ELSA Leiden Magazine Winter 2021

Page 1

ELSA Leiden Magazine

AKKOORD over winstbelasting multinationals

WINTER 2021

FINANCIEEL RECHT

BELANG

CRYPTOGELD

van Centrale Tegenpartijen

financieel toezicht binnen ondernemingen


inhoudsopgave 01

Voorwoord

02

Het akkoord over internationale

minimumwinstbelasting voor

multinationals

04

06

Het belang van Centrale Tegenpartijen Het financiële toezicht op cryptogeld binnen ondernemingen

08

Gestructureerde producten:

Interessanter dan het klinkt

10

Wetswijziging bronbelasting op dividenden


WINTER 2021

VOOR WOORD

Sebastian Cornielje Hoofdredacteur

Beste lezer, De redactie van het ELSA Leiden Magazine (ELM) heeft voor de wintereditie van dit jaar hard gewerkt om vijf interessante artikelen te schrijven op het gebied van financieel recht. We zullen aanvangen met een historisch akkoord dat op 8 oktober 2021 is getekend door 136 landen, teneinde een minimumpercentage voor vennootschapsbelasting overeen te komen. Daarna volgt een fascinerend artikel over de werking en het belang van zogenoemde Centrale Tegenpartijen, ofwel CTP’s. Vervolgens duiken we in de wereld van het financiële toezicht op cryptogeld, alsook de bijkomende risico’s bij onvoldoende toezicht. Daarna volgt een stuk over de werking en mogelijk desastreuze gevolgen van gestructureerde producten binnen de financiële markt, waarna we afsluiten met een daverend artikel over een nieuw wetsvoorstel op het gebied van bronbelasting. Veel leesplezier!

ELM | 01


Eva Barth

Het akkoord over internationale minimumwinstbelasting voor multinationals Al jarenlang is het een veelvoorkomend fenomeen: belastingontwijking door multinationals. Het gaat dan met name om grote multinationale ondernemingen die ervoor kiezen hun winst op een andere plek dan op hun eigen grondgebied te laten belasten. De belastingjuristen in dergelijke ondernemingen bouwen een ingewikkelde juridische contructie, die technisch gezien wel legaal is, waardoor de multinationals veel minder belasting hoeven te betalen. Al jaren is het een onderwerp waar veel over gesproken wordt, maar op 8 oktober 2021 hebben 136 landen een akkoord gesloten waarbij ingestemd is met een minimumpercentage van 15% vennootschapsbelasting. Belastingontwijking Er bestaat een wezenlijk verschil tussen belastingbesparing, belastingontduiking en belastingontwijking. Belastingbesparing is legaal en daar bestaan ook verscheidene mogelijkheden voor, denk aan het aftrekken van zorgkosten of kosten voor eigen woning. Belastingontduiking is daarentegen echter niet legaal. In gevallen van

ELM | 02

belastingontduiking worden bepaalde winsten achtergehouden voor de belastingdienst, zodat hier helemaal geen belasting over geheven kan worden. Belastingontwijking kan gezien worden als een middenweg. Het is een tactische manier om op legale wijze zo min mogelijk belasting te betalen. Belastingontwijking is met name een strategie die wordt ingezet door multinationals, omdat zij de middelen hebben om dergelijke contructies op te zetten. Voor concurrende kleinere bedrijven is dit heel oneerlijk, omdat zij wel het volledige bedrag aan belasting moeten betalen en er precies evenveel profijt van hebben als de multinationals. G7-akkoord Het akkoord dat de G7-landen in oktober hebben bereikt ziet op de invoering van een internationaal minimumpercentage van vennootschapbelasting, waardoor multinationals niet meer zomaar hun onderneming in belastingparadijzen kunnen vestigen, om op die manier belasting te ontwijken. 136 landen hebben de overeenkomst goedgekeurd, waardoor het minimumtarief wordt gesteund door alle OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling)- en G20landen. Dit komt neer op landen die samen instaan voor zo’n 90 procent van het wereldwijde bruto binnenlands product. Door invoering van het nieuwe stelsel is het niet meer mogelijk voor grote multinationals om hun winst onder te brengen in landen met een lagere vennootschapsbelasting dan hun eigen land. Met de invoering van het


minimumtarief zal er dus hoe dan ook 15% vennootschapsbelasting over de winsten van multinationals worden geheven. Toekomstvisie Als de goedkeuringen doorgaan is het de bedoeling dat de nieuwe regels vanaf 2023 daadwerkelijk gaan gelden. Naast de implementatie van het minimumtarief van 15 procent, is het ook de bedoeling dat er een herverdeling van bedrijfswinsten gaat plaatsvinden. Dit houdt in dat multinationals die wereldwijd enorme winsten maken, de landen waarin zij deze winsten maken ook voor een deel laten meedelen omdat zij relatief lage belastinginkomsten genieten.

