart?’ vraag ik Abdeslam. ‘In een democratie zouden alle mensen goed moeten kunnen leven. Ik heb met mijn eigen ogen gezien dat zonder democratie een land niet vooruitkomt. En met de komst van onze nieuwe koning weet ik niet of het zoveel beter geworden is. De impact die het vorige regime op de bevolking heeft gehad, kan je niet zomaar in enkele jaren tenietdoen. Je interesseren voor de politiek bijvoorbeeld, was om moeilijkheden vragen. Er was geen vrije meningsuiting onder het vorige bewind. Wie zijn mond roerde, werd gestraft. Als ik nu naar de Marokkaanse televisie kijk, zou ik durven beweren dat het nu al wat beter gaat met de democratie. Maar is dat werkelijk zo? Ik zou het niet kunnen zeggen. Ik ben blij dat

ik in België leef, neem dat maar van mij aan.’ Ik voel dat de kwestie de nochtans goedlachse Abdeslam hoog zit. Hij schakelt over naar een hogere versnelling. ‘Ik vraag het je: waarom denk je dat er zoveel mensen naar Europa willen? Er moet toch al heel wat mis zijn voor je je land verlaat? Er is de armoede en de miserie, maar de oorlog heeft ook heel wat stukgemaakt. Marokko is een voormalige kolonie van Frankrijk en van Spanje.’ Abdeslam gebaart nu druk. ‘Onze streek werd bezet door wilden, door militairen, die de armen onderdrukten. Wij leerden niets van hen. Ons leven werd er alleen maar armzaliger op. Neem nu het gebied waar ik vandaan kom. Dat is een verpauperde streek omdat niemand zich om ons bekommerd heeft. Kan je het de bewoners dan verwijten dat ze al enkele generaties lang op zoek gaan naar betere oorden?’ Voor mijn ogen speelt zich een film af. Een reis die ik ooit naar het noordoosten van Marokko maakte tijdens de zomermaanden. Droogte, verzengende hitte, happen naar lucht. Dorre grond onder de voeten. Bergen afgewisseld met vlakten, hier en daar een struik. Stof. Ontzettend veel stof. Enkel de lemen huizen op het platteland brengen wat verkoeling. Ik dompel mijn handen in het

abdeslam

51


ijskoude water van een vernuftig in elkaar geknutseld irrigatiesysteem. Meisjes met snottebellen en een verwilderde blik beloeren me van op afstand. Ze trekken verlegen aan hun jurkjes. Een man sopt een homp hard, donker brood in een aarden kom reuzel. Een vrouw gebogen over het land. Haar gekwetste voeten, gekneveld in plastieken sandalen, dabben in de aarde. Kunststof uit de stad. Voor een appel en een ei gekocht. Haar zieke voeten betalen de tol van de vooruitgang. Een tube schimmelwerende zalf kost haar een rib uit haar lijf. Wanneer ik ’s avonds terug de stad inga, voer ik een raid uit op de plaatselijke apotheek. Morgen zal ik haar de buit brengen. Abdeslam heeft gemerkt dat ik niet bij de les ben. Hij benadrukt dat hij enkel wil spreken over zaken die iedereen aanbelangen. Misschien wil ik meer over zijn leven schrijven, maar zelf vindt hij dat hij niets bijzonders te melden heeft. Het kenmerkt de houding van vele Marokkanen. Is het feit dat zij niet openlijk met hun mening over de overheid durven uit te pakken het gevolg van hun eeuwenlange onderdrukking? Of ligt het in hun aard of cultuur om zichzelf als individu weg te cijferen? Abdeslam nuanceert zijn woorden.

52

abdeslam

‘Wat ik voel of denk is van geen belang. Het is het algemeen belang dat vooropstaat. Trouwens, over mezelf valt er niet zo veel te vertellen. Mijn ouders zijn gestorven. Af en toe spring ik nog wel eens binnen bij de familie van de tweede vrouw van mijn vader.’ De band met zijn thuisland is dus niet meer zo sterk, hoewel Abdeslam er toch nog getrouwd is. ‘Mijn vrouw is 23. Ze komt uit een welgestelde familie. Haar vader had een slagerij. Mijn vrouw wil daar blijven en ik laat de situatie maar zoals ze is. Het is ook helemaal niet evident om je vrouw naar België te laten komen. Ze heeft geen visum en dan moet je heel wat papieren in orde brengen. Vroeger ging dat makkelijker hier in België, maar nu is dat een strijd van lange duur. Ik heb me er voorlopig bij neergelegd. Ik heb trouwens in al die jaren dat ik hier ben nog steeds geen sociale woning gekregen. Ik heb niet veel plaats in het huis van mijn familie. Zolang ik niet samen met mijn vrouw over een eigen ruimte kan beschikken, loont het niet de moeite haar naar hier te halen.’ Toch ziet het ernaar uit dat Abdeslam zijn weg gevonden heeft. Hij volgde twee jaar Nederlandse les en schreef zich in voor een opleiding als thuishelper. Hij leerde er koken, schoonmaken en strijken. Hij vond het leuke


bezigheden en zijn job in het strijkatelier bevalt hem. ‘Strijken is oké. Het is een job als een ander. Of je nu een man of een vrouw bent, maakt niet uit. Werk maakt geen onderscheid tussen man en vrouw. Je ziet toch ook vrouwen in zogenaamde mannenberoepen? Ik zie geen verschil.’ ‘Werken mét vrouwen, dat is natuurlijk nog een ander paar mouwen. Vrouwen zijn lief maar ze kibbelen wel eens en sommige zijn jaloers. Dat trek ik me echter niet aan. Mijn leven is er in elk geval beter op geworden sinds ik hier werk. Nu verdien ik geen tonnen maar ik ben bij mijn familie en dat is voor mij het belangrijkste.’

Abdeslam wil nog kwijt dat hij niet altijd begrijpt dat mensen klagen. ‘Wat is nu het belangrijkste? Dat je vrij kan leven in een democratie, toch? Dat je medemens en jij het goed met elkaar kunnen vinden? Dat mensen van elkaar houden? Dat er vrede heerst? In Europa, in België, hebben we dat. De meeste mensen hebben een goed hart. Iedereen die goed van hart is, wil hetzelfde: liefde, vriendschap en vrede. Niet van je naaste houden, waar slaat dat op? Waarom racistisch zijn? Arm of rijk, dat speelt geen rol. Wees wie je bent, de wereld heeft je nodig.’

abdeslam

53


Marita / 59

geboren op Curaçao, Willemstad

‘Mijn gebed werd verhoord. They answered my pray.’ Ik zit aan tafel met Marita, een vrouw uit Curaçao. Ze is mooi gekapt en draagt een zilveren Jezusmedaillon rond haar hals. Marita kreeg na een jaar solliciteren eindelijk een telefoontje dat ze als thuishelpster kon beginnen. Wat nog niet wil zeggen dat ze met bidden gestopt is. Als moeder bidt ze veel. Voor haar kinderen, haar kleinkinderen, haar gezondheid, haar naasten en bij elke maaltijd voor de mensen in de wereld die honger lijden.



Marita is afkomstig uit Curaçao, een eiland in de Caraïbische zee, vlak voor de kust van Venezuela. Curaçao behoort tot de Nederlandse Antillen. De eilandbewoners spreken er Engels, Nederlands, Spaans en Papiaments. Dat laatste is een mengtaal uit Spaans, Portugees, Joods, Indisch en flarden slaventaal uit Afrika. Een Curaçaoënaar leert op school Nederlands, een overblijfsel uit de tijd dat de eilanden op de Antillen nog een kolonie van Nederland waren. Marita spreekt vlekkeloos Nederlands, al durven bij haar de klemtonen op de woorden wel eens anders vallen. Ze kwam in 1985 met haar drie kinderen naar Nederland, nadat haar man op jonge leeftijd aan maagkanker overleed. ‘Het was voornamelijk uit bezorgdheid dat ik naar Nederland verhuisde. Ik stond er na de dood van mijn man alleen voor en vroeg me af wat er met mijn kinderen zou gebeuren als ik zelf ook zou komen te overlijden. Dan zouden ze het zonder moeder of vader moeten stellen, en dat wilde ik vermijden. Dus bracht ik hen naar Nederland. Daar konden ze een goede opleiding genieten, zodat ze altijd stevig in hun schoenen zouden staan. Ik ben nu heel trots dat mijn kinderen mijn gezicht niet lieten vallen. They did not disappoint me. Iedere moeder is trots als haar kinderen haar niet teleurstellen, ja toch?’

56

marita

Ik vind het plezierig om een moeder over de weldaden van haar kinderen te horen vertellen. Hoe ben je zelf? Marita trekt haar portemonnee open en er waaiert een batterij pasfotootjes van kinderen en kleinkinderen uit. ‘Mijn oudste, Sheila, volgde een opleiding kleuterleidster. Ze heeft daar geen spijt van gekregen want ze heeft altijd werk gevonden. Mijn tweede kind is Sheron. Hij is projectleider in de bouw geworden. Ook een goede baan. Mijn jongste dochter Shaideline is net zoals Sheila kleuterleidster en rondt binnenkort haar studie af als leerkracht voor het basisonderwijs. Sheila is nu ook in België komen wonen. Ze is me gevolgd. Ze wilde het net als mama wel eens in België proberen.’ Het maakt me nieuwsgierig. Waarom kwam ze na twintig jaar Amsterdam haar geluk in België beproeven? ‘Het was de liefde die me naar hier bracht,’ vertelt Marita. ‘Mijn man komt uit Ghana. Hij woont al jaren in Antwerpen. Ik leerde hem kennen op een Surinaams feestje in Amsterdam. Wij zijn nu al acht, bijna negen jaar samen. Vorig jaar, in augustus 2005, zijn we in België getrouwd. Je moet op een bepaald moment knopen doorhakken, begrijp je? Je kan niet eeuwig over en weer blijven reizen en bij elkaar logeren.’ Negen jaar is een lange tijd, zeg ik. Ik wil weten waarom ze niet eerder trouwde,


Ik bid dat de toekomst me nog heel veel zal brengen.

alhoewel ik me ervan bewust ben dat mijn vraag wel eens ongepast kan overkomen. Marita stoort zich er niet aan. ‘Tja, je hoort van die verhalen en dan twijfel je. Sommigen willen enkel trouwen om papieren te krijgen. Dat heb je veel met buitenlanders, en vooral met Afrikanen. Zeker in Amsterdam. Ik heb het verschillende keren meegemaakt met vriendinnen van me. Daarom keek ik liever de kat uit de boom. Je blijft altijd met wat twijfel in je achterhoofd zitten. Maar na acht jaar heb ik eindelijk besloten hem mijn ja-woord te geven.’ Ze schatert het uit. ‘Ik heb mijn tijd genomen en goed nagedacht. Wil ik dat wel? Zeker weten? Ja? Nou, dan kan je ervoor gaan, zei ik tegen mezelf. Gelukkig was het hem niet om de verblijfsvergunning te doen, dat weet ik nu, maar ik was toch op mijn hoede.’ Ze vertelt met zichtbare trots over haar man. Hij wilde het liefst dat ze samen in België zouden wonen. Daar was hij immers het eerst terechtgekomen na zijn aankomst in Europa. Hij voelt zich er thuis, heeft er zijn vrienden en kennissen. ‘Mijn man werkt als uitzendkracht en hij volgt ook Nederlandse les. Omdat hij het Nederlands nog niet goed beheerst, is het moeilijk voor hem om een vaste baan te krijgen. Onderling spreken wij Engels, hoewel ik hem af en toe wel eens in

het Nederlands aanspreek. Maar het is de macht der gewoonte die me weer naar het Engels doet overschakelen.’ Marita liet in Amsterdam haar kinderen en haar huis achter. Ze had er een leuke vierkamerwoning en betaalde geen al te hoge huurprijs. Nu ze bij haar man ingetrokken is, heeft ze maar van één ding spijt: haar woning. Want waar ze nu woont, is het veel te klein en de muren zijn er in slechte staat. De huurprijs is bovendien hoger dan die van haar flat in Amsterdam. ‘Het was natuurlijk of ginder blijven of naar hier komen, want op en neer, op en neer, daar word je behoorlijk moe van. Maar dat ik in zo’n slechte woning terecht ben gekomen, daar raak ik door gefrustreerd. Er is hier geen daglicht, je kan je amper draaien of keren en het is hier vochtig. En dat allemaal voor vierhonderd euro. Ik vroeg al wel een sociale woning aan maar sta op een wachtlijst. Naar het schijnt kan dat in België heel lang duren. Wat een verschil met Amsterdam.’ Ik vraag haar of dat het enige verschil met Nederland is. Wat vindt ze van het leven hier in België? Marita ondersteunt met haar twee handen haar hals, kijkt omhoog en rolt met haar ogen. Nadat ze een poosje nagedacht heeft, zegt ze: ‘Het leven is duurder in Nederland. Bepaalde dingen, zoals levens-

marita

57


middelen uit de supermarkt of groenten en fruit, zijn hier een pak goedkoper. Verder vind ik het leven rustiger in België. Je kan hier dingen regelen.’ Ik frons mijn wenkbrauwen. Wat bedoel je met regelen? ‘Laat ik het zo zeggen: ik vind de mensen hier makkelijker dan in Nederland. Stel, jij werkt op een kantoor en ik kom naar je toe om iets te vragen. Er zit een collega van je aan de balie. Dan vraag ik: goeiedag, zou ik Erika even mogen spreken? Als je zoiets in Nederland doet, dan vragen ze je meteen of je een afspraak hebt. Als je dan geen afspraak hebt, moet je die eerst maken en later terugkomen. In België gaat het er helemaal anders aan toe. Hier telefoneert zo’n collega even naar jou en vraagt of je een momentje hebt om mij te ontvangen. Dat is het verschil. Nederlanders zijn niet zo flexibel. Ik zie het op mijn werk ook. Ik ben er nog maar pas, maar iedereen is er open en gastvrij. Ik heb twee begeleidsters, Evelien en Maggy. Echt aardige dames. Ik kan steeds bij hen terecht, ik mag hen bellen wanneer het me uitkomt. Ze staan altijd voor me klaar.’ Ze vertelt me over haar werk in Nederland. Ze werkte er deels als opleidingsverantwoordelijke, en deels als groepshulp in een kinderdagverblijf. Dat heeft ze zes jaar gedaan. Tot het bedrijf op de fles ging en ze werkloos

58

marita

werd. Daarvóór had ze een baan in de kantine van de Bijlmerbajes. Ze werkte er in de refter van het gevangenispersoneel. Dat deed ze graag. Ze houdt van het contact met mensen, zegt ze. Daarom vindt ze het geen punt om nu bij particulieren schoon te maken. ‘Ik hou van mensen. Het meest interessante eraan is dat ik er iemand blij mee kan maken. Ik probeer dat iedere dag. Wanneer ik klaar ben met werken, wil ik dat zowel ik als de klant tevreden zijn.’ Ze giechelt, alsof ze zich ervoor schaamt. ‘Ja, dat is zo. Ik geef graag. Ik had dan ook gehoopt dat ik bejaarde mensen als klant zou krijgen. Want oude mensen zijn vaak erg dankbaar voor wat je voor hen doet. Jammer genoeg heb ik die mazzel niet gehad. Geen eentje is bejaard. Maar kom, het is leuk werken. Er is zelfs één klant voor wie ik moet koken en dat vind ik zeker zo fijn. Het moet wel écht Belgisch eten zijn natuurlijk: aardappeltjes met wat groenten en een hamburger. Of met braadworst. Vandaag was het stamppot, puree zoals jullie zeggen. Lekker makkelijk voor mij, want wij koken heel anders. Wij staan twee uur in de keuken om een gerecht te maken. Soms heb ik wel eens zin om bami of nasi voor die dame te maken of lekker gestoofd vlees met wat rijst. Heer-lijk hoor! Maar dat kan niet voor haar.


Ze zegt dat ze op haar gezondheid moet letten.’ Verlang je nog ergens naar, vraag ik, wat is je diepste wens? ‘Ik mag niet klagen,’ zegt Marita. ‘Tot nog toe verkeerde ik in goede gezondheid. Ik ken toch wel wat mensen die de deur van het ziekenhuis platlopen. Wat dat betreft, moet ik afkloppen. ’s Morgens sta ik goedgemutst op, ik ga werken en in het weekend ben ik lekker fit. Ik voel me goed in mijn vel. Het enige wat ik nog mis zijn vriendinnen. Af en toe ga ik naar buiten en zet me op het bankje op het plein.

Dan knaagt de eenzaamheid aan me. Als ik maar eens een leuke woning zou vinden, dan kon ik een bezigheid vinden in het inrichten.’ Ze houdt op met praten. Het is even stil. Ze wacht af en vraagt dan op ernstige toon of ze een mededeling mag doen. Ga je gang, zeg ik. ‘Ik wil het bedrijf bedanken omdat ik werd aangeworven. Ik ben daar vreselijk blij mee. Want anders kon ik hier misschien niet blijven en zou ik terug naar Nederland moeten keren. Weet je, ik ben op een leeftijd gekomen dat het moeilijk is om nog een baan te vinden. Ik bid dat de toekomst me nog heel veel zal brengen.’

marita

59


Pascale / 41

geboren in België, Elsene

‘Ik ben het zo beu als koude pap. Al dat mondaine gedoe, het zegt me niets meer. Ik wil rustig als een beekje verder kabbelen. Back to basics.’ De nuchtere, stijlvol geklede Pascale hield er als twintiger een bruisend leven van standing op na. Ze vloog de wereld rond en amuseerde zich te pletter. Maar het prinsesje van weleer is onderweg een heuse poetskoningin geworden. De twinkellichtjes in haar ogen zijn gebleven.



Pascale groeide op in het Antwerpse en werd opgevoed door haar grootouders. Aan hen heeft ze veel te danken. ‘Beide zijn overleden. Toch denk ik steeds aan hen terug wanneer ik bepaalde keuzes in mijn leven maak. Ze hebben me in alles wat ik deed gesteund, ook in mijn studies.’ Haar schooltijd was een vruchtbare periode. Pascale behaalde een A2-diploma toerisme. Na haar studies trof ze het. Ze kon meteen aan de slag bij Ford Tractor als stagiaire hulpboekhoudster. Haar drang om de wereld te verkennen was echter groot en ze koos ervoor haar studies in praktijk te zetten. ‘Ik waagde mijn kans bij Garuda, een Indonesische luchtvaartmaatschappij in Brussel. Met succes. Ik werd er directiesecretaresse. De eerste zes jaar verliepen naar wens. Ik behoorde tot het kaderpersoneel en leefde mij uit in mijn werk. De wereld lag aan mijn voeten. Beeld het je maar in: op mijn drieëntwintigste vloog ik gratis en onbeperkt naar overzeese streken als Australië of Indonesië. Wanneer ik maar wilde, kon ik erop uit trekken. Ik herinner me mijn verjaardag nog alsof het gisteren was. Het boordpersoneel was erg attent. De captain en de piloot lieten de champagne aanrukken. De aanwezige stewardessen hadden voor lekkers gezorgd. Ze brachten een enorme

62

pascale

taart binnen. Het werd een groots feest! Wij hielden een party in de lucht en niemand had nog oog voor wat er in het vliegtuig gebeurde. Ongelooflijke tijden waren dat.’ Het mocht dan wel feest in de lucht zijn, op de grond liepen de zaken niet zoals ze het zelf voor ogen had gehad. Pascale werd tot accounting supervisor gebombardeerd. Nochtans had ze geen boekhoudkundige achtergrond. ‘Dat heb ik nog eens zes jaar volgehouden. Op een gegeven moment gingen de zaken snel achteruit. De Europese dochteronderneming van Garuda verkeerde in crisis en werd uiteindelijk opgedoekt. Iedereen stond op straat. Ik was het beu. Al dat gestress, het zei me niets meer.’ Bij de pakken blijven zitten, dat was niets voor haar. Pascale ging opnieuw solliciteren en vond werk bij een expeditiebedrijf als receptioniste. ‘Au fond zei me dat toen ook niets meer, maar ik ging door. Na een tijd nam ik loopbaanonderbreking en daarna kreeg ik mijn ontslag. Ik had dus thuis al eens van de vrijheid geproefd en ik wist hoe fijn het kon zijn om je eigen ding te kunnen doen. Er was geen weg meer terug.’ ‘Door de loopbaanonderbreking kreeg ik een andere kijk op werken. Niet dat ik niet wilde werken, maar dat zenuwslopende kantoorwerk vrat aan me. Je werk is nooit af en je


Sindsdien leef ik van dag tot dag. Meer moet dat niet zijn. Ik droom ervan dat mijn kind goed terechtkomt en dat ik haar een goede toekomst kan geven.

neemt je zorgen mee naar huis. Ik wilde mijn hoofd vrij hebben voor mijn kind, want ik was ondertussen zwanger geworden van mijn vriend. Een kind krijgen en opvoeden is geen sinecure. Het betekent ook kopzorgen. Als ik thuis bleef, dan kon ik met een gerust hart mijn kind opvoeden. Een alleenstaande vrouw met een kind heeft ook minder kans op werk. Veel beroepen zijn uitgesloten eenmaal je moeder bent.’ Een alleenstaande moeder. Pascale werd het tegen wil en dank. Maar ze vermande zich. Ook toen haar kind ter wereld kwam, hield ze zich sterk. Midden in de nacht kreeg ze haar eerste weeën. ‘Daar stond ik moederziel alleen in de donkere nacht met mijn valieske te wachten op een ziekenwagen. De vader van mijn kind is een Portugees. Een charmeur die van vrouwen houdt. Hij had me een sprookje beloofd. Als ik hem mocht geloven, dan zag hij me graag. Ik was zijn “prinses”. Ik was mooi, zei hij, en hij verlangde naar een kind.’ Een kind krijgen, het was een bewuste keuze van hen beiden. Ze hadden een fijne tijd met passionele afspraakjes en onderonsjes in restaurants. Hij drong aan om te gaan samenwonen. ‘Zodra ik zwanger was, kon er geen complimentje meer af. Hij had altijd wel iets op me aan te merken. Onze relatie verzuurde. Op de duur praatte hij zelfs niet

meer tegen me. Ik was vijf maanden zwanger toen hij met de zuiderzon vertrok. Als je het mij vraagt, woont hij terug in Portugal, maar zeker ben ik er niet van. Hij werkte met tijdelijke contracten in de Belgische petrochemie maar ging plots in Denemarken werken. Van het ene moment op het andere was hij foetsie. Hij heeft één keer gebeld en daarna heeft hij nooit meer van zich laten horen.’ ‘In het begin had ik het erg moeilijk met de situatie. Je bent in verwachting, je hebt een toekomstperspectief en dan lost alles plots op in het niets. Maar nu? Neen. Och, neen. Ik zou niet willen dat hij nog opduikt. Mijn leven staat op de rails. Ik heb mijn meisje helemaal alleen op de wereld gezet en ze is nu vijf jaar. Ze heeft haar papa nooit gekend.’ Ik vraag Pascale hoe ze heet. ‘Joanna,’ antwoordt ze. ‘Mijn grootmoeder heette ook Joanna. Ik hield veel van haar. Ik wilde mijn dochter naar mijn grootmoeder noemen. Maar het klonk me iets te Vlaams. Ik heb die naam dan maar een exotisch tintje gegeven. Je spreekt het uit op zijn Amerikaans, als djoanna. In november wordt ze zes. Soms vraagt ze naar haar papa. Ik hang geen slechte verhalen over hem op, maar ik maak hem ook niet mooier dan hij is. Ik wil niet dat ze illusies heeft. Ze moet weten dat hij haar toen heeft verwekt, maar dat hij niet met me

pascale

63


wilde samenblijven zodra ik zwanger was. Ik vertel haar ook dat hij lief voor me was. Ik vrees dat Joanna tijdens haar puberteit misschien wel meer over haar vader zal willen vernemen. Misschien wil ze haar halfbroers en -zussen wel leren kennen. Maar eigenlijk wil ik niet dat ze haar dromen voor werkelijkheid gaat nemen. Hij zit er blijkbaar niet op te wachten om haar te leren kennen.’ Pascale spreekt met vuur over haar dochter. Ze gaat ervoor. ‘Bij mij is het altijd alles of niets. Ik ben erg plichtbewust. De keuze voor mijn kind heeft me ertoe aangezet om geen kantoorwerk meer te kiezen. Als ik geen kind had gehad, dan had ik die stress van zo’n baan eventueel kunnen aanvaarden. Nu vertik ik het. Ik wil er zijn voor mijn kind. Ik wil niet dat Joanna voelt dat ik voortdurend begaan ben met dossiers die nog liggen te wachten. Als alleenstaande moeder zonder familie ben je bovendien altijd bezig. Ik zou niet weten waar de tijd te halen om thuis nog dossiers te behandelen.’ ‘Mijn gezinnetje slorpt me op. Maar er blijft tijd over om te werken en natuurlijk wil ik ook geld verdienen om rond te komen. Ik heb zélf de beslissing genomen om naar de Werkwinkel in mijn buurt te stappen. Ik vroeg me af wat soort werk ik zou willen doen. Op het eerste zicht vond ik poetsen

