Page 1

Uit het leven van Levinus Jacob van Vessem geboren 24 December 1916 te Amsterdam

1


1.

Inleiding

Er is me wel eens gevraagd iets over mijn leven te schrijven. Ik heb er lang over gedacht maar toch steeds geaarzeld. is de zin ervan dacht ik, maar als je later overweegt het te gaan proberen en dan terug kijkt naar wat er allemaal in je leven is gebeurd, dan word je geconfronteerd met gebeurtenissen uit dat leven die daarop zo„n grote invloedhebben gehad zoals de oorlog 1940 – 1945. Zo zit ik dan nu achter mijn computer: denk, beleef, aarzel en twijfel. Je vraagt je af of je iets over je kinderjaren zou kunnen schrijven, zoals het gezin waar je bent opgegroeid,schooljaren, je puberteit. De vele interesses: je leven met de sport en andere verenigingslevens, maar dan komt bij al die herinneringen de Tweede Wereldoorlog steeds dichterbij zoals ik al eerder zei. De periode die in mijn leven en in dat van anderen zoveel littekens heeft achtergelaten. Dat maakt het moeilijk, want het doet je niet alleen terugzien maar ook herbeleven. Het zijn juist de herinneringen aan die ervaringen die door je hoofd heen en weer razen zodat het ongewild “door elkaar” op schrift komt te staan. Maar ik doe het allemaal zoals ik het me herinner op het moment van beginnen. Misschien wordt het wel begrepen wat ik probeer duidelijk te maken. De tijden en plaatsen waar ik over schrijf staan ook daarom niet in chronologische en systematische volgorde. De essentie van dit verhaal is over een leven te vertellen dat zich in golfbewegingen heeft voortbewogen en blijft voortbewegen. Maar er loopt een zogenaamde “rode draad” door mijn leven, dat zal duidelijk worden. Mijn motivatie waarom ik dit besluit heb genomen, misschien verlangen om te proberen duidelijk te maken wat er in mijn leven is gebeurd, om daardoor inzicht te krijgen in een stukje geschiedenis en de plaats van het individu daarin. Of ik daar in zal slagen? Ik weet het niet, ik kan het alleen maar hopen. Misschien draagt het toch iets bij om te krijgen in de strijd tegen onrecht zoals die heeft plaatsgevonden en ook heeft geleid tot wat er is gebeurd in de Tweede Wereldoorlog en waar ik ook zo bij betrokken was. Een poging dus om iets te verduidelijken. Maar ook om te waarschuwen tegen politieke en/of religieuze ontwikkelingen in de wereld/samenleving die opnieuw, maar op een andere wijze een gevaar zouden kunnen gaan betekenen. Grote woorden misschien, maar die komen voort uit een gedachte en uit ervaring. Maar het zou ook een poging kunnen zijn mijzelf op deze wijze “te laten zien” opdat wellicht duidelijk wordt waarom ik in bepaalde situaties tijdens mijn leven, zo gehandeld heb. heb ik besloten toch maar die poging te wagen omdat het nu nog kan. De realiteit is dat ik meer verleden dan toekomst heb. Los van dit alles heb ik een grote belangstelling voor de mens en zijn handelen en dat is misschien ook hier een belangrijk onderdeel van mijn motivatie. Al die gedachten hebben meegespeeld bij mijn beslissing om toch maar te beginnen.

2


Ik ben geboren in 1916 in de Kinkerbuurt in Amsterdam uit Zeeuwse ouders. Om precies te zijn in de Jacob van Lennepstraat 115-2 hoog voor (er was ook nog een achterwoning). Mijn ouders kwamen van het eiland Tholen. Een gebied met niet de meest progressieve inwoners.

Toen de werkeloosheid op het eiland en in de polder toenam en zijn militaire diensttijd was beëindigd dacht mijn vader in Amsterdam werk te vinden en vertrok naar de grote stad. Naar Amsterdam dus. Dat was een hele stap. Er woonden in Amsterdam een paar verre familieleden die hem hebben geholpen. Mijn moeder woonde toen al bij een tante in Amsterdam. Maar het was toch moedig om het gebied te verlaten daarwaar zijn wortels lagen want ook in Amsterdam was er grote werkeloosheiden dus moeilijk om aan werk te komen. Daar heeft hij zijn vrouw leren kennen met wie hij later is getrouwd. Dat werd onze moeder. Mijn ouders waren neef en nicht. Het waren eenvoudige, gelovige mensen. Ons gezin bestond uit acht kinderen waarvan er twee niet ouder zijn geworden dan één jaar; ze stierven aan een kinderziekte. Mijn moeder heeft daar erg onder geleden en heeft het sleuteltje van hun doodskistjes heel lang bewaard. Die gevoelens bleven echter altijd onderhuids, er werd niet over gesproken; verdriet werd verborgen. Mijn vader is geboren op 13 februari 1869 en mijn moeder op 22 augustus 1874. Zij was al over de 40 toen ik werd geboren. Mijn vader was een paar jaar ouder. Ik was een “nakomertje” zoals dat heet. Er is in materieel opzicht steeds goed voor me gezorgd, zeker de tijdsomstandigheden in aanmerking genomen. Ik werd een enkele keer als kleintje meegenomen naar werkhuizen waar mijn moeder voor welgestelde mensen moest werken. Soms werd ik om wegkruipen te voorkomen, aan een tafel- of stoelpoot vastgebonden zo werd me verteld. We sliepen thuis met zijn vijven in een 3


alkoof,twee bedden boven elkaar; ik als baby in een soort wiegje (eigengemaakt kistje) en toen ik groter werd in een ledikantje en weer later in het bovenste bed. Mijn zusters sliepenin het onderste bed, mijn ouders apart aan de zijkant van die “slaapkamer”. In die gemeenschappelijke ruimte ben ik ter wereld gekomen. Toen mijn moeder daar van mij moest bevallen op 24 december 1916, in de nacht, moesten de broers en zusters de straat op. Mijn jongste zuster was toen tien jaar. Het werd me later wel eens schertsend verweten dat ze door mijn geboorte de kou in, het Vondelpark, werden ingestuurd. Tijdens kerstnacht nog wel. In diezelfde bedstee heb ik heel veel jaren later, toen mijn moeder oud en ziek was, eens moeten helpen. Ze lag in bed in die alkoof en moest worden verschoond. Ze was tamelijk zwaar; ik klom op het bed, al staande met mijn benen wijd over haar lichaam, tilde haar op zodat anderen haar konden verschonen. Ik heb dat als heel gênant tegenover haar ervaren en er een triest gevoel aan overgehouden. Andere hulp was er niet. Toen was dit voor vrijwel alle mensen uit die sociale klasse gewoon, maar het heeft mij erg lang beziggehouden. Misschien toch wel onbewuste gevoelens van verzet opgeroepen

Mijn vader was als vrijgezel beroepsmilitair, ook wel huzaar genoemd, voor honderd gulden per jaar om aan de werkeloosheid te ontsnappen. Hij hield van paarden en hij was een uitstekend ruiter. Hij sprak daareens met trots Zijn militaire zakboekje heb ik in mijn bezit. Hij is eervol uit dienst ontslagen en dat staat daarin beschreven. Hij had een militaire houding en zag er soms uit als een “stille” (politieagent in burger): de handen op zijn rug en kaarsrecht lopend!! (eind september heb ik dat militaire zakboekje en de trouwbijbel van mijn ouders aan mijn jongste zoon Leo (Levinus) gegeven om te bewaren voor het nageslacht. ) Mijn vader was een martiale man. Als vrouwen op het verkeerde tijdstip op straat matjes gingen kloppen en hij kwam eraan, dan gingen ze gauw naar binnen. Men mocht in die tijd, op straffe vanbekeuring, alleen maar op vaste tijden kleedjes of matten op straat uitkloppen. Na zijn militaire dienst en vertrek naar Amsterdam werd hij losarbeider. Heel vroeg in de morgen, zes uur, zoals me werd verteld, liep hij van de Kinkerbuurt naar de meelfabriek in de buurt van de Westerdoksdijk. Daar moesten balen meel uit het schip worden gelost. Schip in, schip uit over een loopplank. De balen op de rug gedragen. Iedere dag opnieuw. Ongeacht het weer. Om „s morgens vroeg gewekt te worden werd af en toe een zogenaamde “porder” ingehuurd voor een paar centen. Dat was een man die met een stok op de afgesproken tijd op de deur bonsde. Dat gebeurde meer bij ons in de straat bij arbeiders die heel vroeg moesten opstaan. Ook buren die niet zo vroeg op moesten, werden dan soms eveneens, maar dan ongetwijfeld onvrijwillig, gewekt Na een werkdag van zo„n tien uur liep hij naar huis terug,viel na het eten al heel gauwslaap en ging gewoonlijk vroeg naar bed. Zo begon en eindigde iedere werkdag van de week, zes dagen. Tijd voor het gezin was er nauwelijks; zeker niet voor de jongste. Maar toch herinner ik me wel die ene kus van mijn vader. Ik voelde zijn snor en stoppelige wang. Die kus en dat gevoel heb ik bewaard……Die ene kus ! Mijn oudste zuster was dienstbode voor hele dagen bij gefortuneerde mensen in de Vondelstraat. Van ‟s morgens vroeg tot s' avonds een uur of acht. Ze is ongetrouwd gebleven. Ze kwam een paar jaar later in een verzorgingstehuis en stierf daar. Als ze als afscheidscadeau van haar rijke werkgever op zijn minst een getuigschrift zou hebben 4


meegekregen – wat niet het geval is geweest – dan zou dat zeker een heel bijzondere moeten zijn geweest. Ze kreeg niets, zeker geen pensioen. Want die bestond nog niet geloof ik. Ja soms een ansichtkaart van de familie uit Zwitserland waar ze op vakantie waren. Mijn zuster was trouw, eerlijk en niet veeleisend. Zij was het oudste kind waarvan mijn moeder voor haar huwelijk in verwachting was (een ongehuwde moeder dus!) Het heeft mijn moeder haar leven achtervolgd. Het schijnt – zo werd verteld – dat haar “zondig” gedrag in de kerk als voorbeeld werd gesteld voor de kerkgangers. Mijn moeder stierf toen ze 86 jaar was in een bejaardenhuis. Daar was ze al eens uit “gevlucht”, dat wil zeggen ze was er nog maar kort toen ze vertelde ze dat ze even naar huis moest om wat kleren te halen met mijn oudste broer Joop, die een auto had. Mijn moeder ging niet naar het bejaardenhuis terug en bleef nog een poos gewoon thuis. Ze vond het een gevangenis. Dit betekende verzet tegen het verblijf in de toenmalige “wachtkamer van de dood”. Ik kijk daar met respect op terug. Later ontkwam ze door ziekte echter niet aan een opname in zo‟n bejaardenhuis en daar is zij tenslotte gestorven. Niettemin was zij voorbereid op de dood en zij had haar “doodshemd” al klaarliggen, Mijn broers waren arbeider bij een expeditiebedrijf; respectievelijk als chauffeur en pakhuisbaas in het Entrepotdok in Amsterdam. We hadden betrekkelijk weinig contact met elkaar. In Amsterdam woont in een verpleegtehuis mijn zuster die in 1907 geboren is. Zij kreeg als baby kinderverlamming en draagt haar lange leven een prothese aan een van haar benen. Wij beiden zijn de enigen van deze familie die nog in leven zijn. Ze herkent me nauwelijks maar is fysiek nog in een redelijke conditie gezien haar leeftijd. Ze ligt de laatste tijd veel in bed. Als ze iets wil of hulp nodig heeft roep ze de dokter of Vinus. Dat is de naam die ik thuis had. Begin december 2003 werd ik opgebeld door het verpleeghuis St. Jacob met een ernstig bericht. Mijn zuster ging zienderogen achteruit; verwacht werd dat zij binnen enkele dagen zou sterven. Ze kwam apart te liggen. Ik heb toen Ineke (mijn oudste dochter) gebeld vanwege haar kennis op dit gebied, zij is direct naar Amsterdam gegaan om voor mij de situatie te bekijken en bevestigde die situatie. Ik was erg blij dat zij dit heeft het gedaan omdat het een groot stuk emotionele zorg van me weg nam. Ik was haar daarvoor dan ook erg dankbaar. Een paar maanden later echter is zij weer in de toestand van voorheen en drinkt en eet weer wat en ze is op haar eigen kamer terug. Tamelijk stabiel, althans weer in de oude toestand. Het personeel is heel betrokken bij haar toestand en houdt me regelmatig op de hoogte. Op haar verjaardag in februari 2004 toen zij 97 jaar werd, heb ik haar bezocht. Bij haar geen herinneringen, wel bij mij. Ik bezocht haar voorheen al regelmatig in Amsterdam toen ze nog zelfstandig woonde en weer later in het Leo Polakhuis waar ze werd opgenomen. Omdat dat huis zou worden gesloopt werd ze overgeplaatst naar St. Jacob in Amsterdam. Ik verzorg nog steeds haar geldzaken en wat er verder nodig is. Toen ze zo„n 40 jaar oud was, dus heel lang geleden, hebben mijn vrouw en ik haar zover gekregen dat ze zwemles nam bij de AMVJ. Zij haalde haar diploma en dat was voor haar -een gehandicapte en op die leeftijd- een bijzondere gebeurtenis. Alhoewel we totaal verschillend zijn, waren we toch steeds het dichtst bij elkaar geweest vergeleken met de broers en andere zusters ook al door onze leeftijd. Zij is korte tijd getrouwd geweest na vele jaren verloving. Dat huwelijk heeft maar kort geduurd, want na een paar jaar stierf haar man. Ze had bovendien op een kind gehoopt en al wat kinderkleertjes aangeschaft. Het heeft haar groot verdriet gedaan dat deze wens onvervuld is gebleven. Toen een van onze kinderen was geboren werd dit pakketje kinderkleertjes aan ons aangeboden. Dat was voor haar een emotionele gebeurtenis. Daarmee kwam een abrupt einde aan haar hoop. Met mijn broers heb ik weinig contact gehad zoals ik al heb vermeld. Zij hadden andere besognes zoals met hun werk, hun verkering en bovendien was er het enorme 5


leeftijdverschil. Ik was maar het kleine broertje, een nakomertje. Daar hebben ze misschien voornamelijk last van gehad. Als ze later naar de kroeg gingen en ik zag hoe ze soms thuiskwamen, ging ik bij een volgende keer thuis vertellen dat ze naar het bierhuis gingen, die was bij ons op de hoek. Mijn vader heeft daar bijtijds mee kunnen stoppen gelukkig omdat ook hij de gevolgen inzag. Hij kon niet goed tegen sterke drank en als hij met mijn broers was weggeweest en daarna thuis kwam, dan waren mijn moeder en zuster erg bang. kon namelijk verschrikkelijk agressief zijn en dreigend optreden als hij had gedronken. Maar zoals gezegd, kennelijk heeft hij zelf ingezien dat het de foute kant op kon gaan en heeft “het bierhuis”zoals ik het noemde, gemeden. Bij ons thuis werd verder geen sterke drank gebruikt. verjaardagen werd er wel eens boerenjongen gedronken. Dat waren rozijnen op brandewijn. Ik moest voor zo`n verjaardag chocoladeflikken bij de Hema in de Kinkerstraat halen. Half melk en half bitter. Als dan de broers en zusters met hun verkering op bezoek kwamen dan waren er stoelen te weinig en werden er planken tussen de stoelen gelegd zodat er meer plaats was. Er stond in de woonkamer, waar nauwelijks gewoond werd, een harmonium waarop mijn zuster Mina soms speelde. Psalmen en gezangen. Ik mocht daar later graag op “spelen” op mijn manier dan natuurlijk. jazz. Er werd veel bezwaar tegen gemaakt, want ik was duidelijk de enige die het mooi vond. Bovendien vielen de portretlijstjes die op het orgel stonden er vaak vanaf door mijn enthousiaste doch wilde behandeling van de trappers en het toetsenbord. Korte tijd, maar een paar weken, ben ik op orgelles geweest. Op het Columbusplein in Amsterdam. De leraar vond dat ik me goed amuseerde met mijn improvisaties en ging dan naar boven om thee te drinken of misschien wel iets anders en kwam pas weer terug als de tijd om was. heeft me dan ook niet rijp gemaakt voor een optreden. Maar het was toch wel leuk. Pas veel later heb ik me gerealiseerd dat de kosten voor zo`n les toch maar moesten worden opgebracht uit de schamele beurs van mijn ouders. Een kind op die leeftijd denkt niet daaraan. Het feit dat mijn vader al zo rond de 50 was toen ik werd geboren moet toch in vele opzichten een last zijn geweest voor het gezin. Ik kan niet zeggen dat ik een slechte jeugd heb gehad, maar ongetwijfeld heb ik iets gemist wat wel in jonge gezinnetjes gebeurde; al wil ik dat natuurlijk ook niet idealiseren. Dat gevoel heb ik later een enkele keer gehad, zeker als ik vergelijkingen ging trekken met de moderne jongeren. echt onvrij was ik niet. ik nam soms zelf wel “de ruimte “ waar ik meende die nodig te hebben. Ik had een paar schoolvriendjes; Voers was er een van. Zijn ouders waren katholiek en wij niet. Dus werd er bij ons thuis een beetje argwanend naar die vriendschap gekeken. Het waren in hun ogen “roomse papen”. Nooit begrepen welk gevaar daar in schuilde! Er waren wel dingen die ik vreemd vond, want bij mijn vriendje thuis heb ik het keer meegemaakt, dat tijdens een onweer de moeder op de knieën viel en om bijstand bad bij de hoogste macht met het verzoek de bliksem ergens anders te laten inslaan. Dat is ook kennelijk ergens anders gebeurd, niet bij haar thuis in elk geval. Bij ons thuis werden nooit vriendjes uitgenodigd. Ik speelde daarom meestal op straat. Als ik van school kwam, riep ik naar boven “moeder”. Ik vroeg en kreeg dan een boterham met suiker in een papiertje uit het raam toegeworpen. Tijdens de asfaltering van de van Lennepstraat was de straat opengebroken en gingen we verspringen en kogelstoten met de straatklinkers. Ik was toen 12 jaar en de Olympische Spelen waren in Amsterdam. Dat vonden we vreselijk interessant en op onze eigen manier "beoefenden" wij dus de verschillende sporten. Ook gingen we hardlopen, lange rondjes. De van Lennepstraat uit tot de Jan Pieter Heijestraat en de Borgerstraat weer terug. Alleen de start was snel! Terug was het eigenlijk wandelen. Ach, het was erg leuk.

6


2.

Solidariteit

Solidariteit; een begrip dat later voor mij een diepere betekenis zou krijgen. Mijn vader is een glazenwasserij begonnen. Eerst voor zichzelf, maar later toen mijn zwager werkeloos werd, ging mijn vader met hem samenwerken. Zijn motivatie was: daar waar er één te eten heeft, kan die ander best mee-eten. Het is meerdere keren gebeurd dat ik bovendien een pannetje soep of wat anders naar mijn zuster Lena en zwager Wouter van Daal moest brengen. Zij woonden dichtbij, namelijk in het huis naast ons. Drie hoog voor. Soms ging er wel eens iets mis op de trap met de pan met soep. De afloop was dan niet leuk. Vader is verschillende keren van de ladder gevallen. Ik ging met mijn moeder dan een enkele keer mee naar het ziekenhuis om hem op te zoeken. Daar lag hij dan: helemaal in verband. Schedelbasisfractuur, veel botten gebroken. Steeds op een wonderlijke wijze hersteld, een sterke man. Mijn moeder durfde nooit naar hem te kijken als hij in de van Lennepstraat op de ladder aan het werk was. Als de glazenwasserskar in de straat stond en kinderen over de ladders gingen lopen die daarop lagen werden de kinderen gewaarschuwd. De ladders konden stuk gaan met ernstige gevolgen voor mijn vader als hij er op moest staan werken. Hij had een groot gevoel voor rechtvaardigheid en betrokkenheid;hij sprak over de spoorwegstaking van 1903 en over de Eerste Wereldoorlog. Ik ben als kind met hem weggeweest naar een bijeenkomst van de S. D. A. P. ( de tegenwoordige P. V. D. A. ) op het IJsclubterrein in Amsterdam (nu het Museumplein). Daar werd soms gedemonstreerd tegen bezuinigingsplannen van de regering. Kennelijk was hij in deze demonstraties geïnteresseerd. Maar de mensenmassa heeft grote indruk ook op mij gemaakt al ging de inhoud van de toespraken aan me voorbij. Hij was niet georganiseerd maar voelde zich wel betrokkende arbeidersklasse. Dit kwam bijvoorbeeldtot uiting tijdens de steunacties in Amsterdam in de dertiger jaren. de van Lennepstraat en de Jordaan was de politie actief tegen demonstranten, die allerlei rotzooi uit de ramen en van het dak gooiden in de richting van de politie. De politie voerde met blanke sabel charges uit tegen de actievoerders die op straat bezig waren. Op het hoogtepunt werd de hulp van militairen ingeroepen. Die liepen door de straat met opgestoken geweer. Begeleid door een tank(je. ) Een commando klonk:” Naar binnen en ramen dicht”. Mijn vader hing uit het raam toen naar hem werd geroepen: “ramen dicht of ik schiet”. Hij werd woedend, ontblootte zijn bovenlijf en schreeuwde terug: “schiet dan godverdomme”. Hij moest aan zijn benen weer naar binnen worden getrokken door mijn moeder en zuster. Hij werd 67 jaar. Hij lag op een zondagmorgen dood naast mijn moeder in bed in de alkoof. De dag daarvoor ging hij voor het eerst in zijn leven ziek naar bed en stierf die nacht. De dominee kwam, ging op zijn knieën, bad, ging weer weg om nooit meer terug te komen. Het sterven van mijn vader betekende voor het gezin het verlies van een humaan mens. Gevoelens werden verstopt. Er is sindsdien niet meer in de bijbel gelezen…… In dit gezin ben ik opgegroeid. Veel later, in gevangenschap, heb ik aan die tijd teruggedacht,in het bijzonder toen ik inomstandigheden verkeerde. Soms met een warm gevoel, ondanks het feit dat warmte bij ons thuis heel andere dimensies had dan wat ik graag zou hebben gewild. Dat merk je pas veel later en zeker in gevangenis. In de ontreddering van mijnstond ik voortdurend onder extreme spanning en in dat concentratiekamp waren de gevoelens dan voornamelijk op jezelf gericht. Je wist daar niet altijd goed raad mee; centraal stond de drang om te overleven omdat fysiek uitschakelen tot het systeem behoorde. Daartegenover moest dus een andere kracht komen te staan die ver uitsteeg boven een fysieke ondergang waardoor de overlevingskans groter werd. Ik kan dat niet goed uitleggen, maar zelf snap ik het. Iemand anders die dit leest misschien ook wel. 7