ELM | 03


Iris von Schmid

Het belang van Centrale Tegenpartijen De wereldwijde kredietcrisis van 2008 heeft duidelijk geïllustreerd wat voor negatieve gevolgen de val van een belangrijke financiële instelling, zoals een bank, heeft voor de financiële markt alsmede de wereldeconomie. Na deze crisis zijn regels voor herstel en afwikkeling van banken (Richtlijn 2014/59/EU) ingevoerd. De Europese Commissie stelde in 2016 voor om een soortgelijk herstelplan op te stellen voor centrale tegenpartijen (hierna: CTP). Daarom is op 22 januari 2021 de Verordening (EU) 2021/23 betreffende een kader voor herstel en afwikkeling van centrale tegenpartijen gepubliceerd en op 11 februari 2021 in werking getreden. Werking CTP Een CTP is een instelling die door de markt is opgericht om risico’s zo veel mogelijk te verminderen. Na een effecten- of derivatentransactie plaatst een CTP zich tussen koper en verkoper. Door novatie wordt de overeenkomst tussen koper en verkoper ontbonden en vervangen door twee nieuwe contracten. De CTP heeft dan een overeenkomst met zowel koper als verkoper.

ELM | 04

Door de verzameling van alle verbintenissen die partijen tijdens transacties zijn aangegaan op een gemiddelde dag te verrekenen ‘nettert’ de CTP alle vorderingen en schulden. Een netto-balans blijft dan over. Het verschuldigde of te ontvangen bedrag wordt door of aan de CTP betaald. Dit proces heet ‘centrale clearing’. Men spreekt van ‘centraal’, omdat alle transacties via de CTP gaan. Simpel gezegd: een CTP kan worden gezien als de ‘WieBetaaltWat app’. In plaats van dat elke partij bij elke transactie geld/effecten overmaakt of ontvangt wordt alles verrekend via de CTP. De CTP functioneert als ‘clearinghouse’ en staat garant voor het geval dat een van de partijen in verzuim is. Bilaterale clearing Veel transacties worden centraal afgewikkeld (centrale clearing). Een alternatief daarvoor is bilaterale clearing. Bilaterale clearing is transparanter, omdat de handelende partijen zicht hebben op elke transactie en op wat zij aan elkaar verschuldigd zijn. Bilaterale clearing is duurder en moeilijker te realiseren. Partijen hebben een grotere openstaande positie en het risico dat de tegenpartij haar verplichting niet nakomt is groter dan bij centrale clearing. Voordelen CTP Een CTP heeft een aantal voordelen. Om te beginnen worden risico’s gereduceerd. Het tegenpartijkredietrisico kleiner, omdat de CTP een onderpand vraagt en de kredietwaardigheid van haar cliënten


beoordeelt. Daarnaast is het operationele risico kleiner, omdat het aantal af te wikkelen transacties door het netteren minder is geworden dan het aantal uitgevoerde transacties. Verder is een ander voordeel dat het risicomanagement efficiënter wordt voor handelende partijen. Zij hoeven niet langer de kredietwaardigheid van al hun tegenpartijen vast te stellen, omdat de CTP dit doet en garandeert dat zij aan de verplichtingen voldoet, indien een tegenpartij in verzuim is. Ten slotte wordt de behoefte aan liquide middelen minder. Doordat openstaande posities kleiner worden, kunnen handelende partijen meer handelen binnen hun handelslimiet, hetgeen zorgt voor meer liquiditeit op de markt. Risico’s en herstel CTP Een CTP vermindert risico’s, maar is op zichzelf niet risicovrij. Krediets- en liquiditeitsrisico’s concentreren zich in de CTP, doordat zij als tussenpersoon fungeert. Sinds de kredietcrisis is de omvang van CTP’s verdubbeld en zijn zij van cruciaal belang in het financiële stelsel. Een eventueel faillissement van een CTP zou zorgwekkende gevolgen hebben. Door het toegenomen belang van CTP’s heeft de EU een herstelplan (de Verordening (EU) 2021/23) geïntroduceerd, mocht een CTP failliet gaan of dreigen failliet te gaan. Er moet worden voorkomen dat een CTP gered wordt met belastinggeld. Daarom dienen haar clearingleden, aandeelhouders en crediteuren in eerste instantie verliezen op te vangen. De CTP wordt ook geacht verliezen op te vangen. Art. 9 lid 14 Verordening (EU) 2021/23 bevat een ‘skin in the game’