64

pascale

niets voor mij. Ik deed het bij mij thuis en vond het niet leuk. Toen bedacht ik dat als ik het bij mij thuis deed, ik het evengoed op een ander kon doen, dan kreeg ik er nog geld bovenop ook.’ ‘Het Plaatselijk Werkgelegenheidsagentschap (PWA) in mijn buurt gaf me meer informatie over dienstencheques. De medewerkster vroeg me of ze mijn sollicitatiebrief mocht sturen naar een bedrijf waar met dienstencheques werd gewerkt. Ik werd diezelfde week nog opgeroepen voor een gesprek. Enkele dagen later kon ik aan de slag. De keuze was snel gemaakt.’ ‘Ik hou van de vrijheid die mijn job mij biedt. Je werkt niet met een baas. Daar bedoel ik mee dat ik naar het huis van een cliënt ga, ik doe er mijn werk, trek daarna de deur achter me dicht, en ik ben van alles af. De eerste weken dat ik als poetsvrouw aan de slag ging was ik natuurlijk gefrustreerd. Ik dacht bij mezelf dat ik toch wel wat meer in mijn mars had, ook al kon ik dan geen stress aan. Ik spreek meerdere talen, praat vloeiend Italiaans. Ik heb een diploma en een goed gevuld curriculum vitae. Ik was beschaamd over dat poetsen en af en toe liet ik aan mijn cliënten horen dat ik vroeger hoger op de ladder stond. Nu denk ik daar helemaal anders over. Ik ben misschien maar een


poetsvrouw, maar ik verdien wel eerlijk mijn brood. Ik werk en kan iedereen eerlijk en recht in de ogen kijken.’ ‘Weet je wat het ook is? Je werkt voor een bedrijf dat zich inzet voor zijn personeel. Je voelt dat ze een hart hebben. Er werken mensen uit allerlei culturen en ze gaan er menselijk met je om. Bij mijn vorige werkgever was ik maar een nummer in het geheel. Het bedrijf was te groot om humaan te kunnen zijn.’ ‘Ik ben erachter gekomen dat je je leven niet kan uitstippelen. Toen ik jonger was, probeerde ik dat nog. Nu ik ouder ben, neem ik het leven anders op. Ik ben poetsvrouw en

wat er nog op mijn weg komt, dat zien we wel. Zo’n inzicht krijg je niet snel op jonge leeftijd. Kijk, mijn grootvader is enkele jaren geleden aan kanker gestorven. Ik heb zijn ziekte van dichtbij meegemaakt. Sindsdien leef ik van dag tot dag. Meer moet dat niet zijn. Ik droom ervan dat mijn dochter goed terechtkomt en dat ik haar een goede toekomst kan geven. Zij is mij het dierbaarst. Ik kan eindelijk rustig kabbelen als een beekje in een berglandschap. Daar draait het toch om: gelukkig zijn en in harmonie leven met je naaste omgeving.’

pascale

65


Bochra / 26

geboren in België, Merksem

Zesentwintig lentes, ondraaglijke tijden. Bochra slikt af en toe haar verdriet weg wanneer ze mij deelgenoot van haar verleden maakt. Ze slaat haar oogleden neer. Uit schaamte, vertelt ze me later. In haar achterhoofd liet het geweld zijn sporen na. ‘Werken helpt om te vergeten,’ zegt ze. ‘Ik leer er zo veel van. Het contact met de mensen is van onschatbare waarde voor me.’



‘Jij neemt je dromen te veel voor waarheid,’ riepen haar schoolvriendinnetjes haar na wanneer Bochra hen voor de zoveelste maal vertelde dat ze ooit naar België zou terugkeren. Bochra zag het levenslicht ver weg in het noorden van Antwerpen, in Merksem. Ze mocht er dan al geboren zijn, Bochra’s dagelijkse realiteit zag er niet erg Vlaams uit. Ze leidde een ontheemd bestaan in een trieste wijk van Casablanca. Haar vader had het hele gezin naar Marokko teruggebracht toen Bochra amper twee maanden oud was. Haar broers en zussen liepen op dat moment school in België. ‘De afreis verliep abrupt. Mijn moeder wilde niet uit België weg, dus mijn vader pakte het stiekem aan. Hij deponeerde moeders verblijfsdocumenten bij de gemeente, maar maakte haar wijs dat we met vakantie vertrokken. Hij ging in België met pensioen en wenste in Marokko zijn oude dag te slijten. Dat was in de jaren tachtig. De jaren die eraan voorafgingen, had hij zich krom gewerkt in de steenkoolmijnen en later in een fabriek in Hoboken.’ ‘Mijn moeder was allesbehalve blij met ons vertrek uit België. Mijn broers en zussen spraken enkel Nederlands en geen Arabisch. Ze konden niet mee op school. Na twee jaren in zijn geboorteland besefte ook mijn vader dat zijn beslissing de grootste stommi-

68

bochra

teit van zijn leven was geweest. Marokko is een land dat draait op corruptie. Wil je iets verkrijgen, dan moet je daar geld voor neertellen. Als je niets hebt, dan wil je weg. Mensen die gestudeerd hebben en rijk zijn, die kunnen nog aan de slag of iets van hun toekomst maken. Voor de gewone man is het daar een ramp. Wij hadden het er dus helemaal niet naar onze zin.’ In dat klimaat was een normaal gezinsleven geen haalbare kaart, begrijp ik uit Bochra’s relaas. ‘Mijn ouders maakten ruzie waarop mijn vader gewelddadig werd. Mijn moeder kreeg er genoeg van en na acht jaar lijden kon ze eindelijk van hem scheiden. Ze vroeg een visum voor België aan en vertrok. Wij bleven achter bij mijn vader.’ Het valt me op dat Bochra hierbij onbewogen blijft. Het verbaast me. Ze vertelt verder hoe het haar moeder verging. ‘Familieleden in België nodigden mijn moeder uit om bij hen te komen wonen. Ze beloofden haar te helpen haar verblijfsdocumenten terug in orde te brengen. Maar eens in België werd ze verplicht bij hen thuis schoon te maken. Haar visum was ondertussen verlopen en ze werd illegaal. Ze kon daar dus weinig tegen beginnen.’ Wanneer Bochra over haar moeder spreekt, dan voel ik haar lijden. Haar moeder mocht


In mijn hart blijft het verleden altijd knagen. Ik probeer dat te vergeten, al weet ik ook dat dit nooit helemaal zal lukken. Gelukkig heb ik mijn werk.

het dan moeilijk hebben gehad, zij en haar broers en zussen waren ongetwijfeld het kind van de rekening. ‘Wij, de kinderen, geraakten pas jaren later terug in België. De aanleiding daartoe was een verkeersongeluk met verstrekkende gevolgen. Mijn moeder werkte op een gegeven moment als seizoenarbeidster in de tomatenpluk. Zij en haar vriendin reden na het werk met een brommertje terug naar huis. Mijn moeder kwam onder een vrachtwagen terecht. Er stond haar een lange revalidatie in het ziekenhuis te wachten. Door tussenkomst van een aantal begripvolle mensen in haar omgeving, kreeg mijn moeders verhaal eindelijk de aandacht die het verdiende. Een journalist bracht het in de krant. Toen werden haar verblijfsdocumenten door de overheid terug in orde gebracht. Het gevolg was dat mijn moeder recht kreeg op gezinshereniging en dat wij, haar kinderen, eindelijk terug bij haar konden zijn.’ Toen Bochra zich ten slotte bij haar moeder kon voegen, was ze al twintig. Maar haar kindertijd en jeugdjaren zal ze niet licht vergeten. Het is hier dat haar verhaal stokt. Het is ook hier dat ze voor het eerst over geweld spreekt. Dagelijks geweld. Gruwelijk geweld. Huiselijk geweld. Geweld dat haar tot een verlegen, beschaamde jonge vrouw

maakte, die wanhopig naar Merksem ging verlangen. Bovendien was de versnippering van de familie een zware last om dragen. Bochra weent zachtjes. ‘Mijn vader was dertig jaar ouder dan mijn moeder. Elke ruzie hebben wij als kind gevoeld, elke discussie hoorden wij. Hoe wil je dat wij normaal opgroeiden? Geen van ons heeft gestudeerd. Dat was onmogelijk gezien de omstandigheden waarin wij verkeerden. Mijn oudste broer deed ook zijn duit in het zakje. Hij pakte me regelmatig hardhandig aan, omdat ik geen hoofddoek wilde dragen. Iedere keer dat ik de straat op ging met make-up en zonder hoofddoek, sloeg hij mij met mijn hoofd tegen de deur. Ik heb erg geleden, ik heb veel pijn verdragen.’ ‘Ik deed er daarom alles aan om thuis weg te zijn. Tijdens het derde jaar van de middelbare school gaf ik er de brui aan en ging ik in een fabriek werken. Ik heb er twee jaar als naaister gewerkt. Daar was ik eindelijk gelukkig. Ik deed dat naaiwerk graag en goed, ook al was het slecht betaald. Als ik maar niet thuis moest zijn.’ Ik merk op dat ze toch weer een hoofddoek draagt. Bochra knikt en fleurt op. ‘Ja, maar nu heb ik er zélf voor gekozen, dat is het verschil. Toen ik pas in België was, leerde ik in het opleidingscentrum Syntra mijn man

bochra

69


kennen. Hij is Irakees en gaf me af en toe een boek over de islam.’ Gedecideerd schuift ze haar gsm naar me toe. Op het schermpje een foto van een getaande jongeman. Twee lachende gezichten. Eén met hoofddoek, één met snor. ‘Ali heeft mijn moeder om mijn hand gevraagd. Dat is vrij snel gegaan omdat mijn broers onze relatie wilden boycotten. Ali en ik wilden elkaar eigenlijk eerst wat beter leren kennen. We konden ook niet goed met elkaar praten, want hij spreekt een andere taal dan ik. Het was onze bedoeling allebei verder te studeren, daarna werk te zoeken en dan samen een bestaan op te bouwen. Maar toen mijn broers vernamen dat ik soms met mijn vriend op straat liep, verboden ze me om verder contact met hem te hebben. Alleen jongens mogen dat, vrouwen niet. Dat is niet eerlijk, toch?’ ‘Ali en ik wonen ondertussen wettelijk samen. We hebben ook een religieuze plechtigheid gehouden, zoals dat bij ons de gewoonte is. Mijn man heeft een voorlopige verblijfsvergunning van vijf jaar. Voor de Belgische wet kunnen we nog niet trouwen, want we wachten nog op documenten uit Irak. We hebben al drie kindjes en we zouden er graag nog eentje bij willen.’ Plots slaat Bochra haar vuisten voor haar mond. Ik verwacht dat ze in huilen zal uitbarsten maar dat is niet het

70

bochra

geval. ‘Toen ik pas in België woonde, was ik blij. Nu ik mijn man heb, ben ik nog blijer. Ik heb alles wat ik wil: een man, kinderen, werk, en ik woon waar ik altijd heb willen wonen.’ Ze vertelt met plezier over haar gezin. Haar drie kindjes kreeg ze in vier jaar tijd. Haar man wil er nog meer. De eerste jongen, Hussein, is nu vier. Dan volgt een meisje, Meriem, van drie. De jongste is Mohamed, en die wordt twee. Ali heeft voor lasser gestudeerd en vond onmiddellijk werk. ‘Sommige vrouwen hoor ik klagen. Hun echtgenoot helpt nooit mee in het huishouden. Mijn man staat altijd klaar. Bij ons is het fiftyfifty. Daarom kan ik mijn werk ook combineren met mijn gezin. Maar het is geen eenvoudige taak, dat niet.’ De beslissing om te gaan werken nam ze samen met haar man. Ze kon niet tegen de eenzaamheid. Ze liep bij wijze van spreken de deur van het buurthuis plat, zocht altijd het contact met mensen op. Thuis liep ze de muren op. ‘Zo ben ik het strijkatelier op het spoor gekomen.’ Toch verliep de beginperiode op het werk niet van een leien dakje. ‘Ik had het moeilijk met de collega’s en dat lag ook aan mij. Ik vertrouw niet snel andere mensen. Het werk daarentegen valt mee want het is afwisselend: soms strijk ik, soms verzorg ik het onthaal en soms doe ik de “pop”. Dat is


een met lucht opgeblazen pop waar je T-shirts op kan strijken.’ Bijleren schrikt Bochra niet af. Integendeel. Elke cursus die ze kan volgen, neemt ze met beide handen aan. Met fierheid in haar stem somt ze alle cursussen op die ze al volgde: Nederlands, computer, Engels, nog eens Nederlands, een opleiding poetsen... ‘Toen ik net bij het strijkatelier werkte, was ik verlegen. Ik ben nu opener geworden. Ik heb sinds ik werk ontzettend veel bijgeleerd. Over mensen. Over soorten mensen. Over mensen die geen vertrouwen hebben in andere mensen. Over mensen die niet graag praten. Over geduldig zijn. Dat komt ook door de opleiding team coaching die we volgden.

Daarvoor zijn we op een dag met alle collega’s samengekomen op een gezellige plek. We hebben daar samen allerlei dingen besproken en activiteiten ondernomen. Dat heeft me geholpen om mijn schaamte kwijt te raken en meer zelfvertrouwen te krijgen.’ Wanneer we samen terug naar het strijkatelier wandelen, is Bochra’s geluk voelbaar aanwezig. Ze straalt. Eindelijk kreeg ze een interview. Eindelijk kon ze haar verhaal kwijt. Eindelijk mocht ook zij wat betekenen. ‘In mijn hart blijft het verleden altijd knagen. Ik probeer dat te vergeten, al weet ik ook dat dit nooit helemaal zal lukken. Gelukkig heb ik mijn werk. Dat helpt.’

bochra

71


Joanna / 48

geboren in Polen, Czestochowa

Bij Joanna thuis wordt er regelmatig met termen als ‘dobre’, ‘magnifiek’ of ‘super’ gegoocheld. De schaterlach heeft er een eigen plaats aan tafel en de kwinkslagen worden er aan de lopende meter verkocht. Naar het schijnt zouden Polen vooral over zelfspot beschikken, waarmee ze anderen de wind uit de zeilen proberen te halen. Bij de openhartige Joanna, Anja voor de vrienden, is dat niet anders.



Wanneer ik mijn opwachting in het appartement maak, kijken drie paar ogen mij nieuwsgierig aan. Joanna stelt me aan het gezelschap voor. Ik word welkom geheten door Zaneta, een vriendin, Zaneta’s dochter Paula, en Jan, Joanna’s man. De enige die de Poolse gastvrijheid niet genegen is, blijkt de keffende viervoeter. In de keuken rammelen de koffiekopjes en theelepeltjes. Joanna dekt de tafel. Ze laat de veertienjarige Paula als vertaler opdraven, een rol die de tiener op voortreffelijke wijze vervult. Paula vertelt me dat Joanna’s voorouders grootgrondbezitters waren. Ze bezaten drie volledige dorpen. Daarnaast bezaten ze ook de plaatselijke apotheek, de azijn- en de alcoholfabriek. Maar tijdens de oorlog verloren ze nagenoeg hun hele hebben en houden. ‘Dat kwam deels omdat mijn grootvader met de kaarten speelde,’ zegt Joanna. ‘Maar anderzijds stak de nationaliseringspolitiek van de Poolse overheid ook stokken in de wielen. De meeste gronden werden onder de Poolse boeren verdeeld. Er schoot op de duur niet veel meer over van de oorspronkelijke rijkdom van mijn grootouders.’ Ze laat op spottende toon volgen: ‘Nationaliseren, dat was de specialiteit van het socialisme.’ Ze glimlacht, kijkt in mijn richting en geeft me

74

joanna

een knipoog. Iedereen schiet in de lach. Met Paula in haar kielzog vervolgt ze haar verhaal. ‘Mijn vader was ingenieur, mijn moeder had voor apothekeres gestudeerd. Mama wilde dat ik op mijn beurt farmaceutica ging studeren. Ik zag dat niet zitten. Als apothekeres verdiende je op dat moment weinig: met een maandloon kon je niet langer dan één week toekomen. Ik had daarom een andere richting op het oog: ik ging economie studeren aan de hogeschool. Ik heb me in die periode super geamuseerd. Tijdens de zomervakanties ging ik met een groepje vrienden en vriendinnen kamperen in het buitenland. Dan eens naar Roemenië, een andere keer naar Bulgarije. Dat waren magnifieke tijden.’ Ze grapt er off the record in het Pools op los. Ik mis de pointe maar de gezellige sfeer maakt veel goed. Jan is goed ingespeeld op zijn vrouw. Af en toe vangt hij de bal en speelt hem met nog meer plezier terug in haar richting. Ik profiteer van de gelegenheid om me op het appelgebak te storten. Paula is trouwens een buitengewone vertaalster. Ik ben verbaasd over haar perfecte kennis van het Nederlands en, vooral, haar ruime woordenschat. Ze legt me uit dat Joanna na haar studies bij de nationale elektriciteitsmaatschappij kon beginnen. ‘Vergelijk het maar met Electrabel,’ verduide-


Misschien beschik ik wel over een beschermengel, want ik heb veel geluk met de mensen die ik tegenkom. De begeleiders op mijn werk zijn sympathiek en ik heb lieve klanten: zij laten mij nooit voelen dat ik minderwaardig ben omdat ik maar een poetsvrouw ben.

lijkt ze. Joanna verrichtte daar administratief werk op de afdeling energieverkoop en trouwde wat later met Jan, die als bediende in een fabriek van schoolmateriaal werkte. In die tijd kregen Joanna en Jan ook een dochtertje: Marta. ‘Eén dochter maar,’ gooit Joanna ertussen. ‘Want mijn man was niet zo “werkzaam” op dat gebied.’ Opnieuw gelach alom. ‘Als ik het zo hoor, dan zaten jij en Jan op rozen,’ kom ik tussen. ‘Op het eerste zicht wel,’ zegt Joanna. ‘Ons werk garandeerde een pensioen en we werkten in normale arbeidsomstandigheden. Ik was ervan overtuigd dat mijn studies economie een goede keuze waren. Maar de Poolse overheid en economie, dat was een miskleun van formaat. Het wanbeheer van de staat zorgde ervoor dat er amper iets in de winkelrekken lag. Later, in de jaren tachtig, kreeg Polen dan weer te kampen met inflatie. Dat kwam omdat de overheid de geleden schade hoopte te herstellen door in het Westen gigantische leningen aan te gaan. In principe kwamen we met onze salarissen toe maar door de daling van de geldwaarde, kon je met zo’n maandsalaris opnieuw maar hooguit een week rondkomen. Wij waren tweeverdieners, dus wij hielden het iets langer uit, maar toch. Bovendien stond de firma waar Jan werkte, op sluiten. De Poolse zloty was op de lange

duur dermate gedevalueerd dat we met biljetten van een miljoen op zak liepen. Wij waren miljonairs zonder geld.’ Joanna doet het goed als grapjas, merk ik op. Maar ik kan me voorstellen dat de economische toestand heel wat stress met zich meebracht. Ik vraag haar hoe ze het volhielden. ‘Ik heb afgezien in die periode,’ antwoordt Joanna. ‘Tot tweemaal toe kreeg ik een miskraam. Volgens mij kwam het door de stress. Wij liepen de kantjes ervan af en waren handig in het combineren. Mijn man klopte extra uren. Hij werkte bijna vierentwintig uur per dag. Ik werkte acht uur, ging naar huis, maakte iets te eten en ging daarna weer verder met thuiswerk voor de energiemaatschappij. Tot een stuk in de nacht. Wij kenden geen vrije dagen. Ieder uur werd benut om bij te klussen. Op die manier knoopten we de eindjes aan elkaar. Op zich was dat niet het grootste probleem. Veel erger was dat er geen goederen te koop waren! De winkels waren leeg. Kan jij je inbeelden dat je bonnetjes krijgt om boodschappen te doen? En wat denk je dat je met die bonnetjes kon kopen? Azijn, earl grey, sigaretten, zeep, chocolade, suiker en wodka.’ Het voltallige gezelschap laat weer giechelend van zich horen. Nochtans kregen ze er in het verleden allemaal mee te maken. ‘Ja, nu lachen we

joanna

75


ermee,’ vervolgt Joanna haar relaas, ‘maar neem maar van mij aan dat het een ellendige tijd was.’ Ik vraag me hardop af waar je die bonnetjes dan wel moest halen. Joanna verklapt me het geheim: ‘Wie werkte, kreeg die van zijn werkgever. Je had recht op één zeepstuk en tweehonderdvijftig gram waspoeder per maand. Geluk zat toen in het paar schoenen dat je bij hoge uitzondering kreeg als er zich een sterfgeval in de familie voordeed.’ Het water stond Joanna en Jan tot aan de lippen toen ze op zoek gingen naar een oplossing. Jan besliste naar Griekenland te gaan om er in de bouw te werken. Joanna bleef met Marta in Polen. Twee jaar lang hield ze dat uit. Wanneer Joanna’s zus naar België emigreert, waagt Jan ook zijn kans. De situatie in België schijnt in ieder geval beter dan in Griekenland. Joanna tracht nog even voor haar en Marta een visum voor België te krijgen, maar haar aanvraag wordt geweigerd. Wanneer Jan afreist, weet ze niet wanneer ze hem terug zal zien. ‘Ik nam toen de zwaarste beslissing in mijn leven,’ zegt Joanna. ‘Mijn man kon onmogelijk af en toe terugkomen, want België verlaten betekende geen nieuw visum meer krijgen. Dus bleef hij daar. Wij misten hem enorm. Uiteindelijk heb ik de knoop doorgehakt en zijn we een jaar

76

joanna

later ook naar België gekomen. Nochtans betekende dat een verblijf in de illegaliteit, maar er was geen andere oplossing voorhanden.’ In België komen Jan en Joanna in het zwarte circuit terecht. Hij werkt in de bouw, zij poetst. Binnen de kortste keren bouwt Joanna een duurzaam klantenbestand op. Marta loopt ondertussen school, ook al heeft ze geen verblijfsdocumenten. Hun woning in Polen verkopen ze. Stress en angst blijven echter zwaar doorwegen op Joanna. ‘Je bent eigenlijk nooit gerust als je illegaal bent. Ik denk dat veel mensen die druk onderschatten. Op een dag was ik het beu en wilde ik terug naar Polen. Net op dat moment startte de Belgische overheid een regularisatieprocedure op. Gelukkig. Want terug naar Polen had wel gekund, maar waar zouden we moeten wonen? Je moet dan een heel nieuw bestaan opbouwen en van niets beginnen. Dat is evengoed ontmoedigend.’ Joanna, Jan en Marta wonen nu na vijftien jaar legaal in België. Jan heeft een bouwbedrijf opgestart en de voormalige economiste werkt als thuishelpster met dienstencheques. Marta is net met vrucht geslaagd in haar eerste jaar handelswetenschappen aan de hogeschool. Het plaatje is compleet. Of ziet het er rooskleuriger uit dan het is?