Thuis was heel ver weg maar soms toch zo dichtbij. Ik zie nu dat ik vooruit loop op mijn gevangenschap. Maar misschienik daar later op terug. Zoals ik al aan het begin schreef: er werd in materieel opzicht goed voor me gezorgd. Het was een degelijk christelijk gezin die de vele eindjes financieel aan elkaar moest knopen Uit een mantelpakje van mijn oudste zuster werddoor een kleermaker uit de straat waar wij woonden voor mij een jasje en broek gemaakt. Dat was echt vakwerk en ik kan me niet herinneren dat ik heb me daar ongelukkig bij heb gevoeld. Mijn ouders hadden nauwelijks sociale contacten in de buurt maar vielen niet op. Alleen kleding met mijn moeder kopen vond ik een verschrikking. eerste kon zij ontzettend goed afdingen; daar kon ik niet tegen (en nog steeds niet) wantkeren liep ze naar de deur met de opmerking dat het veel te duur was, zodat ze weer teruggeroepen werd met een nieuw bod. vond ik het vervelend dat je voortdurend moest bukken om te zien of de broek wel goed zat door een paar keer aan je achterwerk te voelen. Nee dat heeft mijn koopgedrag later welïnvloedt. In ieder geval heb ik nooit afgedongen. Stom misschien, maar ik voelde er niets voor en had er ook nooit spijt van. Nog steeds niet. Ach zo lever ik een bijdrage aan de economie! Het waren moeilijke tijden; de behuizing: met z„n allen in een halve woning; de wc op de gang, een plee eigenlijk met houten deksel, zonder spoeling. De krant als toiletpapier. Die plee stond naast die van de achterburen. op de gang. Als kleinste werd ik in het piepkleine keukentje op de aanrecht gezet; verder was er geen plaats. Er stond ook een kolenoventje, dat brandde op één briket per dag. groeide ik op, geen speelruimte en speelgoed. Ja ik speelde graag met onze poes Mimi, die ik probeerde kunstjes te leren. Dat was het dan. Een tijd daarvoor was ik op een peuterschooltje, kakschooltje, werd dat genoemd Ook mocht ik mee naar een vakantiekolonie op de Veluwe toen ik een paar jaar ouder was om aan te sterken. Ik heb daar geen prettige herinneringen aan. Je mocht niet veel, er werd voortdurend op je gelet en ik had een beetje heimwee. Een wasbeurt thuis in de tobbe in een klein portaaltje en een verschoning behoorde tot het wekelijkse ritueel. Toen ik wat groter was kreeg ik op school een gratis kaartje voor het gemeentelijke badhuis op de da Costakade. Soms een uur wachten met de handdoek onder je arm voordat je aan de beurt was. Maar dat vond je gewoon. Daar waren al verschillen, je kon met een gratis kaartje douchen maar ook tegen betaling een bad nemen dat voor je klaar werd gemaakt. Ik had een gratis kaartje maar heb daarom niet minder van die heerlijke warme douche genoten. Bij thuiskomst lag de wekelijkse verschoning al klaar. Weer een beetje ouder mocht ik af en toe op de hoek van de Ten Katestraat een emmertje eierkolen halen voor een paar dubbeltjes en een paar turven. Soms werden er een enkele keer op zaterdagavond pinda‟s op een krant op tafel gelegd; mijn oudste zuster aan het harmonium, soms een spelletje domino. We zongen uit het album van Johannes de Heer;was fijn en het was goed zo bij elkaar te zijn. Ik moest vroeg naar bed; dat betekende dat ik vanuit mijn stapelbed in de alkoof de kamer in kon kijken en daar mijn ouders zag zitten. Dat gaf meeen veilig gevoel en het iswel eens gebeurd dat ik ging bidden om God te vragen mijn ouders te beschermen. Verder bidden dan vanuit mijn bedstee is het echter niet gekomen. Bidden was in ons gezin niet algemeen maar ook niet ongewoon. Mijn vader bad vaak voor en na het eten en las voor uit zijn trouwbijbel. Met een zware bass-stem. Die bijbel bezit ik nu. Dat bezit betekent wel iets voor me. Meer door de herinneringen aan mijn vader en moeder dan door het geloof. Vooral de stem van mijn vader heeft me vaak. Streng en rechtvaardig maar vooral sociaal. Ik ben de enige uit het gezin die geen belijdenis heeft gedaan. Toch heb ik geen slechte herinneringen aan de kerkgang met mijn vader. ouders waren aangesloten bij de Weteringkerk. De Vrije Evangelische Gemeente in de Derde Weteringdwarsstraat in Amsterdam. kleine jongen ging ik op zondagen af en toe met hem mee. De kerkdienst ging aan me voorbij, maar het orgelspel en de bass van mijn vader bij het zingen van de psalmen 8


vond ik heel mooi. Ik was op een of andere manier trots op hem; op die momenten voelde ik me goed. Het traditionele pepermuntje was ook iets dat erbij hoorde. Nog steeds heb ik“iets” met kerkorgels en bassen!! Nostalgie? Ongetwijfeld. Soms was er geen brandstofin huis. Dan zat mijn vader met zijn schipperspet op en een jas aan in de keuken. Mijn moeder met een omslagdoek over haar schouders op een stoel bij het raam, waar een deken tegen de tocht was voorgehangenSoms een briket in het keukenfornuisIn plaats van extra dekens als het erg koud was,kreeg ik soms een jas van mijn vader boven de gewatteerde deken die al op het bed lag. Een klein gaslampje aan de wand in de keuken als het donker was liet voorzichtig wat licht door de keuken schijnen. spaarzame licht bracht toch wat sfeer. Ook het eten van mosselen was soms bijzonder en ik herinner me zo`n periode. In de wintermaanden kwam er af en toe een kar in de straat met Zeeuwse mosselen. In het donker, de kar was verlicht met een carbidlantaarn. Ik mocht dan mee naar beneden. Er werdemmertje gekocht voor een paar centen. Er zat nog van alles tussen, krabbetjes enz. Die leefden meestal nog en dan plaagde mijn vader mijn moeder ermee door ze over de tafel te laten lopen. Dan hadden we pret. De mosselen werden door mijn vader gebaard en hij liet ze met zout spugen in een bak met water, zodat het zand eruit ging. Dat hoorde zo, zei mijn vader. Als het dan buiten koud was,wind door de kieren floot, en ook het lampje een beetje gaslicht uitstraalde terwijl het keukenfornuisje brandde op een briket, dan was het ondanks alles toch een vredige sfeer. . Ik speelde dan met de poes. Ik leerde hem kunstjes. Springen over een laag krukje en met een draadje wol, hem/haar(?) laten dansen. kieren van de kozijnen waren dichtgestopt met oude kranten tegen de tocht. En nog een tochtdeken ervoor. Dat laatste beeld heb ik soms voor ogen gehad en het heeft me in mijn latere leven wel eens opstandig gemaakt. Dan zie ik mijn ouders in deze sfeer met gemengde gevoelens terug. In de winter was er voortdurend gebrek aan geld omdat mijn vader dankon glazenwassen. Zij waren dan op steun aangewezen. Een enkele keer nam mijn vader mij mee naar een gemeentelijke eetzaal. Daar zaten werkelozen en andere armlastigen aan lange houten tafels. Ik meen op de Bilderdijkkade; het kan ook da Costakade zijn geweest. Voor een paar centen werd er warm eten verstrekt, ik dacht stampotten. Dat zal haast wel. weet ik dat niet meer. Ik herinner me goed dat mijn vader eens zei “eet maar lekker veel jongen”. Dat waren de gevoelens die hij met deze woordenuiten. Zij waren erin opgevoed in het christelijke Zeeland, gevoelens uiten kon of mocht blijkbaar niet. Die werden verstopt. Vrijwel alles was zondig. Mijn ouders hebben nog nooit in hun huwelijk ergens in een koffiehuis bijvoorbeeld een glas melk of iets anders genuttigd. Laat staan een film gezien of een toneelvoorstelling. In september was de toegang tot Artis gratis; dat was voor de dienstboden die dan een dag vrij kregen. enkele keer ben ik mee geweest. Dat heeft veel indruk op me gemaakt. Ook eens een keer met de Haarlemse tram naar Zandvoort. Ik herinner me nog de indruk die de enorme zee op me maakte. Mijn vader kwam een keer terug van een kerstfeest voor armlastigen van het Leger des Heils in het Concertgebouw met een sinaasappel geloof ik, en een borstrok. Hij had lichtbeelden gezien. Hij kwam thuis: opgewonden en met een kleur op zijn gezichtDat was iets heel bijzonders voor hem. Een kerstfeest voor arme mensen…… Mijn moeder verborg eens een stukje chocolade dat zij at toen ik later eens op bezoek kwam. Genieten was zondig dus gebeurden sommige dingen stiekem. Vaak heb ik me daar op vele manieren tegen verzet. Terwijl ik zo terugdenk, herinner ik mij een dagtocht met mijn vader. Met de paardentram naar Sloten. Eerst van huis lopendhet Haarlemmermeerstation waar de reis begon; vandaar met de paardentram naar Sloten en lopend terug naar huis. Onderweg kregen we een 9


versnapering. Een groter stukje van de wereld werd zichtbaar. Ook ben ik als kleine jongen een keer weggeweest naar een landdag van de Vrije Evangelische Gemeente in het Spanderswoud te Hilversum. Zittend op de hei met meegenomenen drinken, luisterend naar preken en gezang. Ik herinner me niet meer wie daar allemaal bij zijn geweest en hoe we daar zijn gekomen. Wel weet ik nog dat er heel veel mensen bij elkaar waren. Misschien dat mijn oudste zuster daar bij is geweest want zij zong in het kerkkoor van diegemeente. We waren uit. Bij het stekeltjesvangen in de Jacob van Lennepkade ben ik eens van een loopplank van een woonboot in het water gevallen. Ik zag een groot visje maar die kon ik niet bereiken, te ver vooroverbuigend en toen een plons tussen de wal en een boot. Met een hondsjesslag naar de kant, de ijsman die toevallig voorbijkwam trok me eruit, sloeg me op de kont en riep: naar huis. Daar moest ik me in het portaaltje uitkleden,werd ik afgedroogd en naar bed gestuurd, want ik kon wel eens ziek worden. Later toch stiekem nog wel eens een stekelbaarsje gevangen. Een grote zelfs. heeft nog lang in een jampotje geleefd. Toen ik ouder werd, begon ik mij te verwonderen, zelfs te ergeren over de gelatenheid van mijn omgeving. Het trouwe naar de kerk gaan om God ergens voor te bedanken……. . ………Vaak zag ik situaties binnen ons gezin die dan ook veel verder gingen dan verwondering. Boosheid. Mijn oudste zuster werd al tamelijk jong heilsoldate bij het Leger des Heils. Ze wilde graag naar de Kweekschool voor officieren maar ze had moeite toegelaten te worden wegens haar opleiding. Privé kon ze in die tijd niet met de officieren omgaan. In latere tijden is daar bij het Leger des Heils blijkbaar verandering in gekomen. Zij was een goed mens, bestudeerde de bijbel en heeft altijd hard gewerkt. Toen ze eenzaam in het bejaardenhuis stierf en ik haar lichaam in de kelder op een brancard zag liggen heb ik met een mengeling vanen woede afscheid van haar genomen. Verdriet om het leven waaraan, naar mijn overtuiging, zoveelis gegaan. enige vreugd was zingen in het kerkkoor Emanuel. Maar dat was maar een paar keer per jaar. Ik ben ervan overtuigd dat zij meer had gekund en gewild. Zij was een intelligente vrouw. Aan het eind van haar leven hebben we een enkele keer een goed gesprek met elkaar gehad in het bejaardenhuis. Verder had zij geen sociale contacten. In haar jonge jaren heeft ze eens met de kerstdagen met zo`n kerstpot van het Leger des Heils op straat staan te collecteren voor arme mensen……………. ……. Na het overlijden van mijn moeder is mijn oudste zuster in die woning blijven wonen en toen ook zij naar het bejaardenhuis ging, heeft mijn jongste dochter Hettie en haar aanstaande echtgenoot Peter daar nog enige tijd kunnen wonen. woning is overigens zo ongeveer 100 jaar door hetzelfde geslacht bewoond geweest, dus ruimschoots afbetaald aan huur. Vaak heb ik me ook gestoord aan het feit dat mijn ouders bij het gebouwtje van het Leger des Heils in de van Lennepstraat op zaterdagavond vrijwillig de vloer van het zaaltje gingen schrobben ter voorbereiding van de dienst op Zondagmorgen. De heren officieren die boven het zaaltje woonden keken slechts goedkeurend maar ongetwijfeld wel godvrezend toe.

10


3.

Discriminatie en rangverschillen

Na de lagere school mocht ik “studeren”. Althans zo zagen mijn broers dat. Ik ging naar het voortgezet onderwijs: het zevende en achtste leerjaar. Tijdens het achtste leerjaar nam de directeur van een grote internationale handelsonderneming contact met het hoofd van onze school op met de vraag of er eengoede leerling was die bij zijn bedrijf als jongste bediende zou kunnen gaan werken. Met een paar andere jongens werd ik gekozen om te solliciteren. Op de afgesproken dag gingen wenaar de Nieuwe Doelenstraat in Amsterdam voor die sollicitatie. Ik was lopend en de anderen met de fiets. Ik was er het eerst. De procuratiehouder vroeg of ik ziek was omdat ik zo„n rode kleur had en erg transpireerde. Ik herinner mijn reactie “ ik heb zo hard gelopen meneer, ik wildehet eerst zijn, omdat ik hier graag wil werken. “ Althans zo ongeveerik iets hebben gezegd. dat moment had ikconcurrentie en werd ik aangenomen als jongste bediende voor twintig gulden in de maand. De procuratiehouder zat daar midden in het kantoor op een verhoging. Zo kon hij alles goed in de gaten houden. En dat deed hij met grote ijver en strengheid. was toen ongeveer vijftien jaar. Het manusje van alles. Vroeg in de morgen één keer per week naar het Hoofdpostkantoor de mail uitNederlands -Indie ophalen;zakken post. Ik mocht zelfs met de tram die voor me werd betaald. Een wekelijks uitje. moest ik vaak geld halen bij de Nederlandse Handels Maatschappij op de Vijzelgracht; nu Vijzelstraat. schitterend gebouw zowel van buiten als binnen. binnengaan om geld te halen gaf me op die leeftijd een gewichtig gevoel. Een deel van mijn werk was het coderen van berichten naar Nederlands Indie. Die berichten moest ik samenstellen uit gewone zinnen. Deze moest ik via het codeboek omzetten in vijf letters; zo‟n combinatie vormde een hele zin. Die zinnen stonden in een groot codeboek (ik meen dat het Bentley heette). Dat bespaarde dus enorme telegramkosten. berichten moet ik decoderen. Ik vond het een leuk werk. Tussen de middag moest ik broodjes halen op het Rokin voor het personeel de firma Sauer. Ook regelmatig tjoklatrepen:kostten drie voor een dubbeltje en ik verkocht ze voor twee voor een dubbeltje. Eén reep dus voor mij. Eén keer per jaar kregen we opslag, dan werd ik bij de directeur geroepen, die in een grote leren fauteuil zat en zei dat hij had gehoord dat ik mijn best had gedaan en dan kreeg ik een beetje opslag. „Dank u wel meneer Kan‟, moest je dan zeggen en dat deed ik dan met een lichte buiging en een stap achteruit…. Maar het was altijd spannend in afwachting van het telefoontje dat je bij hem mocht komen. zo zat dus een ieder te wachten op dat telefoontje. In deze periode kreeg ik van mijn vader een fiets. Gekocht in de Clerquestraat voor fl. 25. -. Duur, want een Japanse fiets was bij de Firma Lobbes in de Bilderdijkstraat al te koop voor fl. 19. --Die koopgewoonte van mijn vader blijk ik te hebben geërfd. Het kantoor was vlak bij het Rokin; daar lagen de rondvaartboten van Piet Kooy. Open boten met rieten stoelen en banken op het dek. Ik vond dat prachtig en ging er tijdens de middagpauze veel kijken. Het personeel heeft mij wel eens in de weekenden mee laten varen en nog veel later mocht ik in het Engels een beetje gidsen. De tekst leerde ik van het luisteren naar het personeel; ik vond het prachtig en ik mocht dan heel bescheiden mee delen in de fooitjes die de toeristen gaven. Ik werd daarregelmatige gast. Ik mocht vaaken ook een beetje helpen bij het aanmeren van de boot. Een belangrijke gebeurtenis schiet me net te binnen. Tegenover de rondvaartboten op het Rokin was de Nederlandse Bank. Het is niet te begrijpen en te geloven. en toe kwam er een zending goudstaven aan. Ik weet niet meer of het per boot of per auto was. De staven stonden op pallets die werden dan op een soort lorrie gezet en via een stukje rails dat op het trottoir was de bank naar binnengereden. stond wel aan iedere kant een bewaker met een revolver in de holster, maar niets was afgezet, je stond erbij en keek ernaar. en bloot schitterden die opgestapelde goudbroodjes. De grote vakanties bracht ik gewoonlijk door in het Schinkelzwembad in Amsterdam. Anders niet; daar troffen we steeds vriendjes en vriendinnetjes; iedere dag opnieuw en ik vond het fijn. We kenden de badmeesters goed en soms hoefden we niet in de rij te staan als badmeester Cas dienst had. De prijs?cent. de terugweg kocht ik soms een stukje scheepsbeschuit. , maar na het zwemmen een delicatesse. Er was een damesbad, 11


gescheiden van het herenbad, daar tussen was een lattenschutting. Ik heb wel eens een badmuts opgezet en stiekem onder water door die schutting naar het damesbad gezwommen en gekke bekkengetrokken. Lachen natuurlijk. „s Avonds met een vriend de stad in. meisjes ontmoet. Wij uitsloverig sterke verhalen vertellen over onze zwem- en duikactiviteiten. Om indruk te maken. Afspraak gemaakt in het zwembad. Meisjes naar de hoogste duiktoren, van boven roepen: „Leo, kom je?‟ Ik was nog nooit op die toren geweest; maar ze bleven aanhouden. Met mijn ogen dicht de ladder op, meisje maakte schitterende zweefduik,vanuit het water weer roepen:„Leo, kom!‟ Al mijn moed verzamelt, springen met mijn armen wijd,poging om te zweven mislukte natuurlijk. op mijn buik. Schaamte maar toch gelachen later. Maar het is nooit wat geworden; zowel met verkering als zweefduiken niet. In die periode ging ik voor een paar jaar naar de avondhandelschool op de Overtoom dat werd betaald door een organisatie “liefdadigheid naar vermogen. ” Ik kreeg bovendien nog bijles van een Engelse leraar bij hem thuis in de Gerard Terborgstraat in Amsterdam. Dat heb ik graag en met veel plezier gedaan. Op de avondschool was een klasgenootje Gre Brouwenstein die later een beroemde internationale opera zangeres is geworden. Na de studie heb ik haar nog een enkele keer ontmoet. Ik heb een klassenfoto gescand uit een boek dat haar echtgenoot over haar heeft geschreven Op die foto sta ik ook als jongeling. Soms zong ze al in de klas en dat vonden we allemaal heel mooi. Menig jonge leerling uit die klas was eigenlijk een beetje verliefd op haar en ze werd door de leerlingen dan ook een beetje verafgood. Ik was ook een van die leerlingen. Dat vond ze wel leuk. Want veel later, toen ze al beroemd was, heb ik haar een paar keer op het Leidseplein ontmoet en herinneringen opgehaald. Ze heeft later lange tijd in Zwitserland gewoond met haar, Dr. van Swol, een bekende tennisser.

Ik heb bij Schoevers gedurende een half jaar een cursus stenografie gevolgd en haalde het diploma “reportersnelheid. ”(ik fantaseerde over een reportercarrière). nodig gehad. . Ik was geïnteresseerd in fotografie en schreef graag zo nu en dan voor het clubblaadje van de turnvereniging Simson waar mijn jeugdvriendinnetje turnde. Ik solliciteerde bij het persbureau Vaz Dias in Amsterdam. Daar kon ik wel een lange tijd in de donkere kamer een opleiding volgen, maar het werd niet betaald. Maar die f. 25,00 in de maand die ik verdiendekon thuis niet worden gemist, ( ik kreeg één gulden per week zakgeld) dus bleef ik maar bij Geo Wehry in de Nieuwe Doelenstraat werken. Een hoofdkantoormet grote zaken in Nederlands-Indie. Op Java, Sumatra, Borneo en Celebes. Zelfs een kantoor in Osaka. Er werd met de gedachte gespeeld dat ik daar later in het Nederlands -Indië van toen een functie zou krijgen in de handel,maar dat is er niet van gekomen. Achteraf misschien wel een geluk, want de Japanse kampen in de Tweede Wereldoorlog waren ook geen vakantieverblijven. Ik heb daar ruim vijf jaar gewerkt. De interesse in fotografie heb ik echter toch noggehouden. De relatie met mijn jeugdvriendin die al heel lang had geduurd, werdin die periode abrupt afgebroken omdat zij het heeft uitgemaakt. Geschokt en verbazing die lang heeft nagewerkt. Voordien zagen we elkaar in de turnclub of elders, maar dan stiekem,ik schreef haar vaak vanuit Brabant lange brieven naar een kiosk op het Kwakersplein onder een codenaam, want ik heb in die tijd nog een paar maanden als assistent-inkoper bij de BATA in Best gewerkt. kreeg een baan aangeboden die interessant leek,nam dus ontslag bij Geo Wehry en vertrok naar Brabant. Geen succesvolle job! De ouders van mijn vriendin hadden grote bezwaren tegen de omgang met mij. Ze moest iemand hebben met een hogere positie. Die heeft ze later ook gekregen: een smeris op een paard, hoog boven de massa gezeten met een wapenstok aan zijn zijde (ook in 1940-1945 misschien). Dat heeft lange tijd iets met me gedaan en nog sluimert er iets……. Maar desondanks was ik daarna toch vele keren verliefd, maar het kwam meestal niet verder dan een platonische verliefdheid. 12


4.

AMVJ

Op dat kantoor in Amsterdam maakte ik kennis met een collega die lid was van de AMVJ Een jeugdorganisatie: “Amsterdamse Maatschappij voor Jongemannen”. Hij deed aan sport en vertelde daar enthousiast over. Ik ben ook lid geworden en heb er veel later een actief sportleven geleid zoals atletiek (mijn voorkeur voor de 100 meter)race-roeien op de bosbaan, honkbal, tafeltenniscompetitie, schaken etc. Alles kon daar. De contributie was heel laag en wanneer de leden niet alles konden betalen, werd er stilzwijgend een jaarcontributiezegel op het lidmaatschapboekje geplakt. Solidariteit bij de basis. Het AMVJ-zwembad beschouwden we soms zo„n beetje als van ons. We waren vaste gasten. Ook buiten de officiële openingstijden. Ook maakte ik een poos deel uit van een balletgroep van vier jongens en vier meisjes. Een jazzballetgroepje. De mannen maakten gymnastische en jazzy dansen en hoge sprongen en de meisjes vertegenwoordigden daarbij de gratie. De muziek was verschillend, jazz en klassiek, ik herinner me de Bolero van Ravel, In the shade of an appletree. Limehouse blues, Prelude van Rachmaninoff en nog anderen waarvan ik de naam nu niet meer weet. We deden mee aan een uitvoering in het Concertgebouw in Amsterdam voor militairen en familie ter gelegenheid van de mobilisatie. Onze sportleider hield van jazz en had zelf de choreografie geschreven, een beetje klassiek maar vooral jazz. We kregen een goede recensie in de krant De sportleider had de jazz uit Amerika meegenomen waar hij een tijd directeur van de Y. M. C. A. was geweest.

Het was de voorloper van de moderne dans op jazz. Jazzballet was in Nederland nog niet zo heel erg bekend. Mijn schoonzoon Peter Heijnis heeft later van die sportleider van de AMVJ (Dick Schmüll) tijdens zijn studie op de Academie voor Lichamelijke Opvoeding les van hem gekregen, waar hij na de oorlog leraar was geworden. Dick had binnen de AMVJ een belangrijke positie. Ten tijde van de Jodenprogroms in Duitsland in de dertiger jaren, ging hij met anderen met autobussen naar de grens om bedreigde joden op te halen. Het initiatief was van Dr. Eykman. Ik was veel op ons clubhuis op het Leidsebosje en de sportterreinen om te trainen. Daar heb ik veel sportvrienden gemaakt; daar waren jongens bij die later in de wetenschap of politiek belangrijke functies hebben gekregen. Vrijwel allen ben ik uit het oog verloren. Soms heb ik na de oorlog wel eens een oude minister gezien waarvan ik dacht, dat kon wel eens een oud AMVJ-er zijn. Een enkele heb ik in de oorlog teruggezien toen er iets gedaan moest worden tegen de bezetter. Zij hebben er toe bijgedragen dat er voor mij als arbeidersjongen nieuwe interesses zijn ontstaan. De AMVJ had een elitaire image. Dat was niet zo; het had als uitgangspunt “een open deur”. Voor een ieder toegankelijk. Over contributie werd nooit moeilijk gedaan. Als er een financieel probleem was, dan werd een gratis jaarzegel verstrekt zoals ik al eerder vermeldde en daar werd verder niet meer over gesproken. Dr. Eykman was in die tijd directeur van de AMVJ. Iedere week op vrijdag hield hij een korte toespraak vanaf de trap en wij zaten beneden in de hal of op die trap te luisteren. Wij noemden dit “de weeksluiting van de trap” In korte maar felle toespraken sprak hij over het mensonwaardig systeem in Duitsland; de jodenvervolging. De totale verwording van de mens. Hij riep op tot bewustwording “gelovig of niet”. Hij was een van de initiatiefnemers van het organiseren van een “world conference of christian youth”. Er kwamen deelnemers uit de hele wereld naar Amsterdam, velen logeerden in het AMVJ hotel en anderen bij gastgezinnen en begeleid door vrijwilligers zoals ik. Er waren goede discussies op verschillende bijeenkomsten over allerlei onderwerpen. Soms werd er een (stomme) film gedraaid, waarbij ik op de piano “speelde”. Het waren meer loopjes of akkoorden op de piano en het stelde niets voor. Ik heb heel goede herinneringen aan Dr. 13


Drion, die de jongens leerde belangstelling te hebben voor ethiek en moraal (de voorloper van het begrip normen en waarden. ) Hij heeft ons ook wat spreken in het openbaar geleerd aan de hand van een thema dat door anderen op papiertjes waren geschreven en die we dan moesten trekken als een soort lootje. Ik had eens als thema getrokken: de voordelen van een fiets met achtkantige wielen. . Drion was erg betrokken bij het jongerenwerk. Er waren vele fijne bijeenkomsten. Een belangrijk thema was bovendien het gebeuren in nazi-Duitsland. Daar werd veel over gesproken en gediscussieerd tussen de deelnemers aan die conferentie. Een verrassende ontmoeting met een schrijver in het jaar 2000 heeft er toe geleid dat het contact mij weer werd vernieuwd. Deze schrijver ging een boek over Dr. Eijkman schrijven en heeft mij ge誰nterviewd voor wat informatie. Ik kom hier later nog op terug. Die ervaringen hebben op mij een grote indruk gemaakt en op mijn verdere leven veel invloed gehad. Toen begon de Tweede Wereldoorlog. `S-morgens heel vroeg gewekt door lawaai en massa`s mensen op straat.

Radiobericht:

14


5.