ELM | 05

bepaling. De CTP brengt ook zijn eigen middelen in. De gedachte hierachter is dat de CTP hierdoor gemotiveerd is om verdere verliezen te voorkomen. De verordening wordt trapsgewijs van toepassing.


Fleur Vercauteren

Het financiële toezicht op cryptogeld binnen ondernemingen Achtergrond crypto Cryptomunten zijn al een tijdje niet meer van onze markt af te slaan. Deze valuta is overal zichtbaar. Men ziet ze in het nieuws tot in reclamefilmpjes. Naast het contante geld ontwikkelt zich in een snel tempo cryptovaluta onder het Engelse verzamelwoord cryptocurrency. Het zijn denkbeeldige munten die bestaan uit een unieke reeks van cijfers en getallen. Er bestaan veel verschillende soorten cryptomunten. Bitcoin (BTC) is momenteel een van de bekendste. Ook de Ether (ETH) is een bekende onder de fervent crypto gebruikers. Het zijn tokens om mogelijk vermogens- en eigendomsrechten te realiseren. De tokens staan op een groot netwerk van computers dat constant rekensommen uitvoert. Deze computers zorgen ervoor dat alle valuta veilig en onveranderlijk staan opgeslagen in het computernetwerk. Deze valuta kan niet worden vervalst en kan niet kapot gaan. Dit in tegenstelling tot ‘normaal’ geld. De eigenaar heeft een wachtwoord in zijn bezit waarmee de eigenaar transacties kan aangaan. De eigenaar kan met zijn valuta eenheden betalen en overmaken en/of zijn valuta eenheden verzilveren.

ELM | 06

Het risico voor onze samenleving Cryptogeld heeft voordelen en nadelen. Een van de grootste voordelen in hoe toegankelijk deze valuta is. Met crypto’s kunt u namelijk zonder tussenkomst van derde partijen zoals banken betalen of betaald krijgen. Er zijn echter ook grote nadelen. Een van de grootste nadelen is dat de meeste crypto’s een erg onstabiele waarde hebben. De waarde van de crypto’s kan ineens snel zakken. De Autoriteit Financiële Markten en De Nederlandsche Bank, hierna te noemen AFM en DNB, waarschuwen onder andere voor het risico op het gebruik van cryptocurrency. De urgentie van bemoeienis van de AFM is gelegen in de omstandigheid dat cryptocurrencies kunnen worden gebruikt voor criminele activiteiten, niet alleen voor witwassen en financiering van terrorisme, maar ook voor belastingontduiking vanwege het digitale en antonieme karakter. Aan het gebruik van cryptogeld zitten volgens de toezichthouders, AFM en DNB, zeker risico’s. Ook omdat de eigenaren van cryptovaluta moeilijk getraceerd kunnen worden door overheden en banken. De AFM en DNB concluderen dan ook dat cryptocurrency nadelige effecten kan hebben op onze samenleving. Zij en de overheid zijn van mening dat er toezicht moet zijn op deze valuta. Nieuwe regel In 2020 was de overheid van mening dat er meer toezicht moest komen op het gebruik van crypto. Daarom vallen cryptobedrijven op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme


(Wwft) per 21 mei 2020 onder het integriteitstoezicht van DNB. Dit nieuwe toezicht volgt uit de gewijzigde vierde anti-witwasrichtlijn (Richtlijn (EU) 2018/843; AMLD5) en de implementatie daarvan in Nederlandse wetgeving. De overheid heeft een nieuwe methode bedacht om witwassen, fraude, financiering van terrorisme en belastingontduiking aan te pakken. De regel houdt in dat elke onderneming die in of vanuit Nederland diensten voor het wisselen/bewaren van cryptocurrencies aanbiedt, een registratie van DNB nodig heeft. Wanneer DNB de benodigde gegevens binnen krijgt zal DNB de registratieaanvraag verwerken. Om zich te kunnen registreren, moeten ondernemingen onder meer aangeven waar hun klanten het ingelegde geld vandaan hebben. De onderneming moet voldoen aan de eisen uit de Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme (Wwft). Pas wanneer je aan deze eisen voldoet mag je als onderneming crypto gebruiken/houden. DNB ziet er daarnaast op toe dat de ondernemingen zich houden aan de regels rond witwassen, terrorismefinanciering en sanctiewetgeving. DNB krabbelt terug? Dit jaar, 2021, veranderde de situatie. Ondernemingen hoeven hun klanten toch niet te dwingen om bij iedere transactie hun identiteit te bewijzen. De ondernemingen moeten wel de transacties blijven onderzoeken en bekijken, maar mogen daarbij zelf inschatten bij welke transactie een groot risico op zaken als

ELM | 07

witwassen is. Dit is anders dan de regel die in 2020 in ging. Bitonic, een bitcoinhandelaar, was het niet eens met de regel uit 2020. Het bedrijf vond de eisen van de toezichthouder veel te streng. Daarom ging Bitonic niet alleen in bezwaar, maar spande ook een kort geding aan om de identificatie-eis direct te stoppen. Volgens Bitonic was de manier waarop zij moesten bewijzen dat zij transacties aan het uitvoeren waren in strijd met de privacywetgeving. De rechter was het daar niet mee eens, maar DNB moest wel binnen zes weken onderbouwen waarom deze beslissing is genomen. Uiteindelijk moeten ondernemingen transacties wel screenen, maar verplicht identificeren vervalt. DNB had eerder de wet zo geïnterpreteerd dat de identificatie wel zou moeten, waardoor cryptobedrijven als Bitonic zich ernstig bedreigd voelen in hun dienstverlening. Met deze stap is ook het kort geding van Bitonic tegen DNB van de baan. Conclusie Door het toenemende risico op criminele activiteiten is toezicht noodzakelijk. Het strenge toezicht op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme (Wwft) uit 2020 is te streng. Uiteindelijk moeten ondernemingen sinds 2021 transacties wels creenen, maar verplicht identificeren valt weg. Uiteindelijk is een middenweg ontstaan. Er is wel toezicht, maar de teugels heeft DNB iets laten vieren.


Sebastian Cornielje

Gestructureerde producten: Interessanter dan het klinkt Sinds de kredietcrisis van 2008 heeft de economie een aanzienlijke groei meegemaakt en is de financiële industrie wederom gerevitaliseerd met een uitgebreide markt van zogenoemde gestructureerde producten, een combinatie van financiële producten waar enkel de beste wiskundigen vandaag de dag een touw aan kunnen vastknopen. Wat de macro-economische gevolgen zijn van deze producten blijft in het ongewisse, hetgeen toch de nodige zorgen bij een aantal economen opwekt, zeker als men kijkt naar het verleden. In dit artikel zullen de risico’s van de voornoemde producten worden toegelicht en de ernst van de huidige onkunde worden benadrukt. Complexiteit Een belangrijk onderdeel als het gaat om de risico’s van gestructureerde producten is het feit dat deze zeer complex zijn. Een gestructureerd product bestaat namelijk uit een combinatie van derivaten, dat zijn contracten die bepaalden voorwaarden en tijdsbepalingen stellen aan een onderliggende waarde, bijvoorbeeld valuta,