‘Woon je nu liever hier of daar?’ stel ik haar voor de keuze. ‘Polen is een magnifiek land, maar er zijn niet veel mensen die dat weten. Er wordt te weinig promotie voor Polen gemaakt. Mijn man is in Polen een nieuw huis voor ons beginnen bouwen en iedere vakantie werkt hij eraan. Het is nog lang niet klaar, maar ik hoop dat het tegen ons pensioen af is en dat we dan terug naar Polen kunnen.’ Joanna haalt een album boven. Jan toont me de vooruitgang van de bouw aan de hand van foto’s. We raken verwikkeld in een boeiend gesprek over het stuken van muren en de kwaliteit van dubbelglazige ramen en deuren. Want de Poolse winters zijn kouder

dan de Belgische. Ik voel tijdens het gesprek dat hun hart afwisselend bij België en bij Polen is. Als je het mij vraagt, hebben ze het niet slecht getroffen. ‘Dobre,’ zegt Joanna. Ze herhaalt het nog eens: ‘Dobre. Dat is het Poolse woord voor “goed”. We zijn tevreden. Ik heb een superjob, mijn man verdient goed zijn kost en Marta doet het super op school. Zij heeft zelf gekozen wat ze ging studeren en het werd handelswetenschappen. Ze doet dat onwaarschijnlijk goed. Ik ben trots op haar. Het bedrijf waarvoor ik werk is magnifiek. Misschien beschik ik wel over een beschermengel, want ik heb veel geluk met de mensen die ik tegenkom. De begeleiders op mijn werk zijn sympathiek en ik heb lieve

joanna

77


klanten: zij laten mij nooit voelen dat ik minderwaardig ben omdat ik maar een poetsvrouw ben. Integendeel. Ze behandelen me op gelijke voet en als ik hulp bij iets nodig heb, dan staan ze steeds voor me klaar. Een van mijn klanten had zelfs een keertje taart gekocht om mijn eerste werkjaar te vieren. Dat vond ik plezant. Het doet mij ook niets dat ik geen bediende meer ben. Ik voel me goed in wat ik doe.’ Voor ik het appartement verlaat, wil Paula

78

joanna

me nog snel een vraag stellen. Of het moeilijk is om een boek te schrijven en uit te geven? ‘Een journalist is niet te benijden,’ antwoord ik. ‘Je moet je te allen tijde staande weten te houden. Ook als een keffertje zijn tanden in je kuiten wil zetten, en ook wanneer je aan je lijn wilt denken en er een overheerlijke appeltaart wordt opgediend. En verder moet je schrijven alsof je leven ervan afhangt. Je kan alvast beginnen oefenen. Bel me maar op als je klaar bent.’



Sonia / 49

geboren in BelgiĂŤ, Luik

Ik heb met Sonia afgesproken bij haar thuis in Merksem. Halverwege de rit, raak ik de weg kwijt. Ik beland in de Antwerpse haven. De verlatenheid van de buurt overvalt me. Ik bel Sonia. Welbespraakt en accuraat gidst ze me telefonisch in de richting van het pleintje waar ze woont. Een vrouw in tijgerprint wacht me al zwaaiend op aan de straatkant. Sonia is erop gebrand haar verhaal te vertellen.



‘Mijn ouders waren binnenschippers. Terwijl ze voeren, verbleven mijn twee broers en ik in de schippersschool in Hoboken. Mijn moeder en vader waren lieve mensen. We leefden weliswaar sober maar we hebben nooit honger of kou geleden. Ik was graag gezien bij ons thuis, ook door mijn broers. Misschien was ik zelfs een beetje verwend. Waarschijnlijk speelde het feit dat ik anders dan de anderen was, daarbij een rol. Mijn handicap kwam in ons gezin nochtans nooit ter sprake. Thuis was ik gewoon Sonia.’ De handicap waar Sonia over praat is het schisissyndroom, in de volksmond een hazenlip. Noch haar ouders noch haar broers werden met een lipspleet geboren. Maar Sonia weet wel van een overgrootvader die ook deze aangeboren afwijking had. Schisis is erfelijk en komt bij één tot twee pasgeborenen op duizend voor. Ik kijk Sonia aan. Ik zie twee warme, donkere ogen in een vriendelijk gezicht. Dezelfde ogen als haar vader, zegt ze. Wanneer ze zich opmaakt, zet ze die extra in de verf. Ik kijk naar het litteken tussen haar lip en haar neus. Wanneer ze beweegt, zie ik plots op haar onderarmen lange witte lijnen, met puntjes aan beide zijden. Mijn ogen houden ten slotte halt bij de tijgerprint. Ik laat Sonia verder haar verhaal vertellen.

82

sonia

‘Thuis voelde ik me een zondagskind. Op de schippersschool daarentegen was ik het buitenbeentje. Ik werd gepest voor mijn hazenlip. Toverheks, Papzak, Papegaaienneus, Hazenlip. Het was dagelijkse kost. De nonnekes maakten er een sport van om me publiekelijk voor schut te zetten.’ Sonia was aan de mollige kant en dat, in combinatie met haar handicap, was een vrijbrief om haar door het slijk te halen. ‘Ik wilde niets liever dan thuis zijn, maar dat kon natuurlijk niet. De vernederingen en de aanslepende pesterijen maakten me bang. Ik plaste af en toe in mijn bed. Als straf hingen de nonnen mijn beddengoed in het midden van de speelplaats te kijk. Of ze sloten mij op in een hok. Vreselijk! Het gevolg laat zich raden. Ik behaalde slechte schoolresultaten, ook omdat ik me zoveel mogelijk van de domme hield. Ik deed er alles aan om niet op te vallen. Op de duur verstond ik de kunst om mijn problemen verborgen te houden voor de anderen en me van mijn sterkste zijde te tonen. Sindsdien schuilen er twee dieren in mij: een bang vogeltje en een springklare tijger.’ Om Sonia’s leven een beetje draaglijker te maken besloten haar ouders op haar negende definitief aan wal te gaan. ‘We gingen in een huisje aan het Sas van Wijnegem wonen. Maar niet lang daarna gingen mijn ouders uit


Eerst verlies je iemand die je dierbaar is en op hetzelfde moment komt er nieuw leven op de wereld. Dat wegnemen en geven, daar heb ik het nog steeds moeilijk mee.

elkaar. Mijn moeder kreeg een nieuwe vriend. Ik moet een jaar of veertien geweest zijn toen die man avances begon te maken. Ik wist niet wat me overkwam. Ik durfde er met niemand over praten en kreeg het opnieuw moeilijk. Op school ging het toen gelukkig al wat beter. Ik ging bij de nonnen in het dorp naar school. Het was niet zo dat de pesterijen toen ophielden, maar iedereen werd er gelijk behandeld. Na de lessen kon ik gewoon naar huis en dat gaf me ook meer rust en zekerheid. Ik heb er de richting snit en naad gevolgd en uiteindelijk heb ik het er niet al te slecht vanaf gebracht. Mijn schooltijd op de schippersschool en het gedrag van mijn moeders vriend hebben mij echter met een minderwaardigheidsgevoel opgezadeld en jammer genoeg ben ik daar nooit meer vanaf geraakt. Het heeft heel mijn verdere leven bepaald.’ Ze vertelt over hun verhuis naar Merksem en het café dat haar moeder later opende. Sonia bracht er veel tijd door. Het café lag in de haven en was een ontmoetingsplaats voor de fabrieksarbeiders uit de buurt. ‘Dat was echt ne plezanten tijd. Ik voelde me toen goed in mijn vel. Veilig in mijnen eigen côté, dicht bij mijn moeder, dicht bij de mensen die me graag zagen. Maar de vriend van mijn moeder maakte me het leven zuur. Hij kon

niet verkroppen dat ik van zijn manieren niet gediend was. Ik dacht dat trouwen een uitweg was om aan zijn avances te ontsnappen.’ Sonia huwde dan maar met een jongen die ze nauwelijks kende. Haar zelfvertrouwen kreeg opnieuw een deuk toen ze ontdekte dat hij voor de mannen was. ‘Ik denk dat de pesterijen uit mijn kindertijd en het gedrag van de vriend van mijn moeder aan de basis lagen van mijn gebrek aan zelfvertrouwen. Misschien was dat ook wel de reden waarom ik later steeds de verkeerde mannen koos. Ik heb nooit gemerkt dat een man me links liet liggen om mijn uiterlijk. Maar ik viel op mannen die mij niet respecteerden. Ik was tijdens mijn jeugd zo diep gekwetst dat ik dat allemaal verdroeg. Zoiets draag je je hele leven mee.’ Wanneer Sonia een nieuwe vriend leert kennen, probeert ze haar bestaan opnieuw vorm te geven. ‘In het begin hadden we het fijn. We kregen samen een dochtertje, Inga. Maar toen ik zwanger werd van mijn tweede kind, een jongen, leerde ik een heel andere kant van mijn vriend kennen. Hij wilde niet dat ik een zoon op de wereld zou zetten. Hij kampte met een probleem uit zijn verleden, denk ik. Zodra Ivan geboren werd, kreeg ik meer slaag dan eten. Ik ben uiteindelijk naar mijn moeder gevlucht, die ondertussen haar

sonia

83


vriend de deur had gewezen. Die vriend van mijn moeder zag toen echter zijn kans om zich op mij te wreken. Hij vond er niet beter op dan naar de jeugdrechter te gaan en me zwart te maken. De jeugdrechter geloofde zijn praatjes en plaatste mijn kinderen in een pleeggezin. Door zijn wraaklust kon ik dus weer van voor af aan beginnen. Ik zat zonder werk, zonder geld, zonder kinderen en ik had geen dak boven mijn hoofd.’ ‘Daarna heb ik alleen maar ellende gekend. Ik vond geen vast werk en had het moeilijk om de eindjes aan elkaar te knopen. Ik viel op de verkeerde personen en sloofde me ook nog uit om het hen naar hun zin te maken. Soms denk ik dat ik altijd maar in de weer was voor een ander omdat ik mij geliefd wilde voelen. Ik wilde de anderen gelukkig maken omdat ik weet wat ongelukkig zijn is. Dat is weer dat trauma uit mijn jeugd. Het is sterker dan mezelf.’ Ik vraag Sonia hoe het was om te leven met het besef dat je kinderen in een ander gezin opgroeiden. Ze dient me kort en krachtig van repliek: ‘Miserabel. Het is niet omdat je een moeilijk leven hebt, of omdat je soms de zaken niet onder controle hebt, dat je geen goede moeder bent. Ik heb mijn kinderen toch niet op de wereld gezet om hen aan een ander te geven? Is het zo moeilijk voor de

84

sonia

buitenwereld om te begrijpen dat je bovenal moeder blijft? Dat je het allemaal graag anders had gewild? Ik heb me daar nooit bij willen neerleggen. Ik heb geknokt en gevochten om ze terug bij mij te krijgen. Ik heb alles op alles gezet om te bekomen waar ik recht op had. Ik wilde aan de jeugdrechter tonen dat ik niet was zoals hij dacht dat ik was. Ik wilde het tegendeel bewijzen.’ Om dat klaar te spelen neemt ze een job bij het OCMW aan. Schoonmaken in ruil voor een uitkering. Het is zwaar werk want ze moet ondertussen ook nog opboksen tegen een probleem van heel andere aard: overgewicht. ‘Het teveel aan kilo’s dat ik overhield aan de geboorte van mijn kinderen, kreeg ik er niet meer af. Bovendien ging ik schransen. Ik werd een dwangmatige eter, om de stress te lijf te gaan. Tenminste, dat weet ik nu. Op de duur woog ik meer dan honderd kilo. Ik kreeg regelmatig gezondheidsproblemen en moest voor allerhande kwalen geopereerd en verzorgd worden. Ik was soms maandenlang afwezig op het werk.’ Maar haar strijd tegen de jeugdrechter en het pleeggezin levert resultaten op. ‘Toen Inga twaalf werd, had ik het eindelijk voor mekaar. De kinderen mochten weer naar huis komen. Ik wilde niets liever dan hen de warmte van een gezin geven. Ik had een


nieuwe vriend en ze kregen er een broertje bij: Dimitri. De klap was groot toen ik onmiddellijk na de bevalling naar zijn gezichtje keek. Dimitri had mijn handicap geërfd. Nochtans komt zo’n overdracht niet vaak voor. Je houdt het niet voor mogelijk wat er dan door je heen gaat. Ik weigerde het te geloven. Ik voelde me door en door slecht. Schuldig ook. Heel mijn kindertijd passeerde opnieuw voor mijn ogen. Bovendien bleek later dat mijn jongen mentaal ook trager was, waardoor hij altijd met een achterstand te kampen zou krijgen. Dat was een zware opdoffer voor mij. Maar het ergste moest nog komen. Op een nacht werd ik wakker en mijn man lag niet naast

me in bed. Ik vond hem in de slaapkamer van mijn dochter. Heel de feest begon opnieuw. Alles wat ik met mijn stiefvader had meegemaakt, kwam me weer voor de geest. Ik ervoer het alsof mij geen rust werd gegund. Ik heb de politie erbij geroepen en mijn man werd gearresteerd. Het had tot gevolg dat Ivan en Inga opnieuw geplaatst werden en Dimitri in een home terechtkwam.’ Weer is Sonia alles kwijt. Ze vertelt me dat ze uitgeput was. Maar dat ze om een of andere reden toch altijd weer de moed vond om zich te herpakken. Dat is de tijger in haar. De man die ze dan leert kennen, geeft haar de aandacht die ze altijd verdiend heeft. ‘Jos was vijftien jaar ouder dan ik. Hij had er net

sonia

85


een behandeling tegen keelkanker opzitten. Met Jos was ik écht gelukkig. Anderhalf jaar lang. Onze relatie was gebaseerd op begrip en genegenheid. Jos nam me zoals ik was. Hij droeg me op handen. Wij zorgden voor elkaar. We brachten onze vrije tijd altijd samen door. Dan hadden we het echt naar onze zin. Jos heeft een einde aan onze relatie gemaakt toen hij te horen kreeg dat de keelkanker terug was. Een half jaar later is hij gestorven. Mijn eerste kleindochter kwam toen net ter wereld. Dat was weer een zware periode voor mij. Eerst verlies je iemand die je dierbaar is en op hetzelfde moment komt er nieuw leven op de wereld. Dat wegnemen en geven, daar heb ik het nog steeds moeilijk mee.’ Het is de rode draad door Sonia’s leven. Krijgen, nemen. Komen, gaan. Vallen en opstaan. Buigen en weer doorgaan. Zelf noemt ze het haar overlevingsdrang. ‘Mij kunnen ze diep duwen maar ik kom altijd terug. Ik kan snotteren en in de put zitten, maar dan ineens denk ik: ik moet verder omwille van de kinderen en kleinkinderen. Dan vecht ik om er terug bovenop te komen. Dat was ook zo na mijn maagoperatie, zeven jaar geleden. Ik ben toen verbazend snel hersteld. De dag na de ingreep zat ik alweer rechtop in mijn bed. Het was mijn werkgever die me voor de keuze plaatste: of je doet iets

86

sonia

aan je gewicht, of je bent je job kwijt. Ik woog toen honderdveertig kilo en ik besefte dat ik een beslissing moest nemen. Ik liet een maagring plaatsen en vermagerde tachtig kilo. Een jaar later werd het teveel aan vel met een nieuwe chirurgische ingreep weggehaald.’ Ze staat op en steekt haar armen in de lucht. Ik herken de lange naden. Met een denkbeeldige schaar knipt ze haar lichaam in stukken. ‘Hier,’ toont ze, ‘en hier. En daar zit een naad. En daar. Nu kan ik terug ademen. Ik leef weer. Ik draag mooie kleren en durf al eens een gewaagd stofje aan. Het heeft me er ook toe aangezet om opnieuw naar school te gaan. Drie jaar geleden ben ik aan een opleiding gezins- en bejaardenhulp begonnen. Voor mijn theoretisch examen behaalde ik tweeënzeventig procent. Jammer genoeg kreeg ik tijdens mijn stage op vijf weken van de eindmeet last van darmcysten en moest ik weer onder het mes. Door die operatie heb ik mijn stage nooit kunnen afmaken. Ik weet nu echter wat ik waard ben. Fysiek kan ik niet alles aan, maar mentaal voel ik me sterker dan ooit tevoren.’ Via de VDAB is Sonia vorig jaar aan een baan in het strijkatelier geraakt. Ze had zich opgegeven bij het Plaatselijk Werkgelegenheidsagentschap (PWA) en die stelden haar voor om met dienstencheques te werken.


Ze werkt nu twintig uren per week in het strijkatelier. ‘Strijken vind ik positief. Het is wel zwaar en het kruipt in je benen. Zeker bij warm weer. Maar ik werk er heel graag. Ik heb toffe collega’s en mijn bazin is erg begripvol. Ik word ook nooit uitgesloten of gepest. Wat me gelukkig maakt, is dat ik financieel van niemand afhang. Ik hoef tegen niemand merci te zeggen of mijn hand open te houden. Dat gevoel had ik wel toen ik voor het OCMW werkte. Het leek altijd of je

blij moest zijn dat je voor hen mocht werken. In het strijkatelier behoud ik mijn waardigheid. Dat doet veel. Het is daarom ook dat ik aan dit boek wil meewerken. Ik wil niet achterblijven op de anderen. Ik was ooit een zondagskind, maar mijn handicap maakte van mij een ander mens. Ik heb in mijn leven geknokt en gevochten. Voor mezelf en voor mijn kinderen. Ik sta er nu. Mij krijgen ze niet meer klein.’

sonia

87


Luz / 40

geboren op de Filippijnen, Olangapo

‘Sluit je ogen. Beeld je een gastvrij land in, met witte stranden, ongerepte natuur en vriendelijke inwoners. Een land waar men niet bang is van vreemden. Een land waar men met plezier op de grond slaapt om jou een slaapplaats voor de nacht te bezorgen. Open nu je ogen. Weet dat dit land bestaat. Het is mijn geboorteland: de Filippijnen.’



Aan het woord is Luz, ploegbaas van het strijkatelier en Filippijnse in hart en nieren. Ze heeft net haar beklag bij mij gedaan. Ze vindt dat er zo weinig positiefs over haar land wordt geschreven. Daarom heb ik haar voorgesteld om in enkele zinnetjes de Filippijnen aan te prijzen. Dat doet haar plezier. ‘Ik wil iedereen laten weten waarom wij, Filippijnen, emigreren om te overleven. Ik wil daar begrip voor vragen. Want wij zijn misschien arm, maar daarom nog niet dom. Het doet me pijn wanneer mijn land op een negatieve manier in beeld wordt gebracht. Over Azië worden er regelmatig mooie documentaires uitgezonden. Die gaan dan over Thailand, Indonesië of Bangkok. Zelden komen de Filippijnen aan bod. Behalve dan als het gaat over prostitutie of sekstoerisme. Alsof de Filippijnen niets anders te bieden hebben. Daar kan ik me behoorlijk over opwinden.’ Luz groeide zeker niet in een arm gezin op. Als kind en tiener had ze een leuke tijd. De ellende begon pas toen haar ouders uit elkaar gingen en haar moeder er alleen voor kwam te staan. ‘Ik heb mooie herinneringen aan mijn kindertijd. Mijn vader was chauffeur, mijn moeder wasvrouw. Ze waste met de hand kleren voor de mensen uit de buurt.

90

luz

Mijn vader was in de voormiddag thuis. Rond een uur of drie in de namiddag vertrok hij met zijn jeep naar het werk. Zijn job zat er pas om drie uur ’s nachts op. In die tijd was het bij ons nog de gewoonte om op een matje op de grond te slapen. Wanneer mijn broertje en ik ’s morgens wakker werden, had mijn vader al alles voor school klaargezet. Meestal vonden we ook een verrassing naast ons matje. Dat was zijn manier om te tonen dat hij ons graag zag. Hij was werkelijk een lieve man. Jammer dat hij zo jong gestorven is.’ Haar ogen schieten vol. ‘Sorry,’ zegt ze. ‘Als ik terugdenk aan de tijd dat we met het hele gezin naar de cinema gingen of samen uit eten, dan word ik weemoedig. Ik hield zielsveel van mijn vader. Spijtig genoeg verwaterde de relatie tussen mijn ouders toen ik een jaar of vijftien was. Mijn vader heeft ons verlaten voor een andere vrouw. Mijn moeder kwam er dus alleen voor te staan. Ze kreeg het hard te verduren. Er zat voor mij en mijn oudere broer niets anders op dan een baantje te zoeken.’ Haar zestienjarige broer ging auto’s wassen aan een benzinestation. Luz, vijftien, ging aan de slag als inwonende meid en babysit. Haar baas gaf haar de toestemming om avondlessen te volgen. Wanneer ze ’s avonds na de les thuiskwam, nam ze


ginder maken de mensen zich zorgen of ze ’s avonds te eten zullen hebben. Hier maken de mensen zich zorgen over welke vakantiebestemming ze nu weer eens zullen kiezen.

opnieuw de verzorging van de pasgeboren baby op zich. ‘De dag zat er eigenlijk nooit op. De baby sliep bij mij. Hij wist niet beter dan dat ik zijn moeder was. Dat heb ik tot mijn zeventiende volgehouden. Toen zat mijn schooltijd erop en heb ik mijn job opgegeven. Ik was een plantrekker. Ik wilde graag buschauffeur worden en dat kon enkel als je achttien was. Ik maakte de busmaatschappij wijs dat ik achttien was en dat lukte. Dat kwam natuurlijk omdat ik al erg jong op eigen benen stond.’ Haar gezicht klaart op. ‘Ik werkte dus op mijn zeventiende als busconductor bij De Lijn, maar dan op de Filippijnen.’ We lachen. Ik zeg dat ik haar spitsvondigheid bewonder. Niet iedere jongere vindt op die leeftijd de kracht om door te gaan. Het had ook helemaal anders kunnen lopen. ‘Dat is waar,’ geeft Luz toe. ‘Maar ik ben altijd een survivor geweest. Ik kende al van jongs af aan het klappen van de zweep. Diezelfde overlevingsdrang heeft me er ook toe aangezet om mijn man te verlaten en in België te gaan werken.’ Ze vertelt me in het kort over haar eerste echtgenoot. Dat was een Filippino die meer van drinken dan van werken hield. Ze maakt er niet veel woorden aan vuil. ‘We kregen drie kinderen. Twee meisjes en een jongen. Maar mijn man was een profi-

teur. Hij vertikte het om te werken. We hadden het dus niet breed. Ik moest iets doen om te overleven. Ik was ondertussen dertig maar ik had vroeger genoeg bewezen dat ik van aanpakken wist. Ik heb mijn moeder gevraagd om voor mijn kinderen te zorgen en ben naar België getrokken om er als au pair te werken. Mijn zus emigreerde al eerder naar België en was met een Belgische man getrouwd. Ik zou er dus niet helemaal alleen zijn.’ Het Belgische gezin dat Luz in dienst zou nemen, had voor haar een visum geregeld. Ze heeft veel aan hen te danken. Maar ook aan Robert, een collega van haar Belgische schoonbroer. Robert bracht haar af en toe ergens naartoe of hielp haar met dingen die ze niet goed begreep. Zo leerde ze hem beter kennen en appreciëren. ‘Robert en ik werden verliefd op elkaar en uiteindelijk heeft hij me gevraagd of ik bij hem wilde komen wonen. Ik heb daarmee ingestemd. Wat hem betrof, hoefde ik niet meer te werken. We zouden het samen wel redden, zei hij. Ik was blij dat ik steun bij hem vond en dat er zich iemand om mij bekommerde. Ik maakte me dus niet meteen zorgen toen mijn visum verlopen was. Tot ik op een dag een uitnodiging van de gemeente in de brievenbus vond. Op het gemeentehuis werd

luz

91


me een brief overhandigd. Ik kreeg vijf dagen de tijd om het grondgebied te verlaten. Met Robert trouwen was geen optie want zijn echtscheiding was nog niet in kannen en kruiken. Er zat voor mij niets anders op dan terug naar de Filippijnen te gaan. Robert heeft toen een ticket voor me gekocht en me wat zakgeld meegegeven. Eens op de Filippijnen aangekomen, ben ik niet bij de pakken blijven zitten. Ik heb van mijn moeder een beetje geld geleend en heb een winkeltje opgezet. Robert gaf daarna echter geen teken van leven meer. Dat verbaasde me. Ik was teleurgesteld en heb hem opgebeld om te vragen wat zijn plannen waren. Want als hij met mij geen toekomst meer voor ogen had, dan wilde ik dat hij me dat eerlijk zou zeggen. Dan zou ik naar Hongkong of Singapore reizen om daar als poetsvrouw te gaan werken. De werkomstandigheden in die steden zijn er misschien minder goed en je moet zelfs betalen om er te mogen werken, maar iets is nog altijd beter dan niets.’ Maar Robert laat zijn Luz niet in de steek. Hij vraagt haar om nog wat geduld uit te oefenen. Ze weet niet dat hij op dat moment bezig is met het regelen van zijn echtscheiding. ‘Enkele maanden later, toen ik het helemaal niet meer verwachtte, heeft hij mij

92

luz

gebeld. Hij zou binnen de week bij mij zijn.’ Luz begint weer te huilen. Ze apprecieert nog steeds dat hij haar is komen halen. Een jaar later kon ze haar twee dochtertjes, Charmy en Cherry, laten overkomen. Haar zoontje bleef bij haar moeder wonen. ‘Robert is een goede Belg,’ zegt Luz, ‘ook al heeft hij een moeilijk karakter. Ik zal nooit vergeten wat hij voor mij gedaan heeft.’ Ik wil weten hoe het leven haar hier bevalt. Ze is nu tenslotte al tien jaar in België. ‘De eerste jaren dat ik in België was, viel het me vooral op hoeveel geld je hier nodig hebt om te overleven. Maar op dit moment heb ik het eerder moeilijk met de werkdruk. Zoiets heb ik op de Filippijnen nooit eerder meegemaakt. Wanneer je bij ons moe bent, mag je even gaan zitten. Dat kan hier helemaal niet. De dagelijkse sleur is voor mij ook niet evident. Ik heb het thuis soms moeilijk met mijn man, en op het werk is het ook altijd stressen geblazen en als die twee zaken bij elkaar komen dan wordt het me wel eens te veel. Dat ligt misschien in mijn aard. Ik ben iemand die veel nadenkt. Zelfs terwijl ik een bad neem, zit ik nog te piekeren. Akkoord, we moeten werken om te overleven, maar de manier waarop het er hier aan toegaat, dat is toch overdreven.’ Hoe zou je het dan willen? Hoe zie je jouw toekomst? ‘Na mijn pensioen,


wil ik terug naar de Filippijnen. Kijk, ginder maken de mensen zich zorgen of ze ’s avonds te eten zullen hebben. Hier maken de mensen zich zorgen over welke vakantiebestemming ze nu weer eens zullen kiezen. Hoe meer luxe, hoe groter de zorgen blijkbaar.’ Wil je dan eenvoudiger leven? Zou je dat nog kunnen, nu je dit leven gewoon bent? ‘Ik kan leven zonder machines,’ antwoordt Luz vastberaden. ‘Ik groeide op zonder wasmachine, zonder fornuis en zonder aftrekker. Ik kook evengoed op hout en ik kan mijn kleren met de hand wassen. Ik ben het gewoon om met eenvoudige middelen te overleven.’ Ik vraag Luz of ze dan niet blij is dat ze in het atelier kan werken, of ze ergens spijt van

heeft. ‘Neen, dat hoor je me niet zeggen,’ antwoordt Luz. ‘Natuurlijk ben ik blij met mijn baan. Maar de zware werkdruk en de stress van de voorbije jaren hebben hun tol geëist. Voor ik ploegbaas van het strijkatelier werd, werkte ik als schoonmaakster en als afwasser in grootkeukens. Dat zware werk heeft me mijn rug gekost. Na een operatie en een revalidatieperiode werd ik ontslagen. Tijdens de vijf maanden dat ik werkloos was, zat ik weer onophoudelijk te piekeren. Om wat om handen te hebben solliciteerde ik als thuishelpster, maar dat kwam weer neer op schoonmaken en van de ene plaats naar de andere rennen. Binnen de kortste keren kreeg ik opnieuw rugpijn. Toen ik hoorde dat

luz

93


Monique verantwoordelijke zou worden van een strijkatelier, heb ik meteen toegehapt. Ik heb nu een job die ik fysiek aankan. Ik ben dus tevreden. Maar ik weet ook wat pijn hebben is. Ik heb momenten gekend dat ik vreesde mijn verdere leven in een rolstoel te moeten doorbrengen. Pijn maakt me bang. Pijn is verschrikkelijk. Daarom is mijn grootste droom nog altijd dat ik gezond mag blijven. Ik wil vooral kunnen blijven bewegen. Dat komt op de eerste plaats. Met de fysiotherapie die ik gevolgd heb, is me dat gelukt. Ik zou er alles voor willen geven om zoals nu zonder pijn te blijven leven.’ Ik zeg Luz dat ik haar begrijp. Dat ik begrijp dat ze niet uit pure armoede emigreerde, maar dat de omstandigheden haar ertoe aangezet hebben. Ik begrijp ook dat ze naar een minder zware job heeft uitgekeken. Het is triest te horen dat ze op haar veertigste enkel kan dromen van een leven zonder rugpijn. Dat haar jarenlange knokken en

94

luz

zwoegen haar zuur is opgebroken. Maar ik maak er haar ook attent op dat ze nu toch wel fier mag zijn op het plaatsje dat ze veroverd heeft. Daar heeft ze voor moeten tonen wat ze in huis had: verantwoordelijkheidsgevoel, nauwgezetheid en betrokkenheid. ‘Je hebt gelijk,’ zegt Luz. ‘Ik ben trots op mijn functie en ik weet dat Monique vertrouwen in me heeft. Filippijnen zijn doorzetters. Weet je, toen ik over het boek hoorde, wilde ik in eerste instantie mijn verhaal niet kwijt.’ Ze is opnieuw aangedaan. Haar ogen staan vol tranen. ‘Ik dacht: daar gaan we weer. Het zal weer over die arme Filippijnen gaan. Westerlingen begrijpen ons soms niet. Neem nu mijn vroegere baas. Hij zei me dat hij niet begreep dat ik mijn kinderen zomaar achterliet. Maar ik liet die niet zomáár achter. Ik ben ook maar een mens. Soms zijn het de omstandigheden die ons dwingen om ons leven in eigen handen te nemen.’



Godelieve / 43

geboren in Congo, Lubumbashi

De Congolese verpleegster Godelieve werkt in BelgiĂŤ als thuishelpster. Haar Vlaamse naam is een erfenis uit de tijd van de kolonie. Ze hield aan de blanke overheersing ook nog wat anders over: hard werken en inschikkelijkheid. Twee karaktertrekken die ze tot haar handelsmerk heeft verheven. Je doet wat wordt gevraagd en verder hou je je mond. Want de klant is altijd koning.



In de inkomhal van een rustieke Vlaamse woning uit de jaren zeventig is een zwarte vrouw in de weer met een zwabber. Langs haar heen schieten kinderen de straat op. Dat moet Godelieve zijn, denk ik en ik stap op haar toe. De ontvangst is hartelijk. ‘Kom binnen,’ zegt ze. Ik duw de deur van de woonkamer open en ik schrik. Ik sta oog in oog met een jongeman die onbeweeglijk in een ijzeren ziekenhuisbed ligt. Zijn dreadlocks hangen slap langs zijn hoofd, zijn gezicht staat nors. Hij bedient de joystick van een spelconsole. In het midden van de kamer staat een reusachtig televisiescherm. Voor het scherm zit een jonge kerel in een zetel. Ook met een joystick. Op het scherm speelt zich een voetbalwedstrijd af. Zidane neemt het op tegen Clinton. Terwijl ik acrobatentoeren uithaal om niet in de val van de elektriciteitssnoeren op de grond te trappen, stelt Godelieve me haar jongens voor. Een van hen raakte gewond na een verkeersongeval en volgt sindsdien een revalidatieprogramma. Wanneer ik haar vraag wat er precies gebeurde, legt ze een vinger op haar mond en doet teken dat het wat gevoelig ligt. Ik respecteer dit en zwijg er verder over. Godelieve groeide op in een gezin van negen meisjes. Ze was de vijfde in rij. Haar moeder

98

godelieve

was huisvrouw. Haar vader werkte tot het einde van zijn leven voor de Belgische ambassade in Kinshasa. ‘Ik kom uit een gegoede familie en heb een mooie jeugd gekend. Ik had een heel speciale band met mijn vader. Van al zijn kinderen hield hij het meest van mij, omdat ik hem altijd gehoorzaamde. Ik zag hem zo graag dat ik hem niets kon weigeren. Dat ligt ook wel in mijn aard. Ik geef niet gauw commentaar. Ik ben een diplomaat. Misschien heb ik dat wel van hem geleerd. Mijn vader was een intellectueel. Onder het regime van Mobutu was hij voorzitter van de plaatselijke cel van de UDPS, een politieke partij uit de oppositie. Hij heeft er alles voor gedaan om zijn kinderen een fatsoenlijk leven te laten leiden. Dankzij hem kon ik in Kinshasa naar de école Médicale. Ik heb voor verpleegster gestudeerd. Nadat ik mijn studies had afgerond, ben ik getrouwd. Ik was toen twintig.’ Ik ga nader in op de politieke situatie in Congo. De Union pour la Démocratie et le Progrès Social (UDPS) is de oppositiepartij van voormalig minister Etienne Tshisekedi. Ik weet dat ze in de jaren tachtig op veel steun van de Congolese bevolking kon rekenen. President Mobutu, die na het uitroepen van de onafhankelijkheid van Congo aan de macht kwam, had er immers


Ik wil niet stempelen en thuiszitten. Dat heeft geen zin. Iedere dag werken is noodzakelijk voor mij. Anders ben ik niet gelukkig.

op twintig jaar tijd een potje van gemaakt. Terwijl hij zelf zijn zakken vulde, bracht hij het land naar de ondergang. De wegen werden niet meer onderhouden, de gezondheidszorg was die naam niet meer waardig en het onderwijs liet te wensen over. Sindsdien ging het met Congo pijlsnel de dieperik in. Het valt me overigens op dat Godelieve haar verhaal voortdurend kadert door tijdsbepalingen als ‘tijdens Mobutu’ of ‘na Mobutu’s dood’ te gebruiken. Onvoorstelbaar hoe die man zijn stempel op een hele bevolking drukte, en dat dertig jaar lang. Godelieve vertrouwt me toe dat ze daarom naar België is gekomen. Ze had politieke problemen. Tijdens het Mobutu-tijdperk werd ze regelmatig lastiggevallen. Haar vader werkte nauw samen met Tshisekedi. Dat werd hem niet in dank afgenomen. In die tijd werden aanhangers van de oppositiepartij regelmatig lastiggevallen, geïntimideerd, mishandeld of verbannen. Het was een bewuste strategie om onrust te zaaien en chaos te creëren. Maar omdat haar vader in de Belgische ambassade werkte, durfde men hem niet rechtstreeks te raken. Daarom hebben ze hun pijlen op zijn dochter gericht. ‘Ik werd vaak opgeroepen om op het plaatselijk bureau voor verhoor te verschijnen. Soms ook kwamen militairen me halen.

Uiteindelijk begon ik voor mijn leven te vrezen en heb ik politiek asiel aangevraagd. Om verdere problemen te vermijden heb ik ieder contact met mijn familie opgegeven. Na Mobutu’s dood ben ik eindelijk een keertje terug naar Congo kunnen gaan om mijn familie te bezoeken.’ In het begin had Godelieve het moeilijk in België. Toch deed ze er alles voor om zich aan te passen. Het ergste vond ze het feit dat ze hier niemand kende. ‘De vraag is: hoe begin je eraan?’ Ze kijkt me ernstig aan. ‘Je komt in een vreemd land aan en je kent de taal niet. Je moet dus proberen je te integreren. Dat is hetzelfde als wanneer jij naar Congo gaat en je daar in de samenleving zou moeten integreren. Dat is niet makkelijk. Niet voor jou, maar ook niet voor mij. Ik heb er mijn tijd voor genomen. Eerst heb ik de bevolking geobserveerd. Ik heb alles tot in de puntjes bestudeerd. Daarvoor moet je goed opletten. Hoe doen de mensen iets? Waarom doen ze dat op die manier en niet op een andere manier? Dat neemt tijd. Het heeft vijf tot zes jaar geduurd eer ik begrepen had hoe ik mij in België zou kunnen integreren.’ Ze schreef zich in voor een cursus Nederlands en dat loonde. Ze gaat nog steeds naar de les. ‘Asteblief!’ roept ze lachend. ‘Veel

godelieve

99


mensen zeggen dat ik al goed mijn plan trek in het Nederlands. De maatschappelijk werkers van het OCMW zeiden dat ook. Ze hebben me aan werk geholpen. Eens je een goed contact met de mensen hebt, leer je ook sneller de taal. Want thuis kan je niet veel oefenen. Ik kreeg ook veel steun en begrip van mijn collega’s. Eerst werkte ik als poetsvrouw voor het OCMW en daarna ging ik aan de slag als tooghulp in de cafetaria van een rusthuis.’ Ze priemt haar vinger in de lucht en spreekt luid: ‘Daar heb ik leren spreken, zie! Die oude mevrouwtjes babbelden veel, dus daar steek je altijd wat van op.’ Ik vraag haar of de oudjes het niet moeilijk hadden met haar huidskleur of afkomst, of ze geen opmerkingen maakten. Godelieve schudt haar hoofd. ‘Met oude mensen moet je geduld hebben. En dat heb ik. Een verpleegster moet steeds over een grote dosis geduld beschikken. Anders geraak je nergens.’ Plots komt er een jongetje binnengerend. Hij huilt en maakt veel kabaal. In zijn kielzog volgen twee andere kinderen. Ze hebben ruzie. Godelieve gaat naar de keuken om uit te zoeken wat er gaande is. Ik knoop ondertussen een gesprek aan met Fabrice, die me vanuit bed in het oog houdt. Zodra zijn moeder uit het zicht is, laat hij immers zijn ongenoegen blijken. Hij vindt het geen

100

godelieve

goed idee dat Godelieve haar leven aan een onbekende vertelt. Hij zegt dat het voor niets nodig is. Dat niemand zaken heeft met hun privéleven. Dat het bovendien allemaal nergens toe leidt. Niets heeft zin, punt uit. Terwijl hij zo zijn gal spuwt, wijken zijn ogen niet van het scherm. Zijn hand gaat onvermoeibaar verder in haar strijd met de joystick. Ik hoor het aan. Ik zeg hem dat ik verbaasd ben dat hij de wereld zo negatief beoordeelt. Dat het net goed is dat zijn moeder haar leven in handen heeft genomen en daar ook trots op is. Dat hij eigenlijk ook best blij mag zijn dat ze er alles aan doet om de eindjes aan elkaar te knopen. Ik vind haar een moedige vrouw. Het moet niet makkelijk zijn om een gezin van vijf kinderen te onderhouden. Ze heeft immers ook nog de kinderen van haar tweede echtgenoot onder haar hoede. Het kan hem allemaal niet schelen, dient hij me brutaal van antwoord. Of het er nu in de wereld goed of slecht aan toe gaat, het laat hem koud. Hij tackelt Clinton en schiet recht op het doel af. Hij mist. Het virtuele publiek in de tribune roept boe. Ik besef dat het gesprek ons nergens brengt. Waaruit vloeit zijn ongenoegen voort? Heb je nog beweegredenen in je leven wanneer je twintig bent en ziek in een bed ligt? Zou het leven mij eerlijk voorkomen


als ik in zijn positie zat? Godelieve heeft ondertussen het geschil opgelost en de kinderen zijn naar hun kamer getrokken. Wanneer ze zich terug bij mij aan tafel zet, vangt ze nog net een flard op van mijn gesprek met haar zoon. Ze bijt van zich af. ‘Of je het er nu mee eens bent of niet,’ zegt ze vastberaden, ‘het zijn je zaken niet. Ik beslis zelf over mijn medewerking aan het boek.’ Het opperhoofd heeft gesproken. Het blijft verder stil in die hoek van de kamer. Voor Godelieve met dienstencheques begon te werken, werkte ze eerst nog een poos voor Buurtservice. Ze verzorgde ongeneeslijk zieken en bejaarden. Daarna kon ze met een overeenkomst van bepaalde duur in een

kinderkribbe aan de slag. ‘Toen het contract ten einde liep, was de werkgeefster triest. Ze had gezien dat ik een harde werkster ben en vond het spijtig dat ik niet kon blijven. Nu werk ik als thuishelpster. Daar ben ik heel tevreden mee. Maar ik heb wel gemerkt dat er in mijn omgeving mensen zijn die het werken met dienstencheques niet ernstig nemen. Toch blijf ik bij mijn standpunt dat het de beste manier is om je toekomst te verzilveren. Ik kan rekenen op een eindejaarspremie, ik krijgt vakantiegeld en ik bouw een pensioen op. Ik vind dat ik een intelligente keuze heb gemaakt. Maar iedereen gaat natuurlijk op een andere manier met zijn geld om.’

godelieve

101


Ik zie dat Godelieve met plezier over haar werk vertelt. Ze is er trots op dat ze op het werk en bij de klanten graag gezien is. Dat heeft volgens haar met haar manier van aanpakken te maken. Ze past zich makkelijk aan en strijkt nooit iemand tegen de haren. Dat zit in haar cultuur ingebakken, zegt ze. ‘Jullie zijn een volk dat snel in de verdediging schiet. Ik doe dat nooit. Ik zeg zelden mijn gedacht wanneer ik niet akkoord ben. Ik doe wat men mij oplegt en als de tijd rijp is, zal ik daar misschien nog eens naar verwijzen of een onschuldige opmerking over maken. Zo benadruk ik dat ik toch gedaan heb wat me gevraagd werd, ondanks het feit dat ik niet akkoord ging. Dat weerspiegelt mijn voorkeur voor diplomatie. Je bent ook in het huis

102

godelieve

van de klant, dus je hebt daar niets in de pap te brokken. Bovendien ben je in dienst bij je klant en dus verplicht om moeite te doen je klant te begrijpen. Want de klant is altijd koning!’ Godelieve werkt nu vijf jaar in België. Ze is tevreden met haar werk. Ze doet het graag. ‘Ik hou van stabiliteit. Ik wil niet stempelen en thuiszitten. Dat heeft geen zin. Iedere dag werken is noodzakelijk voor mij. Anders ben ik niet gelukkig. Zelfs in mijn huishouden ga ik tot het uiterste. Wat ik bij mijn klanten doe, doe ik ook thuis. Ik heb mijn handen vol met de kinderen en daar komt ook nog eens de verzorging van mijn zieke zoon bovenop. Toch hou ik moed. Ik ben een doorzetter. Ik bekijk de zaken op lange termijn, dat loont.’



Drita / 51

geboren in Kosovo, Prizren

‘Ik moet me aanpassen aan het land waar ik woon. Huilen en klagen, dat is voor niets nodig. De eerste twee jaar dat ik in België verbleef, liepen de tranen dag en nacht over mijn wangen. Maar ik heb gemerkt dat je daar niet beter van wordt. Dus heb ik besloten voortaan op mijn tanden te bijten. Ik moet doorgaan. Kost wat kost.’ Ik teken de woorden op uit de mond van de kloeke Drita. Een vrouw zonder franjes, afstammeling van de ‘zonen van de adelaar’, zoals de Albanezen zichzelf noemen.



Drita is etnisch Albanese maar komt uit Kosovo, een deelstaat van het voormalige Joegoslavië, nu een staat met een schijnautonomie. Ze groeide op in een doorsneegezin, samen met een zus en twee broers. Haar kindertijd verliep onbewogen. Ze heeft er mooie herinneringen aan. ‘Mijn vader was leraar, mijn moeder huisvrouw. Mijn leven speelde zich af tussen ons huis en de school. Van de buitenwereld had ik geen weet. Nochtans heb ik dat nooit als een probleem of beperking ervaren. Ik was volstrekt gelukkig. Vier maanden na mijn zestiende verjaardag – ik zat toen in de derde klas van het gymnasium – ben ik getrouwd. We zijn nu al vierendertig jaar samen.’ Drita zet zich nog wat makkelijker in de sofa. Kleindochter Herolinda komt binnen en hangt zich als een koala rond oma’s nek. Wanneer de kleine dame begint te tateren, spreekt Drita haar streng toe. Herolinda gaat dan zonder morren naar de slaapkamer voor een middagdutje. ‘Vierendertig jaar getrouwd,’ zeg ik tegen Drita. ‘Dat is tegenwoordig een wereldrecord. Was je op die jonge leeftijd al bereid om een gezin te stichten?’ ‘Bij ons was dat vanzelfsprekend. De meeste meisjes trouwden toen op jonge leeftijd. Maar dat belette ons niet om verder te studeren. Zelf heb ik mijn school afgemaakt

106

drita

door afstandsonderwijs te volgen. Ondertussen kreeg ik mijn eerste twee kinderen. Nadat ik mijn diploma had behaald, kon ik meteen aan de slag in de dorpsschool.’ Drita onderwees de vakken ‘gymnastiek’ en ‘plastische opvoeding’. Eerst woonde ze nog in bij de ouders van haar man, daarna kochten ze een eigen huis in de dichtstbijzijnde grote stad. ‘In Prizren kon ik voor de staatsloterij beginnen werken. Ik deed er administratief werk en deed de kassa. Dat heb ik vijftien jaar lang gedaan. Mijn man werkte als buschauffeur. We kregen er nog twee zonen bij. Echt waar, ons leven verliep rimpelloos. We mochten niet klagen. We lieten een groot huis bouwen en de kinderen kwamen niets tekort. Er waren wel regelmatig politieke strubbelingen en af en toe was de situatie in Kosovo gespannen, maar toch... Ik denk dat ik later nooit meer zo gelukkig ben geweest als toen. In de namiddag, na mijn werk, trokken we met de hele familie naar buiten. Alle gezinnen gingen buurten op hetzelfde plein. De kinderen vermaakten zich tot het donker werd en wij verbroederden met muziek en lekker eten. De oorlog heeft alles naar de vaantjes geholpen.’ De oorlog die Drita’s rustige leven om zeep hielp, was het oplaaiende conflict tussen de


Als ik het mocht overdoen, dan zou ik nooit meer vluchten, wat er ook zou gebeuren. Maar ik heb niet het gevoel dat ik toen een keuze had.