OORLOG

10 Mei 1940

Duitsland is ons land zonder waarschuwing of aanleiding binnengevallen. Vliegtuigen vlogen in de lucht, Duitse parachutisten zagen we naar beneden komen. Een overbuurman stak een groot mes in zijn laars, stapte op zijn motor en zei zoiets als:”Ik ga ze afmaken die rotzakken”. Toch moest en ging iedereen weer gewoon naar zijn werk, want men wist niet precies wat er zou kunnen gebeuren. Dat is zelfs lange tijd zo gebleven, alsof er niets aan de hand was. Wat wist de Nederlander wat oorlog kon betekenen? In de stad gebeurde niets,alleen op de Rechtboomsloot werd een hoekhuis gebombardeerd. Er werd gezegd:afzwaaier. Men wachtte verder op iets, maar het bleef die dag rustig. Een paar dagen later hoorden we over het bombardement op Rotterdam en Schiphol. Even verderop nog iets meer over de bezetting. De honderden leden van de AMVJ bleven nog enige tijd lid, de toespraken werden heftiger, maar toen de bezetter het jongerenwerk dreigde over te dragen aan de Jeugdstorm (een nazistische jeugdorganisatie) hebben we unaniem als lid bedankt. Na de bevrijding heeft de AMVJ zijn activiteiten voortgezet maar mede door mijn achtergrond en zorg voor ons nieuwe gezinnetje heb ik daar niet aan kunnen deelnemen. De prachtige tijd die ik zowel in sportieve, culturele en humanistische zin heb doorgebracht zijn prachtige herinneringen. Dr Eykman, de directeur, die in Buchenwald was geïnterneerd, is betrekkelijk kort na de bevrijding gestorven. Er was een paar jaar geleden een historicus die een boek wilde schrijven over de AMVJ en Dr. Eijkman. Hij zocht contact met oud-leden, die waren uiteraard schaars te vinden. Hij heeft toen via Oorlogsdocumentatie contact gekregen met de Vereniging van OudBuchenwalders en daar een oproep in ons clubblad gedaan om te zien, of daar oud-leden van de AMVJ waren. Ik heb toen contact met die schrijver opgenomen. Dr. Van der Linde. Hij is bij ons thuis geweest en we hebben uren over allerlei zaken gesproken; over de AMVJ, over “Jopie” (Dr. Eykman)Buchenwald. Er ontstond een hecht contact en een goed interview. Bij de aanbieding van het boek 2 jaar later was er een reünie in het oorspronkelijke AMVJgebouw. Het was een heerlijke dag van weerzien en nog groter gevoel van “hervinden” alsof je weer een beetje thuis was. (dat moest er even tussendoor) . De inval door het Duitse leger werd als een schok ervaren. Vanaf de woning in de van Lennepstraat zagen we parachutisten naar beneden komen in de richting van Schiphol. Een paar luchtgevechten in die richting zagen we ook. Op advies van de luchtbescherming beplakten we de vensterruiten met stroken papier ter bescherming van glasscherven bij een eventueel bombardement. onze omgeving is echter niets gebeurd. Toen de Duitsers na de capitulatie Amsterdam binnenreden stond ik op het Rokin. Daar stonden NSB-ers die de troepen op de auto„s sigaretten toewierpen. Als ze naast de legerauto„s vielen stapte ik naar voren en vertrapte ze. Op kantoor tikten we spotgedichtjes over Hitler en Mussert en maakten met carbonpapier doorslagen die we verspreiden. Op de verjaardag van Bernhard liepen mijn collega„s en ik tijdens de lunchpauze op het Damrak en witte bloem in ons knoopsgat; niet omdat we zo koningsgezind waren. Een speldje met de afbeelding van de G1 ( een nieuw type gevechtsvliegtuig in Nederland. ) Maar we wilden iets doen; iets demonstratiefs. Ja, dat was vrijwel algemeen de houding van veel Amsterdammers. „s Avonds gingen mijn vrienden en ik de stad in, de Kalverstraat onder andere, soms liepen WA. -lui (van de NSB) daar te provoceren of beletten joden een restaurant in te gaan op het Thorbeckeplein. Dan werd het soms knokken. Op zijn minst schelden. We vonden gewoon 15


dat we dat moesten doen alhoewel het eigenlijk een naïeve vorm van verzet was en af en toe kregen we dan ook klappen met een gummistok die deze lui soms bij zich hadden. We moesten ook wel eens vluchten om erger te voorkomen. We kenden heel veel plekjes in het AMVJ-gebouw om ons te verstoppen. De houding van het publiek was over het algemeen passief. Niet lang daarna werd de situatie ernstiger. Op het kantoor waar ik werkte kwam op een ochtend Mevrouw Premsela die in het archief werkte niet. Collega„s en ik dachten dat zij ziek was en er werd verder niet over gesproken. tijd later hoorden we de werkelijke reden. Deportatie…… Alhoewel het kantoorpersoneel tegen de bezetting was, was het verbazingwekkend hoe laconiek sommige ernstige dingen werden benaderd. Alles ging schijnbaar gewoon zijn gang. ieder ging weer gewoon op de fiets naar zijn werk met zijn pakje brood. Maar toen volgende uiteindelijk toch de Februaristaking.

Ten tijde van die staking heeft toch het hele personeel meegedaan. Een woordvoerder van het personeel liet de directie het argument van de staking weten; daar zijn geen moeilijkheden uit voortgekomen. Ik heb toen verschillende bevriende relaties opgebeld om dit door te geven. We werkten aan de Ruyterkade in Amsterdam en we zagen de bootwerkers bij honderden met andere stakersde pont over het IJ komen. Iets van de passiviteit van het kantoorpersoneel verdween toen enigszins omdat er niet alleen over de bezetting maar ook over de maatregelen werd gesproken. Het bedrijf moest na enige tijd de namen opgeven van jongemannen in een bepaalde leeftijdsgroep die zouden kunnen worden ingezet in de Duitse „Arbeitseinsatz”. Omdat ik niet het risico wilde lopen om te kunnen worden opgeroepen omdat ik tot die leeftijdsgroep hoorde,ik ontslag genomen. Dat was een hele stap want op dat ogenblik wist ik niet precies hoe dat verder moest. Ik kwam een poosje aan de kost door een soort garagezeep te verkopen. Dat was zoiets als zand vermengd met zeepafval en een likje groene zeep. Dat verkocht ik aan werkplaatsen. Een goede kennis van me had mij dat aan de hand gedaan. Intussen had ik kennis gemaakt met een vrouw die communiste en actief in de illegaliteit was. hadden een meer dan vriendschappelijke relatie. Daardoor kwam ik in de sfeer van politiek verzet terecht en op een later tijdstip in een organisatie. We luisterden „s avonds bij de (clandestiene) radio naar Radio Moskou. Iedere avond was er een uitzending in het Nederlands. Er werd vaak naar Radio Oranje geluisterd zodat we op de hoogte bleven van de vorderingen van de verschillende legers. Af en toe kwam er bezoek bij ons thuis waar zaken werden besproken waarin ik soms maar niet altijd werd gekend. Wat je niet weet kun je ook niet verraden. Langzamerhand werd ik verder bij verschillende verzetsactiviteiten betrokken, zoals het aanplakken van de illegale krant „de Waarheid„, het kalken van antifascistische leuzen op muren etc. (bijvoorbeeld: het afscheuren van propaganda aanplakbiljetten van de N. S. B. in de Leidsestraat het veranderen van de leus “Duitsland wint op alle fronten” door: “Duitsland verliest op alle fronten”) Dat laatsteheb ik maar betrekkelijk korte tijd gedaan omdat het maar incidentelevan de nazi‟s waren.

16


Daarna heb ik in overleg met mijn vriendin ca. twee maanden bij een Duitse bank gewerkt om te proberen belangrijke gegevens vante vernietigen. Het resultaat was matig en ik nam na die twee maanden ontslag. Na het verbreken van de relatie ging ik onderduiken in de Valeriusstraat 229 in Amsterdam, enerzijds om me te onttrekken aan de tewerkstelling waarvoor ik een oproep had gekregen en vervolgens om het verzetswerk te activeren. Daartoe kwam ik te werken bij een illegaal/legaal expeditiebedrijf in de Prins Henddriklaan te Amsterdam op advies van een vriend, waarschijnlijk een oud-AMVJ-er. De leiding bestond uit oud-beroepsofficieren van het Nederlandse leger. Het was een legaal bedrijf, maar dekmantel voor de verzetsactiviteiten, zoals hulp bieden aan onderduikers, verzorgen van valse papieren, contacten met bevriende ambtenaren bij de distributiedienst die levensmiddelen bonnen konden verstrekken voor o. a. ondergedoken joden die geen bonkaart meer hadden. Het verstrekken van valse werkvergunningen. Er was intensief contact met het kunstenaarsverzet (Gerrit v. d. Veen) voor het vervalsen van documenten. Het vervoeren en verspreiden van het illegale „Vrij Nederland„. Ik heb mede de zogenaamde „artsenbrief„ mogen verzorgen een illegalenbrief die alle artsen kregen waarin werd opgeroepen solidair te zijn met hun joodse collega„s die hun praktijk niet meer mochten uitoefenen. Een korte staking is het gevolg geweest. Op mijn onderduikadres had ik een voortreffelijke hospita die – waar mogelijk – in alles meewerkte. Zij zorgde zelfs zo nu en dan voor een warme hap als ik „s avonds thuiskwam. Ook na mijn arrestatie en gevangenschap in de gevangenis op de Weteringschans heeft zij, Mevrouw Boetekees, vele pogingen gedaan om mij daar te bezoeken. Zij was moedig, vermoedde mijn activiteiten en vond het niet vreemd als ik na spertijd thuis kwam. Daar werd verder nooit over gesproken. Het kwam wel eens voor dat een vriend of vriendin bij mij bleven overnachten omdat het gevaarlijk was de straat tijdens spertijd op te gaanZelf wist ik mij tijdens de spertijd op straat wel te redden. was niet overmoedig, maar er moesten wel dingen gebeuren. Je liep natuurlijk wel risico dat de Duitsers je konden arresteren als je „s nachts over straat liep. ik wist me altijd goed schuil te houden als ik controle vermoedde. Soms kwam er een vriend en vriendin op bezoek met drank. Hij werkte bij Kempinski in de Leidsestraat. Soms bleven ze slapen omdat het te laat werd om naar huis te gaan. We moesten rustig aandoen, de gordijnen stevig dicht trekken en het licht op een klein pitje doen. We mochten niet opvallen. Ook voor controle door de luchtbescherming was dat nodig, want dat werd streng gecontroleerd. Er werd een enkele keer dan wel weer eens een plannetje gesmeed als we zo bij elkaar waren. Ons kantoor is tweemaal overvallen door de Sicherheitsdienst; we waren er een klein beetje op voorbereid; we spraken daar wel eens met elkaar over. Ik heb kans gezien papieren te verbergen zoals illegale bonkaarten en illegale kranten, zoals de “Vrij Nederland”. Een van de collega„s werd achtervolgd en kon het grote pak bonnen tijdens zijn vlucht bijtijds aan mij geven. Gerrit v. d. Veen was een van de mensen die aan de vervalsingen van de persoonsbewijzen en de "Ausweisen" een belangrijk aandeel had. Het was een fijne sfeer waar we werkten en we dachten elkaar te kunnen vertrouwen. Dat je daar voorzichtig in moet zijn blijkt uit het vervolg. Ik heb veel respect voor sommige ambtenaren bij de Gemeentelijke Distributie Dienst die de bonkaarten moesten uitgeven. De kaarten van de joden waren geblokkeerden soms was er controle door Duitsers. Die kaarten waren erg belangrijk want alleen daarmee kon je wat voedsel in de winkel kopen. Geen bonnen dan geen eten dus. Wij werden getipt wanneer de kust veilig was en 17


dan gaven die ambtenaren ons soms heel wat bonkaarten. Die ambtenaren hebben daarmee heel goed werk gedaan ten behoeve van onderduikers. Zo herinner ik me het contact met een ambtenaar van het Arbeidsbureaude naam Immink; een bijzonder moedig mens die veel heeft geriskeerd. Oproepen voor werk in het kader van de “Arbeitseinsatz” wist hij te laten verdwijnen. Ook mijn papieren heeft hij laten verdwijnen zodat ik een poos relatief veilig was. Ook zorgde hij voor voedselbonnen ten behoeve van onderduikers. Bovendien kende ik iemand die bij het toenmalige Wilhelmina Gasthuis bij de administratie werkte. Patienten die opgenomen werden moesten voedselbonnen inleveren. Mijn kennis verzorgde dat, dus verdere uitleg overbodig lijkt me! Wij hadden weer wat te verdelen. 29 Februari 1944 echter was een donkere dag. Vrijwel zeker door verraad van binnenuit werd ons bedrijf overvallen en vrijwel het gehele personeel werd gearresteerd door de Duitsche Sicherheitsdienst. Dus niet het gehele personeel. Een verrader is nooit gevonden, wel is iemand uit de top na onze arrestatie z. g. gearresteerd wegens handel in juwelen. Het schijnt dat die binnen ons bedrijf werden verborgen voor joodse landgenoten die ze in bewaring hadden gegeven. Veel later kwam ik te weten, wat ik al vermoedde omdat ik daar zijdelings kennis van had genomen, dat er veel andere illegale activiteiten waren geweest. Bijvoorbeeld een dropping uit een Engels vliegtuig van materialen voor het verzet in Amsterdam Zuid was geparachuteerd. Ik heb op mijn werk toen wel iets opgevangen,maar je luisterde niet naar alles. Wat je niet wist, kon je niet vertellen. Ik herinner me wel veel aandacht in de pers en enige spanning en vergaderingen en overwerk op het bedrijf. Heel veel later kreeg ik wat bijzonderheden te horen. We werden naar de Sicherheitsdienst in de Euterpestraat gebracht en daar in de kelder opgesloten. Na een dag met verhoor werden we met legerwagens naar de gevangenis op de Weteringschans gebracht. Opgesloten in cel A. 3-20. Eerst een hele dag beneden in de hal onbewegelijk staan wachten met mijn neus pal tegen de muur, onrust, geen eten, geen drinken, geen sanitair. Wat komt er nog? Vele jaren later vond mijn oudste dochter op het Waterlooplein een boek met de titel „wat gebeurde er op de Weteringschans„. Ze kocht het voor een paar kwartjes voor haar vader en wat las ik: cel A. 3-20 was een dodencel. Via via had mijn hospita gehoord dat ik in de gevangenis zat en zij heeft geprobeerd mij te bezoeken en te zien of ze verder iets voor me kon doen. is daar niet in geslaagd. Mijn familie wist met die situatie kennelijk geen raad en ze hebben dan ook nauwelijks pogingen gedaan om op een of andere manier contact te zoeken. Maar ze vonden me toch al een jongen waarvan zij weinig wisten. Er is wel eens gesuggereerd dat er van mij niets terecht zou komen. Het is aan anderen om uit te maken of ze gelijk hebben gekregen. Dat kwam tot uiting toen ik na de bevrijding op een geleende fiets naar mijn broer ging, simpelweg werd begroet met “O, ben je daar weer”. Op mijn vraag naar een oude broek of zo, kreeg ik een negatief antwoord. Ze vonden me maar stom dat ik me heb laten pakken. Dat heeft de relatie dan ook niet verbeterd. Een kille ontvangst, maar dit even terzijde. Ik werd een paar weken in de gevangenis gevangen gehouden. Dagen vol spanning. Bleven de naderende voetstappen buiten bij mijn cel stilstaan of gingen ze verder? Er werden voortdurend gevangenen gehaald om te worden verhoord. Angst en onzekerheid. Toevallig had ik een pasfoto van een vriendinnetje bij me, als ik daar lang naar keek en dan naar het plafond, dan stond daar dat fotootje geprojecteerd. Iets als tijdverdrijf en om de spanning een beetje te verdringen. Uiteindelijk kwam het zover dat ik de cel uit moest. Ik 18


wist niet wat er verder zou gebeuren. Ook uit andere cellen werden gevangenen gehaald en bijeengebracht in de hal. Met veel geschreeuw naar mij moest ik snel aantreden. Angst voor het onbekende. Na verder individueel verhoor kreeg ik mijn spullen terug en werden we per speciale tram en onder bewaking naar het centraal station gebracht. Het Leidsche Bosje in Amsterdam was voor dit transport helemaal afgezet. Bewaking op de treeplanken van de tram, doch gewone maar bijzonder hulpvaardige wagenbestuurder voorop. Er waren ook andere gevangenen bij uit onze groep. We hadden onze eigen kleren weer terug. De trambestuurder liet voorzichtig rondvertellen: “Jongens als je wat voor thuis hebt, gooi het onder de bank met een adres erop als dat kan”. Zo goed als dat mogelijk was, stopte ik wat geld, bonkaarten in een stukje papier. Met een stompje potlood schreef ik er een adres op en gooide dat onder een bank. Na de oorlog en thuiskomst hoorde ik dat dit keurig thuis was bezorgd. Een onvergetelijk gevoel van warmte en solidariteit. na alles wat er was gebeurd. We gingen onder bewaking met de trein naar Amersfoort naar het Polizeiliches Durchgangslager Amersfoort. Een concentratiekamp. Daar was het dat ik de kampcommandant Kotella voor het eerst zag. Een schok zo iemand te zien met zijn sadistische gedragingen. Hij kreeg terecht na de bevrijding de doodstraf. Ik stond lange tijd in “de Rozentuin”. Dat was een kooi van prikkeldraad. Vandaar kon je het hele kamp bijna overzien. Ik zag daar rennende gevangenen op klompen in oude soldatenpakjes van het Nederlandse leger die achterna werden gezeten door kampknuppelaars. Die rosten hun medegevangenen af, waarschijnlijk voor een extra stukje brood. In het bijzonder medegevangenen die stonden te schuilen in de latrine werden extra afgeranseld. Tegen een van deze knuppelaars heb ik later nog moeten getuigen voor het Bijzonder Gerechtshof. Er was veel steun van de vrienden uit het verzet die met mij waren gearresteerd. Naast me in die rozentuin stond een gevangene die daar niet levend is uitgekomen. Ik heb dat moeten aanzien. Toen ik in die Rozentuin stond, grote angst, drong het nauwelijks tot me door dat ik daarna een van de voorop rennende zo zijn. Mijn sportverleden heeft me later waarschijnlijk voor vele klappen beschermd. In het kamp zelf zorgde ik er voor, althans dat probeerde ik, uit de buurt te blijven van waar iets ernstigs aan de hand was. Met afgrijzen denk ik terug aan de z. g. voetencontrole s„avonds. Je moest ze buiten de krib laten zien. Als je geluk had werd er niet met een stok op geslagen, want de SS-ers vonden de voeten meestal smerig. Het waren Nederlandse SS-ers die dat deden. Ik heb een keer de stommiteit begaan een van die boeven te corrigeren in zijn taalgebruik. Hij sprak namelijk slecht Duits. Zijn reactie viel nogal mee; vermoedelijk overbluft. Maar wel stom van me. Soms heeft een mens een beetje mazzel. In het begin niets anders dan de hele dag op de appelplaats rondjes lopen op klompen die niet pasten en waarop ik niet kon lopen, gekleed in een oud uniform van het Nederlandse leger. Eén keer in de week kwam Loes van Overeem van het Rode Kruis (een witte engel in uniform) boerenpakkettenbrengen. Roggebrood, spek enz. zaten daarin. Vrijwel een ieder (vr)at dat zo snel mogelijk op; het resultaat was vrij snel daarna merkbaar onder meerde stank van de diarree. Een poos later kon ik werken in het “Holzkommando”, houthakken dus. Na afloop iedere avond was ik blij dat er zo weinig hout was gehakt. kijken, als er iemand keek, beweging maken en verder niks. Ook “grammofoonplaatje draaien”was bij de moffen geliefd. Vinger op de grond houden en dan maar rondjes draaien. alle andere ervaringen heb ik er ook een afkeer van klompen aan overgehouden. Een nieuwe schok: op transport: „s Morgens heel vroeg al lopend met vele anderen onder veel bewaking door de straten naar het station in Amersfoort. In het pikkedonker. Vluchtpogingen werden hardhandig voorkomen, geschreeuw, gevloek en gejammer (de later 19


terdoodveroordeelde oorlogsmisdadiger) was bij dit transport aanwezig. Revolver in de hand. De trein in met een klein stukje brood; geen drinken. Zwarte politie als begeleider tot de grens daarna Duitse begeleiding. Verder geen eten en drinken. „s Morgens heel vroeg vertrokken uit Amersfoort, midden in de nacht aankomst in het concentratiekamp:

6.

Buchenwald

Een klein perronnetje, zoeklichten, SS-ers, hondengeblaf, gebrul, kreten, fel licht uit schijnwerpers, bevelen: verdammte Schweinhunden, d„raus,aussteigen, schoppen, slaan, rennen, Carachoweg af, struikelend, vallend naar toegangspoort “ Jedem das Seine” rennen, wachten, uitkleden, wachten, kou, urenlang, kaalscheren, onderdompeling in lysolbad, naakt, wachten, kou, Bekleidungskammer, zebra- kampkleren……………. (Kleding die bij het vele slecht weer later altijd nat was en niet gedroogd kon worden. ) volgende dag maar weer gewoon (nat) aantrekken. Muiltjes van iets wat op linnen leek, in de blubber van het kamp liep je al spoedig op blote voeten en met wat geluk een paar oude lappen aan. Naast mij stond een medegevangene, een geestelijke, geen priesterkleding meer, geen afstand meer. Beiden naakt,waren “nobody”. Staand aan de poort van het inferno waren we tot gelijken geworden, een nummer.

7.

Het begin van wat nog zou komen.

Er zijn veel boeken en films vertoond over concentratiekampen maar toch wil ik proberen persoonlijke ervaringen weer te geven. Boeken en films zijn namelijk maar een schijnwerkelijkheid tegenover het werkelijke gebeuren;ik zal er echter niet in slagen die werkelijkheid weer te geven. Alleen maar benaderen. Ik ben me er van bewust dat een ieder op eigen wijze de schokken heeft beleefd en in vele gevallen zelfs nog moet blijven beleven. Maar nooit zal ik er in slagen mijn werkelijke gevoelens uit te drukken. We werden ondergebracht in het kleine Lager, stapelbedden, tien man per vak, vier vakken = 40 man gestapeld. Latrine: lange betonnen putten ( tien meter lang denk ik) met in het midden een boomstam. Plaats voor velen aan beide kanten,rug aan rug. Met z`n tienen naast elkaar in het stapelbed…………. De nachten waren meer dan verschrikkelijk. De stank, de hygiëne. De onrust en de angst voor wat nog zou gaan komen. Na enige tijd werd ik overgebracht naar het grote Lager, block 32 B-vleugel. Nu maar met twee man onder één deken in dat stapelbed. Tweede was Jopie van Ravenswaay, mijn slapie. Een van de eerste ervaringen in dit kamp was al vrij snel na aankomst. In de barak was diefstal gepleegd. De gevangene die het had gedaan werd ontdekt en in een kring gezet van Nederlandse medegevangen die al langere tijd in het kamp zaten; zogenaamde “prominenten”. De dader werd door hen verrot geslagen onder de kreten: “kijk zo lossen wij dit hier op”. Ze wilden dit als voorbeeld stellen. Dat het niets oploste is nadien menigmaal gebleken. Was dit de wet van de jungle ofvoorbeeld van solidariteit met diegene waarvan gestolen was? Solidariteit : een mythe? Vragen. Er was een eigen orde, je werd beoordeeld door “ het kader” (gewoonlijk Duitse gevangenen) die vaak al jaren gevangen zaten en een linkse politieke achtergrond hadden. Je kunt zeggen dat je werd “gescreend” op het nut dat je zou kunnen hebben voor die gemeenschap van gevangenen. Op je gedrag tegenover de medegevangenen, zelfs de kleur van de driehoek op je zebrapak kon van invloed zijn. Zwarte driehoek betekende een asociaal, zwarthandelaar b. v. Een rode driehoek een politieke gevangene, een groene 20


driehoek een crimineel, een roze driehoek een homoseksueel. Zo waren er meer kenmerken wie je was en waarvoor je in gevangenschap was. Het merendeel van de Duitse en Oostenrijkse gevangenen waren politieke gevangenen en droegen een rode driehoek evenals ikzelf en vele andere Nederlanders. Dat waren de eerste ervaringen. Lang, heel lang zelfs, werkte ik in de steengroeve waar we kiepkarren (lorries) met stenen moesten laden die niet te tillen waren, maar dat we toch moesten doen, onder bedreigingen, zo niet erger, van de bewaking of een groene driehoek (criminele) Kapo. Als die karren vol waren, moesten we die, geketend aan dwarsbomen, over rails de steengroeve uit rijden en tegen de berg op trekken; begeleid door sadistische SSers. En we moesten ze leeg naar de mijn weer terugrijden en voorkomen dat ze gingen racen of van de rails vielen. Als we na afloop van de slavenarbeid om zes uur teruggingen naar de barakken, moesten we onderweg uit een grote hoop stenen er één uitzoeken en mee terugnemen en dan weer na een paar honderd meter ergens anders op een hoop gooien. We slenterden heel langzaam en keken uit naar een kleine steen; soms lukte dat niet en dan moest je van de SS-er een extra grote steen op je schouder mee terugnemen naar het kamp De volgende dag uit die hoop weer een steen pakken en op je schouder terugbrengen naar de steengroeve…. Ik moest ook korte tijd in een ander strafcommando werken. “Scheisse tragen” in de Gärtnerei. Ik had me in een ander commando gedrukt, anders gezegd werk geweigerd. We moesten een lange diepe geul graven. Onze Hollandse voorman zat op de uitkijk of er gevaar dreigde terwijl wij in de gegraven kuil gingen liggen en in slaap vielen. Maar ook de voorman viel in slaap en toen werden we betrapt door de Arbeitsdienstführer en afgevoerd naar dat strafcommando. We werden tegen de muur van de bunker gezet en we vreesden voor een executie. “Gelukkig” werden we naar de Gärtnerei gebracht en daar begon het volgende: met twee man moest een bak vol stront opgeschept worden uit een diepe put, dan moesten we in looppas langs een paar SS-ers rennen die ons op zijn minst bedreigden, die bak een stuk verder leegstorten; weer terug en van voren af aan. Tien uur per dag in looppas. Door de bedreigingen en oververmoeidheid werd er vaak gestruikeld, de bak kantelde en we zaten onder de stront. We werden bij terugkeer in de barak niet toegejuicht. De zebrakleding zat onder de troep en alles stonk. Schoonmaken?? Een farce. Ook heb ik een poosje in het bos moeten werken, in weer en wind. Bomen dragen en verplaatsen van hier naar daar. Waarom wist niemand. Drukken kon je jezelf alleen maar door zo langzaam mogelijk lopen om tijd te rekken. “Achtzehn” was een kreet onder de gevangenen als er extra gevaar dreigde. Pas op en doe alsof je beweegt. Een keer ben ik er in geslaagd om er een hele morgen over te doen een kruiwagen vol te scheppen. Als de mof niet keek, stil staan met je schep, als hij keek een scheppende beweging maken, enz enz. Maar dat behoorde wel tot de uitzonderingen maar je bleef alert op alles wat zou kunnen gebeuren. Er waren een paar lotgenoten die elkaar in deze toestand zo goed mogelijk bijstonden. We hadden ondanks alles de wil om te blijven leven; om in vrijheid naar huis terug te kunnen gaan. Dat is nu eenvoudig opgeschreven, maar het was een voortdurend gevecht tegen geestelijke ontreddering. We deden zelfs zoiets als een wedstrijdje: wie het langs nog een korreltje van dat heel kleine stukje grauwe brood in zijn mond had. Zo weinig mogelijk over honger praten, die had een ieder. Alhoewel er een enkele keer werd gefantaseerd. Meestal probeerden we binnen een paar gevangenen over iets anders te praten, voor zover we dat fysiek konden opbrengen. Op een dag moesten we uit ons Block aantreden en voor de SS verschijnen; het zebrajak moest uit en we moesten in een rij staan. Een ieder van ons kreeg een injectie in de borst. Nog steeds weet ik niet wat dat is geweest. Er vielen verschillende gevangenen flauw. Ik was erg bang maar bleef met heel veel moeite op de been en werd wel een hele tijd duizelig. Ik noemde dat speerwerpen want die artsen wierpen die dikke naald in je borst. Een van de verschrikkelijkste dingen was het appèl vanuit de barak. Opstellen opmarcheren naar de appelplaats en wachten, wachten, in de houding; soms urenlang in weer en wind. 21


De administratie moest kloppen. Het kon wel eens drie uur duren als je pech had. Een spookachtig gebeuren 40.000 gevangenen in het licht van schijnwerpers; blaffende honden langs het elektrisch prikkeldraad. Stilstaand. Onbewegelijk. Als je geluk had regende het niet. Tijdens het bombardement in Augustus 1944 door de Amerikanen op Buchenwald was die onderlinge steun bijna tastbaar. Het bombardement betekende een toevoeging aan de bestaande extreme levensomstandigheden. Het heeft vele gevangenen het leven gekost. Zo lag er een Rus in een bomtrechter met aan een zijkant van zijn lichaam de darmen eruit. Hij schreeuwde: „Kamerad‟. Ik heb ze in een reflex teruggeduwd in zijn lichaam en kon verder niets doen. Wist ook niets anders. Ik rende verder, dook in een bomtrechter, kroop er weer uit en rende weer verder. Een ander lag verderop met een afgerukt been en ook die probeerde je te helpen. Dat alles gebeurde in een reflex, zonder nadenken. Ik voelde bloed over mijn gezicht lopen, ik had een flinke hoofdwond. Het was overdag. De hemel en mijn gevoel waren zwart. Mijn slapie “Jopie” en ik zagen elkaar na lange tijd na het bombardement, plotseling in de verte. Betrekkelijk ongedeerd, tussen het puin, in de rook en de vlammen. Er lagen veel slachtoffers. We konden geen woord uitbrengen en keken elkaar alleen maar vol ontzetting in de ogen en omarmden elkaar. Daarna kon ik niet meer lopen, mijn benen begaven het; helemaal onmachtig. Ik wankelde en moest op de grond gaan liggen om tot mezelf te komen. Weerstand en denken waren uitgeschakeld. Duisternis.

These photos from the United States Strategic Bombing Survey collection show the bombing attack on 24 August 1944 . On the left, before the attack - the inmates' camp appears at the upper right, with the SS compound in a semi-circle (and the adjacent buildings), and the Gutsloff armament factory - the actual target - at the lower right. In the center, bombs are hitting the Gutsloff complex and the SS compound. On the right, the resulting damage - the Gutsloff complex was heavily damaged, but several bombs, including incendiaries, also fell on the inmates' camp. Some estimates of inmate casualties from this attack number as high as 8000 .

22


Niet lang daarna toen alles weer een beetje “geregeld” ging, kwam ik in contact met een Duitse gevangene die tot “het kader” behoorde en een goede positie in het kamp had. Hij sprak redelijk Nederlands en vertelde me dat hij in de jaren dertig uit Duitsland naar Nederland was gevlucht en daar ondergedoken was geweest als illegale immigrant in Amsterdam. Er was in Holland namelijk een organisatie “De Rode Hulp” die antifascisten uit Duitsland onderdak verschaften. Dat was illegaal, want ze mochten officieel ons land niet binnen. Toen ik hem vroeg waar hij had gewoond, noemde hij tot mijn verrassing het adres van mijn verzetsvriendin. Ik vroeg hem of hij bij deze vrouw had gewoond waarop hij verbaasd “ja” antwoordde. Toen daardoor vast kwam te staan dat wij gemeenschappelijke politieke vrienden hadden, vroeg hij in het Duits welk Kommando ik werkte. “Was Mensch, Steinbruch? Und Du lebtst noch. Schlimme Arbeit nicht?” Wat dit tot gevolg had, volgt nog. Hoewel Buchenwald geen vernietingskamp was zoals Auschwitz, de vernietiging van de mens in Buchenwald gebeurde onder andere door arbeid. Cynisch genoeg was er een kostenberekening gemaakt, waarbij de gemiddelde levensduur op zo„n negen maanden werd gesteld. Regen en kou, ondervoed en nauwelijks gekleed aan het slavenwerk. Iedere dag weer opnieuw. Soms ook, gelukkig, snikheet zoals in de zomer van 1944. Maar er waren perioden dat kou en honger als het ware abstracte zaken waren. Ik heb het ergens al eens gezegd: het was of je uit je eigen lichaam kon stappen en je jezelf van een afstand kon bekijken. Angst voor apathie of defaitisme behoorde ook tot je denken. Door het contact met slechts een paar bijzondere kampkameraden bleef je psychisch redelijk op de been. We spraken af niet over honger met elkaar te praten, maar over sport, muziek, jazz en vul verder maar wat cultureels in. En zo probeerden we elkaar te steunen. We maakten een enkele keer al plannen voor “als we thuis waren”. Dat we meestal niet in onze voornemens slaagden is duidelijk. Ik beleefde een wonder, dat gebeurde op een ochtendappel toen ik me moest melden bij de Arbeitsstatistik. Daar kreeg ik een briefje dat ik me moest melden bij de Kapo van de Wasserij en niet naar de steengroeve hoefde. Toen ik mij bij die Duitse Kapo meldde bleek dat hij van mijn komst afwist, want ik werd begroet met de woorden: “ach Du bist der Leo aus Holland”. Hij vond dat ik er belazerd uitzag en hij stuurde me naar de Kapo van het Revier (een kleine ziekenafdeling). Alles kwam op tijd want de bodem van mijn fysieke toestand kwam in zicht. Ook daar wist de Kapo van mijn komst en hij liet me allerlei eenvoudige klusjes doen. Ik kreeg redelijk te eten, waarschijnlijk van rantsoenen van de doden die nog niet waren afgeboekt. Na een paar weken werd ik teruggestuurd naar de wasserij en er aangesteld als administrateur. Een nieuw begin: Daar kreek ik oude schoenen en kleding in plaats van de kampkleding, wel met een ingezet stuk zebrastof in jasje en broek om vluchten te voorkomen. We hadden daar geen avondappel zoals op de appelplaats dat vaak uren kon duren, staande in weer en wind, nauwelijks gekleed en gevoed. Integendeel, nu voor de machines aantreden en snel appel afnemen door een vaste SS-er. en……. ik had het nu sinds lange tijd warm. Ik voelde me gelukkig en bevoorrecht ook omdat ik zo af en toe iets voor een kameraad kon doen die in een ander Kommando werkte en ook voor mijn slapie in het stapelbed. Zoals wat kleren verzorgen; maar dat was toch een beetje riskant en van bescheiden omvang. Er werkten ook Russen in de wasserij die heel veel voor hun kameraden hebben weten te organiseren. Er zaten duizenden van hen in Buchenwald en ze werden door de SS als minderwaardig beschouwd. Die Russen kregen ook veel steun van de Duitse gevangenen want contact met thuis en ontvangen van post (wij met geluk één keer per maand in het Duits) mochten ze niet. Ik kon redelijk met ze opschieten en leerde een paar woorden Russisch. Nou ja, die woorden kan ik niet op papier zetten. Wel een paar zoals: eten, drinken, roken, werken, niet goed en wat verder in zo‟n situatie voor de hand ligt. 23


Een poosje later werd me door de leiding van de wasserij gevraagd of ik er iets voor voelde om als vrijwilliger bij de brandwacht te komen assisteren. Je kreeg dan een witte band om de arm met een rode bal erop dat gaf je het recht „s-avonds en „s-nachts door de kampstraten te lopen. Het was zoiets als een brandbeveiligingsbeambte. Dat het ook een andere functie kon hebben zou later blijken. Want binnen die groep werd me enige tijd later terloops gevraagd of ik ervaring had in het omgaan met schietwapens. Dat had ik niet omdat ik niet in dienst was geweest. Weer een poos later werd ik uitgenodigd bij een bespreking tussen de brandwachten. Die bespreking was in een kelder van een stenen barak. Daar was een Duitse gevangene, die ik niet kende en toen kregen we instructie hoe te handelen in geval van een luchtlanding van de Amerikanen of de Russen. Daarbij werd een kaart van Buchenwald en de omgeving gebruikt en in een later stadium kregen we instructies over het gebruik van handwapens. Dit vertrouwen en verzet onder deze omstandigheden ervaar ik tot op de dag van vandaag als heel bijzonder en heeft in veel gevallen een basis gevormd voor mijn verdere handelen. Het gaf je nieuwe impulsen om je actief te verzetten. Naarmate het laatste stadium van de oorlog in zicht kwam, kregen we in de wasserij continu diensten. Twaalf uur op en twaalf uur af. Dat betekende dat als je „s morgens in de barak kwam die vrijwel leeg was met uitzondering van de Stubedienst omdat iedereen was uitgerukt met zijn commando. Ik had dan de houten krib helemaal alleen zonder opgepropt te moeten liggen. Het enige gemis was de warmte van je slapie die anders naast je lag want het was altijd klam en verschrikkelijk koud. In december 1944 werd besloten dat ik op transport moest gaan naar Halle, niet ver van Leipzig. Ik ging daar onder bewaking met de stoomtrein naar toe. Die werd onderweg beschoten door Engelse jagers, zodat we met de begeleiders het veld invluchtten en plat achter begroeiing moesten wachten totdat de kust veilig was. Geprobeerd werd de stoomlocomotief uit te schakelen dat dit keer niet is gelukt. Ik werd stoker bij de Siebel Flugzeugwerke en we sliepen in een klein barakkenkamp. Wegens het belang van die fabriek waren er veel luchtaanvallen en moesten we veel de schuilkelder in. We probeerden iets met de vuren in de ketels te doen zodat er te weinig stoom zou zijn voor de productie; we hebben het resultaat niet kunnen vaststellen omdat we er geen verstand van hadden. Overigens werd mij wel eens verteld dat de productie toch al beneden peil was. Er zou meer dan de helft van de productie zijn afgekeurd; maar dat is mij alleen maar verteld. Er waren betrekkelijk weinig andere Hollanders in dat kamp. Verschillende Fransen en nogal wat Russische meisjes. Die moesten de kolen laden en in kipkarren naar het ketelhuis duwen. Bij slecht weer werden ze oogluikend toegelaten om bij de ketel wat te drogen of zich warmen. Ik had bij de “Meister”, dat was een chef technische dienst, redelijk contact onder die omstandigheden en daardoor kon ik met mate iets voor die meisjes doen. Het waren meestal studenten die zomaar van de universiteit waren meegenomen naar Duitsland om te werken. Het waren keurige meisjes zo tussen de 17 en 25 jaar die geweldig mooi meerstemmig konden zingen over Rusland. Het was van een grote schoonheid, ontroerend juist onder deze erbarmelijke omstandigheden zo te worden geconfronteerd met die intense gevoelens. Het heeft me wel eens kippenvel of een dikke keel bezorgd. Ondanks de taalbarrière had ik goed contact met sommige van hen. Er waren soms gesprekken zoals “Russki kommt, Hitler kaput” en dat begreep een ieder natuurlijk. Zo waren er ook nog andere woorden die ik leerde. Ze waren verder voor ons niet benaderbaar, maar solidair was onze lijfspreuk. Dat was altijd en overal merkbaar; onuitgesproken. Solidair, ook in ons voorzichtig verzet in de fabriek; “pomalo” in het Russisch “langzaam” 24


Op weg van hun barak naar de fabriek stalen ze van het land soms wat groente of een suikerbiet. Althans iets wat op het land stond. Dat werd dan verdeeld en in de ketel gestoomd en collectief genuttigd. Het gedrag van die meisjes was indrukwekkend. Solidariteit was bij hen vanzelfsprekend. Het kwam niet voor dat iemand iets voor zich alleen had. Een dergelijke houding had ik al in Buchenwald met de Russische gevangenen meegemaakt. Stelen van elkaar betekende letterlijk de dood. “Parasiti” klonk dat in het Russisch. In Buchenwald heb ik een Russische gevangene zien doden door andere Russen. Ze schreeuwden dan “parasiti”.

8.

Bevrijding

De bevrijding was van een ongeloofwaardige eenvoud. De Duitsers gingen niet meer in de schuilkelders maar bleven tijdens het luchtalarm ervoor staan. We keken naar de hemel, honderden vliegtuigen, levensgroot vlogen ze over ons heen in de richting van Leipzig want dat zagen we van een afstand. We keken ook uit over het veld en zagen in de verte tanks rijden terwijl er aan de huizen in de omgeving steeds meer witte vlaggen verschenen. De wacht die bij ons stond zei tegen zijn maat: „komm doch mit, ich lasse mich nicht in die letzte Minuten kaputschiessen. ‟ Dat gebeurde dan; ze liepen het veld over richting de tanks en de handen omhoog. We stonden al in het gebied dat bevrijd was door de Amerikanen maar dat wisten we toen nog niet. We waren een beetje verstijfd en keken alleen maar naar die vertrekkende Duitsers. We kwamen zelfs niet op de gedachte hun achtergelaten wapens te grijpen want achter ons werden we afgeleid door motorgeronk. We draaien ons om en daar kwam een jeep aanrijden met een witte ster aan de zijkant. Een Amerikaanse jeep! VRIJ. Duizelig na de eerste Camelsigaret nadat ze wisten wie we waren. De terugreis naar huis die we in gedachten hadden, was heel bijzonder. Om te beginnen moest we te eten hebben en dat ging tamelijk eenvoudig. We roofden hier en daar wat. Een paardenkop bijvoorbeeld, een zak aardappelen en een groot blik marmelade. Tijdenlang heb ik gedacht dat er niets lekkerder bestond dan gekookte aardappelen met jam; maar daar was ik bij thuiskomst gauw van genezen. Maar ook kippen werden uit hun hok geplukt en er werd niet gekeken of het een haan was. Nou ja, dit zijn maar enkele voorbeelden. Onwerkelijk. We kwamen natuurlijk al heel gauw tot de werkelijkheid. Tenslotte kwamen we in een opvangkamp terecht, we waren “displaced persons”. Zo simpel was mijn bevrijding uit gevangenschap. We wilden zo spoedig mogelijk naar huis in Holland. We zouden gaan lopen, het was maar zo„n 600 kilometerr. Toen kwam er een kameraad het kamp binnen met een fiets. DAT was wat. Hoe kom je er aan? “Gejat bij het station. ” (feitelijk heette dat organiseren). Ik ging ook naar het station, dat in de brand stond, daar waren burgers de brandende trein aan het plunderen, maar hadden hun fiets niet op slot gezet vanwege hun haast. Daardoor kwam ook ik in het kamp terug op de fiets. Alle snelheidsrecords ongetwijfeld gebroken, het was namelijk toch wel een beetje angstig. Maar het verhaal is nog niet af, want een poosje later kwam er een ander binnen die vertelde dat er ergens een auto onbeheerd stond. Die kregen we met veel moeite aan de praat met houtgas en we vertrokken met die vrachtwagen van de Duitse Bundesbahn op weg naar Holland. Maar onderweg na zo„n 200 km. werden we door de Amerikanen tegengehouden en moesten we in een ander kamp voor displaced persons wachten op vervoer naar Holland. Onderweg werden we nog door kleine groepjes Duitsers beschoten. Dus bukkend en laverend reden we door het bos. Dat kwam omdat het oostelijke deel van Duitsland al was bevrijd door Amerikanen in hun tanks, terwijl wij, steeds dichter naar het westen komend, eigenlijk naar de frontgevechten gingen waar de geregelde troepen waren, Dat wisten we niet, maar we merkten het des te beter. We werden steeds vaker beschoten. Ik zat naast een Rotterdammertje met de naam die ik hem had gegeven Bolletje Bink die beweerde te kunnen autorijden; hij deed dat inderdaad maar sindsdien geloof ik een beetje 25


in wonderen. Eerder hadden we de auto al met gestolen verf beschilderd. Ja: met rood-witen-blauw en “Holland” ( wat wordt een mens toch inventief. ) Verschillende keren lieten we ons uit de auto op de grond vallen om dekking te zoeken. En verder dan maar weer zigzag door de bospaden. Onderweg werden wij door Amerikanen aangehouden die plotseling uit een dekking voor ons stonden met getrokken wapens. Ze verklaarden ons voor gek en gaven begeleiding met een gevechtswagen; die reed voor ons uit, maar sneller door het bos dan onze auto en na een paar bochten hebben we hem niet meer teruggezien. Maar steeds hoorden we nog schoten van kleine Duitse eenheden. Ik zat naast Bolletje Bink voorop en er waren momenten dat wij zonder te kijken ( hoofd naar beneden) door het bos reden om aan de kogels te ontkomen en natuurlijk naar achteren schreeuwden we “plat liggen“. Er waren nog veertien anderen in de laadbak. Een spannende maar eigenlijk krankzinnige situatie. Een stelletje landlopers in een gestolen auto door een gebied waar nog oorlog was! Als je die herinnering opschrijft zie je pas het absurde er van in. Verder op de weg reden we langs villa‟s waar Russische bevrijdde gevangenen de provisiekelder en niet te vergeten de wijnkelder plunderden. Wij hebben ze daarbij een groot beetje geholpen. We hebben niet naar glazen gezocht, want we sloegen de hals er zo voorzichtig mogelijk af en we dronken het zo op. Als er verkeerspolitie zou zijn geweest, hadden we de auto moeten inleveren. . Maar voor het eerst reden we zingend door Duitsland. Zo kwamen we tenslotte in dat opvangkamp aan; overigens zonder auto. Want de motor had het inmiddels begeven en Bolletje Bink kon niet repareren. De auto hebben we van een berg geduwd en dat liet een prachtige stofwolk achter. Wel jammer dat hij niet in de brand vloog. Liftend met Amerikanen en gedeeltelijk lopend kwamen we ongeschonden in een opvangkamp aan waar we nog enige tijd zouden moeten blijven. In dat kamp nam ik contact op met de Amerikanen en probeerde afspraken te maken over de thuisreis, voeding en ligging etc. Ik heb toen een menu voor de vele gevangenen ( zo`n 1200 man) op verzoek opgesteld; die kreeg de goedkeuring van de Amerikanen. Het is grappig als ik dat menu nu nog wel eens tegenkom tussen mijn papieren. Ik heb met deze jongens, want dat waren het, een heel goede tijd gehad. We konden leuk samen organiseren. Zo hebben we een varken gestolen en opnieuw een kippenhok leeggeroofd. Een kleine Amerikaanse dokter vond het leuk en reed me met zijn jeep daarheen waar ik wilde zijn. Bij een andere gelegenheid werd uit een huis een piano gehaald, op een plein neergezet, een zwarte pianist erachter en swingen geblazen. Ook gingen we „s morgens vroeg naar de boeren waar we eieren gingen “halen” zonder te betalen. Die waren blij dat wij Hollanders waren die bij hen kwamen en geen bevrijdde Russen, want daar waren ze doodsbang voor. De contacten met de Amerikanen werden steeds beter als het om voeding en huisvesting ging; tegenover de bevolking waren ze nogal afstandelijk al hadden velen van hen talloze horloges op hun armen of verschillende camera„s om hun nek hangen. Er waren echter geen winkels geweest die deze zaken aan hen hadden verkocht!!! Maar ja……oorlogsbuit?? In ieder geval hebben de displaced persons zich daaraan niet gestoord. Daar waren er ook bij die op hun eigen manier aan het organiseren. De oorlog was overigens voor sommigen nog niet afgelopen, want er waren jonge Amerikaanse militairen die werden opgeroepen om naar Japan te gaan om verder te vechten. Ze werden daar niet vrolijk van en bij onze samenkomsten hebben we voor die tijd samen nog wel eens een glas teveel gedronken en op broederschap getoast. In Europa was de oorlog afgelopen, en dan moesten ze nog even naar Japan. Wat waren ze bang en wat hadden ze de pest er in!! Omdat ik redelijk Engels sprak vroeg de Amerikaanse commandant of ik als verbindingsman wilde optreden tussen hen en de bijeengebrachte displaced persons. Dat waren er erg veel. Er kwamen er steeds meer, veelal uit het Oosten en ook veel Fransen. Ik heb dat een paar maanden kunnen doen, ontmoette een jong Duits meisje dat zich erg betrokken voelde bij datgene wat we hadden ondervonden. Ik heb haar ontmoet in het dorpszwembad, zij in badpak en ik met niks. Een paar dagen eerder hadden wij de toegang gesloopt want het was 26


dicht. Heerlijk kunnen genieten van het water en het mooie weer. Ik kreeg van de Amerikanen ergens als coördinator half in het bos een klein huisje toegewezen vanwaar ik een beetje kon doen wat de Amerikanen van me wilden. Ik had dat huisje samen met een andere ex-gevangene. Dat meisje, Gisela Remmert, bleef bij me. Ik zorgde ervoor dat er voldoende te eten was met behulp van de Amerikanen en dat meisje verpleegde me. Ze was erg bezorgd om me. Lang strijd moeten leveren met de captain, want Gisela mocht niet in ons kamp komen als Duitse. Woedend ben ik geweest; ik heb de Amerikanen stijf gescholden omdat ik vond dat zij een Duitse was die zich als een mens toonde. Blijkbaar had ik ontzag uitgestraald want zij bleef. Trouwens ik zou me hebben blijven verzetten als zij niet had mogen blijven. Zij was een vluchtelinge uit Schlesien. Gevlucht voor de aanstormende Russen. Wat was ik woedend. De Yank wist er niet goed raad mee. Ik kan nog kwaad worden als ik er aan terugdenk. Toen alles gedoogd werd, kwamen ze regelmatig langs om ons eten te brengen. Veel blikvoer, biscuits, chocola, sigaretten enz. enz. We hadden geen gebrek. Zij verzorgde mij zo goed dat ik niet naar huis terug wilde want ik kreeg bovendien diepere gevoelens voor haar. Toen ik vertelde dat ik nog een oude moeder in Holland had, heeft ze aangedrongen dat ik terug zou gaan. Dat heb ik na die paar maanden gedaan, bij een transport naar Holland kon ik mij aansluiten en staande op een Amerikaanse legerwagen, achterop en elkaar zo lang mogelijk nakijkend en zwaaiend. Gisela werd steeds kleiner en we bleven net zolang zwaaien totdat we elkaar niet meer zagen. Als in een film. Ik heb daar heel veel aan teruggedacht. Ondanks de afspraak die wij met elkaar hadden, hebben wij elkaar niet kunnen terugvinden. Ik realiseer me nu, dat het 58 jaar geleden was en ik het me weer herinner. “Gisteren” is soms vandaag. Na thuiskomst heb ik een brief aan haar geschreven en meegegeven aan een koerier van het Militaire Gezag die naar Duitsland zou gaan. Daar is het bij gebleven. No reply………………. Staande op die legerwagen van de Ami„s kwamen we na een lange autorit eerst in Kassel aan waar we in een kazerne hebben overnacht en toen naar Enschede In Kassel in een kazerne gaven de Amerikanen ons de taak om op krijgsgevangenen te letten. Dat was ook op verzoek van andere bevrijde gevangenen. . Die wilden dat graag. Ik voelde daar niet zoveel voor maar kreeg net als de anderen een geweer. Ik heb het niet verder gebracht dan uit het raam de lucht in schieten. We werden bij aankomst in Enschede opnieuw ontluisd, bespoten met DDT, ondervraagd, voorzien van tien gulden en vervolgens met een andere vrachtauto naar Amsterdam vervoerd. Soms heb ik me afgevraagd waartegen die vele injecties zijn geweest. Bovendien zijn onze kleren verschillende keren volgespoten met D. D. T. We zagen er uit alsof het had gesneeuwd. JUNI 1945 Daar kwam ik aan bij mijn moeder, gebracht door een padvinder. Ik was mager, vervuild en had alleen wat oude en vieze kleren, één bruine en één zwarte schoen, maar…………… vrij!! Ik ben geschrokken van mijn moeder, zij was erg oud geworden. Zij moet veel hebben geleden onder mijn afwezigheid; de familie heeft haar, misschien met goede bedoelingen, in het ongewisse gelaten over mijn gevangenschap. Maar ze moet iets hebben vermoed, een enkele vraag wees daarop “was het erg jongen”? Je kunt dan alleen maar een gebaar maken van: nou ja. Alles moest opnieuw beginnen: de middelen stonden waarschijnlijk klaar, maar ik zag ze nog niet…………. . Het vervolg van de bevrijding is een aaneenschakeling van gebeurtenissen. Allereerst begon ik een brief aan Gisela te schrijven en zocht contact met iemand die regelmatig naar Duitsland ging. Een koerier. Die zou hem meenemen. Vergeefs op antwoord gewacht.

27


Ik ging niet terug naar mijn oude onderduikadres in de Valeriusstraat; ik had daar wel een mooie kamer en een moederlijke hospita die veel voor me heeft gedaan, maar geld had ik niet en vond daarom een bedje op de grond van de halve woning van mijn zuster in de Jacob van Lennepstraat. Ik kon daar mee eten en er was stromend water om me te wassen. Dat deed dit dan ook grondig en veelvuldig, naakt in dat kleine keukentje, een bijzondere ervaring voor de familie. Hun zoon en broer zich naakt wassend in het bijzijn van een ieder! En bovendien voortdurend op zoek naar luizen in de schamele kleding. Iets wat tot zo`n ritueel geworden was, dat ik het nog heel lang heb gedaan zelfs tot in mijn huwelijk. Op een van de eerste dagen hing ik uit het raam in de Jacob van Lennepstraat, daar zwaaiden de buren naar me en van verschillende kanten werden me sigaretten gebracht (die schreeuwend duur waren. ) “Die jongen van de glazenwasser is weer thuis” werd al spoedig rondverteld. Warm Met een geleende fiets van de benedenbuurvrouw ( een fiets met houten banden dacht ik) fietste ik naar mijn familie in de Indische buurt in Amsterdam. Ik zal er wel als een vogelverschrikker hebben uitgezien, want ik werd heel koeltjes ontvangen. Aan de deur. Hun boeltje kon misschien wel eens vies van me worden. Op mijn vraag aan mijn familie of ze misschien een oude broek voor me hadden kreeg ik een negatief antwoord. Mijn broer had alleen maar goede kostuums en ik kreeg niets. Zijn oorlogsverleden is mij niet bekend. Hij vond me maar een sufferd die zich had laten pakken. Koud „s Avonds waren er bevrijdingsfeesten, zo ook in de Ten Katestraat in Amsterdam. Overal vlaggen en jazzmuziek, er werd gedanst. Plezier. Ik dacht aan mijn achtergebleven kameraden. Ik was wel weer terug maar niet thuis. Hoorde ik hier eigenlijk wel? Ik kwam kennelijk van een andere planeet; anderen hebben mij nog vaak dat gevoel gegeven. Zo zwierf ik een poos door de straten; verward. Een vreemde in eigen stad en erg eenzaam. Ik keek om me heen maar zag niets; ik was de schaduw van mezelf. Kort daarna hoorde ik dat Dr. Eykman van de AMVJ gestorven was na zijn gevangenschap in Buchenwald. Van vele anderen wist ik de namen niet meer. Kon ze niet meer oproepen in mijn geheugen. In het Centrum „45 in Oegstgeest werd me later de oorzaak verduidelijkt. In het zoeken en maken van oude en nieuwe kontakten slaagde ik nauwelijks. Veel later heb ik nog het vriendinnetje opgezocht – na veel speurwerk – waarvan ik een pasfoto in mijn cel had. Zij heeft later aan haar man verteld hoe ze mij heel kort na de bevrijding had aangetroffen bij die ontmoeting. Zij wist nog veel te vertellen van mijn activiteiten in de oorlog omdat zij bij een enkele gelegenheid daarbij aanwezig was geweest onder andere bij plakwerk in de Leidsestraat. Gelukkig vond ik toch tamelijk snel werk; bij het Militair Gezag op het interneringskamp op de Levantkade. Ik werd assistent-werkmeester en verantwoordelijk voor de tewerkstelling van de gedetineerden. Ik kreeg een kamer op de zogenaamde strekdam bij de K. N. S. M. Ik werd geconfronteerd met vele misstanden in dat kamp en in het bijzonder wat de tewerkstelling betreft. Ik ontdekte bij voorbeeld dat een kok in de grond stond te werken en dat een grondwerker in de keuken werkte. Het heeft veel moeite gekost om uitwassen van vriendjespolitiek recht te trekken. Daarbij veel tegenwerking gehad van de kampleiding omdat ik geen inzicht mocht hebben in de beroepscartotheek. Dat ik er toch in slaagde om dat – samen met de gedetineerden – (illegaal) op papier te krijgen heeft geleid tot het goed functioneren van de afdeling Werkmeester. Het bureau werd door de rechtvaardige uitvoering van de maatregelen, door vrijwel een ieder gerespecteerd, ik kon vergunningen afgeven voor het naar hun werk gaan, de controle door de bewaking was slecht zodat er eens eentje was ontsnapt, prompt kwam in de krant te staan dat de werkmeester had gefaald zodat er weer heel wat rechtgezet moest worden.

28


Vanuit het Amerikaanse leger werd een verzoek gedaan om gedetineerden mee te geven voor opgravingwerkzaamheden op de Oosterbegraafplaats voor het tijdelijk begraven van Amerikaanse soldaten. Ik meende er goed aan te doen na overleg met een collega, door aan de hand van de cartotheek Nederlandse oud-SS-ers daarheen mee te sturen met de Amerikanen. Omdat er veel vraag was onder de gedetineerden om mee te mogen liet ik controleren om te zien wat er daar gebeurde. Het bleek toen dat de Amerikanen zaten te roken met de gedetineerden en rations uitdeelden. Toen was het gauw afgelopen en is de bergingsploeg vervangen. Ik heb steeds – in tegenstelling tot andere collega‟s op het standpunt gestaan dat wij daar werkten om ze in bewaring te houden en niet om te straffen, iets wat vele keren is gebeurd. Verontwaardiging tegenover de gedetineerden na vijf jaar oorlog, gevangenis en concentratiekampen was begrijpelijk, maar haat loste niets op. Ik had een eigen kantoortje op het middenterrein en werkte daar met assistentie van een viertal gedetineerden. Zij waren geïnteresseerd in mijn oorlogsverleden en daar hebben we veel over gesproken. Zij hadden respect voor mijn opstelling ten opzichte van hen. Dat is tot uitdrukking gekomen op onze huwelijksdag toen zij zorgden voor een fraai cadeau. Dat deed echter niets af aan mijn verantwoordelijkheid in mijn functie. In het algemeen kan ik zeggen dat er goede onderlinge gesprekken zijn geweest. Bij dat Militair Gezag heb ik mijn vrouw leren kennen; zij werkte daar via het korps Vrouwelijke Vrijwilligsters bij de Intendance. Toen we elkaar zagen, min of meer uit de verte, toen wisten we het. Woorden waren overbodig. Door ons beider verleden, dat van haar zou ook niet in aanmerking komen voor een schoonheidsprijs, zijn we binnen enkele maanden getrouwd met het voornemen nog wat van het leven te maken. Dat nieuwe leven begon op 16 Januari 1946. Daar is hard en met succes aan gewerkt. Haar ouders waren doof geboren en spraken voornamelijk gebarentaal. Vroeger werden ze doofstommen genoemd. We werden met de auto van de Kampcommandant naar het stadhuis gereden, veel personeel ging mee met militaire auto`s en dat was een bijzondere start van ons huwelijk. Opmerkelijk was de aanwezigheid van een ex-gedetineerde vrouw ( N. S. B. ster) op het stadhuis. Wij werden gerespecteerd binnen die kring van ex-NSB-ers wegens onze opstelling naar gevangen mensen. Het contact met de ouders van mijn vrouw was warm. Mijn schoonmoeder had een buitengewoon invoelvermogen. Kort na onze kenningsmaking mocht ik bij hen in de kamer op een divan slapen, ik had nog geen ondergoed. Toen mijn aanstaande schoonvader mij zag liggen zonder kleren zei hij: ik begrijp waarom jij zo pijn in rug: geen ondergoed. Hij had twee slip-overs en ik, als toen nog betrekkelijke vreemde kreeg er daar één van. Mijn schoonmoeder zei: “kan zien veel meegemaakt” of woorden van gelijke strekking. Op Sinterklaasavond heeft zij voor mij een kleine surprise gemaakt. Het is niet verwonderlijk dat ik even de kamer uit ging om mijn emoties te verwerken. Deze mensen hebben veel voor me betekend. Zij hebben mij het gevoel gegeven weer “thuis” te zijn. Het heeft me bovendien begrip opgeleverd voor de problematiek van horende kinderen van dove ouders. Zoals voor mijn vrouw. Een nog steeds onontgonnen gebied. Een proefschrift waardig. Maar er dan wel wat verder mee doen! Na een jaar werd het kamp op de Levantkade opgeheven waar ik nog werkte. Ik kon worden overgeplaatst naar een ander interneringskamp in Laren. Er moest geld komen dus deed ik dat in de functie van assistent van het Hoofd van de Economische Dienst. Ik ben daar niet lang geweest, want er was een kampcommandant die bij mij associaties opriep met mijn ervaringen in Amersfoort en Buchenwald. Na de eerste maand kwam ik thuis en zei tegen mijn vrouw: “ik heb ontslag genomen”. Geen werk, geen geld. Toen ik haar had verklaard waarom zei ze: “er zijn ergere dingen” Een enkel voorbeeld: er waren momenten dat ik „s avonds samen met de kampcommandant een muziekvoorstelling van de gedetineerde moest bijwonen als officier van dienst. Dat was een hele vertoning, als we binnenkwamen moest de hele zaal staan, wij kregen een stoel vooraan en dan mocht iedereen gaan zitten, na zo‟n kwartier was het genoeg en dan herhaalde zich dat proces. Die commandant stelde soms

29


een bewaker op de proef door hem te besluipen en hem te dreigen met een wapen om te zien of hij alert reageerde. Walgelijk. We hadden een piepklein woninkje van de oma van mijn vrouw in de Eerste Helmersstraat gekregen, omdat haar oma zelf bij een van haar kinderen ging inwonen. Het was piepklein, maar het was van ons en we waren gelukkig. We hadden een bed, een bord en een vork en lepel en sanitair. Dat was vrijwel ons gehele bezit. Er stonden wel meubelen toen we daar kwamen wonen, maar door opmerkingen van familie:”Denk er om dat deze meubelen van ons zijn,” heb ik er op gestaan dat alles werd weggehaald. Dat gaf bij hen wel verwarring maar het werd weggehaald. Voor ons was dit geen slechte start en we gingen verder. Met heel weinig geld maar met mijn vrouw met een margriet in het haar en op Amerikaanse legerschoenen gingen we eens naar het concertgebouw met onze laatste centen. Dit beeld heb ik af en toe nog voor ogen en het is misschien wel het “Leitmotiv” in ons leven. Geluk is niet te koop. We hebben dan ook geen geld nodig gehad om een weg naar geluk te vinden. Gelukkig kreeg ik heel gauw ander werk, nu bij de Schade Enquête Commissie in het Bungehuis in Amsterdam. Daar werd de oorlogsschade geënquêteerd. Ik moest solliciteren en op een schrijfmachine proeftypen. Zo`n snelheid hadden ze nog niet gezien. Iedereen stopte met werken, keek naar me en ik was aangenomen. Een leuke ervaring! Het deed me wel goed. Mijn collega en ik hebben daar het hele administratieve archief opgezet, dat heeft perfect gefunctioneerd en we kregen daar veel waardering voor van de directie. „s Avonds ging ik colporteren met een verzetsblad dat door “Verenigd Verzet” werd uitgegeven. Voornamelijk in de Plantagebuurt waar ons later een grotere woning werd toegewezen. Mijn vrouw was actief in de Nederlandse Vrouwenbeweging en bovendien later in de V. O. G. De vrouwelijke ontwikkelingsgroep van het NIVON. Met andere vrouwen is ze verschillende keren een week naar zo‟n studieweek geweest. Uitstekende moderne thema‟s en uitgelezen gastspreeksters. Ik kookte die week; nou ja, een Chinees was altijd wel ergens in de buurt. Alleen ik maakte de fout door teveel te kopen. Maar het was goed zo, en een ieder van het gezinnetje vond het leuk. Omdat het werk bij die Schade Commissie tijdelijk was, ging ik na ongeveer een jaar ander werk zoeken. Ik kwam in contact met een Engelsman die directeur was van een groot isolatiebedrijf. Hij zocht een administrateur. Ik had een sollicitatiegesprek en toen hij me vroeg wie mijn laatste werkgever in de oorlog was geweest en ik toen de naam Buchenwald liet vallen, werd ik zonder verder vragen aangenomen. Hij was namelijk als Engelsman vijf jaar geïnterneerd geweest in Oost Europa en Frankrijk. We hadden dus iets gemeenschappelijks. Ik heb daar ruim 30 jaar gewerkt. We hadden een goed contact met elkaar en hij gaf me de volledige vrijheid. Maar we hebben niettemin wel eens een enkele keer fel tegenover elkaar gestaan als ik het met iets niet eens was. Ik ben erin geslaagd het bedrijf commercieel en administratief te runnen; vrijwel alleen, voornamelijk door de arrestatie van vrijwel alle stafleden die voor zeker 100. 000 gulden hadden gefraudeerd. De zaak heb ik van zo`n 25 man personeel tot ruim 100 te brengen. ( 1 jaar na mijn pensionering echter was de zaak failliet)

30


Van administrateur werd ik vertegenwoordiger en eindigde in de functie van “consultant engineer” en was veel op reis. We verhuisden naar een grotere woning in de Roeterstraat in Amsterdam. Daar hebben we ongeveer zeven jaar gewoond. Omdat ik iedere dag nog even met de auto naar kantoor in Utrecht moest waar het bedrijf was, besloot ik naar Utrecht te verhuizen. Doordat ik goede contacten had met belangrijke ondernemingen zoals Philips, Werkspoor Nederland Gistfabrieken in Delft enz. boekte ik interessante en winstgevende contracten. Die verhuizing betekende wel een breuk in het gezin. Twee kinderen gingen niet mee. Rob ging bij zijn toekomstige schoonouders wonen en Ineke zat in de verpleging in het Joodse ziekenhuis. Leo jr. kwam op ons kantoor werken en onze dochter Hettie ging naar de 5-jarige HBS in Utrecht. Mijn vrouw heeft zich daar erg eenzaam gevoeld en ging werken bij het Overvecht Ziekenhuis op de afdeling psychiatrie. Dat heeft ze wel met veel plezier gedaan. Bij mij broeide er al iets. Laat naar bed, veel drinken, „s nachts mooie muziek op de radio beluisteren. Ons gezin bestond uit vier kinderen. Twee jongens en twee meisjes. We kwamen nooit op de gedachte dat onze kinderen op een of andere manier specifieke problemen zouden kunnen hebben door ons oorlogsverleden. Dat kwam veel later aan het licht omdat ik nogal agressief was, veelal tegenover autoriteiten omdat ik hun houding vaak als macht over me heb ervaren, steeds meer raakten we er toch wel van overtuigd dat het van invloed is geweest op hun ontwikkeling. Ze pikten net als ik helemaal niks als ze werden geconfronteerd met onrechtvaardigheid, Dat heeft wel eens tot moeilijkheden geleid. Zo herinner ik me de ervaring van mijn jongste zoon op de Handelsschool. Een leraar zei dat iedere mof op zijn verjaardag dood zou moeten gaan dan zouden we er met een jaar van af zijn. Mijn zoon was het daar niet mee eens en zei dat er ook veel goede Duitsers waren omdat hij zich mijn verhaal herinnerde hoe mijn leven in Buchenwald door een Duitse medegevangene was gered. De onderwijzer werd kwaad en vanaf dat moment werd mijn zoon behandeld als een kind van een NSB-er en moest van school omdat hij zo erg werd gepest. Toen ik dat hoorde werd ik woest, maar was niet in staat te reageren. Ik heb er spijt van dat ik die agressiviteit heb moeten onderdrukken. Gelukkig is hij later nog aardig terechtgekomen!! Een uitstekende coördinator en heel sociaal. Het best voelde ik me thuis op het sportveld met de kinderen. De jongste, Leo jr. dus, ging voetballen bij Neerlandia; ik ging iedere keer mee, iedere zaterdagmorgen om een uur of tien ergens verzamelen en dan met mijn auto en andere jongetjes naar het sportveld. Een keer heb ik zo`n ventje bijna uit bed moeten halen. We waren incompleet om te kunnen spelen, want dat ventje had zich verslapen. De vorige avond had hij laat naar Bonanza of zoiets op de TV gekeken. Dus ik moest weer racen met dat spul. Ook heb ik eens moeten 31


grensrechteren omdat er niemand anders was. De spelertjes van de tegenpartij waren daar niet gelukkig mee. Onze oudste zoon Rob ging op ijshockey; hij kon heel goed schaatsenrijden; maar het was een harde sport en hij heeft daar geen sportcarrière kunnen maken. Als jonge jongen heeft hij nog een poosje schermles gehad bij de AMVJ, onder leiding van de leraar Beths. Ook heeft hij op de muziekschool een schitterende basfluit gesneden uit rotan Helaas knapten na verloop van tijd de leren bandjes en spleet de rotan. Veelzijdig als hij was: heeft hij nog even klarinet gespeeld in een schoolbandje. Het lied“petit fleur” was favoriet. De dochters, die blonken uit in handballen. Een genot om die wedstrijden bij te wonen. Ineke was serieus opgeleid in de gezondheidszorg en speelde dwarsfluit, en Hettie zat als jong meisje op ballet en toen ze wat ouder werd was er altijd wel ergens een feestje. Maar in ernst: een ieder deed wat hij leuk vond. Thuis werd er wel voorzichtig een oogje in het zeil gehouden. Een paar seizoenen was ik “coach”, nou ja, begeleider van een damesteam. Zij werden een paar keer kampioen en ik kreeg twee jaar achter elkaar als dank voor de begeleiding een appeltaart. Ineke was eigenlijk de beste handbalster; er werd aan gedacht haar te nomineren voor het nationale team; echter door haar opleiding tot verpleegkundige is daar niets van gekomen. Zij zou niet hebben kunnen deelnemen aan Bondstrainingen. Maar het was een heerlijke en relaxte periode waar ik met bijzonder plezier aan terugdenk. Het team van Hettie bestond uit speelsters die allemaal van de Academie voor Lichamelijke Opvoeding kwamen en voornamelijk gezelligheid zochten, maar toch fanatiek genoeg waren om kampioen te worden. Rob was door zijn technische aanleg afgestudeerd als opticien en graag en veel bezig met technische dingetjes; fotograferen, afdrukken, radio-ontvanger bouwen ( en in het Amsterdamse bos uitproberen met zijn zusje Ineke). Niet te vergeten de brommer periode in zijn leven. Slopen en weer opnieuw monteren. Ook een oude Volkswagen slopen en weer in elkaar zetten. Net als later zijn huizen. We hadden een leuk gezinnetje. Iedere zondagmorgen zaten we gezamenlijk aan het ontbijt. Luisteren naar de stilte alvorens te eten. Dan een grammofoonplaat met het klarinetconcert van Mozart en aan de andere kant het fluitconcert van Mozart. Dat was lange tijd traditie en een aparte sfeer. Al konden de kinderen elkaar toch wel met gebaren een beetje dwarszitten en dachten dat wij dat niet zagen. Het was wel traditie: altijd gezamenlijk ontbijten als dat kon. Dat ik psychische problemen zou kunnen hebben door mijn oorlogsverleden kwam niet bij me op. Ik ontkende het zelfs. Mijn vrouw wist echter wel beter. Zij was het namelijk die soms al mijn agressie en andere onlustgevoelens moest verwerken en dan druk ik me voorzichtig uit. Niet alleen bleef ik met dat verleden nog vele jaren in een concentratiekamp maar ik heb haar daar vaak psychisch in meegesleept en dat heeft een geweldige impact gehad. In 1972 kwam er een geweldige ommekeer. Ik zou die dag op kantoor blijven of naar een relatie ergens in het land gaan, waar dat weet ik niet precies meer. Ik werd echter naar Den Haag gedreven omdat ik op de autoradio hoorde dat daar een demonstratie was tegen de vrijlating van de drie van Breda. Drie oorlogsmisdadigers en Kotella uit het Polizeiliches Durchgangslager uit Amersfoort was één van die drie!! In zijn dadendrang was hij vaak niet te stuiten. Op het Binnenhof werd ik met een schok geconfronteerd met een grote groep mensen, waaronder veel oud-gevangenen. Een van hen stond met een klein bordje waarop stond: “laat ze in Godsnaam niet vrij”. Vanaf dat moment werd me duidelijk dat ik bij die groep hoorde, dat ik één van ze was. Daar hoorde ik van één van hen dat er een reis naar Buchenwald zou worden georganiseerd. Dat had mijn vrouw ook al gehoord van een kampeervriend van ons. Dat bleek toevallig ook een oud-Buchenwalder te zijn. Mijn vrouw heeft me gestimuleerd om mee te gaan omdat ze meende dat het contact met lotgenoten nuttig zou kunnen zijn door met die anderen te spreken over hun verleden, de verwerking en hoe ze er verder mee om weten te gaan. Ik ben die confrontatie aangegaan; mijn vrouw heeft me tijdens die reis op een bijzondere wijze bijgestaan. Het bezoek aan Buchenwald was heel emotioneel en confronterend, maar het begin van een verwerkingsproces. 32


Op mijn werk ontstonden grote veranderingen: directiewisselingen; bedrijf werd verkocht, nieuwe jonge managers. Ik werd te duur vond men. Spanningen, ziekte. Therapie bij Dr. Hugenholz, een gespecialiseerde psychiater en keuringsarts van de Stichting 1940-1945; een snelle diagnose en zijn uitspraak: stoppen met werken. Ik wilde dat niet; nog twee jaar gewacht; verdere pressie van hem. Adviseerde me mijn pensioen aan te vragen. Lang laten liggen, nieuwe pressie van arts. Papieren tenslotte ingevuld. Negen maanden later toch erkenning door het toekennen van een buitengewoonpensioen. Gestopt met werken in 1974. Toen werd ik medeoprichter van de Vereniging van oud-Buchenwalders in 1975; 25 jaar actief geweest in de functie van vice-president van het Internationaal Buchenwald Comité en naar de internationale congressen en herdenkingen geweest. Tot het jaar 2000. Toekenning van het verzets-herdenkingskruis. Een wonderlijke ervaring was het dat ik de Kapo terug vond, de man waaraan ik mijn leven te danken had. in Buchenwald. Een Duitser die 12 jaar gevangenschap achter de rug had. Ontroerende ontmoetingen met hem, de man met een bijzonder warm hart. Mijn eerste ontmoeting met hem was in 1975 in Luik. Ik nam deel aan de eerste bijeenkomst van het Internationaal Buchenwald Comité op uitnodiging van Prof. Walter Bartel uit de DDR, Die was een leider van het verzet binnen Buchenwald. In Luik heb ik mijn entree gemaakt en op die bijeenkomst mijn “maidenspeech”gehouden. Sindsdien tot het jaar 2000 deelgenomen als vice-president aan de internationale bijeenkomsten in verschillende landen van Europa. Bij mijn afscheid in 2000 werd ik uitgenodigd de herdenkingstoespraak in Buchenwald te houden bij het monument voor een groot publiek. Ook in het concentratiekamp Langenstein in de DDR (een buitencommando van Buchenwald) heb ik eens de herdenkingstoespraak mogen houden op uitnodiging van het Gemeentebestuur en Antifa. Ik kreeg een VIB-label en vliegtickets naar Berlijn met Interflug etc. Ook op het marktplein in Erfurt heb ik op 11 April de herdenkingstoespraak mogen uitspreken. In gesprekken na afloop met bewoners van Erfurt – en dat waren er velen – interessante gesprekken gevoerd en ontving ik complimenten voor mijn taal, vooral voor de inhoud. Ik heb altijd die dingen kunnen zeggen die ik wilde zeggen, ook in het openbaar, maar wel steeds respect getoond voor de antifascisten met hun jarenlange gevangenschap. De verdere ontmoetingen hebben zeker aan mijn genezing veel bijgedragen. Heel bijzonder dat mijn vrouw en ik bij mijn oude Kapo in Oost Berlijn hebben gelogeerd. Toen nog de D. D. R. Een overtuigd communist, en een humaan mens. Door zijn verzetswerk en 12 jaar gevangenschap kreeg hij van de partij privileges en was hij onder andere “Handelsrat” in Joegoslavië en had hij een diplomatiek paspoort. Een vaderfiguur en verzetsman ook binnen het concentratiekamp die mijn leven heeft gered door mij uit een dodencommando te laten halen. Tot aan de dag van vandaag beschouw ik het als een voorrecht om door deze verzetsmensen ( ik als een a-politiek iemand) te zijn vertrouwd en opgenomen te worden in hun illegale organisatie. Een organisatie die tot doel had mensen op te leiden voor een “zelfbevrijding”. Ook het feit dat ik als een VIP werd beschouwd, een vliegticket toegestuurd kreeg van de DDR en een toespraak mocht houden ook op het marktplein in Errfurt wat ik even tevoren schreef, beschouw ik als een bijzondere gebeurtenis De gesprekken na afloop met de burgers van Weimar over de individuele verantwoordelijkheid waren bijzonder. De DDR was geen heilstaat maar ook niet de staat zoals die ons in het westen werd voorgesteld. “Je moet er geweest zijn om er over te kunnen oordelen”. In andere Oost-Europese landen en in voornamelijk het katholieke Polen is veel werk gemaakt om het regime onderuit te halen. Nu, in 2004 zijn die landen bevrijd en ze kunnen cola en een big-mac kopen; maar verder is er grote werkeloosheid en armoede en was en is er vooral nog steeds antisemitisme. Op de internationionale congressen ontmoette ik een oud-Buchenwalders ook uit het Oostblok. Ik ben nu ook bevriend met een chirurg (80 jaar) uit Polen. Arm als een luis. Geen of nauwelijks een uitkering, Westerse oud-gevangenen namen koffers met kleren en voedsel en wat dollars voor sommigen mee en zo vergaat het ook de Russen enz. Criminaliteit en antisemitisme vieren hoogtij. Zij zijn ieder geval vrij:; ik vraag dan “ van wat eigenlijk “ Het klinkt misschien als een verdediging van die regimes, dat is allerminst de bedoeling maar de realiteit is dat ze met die vrijheid er alleen maar slechter op zijn geworden. In alles probeer ik zo objectief mogelijk te zijn en me niet te laten indoctrineren 33


door tegengestelde politieke en religieuze opvattingen. Echt weten hoe het in elkaar zit kan ik niet. Ik kan alleen maar signaleren aan de hand van feiten. Hoe moet ik dan verder die Russische nieuwe miljardairs benoemen; een daarvan wilde zelfs Ajax opkopen en hoe gaat het met het volk? De olievelden in Rusland in handen van miljardairs en ga zo maar door…. . 20 miljoen Russen gedood in de oorlog; de overlevenden uit de kampen krijgen niets. Ik denk soms aan die meisjesstudenten waarmee ik samenwerkte die op vrachtwagens waren geladen en in Duitsland slavenarbeid moesten verrichten. Tienduizenden evenals de mannelijke dwangarbeiders. Honderdduizenden. Ieder jaar komen er tientallen oudBuchenwalders uit Rusland terug naar het kamp na dagenlange treinreizen. Zij hebben het gevoel daar weer even “thuis” te zijn bij hun oude kameraden van toen uit de bezette landen. Een ander thuis is er voor velen niet. . Maar genoeg over die verschrikkelijke politiek; ik heb er eigenlijk weinig verstand van. Zoals ik eerder schreef: ik zet mijn gedachten en ervaringen slechts op het papier. Ooit heb ik ergens geschreven of gezegd: ”Ik heb me vroeger nooit met politiek bemoeid, maar in Mei 1940 begon de politiek zich met mij bemoeien. ” Verder dus maar weer met hoe het mij verder is vergaan: Op doktersadvies verhuisd van Amsterdam naar een huurhuis in Overveen. Het is al heel wat jaartjes geleden dat ik een therapie van 2,5 jaar kon beëindigen bij het Centrum 45 in Oegstgeest. Nog een enkele keer ben ik teruggeweest voor een advies van een maatschappelijk werker. Ik denk met een heel goed gevoel aan die tijd terug. De start was moeilijk maar ik ben blij dat ik die therapie ben aangegaan. In 2003 werd ik voor een interview gevraagd, een jubileumuitgave van het Centrum. Toen ben ik me ook erg bewust geworden van het feit dat ik mijn vrouw als het ware het kamp mee heb binnengesleept. Ergens heb ik ook gezegd, wij zijn uit Buchenwald bevrijd maar niet VAN Buchenwald. Dat heeft grote invloed gehad, ook op het leven van haar, zij was namelijk degene die dat heeft moeten ondervinden. Mijn agressiviteit zowel als ook mijn passiviteit. In 1989 ben ik met de directie en verder personeel van de Anne Frankstichting naar Bergen Belsen en Buchenwald geweest; niet om te vertellen hoe erg het was maar als begeleider van een groep merendeels jonge mensen enerzijds om onze achtergebleven kameraden te herdenken maar ook om ons gezamenlijk te bezinnen op het “nooit meer”. De reis waarvoor ik was uitgenodigd diende om de deskundigheid van het personeel van de Anne Frank Stichting te bevorderen. Het was een emotionele en informatieve reis. De Stichting heeft een aantal keren mijn hulp ingeroepen om op scholen te spreken. Ik heb me tegenover de jonge scholieren opgesteld als een opa die zijn kinderen over vroeger verteld. Met mijn afschuwelijke eigen ervaringen ben ik heel sober omgegaan. Meer gediscussieerd over de vraag wat kies je in een bepaalde situatie en waarom. Wat kan er geleerd worden uit de geschiedenis? Het waren in hoofdzaak prettige bijeenkomsten, al ben ik in Haarlem weggelopen van een school voor moeilijk opvoedbare kinderen, die tijdens mijn praatje met elkaar begonnen te vechten en schreeuwend door de klas liepen. Onderhand allerlei spullen naar elkaar gooiend. Ze hadden er kennelijk plezier in; maar daarin stonden ze wat mij betreft alleen. Ach: een nieuwe theorie in het onderwijs schijnt te zeggen: “dat moet kunnen”. De onderwijzer liet ze maar begaan en bedankte me toch voor mijn komst. De school stuurde me later een boekenbon. Ik heb er wel eens aan teruggedacht, want die kinderen behoren toch tot onze samenleving, echter de keus om iemand uit te nodigen om over zo`n onderwerp te spreken, nee…. Daar waren die kinderen helaas (nog) niet aan toe en het was vooral een beoordelingsfout van de onderwijzers. Jaarlijks ging een van onze kinderen of kleinkinderen met me mee naar de dodenherdenking op 4 Mei in de Nieuwe Kerk en naar het monument op de Dam. Ik ontkwam soms niet aan 34


paradoxale gevoelens zoals “Toch eigenlijk iets feestelijks! “ Hun aanwezigheid gaf me een goed gevoel. In 2001 kwam ik contact met een groep mensen die het Polizeiliches Durchgangslager Amersfoort de plaats in de geschiedenis willen geven die het verdient; daarvoor een heel goede organisatie hebben opgezet met uitstekend gemotiveerde mensen die jaarlijks een herdenking in Amersfoort organiseren met de nog in leven zijnde oud-gevangenen van dit concentratiekamp. Op internet hebben ze een uitstekende web die goed wordt bekeken. Ook organiseren deze vrijwilligers rondleidingen in wat over is van dat kamp. 40. 000 bezoekers zijn daar intussen geweest. In 2003 kreeg ik een uitnodiging van de Directie van een Gymnasium in Dorsten (Duitschland) om op hun school te komen spreken, ze wilden zo graag het persoonlijke verhaal van een oud-gevangene horen. Ik ben daar naar toe geweest, bij een leraar heb ik een bijzonder weekend doorgebracht en op de maandag daarna heb ik in drie klassen van elk zo‟n dertig studenten gesproken. Het is niet onder woorden te brengen hoe het is geweest; in het Duits, beetje Engels en een klas met studenten Nederlands. Een dankbare ervaring met blijvende vriendschappen met de docenten en directie. Een van die klassen was voorheen op een deskundigheidsbevorderende reis naar Buchenwald geweest en waren erg blij met mijn mondelinge toelichting. In Buchenwald had de leraar van het gymnasium van Joachim König mijn naam gekregen als gastspreker. In mijn leven heb ik een groot gevoel voor rechtvaardigheid gehad, wat misschien wel tot uitdrukking gekomen is in mijn handelen, waarschijnlijk begonnen bij het leven van mijn ouders dat daarbij van invloed zou kunnen zijn geweest. Vaak heb ik gedacht wat een studie rechten voor mij zou zijn geweest, ik weet het niet. Het zou een keus zijn geweest na een aanvankelijke voorkeur voor persfotograaf in mijn jonge jaren. Maar de advocatuur blijft me interesseren. Ik zou dat zeker met groot enthousiasme hebben gedaan. Op een of andere manier zocht ik naar wegen om iets te kunnen doen op sociaal gebied, maar wist de weg niet te vinden. Maar met dat in gedachten heb ik in de beginperiode na de oorlog gesolliciteerd als stafmedewerker bij een weeshuis in Amsterdam. “Wees een zegen” was de naam. Afgewezen, te weinig ervaring zei de directie!! Mijn motivatie was geen argument. “Laat de kinderkens tot mij komen en verhindert ze niet” staat ergens meen ik me te herinneren in een dik boek. Er had in dit geval moeten staan “laat mij tot de kinderkens komen en verhindert ze niet. Misschien ook nog vanuit hun “religieuze” achtergrond de toevoeging “zegen een wees“. Van mijn instelling en motivatie dacht ik iets terug te zien in de opstelling van onze kinderen. Eveneens een sterk rechtvaardigheidsgevoel en hun verzet tegen onrechtvaardigheid, bovendien een sterk vrijheidsgevoel en coöperatief. Een ieder van hen vult op eigen wijze al deze eigenschappen in zijn of haar leven in. Ook in sommige kleinkinderen meen ik daar iets van terug te zien. Die herkenning geeft me wel een goed gevoel; echter het hanteren van deze eigenschappen vereist moed en inzicht, daarbij wens ik ze sterkte! Dit even ertussendoor omdat ik het essentieel vind. Op 13 April 2002 vertrok ik met mijn kleindochter Jona opnieuw voor een herdenkingsweekend met de trein naar Buchenwald. Op mijn vraag wat ze toch met Buchenwald heeft, schreef zij me, niet alleen een speciale band met Buchenwald te hebben, doch ook en misschien wel daarom, met haar Opa. (Wat kan een mens meer verlangen te horen. ) De ontmoeting met de andere oud-gevangenen – uit heel Europa – op de plek van “toen” heeft op haar een grote indruk gemaakt. De warmte die daar tussen die oude exgevangenen uitstraalt wens ik ieder mens toe, maar dan vanuit een ander vertrekpunt natuurlijk. In 2003 was ik aanwezig bij de herdenking op de Oosterbegraafplaats in Amsterdam en de aansluitende lunch. Dat is de nieuwe formule: geen vereniging meer maar een herdenkingscomité. Beetje kil toch wel. 35


Ook in 2004 gaan we op 9 April met de trein naar Weimar, logeren in het Intercity Hotel, ontmoeten weer de oude kameraden en heel bijzonder…. . Mijn vriend Edward van de Airforce uit Canada komt ook met zijn zoon. Voor zijn zoon de eerst keer. Ik kan rustig zeggen dat Jona helemaal is opgenomen in het Internationaal Buchenwald Comité. Een ieder kent en respecteert haar en zij let goed op me is daarom een grote, maar ook gezellige en vooral lieve, steun. Alhoewel ik geen vice-president meer ben van het Internationaal Buchenwald Comité, ben ik uitgenodigd de zitting in Weimar bij te wonen, echter zonder stemrecht, maar wel met inspraak. Van verschillende kanten kreeg ik een e-mail om te komen. Hartverwarmend! Ik had eerst het plan om niet te gaan, maar zie…… Helaas kreeg ik tijdens het verblijf in Weimar een telefoontje van mijn vrouw dat mijn zuster er slecht aan toe was. Gelukkig kon ik haar nog bezoeken toen ik thuis kwam. Zij overleed op 14 April 2004 „s morgens om 11. 10. Veel respect heb ik voor het personeel van het verpleegtehuis St. Jacobs in Amsterdam. Mijn zuster heeft er een uitstekende verzorging gehad en er was regelmatig contact tussen de staf en mij. De crematie heb ik moeten organiseren en die is waardig verlopen; geheel in overeenstemming met de wensen van mijn zuster, zoals muziek, tekst van haar belijdenis. In een toespraakje heb ik in het kort iets over haar leven verteld. Dat zij en ik – alhoewel totaal verschillend – toch het dichtst bij elkaar waren. Dit heb ik geprobeerd tot uitdrukking te brengen op de manier waarop ik haar zovele jaren heb kunnen begeleiden. Een mooie brief van predikant Boomer, heb ik passend beantwoord. Ik ben blij dat ik haar uitvaart op een waardige wijze heb kunnen regelen. Jammer was het dat ik kort daarna opnieuw een longontsteking bleek te hebben met hoge koorts en veel hoesten. De dokter is laat in de avond nog geweest en die heeft dat geconstateerd. De antibiotica hebben niet afdoende geholpen en in mei is er een longfoto gemaakt waar omstreeks 15 mei de uitslag op zal volgen. Hopelijk gunstig. (note: intussen al weer achter de rug) Intussen ben ik weer benaderd door de Bauhochschule uit Weimar. Een student wil heel graag iets over mijn ervaringen in Buchenwald weten. Zijn grootvader was in Dachau en Auschwitz en er is thuis nooit ver over gesproken. Intussen is het eind 2004; opnieuw een uitnodiging ontvangen om volgend jaar naar de 60-jarige herdenking te komen Aanvankelijk zou ik met Jona alleen gaan, maar terecht had haar vader bedenkingen. Ik was veel ziek geweest, recent zelfs tien dagen opgenomen geweest in het Kennemer Gasthuis in Haarlem. Besloten werd dat mijn dochter meegaat, zowel als verpleegkundige om op haar vader te passen en als belangstellende. Het geeft me objectief gezien toch wel een rustig maar ook fijn gevoel. . Onverwacht hoorden we dat Leo junior en zijn dochter Eva ook naar Buchenwald gaan. Weliswaar met de auto in tegenstelling tot Ineke, Jona en ik die met de ICE trein gaan. Intussen veel e-mailcontact met mijn Canadese vriend en onze blijdschap elkaar weer te zien. Mijn leven is veelzijdig geweest, Na mijn aftreden als Vice-president van het Internationaal Buchenwald Comité (van 1975 tot 2000 actief geweest) nog op andere gebieden, lawnbowling, schaken, fitnesstraining, echter: centraal heeft Buchenwald mij in vele opzichten “in de weg gestaan”. Ondanks dat, hadden wij een fijn gezin, we hebben leuke reizen gemaakt naar verre landen: maar Buchenwald was er altijd. De “rode draad” zoals ik in het begin heb geschreven. Een enkele opmerking nu ik aan het eind van mijn verhaal begin te komen; ik ben blij dat ik de angst die ik bij het begin had, heb overwonnen. Ik heb wat meer van mezelf laten zien waardoor ik herkenbaarder ben geworden. Daar waar ik in de tekst cynische of kritische opmerkingen heb gemaakt over sociale omstandigheden of anderszins: ……. ik heb daar geen spijt van, doch hoop niemand te hebben gekwetst.

36


11.

Mijn huwelijk:

Er zouden vrijwel geen vrouwen zijn geweest, die mij in 1945 als man zouden hebben gewenst. De algehele deplorabele toestand waarin ik verkeerde. Terug uit een concentratiekamp en nog geruime tijd een beetje nobody; haar steun, begrip en invoelvermogen hebben er toe bijgedragen dat een heleboel dingen weer op zijn plaats kwamen in een tijd dat ik opnieuw moest beginnen terwijl het oude nog niet was afgelopen. Zij is niet alleen mijn vrouw, meer dan dat: mijn levenskameraad. En ondanks haar eigen traumatisch verleden heeft zij dit kunnen opbrengen.

De beschrijvingen pretenderen absoluut geen volledigheid. Het kwam wel uit mijn hart. Feiten en gebeurtenissen zijn beschreven zoals ik ze heb ervaren of herinner, maar zoals eerder vermeld: ze staan niet systematisch en chronologisch op schrift. Maar zo langzamerhand aan het eind van dit geschrift te komen, nog iets heel belangrijks: in Augustus 2004 werden we verblijd met de geboorte van 2 achterkleinkinderen. Sharon en Dax kregen een dochter met de naam Livia en Maarten en Patricia kregen eveneens een dochter met de naam Soraya. Een bijzonder gevoel; het heeft iets van “eeuwigheidswaarde”! 16 Januari 2005 hebben wij een champagnebrunch besteld bij Hotel de Uitkijk in Bloemendaal. Daar vieren Hettie en ik onze verjaardagen en ons 59-jarig huwelijk. Samen met de kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen. Ik besluit met het thema van mijn herdenkingstoespraak die ik in April 2001 bij het monument in Buchenwald heb gehouden, hier te herhalen. Ik was toen door het Internationaal Buchenwald Comité uitgenodigd om de herdenkingsrede te houden bij het monument in aanwezigheid van veel officials uit de politiek en regering. Ik eindige mijn rede met: Laat ons verleden niet de toekomst van de kinderen zijn Levinus,

2003/2004

37


Onderstaand artikel is integraal overgenomen van de website van Go2war2, een project van STIWOT (Stichting Informatie Wereldoorlog Twee). Dit project is het grootste Nederlandstalige online naslagwerk over de Tweede Wereldoorlog.

BUCHENWALD Weimar, zomer 1937, een mooi, pittoresk stadje in Thüringen. De stad waar o. a. Goethe, Schiller, Liszt en Bach een aanzienlijk deel van hun leven hebben doorgebracht. Vijf kilometer verder de Ettersberg waar één van de eerste concentratiekampen van het Nazi-regime, wordt opgericht. Op 16 juli 1937 komen de eerste driehonderd gevangenen aan in Konzentrationslager Ettersberg dat vanaf 6 augustus 1937 bekend staat als KL Buchenwald. Het was in eerste instantie bestemd voor politieke tegenstanders van het nationaalsocialisme, zware criminelen, “ascoialen”, Getuigen van Jehova, joden, … .

aangekomen gevangenen dit stuk in Laufschritt afleggen, opgejaagd door nietsontziende geweerkolven, laarzen, honden,… . Wie te ver uit de rij kwam of viel, werd genadeloos afgemaakt. Wie “geluk” had, werd doodgeschoten; de meesten werden doodgeschopt. Steeds meer gevangenen stroomden toe. Eind september 1939 waren er 8 634. Op 31 december 1943 verbleven er 37 319, in december 1944 63 048, eind maart 1945 80 436. In totaal overleefden 56 545 Schützhäftlinge de hel van Buchenwald niet. Daarbij moeten nog de vele duizenden gerekend worden die “ter vernietiging” naar andere kampen, o. a. Auschwitz, werden gevoerd. Officieel bedroeg hun aantal meer dan 13 000.

Vanaf september 1939 werden er mensen uit heel Europa in Buchenwald opgesloten. Het was geen specifiek uitroeiingskamp, zoals Auschwitz, maar door gedetineerden voor de vernietigingskampen te selecteren, maakte Buchenwald deel uit van het Nazivernietigingsapparaat. Er werd een ander moordprocédé in de praktijk gebracht: Vernichtung durch Arbeit. En gearbeid moest er worden. Urenlang zonder voldoende voedsel, hygiëne, kledij. Het kamp werd volledig aangelegd door de gevangenen. Zij rooiden de bomen, houwden stenen uit in een steengroeve, plaatsten de prikkeldraad, bouwden de barakken. Velen stierven van uitputting. Het kamp lag boven aan de Ettersberg midden in het woud. Om de bereikbaarheid te vergemakkelijken werd een lange weg aangelegd van de voet van de berg tot aan de KL-poort (met het opschrift Jedem das Seine). De Bloedstraat werd in hoog tempo aangelegd en kostte duizenden het leven. De weg is nog steeds een deel in de oorspronkelijke staat, ter herinnering aan de vele doden. De weg vanaf het kampstation tot aan de Lagerpoort werd de Carachoweg genoemd. Dit Russische woord betekent eenvoudigweg “goed”, maar kreeg verschillende invullingen. “Caracho” riepen de SS’ers. Toen moesten de pas 38


Het kampleven Het leven in een concentratiekamp werd in de eerste plaats gekenmerkt door de ontmenselijking. Zodra je de poort binnenging, was je niet langer een mens. Je was nog minder waard dan de zwijnen. Het kamppersoneel nam je persoonlijke kleren af: voortaan liep je, zoals iedereen, in een soort zebra-uniform rond. Je werd kaalgeschoren en bovenal, je kreeg een

nummer. Je had niet langer een naam, maar een nummer. Deze tactiek werd in alle kampen toegepast: het was een goeie methode om het geweten van de bewakers te sussen. Ze gingen niet om met mensen, maar met nummers. Ze doodden naamlozen die het niet waard waren om te leven. Niemand, zelfs de meest geharde SS’er, werd graag persoonlijk door het enorme lijden in een KZ aangesproken. Je zette je leven op het spel, wanneer je een bewaker in de ogen durfde te kijken. Die onzichtbare barrière tussen het lijden van de gevangenen en de persoonlijke sfeer van de bewakers mocht je niet doorbreken. De bewakers trachtten de kameraadschap tussen de gevangenen zoveel mogelijk te ondermijnen en de onderlinge jaloezie te

versterken. Zo mochten sommige gevangenen brieven schrijven, maar kregen er geen. Anderen kregen dan wel brieven, maar mochten er geen schrijven. Slechts enkele gelukkigen kregen beide voordelen, vele anderen geen van beide. Joden, Sinti, Roma kregen steeds het meest zware werk en het minste eten. Het was de andere gevangenen streng verboden hen te helpen. Wie de SS’ers daarop toch betrapten, werd onder hetzelfde regime geplaatst. Elke dag stonden de gevangenen in alle vroegte op. Dan was het tijd voor Bettenbau: het opmaken van de bedden. Elk "bed" bestaande uit een houten bak, een strozak en een deken moest perfect opgemaakt zijn, anders werd de hele barak gestraft. Vervolgens ging het, telkens in Laufschritt, naar de waszaal en de Wohnraum (waar ze zich omkleedden). Tijdens het appel telden de bewakers het aantal gevangenen. Dit was ook het moment voor het uitvoeren van straffen en executies. Vaak stonden ge‹nterneerden uren in de kou en regen omwille van een klein vergrijp of omdat de SS-bewakers daar zin in hadden. Na het ochtendappel volgde een werkdag van twaalf uren (hout hakken, stenen uithouwen, wegen aanleggen, barakken bouwen, . ) op een regime van een paar honderd gram brood en een halve liter watersoep - als de SS'ers tenminste het eten wilden verdelen. Vele gevangenen werkten in Gustloff-Werke, een wapenfabriek nabij Weimar. In 1942 werd een afdeling vlak naast het KZ opgericht. Anderen houwden hele dagen stenen uit in de vlakbij gelegen steengroeve. Die stenen werden in enorme karren, getrokken door gevangenen, naar het kamp vervoerd. Ondertussen moesten zij zingen; de SS'ers noemden hen de "Zingende Paarden". Naast de gewone Arbeitskommando's bestond er ook een Sonderkommando: vrijwilligers die de doden opraapten en ze naar crematoria in Weimar, Jena en Leipzig brachten. Buchenwald had pas vanaf de zomer van 1940 zijn eigen crematorium. 's Avonds werd opnieuw appel gehouden. Telkens moesten de gevangenen geteld worden. Als het aantal niet klopte, werd telkens opnieuw herteld. Zo kon een appel drie tot 39


vier uur duren, met als trieste uitschieter 14 december 1938. Dat appŠl duurde negentien (19!) uur, omdat drie personen niet gevonden werden. Al die tijd moesten de gedeporteerden blijven staan: wie durfde te bewegen, werd genadeloos geschopt en geslagen, meestal tot de dood erop volgde. Wie ineenzakte, mocht niet worden geholpen. Vijfenzeventig mensen overleefden die nacht niet. Arbeid stond centraal in het kampleven. Het ene project was nog niet afgerond, toen er al met een nieuw werd begonnen. Eén van de grootste projecten was de aanleg van de spoorweg naar Buchenwald. Dit gebeurde vrij laat. Pas op 17 maart 1943 begonnen de werken aan de lijn Weimar-Buchenwald. De spoorweg, volledig aangelegd door de gevangenen, werd in amper vier maanden voltooid: op 21 juni 1943 arriveerde de eerste lading nieuwe slachtoffers per trein. Voor het toenemend aantal gevangenen te herbergen, moesten er steeds meer barakken gebouwd worden. Er kwam ook een Sonderlager voor de eerste Polen. Minder dan de helft van de 3000 mannen overleefden dat Sonderlager. Begin 1940 begon de bouw van het crematorium. Later kwamen er nog een quarantainekamp, een gevangenen-kantine, een speciaal kamp voor Sovjet-krijgsgevangenen, enz. Dit alles werd door de kampbewoners zelf opgebouwd, telkens in een verschrikkelijk tempo en ten koste van vele levens.

andere ziekten behoorden tot de gewone gang der zaken. Om aan extra rantsoen te geraken, waren de gevangenen zeer vindingrijk. Zo sleepten twee levenden een dode mee om extra portie brood te krijgen. Wie betrapt werd –en dat gebeurde vaak-, mocht in het beste geval een aantal dagen zonder eten doorbrengen. In de aftakeling en uitputting onderscheidden de geïnterneerden zelf verschillende fasen. Een Muselmann was een gevangene die de eerste tekenen van dodelijke gelatenheid (wankele passen, afwezige blik) vertoonde. De Lunatik (Pools voor maanman) was zo ver heen dat hij niemand meer kende en als een geest door het kamp dwaalde. Deze toestand hield twee tot drie dagen aan en werd onvermijdelijk gevolgd door de dood.

De honger was er voortdurend. Niemand kreeg genoeg te eten of te drinken. Vaak vonden de SS’ers één of andere stompzinnige reden om geen eten uit te delen. Koch besliste geregeld dat de voedselrantsoenen voor de joden naar de zwijnen gingen. Soepketels werden omver gegooid, waarna steeds vechtpartijen ontstonden voor de kleine stukjes aardappel en (vaak rot) vlees in de soep. Het voortdurende gebrek aan de meest elementaire voeding leidde tot een ziekte die Buchenwaldite werd genoemd. Eerst verloren de gedeporteerden hun vet, later hun spieren tot dat ze uiteindelijk niet meer dan levende skeletten waren. Alles wat ook maar enigszins eetbaar was, werd gegeten. Tyfus, dysenterie, schurft en 40


De kamporganisatie De SS-bewakers verbleven in ruime, degelijke kazernes net buiten de omheining van het kamp. In een luxueuze villa woonde Lagerkommandant Karl Otto Koch die de algemene leiding had en diens vrouw Ilse, die bekend stond als die Hexe von Buchenwald omwille van haar sadistische ingevingen. In februari 1942 werd Koch vervangen door Hermann Pister, een even harteloze SS’er. Koch werd nog kampcommandant in Majdanek, maar in juni 1943 werd hij vervolgd wegens corruptie en fraude. Hij werd in april 1945 geëxecuteerd. Koch, en later Pister, waren sterk in het uitvinden van allerlei nieuwe pesterijen en straffen, maar maakten hun handen niet vuil aan de opgeslotenen. Daarvoor hadden ze andere SS-beulen die hun taak met plezier verrichten. SS-Sturmbannführer Otto Barnewald stond bekend om zijn wreedheid, maar SS-Hauptscharführer Martin Sommer was zo mogelijk nog erger. Hij had de leiding over de Bunker, de kampgevangenis. Wie daarin terechtkwam, was overgeleverd aan de willekeur van Sommer. Hij heeft persoonlijk tientallen gevangenen vermoord. Eén van zijn favoriete “spelletjes “ was het paalhangen: de handen van de slachtoffers werden op de rug gebonden, waarna ze aan de handen omhoog werden gehangen. Hierdoor geraakten hun schouders helemaal ontwricht en konden zij hun armen meerdere dagen nauwelijks gebruiken. Degenen die het overleefden, moesten de dag nadien gewoon weer aan het werk. Velen werden neergeschoten, omdat ze, volgens de bewakers, “lijntrekkers” waren. Een andere marteltechniek was het krumschliezen: de Häftling werd zodanig achterover gebogen dat zijn polsen aan zijn enkels konden worden vastgebonden en zijn lichaam een cirkel vormde. Sommer schopte die gevangenen dan voort tot ze geen teken van leven meer gaven. De interne leiding van de kampen werd overgegeven aan de gevangenen zelf, vooral aan de meest criminele. In een concentratiekamp onderscheidden de nazi’s

verschillende soorten gevangenen. Misdadigers die meestal hun straf hadden uitgezeten, maar te gevaarlijk waren om te worden vrijgelaten, kregen een groene driehoek op de mouw. De Grüne (of zielony) werkten vaak samen met de bewakers en kregen verschillende functies in het kamp, bv de Lagerältester. Hij was letterlijk de kampoudste en voorzitter van de Blockältesten. Hij was verantwoordelijk voor de interne orde in het kamp. Indien de SS-Führer niet aanwezig was, trad hij op als plaatsvervanger. De Lagerältester, meestal een misdadiger van de ergste soort, was een vertrouwensman van de SS. Daaronder stonden de Blockältester, de blokoudsten: als rechterhand van de SSBlockführer hadden zij de leiding over een bepaalde blok in het kamp. De Stubeältester of kameroudste, bijgestaan door de Stubedienst, stond mee in voor de voedselbedeling en de zindelijkheid. Op, naar en van het werk heersten de capo’s. Zij waren het hoofd van een arbeidsgroep. Deze bevoorrechte banen vielen meestal toe aan de Grüne. In ruil voor hun medewerking en trouw kregen ze meer en beter eten, sigaretten en ontsnapten ze (meestal) aan de martelingen en pesterijen van de SS. Om het baantje te behouden, ranselden ze er duchtig op los. In Buchenwald was Otto Schubert één van de meest gevreesde Blockälteste. Vaak stond hij aan de zijde van Sommer wanneer er iemand gestraft werd. De politieke gevangenen (communisten, vakbondsleiders, oppositieleden,…) kregen een rode driehoek. Zij waren sterk vertegenwoordigd in Buchenwald. De bekende arbeidersleider Ernst Thälmann werd er op 18 augustus 1944 doodgeschoten. Homoseksuelen (Arschficker) werden een roze driehoek opgespeld. De zwarte driehoek was voorbehouden voor de “asocialen”. Joden waren uiteraard te herkennen aan hun gele ster. Bijbelvorsers zoals de Jehova’s hadden een paarse driehoek. Wie een Fluchtpunkt boven zijn driehoek had, had een ontsnappingspoging achter de rug. Later werden gesnapte vluchtelingen onmiddellijk terechtgesteld. SS-bewakers kregen zelfs enkele dagen verlof wanneer ze een vluchtende gevangene neerschoten.

41


De misdaden Zoals gezegd was Buchenwald geen kamp waar planmatig volkerenmoord plaatsvond. Toch zijn er op grote schaal krijgsgevangenen gedood. Vanaf oktober 1941 begonnen de SS’ers met een systematische uitroeiing van Sovjetkrijgsgevangenen. Een oude paardenstal werd omgebouwd tot een ware moordfabriek. In een ruimte die als “medisch kabinet” diende, werden de Russen onderzocht door als dokters vermomde SS’ers. Daarbij moesten ze plaatsnemen onder een meetlat. Er bevond zich een gaatje in de wand ongeveer ter hoogte van de nek, waardoor de onwetende krijgsgevangenen werden doodgeschoten. Tegelijkertijd stond er een radio zo luid te spelen dat de andere Russen, hun beurt in een aanpalend vertrek afwachtend, niet wisten wat er ging gebeuren. Op die manier werden 8.483 Sovjets door SSkommando 99 doodgeschoten. De SS-bewakers hadden enkele favoriete spelletjes. Bij het “bergbeklimmen” moest de gevangene de steile rots van de steengroeve opklimmen. De meeste vielen, vroeg of laat, van de rots. Wie onverwacht toch de top bereikte, schopten de SS’ers de afgrond in. Oberscharführer Schmidt, de vindingrijkste, liet gedeporteerden aap spelen: ze moesten in een boom gaan hangen tot hun armen het niet meer konden houden. Soms dwong hij het slachtoffer tot in de boomtop te klimmen, waarna de andere gevangenen met de boom moesten schudden tot de ongelukkige eruit viel. In het kamp was een vlektyfus-proefstation aanwezig. Hier voerde het Gezondheidsinstituut van de Waffen-SS proeven op mensen uit. Vooral joden waren het proefkonijn. Ze werden met tyfusbacillen, strychnine, vaak gewoon lucht, … ingespoten (abspritzen). Zo konden allerlei serums, geproduceerd in

het vlektyfusserum-instituut, uitgetest worden. Niemand overleefde zo’n injectie. Misschien wel het meest gruwelijke gebeurde in de pathologische blok, de plaats waar de lijken werden geplunderd voor ze naar het crematorium gingen. Alles wat ook maar enigszins van waarde was (bv gouden tanden), werd weggenomen. Dit gebeurde in alle kampen. In Buchenwald (net als in Sztutowo) werd ook de huid van getatoeëerde gedeporteerden afgestroopt en gelooid. Van die huiden werden lampenkappen, boekenkaften, handtassen, muurdecoraties, e. d. gemaakt. Bovendien gebruikten SS“geleerden” hoofden van politieke gevangenen om schrompelkoppen te maken volgens het procédé van de Jivagoindianen. Gevangenen die in deze afdeling werkten, hebben getuigd dat de SS’ers bestellingen voor dit soort “cadeautjes” kregen. Het einde In Buchenwald hadden de geïnterneerden een sterke verzetsorganisatie, het Internationaal Lagercomité, uitgebouwd. Vooral de Duitse communisten, o. l. v. Walter Bartel waren de voortrekkers. De leden waren hoofdzakelijk Rote, politieke gevangenen. Aanvankelijk bleven hun activiteiten beperkt tot het organisieren, het stelen van allerlei materiaal en voedsel van de Duitsers, en kleine sabotages. De Rote trachtten intussen zoveel mogelijk de Grüne te verdringen uit hun bevoorrechte postjes. Het uitbreiden van hun verzetsorganisatie verliep heel geleidelijk. Voor nieuwe leden werden ingewijd, moest er absolute zekerheid zijn over hun trouw. Een verrader zou de dood betekenen van de verzetsleden. Vanaf de zomer van 1943 werden de activiteiten uitgebreid. Het Internationaal Lagercomité, waartoe ook heel wat joden behoorden, begon radio’s te maken. Leden die in de wapenfabriek werkten, ontvreemdden handwapens, geweren en granaten. Er werd zelfs een clandestien Russisch blad uitgegeven. Omdat de organisatie erin slaagde vertrouwenspersonen op postjes in de kampadministratie te plaatsen, konden ze 42


terdoodveroordeelden verborgen houden of een andere identiteit geven.

komen en de misdaden van de nazi’s te aanschouwen.

Vanaf zes april 1945 begon de grond te heet te worden onder de voeten van de nazi’s. De Amerikaanse troepen naderden met rasse schreden. Er werd een evacuatie van het kamp bevolen. Op dat moment waren er nog zo’n 47 500 gevangenen. In de volgende dagen werden meer dan 28 000 personen te voet of per trein in de richting van Dachau en Theresienstadt gedreven. Zeven- tot achtduizend onder hen overleefden de dodenmarsen niet. Die evacuaties waren het sein voor de verzetsorganisatie om in gang te schieten. Dankzij de sleutelposities die ze in de kampadministratie innamen, slaagden ze erin de SS-orders te vertragen, waardoor het kamp niet volledig geëvacueerd kon worden. Tegen 11 april waren de meeste SS’ers gevlucht. Het Internationaal Lagercomité wachtte niet op de komst van de Amerikanen. De leden haalden de wapens boven, bezetten de wachttorens en overmeesterden enkele tientallen SS’ers. Die dag werden 21 000 gedeporteerden bevrijd, waaronder 4 000 joden en een duizendtal kinderen en jongeren. Op 12 april werd een algemeen vrijheidsappel gehouden en een dag later bereikten Amerikaanse troepen het kamp.

Op bevel van de Amerikaanse bevelhebber Patton werden een duizendtal inwoners van Weimar verplicht naar Buchenwald te

43


Nageschiedenis Het terrein van KZ Buchenwald werd in de periode van 1945-1950 door de Sovjets als interneringskamp gebruikt. Vele voormalige NSDAP-leden of mensen die de nazi’s hand- en spandiensten hadden verleend, kwamen er terecht. Net als bij de nazi-terreur waren er heel wat mensen willekeurig gearresteerd. In totaal hebben er zo’n 28000 mensen opgesloten gezeten. Meer dan 7000 onder hen hebben het niet overleefd. Zij liggen ten noorden van het kamp begraven in de zogenaamde Dodenakkers. Op de plaatsen van de anonieme massagraven staan stalen grafzuilen die tezamen een kerkhof vormen. Herinnering Een bezoek aan Buchenwald begint in Weimar. Deze mooie stad maakt onmiskenbaar deel uit van de gruwelijke geschiedenis van het KZ. Hier kwamen de gevangenen aan tot in maart 1943. Sindsdien had Buchenwald zijn eigen halte. Tot in 1940 werden de KZ-doden naar het stadscrematorium gebracht, omdat het concentratiekamp de eerste jaren geen eigen crematorium had. Tal van andere elementen herinneren Weimar aan het nationaal-socialisme: de Marstall (zetel van de Gestapo), een tuinhek in de Bauhausstrass bestaande uit omheiningspalen van het KZ, het stadhuis waar Hitler de inwoners nog heeft toegesproken, ‌

de buurt stonden vroeger de SS-garages en de Gustloff-wapenfabriek II. Vervolgens passeert u het voormalige station van Buchenwald waar vanaf maart 1943 duizenden gevangenen aankwamen. Het stuk weg tussen het station en de toegangspoort werd en wordt de Carachoweg genoemd. Hier was de kampbewaking gevestigd. Hiervan zijn het tankstation, garages en de resten van het hoofdkwartier nog zichtbaar. De parkeerplaats en bushalte bevinden zich op de het voormalige exercitieterrein van de SS. Een deel van de kazernes wordt nu gebruikt als cafetaria en informatiecentrum. Het concentratiekamp zelf is grotendeels afgebroken, ondanks hevige protesten van de vroegere gevangenen. De kamppoort met de bunker is samen met enkele wachttorens bewaard. Het crematorium staat er ook nog. Het vroegere kledingmagazijn huisvest nu een indrukwekkende permanente tentoonstelling. Alle aspecten van KZ Buchenwald worden tot in detail behandeld in goeie begeleidende teksten. Heel wat lugubere voorwerpen (bv. de lampenkap van mensenhuid) zijn er te bezichtigen. Er is een al even goedopgebouwde tentoonstelling over het Sovjetinterneringskamp. Dit alles is zeker een bezoek waard. De toegang is gratis.

Vanuit Weimar leidt de Ettersburg Strasse naar Buchenwald. Ongeveer twee kilometer buiten de bebouwde kom begint de Bloedstraat, aangelegd door de gevangenen. De weg is voor een deel nog in de oorspronkelijke staat. Ongeveer drie kilometer verder bevindt zich het Mahnmal Memorial met de enorme klokkentoren, de Straat der Naties (met de vermelding van de nationaliteiten die in het kamp zijn omgekomen) en de beeldengroep die het verzet in Buchenwald uitbeeldt Dit Mahnmal is van heinde en verre te zien en dient als waarschuwing voor hetgeen gebeurd is. In het dichtbegroeide terrein in 44


Onderstaande tekst is integraal overgenomen van www. remember. org/witness/herder. Html De bijgeplaatste foto’s zijn van Leo van Vessem jr.

The liberation of Buchenwald, by Harry J. Herder Jr. Over fifty years ago, I went through a set of experiences that I have never been able to shake from my mind. They subside in my mind, and, then, in the spring always, some small trigger will set them off and I will be immersed in these experiences once more. The degree of immersion varies from year to year, but there is no gradual diminution with time. I note, but do not understand, that the events occurred in the spring, and the re-immersion seems to be always in the spring. This year I set those memories on paper, all of them, or at least all of them I recall. I hope for the catharsis. I do not expect a complete purging -- that would be expecting too much -- but if I can get these memories to crawl deeper into my mind, to reappear less vividly, and less frequently, it will be a help. We are as we are, we saw what we saw, and we remember as we remember. So be it. These are my memories. It is enough for me that I feel what I do feel, and I am now attempting to thin those feelings out. And I use you, the reader. I must purge these feelings on someone, and if I have readers, it is they I am using. I apologize to you, and I ask for your understanding. This all happened to a group of us on April 11, 1945. The things we found then were grotesque enough without knowing some of the other things we did learn later. As a P. F.C. in the U.S. Army, there was no way that I could learn the origin of the orders that started it all. In fact when we started there was no way for those of us at the bottom of the ladder to have any idea at all where we were going or what we were up to. What I do remember is that we eventually drove up some gentle valley where there were trees on either side of us, when we made a sharp left turn, so sharp that those of us on the tops of the

vehicles were grabbing things to keep from falling off. By the time we had regained our balance, there it was: a great high barbed wire fence at least ten feet high. Between us and the fence and running parallel to the fence was a dirt road, with high guard towers every fifty yards or so. Beyond the fence were two more layers of barbed wire fence not quite as tall. There seemed to be about five yards between those fences. The barbed wire in those fences was laced in a fine mesh, so finely meshed no one was going to get through it. Our tanks slowed down, but they did not stop; they blew straight at and through the barbed wire. Those of us riding the top scurried quickly to get behind the turret, while those vehicles just continued to charge. When we broke through the first of those fences we got a clue, the first clue as to what we had come upon, but we had no real comprehension at all of what was to assault our senses for the next hours, the next days. We hit those fences with enough speed so that it was unclear to me whether it was the first level, or the second, or the third, but at least one of those levels was hot with electricity. We hit the fences, blew through them, and shorted out whichever it was on the damp ground. Once we were through the fences we turned left a bit and took off up a gentle cleared hill toward a concentration of buildings. Those buildings were still two hundred yards or more up the hill from us, but it didn't take long for those tanks to growl their way up toward those buildings. I recall that I was very much on the alert. The tanker on our vehicle assigned to the machine gun was on that weapon and ready to use it, and those of us riding the top were ready to bail off and hit the ground on the run and do whatever it was that we were going to have to do. I was an assistant bazooka man, and I had a sack with ten bazooka rounds hung over my shoulder; I had an M1 Garand, and some bandoleers of ammo for that; some grenades hanging one place and another; a fully loaded cartridge belt; and I was on my toes ready to scramble off that tank at the first sign of trouble. I would follow the bazooka man: wherever

45


he went I would go. It turned out that we didn't need any of that hardware. I remember scouting out the area in front of us quickly with my eyes. There were no great details, but I saw that over to the left, next to, and just inside of the fence, and to our front, were some major buildings, and next to one of those buildings was a monster of a chimney, a monster both in diameter and in height. Black smoke was pouring out of it, and blowing away from us, but we could still smell it. An ugly horrible smell. A vicious smell. The tank which we were riding, along with two other tanks in our column, wheeled to the left so that the three of them made a front. Two more columns containing the rest of our company, off to our right, made the same maneuver so that all of us presented one front. Our Company Commander and the commander of the tank destroyer outfit were riding in a jeep somewhere near the middle of all of that mess. Once we presented that front, those of us who were on top of the tanks jumped off and spread out on the same front. I was prepared to flatten out on the deck, but it turned out we didn't have to, and none of us did. I stayed close to Stover, my bazooka man, ready to do whatever it was he was going to do. None of us--well, none of us in the lower ranks--knew what it was we were up to or where we were, but we were fully expecting a fire fight with German troops, whose camp we had just stormed and taken, and we thought they would be angry at us. It turned out there were no German troops present. Slowly, as we formed up, a ragged group of human beings started to creep out of and from between the buildings in front of us. As we watched these men, the number and the different types of buildings came to my attention. From them came these human beings, timidly, slowly, deliberately showing their hands, all in a sort of uniform, or bits and pieces of a uniform, made from horribly coarse cloth with stripes running vertically. The stripes alternating a dull gray with a dark blue. Some of those human beings wore pants

made of the material, some had shirt/jackets, and some had hats. Some only had one piece of the uniform, others had two, many had all three parts. They came out of the buildings and just stood there, making me feel foolish with all of that firepower hanging on me. I certainly wouldn't be needing it with these folks. The jeeps, our company commander's and a few others, rolled forward very slowly toward these people, and, as they parted, drove slowly through them, to the brick building next to that tall chimney, and our officers disappeared inside. Our platoon sergeant had us form up some and relax, then signaled that horde of human beings to stand fast; he just held both hands up, palms out, and motioned them backwards slowly. Everything was very quiet. The tanks were all in slow idle. Hesitatingly we inched closer to that strange group as they also started inching closer to us. Some of them spoke English, and asked, "Are you American?" We said we were, and the reaction of the whole mass was immediate: simultaneously on their faces were relaxation, ease, joy, and they all began chattering to us in a babble of tongues that we couldn't answer--but we could, and did, point the muzzles of our weapons at the ground, making it obvious these weapons were not "at the ready". It was then that the smell of the place started to get to me. Our noses, rebelling against the surroundings they were constantly subjected to were not functioning anywhere near normally. But now there was a new odor, thick and hanging, and it assaulted the senses. There was still space between us and the group in front of us, the people on both sides now relaxed, one side considerably more jubilant than the other, but all of the tensions were gone. We were inching closer together when our platoon sergeant was called back to one of the tanks and got on the radio. He wasn't there but a few minutes, came back, formed up our platoon, and took us back away, toward the place where we had entered the camp, back toward the fences through which we had ripped holes. At each hole in the fence 46


he left two of us. The sergeant left us there with instructions that we were to let no one through that hole from either direction. He left Bill and me in the middle of the hole in the fence, and told us to hold that hole. Bill and I were vigorous young things with an immense curiosity, and it was difficult standing still in the middle of a hole through a set of three fences. We hadn't the vaguest idea what we had run into. Not yet. Soon Sergeant Blowers came by and told us that all of the people inside of the camp had been told to stay inside of the fence, that we were down by the holes to make sure they stayed inside. Bill and I were told to go into the tower, go to the top floor, to stay there, and to keep people from coming out through the hole. We still had no idea what this place was. Containing the prisoners was not expected to be any trouble because they understood the need, and they were being provided for in every way that we could think of: the field hospital had just arrived, a big mess unit was on the way, loads of PX rations were coming. Sergeant Blowers told us that some of the prisoners spoke English. Then he got even quieter, looked at the ground for as moment, raised his eyes, and looking over our heads, began very softly, so softly we could barely hear him. He told us that this is what was called a "concentration camp", that we were about to see things we were in no way prepared for. He told us to look, to look as long as our stomachs lasted, and then to get out of there for a walk in the woods. I had never known Sergeant Blowers to be like this. The man had seen everything I could imagine could be seen, and this place was having this effect on him. I didn't understand. I didn't know what a concentration camp was, or could be, but I was about to learn. Bill, Tim, and I started off through the trees, down the hill to the front gate which was only a couple of hundred yards away. The gate was a rectangular hole through the solid face of the building over which was office space and a hallway. High up above the opening for the gate was a

heavy wooden beam with words carved into it in German script, Arbeit Macht Frei. In a clumsy way I attempted to translate the inscription to Bill and Tim as, "Work will make you free". The three of us headed through the gate, through the twenty or thirty feet to the other side of the building. We were slightly apprehensive of what we might see. Our antennae were up. We had been teased by bits of information, and we wanted to know more. The lane we were walking on bent to the right as we cleared the building. We had barely made the turn, and there it was. In front of us a good bit, but plainly visible.

The bodies of human beings were stacked like cord wood. All of them dead. All of them stripped. The inspection I made of the pile was not very close, but the corpses seemed to be all male. The bottom layer of the bodies had a north/south orientation, the next layer went east/west, and they continued alternating. The stack was about five feet high, maybe a little more; I could see over the top. They extended down the hill, only a slight hill, for fifty to seventyfive feet. Human bodies neatly stacked, naked, ready for disposal. The arms and legs were neatly arranged, but an occasional limb dangled oddly. The bodies we could see were all face up. There was an aisle, then another stack, and another aisle, and more stacks. The Lord only knows how many there were. Just looking at these bodies made one believe they had been starved to death. They appeared to be skin covering bones 47


and nothing more. The eyes on some were closed, on others open. Bill, Tim, and I grew very quiet. I think my only comment was, "Jesus Christ. " I have since seen the movie made about Buchenwald. The stack of bodies is vividly displayed in the movie, just as I saw it the first day, but it is not the same. In no way is it the same. The black and white film did not depict the dirty gray-green color of those bodies, and, what it could not possibly capture was the odor, the smell, the stink. Watching the movie was, in a way, a reliving of the first walk through those stacks of bodies. The three of us looked, and we walked down the edge of those stacks. I know I didn't count them--it wouldn't have mattered. We looked and said not a word. A group of guys from the company noticed us and said, "Wait till you see in there. " They pointed to a long building which was about two stories high, and butted up tightly to the chimney. It had two barn-like doors on either end of the building we were looking at, and the doors were standing open. We turned and walked back to the building where we found others from our company, along with some of the prisoners milling around in the space between the bodies and the building. We moved gently through those people, through the doors and felt the warmth immediately. Not far from the doors, and parallel to the front of the building, there was a brick wall, solid to the top of the building. In the wall were small openings fitted with iron doors. Those doors were a little more than two feet wide and about two and a half feet high; the tops of the doors had curved shapes much like the entrances to churches. Those iron doors were in sets, three high. There must have been more than ten of those sets, extending down that brick wall. Most of the doors were closed, but down near the middle a few stood open. Heavy metal trays had been pulled out of those openings, and on those trays were partially burned bodies. On one tray was a skull partially burned through, with a hole in the top; other trays held partially disintegrated arms and legs. It

appeared that those trays could hold three bodies at a time. And the odor, my God, the odor. I had enough. I couldn't take it any more. I left the building with Bill and Tim close behind me. As we passed through the door someone from the company said, "the crematorium. " Until then I had no idea what a crematorium was. It dawned on me much later--the number of bodies which could be burned at one time, three bodies to a tray, at least thirty trays--and the Germans still couldn't keep up. The bodies on the stacks outside were growing at a faster rate than they could be burned. It was difficult to imagine what must have been going on. Later that evening, sitting on the front steps of the barracks with a group of people from the company, Sergeant Blowers among us, the three of us started to pick up the parts of the story we had missed because we were on guard at the towers. All of the German guards had packed up and moved out about three hours before our arrival. There were bits and pieces of personal gear still left around the barracks, but not much. We saw neither hide nor hair of those German guards. When the Germans left, the crematorium was still going full blast, burning up a storm, the chimney belching out that black smoke. Our First Sergeant, Sergeant Blowers, our Company Commander, and the Leader of the TD group found the source of the fuel, and played around with one thing and another until they figured out how to turn the damned thing off. That was the start. That was just the "openers". There was more, but it was impossible to assimilate it all at once. General Patton had assigned us to this place for four days, ostensibly to keep the now-free prisoners off the roads needed to supply his troops who were racing through Germany at the end of the war. The full explanation was given the prisoners, and there was no problem, they understood. Patton had assigned a whole field hospital to the place along with a big kitchen unit. He eventually sent in an engineering outfit 48


with bulldozers to dig a mass grave for those bodies. We were doing everything we possibly could for the prisoners. Later on, when things became quieter, military government people arrived to help the prisoners get home--if there were homes for them to get to. A little later in the evening the three of us walked back into the camp, passed by the crematorium and the stacks of bodies, and wandered into the camp proper. There were temporary lights strung around for the medics to do their work. The prisoners came up and surrounded us, moving with us as they jabbered, but they spoke a language we did not understand--they were probably speaking several languages we did not understand. There was the slightest of communication. They gave way and moved along with us. We must have appeared as giants in their midst: we wellfed, healthy, strong, young men; they gaunt, shrunken, their ugly striped uniforms hanging on them. They were jabbering, and we wanted to listen, to understand, but there seemed to be no way we could. After some moments we figured out they wanted our cigarettes. In no time we were out of them--they just disappeared. We had nothing else with us they really wanted, but they stuck with us and guided us to another set of buildings, which had the look of large barns with wide doors in the middle of the front. Entering the first of these we found we were entering their home. There were stacks of bunks five or six high, crowded together with very little room between a bunk and the one above it. (It was my thought that one would have a rough time merely rolling over.) The bunks were much too short even for short people. The lower bunks served as rungs of a ladder to the upper ones. How many hundreds of people slept in this one building was beyond me. Then there were all of those dead bodies outside that must have come from here. Where did the Germans get them all? Just inside the door were people on the lower bunks so close to death they didn't have the strength to rise. They were, literally, skeletons covered with skin--

nothing more than that--there appeared to be no substance to them. The next day when the press arrived, one of the photographers for LIFE magazine had one of the really bad ones propped up against the door frame in the daylight. He took the photograph, but out of sight in the darkness of the building, behind the man, were the people propping him up. I have seen that photograph several times in the years since, and every time I see it my stomach rolls a little, my mind goes into some kind of a dance, and it takes me a little time to return to normal. There are still altogether too many things that flood my mind once a trigger is pulled. Later we were told the medical unit was moving around searching for the most desperate cases, in order to get them to the doctor as quickly as possible. They told us the story of one prisoner who was so close to death that even thinned chicken broth was too rich for his stomach. The doctors were doing everything they could, trying mightily; but in too many cases they had no chance at all and would lose in spite of their best efforts. We were about to do what Sergeant Blowers had told us to do--take a walk in the woods. We headed for the woods talking softly to each other, the talk full of wonderment--the hows, the whys. We had no answers. As limited as our combat experience had been, we had seen dead men, we had seen wounded men from both sides with the immediacy of battle, with no time for conjecture. We had done what we could for the wounded and then had got on with the job that had to be done. None of us, no one in our company, even amongst those who had been the originals, was prepared for what we were now surrounded by. It was not "human". It did not seem real. But it was all too real, it was the only life that some of the prisoners had known for years. Maybe it was all too human. Maybe this is what we are. Later that evening, a bunch of us from the company were sitting on the front steps of the barracks, talking. There were questions, far more questions than there were answers. Those of us assigned to the 49


towers at the beginning had missed a great deal of what had gone on, and we were catching up. Amongst other things, Sergeant Blowers was explaining our duties while we were here: we were to stand guard for four hours at a time, and then take eight hours off; there would be one of us in every other tower most of the way around the camp. We would be covering all of the holes we had ripped in the fence. The first platoon, ours, had the midnight-to-four, and the noon-to-four shifts. Sergeant Blowers told us some things about the Commandant of Buchenwald and his wife. We could see their house down the hill through the leafless trees from our seats on the front steps. Blowers painted a picture of truly despicable human beings. The wife, Ilse Koch, favored jodhpurs, boots, and a riding crop. He told us this story about her: Once, she ordered all of the Jewish prisoners in the camp stripped and lined up; she then marched down the rows of them, and, as she saw a tattoo she liked, she would touch that tattoo with her riding crop; the guards would take the man away immediately to the camp hospital where the doctors would remove the patch of skin with the tattoo, have it tanned, and patch it together with others to make lamp shades. There were three of those lamp shades--the history books say there were two, but there were three. One of them disappeared shortly after we arrived. This may give you a glimmer of an idea of what Ilse Koch was like--and her husband--and the camp "doctors. " We learned that only a very few Jews remained at Buchenwald, most of them in terrible physical shape. The Jews who had been healthy, to any degree, had been marched away from the camp weeks before. No one knew why they had been taken away, or where they had been taken. Originally, in the camp, the Jews and the non-Jews were largely separated and given different food rations and different jobs to do. Treatment of the prisoners varied also, depending on ethnic origin. There were a few women prisoners, but we wouldn't see them for a time as they had been taken

immediately to the field hospital to be checked over and cleaned up. Those who were able began working with the American nurses or helping out in the kitchen. They gave the impression they no longer felt like slave laborers; in fact, they seemed only too glad to assist. There were children prisoners, some of them born in the camp. The females had been forced into prostitution often (though not the Jews). We learned more from an American Lieutenant who had entered the camp later as an interpreter. Things that he had learned interviewing prisoners in the hospital. After listening to all of this, a half dozen or so of us went down to the Camp Commandant's home, walked in, and looked around. It was a grand home, luxuriously furnished, but messy now from the many feet trudging through it all day long. We looked for the lamp shades--we found only the lamp bases where they had been. Then, since we were to go on guard duty from midnight to four in the morning, we thought a little sleep was in order, so we returned to the barracks, threw our blankets across our mattresses, crawled under them, and slept, or tried to sleep. My mind was full. Sleep did not come easily. Sergeant Blowers broke us out a little after eleven o'clock that night. We gathered our equipment and piled into a truck and went around the watch towers, jumping out as we came to our assignments. I climbed the stairs to the top floor using the flashlight handed to me by the man I relieved. As I stood on the top floor looking out, I saw nothing. There was no electricity so the search lights in the tower didn't work. I had with me my Garand rifle, the rifle belt with a full canteen hanging on it, a field jacket over my woolen shirt. The pockets of the field jacket were loaded: in the top left pocket was a toothbrush which I had quit using for its primary purpose once I started cleaning my rifle with it; there was a mess kit spoon right beside it, along with a pack of cigarettes and two or three cigars; in the top right pocket was another pack of cigarettes and some Hershey bars.

50


I started by stacking my rifle in the corner, took off my belt and put it on the table, and, leaning on the table, I started thinking about all of the things that had happened during the day. Strange things. Things I could not yet understand--could never understand. I thought about those things and questions entered my mind, but there were no answers. Finally I merely slumped and realized how good a cup of coffee would taste. I had my canteen cup. There was water in my canteen. There were packets of instant coffee (horrible stuff) in my pocket along with packets of sugar. I had everything I needed for a cup of coffee except heat. With the help of a flashlight I started scrounging around, finding little wood chips all over the place. The trench knife from my belt helped me make some more of them, and I ended up with a tidy bunch of wood chips. I built the fire right in the middle of the machine gun table, heated the water in my canteen cup and made myself a cup of coffee. After sweeping the fire from the table and stomping on the sparks, I sat on a corner of the table, lit a cigar, drank the coffee, and looked out into the darkness. Less than a half an hour later I saw a fire in Bill's tower and guessed that he had seen what I was up to and done the same thing. The next morning while we were sipping coffee after breakfast, a great commotion broke out down at the gate. We wandered off in that direction, coffee cups in hand. A bright and shiny jeep came through the gate, with this fellow standing in front of the passenger seat, holding onto the windshield. His helmet was gleaming and elaborately decorated, his uniform spic and span, his pistol highly polished and oddly shaped, and, by God, there he was: it was George Patton himself touring this place. From time to time the jeep would stop and he would ask questions. In front of the crematorium the jeep stopped, he alighted and walked inside. He was out of sight for some minutes, appearing again with a very stiff back. Into the jeep and he was all over the place in just a few minutes. He passed us on the way out--and damn he looked mad--about as mad as I had ever seen anyone look. I would not have wanted to cross that man right then. The jeep sped

back out the gate and on down the road and George just sat. Now that we had gone through a tour of duty at the towers, we knew what it was we wanted to take along with us. I fully intended to load up with candy bars, instant cocoa, and a bunch of other good things to stash away in one of the tower cupboards. Eventually Sergeant Blowers came down the hall, out the door, and onto the front steps with the rest of us. I got to my tower, crawled up the staircase, and relieved the fellow from the third platoon. I set all my things down and surveyed the scene in front of me. I stacked my rifle in the corner and threw my rifle belt on the machine gun table. There was a tiny char mark on the table by now, the word apparently having been passed around. It was a warm afternoon so I took my jacket off, dropped it on the table and leaned on the ledge of the opening for a while. After a bit I crawled up on the table and sat on it cross-legged. I dug a cigar out of my jacket, lit it, and enjoyed it, and I studied the landscape around the camp. There were some heavily wooded areas around the outside of the camp, and the spring weather was turning the leaf buds a fuzzy green color. I imagined it would be very beautiful there in the summer with all of the trees leafed out. I was ruminating in this manner when I heard a tiny voice, and my attention came back to the inside of the camp. I could see nothing, but I heard the voice again, under me, down near the fence. I scrunched forward on the table to where I could see almost straight down. There, right in the middle of the hole in the fence, looking up, calling me, was this very small person. I waved my arm at him letting him know that it was all right to come on through the fence, to come up the tower. He did so immediately. The sound of his footsteps coming up the stairs was almost instantaneous. I barely had time to get off the table and over to the stair opening before he was beside me. He was young, very small, and he spoke no English. He was dressed in bits and pieces 51


of everything, ragged at best, and very dirty. He chattered up a storm and I could not understand one word. First, I got him to slow down the talk, then I tried to speak to him, but he could not understand a word I said. We were at a temporary stalemate. We started again from scratch, both of us deciding that names were the proper things with which to start, so we traded names. I no longer remember the name he taught me, and I wish so badly, so often, I could. Our conversation started with nouns, naming things, and progressed to simple verbs, actions, and we were busy with that. As we progressed I reached over into my field jacket to pull things out of the pocket to name. I came across a chocolate bar and taught him the word "candy". He repeated it, and I corrected him. He repeated it again, and he had the pronunciation close. I tore the wrapper off the chocolate bar and showed him the candy. He was mystified. It meant nothing to him. He had no idea what it was or what he was to do with it. I broke off a corner and put it in my mouth and chewed it. I broke off another corner and handed it to him and he mimicked my actions. His eyes opened wide. It struck me that he had never tasted chocolate. It was tough to imagine, but there it was. He took the rest of the candy bar slowly, piece by piece, chewed it, savored it. It took him a little while but he finished the candy bar, looking at me with wonderment the whole time. While he was eating the bar, I searched around for the old wrapper, found the word "chocolate " on it, pointed to the word, and pronounced the word "chocolate". He worked on the correct pronunciation. I am sure that was the first candy the little fellow had ever had. He had no idea what candy was until then. We worked out words for those things close around us. He was learning a bit of English, but I was not learning a word of his language--I do not even know what language he spoke. This wasn't something that happened consciously, it was just something that happened. I spent the rest of my four-hour tour with him. I pretty well ignored what happened in the rest of the camp. There was nothing much going on down in my corner, so it

was easy to ignore. My whole world shrank to the inside of the fourth floor of the tower and the young boy. Toward the end of the tour, I found one of those blocks of compressed cocoa that came in the KRations in a pocket of my field jacket, and the two of us constructed a hot cup of cocoa for ourselves. We used the same method I had used the night before to make a cup of coffee. A canteen cup is a rather large cup and the two of us shared it. On the first sip he looked at me with a large smile and said the word "chocolate". We were starting to communicate. I gave him other things from the K-Ration packages, among them a small can with cheese and bits of bacon, which we opened with the can opener I wore on my dog tag chain. This meant he had to study the dog tags. His curiosity was immense. He ate the cheese mixture (which I ate only when I was very hungry), and sorted out the words "cheese" and "bacon", and he loved the stuff. It did not even begin to enter my mind that he might have been Jewish and shouldn't have been eating bacon. I made up my mind to really load up before I came to the tower the next day. That's the way the tour went, and it was all so pleasant. The little fellow was a joy scampering around. I figured him to be somewhere between five and eight years old, but I was probably wrong, on the low side. Later, when I thought more about it, I realized whatever growing he had done had been on the rations of that camp. No great growth could be expected from a diet like that. When we split at the end of the four hours, he pointed to my pack of cigarettes. My first thought was that I didn't want him to smoke them, but then I remembered the events yesterday in the camp when my pack of cigarettes simply disappeared. Cigarettes were for barter; they were exchange material. I had no idea how rich one was when one had a whole pack of cigarettes. To these people cigarettes were money, and I was getting them free from PX rations. When we parted I loaded him up with candy bars and my extra pack of cigarettes. He had them all inside his shirt and went streaking back through the whole in the fence and on up the hill. After I was relieved and heading 52


back up the hill, I saw Tim coming down the road behind me and I slowed until he caught up. When we got to Bill's tower, Bill was waiting for us, and the three of us walked up the road together.

no one could hurt them anymore after their burial. The trays at the crematorium would be emptied also. It would not be the most desirable of burials, but we would be rid of part of the exhibit.

As we approached the gate area, we noticed the place was in a kind of a mild uproar. The press people were still there, joined by a lot of big shots from the army. Buchenwald was filled with those who had to "spectate. " People were walking around and through the aisles of those stacks of dead bodies. To me this was the final indignity. It was an exhibition. God, help us. Those people in the stacks were dead, they were gone. Nothing could really hurt them further, but it hurt me that they were now an exhibition. The three of us at the gate stood there, looked, turned our backs, and walked away.

There was other talk too, and I was turning into one hell of a listener. It seemed that Patton had become so angry at what he had seen in the camp that he scooted into the nearest major town, Weimar, broke the mayor of the town out, and told him he wanted every citizen up the next morning, ready to march to through Buchenwald so as to see what the German people were responsible for. The engineers were not to bury the dead until after the grand tour by the German townspeople.

All of the way from the tower I had been telling Bill and Tim about the little kid. Bill had noticed the two of us in the tower. I'd had the kid standing on the table and had put my field jacket on him, which was much, much too large for him; then I put my steel helmet on his head, and the two of us giggled. On the way back up the road our moods lightened a little with the stories about the little fellow, we had started to feel a little better. We got to the gate and saw the carnival atmosphere, and our good spirits vanished. Scowling, we quietly walked back to the barracks. We had to go near the Commandant's house, and all of the "tourists" were lined up to go through another "exhibit," where someone was busy telling "Ilse" stories. That was enough for me. I was glad to get back to the barracks. We headed for the mess tent, talking about what had been going on all day long with the press and the visitors. Some of our guys had been disgusted by a bunch of nurses or WACs in their Class A uniforms taking pictures of the naked dead. It was not the display of the genitals that shook some of us up; it was that final indignity, the exhibition. Some one mentioned, while we were eating, that the engineers would be here tomorrow to bury those poor people. That made me feel a little better;

We heard stories that night from two professors who had been non-Jewish prisoners at Buchenwald for over four years. They were intelligent. They had seen and were aware of everything that had happened at the camp. We asked them questions and we were given answers. We were flooded with information. There is no way I could present those stories as we heard them, chronologically, after this great a time. What I remember now are bits and pieces, and certain of those bits surface more rapidly than others. We sat, that night, around the table on the second floor of Bill's tower and talked--Bill, Tim, the man from the third platoon, the two professor prisoners, and myself. In one way the talk was an interrogation: four of us with insatiable curiosities, two who could satisfy those curiosities. Four of us asking questions, two providing the answers. There were times when we lit Sterno cans and made ourselves some instant coffee, but the talk never ceased. The four of us emptied our pockets of the little goodies we were carrying, spread them out on the table top, and made them available to everyone. We kept talking and time disappeared. The minds of the four of us grew and stretched in terms no psychoanalysts would ever be able to measure. Four hours of education happened that night which could have happened no place else.

53


Of the events at Buchenwald described by the two professors, I remember some. I told the two professors about the young person who had been at my tower the past afternoon, and described him as best I could. They thought they knew which of the young boys it was and believed he had been born at Buchenwald. The only life he knew was that of the concentration camp. There was no way he could have known about chocolate candy before this afternoon. That flipped me. One story: The German army had been losing men on the Russian front because they were freezing to death. Some had been still alive when brought to the field hospitals, but had died in spite of the best efforts of the German doctors. Those field hospitals had requested some research on how to revive human beings who were very nearly frozen to death, but were still alive. The research had been done at Buchenwald. Groups of Jewish men had been taken outside on winter nights, stripped, and sprayed with a mist of water until they were nearly dead. They were then trundled into the hospital, and every effort was made to revive them. Every effort failed. The ungrateful Jewish prisoners just went ahead and died, in spite of the best efforts of German medicine at the time. Finally, some bright medical type thought there might be a kind of animal heat that would revive them. They took one more group out, freezing them until they were nearly dead, brought them back into the hospital, and put them into bed with naked women. Their animal desires would revive them, or so the theory went. It goes without saying the experiment failed--again. The still ungrateful prisoners simply continued to die. Another story: There had been a factory a couple of kilometers down the railroad line from Buchenwald that was manufacturing something that was in demand by the German government. It was not clear to me what the plant had been making, but, in any event, it was the place where most of the political prisoners worked. Some Jewish prisoners worked there too, but they were only trusted with the menial

jobs. One particular night our bombers flew over the camp to the factory, which they pulverized. They leveled it completely. Everyone working there was killed, but that didn't seem to matter to the two professors; not one bomb had missed the factory, not one bomb had fallen inside Buchenwald. The two professors thought that was remarkable--to be able to bomb with such precision. To listen to them was to get the feeling they believed it was a blessing to die in a bombing raid rather than in other circumstances at Buchenwald. The dead were better off, and the factory was out of business also. The Germans had made no effort to rebuild it. It had all happened not too long before we arrived. Another story (to me the most gruesome): German doctors at the camp were doing research on some human diseases. Groups of Jewish prisoners would be selected (which must have been some kind of an admission they were human beings) and inoculated with the diseases. They would then be observed, and all of their reactions charted until death occurred. A postmortem of the body would be done, and those organs affected by the disease would be preserved and stored. The doctors would then move onto another disease, repeating the process. A building in the camp, near the hospital, held all of those preserved specimens. The two prisoners told us of the building and its location, how we could find it in the morning if we were so inclined. In that building were rooms devoted to each of the organs: a kidney room, a liver room, a heart room, etc. The two named some of the diseases studied, but I have forgotten (willfully?) the names. Another story? No. About what they did with the women prisoners? No. I quit. No more. That was probably the most brutal night I have ever lived through. Enough. A major reason I need a catharsis. The next morning we did a check on the building, and there they were. Rooms full of bottles of organs, all neatly and voluminously labeled. We turned and walked away. I had had enough. Any prisoner could tell me anything he wished 54


from now on, and I would believe. That building was enough. After seeing the organ building and my walk in the woods, I still had a few hours before my next tour of guard duty. I spent the time straightening my gear out and loading up the pockets of my field jacket. I expected the young boy again, and I wanted to be able to give him everything I could. After a quickly gobbled lunch at the mess tent, we took off for our towers and relieved the third platoon men. I had barely reached the top floor when the young fellow came running up the steps. I hadn't seen him out in the field on the other side of the fence, but there he had been watching, waiting for me. The first thing he got was another chocolate bar, and he took his time with that while we worked some more on our language. We made another cup of cocoa, this time over a Sterno can rather than a fire on the table. I tried to give him some boxes of KRations, but, hell, he was eating better than that at the mess tent. Maybe those KRations would be used for barter--that was all right with me. I had more cigarettes to give him when we parted too. I saw a gang of about thirty or forty of the prisoners still wearing their striped garb. They were heading back toward the camp, which mystified me, because they should not have been outside of the camp in the first place. As they passed the tower I noticed that one of them, one in the middle of the group, had his hands tied behind his back, and a rope tied around his neck. He was being led back into the prison. The commotion was centered around that individual. The little fellow in the tower with me became all excited and tried to explain things to me. After a bit, I got the idea that the person on the end of the rope had been one of the German guards at the prison camp, and these people found him in a small village near the camp. They were bringing him back. It was then, too, that I noticed a lot of action up in the camp. Something important was happening there. People were scurrying about, and most of the

prisoners were headed toward the gate. I was too far down the hill to discern the nature of what was going on, but I was betting it was the people from Weimar touring the camp after being marched out from the city. It turned out to be a good guess. An interpreter met them at the gate, marched them around, and, according to the word I heard later, carefully explained in great detail what had been going on in the camp. In fact all the interpreter would have needed would have been a few words and a pointed finger. The evidence was all there; the massive pile of bodies still stacked, just as they were when we first found them; the doors in the crematorium now all open, and more of the trays pulled out with their contents visible. The German people were seeing what had been going on in that place all of those years. Now we could bury the bodies. After the tour had been administered, the group headed back out of the gate and back down the road to Weimar. There was a large patrol of our troops marching them, some on either side of the road. As they were moving back to Weimar, not even out of sight of the camp, a number of Germans in the group found something to laugh about. The commander of the American troops heard them and became livid with anger. He turned them around and marched them, then and there, back through the camp again. This time they went through much more slowly. By the time they returned to the camp the bodies in the stacks were already being loaded on to trucks to be carried away to the mass grave. This time, on the march home to Weimar, there was no laughter. The next day we heard that after returning to their town, the mayor of Weimar and his wife both committed suicide. The ovens were soon cleaned out, and the bodies were almost all gone, being buried over the top of the hill where the engineers had dug a monstrous trench. The Buchenwald prisoners had found one of their German guards in a nearby village dressed in civilian clothes, and they had him now in a cell in one of the buildings 55


and were interrogating him. No one knew how this gang of prisoners had been able to sneak out the hole in the fence to get to the village. We walked through the gate to the door that opened to the cell area. It was crowded and the onlookers parted to let the three of us through, and we went to the door of the cell. The German was standing at attention in the middle of the room and was being peppered with questions that we did not understand. The answers were all monosyllabic. Tears were coming down his cheeks. One of the Buchenwald prisoners seemed to be in charge, but a group of them were participating in the interrogation. The one who appeared to be in charge also appeared to be one calm individual. The three of us watched, but we couldn't understand what was being said, so we turned and left. The crowd parted again to let us through. A most welcome sight to my eyes was the absence of the stack of bodies as I came through the door from the cell area. Back inside the cell the former Buchenwald prisoners, and their current prisoner presented a riveting scene: The hands of the German were untied, and, in them was placed a stout piece of rope. He was being given instructions, and, as we watched, it wasn't long before I and the people who had come with me realized he was being told how to tie a noose in the rope. The German guard was corrected three or four times, and had to undo some of his work to re-do it correctly. When he was finished, he had a very proper hangman's noose, thirteen turns of the rope and all. A table was brought to the center of the room and placed under a very strong looking electrical fixture. The guard was assisted on to the table and instructed to fix the rope to the light fixture. Finishing that he was told to put all of his weight on the rope and lift his feet. The fixture held. The guard was told to place the noose over his head, around his neck, and to draw the noose fairly snug. Then he was told to place his hands behind his back and his wrists were tied together. The table was moved until he barely stood on its edge. He couldn't see that--his eyes were unhooded and open, but the noose kept him from looking

down. He was talked to some more and then he jumped. He was caught before all of his weight was on the rope, and they set him back on the table. The next time he stepped gently off the end, and the table was quickly slid away from him and out of his reach, and he dangled there. He slowly strangled. His face went through a variety of colors before he hung still. My stomach did not want to hold food any longer. I turned and walked away, the rest of our guys following me. The Buchenwald prisoners stayed on to view their handiwork. I walked through the crowd, out the door, through the gate, on up to the barracks, and I didn't say a word. The others with me didn't speak either. It was murder; there can be no doubt of that. The Buchenwald prisoners never touched the rope after it was placed in the German's hands. They did not tie the noose, nor did they fix it to the ceiling. They did not place the rope around the man's neck. They did not pull the table out from under him. In one sense, they had not committed murder; rather, the German had committed suicide. A sophist could rationalize that one I suspect. That was not what was bothering me, however. I had the ability and the means to stop the whole thing, and I did not. Neither did my companions. Here we were-five or six of us--fully armed with semiautomatic rifles, and we did not make the Buchenwald prisoners stop. We let them continue. In one way, we sanctioned the event. Ever since that day I have been convincing myself that I understood why the Buchenwald prisoners did what they did. I had witnessed their agonies. I had wondered how human beings could treat other human beings as the prisoners at Buchenwald had been treated. I felt I knew why the prisoners of Buchenwald did what they did - so I did not stop them. I have become some kind of a sophist for myself now. I could have stopped the whole action, and I did not. I have had that under my hat for the past forty-six years. Now I have written it. I have acknowledged it. Maybe it will go away. There are so 56


many things from that week I wish would go away, things I wish could be scrubbed from my memory. When we returned to the barracks we did not tell anyone what we had witnessed. I was not about to sleep, however. I flopped on my bunk without a thought of my tiny bunk mates, the bugs--I merely lay there. My eyes were closed, but my mind wasn't. I tried to think of other things, but it was impossible. I reviewed in my mind the multiple things the Buchenwald prisoners had gone through, the length of time they had been living through hell, and I didn't have to rationalize their actions. Hell, I knew why they were doing what they did. That train of thought took me further and further from my own guilt, and, in a little while, I was absolved. At least, as absolved as I was ever going to be. Absolved enough to be a little more comfortable with myself. That was enough for then. The bunch of us walked around to our towers and some of us walked very quietly. Others were full of talk about tomorrow. The electricity had been restored in all of the towers, but I didn't bother with it as I entered mine--I knew my way around. Upstairs, I relieved the guy before me and put my rifle over in the corner, threw the rifle belt under the table, crawled on the table, lit a cigar, and my thoughts continued. I thought of my German heritage, my Grandfather Hugo who had come from to the United States from Germany while he was still a teenager, my mother's grandparents who had come over from Germany long before that, my mother who had grown up early in this century in a small town in Minnesota, where there were two catholic churches: one for the Germans, the other for the Irish. They were only about a block apart from each other, each having its own grade school. My mother had attended the German school, and the only language spoken through the fourth grade had been German. When I was very young she had taught me how to count in German, and how to sing the German alphabet. She also

taught me a very few words in German, everyday kinds of words which I still remembered. Three quarters of me was from German background, solid German stock. Pictures of the formidable Hugo had always been around me as I was growing up. I wondered. . . Suppose my ancestors had not come to the United States; suppose they had stayed in Germany, and, through some fluke, the two people who had become my mother and father had met, and I had been born a German citizen. What would I be like? Would I be like the people who had instituted and guarded a place like Buchenwald? Could I have been that? Would I have been in the German army? The answer to the last question is obvious--certainly I would have been in the German army. But what kind of work would I have done? I hoped that I would not have been like most of the Germans I had seen. I could have accepted a likeness to some members of the German army whom we had fought, but there were many I would have been uncomfortable with. Much of what I had seen ran counter to everything my mother had brought me up believing. This whole situation would have appalled her. I have never ever told her, or my father either, most of these stories about Buchenwald. I did not feel it necessary. They knew early on that I had been there, and they took LIFE magazine. They had been made aware, like most people in the United States, of what had gone on. During these past forty-six years, these memories have been creeping out of my mind, leaving me with sleepless nights afterwards. Never the whole story at once. Until now. I relive that night sitting on that machine gun bench, smoking a cigar, staring at the darkness. That night I sat in the dark and went through two or three cigars, and several cigarettes. I stared out at the darkness, and there were two reasons for not seeing anything: my eyes couldn't see anything, and my mind wouldn't see anything. My thoughts kept me too busy. They do now also. I saw the lights up in the camp, but, at that time of night, nothing distracting was 57


going on. My relief arrived, but I didn't notice him until he was on the way up the stairs, turning the lights on as he came. By the time he reached the top floor I had my belt back on, my rifle in my hands, and was standing by the stair opening. Nothing had happened during my shift, and that was what I reported to him when he reached the top. I walked down, and caught up to Bill on the road. The two of us walked slowly until Tim caught up to us. As

we all three walked together our only conversation was of our departure later in the morning. I was nineteen, Bill and Tim were eighteen-chronologically anyway. We had aged years in a few short hours. (Harry Herder Jr. served in the Korean War also, where he lost a leg to an enemy land mine. )

58


Amersfoort ........................................................... 18 AMVJ ................................................. 4, 12, 14, 15, 16 Anne Frankstichting .......................................... 33 Bauhochschule .................................................... 35 Boetekees ............................................................. 16 Bolletje Bink .................................................. 24, 25 Buchenwald... 14, 19, 37, 38, 39, 40, 41, 42, 43, 47, 49, 52, 53, 54, 55, 56 Buchenwald, the liberation of ................ 44 Buchenwaldite..................................................... 39 Carachoweg ............................................. 19, 37, 43 concentratiekamp Langenstein .................... 32 Discriminatie en rangverschillen .............................. 10 Dr. Eykman .......................................................... 12 Drion ....................................................................... 13 Ettersberg ............................................................. 37 Euterpestraat ...................................................... 17 Eykman.................................................................. 12 Geo Wehry............................................................ 11 Gre Brouwenstein .............................................. 11 Gustloff-wapenfabriek II ................................. 43 Halle ....................................................................... 23 Herder, Harry J. Jr. ....................................... 44 Jacob van Lennepstraat .................................... 2 Joden ................................................................ 38, 40 Kinkerbuurt ............................................................ 2 Koch ............................................................ 39, 40, 49 Konzentrationslager Ettersberg .................... 37 Kotella .................................................................... 18 Leipzig .................................................................... 38

Leo Polakhuis ........................................................ 4 Lunatik .................................................................. 39 Muselmann .......................................................... 39 Nederlandse Handels Maatschappij ............ 10 Olympische Spelen ............................................. 5 Oorlogsdocumentatie ....................................... 14 Overeem, Loes van ........................................... 18 Patton .................................................. 42, 47, 50, 52 persbureau Vaz Dias ........................................ 11 Pister, Hermann ................................................. 40 Ravenswaay, Jopie van ................................... 19 Rode Kruis............................................................ 18 Roma ...................................................................... 38 Rozentuin ............................................................. 18 S.D.A.P.................................................................... 6 Schm端ll, Dick ...................................................... 12 Siebel Flugzeugwerke ...................................... 23 Sinti ........................................................................ 38 Th端ringen ............................................................. 37 Vaz Dias, persbureau ....................................... 11 Vereniging van Oud-Buchenwalders .......... 14 Voers ........................................................................ 5 Vrij Nederland..................................................... 16 Vrije Evangelische Gemeente ......................... 7 Weimar .............................. 37, 38, 39, 42, 43, 52, 54 Weteringkerk ........................................................ 7 Weteringschans.................................................. 17 Zingende Paarden ............................................. 38

59

Levinus Jacob  

Uit het leven van Levinus Jacob

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you