ELM | 08

leningen of zelfs andere derivaten. Door derivaten en andere financiële producten te combineren zorgt men ervoor een bepaald risico in combinatie met een bepaald beoogde winst te realiseren, meestal natuurlijk een zo laag mogelijk risico met een zo hoog mogelijke winst. Het maken van zo’n product heet securitization, wat er in zo’n product wordt gestopt is vrijwel onbegrensd, van leningen en verzekeringen tot toekomstige geldstromen en geldfondsen. Een ander onderdeel naast securitization is de zogenoemde tranching van het product, eigenaar binnen een bepaalde tranche hebben voorrang op de andere tranches qua uitbetaling, dit in combinatie met het bundelen van verschillende financiële producten maakt het algehele risico van het gestructureerde product lager dan de individuele onderdelen. Dit wordt ook wel kredietverbetering genoemd, aangezien het gestructureerde product een betere beoordeling krijgt qua risico krijgt dan de onderliggende waarde. Kredietverbetering is enkel mogelijk als er dus ook zogenoemde subprime obligaties worden uitgegeven, dus de tranches die als laatste worden uitbetaald en dus het meeste risico lopen. Al in 2008 bleek de bankensector "te slim voor hun eigen welzijn" aldus Stephen Trowbridge, directeur van investeringen bij Rensburg Sheppards. De producten die door de meest prestigieuze investeringsbanken werden gevormd en met behulp van de getalenteerde wiskundigen, zogenaamde "quants", werden geoptimaliseerd, waren al snel te


complex om duidelijk de grotere gevolgen en risico's ervan in te schatten. Waarbij de makers van zo'n product de verplichtte vermelding van de risico's enigszins in kaart konden brengen, blijkt dit nog steeds niet het geval voor de macro-economische gevolgen binnen de markt van gestructureerde producten, laat staan de invloed die ze kunnen hebben voor de onderliggende zaken, alsook de economie als geheel. Daarnaast is er nog een risico dat na geruime tijd van een stijgende markt uit de hoofde van veel investeerde verdwijnt, te kennen de kans, eerder de wetmatigheid, dat de groei ooit een keer ophoudt. Een belangrijk onderdeel daarvan is ‘counterparty risk’, ofwel de kans dat een partij binnen het contract van een derivaat zijn verplichtingen niet meer kan nakomen. In 2008 waren dit de banken waarvan veel investeerders dachten dat deze ‘too big to fail’ waren, of we nu wijzer zijn geworden door die crisis blijkt niet uit de cijfers helaas, want nog steeds worden er gigantische hoeveelheden gestructureerde producten afgenomen. Onoverzichtelijkheid Wat heb je aan wetgeving die niet gehandhaafd kan worden? Niets. Hoewel er na 2008 wel degelijk vooruitgang is geboekt met het aanscherpen van de regelgeving van banken en het bijbehorende toezicht daarop, neem bijvoorbeeld de Basel Conventies, vier conventies waarbij de bankensector zich vrijwillig toelegt op het bevorderen van verantwoord bankieren door aan hogere eisen te voldoen.

ELM | 09

Ongeacht het enthousiasme om te verbeteren weerspiegelen de krantenkoppen de mankementen van het financieel toezicht. Systeembanken over de hele wereld worden herhaaldelijk beboet door hun betrokkenheid bij fraude- en witwaspraktijken, veelal komt dit volgens hen door onoverzichtelijkheid. Ook de toezichthouders van de bankensector hebben moeite met houden van overzicht, dit bleek al in 2017 het geval te zijn na rapportages vanuit de EU en nationale rekenkamers. Het toezicht wordt momenteel vooral gericht op het voorkomen van WWFTovertredingen, daarnaast wordt de overige mankracht van de AFM en DNB veelal ingezet om corporate responsibility binnen de financiële sector te controleren, Aan deze twee taken hebben de meeste toezichthouders hun handen vol, waardoor er geen tijd is om grotere ontwikkelingen te controleren. Daarnaast kunnen toezichthouders moeilijk iets beboeten als er geen wetgeving voor is, hetgeen er niet is omdat er onvoldoende studie is gedaan naar de macro-economische gevolgen van gestructureerde producten. Zolang er door rekenkamers, universiteiten en economische instituten geen onderzoek wordt gedaan naar deze gevolgen kan er maatschappelijk niets aan worden gedaan Hebzucht Ook nu zien we dat de drastische stijging in huizenprijzen in en rondom grote steden en diens agglomeraties beleggers niet