Kosovaren en de Serviërs in 1998. Ze hadden het zien aankomen, dat wel, maar Drita had nooit kunnen vermoeden dat ze op de vlucht zou moeten slaan. Welk conflict was dat nu weer precies, vraag ik me af. Ik grasduin in mijn achterliggende gedachten maar bedenk meteen dat de geschiedenis van de Balkan niet in één handomdraai te vangen is. Sinds de start van het ontbindingsproces van de voormalige Balkanstaat is het niet vanzelfsprekend om je weg te vinden in het kluwen van autonome staten, deelrepublieken en rivaliserende ethnieën en religies. Of ben ik de enige die er niets van begrijpt? Het moet gezegd: na de gruwelijke conflicten in de regio kon ik geen interesse opbrengen voor de nieuwe staatsstructuren. Dat had alles te maken met mijn, misschien enigszins misplaatste, nostalgie naar de vergane glorie van de federale staat. In de jaren tachtig ondernam ik met de wagen een reis dwars door het gebied. Het lag vast en zeker aan mijn jonge snakengehalte, maar het betoverende, steeds wisselende landschap gaf mijn rit de allures van Route 66. Terwijl ik mijn tot op de draad versleten Opel Kadett Coupé kreunend de heuvels ophees, vergaapte ik me aan de schitterende vergezichten. In Kosovo, langs de grens met Albanië, reed ik stapvoets een man op een ezeltje voorbij.

‘Hoppa!’ kletste hij het beest op de dijen, terwijl zijn tenger vrouwtje met een takkenbos op de schouders en een haakwerkje in de handen achter hem aan sukkelde. Ik zag er in gekalkte letters de naam van president Tito op de heuvelflanken staan en ruilde met wat straatschoffies een korfje braambessen in voor een oranjekleurige bic en een halflege aansteker. Ik besef plots dat dit de streek is waar Drita vandaan komt. Ik luister verder naar haar verhaal. Begin 1998 vielen de Serviërs de stad Drenic binnen. Heel wat hooggeplaatste Albanezen werden vermoord. Pas op dat moment begrepen we dat het een veldslag zou worden. Zij die er snel bij waren, konden vluchten. De anderen werden vermoord. ‘Mijn man, onze zeventienjarige zoon Hedvig en ik, maakten dat we wegkwamen. Mijn ouders en mijn oudste dochter zaten drie maanden lang ondergedoken. Ze durfden zich niet te laten zien uit schrik dat de Serviërs hen te pakken zouden krijgen. Mijn twee andere kinderen vluchtten naar Duitsland. De Serviërs voerden immers massale slachtingen uit in hun drang om de streek etnisch te zuiveren. Mijn man heeft toen een pak geld betaald om voor ons drieën zitplaatsen op een vrachtwagen te krijgen.De kleren die ik aanhad waren mijn enige bezit.’

drita

107


Ze zaten met een twintigtal mensen op elkaar gepakt in de laadbak. Drita hoorde geweerschoten en het ontploffen van bommen. ‘Ik dacht enkel aan gered worden. Het was angstaanjagend. Ik wist dat er rondom ons mensen stierven. Ik hoorde mezelf steeds dezelfde woorden herhalen: als mijn kinderen het maar overleven, als mijn kinderen het maar overleven... De vrachtwagen reed aan een stuk door, stopte zelfs niet aan de landsgrenzen. We bleven zitten tot hij eindelijk halt hield. Toen we uitstapten, bleek dat we in België terecht waren gekomen. De eerste week logeerden we in Brussel op een doorgangsadres. Daarna gingen we op zoek naar een vrouw van wie we wisten dat ze ergens in Berchem bij Antwerpen woonde. Bij haar mochten we een tijdje logeren. Ondertussen zijn we al acht jaar in België.’ Toch vormde Drita’s vlucht voor de gruweloorlog en de etnische zuiveringen voor de Belgische overheid geen reden om in te gaan op haar asielaanvraag. Ze bleven dan maar zonder verblijfsdocumenten in België. Hedvig, Drita’s zoon, is ondertussen met de Albanese Aphrodite getrouwd. Herolinda is hun dochter. Na het huwelijk kreeg Hedvig eindelijk officiële verblijfspapieren en kon Aphrodite haar schoonouders een legale

108

drita

status bezorgen door een familiehereniging aan te vragen. Ik vraag Drita of ze enig idee heeft waarom haar asielaanvraag een negatief advies kreeg. Tot op de dag van vandaag worden aanslagen gepleegd en mensen vermoord door zowel etnische Albanezen als Serviërs, en dat alles in naam van de geschiedkundige gerechtigheid. Ik kijk richting schoorsteen waar de houten adelaar, het symbool van de Albanezen, de omgeving inspecteert. Drita toont weinig interesse in mijn vraag. Ze haalt haar schouders op. ‘Misschien omdat er vooraf werd afgesproken om maar een deel van de aanvragen positief op te volgen? Misschien omdat ik moslim ben? Wie zal het zeggen?’ Ik merk op dat het voor haar toch niet eenvoudig moet zijn om te horen dat haar versie van de feiten niet aanvaard wordt. Om op ongeloof te stoten, terwijl ze toch enkel maar naar hier kwam door omstandigheden. ‘Ik vind dat héél erg, om niet te zeggen vreselijk. Maar je kan niet anders dan doorzetten. Zelf heb ik me er overheen gezet, maar mijn man kan hier niet aarden. Hij heeft hier geen vrienden en voelt zich buitengesloten. Hij heeft het moeilijk met de taal en vindt op zijn leeftijd geen werk meer. Ikzelf ben tevreden. Heel tevreden zelfs. Dat komt omdat ik werk als thuishelpster gevonden heb. Ik zou hier


natuurlijk opnieuw een opleiding kunnen volgen om weer les te gaan geven, maar gezien mijn leeftijd is dat niet meer voor me weggelegd.’ Ik stel Drita de vraag of ze ooit zou willen terugkeren, als de woelige omstandigheden voorbij zouden zijn. Ze knikt. ‘Natuurlijk zou ik graag teruggaan. Ik woon het liefst ginder. Mijn huis is in de oorlog gespaard gebleven. Het staat nu leeg. Maar stel dat ik daar ben, dan heb ik mijn werk nog niet terug. Hoe moet ik ginds opnieuw aansluiting vinden met mijn vroegere leven? Als dat tot de mogelijkheden zou behoren, dan zou ik het meteen doen. Maar ik heb geen zin om op mijn vijftigste weer helemaal van nul te beginnen. Laat ons zeggen dat ik het aan-

vaard heb. Dat ik me erbij heb neergelegd dat ik vroeger een goede baan had en een mooi huis en dat ik nu alles kwijt ben. Dat ik mijn ouders en mijn dochter heb achtergelaten. Als ik het mocht overdoen, dan zou ik nooit meer vluchten, wat er ook zou gebeuren. Maar ik heb niet het gevoel dat ik toen een keuze had. Nu rest er me enkel sterk te blijven. Ik heb een droom: dat er eindelijk overal vrede komt, ook in mijn land. En dat we allemaal het leven kunnen blijven leven dat we altijd hebben geleefd. Vrede op aarde. Dat wens ik iedereen toe.’ De adelaar op de schoorsteenmantel beweegt heel even met zijn vleugels. Of zag ik dat niet goed?

drita

109


Anna / 52

geboren in Polen, Wroclaw

In een kleurrijke buurt vlakbij het Antwerpse centraal station woont een Poolse vrouw met haar volwassen zoon in een studio. Het bed van de vrouw staat in een klein leefkamertje van twee op vier. Aan de muur hangt een olieverfschilderijtje. Op de tafel brandt een schemerlampje. De donkere meubeltjes en de houten vloer glimmen er van het vele poetsen. Boven de schoorsteen hangt een kruisbeeld met een vergeeld takje. Het heeft iets van een poppenhuis.



Niets is wat het lijkt. De Poolse vrouw is imker en de houten vloer heeft ze de avond voordien zelf gelegd. Haar naam is Anna en ze is afkomstig uit het zuiden van Polen. Anna is deels bij haar vader grootgebracht en deels in een internaat. Thuis heerste er een ijzeren discipline. ‘Dat lag aan mijn vader. Hij was kolonel in het leger. Mijn grootvader had ooit tegen de Duitsers gestreden en was gesneuveld. Mijn vader kon dat niet verkroppen en trok onder de Russische vlag met de Eerste Brigade naar Berlijn. Om wraak te nemen. Hij heeft aan die hele oorlog een zwaar trauma overgehouden. De houding van Anna’s vader lag aan de grondslag van de dood van haar moeder. Die werkte als verkoopster. Anna was drie toen haar moeder de keel werd overgesneden, terwijl ze achter de toonbank stond. ‘Tenminste, dat is wat men mij heeft verteld. Zelf heb ik haar amper gekend. Het gerucht liep dat mijn moeder, voor ze met mijn vader huwde, een vriendje had. Ze koos echter voor een verstandshuwelijk met mijn vader, die van goeden huize was. Omdat papa niet wilde dat mijn moeders vriendje stokken in de wielen zou steken, liet hij hem in de gevangenis opsluiten. Eens de man vrijkwam, nam hij natuurlijk wraak. Mijn moeder moest het met de dood bekopen.’

112

anna

Door de gruwelijke moord op haar moeder verandert Anna’s leven in één klap. Haar vader brengt haar naar een internaat, zeventien kilometer verderop. De kleine Anna neemt het niet slecht op. Ze gaat graag naar school en is een voorbeeldige leerling. In het internaat voelt ze zich thuis. ‘Wanneer je in België over een internaat spreekt, dan zie je de mensen vreemd opkijken. Maar in Polen heeft een internaat een goede reputatie. Mijn school bevond zich bovendien in het midden van een prachtig natuurpark. Ik volgde er een opleiding tot imker.’ Ze rommelt wat in een kastje en haalt een jubileumboekje van de school boven. Met enige trots wijst ze haar naam aan. ‘Kijk, zie je dat?’ en ze wijst haar naam aan. ‘1974, gegradueerde.’ Ze toont me foto’s van het gebouw en van de bijenkorven. Was ze niet bang van die bijen? ‘Nee, ik was helemaal niet bang. Integendeel. Ik vond het leuk. Maar ik begrijp wel wat je bedoelt. Je moet speciale kleding dragen en bepaalde regels volgen.’ Het valt me op dat ze haar studententijd koestert. Ze straalt wanneer ze over ‘haar’ internaat praat. ‘Het was de beste tijd van mijn leven. Ik spreek nog geregeld af met oud-leerlingen en dan halen we samen herinneringen op. Wat heb ik er spijt van dat


Ik hou van Polen. Dat land zit in mijn hart. Maar ik leef waar ik kan werken. In Polen heb ik geen toekomst.

ik na mijn stage als imker meteen getrouwd ben. Dat was niet echt verstandig van me.’ De man met wie Anna trouwt is boekhouder en twintig jaar ouder. Haar leven met hem omschrijft ze in één trefzekere volzin. ‘Met hem heb ik kinderen én ruzie gemaakt.’ Ze lacht flauw. ‘We werkten samen in een huisvestingsdienst van de overheid. Ik was inspectrice bij de administratie en was verantwoordelijk voor zeventien werknemers. Professioneel gezien ging het me voor de wind. Toch was mijn leven een hel. Mijn man bleek een notoir dronkenlap en ik kreeg veel te verduren. Toen de zaken uit de hand liepen, restte me er maar één ding: alles achterlaten en vluchten. Ik nam mijn twee jongens mee. Piotr was veertien en Emil tien. Bestemming: België. Dat was elf jaar geleden.’ Bij aankomst kan Anna meteen aan de slag als poetsvrouw in het zwarte circuit. Ze verdient nog geen drie euro per uur en slooft zich dag en nacht uit om in haar onderhoud te voorzien. Ze huist met de jongens in één kamertje. ‘Het was een kwestie van overleven. Meer kan ik er niet over vertellen. Ik bevond me eigenlijk in een soort van shocktoestand. Ik was overhaast en zonder bezittingen gevlucht en kon niet goed vatten wat me overkwam. Ik leefde en werkte op automatische piloot, bang om mijn jongens tekort te doen.’

Haar verstand staat nog steeds op nul wanneer ze een Belgische man leert kennen. Anna denkt echter dat de redding nabij is. Op het eerste gezicht lijkt haar aanbidder sympathiek en bovendien stelt hij Anna voor bij hem in te trekken. Anna is al een tijdje gehuwd wanneer ze beseft dat er een addertje onder het gras zit. Niets is wat het lijkt. ‘De man was arbeidsongeschikt geraakt na een val op een werf en had het niet breed. Wat erger was, hij zat met een enorme schuldenberg. Dus het meeste van wat ik als illegale poetsvrouw verdiende, vloeide af naar zijn schuldeisers.’ Anna, zeg ik, sta me toe: waarom bleef je bij die kerel? Je had toch al eerder bewezen dat je je uit de slag kon trekken zonder man? Haar blik is gelaten. ‘Je hebt gelijk. Absoluut. Helaas. Het was alsof ik verlamd was. Mijn oudste zoon, Piotr, was ondertussen teleurgesteld terug naar Polen gegaan en ik leverde iedere dag een strijd om de eindjes aan elkaar te knopen. Ik dacht alleen aan werken en rekeningen betalen. Ik luisterde ook naar de rooskleurige praatjes van mijn man. Hij zei me voortdurend dat hij geld van de verzekering zou krijgen voor het ongeval. Hij zou me ooit alles netjes terugbetalen.’ En inderdaad. De verzekering keert haar man een enorme schadevergoeding uit. Ze

anna

113


verhuizen naar een sjiek pand en kopen eindelijk de meubels waar ze al zolang van droomt. Anna wordt voor haar geduld beloond. Of tenminste, dat hoopt ze. Als voorbeeldige huismoeder houdt Anna een huishoudboek bij. Ze houdt de inkomsten en uitgaven nauwlettend in het oog en merkt dat er iets niet klopt. Akkoord, haar jongste zoon studeert en dat kost veel geld, maar er is beduidend minder in kas. ‘Mijn man gaf meer uit dan we hadden. Na een tijdje kwam de aap uit de mouw. Hij was verslaafd aan gokken! Dat nieuws sloeg in als een bom. Jarenlang had ik elke frank omgedraaid en me krom gewerkt terwijl zijn schuldenberg als sneeuw voor de zon was verdwenen. En dan dit. Mijn wereld stortte in.’ Anna’s man beseft dat het verhaaltje uit is. Eindelijk wordt er een punt achter het huwelijk gezet. Emil overhaalt zijn moeder om een legale job te zoeken zodat ze over een eigen inkomen kan beschikken. Hij overtuigt haar ook om terug naar school te gaan. Ze schrijft zich in voor de Nederlandse les. Anna werkt nu met dienstencheques als thuishelpster. Een van de klanten bij wie ze jarenlang werkte, heeft haar geholpen dat te regelen. Ze zou geen andere baan meer willen. Naar sommige adressen reist ze met het openbaar vervoer, en daarvoor moet ze

114

anna

vroeg opstaan. Zelfs daar ziet ze niet tegenop. Haar werkgever voorziet in taallessen en stimuleert haar om opleidingen te volgen. Er wordt plots geklopt en ik hoor een gehaaste stem een en ander murmelen. Anna springt op. Het is haar zoon Emil. Terwijl zijn moeder met zijn uitstekende schoolresultaten uitpakt, neemt hij een stoel en schuift bij. Ik feliciteer hem maar voeg eraan toe dat ik zijn moeder prijs om haar kranigheid en doorzettingsvermogen. Dat ze uit het goede hout gesneden is. ‘Je hebt gelijk,’ zegt Emil. ‘Maar ik heb haar daar nooit van kunnen overtuigen. Ik vond geen gemeenschappelijke taal. Als ik wat zei, was het niet waar. Ze heeft pas erg laat ontdekt dat ze beduveld werd en ze kwam pas in opstand toen het te laat was. Mijn moeder heeft nooit willen inzien dat elke mens twee gezichten heeft. Dat niet iedereen van goede wil is. Daar heeft ze een hoge prijs voor betaald. Langs de andere kant mag je niet vergeten dat ze uit een voormalig socialistisch land komt. Dat betekent dat je geen eigen mening mag hebben. In Polen werd alles geregeld door de staat. Moest je naar het ziekenhuis, dan betaalde je voor elke poot van je bed. Eén poot was zoveel euro, vier poten zoveel. Dat klinkt grappig,


maar het is niet voor niets dat we in Polen een spreekwoord kennen dat zegt: wie wil leven, moet combineren.’ Anna treedt haar zoon bij. Ze legt uit dat alles met bonnen ging. ‘Voor één lolly heb ik een keer vier uur in de rij gestaan. Je begrijpt dat je in zo’n klimaat niet leert om op te komen voor jezelf. We werden onderdrukt en iedereen was gelijk voor de wet.’ Ze staat op en trekt de commode open. Uit een kartonnen doosje gevuld met watten

diept ze een zilveren hangertje met een kruisje op. Ze houdt het als een hoopje zand in haar handpalm. ‘Dit is mijn geloof. Daardoor houd ik stand. Ik hou van Polen. Dat land zit in mijn hart. Maar ik leef waar ik kan werken. In Polen heb ik geen toekomst. Af en toe keer ik terug omdat ik Piotr mis, maar eenmaal ik daar ben, weet ik dat de dingen nooit meer hetzelfde als voorheen zullen zijn. Maar ik ben Poolse, dus hou ik me sterk.’

anna

115


Daniella / 22

geboren in België, Ekeren

Putje winter liep ik Daniella tegen het lijf. Het jonge meisje had een koperbruine paardenstaart. Ze stond op een receptie geprangd tussen wat collega’s en viel nauwelijks op. Toen ik haar vroeg of ze aan een boek wilde meewerken, wist ze niet waar kijken. Enkele vrouwen porden haar in de zij. ‘Als je niet durft, gaan we met je mee.’ Ik noteerde haar naam op een stukje papier.



Zes maanden later zit een lachende Daniella voor me. Ze stelt haar deelname aan het interview allerminst in vraag. Integendeel. Daniella is een waterval van woorden. Het wordt een monoloog. Daniella’s verhaal begint in een gewoon gezin in het Antwerpse. Haar vader is magazijnier, haar moeder poetsvrouw. Samen hebben ze twee dochters. Daniella is de jongste. Ze is, in tegenstelling tot haar oudere zus, verlegen en onzeker van aard. Toch kan ze met iedereen redelijk goed opschieten. Toen er op school een klasgenootje buitengesloten werd, kreeg Daniella het te kwaad. De gebeurtenis was voor haar het startsein om afstand van de anderen te nemen. Ze besloot zich weg te stoppen voor de grote boze buitenwereld. De terughoudendheid van Daniella kwam echter niet uit de hemel gevallen. Ze vond eerder al een voedingsbodem in de onredelijke driftbuien van haar moeder. Als kind werd ze er dagelijks mee geconfronteerd. Het maakte haar erg onzeker. ‘Ik wil er niet zo veel over kwijt,’ zegt Daniella, en ze slaat met haar hand haar woorden in de wind. ‘De relatie met mijn moeder was niet zoals ze moest zijn. Mijn moeder zat niet goed in haar vel. Ze was erg negatief ingesteld en vaak onredelijk. Vooral mijn oudere zus leed

118

daniella

daaronder. Ikzelf begreep nooit goed wat ze precies wilde. Ze veranderde veel van gedacht. Haar woorden waren kwetsend en haar gedrag woog op het hele gezin.’ De relatie met haar vader daarentegen hield gelukkig stand. ‘Met mijn vader heb ik een sterke band. Hij nam het misschien wat te weinig op voor zijn kinderen, maar hij had het dan ook niet makkelijk met mijn moeder. Mijn pa heeft veel voor mijn moeder moeten zorgen, vooral toen ze zo ziek was. Door haar ziekte bleef ze de laatste jaren thuis.’ Daniella’s moeder overleed uiteindelijk op drieënvijftigjarige leeftijd aan botkanker, na een pijnlijke strijd die een stempel drukte op het hele gezin. Daniella’s zus herpakte zich na het overlijden en ging voor verpleegster studeren. Daniella echter wist niet meer van welk hout pijlen maken en zonk weg in een depressie. Eindeloos piekerde en piekerde ze, maar dat bracht geen soelaas. Ze geraakte geïsoleerd en kwam amper nog buiten. De koekentrommel en de snoepdoos werden haar beste maatjes. De sofa schonk haar de geborgenheid die ze sinds lang miste. Ik vraag Daniella of ze er zich van bewust is dat de moeilijke tijd met haar moeder haar misschien anders maakte dan de meeste jongeren van haar leeftijd. ‘Ja, dat denk ik wel. Ik was minder kinds. Ik dacht meer na


Je moet die bijzondere kracht vinden om iets van je leven te maken. Het is in feite een beslissing die je zelf neemt. Iedereen kan zijn zegje doen, maar jij beslist uiteindelijk wat het wordt.

over de dingen. Urenlang zonk ik weg in mijn gedachten. In mijn klas zag ik dat verschil ook. Ik liep school in het buitengewoon onderwijs waar ik een opleiding grootkeuken volgde. Ik had eigenlijk maar één vriendinnetje, dat was Elke. Verder was er nog Dieter. Met hem heb ik ook na mijn schooltijd nog contact gehad.’ Daniella zocht een baan als keukenhulp, maar die banen liggen niet voor het rapen. ‘Ik heb minstens vijftig of zestig brieven geschreven. Ik contacteerde rusthuizen en bedrijven maar ik kreeg steeds negatieve reacties. De weinigen die me antwoordden, gebruikten het argument dat er geen plaats meer was. Maar ik geloof hen niet. Ik denk eerder dat ze me niet wilden omdat in mijn brief stond dat ik ooit in een beschutte werkplaats heb gewerkt. Misschien dachten ze wel dat ik mentaal gehandicapt was of dat ik niet hard genoeg kon werken.’ Ik suggereer dat ze dat gegeven in haar brieven ook gewoon had kunnen weglaten. Daniella grinnikt. ‘Ja, maar daar heb ik toen niet aan gedacht. En het is natuurlijk ook zo dat ik over een document CAO 26 beschik. Dat is een papier voor mensen met een lichte handicap.’ Wanneer ik vraag wat men verstaat onder zo’n lichte handicap, begint Daniella opnieuw te giechelen. ‘Dat weet ik

eigenlijk niet zo goed. Wat ik wel weet, is dat ik trager ben dan de anderen. Maar of dat nu zo’n probleem is... voor mij althans niet. Eerder voor mijn tweelingzusje.’ Ik spits mijn oren. Daniella heeft me niet eerder over een tweelingzus gesproken. Of is me een stuk van het verhaal ontgaan? Ik vertel haar dat ik ook de helft van een tweeling ben. Wij blijken beiden nietidentieke tweelingen te zijn. Het schept een band. Daniella aarzelt nu geen minuut meer om me over haar zus te vertellen. ‘Onze geboorte liep niet van een leien dakje. De bevalling werd ingeleid. Ik werd als eerste geboren. Toen het de beurt aan mijn zusje was, ging er iets mis. De dokter greep niet snel genoeg in en mijn zusje kreeg te weinig zuurstof. Haar hersens zijn voor tachtig procent beschadigd. Als kind gingen wij nog samen naar school maar uiteindelijk hebben mijn ouders haar naar een instelling gebracht. Voor hen, zoals voor velen, was de zorg een te zware opdracht.’ Daniella’s verhaal stokt. Ze kijkt opzij, ontwijkt mijn blik. Het lijkt erop dat ze niet meer verder wil vertellen. Er volgt een lange pauze. Uiteindelijk pikt ze de draad weer op. ‘In het begin had ik het daar erg moeilijk mee, ik voelde me er schuldig over. Nu ben ik blij voor haar dat ze daar kan zijn. Hoeveel

daniella

119


gehandicapten staan er niet op wachtlijsten om een plaatsje in een instelling te bemachtigen? Nee, het heeft geen zin om me daar schuldig over te voelen. Dat is ooit wel eens anders geweest. Mijn moeder kon het verleden niet loslaten en was bitter geworden. Dat gevoel droeg ze over op mij. Het was voor mij een hel om te weten dat ik geen hersenbeschadiging had, en mijn tweelingzusje wel. Hoewel het eigenlijk toch om een medische fout ging. Voor mij had het andersom mogen zijn. Ik had graag haar handicap willen overnemen. Toch kan je dat niet eeuwig op je schouders dragen. Ik heb er uiteindelijk voor gekozen om me daar niet meer schuldig over te voelen. Ik heb de draad van mijn leven terug opgepakt. Ik werk als thuishelpster en ik heb het me nog geen dag beklaagd. Het was natuurlijk wel even wennen. De eerste weken viel ik ’s avonds gewoon met mijn kleren aan in slaap.’ Het was een oud klasgenootje van Daniella dat met de vacature aan kwam zetten. Op een dag vond hij op het internet iets over dienstencheques. Hij gaf haar het adres. Ze solliciteerde en twee maanden later werd ze gecontacteerd. ‘Ik hing toen al drie jaar tussen het snoepgoed in de zetel en had geen enkel doel meer. Hoe meer je thuis zit, hoe nuttelozer je je voelt. Als ik al buiten-

120

daniella

kwam dan was het om in de Aldi op strooptocht te gaan.’ Ik zeg Daniella dat ze best wel trots op zichzelf mag zijn. Ze is tenslotte toch een moeilijke periode doorgekomen. Ze krabt zich in het haar en kijkt me onwennig aan. Dan wordt ze zichtbaar verlegen. ‘Tja, nu je het zegt. Ik heb dat overleefd. Ik hield het vol omdat mijn oudere zus en mijn vader me hoop gaven. Sinds ik een kans op de arbeidsmarkt heb gekregen, is er een wereld voor mij opengegaan. Zeker en vast. Als de poetsdienst niet had bestaan, dan was ik waarschijnlijk gestorven van ellende.’ Daniella staart onophoudelijk uit het venster. Ze herhaalt haar woorden alsof ze het zelf amper kan geloven. ‘Keiveel snoepen, dat ik deed. En zitten. Thuis zitten. Met het gevoel dat je niets kunt, dat je niets waard bent. Elke dag thuis was een verloren dag voor mij. Ik kwam niet op het idee dat ik zelf iets kon gaan doen. Ik wist niet waar het leven over ging. Misschien was ik toen wel moe in mijn hoofd.’ Ze grinnikt alweer. ‘Het werken heeft me meer zelfvertrouwen gegeven en daardoor heb ik meer mensen leren kennen. Ik heb sinds een tijd ook een vriendje en ik ben dertien kilo afgevallen. Dat ik gewicht verloor, komt ook door het poetsen. Door


bezig te zijn. Ik wacht nu op het juiste moment om een opleiding te beginnen. Ik wil wel eens met een computer leren werken. Wanneer vroegere kennissen me nu soms tegenkomen, dan schrikken ze. Ze zien dat ik gelukkiger ben dan vroeger. Ik ben op mijn pootjes terechtgekomen. Ik heb geleerd dat wanneer je in de zetel gaat hangen en

wacht tot er iets verandert, je niet vooruitkomt. Je moet er natuurlijk wel iets voor doen. Je moet die bijzondere kracht vinden om iets van je leven te maken. Het is in feite een beslissing die je zelf neemt. Iedereen kan zijn zegje doen, maar jij beslist uiteindelijk wat het wordt.’

daniella

121


Mercedes / 43

geboren op de Filippijnen, Escalante

‘Een “economisch toerist” noemden ze mij.’ Mercedes spert haar ogen wijd open en roept tamelijk luid: ‘Nee, niet terrorist, toerist!’ Ze kijkt gemaakt ernstig en proest het dan uit. Mercedes houdt van een kwinkslag. Maar er schuilt een bikkelharde doorzetter in de goedlachse vrouw die voor me zit.



‘Ik ben in 1988 naar België gekomen met een visum voor enkele dagen. Ik ontvluchtte mijn land omdat het weinig toekomstmogelijkheden bood. Ik liet ginder alles achter: mijn spullen, mijn familie, mijn man en mijn kinderen. Vraag me niet of dat moeilijk was, want dat is onbeschrijflijk. Dat is hels. Maar je verlaat je land met maar één doel: je kinderen een betere toekomst bieden. Het is “bijten”.’ Ze kijkt me doordringend aan. Ik kijk niet weg. Ik weet dat ze ‘doorbijten’ bedoelt. Ze maakt een vuist en steekt ze in de lucht. ‘Bijten,’ herhaalt ze. Dat betekent: overleven, vechten, doorgaan. Nooit achteromkijken.’ ‘Ik wist dat ik in België makkelijk werk kon vinden want mijn zus werkte hier als poetsvrouw. Bij mijn aankomst trad ik onmiddellijk in dienst bij een Libanese zakenfamilie. Vijf dagen na mijn aankomst was ik al een illegale poetshulp in dienst van een diamantair. Over dat gezin heb ik niet te klagen. Integendeel. Hoewel het niet in hun aard lag om me af en toe een schouderklopje te geven, kon ik altijd op hen rekenen. Ook wanneer ik geld nodig had.’ ‘Ik was ongeveer één jaar in België, toen ik telefoon kreeg. Mijn echtgenoot was overleden. Ik huilde emmers vol tranen. Mijn droefheid ging niet onopgemerkt voorbij in

124

mercedes

het Libanese gezin. De diamantair bezorgde me reisdocumenten en liet me terstond naar de Filippijnen afreizen. Ik regelde er de uitvaart en handelde de papierwinkel af. Na drie maanden kwam ik terug naar België en ging meteen weer bij dezelfde familie aan de slag. Die Libanezen, die zagen mij doodgraag. Het was een familie uit de duizend.’ ‘Na een tijd begon ik me vragen te stellen over mijn situatie. Ik was jong, alleen en twee jaar illegaal. De Belgische wetgeving liet me niet veel keuze. Als ik hier wilde blijven, moest ik mijn verblijf regulariseren. Tijdens het weekend bezocht ik wel eens een discotheek met vriendinnen. Zo leerde ik Fatah, een Iraniër kennen. Ik werkte toen op meerdere adressen. Soms poetste ik op één dag in drie verschillende huizen. Om negen uur ‘s morgens ging ik aan de slag en om tien uur ‘s avonds opende ik eindelijk de deur van mijn huiskamer. In mijn spaarzame vrije tijd maakte ik afspraakjes met Fatah. Ik werd stapelverliefd op hem en hij op mij. Het duurde niet lang of we gingen samenwonen. Maar je begrijpt dat ik niet eeuwig illegaal kon blijven. Ik heb hem toen voor de keuze gesteld. Ik zei: ‘Kijk, ik hou van jou. Dus als jij ook van mij houdt, dan kunnen wij beter trouwen.’ We hebben onze documenten bij elkaar gezocht en zijn naar het stadhuis


Ik liet ginder alles achter: mijn spullen, mijn familie, mijn man en mijn kinderen. Vraag me niet of dat moeilijk was, want dat is onbeschrijflijk.

gegaan. Ik kon aan mijn nieuwe leven beginnen.’ ‘In die tijd was het zo dat men in sommige gemeenten geen rekening hield met je verblijfsstatus wanneer je wilde trouwen. Ik was dus getrouwd ondanks het feit dat ik illegaal was. Dat betekende dat ik daarna wel terug naar de Filippijnen moest om een visum voor België te halen. De gemeente gaf me een document waarop stond te lezen dat ik onmiddellijk het grondgebied diende te verlaten. Ik trok daarop naar een advocaat en gaf hem vijfduizend frank. Ik dacht dat hij er misschien voor kon zorgen dat ik niet heenen-weer moest reizen voor dat visum. De man liet me betalen maar ik bleef in de kou staan. Drie maanden zat ik te wachten op een seintje van hem. Toen ik hem contacteerde, kreeg ik te horen dat ik illegaal was en het grondgebied moest verlaten. Tja, dat wist ik eerder ook al!’ Mercedes wordt nog steeds kwaad wanneer ze erover begint. ‘Weg vijfduizend frank! Ik was woedend. Op de luchthaven kocht ik een ticket ‘heen-terug’ naar de Filippijnen. Daar werd ik meteen aangehouden door de immigratiepolitie. Ze wilden alles van naaldje tot draadje van me weten. Hoe het zat met mijn documenten, hoe het kwam dat ik als illegaal zo’n vliegtuigticket had kunnen

kopen, waarvan ik leefde, alles erop en eraan. Wat moest ik hen in hemelsnaam vertellen? ‘Ik heb hen gezegd dat ik in Nederland werkte. Dat ik maar een passant was. Ik had immers geen keuze. Ik had een job en een man in België. Dat kon ik niet op het spel zetten. Waarschijnlijk dacht de immigratiedienst dat ik in de prostitutie zat of iets met mensenhandel te maken had. Een heel gedoe. Zij waarschuwden me dat ik geen voet terug in België mocht zetten. Maar ik had dat retourticket toch betaald? Eens op de Filippijnen, ging ik alles uitleggen op de Belgische ambassade. Gelukkig had ik mijn trouwboekje bij me. Ik kreeg een visum voor drie maanden. Terug in België werd ik op het gemeentehuis meteen ingeschreven in het bevolkingsregister.’ Ik vraag haar of het geen hele opgave was om in een land met een andere cultuur ook nog eens een man te huwen met een voor haar vreemde cultuur. ‘Neen, helemaal niet. Dat ik mijn man leerde kennen, was eigenlijk geen toeval. Hij was een klasgenoot van een van mijn vriendinnen. Ze zaten samen op Nederlandse les. Wij zijn in 1991 getrouwd en nog altijd samen. Ik kan het erg goed met hem vinden.’ Gepassioneerd vertelt ze me over haar ware Jacob. ‘Fatah is een vluchte-

mercedes

125


ling. In Iran was hij activist in de periode na de Sjah. Zijn verhaal stond toen zelfs in een Belgische krant. Hij had in zijn thuisland een textielzaak. Hij heeft ook alles achtergelaten. Hij studeerde indertijd sociologie en had het moeilijk met het fundamentalisme dat zijn intrede deed.’ Uit haar eerste huwelijk heeft Mercedes twee kinderen. Ze heten Mary Grace en Rusty. Engelse namen, merk ik op. ‘Wij, Filippijnen, wij dwepen met de Yankees. Net zoals de zwarten zijn wij altijd gekoloniseerd. Eerst door de Spanjaarden. Die meerden drie eeuwen terug bij ons aan. Van die Spanjaarden hebben we nog steeds onze manier van tellen. Cijfers drukken we dus uit in het Spaans. Maar de kapitein van hun schip, dat was Magellaan. Een Portugees! Dan weet je het wel zeker? Onze regering is altijd al afhankelijk geweest van anderen. Nu van Amerika. Er is zelfs een Amerikaanse basis in het noorden van de Filippijnen. Daarom is onze tweede taal het Engels.’ Als we dieper ingaan op haar rol als moeder, krijgt Mercedes het beduidend moeilijker. ‘Mijn jongste kind was negen maanden oud toen ik de Filippijnen verliet. Ik gaf nog borstvoeding, kan je je dat voorstellen? Mary Grace was vijf. Dat ik mijn kinderen ginds achterliet, heeft me het hardst geraakt.

126

mercedes

Tijdens mijn eerste werkdag moest ik babysitten op kinderen die dezelfde leeftijd hadden als de mijne. Ik vloekte. Potverdomme! Zit ik hier te babysitten op de kinderen van een ander terwijl mijn eigen kinderen op de Filippijnen zonder moeder zitten. Allez, da kan toch ni! Maar wanneer je zo’n beslissing neemt, denk je niet na over de gevolgen ervan. En zelfs wanneer je de consequenties ervan kent, dan ga je nog door. Ik zag mijn kinderen pas terug toen ik eindelijk over verblijfsdocumenten beschikte. Ze waren na de dood van mijn man bij mijn schoonfamilie blijven wonen. Ik was daar niet gerust op. Ik heb de kinderen bij mijn moeder gezet… ‘Gezet,’ zeg ik, dat klinkt zo raar. Maar zo bedoel ik dat niet. Ik kon de gedachte niet verdragen dat ze bij mijn schoonmoeder waren. Toen mijn dochter negentien werd, en mijn zoon vijftien, heb ik hen allebei naar België laten komen.’ ‘Mijn dochter studeerde op de Filippijnen voor verpleegster. Mijn moeder voedde haar streng op. Mijn dochter had het daar moeilijk mee. Dat was de druppel voor mij. Mijn dochter was een jong, modern meisje en mijn moeder had nog ideeën van in de jaren veertig. Dat ging niet zonder slag of stoot. Ik heb mijn kinderen bij mijn moeder weggehaald en naar hier gebracht. Dus dat is achter


de rug. Pas op, bij ons gaat de deur niet voor eeuwig dicht als er een probleem is. Hier maak je ruzie en niemand bekijkt je ooit nog. Ginder duurt dat maar een tijdje. Dat is het verleden. Dat vergeten we.’ We nemen afscheid van elkaar. Binnen enkele dagen zullen we het gesprek voortzetten. Ik vraag haar of ze het niet moeilijk heeft om haar verhaal plots te onderbreken. ‘Neen, waarom? Ik zei het net, dat is het verleden, dat is voorbij. Ik sta daar niet lang bij stil.’ Haar optimisme blijft me de hele dag bij. Enkele dagen later duikel ik onverwachts het strijkatelier binnen. In de keuken zitten Mercedes en de Marokkaanse Ikram samen met de Vlaamse Nadine te kletsen. Mercedes

en ik trekken ons terug om verder te praten. ‘Ik heb altijd als een gek gewerkt. Fatah ook. Daarom wilden we geen kinderen. Als buitenlander moet je veel geld naar je thuisland sturen. Mijn geld gaat naar de Filippijnen. Dat van mijn man naar Iran. Als strijkster verdien ik geen bergen maar met kleine beetjes kan ik mijn familie ginds helpen. Eerst had ik een baan als uitzendkracht. Dat wil zeggen dat je geen geld hebt als er geen werk voor je is. Recht op stempelgeld heb ik niet want vroeger heb ik nooit officieel gewerkt. Ik hielp mijn man in de zaak, een videotheek. Maar mijn rekeningen stoppen niet, hé? Die gaan niet met vakantie. Mijn mond trouwens ook niet! Dus ik

mercedes

127


was wat blij toen Luz, onze ploegbaas, mij een job in het strijkatelier aanbood. Wij hebben een reuze toffe bazin, Monique. Zij is onze “moeder”. Ik noem haar wel eens onze Wailing Wall, onze klaagmuur. Bij haar kunnen we altijd terecht. Ze speelt geen baas, ze is als een van ons.’ Mercedes begint om zes uur ’s morgens met strijken en eindigt vroeg op de dag. Zo rest haar tijd om boodschappen te doen of te koken. In het weekend is ze vrij. ‘Had ik dit werk eerder kunnen doen, dan was het nog beter geweest,’ legt ze uit. ‘Onze videotheek liep niet meer goed. Met de komst van de nieuwe technologie zit er geen toekomst meer in video’s. We hebben de zaak van de hand gedaan en mijn man zit nu een tijdje in

128

mercedes

Iran. Mijn man en ik, wij vertrouwen elkaar. Soms ga ik naar de Filippijnen, soms gaat hij naar Iran. Binnenkort komt mijn man terug en dan gaan we onze toekomst plannen. Hij wil ginds een zaak beginnen. Het is daar mooi weer. Maar ik voel me hier thuis, ik vind het hier leuk. In Iran bemoeit het regime zich met alles. Dat ik daar een sluier zou moeten dragen, dat is nog niet eens erg. Maar er is daar geen vrijheid!’ ‘Ik heb in het strijkatelier een kans gekregen en ik vind het spijtig dat ik die kans niet eerder heb gehad. Maar voorbij is voorbij. Ik accepteer dat. Mijn paspoort blijft mij het dierbaarst. Daarmee kan ik bewijzen dat ik iemand ben. Want hoe moest ik dat anders voor mekaar krijgen? Ik ben niet blank, hé!’



Ikram / 21

geboren in Marokko, Beni Chikar

Ze komt uit het noorden van Marokko. Sinds ik haar ontmoet heb, zit haar tere wezen in mijn geheugen gegrift. Ze is jong, slank en oogt af en toe zelfzeker, een tikkeltje brutaal zelfs. Haar alerte blik zit vol verlangen. Een verlangen naar geluk, naar vriendschap, naar zekerheid. Ze doet me denken aan een jong poesje. Een warm, afhankelijk poesje, dat me met een schuin kopje overal volgt. Ik heb een boon voor dit Berbers meisje.



‘Ki’smitiek? Hoe heet je?’ Ik vraag het haar in het Marokkaans om het ijs te breken. ‘Ikram,’ fluistert ze, alsof niemand het mag horen. Dan schraapt ze haar keel en verbetert vastberaden mijn uitspraak. Ze voegt er nog wat zinnetjes aan toe. Ik zeg haar dat ik ook Frans spreek, als dat haar kan helpen. ‘Pfft! Frans! Vergeten! Alles vergeten!’ Maar Spaans kent ze als de beste. ‘Kunnen we Spaans praten?’ Ik moet haar teleurstellen, maar ze laat zich niet kennen. ‘Ken je Marokko zo’n beetje?’ Nog voor ik ja kan knikken, gaat ze verder. ‘Dan heb je zeker al gehoord van Melilla. Ik werd geboren in Beni Chikar, een klein dorpje niet ver van Melilla.’ ‘Het noorden van Marokko viel vroeger onder Spaans bewind. Nu maakt het opnieuw deel uit van Marokko, maar Melilla is altijd een Spaanse enclave gebleven. Op mijn twaalfde stuurde mijn vader me naar de enclave. Ik kwam er terecht in een Spaans gezin. Hoewel ik zelf nog een kind was, werd ik er kinderoppas en deed ik er het huishouden.’ Ik schrik. Dit is niet het verhaal dat ik van haar verwachtte. Moet een twaalfjarig meisje in een Marokkaans dorpje niet zorgeloos hartjes in een houten schoolbank kerven? Loopt een kind van die leeftijd niet het liefst gearmd met haar vriendinnen door

132

ikram

het dorp? ‘Wilde je niet liever naar school?’ laat ik me ontvallen. Ikram zet zich schrap. ‘Ach, weet je. Zie dat niet verkeerd. Als je in Marokko komt, zie je prachtige landschappen maar ook schrijnende armoede. Dat is de realiteit. Als je geen geld hebt, ga je zoiets wel doen. Ik ging naar school tot mijn twaalfde. Om naar het secundair onderwijs te gaan, had je geld nodig. Bovendien kon je alleen voortstuderen in een stad verderop. Dat is duur. Wij meisjes, wij kunnen niet zomaar naar school gaan, begrijp je? Wij mogen niet reizen op ons eentje. De enige mogelijkheid is een taxi nemen.’ ‘Mijn papa had daar geen geld voor. Als ik in dienst trad bij die Spaanse dame kon ik geld verdienen. Dat konden mijn ouders dan gebruiken om hun huis te bouwen. Waarom zou ik mijn ouders niet helpen? Zelf genoot ik van kost en inwoon in Melilla. Ik kreeg van het Spaanse gezin ook nog kleren en makeup, zoveel ik wilde. Zeven jaar lang heb ik dat gedaan. Tot ik mijn man leerde kennen.’ Ze stemde zelf in met het huwelijk, krijg ik trots van haar te horen. Haar man is een Belg, een Marokkaanse jongeman met Belgische nationaliteit. Hij woont al sinds zijn geboorte in Borgerhout. Ieder jaar kwam hij met vakantie naar Marokko. ‘Toen ik negentien was, heb ik een keertje met hem gepraat.


Nu ben ik rustiger geworden vanbinnen. Een klein stukje van me blijft onrustig, maar ik heb mijn lot aanvaard. Ik moet me erbij neerleggen. Ik wil gelukkig zijn.

Hij beviel me. In 2003 zijn we getrouwd en ben ik met hem naar België afgereisd.’ Terwijl ze haar leven schetst, graaiend in een hutsepot van lange en korte woorden, moeilijke en makkelijke zinnen, Franse, Spaanse en Vlaamse zinswendingen met een Berberse tongval, glijdt mijn aandacht af. Ik denk aan de vele Marokkaanse bruiloften die ik mocht meemaken. Aan gescheiden kamers voor mannen en vrouwen, zoete lekkernijen, opzwepende muziek en keelschorre vrouwenstemmen die traditionele verzen kirren. ‘Had je veel genodigden op je huwelijksfeest?’ vraag ik nieuwsgierig. ‘Een feest? Ik heb geen feest gegeven. Niet in Marokko, niet hier. Nee, dat is niets voor mij. Mijn man en ik vinden dat niet leuk. Dat is veel tralala voor een pak geld. Je moet een heleboel mensen uitnodigen. Daar kan je heel wat huizen voor kopen. Onze families en vrienden waren natuurlijk slechtgezind. Maar wij houden van simpel. Wij hebben die dag samen gegeten in familiekring, gewoon zoals op andere dagen. Met het geld dat we uitspaarden, konden we een huis in Borgerhout kopen. In het benedenhuis heeft mijn schoonvader een winkel geopend en wij wonen boven.’ De eerder onschuldig ogende Ikram zit nu heel wat zelfzekerder voor me. Ze heeft een

volwassen kijk en weet de zaken raak te formuleren. ‘Ik heb nu een mooi groot huis, dus ik ben tevreden. Hoewel, als ik mezelf dat zo allemaal hoor vertellen, dan klinkt het stoer. Maar het is ook zo dat ik niet anders kan dan hier blijven. Want ik heb hier een leven opgebouwd! In het begin heb ik het echt moeilijk gehad in België. Als ik daar aan terugdenk... Nochtans heb ik een goede man. Hassan is vierentwintig, spreekt Spaans en Nederlands en heeft twee diploma’s. Hij is verstandig. Maar die begintijd zal ik niet licht vergeten. Soms liep ik boos rond. Of ik huilde. Ik vond het niet leuk dat ik in een land zat waar niemand met me wilde spreken, behalve wanneer ik Nederlands sprak.’ Ze trekt haar gezicht in een grimas. ‘Ik miste mijn familie, de warmte van een gezin. Gelukkig toonde mijn man veel begrip. Hij stelde me zelfs voor om voor een tijdje naar Marokko te gaan, om mijn familie te zien en wat te genieten. Ik heb dat geweigerd. Ik ben gebleven. Ik heb echt geluk gehad dat ik op dat moment kon steunen op mijn man. Hij is lief en hij blijft altijd kalm. Nu ben ik rustiger geworden vanbinnen. Een klein stukje van me blijft onrustig, maar ik heb mijn lot aanvaard. Ik moet me erbij neerleggen. Ik wil gelukkig zijn.’ Er volgt een lange stilte.

ikram

133


‘Toch ben ik liever ginder, dat is erg.’ Ze stopt weer met praten. Het lijkt alsof ze tussen twee gevoelens schippert. Tussen twee continenten, tussen hier en daar. Ze wikt en weegt. Ze komt telefoonboeken vol woorden tekort. Hoe kan ze me ooit precies vertellen waar het op staat? Ze laat haar vingers zoekend over het tafelblad glijden. Ik voel haar twijfel. Ik voel dat ze alles op alles zet om er het beste van te maken. ‘Denk niet dat ik hier ongelukkig ben,’ herpakt ze zich. ‘Dan zou ik meteen teruggaan. Hassan staat altijd voor me klaar. Zijn familie is ook erg lief voor mij. Wij hebben één jaar met hen samengewoond en dat verliep heel goed.’ ‘Bij mijn schoonfamilie draag ik trouwens een hoofddoek. Dat is een kwestie van respect. Daar heb ik zelf voor gekozen. Marokkaanse mannen in België vinden dat een getrouwde vrouw een lang kleed en een sjaal moet dragen. Dus doe ik dat. Ik respecteer mijn schoonvader. Het stoort me niet. Ik draag die sjaal met plezier.’ Opnieuw die onzekerheid. Het vormt de rode draad door Ikrams’ levensverhaal. Ikram heeft nu een volwassen leven in een vreemd land, met andere gewoonten en tradities. Maar heeft ze ooit een jeugd gehad? Ik wenste dat ik gedachten kon lezen. Het valt me op dat Ikram zich toch uit de

134

ikram

slag weet te trekken in het Nederlands. Ze heeft twee jaar Nederlandse les bij Open School gevolgd. Met dezelfde gedrevenheid die ze voor haar taallessen had, ging ze ook op zoek naar werk. ‘Ik trok mijn stoute schoenen aan en ging naar de VDAB. Maar werk wilden ze me daar niet geven. Ik moest eerst een opleiding volgen. Naar school gaan om te leren schoonmaken! Nee, dan waren ze bij mij aan het verkeerde adres. Ik weigerde. Ik wilde onmiddellijk werken. Gelukkig kwam ik terecht bij Werkwijzer in Borgerhout. Daar werkt een fantastische vrouw die al het mogelijke deed om me aan een job te helpen. Eerst zou ik poetsen bij particulieren. Ze gaf me documenten en stuurde me naar verschillende huizen. Ik rende van hot naar her. Poetsen op zich vind ik prima, maar steeds van de ene plaats naar de andere pendelen, dat zie ik niet zitten. Bij mensen thuis heeft men ook niet snel vertrouwen. Zo‘n cliënt zit dan op je werk te kijken en je te controleren. Dat heb ik niet graag. Je moet elkaar respecteren. Toen stelde Werkwijzer me voor om het eens bij een strijkatelier te proberen. De bazin wilde me ontvangen en ik mocht één dagje komen strijken. Daarna zou ze me bellen. Twee dagen later kreeg ik al het verlossende telefoontje: ik mocht beginnen. Ik poets


graag, maar strijken doe ik liever. Soms zit er wel eens een moeilijk kledingstuk bij maar meestal is het makkelijk werken.’ ‘Met mijn collega’s is het zááálig samenwerken. Zo gaat de tijd snel voorbij. Dan vergeet ik dat ik mijn familie mis. Als ik aan mijn zusjes en broertjes denk, dan breekt mijn hart. Wij hadden dan misschien niet veel geld, maar mijn familie, mijn vriendinnen en mijn land, dat was alles voor me. Nochtans heb ik niet veel tijd met mijn familie doorgebracht. Toen ik in Melilla woonde, kwam mijn papa maar heel af en toe langs om me te bezoeken. Hij had papieren en mocht de enclave in. Zelf kon ik er niet weg. Het ontbrak me aan documenten om de grens

over te steken. Het was heel zwaar voor mij om zonder mijn familie te leven. Op mijn vijftiende heb ik officiële papieren gekregen en kon ik eindelijk af en toe naar huis. Twee weken, drie weken en dan weer terug.’ Ikrams’ gezicht klaart meteen weer op als ze over het strijkatelier spreekt. ‘Ik mag me gelukkig prijzen dat ik een toffe bazin heb. Als ik zorgen heb of iets niet begrijp, dan ga ik meteen naar haar. Zelfs mijn collega’s stonden van bij de start voor me klaar. Met Mercedes heb ik het meeste contact. Ik beschouw haar als een zus. Soms voel ik me eenzaam of zit ik thuis boos te wezen en dan bel ik haar op. Mercedes is een en al oor voor me. Ik werk nu vier maanden in het

ikram

135


strijkatelier en geen haar op mijn hoofd denkt er nog aan hier weg te gaan. Of wacht… stel nu dat ik de Lotto win, dan zal ik niet aarzelen.’ Ze kijkt alsof ze de loterij al gewonnen heeft. ‘Dan ben ik weg natuurlijk! Meteen het vliegtuig op naar elders. Ik hou niet van dit land. “Veel koud” en altijd maar zeuren over dat Nederlands leren. En dan die huizen, verschrikkelijk! Tweehonderdduizend euro kosten ze je, en dan moet je ze nog helemaal renoveren. In Spanje was alles tenminste stevig gebouwd en gloednieuw. Hier zijn de vloeren van karton. In België is

136

ikram

het ook moeilijk om werk te vinden. En of je nu veel of weinig verdient, er gaat veel te veel naar de belastingen.’ Dan mindert ze vaart. De twijfel doemt opnieuw op. ‘Al bij al heb ik niet te klagen. Mijn loon is niet slecht. En een stuk ervan gaat naar de sociale zekerheid voor de mensen die het minder goed hebben. Zoiets vind ik ook belangrijk.’ Ikram houdt haar hoofd schuin en kijkt me afwachtend aan. ‘Eigenlijk ben ik best gelukkig met het leven dat ik leid. Ja, het gaat best goed met me.’ Ik wenste dat ik gedachten kon lezen.



Luc / 39

geboren in België, Wilrijk

‘Ik wou mijn ziel niet aan de duivel verkopen. Ik wou mijn tijd zelf invullen, op een positieve manier. Werken kwam niet voor in mijn woordenschat.’ Luc duwt een fictief karretje voor zich uit. Het is tot aan de rand geladen met gevoel, maar verpakt in heldere volzinnen. Zonder aarzelen vertelt hij over zijn hart en de keuzes die hij maakte. Luc is chauffeur.



‘Ik heb nooit eerder in mijn leven gewerkt. Ik had er geen zin in. Als jonge gast beschouwde ik werken als een plicht. Het had een negatieve bijklank. Wanneer ik daar nu bij stilsta, dan weet ik dat ik kwaad was. Kwaad op de wereld. Ik begreep niet hoe de wereld in elkaar stak. Ik was jong en vond mijn plaats in de samenleving niet. Daarom besloot ik zelf met mijn tijd om te gaan. Ik vulde hem met dingen waarvan ik vond dat ze de moeite waard waren.’ Met passie vertelt Luc over zijn projecten. ‘Het ging om vrijwilligerswerk. Zo startte ik, samen met andere jongeren, een centrum op. Het heette ‘De We-Ik’, de ‘wijk’, en het was een open huis voor randgroepjongeren. Het heeft maar twee jaar bestaan maar op die korte tijd hebben wij veel jongeren bij elkaar gebracht en hen de kans gegeven om op een constructieve manier uiting te geven aan hun verlangens en ideeën. Ik wilde dat wij als jongeren gehoord werden en dat met onze wensen rekening werd gehouden bij het vormgeven van de samenleving.’ ‘Wij waren voortdurend in de weer het leven in de stad leefbaarder te maken. Neem nu de fietsguerrilla die ik mee organiseerde. De bedoeling was om de mensen stil te laten staan bij de manier waarop we met elkaar omgaan. Je ging met een groep fietsers naar

140

luc

een druk kruispunt en je blokkeerde de rijweg. Het verkeer kwam helemaal lam te liggen. Zoiets doe je niet voor de lol.’ Langzaam vervolgt hij zijn verhaal. ‘Ik voelde me verbonden met de jongeren van het centrum. Wij waren allemaal jonge mensen die hun plaats niet vonden in de samenleving. Wij leefden dag in dag uit samen met één doel. Wij aten meestal ook samen. Daarvoor hadden we een volkskeuken in het leven geroepen. Ik stond er achter het fornuis. Voor een vrije bijdrage kon je er een biologische maaltijd eten. Dat was mijn persoonlijk project.’ Luc aarzelt. Het lijkt alsof hij zich afvraagt of ik hem wel begrijp. Nochtans was Luc me al tijdens het eerste bezoek aan het bedrijf opgevallen. Een man met uitstraling, een bos halflang haar, donkere ogen, alert en met een grote portie betrokkenheid in zich. De stem van Luc hoort ontegensprekelijk bij dit boek, bedenk ik op dat moment. Ik knik, en het stelt hem gerust. Het valt me ook op dat hij zijn verhaal zorgvuldig voorbereid heeft. Hij hanteert een heldere taal en legt er op cruciale momenten de ziel van bloot. Ik vertel hem dat ik zijn welbespraaktheid bewonder. ‘Het klopt dat ik goed uit mijn woorden kom. Ik heb in die tijd ervaring opgedaan met


Mijn leven is rijk gevuld. Iedereen kan dit stadium bereiken, moeilijk is dat niet. Die idee wil ik uitdragen: heb aandacht voor jezelf, benader alles vanuit jezelf. Volg je hart.

woordvoeren. Als je een project begeleidt dat zijn belang zoekt in de samenleving, dan is het noodzakelijk te weten wat je in de krant wil zien staan. Als men me om een interview vroeg, probeerde ik altijd met weinig woorden een duidelijke boodschap over te brengen. Ik liep in die tijd veel in de kijker. Sommigen dachten zelfs dat ik de leider van de jongeren was. Men heeft me daarvoor hard aangepakt, maar ik was hun leider niet.’ ‘Uiteindelijk hebben we het centrum zelfs gesloten omdat de jongeren er niet meer veilig waren. Ze bleven op de lange duur weg. De politie had aan de overkant een appartement gehuurd om te zien wie er in het centrum binnen- en buitenging. Wij werden voortdurend geschaduwd. Tja, dat we constructief waren, konden ze zich niet voorstellen. In hun ogen waren wij met minder opbouwende zaken bezig. Zij hadden “ecoterrorisme” in hun achterhoofd. Toen het centrum op zijn laatste poten liep, ging ik bewust stilstaan bij mezelf. Ik vroeg me af waaraan het mij ontbrak. Ik besloot de draad van mijn studies weer op te nemen en examens af te leggen voor de middenjury. Halverwege het vijfde jaar van de secundaire school was ik immers opgehouden naar school te gaan. Ik had geen

diploma. Terwijl ik op de eindresultaten wachtte, werd ik opgeroepen door het Plaatselijk Werkgelegenheidsagentschap (PWA). Eerder zei ik hen al dat ik niet als PWA’er aan de slag wilde gaan en bovendien aan het studeren was. Maar terwijl ik op mijn cijfers wachtte, ervoer ik plots die bereidheid om te werken. Daarvoor was die er niet geweest. Waarom zou ik niet eens langs het kantoor gaan? Bij het binnenkomen zag ik naast de inkomdeur een aankondiging hangen: “Gezocht chauffeur/klusjesman.” Dat leek me wel wat. Waarom zou ik niet beginnen als chauffeur en dan zoeken naar iets dat me misschien meer beviel?’ ‘Ondertussen ben ik niet meer op zoek naar een andere job. Ik weet nu dat het niet uitmaakt wat ik doe, maar hoe ik iets doe. Ik vind het geen punt meer om mijn tijd helemaal aan werk te besteden want ik sta nu met beide voeten in de wereld. Werken biedt me financieel ook de mogelijkheid om iets op te bouwen. Van de werkloosheidsuitkering kon ik niet behoorlijk leven. Je kan dan eigenlijk alleen in de stad wonen, omdat alles met de fiets bereikbaar moet zijn. Een appartement of een woning huren is duur. Er rest je ook niet veel geld om van te leven. Met mijn huidige salaris kan ik op termijn ergens een huis met een stuk grond of een

luc

141


grote tuin kopen. Ik wil een groentetuin aanleggen en samen met mijn vriendin een healing center beginnen.’ Bescheiden maar trots vertelt Luc me over zijn rol als vader. Uit een vorige relatie heeft hij een dertienjarige zoon, die volgend jaar naar Frankrijk zal verhuizen, zijn moeder achterna. Luc is co-ouder en voedt zijn zoon, Ymir, ervaringsgericht op. Dat is geen eenvoudige keuze en vraagt veel motivatie en inzet van zijn kind. Met dezelfde daadkracht die hij voor zichzelf hanteert, spreekt Luc ook over zijn zoon. ‘De relatie met Ymir is goed. Ik heb gemerkt dat hij iemand is zoals ik. Ik laat hem daarom zoveel mogelijk zelf beslissen over alles wat zijn eigen leven aangaat. Of mee-beslissen. Soms is beslissen enkel mogelijk binnen een bepaald kader. Dan leg ik hem uit waarom die keuze zo beperkt is.’ Ik vraag Luc of hij vindt dat hij veranderd is, sinds hij werkt. Hij vindt van niet. ‘Ik ben altijd op zoek geweest naar wat ik nodig had om een “heel” mens te zijn. Daar ben ik de voorbije twintig jaar mee zoet geweest. Wat mezelf betreft ben ik gezonder gaan eten. Vroeger leed ik aan astma en was ik hyperallergisch. Sinds ik op mijn voeding let, ben ik gezond. Vanuit dat gevoel wil ik anderen

142

luc

helpen om gezond te leven en gelukkig te zijn. Dat heb ik in me. Dat voel ik. Toch wil ik nog heel wat jaren doen wat ik doe omdat ik met mijn werk bijdraag aan de maatschappij. Ik werk in een onderneming die erop gericht is om werkgelegenheid te creëren vanuit een sociaal en duurzaam oogpunt. Het is een nieuwe manier om zaken te doen, één waar ik achter kan staan. Dat geeft mij het gevoel dat ik deel uitmaak van iets dat een beetje apart staat van de economie in onze samenleving.’ ‘Vroeger besteedde ik veel aandacht aan mijn eigen persoon: hoe voel ik me? Hoe sta ik in een groep? Ik mediteerde. Mijn totale, persoonlijke ontwikkeling stond voorop, niet het materiële. Uit dit alles heb ik geleerd dat ik geen stap vooruitkwam, door mij terug te trekken uit de wereld en mij ertegen te verzetten. Als je er niet in zit, dan kan je er niets aan veranderen. Het heeft mij jaren gekost om dat te beseffen.’ ‘Ik heb kansen gekregen op mijn werk. Als chauffeur kom ik met klanten in aanraking. Dat mijn haar lang is en mijn gebit stuk, maakt voor hen niet uit. Ik word aanvaard hoe ik ben en dat stemt me tevreden. Hoeveel mensen krijgen de kans om een fijne baan te hebben en toch volop zichzelf te kunnen zijn? Tegenwoordig kan ik bijvoor-


beeld ook naar de tandarts. Dat is erg duur en vroeger was zoiets voor me uitgesloten. Mijn baas heeft met behulp van het Impulsfonds een kleine lening voor me op touw gezet. Met dat geld laat ik nu mijn gebit herstellen. Als kind heb ik een te hoge dosis fluorpilletjes gekregen. Daardoor gingen mijn tanden stilletjesaan kapot. Ik kon niet eten wat ik wilde en moest zelfs voedingssupplementen nemen. Dat is weer zo’n mooi aspect van mijn werk. Voor het eerst in mijn leven ga ik sterke, stabiele tanden hebben.’ ‘Ik stond er dus voor open om te werken en vanuit die openheid heb ik de kansen

aangegrepen die ik ben tegengekomen. Ik ben het type mens dat zich sterk kan inleven in iets. Mijn hart en mijn gevoel komen voorop. Alles wat ik nu beleef, ervaar ik als een verbinding: er is ontegensprekelijk een verband tussen alle leven, tussen alle mensen. Ik voel dat zelfs als een fysieke gewaarwording. Mijn leven is dus rijk gevuld. Iedereen kan dit stadium bereiken, moeilijk is dat niet. Die idee wil ik uitdragen: heb aandacht voor jezelf, benader alles vanuit jezelf. Volg je hart, op die manier vind je de weg wel. Ik heb nu een “heel” leven. Ik ben een gelukkig mens.’

luc

143


Jose / 41

geboren in Euskadi (Baskenland), Bilbao

Hij draagt geen zwarte baret en is als kind ook niet in de toverdrank gevallen. Hij neemt niet ieder jaar deel aan een wedstrijd hout klieven of keien heffen en hij houdt zich evenmin onledig met het zingen van folkloristische liederen in het euskara, de taal van de Basken. Toch is Jose Picado Goikoetxea een Bask ten voeten uit. Hij verenigt een zachte, zorgende natuur met de vurigheid van La Passionaria.



Jose groeide op in Leioa, een kustdorpje. Zijn vader was havenarbeider, zijn moeder apothekeres. Zijn jeugd verliep rimpelloos en is, naar eigen zeggen, in één zin samen te vatten: ‘Eten, eten en eten, er was van alles genoeg.’ Jose zegt het op een zuchtende toon, alsof hij nog steeds de gevolgen van een overladen maag met zich meedraagt. Niet verwonderlijk als je weet dat de Basken smulpapen van de hoogste orde zijn. Een maaltijd verorberen is in Euskadi eerder een genoegen dan een primaire behoefte. In de vissersdorpjes langs de kustlijn vind je tegen etenstijd altijd wel ergens een braadstel dat de strijd met een portie verse sardienen aangaat. Eten betekent dan van bar naar bar slenteren en culinaire hapjes uitproberen zoals inktvis in eigen inkt of angulas, iets wat naar verluidt op wormen lijkt maar een ware streling voor de tong zou zijn. Over zijn ouders of zijn familie kan Jose geen kwaad woord vertellen. ‘Mijn ouders zagen mij en mijn zus doodgraag. Ze gingen voor ons door het vuur. Als kleine jongen werd ik door mijn vader overstelpt met geschenkjes en elk weekend trokken we met de hele familie naar zee. Dan was het altijd weer feesten geblazen. Eten en feesten is onze tweede natuur. Zomer of winter, er vindt bij ons altijd wel ergens een feria of een patroonsfeest

146

jose

plaats. Dan kan je in de straten over de koppen lopen. Ik hou van die warme sfeer.’ Jose duikt brochures over Baskenland op en gaat vol overgave in op de lokale gastronomie en de volgroene landschappen uit zijn geboortestreek. Hij buigt zich over de tafel en wijst me enkele monumenten aan. Dat groene, dat weidse van de natuur en die rust die ervan uitgaat, die mist hij hier nog het meest. Wanneer de fotograaf de lens op hem richt, gebaart hij te stoppen. Hij stapt met vaste tred naar zijn slaapkamer en komt terug met een witgroenrood vriendenbandje dat hij over zijn pols trekt. Dan houdt hij het ostentatief voor de camera. ‘Euskadi,’ staat er. Ik vraag Jose hoelang hij nu in België woont. ‘Ik ben tien jaar geleden in een impuls naar hier gekomen. Ik was met vakantie in Torremolinos en werd halsoverkop verliefd. Een coup de foudre. De liefde was wederzijds. In een opwelling besloot ik met mijn partner mee naar België te gaan. Ik ging ervan uit dat ik in zo’n grote stad als Antwerpen wel snel werk zou vinden en bovendien was het de meest voor de hand liggende keuze. Mijn lief had namelijk een goed betaalde, vaste baan en het zou niet verstandig zijn geweest die plots op te geven. Eerst was mijn moeder niet akkoord. Je weet hoe moeders zijn: ze willen het beste voor je en mijn mama was


La vida es alegria. Ik wil niet beweren dat mijn leven in België vroeger slecht was, maar werken helpt me om rust te vinden.

bang dat ik niet goed terecht zou komen. Mijn zus stond er ook weigerachtig tegenover. Ik denk dat ze vreesden me te moeten missen. Maar uiteindelijk begrepen ze mijn keuze. Ze zijn open van geest en vonden dat mijn geluk vooropstond.’ Jose’s partner werkte in een slagerij en kon hem in die tijd wel aan een baantje helpen. Het was eigenlijk eerder een rotjob dan een leuke baan maar Jose nam er genoegen mee. Hij werkte achterin de winkel als uitbeender en moest de vuile klussen opknappen. De communicatie in het magazijn liep echter niet van een leien dakje. Jose sprak geen woord Nederlands en hij werd daar op afgerekend. ‘Ik heb er dus niet lang gewerkt maar het verlies van mijn job was voor mij een stimulans om taallessen te gaan volgen. Ik heb me onmiddellijk ingeschreven bij Open School waar ik Nederlands voor anderstaligen ben gaan volgen. In al mijn naïviteit dacht ik dat zo’n cursus deuren voor me zou openen. Niets was minder waar. Negen jaar lang heb ik zonder werk gezeten.’ De deur gaat open. Jose’s levensgezel komt thuis. Terwijl we elkaar begroeten gaat Jose naar de keuken. Hij komt terug met een fles wijn en vult drie glazen. We verhuizen met z’n drieën naar het salon. Ik pik terug in op Jose’s inspanningen om werk te vinden. Ik

vraag hem waar het dan aan lag. Was het je manier van aanpakken? Kwam je misschien zenuwachtig over of zocht je de verkeerde jobaanbiedingen uit? ‘Zover moet je het niet zoeken,’ zegt Jose’s partner. Onbekend is onbemind, ken je dat spreekwoord? Wel, daar komt het op neer.’ Jose verduidelijkt. ‘Wanneer ik een telefoonnummer uit een jobadvertentie belde, kreeg ik steevast te horen dat ik niet welkom was. Sommige mensen legden zelfs gewoon de hoorn in. Misschien kwam het door mijn manier van praten... Ik spreek Nederlands met een accent. Iemand die je nog nooit in levende lijve heeft gezien, die gaat natuurlijk alleen af op hoe je klinkt.’ Ik vraag Jose of hij dat als racisme ervoer. Jose schudt zijn hoofd. ‘Racisme kan je dat niet noemen, het gaat eigenlijk meer om vooroordelen. Nog voor je je kan bewijzen, nog voor je je positieve kanten kan tonen, word je al in een vakje ondergebracht. Alsof er een grote sticker op je voorhoofd kleeft: ‘niet geschikt want spreekt niet behoorlijk Nederlands’. Zoiets doet pijn. Het demotiveert op de lange duur. Ik werd er bovendien onzeker van. Iedere keer die desillusie! Wanneer mijn lief ’s morgens naar het werk vertrok, begon ik in de woonkamer te ijsberen. Ik keek maar naar één ding uit: het klepperen van de

jose

147


brievenbus. Ach, honderden sollicitatiebrieven heb ik geschreven. Maar ik mocht niet één positief antwoord ontvangen. Ik zat van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat te kniezen. Misschien morgen, of overmorgen... Ik voelde me ellendig en uiteindelijk ben ik gestopt met solliciteren. Ik had het gevoel dat het toch niets uithaalde.’ ‘Jose is erg onzeker,’ valt zijn partner hem bij. ‘Dat is altijd zo geweest. Hij heeft last van faalangst. In die periode dat hij solliciteerde, was er geen huis met hem te houden. Hij kroop van de zenuwen de muren op. Nochtans is hij een man uit duizenden. Hij is van nature erg vriendelijk, op het ongewone af, en hij is erg stipt en nauwgezet. Als je hem een taak toevertrouwt, dan voert hij die tot in de puntjes uit. Maar waar ik hem het meest om bewonder, dat is zijn respect. Jose is heel respectvol naar anderen toe. Het doet er voor hem nooit toe of iemand straatarm of stinkend rijk is. Zijn motto is: een vragend mens is te beantwoorden. Hij zal het zelf nooit aan de grote klok hangen, daar is hij te bescheiden voor, maar Jose slooft zich graag uit voor de anderen. Hij kiest altijd voor de sociaal zwakkeren. En dan wordt hij zelf uitgesloten, dat komt dubbel zo hard aan. Want wie een ander respecteert, wil natuurlijk zelf ook gerespecteerd worden.’

148

jose

Jose onderbreekt het gesprek. ‘Hou toch op!’ Hij maakt een teken met zijn hand en draait met zijn ogen. ‘Ik ben ook maar een mens. Zo vriendelijk ben ik nu ook weer niet. Integendeel. Ik ben licht ontvlambaar. Ik maak af en toe eens stevig ruzie en soms kan ik mijn woede niet bedwingen. Dat is mijn temperament. Daar komt bij dat ik recht door zee ga. Bij mij is het wit of zwart, maar nooit grijs. Ik ben nooit zomaar vriendelijk tegen iemand. Sommige mensen vinden me zelfs stuurs. Maar ik heb geen zin om voortdurend te glimlachen. Mensen die dat doen, zijn daarom niet eerlijker dan ik. Terwijl je voor hen staat, zullen ze misschien glimlachen, maar eens je hen de rug toekeert, slaan ze aan het roddelen. Een tijdje geleden heb ik nog zoiets meegemaakt. Een kameraad van ons kreeg nooit bezoek van zijn familie. Toen hij ziek werd, waren wij de enigen die zich om hem bekommerden. Maar toen hij begraven werd, stond de hele familie aan zijn graf te snotteren en achteraf gingen ze kibbelen om het geld. Ik hou niet van hypocrisie of materialisme. Ik vind het iets typisch van hier. Bij ons zijn we meer met elkaar verbonden. Het draait minder om geld en status, heb ik de indruk. Gelukkig heb ik die verbondenheid nu teruggevonden op mijn werk.’ Het moet voor hem een eeuwigheid geduurd


hebben. Negen jaren van onzekerheid. Negen jaren van verveling. Negen jaren vol angsten. Maar Jose Picado Goikoetxea heeft nu eindelijk werk. Ik vraag hem hoe hij aan zijn job als thuishelper is geraakt. ‘Ik heb een Ecuadoriaanse vriendin en die werkte daar als poetsvrouw. Op een dag heeft ze me uitgenodigd in het strijkatelier. Ze zei dat het echt iets voor mij was. Dat was zo’n half jaar geleden. Ik draaide een tijdje mee als uitzendkracht en het beviel me. Ondertussen werk ik als thuishulp en ga ik schoonmaken op vijf verschillende adressen. Het is een fulltime job. Ik noem het nu een job, maar eigenlijk is het meer dan dat. Ik kan er mijn sociaal engagement in kwijt. Ik zorg voor een zieke dame. Als man is dat niet

evident. Het is ook geen nine-to-five job die je ’s avonds gewoon kan loslaten. Vergeet het. Ik voel mee met mijn klanten. Ik voel me betrokken. Je staat ten dienste van die mensen en je moet hen dat ook laten voelen. Dat schept vertrouwen.’ ‘Jose’s leven is veranderd, maar het onze is ook veranderd,’ zegt Jose’s levensgezel. ‘Het is een hele omwenteling.’ Jose knikt. ‘La vida es alegria. Ik wil niet beweren dat mijn leven in België vroeger slecht was, maar werken helpt me om rust te vinden. Ik ben nu minder zenuwachtig dan toen. Ik ben ook veel opgewekter. Want ik geef toch nog altijd liever dan dat ik krijg. En als thuishelper kan ik me nuttig maken in de maatschappij. Daar ben ik fier op.’

jose

149


Sauda / 30

geboren in Rwanda, Kigali, afkomstig uit Burundi, gevlucht naar Congo en later naar Uganda, terechtgekomen in BelgiĂŤ, Antwerpen

Het leven van Sauda is een lappendeken. Een patchwork van aan elkaar gehaakte herinneringen uit vele landen, met lange omhalen pijnlijk aan elkaar geregen. Iedere gedachte aan vroeger jaagt een pijnscheut door haar hoofd. Elke herinnering uit het verleden betekent voor haar een kwelling. Sauda’s leven zal pas draaglijk worden wanneer de hoofdpijn voorgoed verdwenen is.



Wanneer ik door de Krekelstraat rijd op zoek naar het huis van Sauda, zie ik plots een donker kinderhoofd door een vensterraam steken. Er wordt naar me gezwaaid. Hier moet het zijn. Ik parkeer de auto, stap uit en bel aan. Gezoem. Ik duw tegen de deur. Een stenen trap leidt naar boven. ‘Welkom! Welkom!’ hoor ik een vrouwenstem roepen. Ik doe de deur achter me dicht en ga de trap op. Eens boven zie ik de mooiste glimlach die ik in tijden gezien heb. Twee blinkende ogen. Twee rijen parelwitte tanden. ‘Ik ben Sauda,’ zegt de vrouw. Ze grijpt mijn uitgestoken hand en drukt haar handen in een kommetje rond de mijne. Ik voel warmte. In de kraaknette huiskamer kijken drie kindergezichtjes me aan. Twee meisjes en een jongen, het zijn Salima (12), Feza (8) en Hachim (3). Sauda gebaart me te gaan zitten. Ze vraagt aan Salima om thee voor me te zetten. Ik wil haar eerst over het boek vertellen. Dat ik graag mensen met een bijzonder levensverhaal aan het woord wil laten. Dat het idee niet van mij komt, maar van het hoofd van het bedrijf voor wie ze werkt. Dat hij de moed van deze mensen bewondert en dat hij vindt dat ze het verdienen om in een boek te staan. Dat zo’n hommage ook wat begrip zou moeten opleveren. Empathie van de kant van de

152

sauda

lezers. Van de buren. Van de collega’s. Van de stadsbewoners. Van onze landgenoten. Van iedereen die ervoor openstaat. Sauda is verlegen. Ze zegt dat ze het opzet mooi vindt, maar dat ze niet goed weet waar eerst te beginnen. Er is ook de taalbarrière. Ze wil het liefst Nederlands praten, want ze is best trots op haar niveau 2.2, maar ze voegt eraan toe dat het haar niet altijd zal lukken om het juiste woord te vinden. Ik stel haar gerust: ze mag ook Frans met me praten. Aarzelend komt het gesprek op gang. ‘Ik ben afkomstig uit Burundi. Ik behoor tot de Hutu’s, dat is een Bantoestam. De Hutu’s in Burundi werden eeuwenlang onderdrukt door de Tutsi’s, dat is een andere stam. Wij werden als minderwaardig beschouwd. Daar kwam dikwijls ruzie van natuurlijk. In 1972 liep dat uit op een oorlog. Ontelbare Hutu’s werden toen door Tutsi’s vermoord. Mijn ouders en familie zijn toen naar het buurland Rwanda gevlucht waar ze in een vluchtelingenkamp van de Verenigde Naties verbleven. Ik heb daar ook altijd gewoond.’ Ze schudt haar hoofd en ik zie dat er een rilling door haar heen gaat. Ze begint op haar hoofd te krabben. Ze is afgeleid. Salima, de oudste dochter, ziet het ook en komt wat dichterbij staan. Ik lees bezorgdheid in haar ogen, maar begrijp niet wat er aan de hand is.


Zelfs als ik hoofdpijn heb, werk ik door. Ook hier in huis houd ik nooit op met schoonmaken. Ik ben altijd bezig. Het helpt. Werken is mijn remedie.

Het blijft stil. Ik wacht geduldig op wat er gaat gebeuren. Na zo’n twintigtal levensverhalen te hebben aanhoord, is dat een koud kunstje voor mij geworden. Sauda pikt uiteindelijk de draad weer op. ‘Mijn ouders zijn overleden. Tijdens de oorlog. Ze werden gedood. De genocide in Rwanda. Niet alleen mijn ouders. Veel familie is dood door oorlog. Allemaal. Sommigen werden voor mijn ogen vermoord. Ik heb de gruwelijkste taferelen gezien.’ Ze doet de doodsreutel van een stervende na. Ze bootst met haar hand na hoe mensen met een machete bewerkt werden. Ze gaat met de zijkant van haar hand langs haar aangezicht, dan langs haar hals en raakt boven haar wenkbrauwen. Ze steekt haar tong uit om haar afschuw uit te drukken. Hoe moet ik hierop reageren, flitst het door mijn hoofd. Ik kan het me eenvoudigweg niet voorstellen. Meer nog, ik wil me zo’n beeld ook niet voor de geest halen. Ik kijk haar aan. ‘Dat was in 1994,’ zegt Sauda. ‘Ik was net één jaar getrouwd met Amrani, mijn man, en werkte als verkoopster in een kledingboetiekje.’ Op zachte toon, en enigszins verward, vertelt ze wat meer over de oorlog. ‘Ik weet niet of je de situatie ginder een beetje kent. In Rwanda waren de verhoudingen tussen de gemeenschappen al even verstoord als in

Burundi. In Rwanda waren de Hutu’s aan de macht en de Tutsi’s ooit verjaagd. Toen de Tutsi’s hun terugkeer forceerden en met hun rebellenleger binnenvielen, pakten ze alle Hutu’s aan. Het was één grote chaos daar. Mijn ouders werden vermoord en mijn broer verdween. Ik denk dat hij, net zoals wij, gevlucht is.’ Gevlucht of vermoord. Wie zal het haar vertellen? Toch wil ik geen vragen stellen. Ik wil vooral naar haar luisteren. ‘Aan mijn verleden denken, lukt me niet goed, ook al wil ik het wel,’ laat Sauda erop volgen. ‘Ik ben veel vergeten. Het is gewoon weg. Vooral de goede dingen. En iedere keer als ik erover praat, krijg ik barstende hoofdpijn.’ Sauda wrijft nu voortdurend over haar hoofd, dat diep in haar schouders is weggezakt. Ze kijkt naar het tafelblad. Dan begint ze te wenen. Eerst probeer ik me nog sterk te houden door uit het raam naar buiten te kijken. Het miezert, zoals zo vaak de voorbije weken. Dan zie ik dat Salima naast haar moeder is komen zitten en over haar schouder wrijft. De twee anderen zetten het salon op stelten. De jongste maakt plots meer lawaai dan nodig. Ik kan me niet meer kranig houden en begin ook te huilen. Het besef dat zij hoofdpijn krijgt omdat ik zo nodig haar verhaal wil optekenen, valt me zwaar. Ga ik

sauda

153


door of houd ik het hier voor bekeken? Heb ik het recht haar uit te vragen over zaken die me niet aanbelangen? Heb ik hier überhaupt iets te zoeken? Ik vervloek mezelf. Maar nu opstappen is ook ongepast. Ik leg mijn hand op haar andere schouder. Ze neemt een tip van haar hemd en veegt haar tranen af. Weg glimlach. Weg blinkende ogen. Ik blijf verslagen zitten. Voor het eerst sinds ik naar de verhalen van anderen luister, laat ik mijn tranen de vrije loop. Zo blijven we daar samen een tijdje zitten. Ik praat wat over koetjes en kalfjes. Uit schuldgevoel misschien. Ik vraag naar de school van de kinderen, vertel over mijn Afrikaanse echtgenoot, vraag naar het werk van haar man. Sauda vertelt over Bompa en Bomma. Dat zijn haar Belgische buren. De kinderen lopen er regelmatig langs en soms eten ze samen. Als ze daar is geweest, heeft ze altijd het gevoel dat ze terug een moeder heeft. Ze zijn zo lief, zegt ze. Ze hebben een mooi hart. Ons gesprek valt stil wanneer de deur openzwaait. Het is Amrani, Sauda’s man. Salima gaat meteen naar hem toe. Ondanks het feit dat ik hun taal niet begrijp, weet ik dat ze zegt dat mama huilt. Amrani zet zich bij ons aan de tafel. We praten wat. Ik merk dat Sauda zich in het bijzijn van haar man sterk probeert te houden. Ze herneemt haar verhaal. ‘Toen de genocide volop aan de gang was,

154

sauda

zijn mijn man en ik gevlucht. De Tutsi’s waren er immers op uit ons te vermoorden. Ze joegen ons op. We hebben wat spullen ingepakt en zijn naar Congo getrokken. Ik was toen zwanger van Salima. Ze is in het Congolese Bukavu geboren.’ Ze timmert nu onophoudelijk met haar vingers op haar hoofd. ‘Iedere keer wanneer ik aan vroeger terugdenk, begint het te kloppen in mijn hoofd. Het heeft, denk ik, te maken met een gevoel van gemis.’ Ze verzinkt in gedachten. Dan gaat ze wrijven. Over haar achterhoofd. Van achter naar voor, van voor naar achter. Amrani neemt het gesprek van haar over. ‘Na een poos in Congo te hebben verbleven, keerden we terug naar Rwanda. We dachten dat het ergste wel voorbij zou zijn. Bij onze aankomst zagen we de grote schade die in het land was aangericht. De omstandigheden waren er bovendien niet beter op geworden. Het was nog erger dan ervoor. De Tutsi’s wilden de Hutu’s zelfs verplichten terug naar Burundi te keren, maar de meesten onder ons hadden daar niemand meer, ook wij niet.’ Sauda komt plots op luide toon tussen. Ze wil de ernst van de situatie benadrukken. ‘Op een gegeven moment was mijn man verdwenen. Ik wist niet dat men hem in de bak had gestoken. Op de duur werd dat dagelijkse kost. Hutu zijn was genoeg om opgepakt en


opgesloten te worden. Dat was geen leven voor ons. In die periode beviel ik ook van onze dochter Feza. Het was een moeilijke en verwarrende tijd voor mij. Uiteindelijk namen mijn man en ik de beslissing om naar Kampala in het buurland Uganda te vluchten. Nochtans waren de Hutu’s daar ook niet geliefd maar we hoopten zo op een veilige afstand van de conflicten te geraken.’ Sauda, Amrani en de kinderen vertrokken met een minibusje. Het was geen gemakkelijke rit, met twee kleine kinderen. Amrani zegt me dat het hem er vooral om ging zijn vrouw en kinderen in veiligheid te brengen. ‘Wij wisten natuurlijk ook wel dat we geen eeuwigheid in Kampala konden blijven. Dat het maar om

een tijdelijke oplossing ging. Dat wij niet tot het einde van onze dagen van land tot land konden trekken. Ik heb me toen de vraag gesteld wat het beste voor ons allemaal zou zijn. We hebben afscheid van elkaar genomen en ik ben ten einde raad naar Europa vertrokken om er politiek asiel aan te vragen.’ Amrani wist vooraf niet in welk land hij terecht zou komen. Hij moest het contact met zijn vrouw en kinderen noodgedwongen verbreken. Maar hij vertrok met de gedachte dat hij hen ooit een beter leven zou kunnen geven. Ik vraag Sauda hoe het was om met twee kleine kinderen in Uganda achter te blijven. ‘Hutu zijn in die regio betekent problemen

sauda

155


krijgen. Er kwam dan nog bij dat ik daar als alleenstaande vrouw met kinderen rondzwierf. Natuurlijk wilde iedereen weten waar mijn man was. Ik werd ook verschillende keren met de dood bedreigd en kon niet anders dan regelmatig van verblijfplaats te wisselen. Soms logeerde ik zelfs in de plaatselijke moskee. Uiteindelijk heb ik een Ugandees gezin leren kennen dat mij en de kinderen onderdak verleende. Er bestaan overal ter wereld mensen met een mooi hart. Ook in Uganda. Dat gezin heeft mij geholpen om een uitweg te vinden. Ze hebben ervoor gezorgd dat ik met de kinderen naar België kon komen. En het eerste wat ik deed toen ik aankwam, was stappen ondernemen om mijn man terug te vinden. Het enige dat ik wist was dat hij naar Europa vertrokken was. Ik wilde hem koste wat het kost terugvinden.’ Terwijl Sauda zich met de kinderen in Uganda staande probeerde te houden, strandde Amrani in Antwerpen. Hij had vanuit België al een paar keren geprobeerd via de ambassade zijn vrouw in Uganda op te sporen maar dat was hem niet gelukt. Op de duur gaf hij het op. Tot hij op een dag opgebeld werd door een medewerker van Caritas. ‘Het was heel vreemd,’ vertelt Amrani. ‘Ik kreeg op een dag iemand aan de lijn die me vroeg of ik een vrouw had en wat

156

sauda

haar naam was. Toen ik zei dat mijn vrouw Sauda heette, zei de stem aan de andere kant van de lijn: ‘Dan heb ik goed nieuws voor u. Uw vrouw is hier.’ Ik wist niet wat ik hoorde. Ik was zo blij! Ik had mijn vrouw al jaren niet meer gezien en wist niet eens of ze nog in leven was. Ik ben uiteraard meteen naar dat kantoor gegaan en toen ik haar zag, kon ik mijn ogen niet geloven.’ Sauda knikt instemmend en begint enthousiast te vertellen. ‘Amrani wist niet dat ik in België was en ik wist niet dat hij in België was. Salima en Feza waren door het dolle heen toen ze hun papa zagen. Ik had er niet meer op gerekend dat we elkaar ooit nog zouden terugzien.’ Het lijkt een sprookje, bedenk ik. Het doet me denken aan het lied van de twee koningskinderen. Ze konden elkaar niet vinden, het water was veel te diep. Ik vind het heerlijk om het enthousiasme op hun gezichten te lezen wanneer ze over het weerzien vertellen. Het gezin is herenigd, en dat is goed, maar hoe moet het nu verder met Sauda? Ik weet dat haar concentratiestoornissen en haar hoofdpijn haar grote zorgen baren. Ze haalt een grote map uit de kast. Ze toont röntgenfoto’s, doktersvoorschriften, rapporten, medicatie. Dozen vol pillen haalt ze boven. ‘Ik weet niet wat het is, zegt ze. Ik vergeet alles. Ik loop naar de koelkast, en wanneer ik daar aangekomen ben, weet ik


niet meer wat ik er kom doen. Ik wacht nu op de resultaten van mijn laatste onderzoek. Ik moest onder de scanner. De dokter zei me dat mijn hoofd normaal is, maar dat ik last heb van stress. Volgens hem zit het tussen mijn oren. Heel die oorlog, al die doden, dat is allemaal in mijn hoofd blijven steken.’ Ik stel haar de vraag of ze het op het werk verteld heeft, van haar hoofd. Neen, dat heeft ze niet gedaan. Ze was al blij genoeg dat ze werk vond. Meer dan een jaar lang deed ze haar uiterste best om werk te vinden, maar het wou maar niet lukken. Gelukkig was er Gerda, een lerares uit Mol, die ze in het opleidingscentrum leerde kennen. ‘Gerda zag meteen dat ik goed was in strijken en schoonmaken. Zij heeft me voorgesteld om een sollicitatiebrief te sturen. Gerda is een vrouw met een mooi hart. Zonder haar had ik nu nog geen baan gevonden.’ Sauda lacht eindelijk weer. Het is een prachtig gezicht. Het lucht me op haar zo te zien. ‘Ik mocht niet thuis blijven zitten, want dan zou ik te veel nadenken. Bovendien wilde ik bewijzen dat ik iets kon. Wie al eens eerder heeft gewerkt, die weet dat werken helpt om een beter leven te krijgen. We gaan niet thuis zitten om ons te laten voeden door het OCMW, toch? Zelfs als ik hoofdpijn heb, werk ik door. Ook hier in huis houd ik nooit op met schoonmaken. Ik ben altijd bezig.

Het helpt. Werken is mijn remedie.’ Ik zeg haar dat ze af en toe ook wat ontspanning zou moeten nemen. Misschien eist ze te veel van zichzelf. Het huis hoeft er niet altijd piekfijn uit te zien. Ze kan gerust eens een weekendje rusten. Dat doe ik ook. Ik ga af en toe met mijn man naar een Afrikaans feestje. Misschien moet ze maar eens mee komen. Ze wil wat graag. We wisselen onze gegevens uit. Samen wandelen we naar de deur. Sauda haakt snel haar voeten in de plastic slippers die bij de deur staan en komt achter mij de trap af. Ze vraagt me of ze ook een exemplaar van het boek krijgt. Of ze de foto’s... En dan gebeurt het. Er volgt een gil die door merg en been snijdt. Ik sta als verlamd met de deurklink in mijn hand. Ik draai mijn hoofd schuin naar achteren en zie haar bovenlichaam naar beneden duikelen. Het komt recht op me af. Ik voel haar armen, dan haar schouders. Haar hoofd stoot tegen me aan. Ik zit geprangd tussen de deur en het lichaam van Sauda. Ik wrik me los, laat mijn spullen vallen en help haar recht. Ze is met haar knieën op de rand van de stenen trede beland. Haar gezicht is vertrokken. Ze kermt. Over haar wangen lopen tranen. Ik roep heel hard om Amrani en pak haar ondertussen stevig vast. Zo staan we daar. Buiten is het opgehouden met regenen.

sauda

157



Dankwoord Ik neem de gelegenheid hier te baat om Marc Van Buul te bedanken omdat hij me dit project toevertrouwd heeft. Ik wil ook mijn man bedanken. Honoré Samuel ‘Bouba’ Garba. Ik vroeg van hem tijdens deze hectische schrijversperiode het onmogelijke, en kreeg dat ook. Damalanop, Bouba. Dijeredijef. Ik dank mijn oudste zoon, Younes, omdat hij bij het horen van mijn eerste tekst plots opkeek en zei: ‘Heb jij dat geschreven, mama? Wat mooi!’ Ik dank mijn jongste zoon, Zinou, omdat hij naast me in bed kwam liggen en zei dat hij nu eindelijk wist wat hij zou worden: schrijver. En ik dank hen omdat ze maandenlang op de tippen van hun tenen door het huis liepen. Ik dank mijn vader, Toon Claessens, omdat hij mij de liefde voor taal schonk. Omdat hij mij liet opgroeien met de taalwenken van dokter Marc Galle en dagelijks verschillende kranten achteloos onder mijn kleine neus liet slingeren. Ik dank mijn moeder, Jo Leysen, omdat ze me iedere zondag na het kerkbezoek zes boeken liet kiezen in de gemeentelijke bibliotheek. Maar ook omdat ze me tijdens deze zware periode af en toe belde om te vragen hoe het met me ging. Ik dank mijn collega en maatje Marion omdat ze minutieus mijn teksten onder de loep nam. Maar ook omdat ze me sterke woorden

toefluisterde wanneer ik in mijn naïeve gedachten de dwang van een deadline wel eens met een depressie durfde te verwarren. Ik dank mijn collega’s, en in het bijzonder Boudewijn, Veerle, Bart, Wim, Lieve, Heidi, Cathérine, Jan W. en Jan D., omdat ze me door dik en dun hebben gesteund en steeds klaarstonden met een schouderklopje, een brainstorm of een kopje koffie. Omdat zonder hun begrip het schrijven van dit boek niet mogelijk zou zijn geweest. Ik dank ten slotte Monique van het strijkatelier om er te zijn voor mij, elke keer opnieuw, met een brede glimlach en boordevol enthousiasme. Ik dank de medewerkers van Dienstenthuis, Comkreet en Plus Uitzendkrachten omdat ze altijd paraat stonden. Ik dank al mijn vrienden en kennissen voor hun begrip, omdat ik hen geen of weinig aandacht heb geschonken al die tijd. En ten slotte, uiteraard, dank ik alle thuishelpers en strijkers die hun medewerking aan dit boek verleenden. Maar dankwoorden zijn saai en volgens mij leest niemand ze. Daarom, gewoon: ne welgemeende merci aan ’t leven.

Erika Claessens september 2006

dankwoord

159



Millions discover their favorite reads on issuu every month.

Give your content the digital home it deserves. Get it to any device in seconds.