afschrikken om tegen elkaar op te bieden, met de verwachting dat de stijging toch wel zal doorgaan in het licht van de wooncrisis binnen grootstedelijke regio's en de steeds strikter wordende wetgeving van de bouw uit hoofde van de klimaatverandering. De voornoemde lijn van gedachte is als zodanig niet gelijk fout, maar het perspectief en de tijdlijn die daarbij hoort wordt door de meeste beleggers in onroerend goed verkeerd ingeschat, alsook de institutionele beleggers in de gestructureerde producten die de hypothecaire leningen behelzen van die huizen. De gevolgen van een woningcrisis en de resulterende aanpassingen in de bouw zijn problemen die de afgelopen jaren aan het licht zijn gekomen en politiek voor de nodige tumult hebben gezorgd, maar de economische gevolgen die daaruit voortvloeien worden momenteel in te drastische prijsstijgingen vertaald, hetgeen met de vingen op de tijd en de opinies van veel economen in ogenschouw genomen voor weinig goeds zorgt. Waar de beleggers van onroerend goed beperkt zijn door aanbod is dat bij beleggers in derivaten niet het geval, daar het enkel een contract is dat op een onderliggende waarde is behelst en dus in beginsel geen beperkingen in aanbod kent, zolang het product maar rendabel is voor de aanbieder. Kortom kan een bubbel in de woningmarkt die veroorzaakt wordt door beleggers in panden voor een crisis zorgen, echter is de financiële schade die beleggers in derivaten

ELM | 10

kunnen veroorzaken een veelvoud van de huizenkopers, zodoende dat de bekende investeerder Warren Buffet derivaten ook WMD's noemt, weapons of mass destruction. Nog meer hebzucht Waar het hierboven nog ging om gezonde kapitalistische gretigheid zoals we die kennen van onze topmannen en de incidentele BN’er, zorgt té veel hebzucht voor moral hazard, veelal in de vorm van fraude. Dit was duidelijk te zien tijdens de vorige crisis, waarbij de gezonde hebzucht van investeerders werd aangewakkerd doordat de banken die de producten uitgaven de bedrijven die de producten moesten beoordeling onder druk zette om deze een hogere beoordeling te geven dan daadwerkelijk het geval was. Dit gegeven in combinatie met nog meer gesjoemel met de producten zorgde ervoor dat de waarde van de producten bleef stijgen en nog steeds rendabel waren, echter de onderliggende waarde totaal niks meer waard was. Dit werd gerealiseerd door overcollateralization en andere tactieken. Tranches met risicovolle producten werden gebundeld, waardoor ze als gediversifieerd werden gezien, lees: minder risicovol waren, en een hoge beoordeling kregen dan de individuele tranches hadden. Conclusie Kortom blijkt de alchemie van gestructureerde producten het grote


publiek, maar ook de meeste specialisten, weinig te interesseren wat betreft de macroeconomische gevolgen die deze producten kunnen hebben. Totdat dit verandert en er degelijk onderzoek naar de gevolgen wordt gedaan kan de wetgever moeilijk een oplossing in het leven roepen hiertegen, en kan de nu al te drukke en ineffectieve toezichthouder daar onmogelijk tegen optreden. Daar de gemiddelde particuliere beleggers zich al gezegend weet al hij zijn eigen financiën op orde heeft en de grotere investeerders veelal te druk zijn met het bijhouden van hun portfolio’s, is er bij investeerders geen urgentie om verder onderzoek te doen, waarbij het grote publiek zich altijd al geïntimideerd heeft geweten door het immer uitbundige, complexe en met anglicismen geïnfecteerde vakjargon van de financiële industrie.

ELM | 11


Eva Bijl

Wetswijziging bronbelasting op dividenden Op 25 maart 2021 is er een wetsvoorstel ingediend bij de Tweede Kamer betreffende conditionele bronbelasting op dividenden. Dit voorstel bevat een regeling om aanvullende bronbelasting te heffen op dividenden naar laag belastende jurisdicties met als doel het tegengaan van misbruiksituaties en het onbelast wegstromen van dividenden. Dit artikel zal nader ingaan op de inhoud van dit wetsvoorstel, de reden voor het indienen van het wetsvoorstel en de kritiekpunten. Inhoud voorstel Het wetsvoorstel vormt een aanvulling op de Wet bronbelasting uit 2021. De heffingsgrondslag in het voorstel is ontleend aan dezelfde grondslag die geldt voor de dividendbelasting. Er zijn twee specifieke situaties waarin nu geen dividendbelasting wordt betaald die het voorstel beoogt te belasten. Deze situaties zijn dividenduitkering binnen concernverband en niet-houdster coöperaties. Een concernverband wordt meestal gevormd door een groep van ondernemingen bestaande uit een moedermaatschappij en dochtermaatschappijen. Wanneer tussen

ELM | 12

deze ondernemingen dividenden worden uitgekeerd worden deze onder de huidige wetgeving vaak niet belast wanneer een van deze ondernemingen zich in een laag belastend land bevindt of in een land waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten. Er wordt soms bewust door ondernemingen gekozen voor de rechtsvorm coöperatie. De reden hiervoor is dat deze rechtsvorm niet onderworpen was aan dividendbelasting. In de Wet bronbelasting uit 2021 wordt onderscheid gemaakt tussen houdstercoöperaties en niet-houdstercoöperaties waarbij de laatstgenoemde niet onder de dividendregeling vielen. Een niet – houdstercoöperatie is een coöperatie waarvan de feitelijke werkzaamheid niet doorgaans hoofdzakelijk bestaat uit het houden van deelnemingen of het direct of indirect financieren van verbonden lichamen of natuurlijke personen. In het wetsvoorstel wordt dit onderscheid niet meer gemaakt waardoor ook niethoudstercoöperaties worden onderworpen aan bronbelasting op dividenden wanneer ze deze uitkeren aan een onderneming gevestigd in een laag belastend land of een land waarmee Nederland een belastingverdrag heeft. Achterliggende reden Het doel van het wetsvoorstel is het tegengaan en voorkomen van misbruiksituaties waarbij expres geld onbelast wordt weggesluisd. Nederland is een handelsland met een open economie


en het belastingstelsel weerspiegelt dat. Echter, dezelfde structuren, bedoeld om internationaal handelen te vereenvoudigen, kunnen gebruikt worden om belastingen te ontwijken. Hoewel er reeds anti-misbruik bepalingen zijn opgenomen in de bestaande wet dividendbelasting werden deze als onvoldoende beschermend geacht door het kabinet. Kritiek Ondanks dat dit een doel is waar vrijwel iedereen achter staat is het wetsvoorstel een bron van kritiek geweest. Een van de kritiekpunten is het feit dat het wetsvoorstel een uitbreiding vormt op de wet bronbelasting in plaats van de wet dividendbelasting. De uitgangspunten van beide wetten zijn fundamenteel anders, waardoor het conceptwetsvoorstel de nodige vragen oproept vanuit een conceptueel, wetstechnisch en consistentie-oogpunt. De keuze voor implementatie in de Wet bronbelasting was goed te begrijpen onder de initiële plannen, waarbij de Wet op de dividendbelasting per 2020 zou worden afgeschaft en enkel een conditionele bronbelasting op dividenden zou (voort)bestaan die per 2021 zou worden uitgebreid tot renten en royalty’s. Er zou met andere woorden afstand worden gedaan van de (uitgangspunten van de) Wet op de dividendbelasting. Nu deze wet echter in stand blijft, valt de keuze veel minder goed te begrijpen en zou een gedegen onderbouwing op zijn plaats zijn. Het resultaat hiervan is dat bepaalde dividenden onder de wet dividendbelasting worden vrijgesteld om

ELM | 13

vervolgens onder het wetsvoorstel bronbelasting op dividenden belast te worden wat leidt tot een onnodig ingewikkelde werking tussen de antimisbruikbepalingen van de wet dividendbelasting en die van het wetsvoorstel bronbelasting op dividenden. Daarnaast is het opvallend om te zien dat het wetsvoorstel geen tegenbewijsregeling bevat voor de gevallen waarin het gaat om een lichaam dat toevallig is gelegen in een laag belastend land en in Nederlandse ondernemingen investeert. Kortom, hoewel het voorstel een goed doel heeft waar men over het algemeen achter staat zijn de meningen over de uitwerking ervan nog verdeelt.




Sebastian Cornielje Eva Bijl Fleur Vercauteren Eva Barth Iris von Schmid

Layout: Diewertje Ponsen VP Marketing 2021-2022

WINTER 2021

Deze editie van het ELM is gemaakt door: