Page 1

in Deventer

architectuur tot 1950


in Deventer architectuur tot 1950

1000 jaar architectuurgeschiedenis van Middeleeuwen tot wederopbouw Deze uitgave is het eerste deel uit een serie die de geschiedenis van de ruimtelijke ordening in de gemeente Deventer vertelt. Dit eerste deel volgt op de tentoonstelling ‘Bouwsporen in Deventer’ die in 2008 in Architectuurcentrum Rondeel werd gehouden. Aanleiding voor het opzetten van de reeks ‘In Deventer’ was het succes van de tentoonstelling en het ontbreken van een uitgave waarin op overzichtelijke en toegankelijke wijze de architectuur in kaart wordt gebracht. De architectuurhistorici prof. ir. Koen Ottenheym en dr. Vincent van Rossem hebben ieder op hun eigen wijze een inleiding geschreven. ‘In Deventer – architectuur tot 1950’ is opgedeeld in een aantal hoofdstukken die zijn genoemd naar de vensters uit de canon van de Nederlandse geschiedenis zoals die in 2006 door de commissie Van Oostrom is opgesteld. 1000 jaar architectuurgeschiedenis in Deventer wordt verteld aan de hand van 44 panden die representatief zijn voor de vensters. Deze 44 panden zijn chronologisch genummerd en met een kleur gekoppeld aan de vensters en de bijbehorende bouwstijlen. Een overzicht van alle 44 panden, hun positie op de stadsplattegrond en de koppeling met kleuren in een tijdlijn zijn te vinden op de pagina’s 78 tot en met 91. Als extra is achterin het boek een losse bijlage opgenomen met daarop de stadsplattegrond met de 44 panden en een wandelroute met toelichting. Het is een handig hulpmiddel voor wie een goed overzicht wil krijgen van de rijke architectuurgeschiedenis in Deventer. Maar aanbevelenswaardig is natuurlijk ook een onbekommerd ronddwalen in de stad die volgens Vincent van Rossem gekenmerkt wordt door een huiselijkheid die in andere Europese steden geheel ontbreekt. Een uitgave van Stichting Architectuurcentrum Rondeel 3


4


inhoud 03

in Deventer architectuur tot 1950

06 Een millennium architectuurgeschiedenis tussen Singel en IJssel Prof. ir. Koen Ottenheym 15 Tijd van monniken en ridders Romaans 19 Tijd van steden en staten Gotiek 24 Tijd van ontdekkers en hervormers Renaissance 30 gelders-overijsselse stijl Regionale Renaissance 34 Tijd van regenten en vorsten Hollands Classicisme 40 Tijd van pruiken en revoluties Barok 43 Tijd van burgers en stoommachines I Neoclassicisme, Neogotiek en Neorenaissance 49 Tijd van burgers en stoommachines II Eclecticisme, Chalet- en Moorse stijl 54 Tijd van wereldoorlogen I Art Nouveau, Jugendstil 58 Tijd van wereldoorlogen II Rationele architectuur, Art Deco en Amsterdamse School 64 Tijd van wereldoorlogen III Het Nieuwe Bouwen 67 wederopbouw Traditionalisme en Functionalisme 72 Waar wij wonen Prof. dr. Vincent van Rossem 78

de 44 panden in beeld

86

de 44 panden in de stad

88 kaarten 90

tijdlijn

92 COLOFON 5


Een millennium architectuur­ geschiedenis tussen Singel en IJssel door: Koen Ottenheym

Vierenveertig gebouwen. Het blijft natuurlijk een beperkte selectie en deze of gene liefhebber van Deventer zal onthutst zijn haar of zijn favoriet hier niet in aan te treffen. Maar de samenstellers van deze lijst hadden niet als doel om alle topmonumenten van de stad weer eens bij elkaar te zetten. Zij wilden nu juist voorbeelden opnemen uit alle hoofdperioden van de geschiedenis en met een grote variëteit aan soorten functies.

Gedreven door deze behoefte aan variëteit en afwisseling, is er zo nu en dan eens niet voor de geijkte toppers gekozen maar juist voor gebouwen die misschien wat minder bekend zijn. Al met al krijgt de lezer (en de wandelaar) een smakelijke serie hoogtepunten voorgeschoteld die samen de Deventer versie van de Europese architectuurgeschiedenis van de afgelopen duizend jaar vertellen. De geschiedenis van de bouwkunst wordt maar al te graag voorgesteld als de geschiedenis van bouwstijlen, van een opeenvolging van romaans, gotisch, renaissance, barok, enz. enz. We letten dan bijvoorbeeld op de boogvorm (rondboog of spitsboog?), de vorm van de geveltop (trapgevel of halsgevel?) of het architectonisch ornament in zijn talloze variaties (koolbladeren of klassieke kapitelen?). Dat is natuurlijk een verleidelijke aanpak; het lijkt dan allemaal zo overzichtelijk maar in feite kijken we dan alleen naar de 6


ontwikkeling van enkele onderdelen van de architectuur, en meestal zelfs alleen naar de gevelvorm en decoratie van de façade. Wanneer we de geschiedenis van de architectuur indelen louter aan de hand van dergelijke uiterlijke, (letterlijk) oppervlakkige eigenschappen, bestaat de kans dat de eigenlijke ontwikkeling en het verhaal daarachter buiten beeld blijven. De auteurs van deze stadsgids hebben die valkuil vermeden door de perioden nadrukkelijk te koppelen aan de zogenaamde ‘vensters op de geschiedenis’ die enkele jaren geleden door de overheid voor het geschiedenisonderwijs zijn aanbevolen. Architectuur is immers geen autonome kunst die een eenzame kunstenaar op een zolderkamertje creëert. Architectuur is bij uitstek een maatschappijgebonden kunstvorm en kan alleen ontstaan in een samenspel van opdrachtgevers, bouwmeesters, de bouwwereld en het publiek waarbij ook de politieke, economische, sociale en religieuze ontwikkelingen van een bepaalde periode bepalend kunnen zijn geweest. Deze politieke, religieuze of sociaal-economische context van de architectuur komt nu juist in de ‘vensters op de geschiedenis’ tot uitdrukking, zoals al blijkt uit de gekozen benamingen voor deze perioden als ‘de tijd van monniken en ridders, ‘tijden van steden en staten’, enz. Wanneer men de ontwikkeling van de bouwkunst wil volgen aan de hand van de ‘vensters op de geschiedenis’, ligt het voor de hand niet de stijlverschillen maar de ontwikkeling van de typen gebouwen als leidraad door te tijd te nemen, ook wel aangeduid als de typologie. Centraal hierbij staan de veranderde behoeften van de samenleving en de ontwikkeling van de verschillende soorten van gebouwen die daaruit zijn voortgekomen. Deze ontwikkelingslijn wordt veel minder gedomineerd door vluchtige modeverschijnselen en geeft meer inzicht in de langzame, continue processen van verandering van het stedelijke leven zelf. In de loop van de geschiedenis zijn er verschillende tendensen in de ontwikkeling van de typologie te onderscheiden. Vanuit enkele basistypen die uit de vroege middeleeuwen bekend zijn, zoals de kerk, het klooster, het kasteel en het huis, werden in de loop der eeuwen steeds meer typen gebouwen >

7


> afgeleid die op specifieke functies waren toegespitst, zoals het raadhuis en de handelshal in de late middeleeuwen. Het middeleeuwse stadhuis was vaak niet alleen zetel van bestuur en rechtspraak maar ook de plaats van allerhande stedelijke economische activiteiten, zoals de waag, het vleeshuis en de lakenhal. In de zestiende en zeventiende eeuw ontstaan er juist voor deze economische functies zelfstandige gebouwen, zoals de bekende waag annex handelshal van Deventer. Kloostergebouwen waren ook het voorbeeld voor de bouw van de eerste hospitalen en weeshuizen. Pas in de loop van de negentiende eeuw zijn de eerste moderne ziekenhuizen gebouwd, waarbij bewust van dat oude kloostertype is afgeweken omwille van nieuwe opvattingen over hygiëne. In de negentiende eeuw ontstaan ook allerhande nieuwe soorten gebouwen zoals stationsgebouwen en industriële complexen, theaters en concertzalen waaruit in de twintigste eeuw de moderne uitgaansgelegenheden als bioscopen en gebouwen voor specifieke technische voorzieningen worden ontwikkeld. Naast deze steeds verdergaande specialisatie van gebouwen voor een specifieke functie, zien wij in de late twintigste eeuw juist weer de terugkeer van meer multifunctionele gebouwtypen. In de eerdere periode is er nadrukkelijk sprake van een tweeledige ontwikkeling, enerzijds die van de typen in het vrije veld, zoals kloosters, kastelen, paleizen en vestingen en anderzijds de ontwikkelingen van specifieke stedelijke gebouwen binnen de stadswallen. Vanaf de negentiende eeuw zal deze scheiding steeds minder belangrijk worden met de transformatie van de stadswal in een singel omzoomd met aangename woningen. Met de aanleg van stadsparken, tuinsteden en ‘urban villa’s’ zal de scheiding tussen binnen en buiten de stadsmuren zelfs geheel verdwijnen.

In de twintigste eeuw zijn het vooral massa­ liteit en schaal­ vergroting die de architectuur domineren: de grootschalige ontwerp- en bouwopgaven, zoals hele stadswijken, industriële complexen of grote waterstaatkundige werken

Binnen de verschillende perioden is er steeds een bepaald type gebouw te onderscheiden dat in de betreffende tijd duidelijk de architectuur en het artistieke ontwerpproces domineerde. Zo ligt in de middeleeuwen het primaat in de bouwkunst bij het kerkgebouw. In de periode van de zestiende tot en met midden van de negentiende eeuw is dat vooral het paleis, met een symmetrische opbouw van het bouwvolume en met een nadrukkelijke middenpartij, eventueel bekroond met een fronton. Alle andere typen 8


gebouwen, van stadhuizen tot dienstwoningen, vormen hiervan in meer of mindere mate een afspiegeling. Vanaf het midden van de negentiende eeuw zal daarentegen juist het woonhuis het middelpunt gaan vormen van de architectonische ontwikkeling, waarop met nieuwe vormen, materialen en bouwtechnieken werd geëxperimenteerd. Grotere complexen werden toen zoveel mogelijk vormgegeven als een schilderachtige groep van grotere woonhuizen. In de twintigste eeuw zijn het vooral massaliteit en schaalvergroting die de architectuur domineren: de grootschalige ontwerp- en bouwopgaven, zoals hele stadswijken, industriële complexen of grote waterstaatkundige werken. Beroemde individuele hoogtepunten van de twintigste-eeuwse architectuur zijn in dit licht beschouwd eigenlijk als uitzonderingen te bestempelen. Om de ontwikkeling van de verschillende typen gebouwen door de eeuwen heen te kunnen begrijpen, is het goed om ook de behoefte en wensen van de opdrachtgevers te kennen, en de artistieke vaardigheden en de organisatie van de architecten en van de theoretische idealen en principes in de betreffende periode. Deze drie aspecten worden hieronder kort toegelicht in hun lokale en nationale context. In de vroege en hoge middeleeuwen waren de hoge edelen in hun geestelijke en wereldlijke functies eigenlijk de enige opdrachtgevers van betekenis en in Deventer waren dat de kapittelheren van de Lebuïnuskerk. Zowel de woning van de proost in de Sandrasteeg, het oudste nog overgebleven woonhuis van Nederland, als de crypte van de Lebuïnuskerk getuigen hier nog van. Deze hoge heren hadden contacten met de adel van het hof van de keizer (ook de Nederlanden behoorden toen nog tot dat Duitse keizerrijk) en specifieke details verbinden deze architectuur met voorname bouwprojecten elders in het land. De gedraaide zuilen in de crypte van de Lebuïnuskerk zijn bijvoorbeeld verwant aan die in de crypte van de elfde-eeuwse St. Pieter in Utrecht, de grafkerk van de Utrechtse bisschop Bernold. Vanaf de veertiende eeuw speelde de burgerij een steeds belangrijkere rol in de ontwikkeling van de architectuur, hetgeen in de late middeleeuwen tot nieuwe, specifiek stedelijke bouwopgaven zou leiden, zoals het stadhuis met het wanthuis van Deventer en de Waag. Ook de opkomst van de kloosterkerken in de steden voor de bedelorden, zoals de Franciscanen en Dominicanen, is typerend voor deze periode. De architectuur van deze kloosterkerken wordt niet zozeer door lokale bouwlieden bepaald maar sluit aan bij een bepaalde sobere bouwtrant die deze orden in heel Noordwest Europa nastreven. Na de Reformatie en het afschaffen van de kloosterorden zou de burgerij in de zeventiende eeuw alleen de boventoon gaan voeren in de van koopmansgeest doordrenkte samenleving zoals de vele voorname koopmanswoningen nog laten zien. Nieuwe ontwikkelingen zoals die met name in Holland opgang deden, werden in een stad als Deventer vrijwel zonder vertraging nagevolgd. De regerende burgerelite >

9


> van de zeventiende eeuw in Deventer spiegelde zich aan de Hollandse steden, Amsterdam voorop. Voor de meest representatieve bouwopdrachten nodigde het stadsbestuur van Deventer dan ook herhaaldelijk prominente architecten uit Holland uit: Hendrick de Keyser, stadsbeeldhouwer en architect van Amsterdam voor de bekroning van de toren van de Grote of Lebuïnuskerk, Philips Vingboons uit Amsterdam voor de zijgevel van het stadhuis en Jacob Roman, de hofarchitect van stadhouder Willem III voor de nieuwe voorgevel van het stadhuis. In de loop van de negentiende eeuw zorgde de industrialisering voor een nieuwe bovenlaag in de bevolking, die ook de rol van belangrijkste opdrachtgever voor architectuur zal overnemen, niet alleen in hun particuliere opdrachten maar vooral ook in hun bestuurlijke en maatschappelijke functies in industrie en handel. Deze nieuwe bovenlaag, de gegoede burgerij, is in de tweede helft van de negentiende eeuw vele malen talrijker dan de leidende groepen in vorige perioden. De steeds complexere en grotere steden met hun nieuwe sanitaire, economische, recreatieve programma’s bepalen in de tweede helft van de negentiende eeuw de nieuwe thema’s die in bouwkundige ontwerpen moeten worden omgezet. In de twintigste eeuw zal de centrale overheid steeds meer het initiatief nemen. De Woningwet van 1901 is hiervoor een belangrijk keerpunt, gevolgd door de stedelijke uitbreidingsplannen en de nota’s over de ruimtelijke ordening in meer recente tijd. De gegroeide bovenlaag, die in de twintigste eeuw met een enorm uitdijende middenlaag zou samengaan, bevorderde echter ook het particulier initiatief op ongekende schaal. In de organisatie van de ontwerpers van architectuur is een vergelijkbare ontwikkeling te signaleren. In de middeleeuwen bekleedden de kerkelijke bouwloodsen en andere werkplaatsen rondom de kerkelijke bouwprojecten de centrale plaats in de bouwwereld. Na de reformatie, aan het eind van de zestiende eeuw, gaat deze dominante rol in de ontwikkeling van de architectuur over op de stedelijke bouwbedrijven, de voorlopers van de huidige dienst gemeentewerken en deze situatie zal tot ver in de negentiende eeuw voortduren. De eerste ‘moderne’ burgerlijke architecten die uitsluitend van hun tekenwerk en het begeleiden van het bouwproces leefden zonder directe binding met een bouwbedrijf en zonder persoonlijke aanstelling aan een of ander hof, traden in de loop van de zeventiende eeuw korte tijd ten tonele. Echter, pas in het midden van de negentiende eeuw werd de organisatie van de beroepsgroep en de opleiding tot architect professioneel opgezet. De opkomst van de grote burgerij in de negentiende eeuw leidde voorts tot de groeiende productie door aannemers en ontwikkelaars. De toenemende bemoeienis van de centrale overheid met de architectuur, met name op het gebied van de volkshuisvesting, maakt dat deze in de twintigste eeuw ook meer en meer een bepalende rol in het ontwerp gaat spelen, onder andere door een grote hoeveelheid voorschriften met betrekking tot deugdelijkheid, veiligheid, gezondheid en welstandseisen. 10


Naast de opdrachtgevers en hun architecten zijn de theoretische reflecties over architectuur soms meer, soms minder bepalend geweest voor de architectonische vormgeving. Vooral de erfenis van de antieke oudheid, de klassieke architectuur, duikt in verschillende perioden op als belangrijke inspiratiebron. Het zal duidelijk zijn dat elke periode zijn eigen ideaalbeeld van die oudheid heeft gehad en een eigen interpretatie van de toepassing van de klassieke voorbeelden en theorieën. De romaanse zuilen in de crypte van de Grote of Lebuïnuskerk zijn net zo goed een verwijzing naar de antieke oudheid als die naast de hoofdingang van de zeventiende-eeuwse voorgevel van het stadhuis. De verwijzing naar het antieke erfgoed en vooral naar de macht van Rome, gold nu eenmaal door de eeuwen heen als een legitimatie van macht en autoriteit. De boekdrukkunst was doorslaggevend geweest voor de verspreiding van de kennis van de antieke bouwkunst en van de theorieën die hiermee samenhingen. Terwijl deze kennis in de middeleeuwen alleen bij een zeer beperkte elite van internationaal georiënteerde adel voorhanden was, werden de voorbeeldboeken van de antieke vormentaal vanaf de zestiende eeuw breed verspreid onder een brede laag van de bevolking, zoals de boeken van de Italiaanse architecten Serlio, Vignola, Palladio en Scamozzi en de eigen Nederlandse aanvullingen daarop, met eigen variaties op de zuilenorden, zoals die van Hans Vredeman de Vries uit de zestiende eeuw, of die van Hendrick de Keyser of Philips Vingboons uit de zeventiende eeuw. Later, in de negentiende eeuw, leidde reflectie op de gehele geschiedenis van de bouwkunst tot de bekende pluriformiteit van stijlen, waarbij elke historische stijl een eigen soort van betekenis kreeg. De neogotiek was vooral geschikt voor kerkenbouw, katholieke kerken bij uitstek, terwijl de neorenaissance eerder geschikt was voor openbare gebouwen want deze stijl werd in de laatste decennia van die eeuw nadrukkelijk gezien als de uitdrukking van een eigen, nationale architectuur. Voor de bouw van de synagoge aan de Golstraat werd in 1892 een fantasierijke verwijzing naar de Moorse architectuur gepast geacht, bedoeld als verwijzing naar de oriëntaalse oorsprong van het volk van Israël. Voor winkelpanden en nieuwe vormen van >

De toenemende bemoeienis van de centrale overheid met de architectuur, met name op het gebied van de volkshuisvesting, maakt dat deze in de twintigste eeuw ook meer en meer een bepalende rol in het ontwerp gaat spelen

11


> vermaak, zoals bioscopen, is rond 1900 juist de hippe Jugendstil en iets later de Art Deco het meest aantrekkelijk. In de eerste helft van de twintigste eeuw zijn het vooral de internationale stromingen en theorieën over wonen en leven in de moderne tijd en de reactie daarop van meer behoudende architecten. Daar waar de aanhangers van het internationale modernisme wezen op de vooruitgang die de Nieuwe Zakelijkheid teweeg zou brengen, brachten de meer behoudende architecten de tijdloze waarden van de eeuwenoude traditie in stelling, die zij aanduidden als de ‘oude zakelijkheid’. De bouwkunst van het traditionalisme is dan ook niet minder rationeel dan die van de uitgesproken ‘modernisten’, het verschil zit in de wijze waarop bij die moderne, rationele overwegingen nu juist wel of niet gebruik is gemaakt van de archetypische oplossingen uit het verleden. Architectuur is altijd een samenspel van krachten, van de visie en de mogelijkheden van de opdrachtgever, van het talent van de architect, van de beschikbare middelen, technieken en materialen en van de steeds weer voortgaande discussie over wat nu eigenlijk goede architectuur zou zijn. Deze vierenveertig gebouwen laten zien hoe rijk en divers de oogst van dit permanent voortschrijdend inzicht in Deventer is. <

Prof.dr. K.A. (Koen) Ottenheym (1960) studeerde kunstgeschiedenis en archeologie aan de Rijksuniversiteit in Leiden. Hij is hoogleraar architectuurgeschiedenis aan de Rijksuniversiteit Utrecht. * Deze tekst is deels gebaseerd op de inleiding tot het nieuwe handboek van de Nederlandse architectuurgeschiedenis: K. Bosma, A. Mekking, K.A. Ottenheym en A. van der Woud (red.), Bouwen in Nederland 600-2000, Waanders uitgevers, Zwolle 2007. 12


13


14


Tijd van monniken en ridders Romaans De Romaanse bouwstijl ontwikkelt zich in de eerste periode van de Middeleeuwen, van circa 950 tot 1250 en is indirect gebaseerd op de stijl van de Romeinen. In de middeleeuwen wordt het maatschappelijk denken beheerst door het kerkelijk leven. De bouwkundige kennis was nog beperkt. Door dikke muren te maken met kleine rondboogvensters konden sterke gebouwen worden gemaakt. Men had van de Romeinen geleerd om met boogconstructies grotere overspanningen te maken. De houten kappen worden geleidelijk vervangen door gewelfbouw. Eerst door eenvoudige tongewelven en later door kruisgewelven. Andere kenmerken zijn de verdikkingen in grote muurvlakken met verticaal gemetselde muurdammen of lisenen. In Deventer is een prachtig voorbeeld van Romaanse bouwkunst te vinden in de uit ca. 1050 daterende crypte onder de Lebu誰nuskerk. Korte, gedrongen kolommen dragen met tussenkomst van eenvoudig versierde kapitelen de gewelfconstructies die weer de kerkvloer dragen. Ook in de Bergkerk is nog een romaans bouwdeel te zien: het onderste deel van de toren. Het dateert uit 1200 en is gemetseld van grote tufstenen blokken. Tufsteen zien we ook in de Sandrasteeg. Hier stond rond 1130 de Bisschopshof en van het poortgebouw zijn fragmenten bewaard gebleven. Zo zien we onderaan nog zware trachietblokken en daarboven vlak metselwerk van tufsteen en kleine boogvensters met zuiltjes. < 15


16

1 - 1130 - Sandrasteeg 8

Sandrasteeg 8 (1130, al dateren onderdelen van v贸贸r Christus) U staat hier bij het oudste huis van Nederland, waarin ooit de Proost, de poortwachter, huisde. Dat is natuurlijk al bijzonder. Maar wat daarbij zeker ook verteld moet worden is dat het materiaal van de zuiltjes in de muur afkomstig is van kalksteen afzettingen in Romeinse waterleidingsystemen in de Eiffel. Dit materiaal, genaamd kalksinter, had een prachtige gevlamde structuur. Omgevormd tot deze decoratieve zuiltjes staan we vandaag de dag nog oog in oog met een stukje Romeins verleden! <


17

2 - 1200 - Bergkerk


18

3 - 1100 - Crypte Lebu誰nuskerk


Tijd van steden en staten Gotiek De gotiek is als bouwstijl in Frankrijk omstreeks 1140 ontstaan en vormt het tweede deel van de Middeleeuwen. De stijl begint in Nederland in 1230 en duurt tot 1560. Geleidelijk groeit de bouwkundige kennis. Door bouwconstructies een skelet te geven van steunberen en ribgewelven, kan er ranker en ijler worden gebouwd. De ornamentiek wijst naar boven, gericht naar het licht en het goddelijke. Er kwamen spitsbogen en roosvensters en gevelopeningen konden groter worden dan in de voorafgaande periode. Bouwmeesters waren nog geen architecten maar anonieme ambachtslieden zoals steenhouwers. In Europa heeft de gotiek vooral stenen kerken nagelaten. Woonhuizen werden vooral in hout gebouwd en hebben meestal de tand des tijds maar ook de veel voorkomende stadsbranden niet kunnen weerstaan. Het is dan ook opmerkelijk dat er in Deventer, naast de Lebu誰nuskerk, toch ook enkele woonhuizen zijn die dateren uit de late gotiek. Huizen van steen weliswaar. Ook de Waag kunnen we, met uitzondering van het later toegevoegde bordes, tot de late gotiek rekenen. De bakstenen gevels van al deze profane gebouwen laten met hun relatief grote vensters onder grote vooruitspringende boognissen veel daglicht toe. Ze zijn rijk versierd met pinakels op de dakranden en veel verticale, naar boven gerichte elementen. Het denken van de mensen verandert. De ontwikkeling van de wetenschap en de toegenomen kritische houding ten opzichte van de katholieke kerk maakt de weg vrij voor de reformatie. < 19


20

4 - 1442 - Brink 69


21

5 - 1495 - Boterstraat 3


22

6 - 1528 - De Waag


23

7 - 1550 - Assenstraat 10, onder gotisch boven renaissance


Tijd van ontdekkers en hervormers Renaissance De renaissance is in de 14e eeuw in Italië ontstaan vanwaar het zich over Europa verspreidde. In Nederland is deze bouwstijl vooral in de 15e en 16e eeuw toegepast.

Renaissance betekent letterlijk ‘wedergeboorte’. De Italiaanse humanisten introduceerden de term. Zij meenden dat na een periode van verval (de Middeleeuwen) een nieuwe gouden eeuw was aangebroken met de wedergeboorte van de kennis van de klassieke oudheid, zoals die bestond vóór de val van het West-Romeinse Rijk in 476. Van de Romein Vitruvius (85-20 vChr.) bestudeerde men het werk ‘De Architectura’ (Over de bouwkunst). Hieruit zijn twee stellingen heel belangrijk geworden, ook voor architecten van nu: • Lengte, breedte, hoogte en diepte van een gebouw dienen de menselijke maat te weerspiegelen. De beroemde tekening van Leonardo da Vinci (1452-1519) Uomini Universali is geïnspireerd op de geschriften van Vitruvius. • Schoonheid van een gebouw is terug te vinden in de mate van functionaliteit. De benaming renaissance is ook van toepassing voor de bloeiperiode van de wetenschap (onder andere de uitvinding van de boekdrukkunst), kunsten en letteren. De Nederlandse variant van de renaissance tussen 1565-1630 noemt men ook wel maniërisme. Nederlandse bouwmeesters, veelal steenhouwers, maakten gebruik van motieven uit de klassieke oudheid om op hun eigen manier een decoratieve gevel te creëren. Kenmerkende decoraties zijn de horizontale natuursteenbanden, de verticale geleding door pilasters en natuurstenen hoekstukken in de top van de gevels, ook wel ‘band en rolwerk’ genoemd. < 24


8 - 1575 - Brink 55 - de Drie Haringen

RENAISSANCE IN NEDERLAND Je ziet het bij veel panden uit deze periode gekrulde hoekstukken bovenaan de gevel. De renaissanceinvloed waarvan zij getuigen was niet het gevolg van innige Italiaanse contacten en avontuurlijke reisjes van onze bouwmeesters, maar van de ontdekking van de boekdrukkunst. Het natuurstenen ‘band en rolwerk’ zoals dat hier te zien is, was vaak naar boekvoorbeeld gemaakt. De tekeningen van Vredeman de Vries (1565) dienden als leidraad voor steenhouwers overal te lande. Ook de gevel zelf heeft met zijn ‘platte uitstraling’ en grafische belijning iets weg van een mooi versierde bladzijde! <

25


26

9 - 1588 - Brink 89 - Penninckshuis


27

10 - 1632 - Grote Kerhof 2 - Landshuis


28

11 - 1634 - Noordenbergstraat 6


29

12 - 1630 - Brink 11 + 12 + hoek nr 10 - Brouwershuis


GeldersOverijsselse stijl Regionale Renaissance De GeLdersOverijsselse stijl manifesteert zich tussen 1609 en 1633. Het is een regionale architectuurstijl met een mix van gotische en sobere renaissance elementen.

Kenmerkend zijn de bakstenen topgevels met gezwenkte overgangen tussen de treden van de trapgevels. Deze sobere baksteenornamentiek wijst samen met de horizontale waterlijsten van schuin gemetselde bakstenenâ&#x20AC;&#x201C; zogeheten muizentanden â&#x20AC;&#x201C; op renaissance-invloeden. De gevelornamenten die in de renaissance van natuursteen zijn, zijn in de gelders-overijsselse stijl van baksteen. De pinakels of de met natuursteen afgedekte pilasters, kunnen we als restkenmerken van de gotiek aanmerken. De bakstenen gevels zijn meestal een vervanging van de oudere, houten gevels die beperkt duurzaam zijn en bovendien vaak ten prooi vallen aan de vlammen. In deze tijd, waarin de verstening van de stad plaatsvindt, worden hele straten getransformeerd. Aan de vorm van de muurankers die door de voorgevels steken, is vaak het jaartal van die verstening af te lezen. Toch zijn het meestal sobere gevels; het is immers de tijd van de 80-jarige oorlog. Niet alleen was er in oorlogstijd minder aandacht voor uitbundigheid maar gaven de minder goede economische tijden ook aanleiding voor gepaste soberheid. < 30


31

13 - 1612 - Rijkmanstraat 13


32

14 - 1623 - Hofstraat 8+10


33

15 - 1633 - Kleine Overstraat 23


Tijd van regenten en vorsten Hollands classicisme Onder invloed van de rijker en machtiger wordende elite van de Republiek ontstaat in Zuid-West Nederland, tussen 1625 en 1665, het Hollands classicisme. Deze stijl rekent af met de maniëristische wijze van bouwen. Op strenge wijze wordt het klassieke ordeboek nageleefd. Nu kun je de invloed van bijvoorbeeld de Italiaanse renaissance-architect Palladio (1518 – 1580) pas goed herkennen. Vertalingen van zijn verhandelingen over klassieke architectuur waren, dankzij de boekdrukkunst, vanaf 1640 in Nederland beschikbaar. Ook kreeg de architectuur meer status. Salomon de Bray schreef in 1631: ‘Bouwkunst is de “overste wetenschap” die de ambachtsman moet begeleiden. Daartoe moet de bouwkunstenaar ook kennis hebben van meetkunst, perspectief, schilderkunst en beeldhouwkunst.’ Architecten kwamen niet meer noodzakelijkerwijs uit het bouwvak maar waren vooral ontwerpers. In Nederland werd Philips Vingboons (1607–1678) een bekende architect die ook in Deventer diverse gebouwen heeft ontworpen. Kenmerkend is het samenspel van heldere hoofdvormen. In de gevels overheerst een verticale verdeling door zuilen en pilasters voorzien van dorische, ionische of korinthische kapitelen. Het zorgvuldig componeren van de verhoudingen tussen hoogte, breedte en lengte van de gebouwdelen was in deze periode essentieel. De schoonheid van de architectuur werd niet bepaald door het ornament of de versiering maar door de juiste meetkundige verhoudingen. De nagestreefde harmonieuze proporties waren immers ook te vinden in de natuur, de muziek, in de afstanden tussen de planeten en in de proporties van het menselijk lichaam. Diezelfde ideale verhoudingen, de guldensnede, trof men ook aan in de Romeinse bouwwerken. De gevels van de Lebuïnuskerk en de toren zijn in gotische stijl. De lantaarn echter is uit 1612 en door Hendrick de Keyser ontworpen in hollands classicistische stijl. Als je goed kijkt hebben de metselwerkpenanten allemaal een dorisch kapiteel als beëindiging. < 34


16 - 1612 - Lantaarn Lebuïnustoren - architect Hendrick de Keyser

Luikje in het plafond van Lebuïnuskerk Treed de kerk binnen en richt de blik omhoog! Vlak voor het koor in het middengewelf kunt u een klein luikje ontdekken. Dit is het zogenaamde ‘Hemelvaartsluikje’, in vervlogen eeuwen een belangrijk onderdeel in een theatraal spektakel. Stelt u zich voor: de vicaris, voorafgegaan door twee als engelen verklede koorknapen, schrijden door de kerk, liederen klinken, kaarsen walmen, het kerkvolk reikt zijn hals. Op het hoogtepunt stijgt vanaf het altaar het beeld van de Heiland op, langzaam omhoog getrokken aan een koord om te verdwijnen door de geheimzinnige hemelopening: het luikje waar u nu naar kijkt! <

35


36

17 - 1662 - Polstraat - zijgevel stadhuis - architect Philips Vingboons


37

18 - 1664 - Polstraat 18 - architect Philips Vingboons


38

19 - 1692 - Grote Kerhof - voorgevel stadhuis - architect J. Roman


39

20 - 1653 - Assenstraat 4


Tijd van pruiken en revoluties Barok De Barok breekt met de beperkingen van het klassieke bouwen en krijgt vooral in Zuid-Europa weelderige vormen.

Na 1680 voert ook in Deventer de Franse cultuur de boventoon. De barok ontstond begin 17e eeuw in Italië en breekt met de beperkingen van het classicisme. Architecten combineerden de klassieke zuilenornamentiek met een stortvloed aan gebogen en plastische vormen om zo een gevoel van drama te creëren. De barok wordt vooral geassocieerd met de grote rooms-katholieke kerken uit de contrareformatie. De Nederlandse barok is onder invloed van de reformatie echter veel minder uitbundig dan die in Zuid-Europese landen. Daarom is het onderscheid tussen classicisme en barok in Nederland niet altijd duidelijk zichtbaar. Rococo ontstond als bouwstijl in het vroeg achttiende-eeuwse Parijs toen de bourgeoisie zich ontfermde over de revolutiekreet: vrijheid, gelijkheid, broederschap. De stijl wordt meestal geassocieerd met interieurdecoratie en kenmerkt zich door licht en door speelse ornamenten met schulpranden en C-bochten en krullen In Deventer zien we barok- en rococo-elementen in de gevels van Vroom & Dreesmann op de Brink en van het Iordenshuis in de Papenstraat. De achterkamer van het ‘Burgemeestershuis’ aan de Polstraat 18 kreeg rond 1800 een rococo-interieur dat nog steeds is te bewonderen. < 40


41

21 - 1753 - Brink 102 - rechterdeel V&D


42

22 - 1740 - Papenstraat 26 - Jordenshuis


Tijd van burgers en stoommachines I Neostijlen Na 1800 breekt een periode aan van economische bloei. Er wordt teruggegrepen naar vroegere bouwstijlen die men ook vaak door elkaar gebruikt. De volgende benamingen worden gebruikt: Neoclassicisme (1820-1850), Neogotiek (1830-1910), Neorenaissance (1875-1913)

Neostijlen zijn bouwstijlen waarin wordt teruggegrepen naar de oude architectuur van het classicisme, de gotiek, de renaissance en de barok. Het tijdperk van de neostijlen begint na ongeveer 1815. Naar believen worden elementen uit de oude architectuur toegepast, soms zelfs gecombineerd in één enkel gebouw. Dit wordt eclecticisme genoemd. Openbare gebouwen zoals postkantoren, stations en musea vormden een nieuw soort bouwopgave in deze periode. Tot 1850 wordt er in de neoclassicistische stijl gebouwd. Met stijlmiddelen zoals kolommen, colonnades en timpanen worden klassieke bouwstijlen geïmiteerd. Het waren recente opgravingen en publicaties die voor een hernieuwde belangstelling voor de klassieke oudheid zorgden. In Deventer is het IJsselhotel een mooi voorbeeld. De Amsterdamse architect P.J.H. Cuypers bracht de neogotiek tot bloei. Hij was geïnspireerd door het werk van de Franse architect E. Viollet-le-Duc. Het betekende een herwaardering en opleving van de ambachten binnen het bouwvak. Met name gold dat voor het metselen. Een leerling van Cuypers, C.H. Peters, ontwierp niet alleen het voormalige hoofdpostkantoor in Deventer maar ook het hoofdpostkantoor in Arnhem en het grote postkantoor op de Nieuwezijds Voorburgwal in Amsterdam in neogotische stijl. < 43


44

23 - 1886 - Botermarkt - architect J.A. Mulock Houwer

De Botermarkt-Kleine Poot (1886) Het is en blijft een prachtig plekje natuurlijk: de overdekte Botermarkt met gietijzeren elementen. Maar helemaal uniek is het allemaal niet: de ijzergieterij Nering Bögel uit Deventer leverde identieke onderdelen aan ‘botermarkten’ overal ter wereld. Tot in Indonesië toe kun je hetzelfde type markthal aantreffen! Logisch ook. In de periode 1800 -1930 was er werk aan de winkel. Van putdeksels, wielen en brievenbussen tot vuurtorens, grafmonumenten en locomotieven: alles rolde hier – prefab - de fabriek uit! <


45

24 - 1862 - Worp 2 - IJsselhotel


46

25 - 1881 - Keizerstraat / Brinkpoortstraat


47

26 - 1907 - Nieuwstraat - voormalig hoofdpostkantoor- arch. C.H. Peters


48

27 - 1886 - Singel 15


Tijd van burgers en stoommachines II Eclecticisme Rond 1850, als de indu­striële revolutie door Europa waart en spoorwegen worden aangelegd, wordt het reizen comfortabeler. Er worden veel indrukken opgedaan en bouwstijlen vermengen zich. Voorbeelden daarvan zijn: Eclecticisme (1850-1910), Moorse stijl (1859-1927), Chaletstijl (1870-1910)

Vanaf 1850 wordt de architectuur steeds vaker verrijkt met allerlei invloeden van buitenaf. Ook exotische, buiten-Europese invloeden doen zich gelden. De architectuur bevrijdt zich van dogma’s en alles wordt mogelijk. Bovendien draagt de opkomst van commerciële en particuliere opdrachtgevers bij aan meer individualistische opvattingen over bouwstijlen. Naast de neostijlen, die bestaande bouwtradities herhalen, ontwikkelt zich de chaletstijl met grote dakoverstekken en houtsnijwerk zoals dat in de Alpenlanden voorkomt. De moorse stijl met invloeden uit Zuid-Spanje en Noord-Afrika, werd dé bouwstijl voor synagogen. De invloed van reizen naar Zwitserland kunnen we in de chaletstijl herkennen zoals in woonhuizen aan de Van Twickelostraat en de Singel. De moorse stijl is herkenbaar aan de synagoge aan de Golstraat, een ontwerp van architect Mullock Houwer uit 1892. Moorse invloeden zien we ook in de prachtige Enschedese synagoge, in 1918 ontworpen door K.P.C. de Bazel Als in een ontwerp stijlelementen uit verschillende stijlperiodes worden toegepast, spreken we van een eclectische bouwstijl. Rond 1900 deed men dat werkelijk met de bedoeling te komen tot een vernieuwende stijl. Een wonderlijk voorbeeld daarvan zien we in de gevel aan de Polstraat 82. < 49


50

28 - 1892 - Boedekerstraat 7 - architect W.J. Kolkert


51

29 - 1892 - Dubbel woonhuis Van Twickelostraat 9


52

30 - 1892 - Golstraat 22 - voormalige synagoge- architect Mulock Houwer


53

31 - 1860 - Polstraat 82


Tijd van wereld­ oorlogen I Art Nouveau of Jugendstil Flamboyante ornamenten, ontleend aan de organische vormen uit de natuur, kenmerken de periode tussen 1900 en 1918, waarin wordt gebroken met de stijlimitaties van voorheen. In Frankrijk spreken we van Art Nouveau en in Duitsland van Jugendstil.

Als reactie op de historiserende neostijlen ontstaat de jugendstil of art nouveau. In een tijd van grote ontwikkelingen op het gebied van wetenschap en techniek ontstond ruimte voor een nieuwe esthetische impuls met een vormentaal van gestileerde bloemen en plantmotieven. Industriële ontwerpers, kunstenaars en architecten vonden elkaar en met nieuwe technieken en materialen konden zij gezamenlijk een ‘Gesamtkunstwerk’ creëren. Het vervolg op art nouveau, waar de licht gebogen lijnen overheersen, was art deco, een abstracte vormtaal, waarbij de organische vormen tot geometrische figuren zijn vereenvoudigd. Een stroming in de architectuur die in zijn ornamentiek ook dicht tegen de art deco ligt is de Amsterdamse School < 54


55

32 - 1905 - Brink 100 - V&D links- architect F.M. Caron


56

33 - 1905 - Nieuwstraat 91 - architect M. van Harte


57

34 - 1907 - Kleine Overstraat 22 / Vleeshouwerstraat - architect M. van Harte


Tijd van wereld­oorlogen II Rationele architectuur, Art Deco, Amster­ damse School In het inter­bellum, een periode van tegenstellingen en recessie, volgen actie en reactie elkaar in steeds hoger tempo op. Dat geldt ook voor bouwstijlen. Naast de al genoemde Art Nouveau of Jugenstil, ontwikkelen zich in korte tijd: het rationalisme (1900-1920), de Art Deco (1920-1939) en het expressionisme / Amsterdamse school (1910-1930)

Het rationalisme is een op functionaliteit gerichte reactie op de neostijlen. Basis voor deze stroming zijn de denkbeelden van Semper en E. Viollet-le-Duc. Uitgangspunt voor de ontwerpen zijn de vanuit functionele invalshoek ontworpen plattegronden, soms geïnspireerd op de middeleeuwse bouwkunst. Het materiaalgebruik bestaat uit metselwerk, aangevuld met natuursteen, ijzeren constructie-elementen en betonnen balken. Pleisterwerk en andere ‘oneerlijke’ materialen waren uit den boze. De constructie is zichtbaar. Het dragende karakter van bijvoorbeeld muren en bogen is herkenbaar. Regelmaat en eenheid worden belangrijk gevonden. Het meesterwerk van architect Berlage, de Beurs van Amsterdam, beïnvloedde gedurende vele decennia de nationale architectuur. Andere Nederlandse architecten van betekenis waren K.P.C. de Bazel en Kromhout. In Deventer is de invloed van Berlage te herkennen in de Sallandsche bank in de Hofstraat en het spoorwegstation. De reactie op deze strenge architectuuropvatting kwam in de vorm van de Amsterdamse School. De Amsterdamse School is een stijl die voortkomt uit de expressionistische kunsttheorieën en deels een reactie op de strenge opvattingen van Berlage en zijn volgers. De stijl ontstond in Amsterdam maar werd ook elders in Nederland toegepast. Kenmerkend waren onder meer de kunstzinnig uitgewerkte details in metselwerk en brede houten kozijnen. In Deventer is de stijl van de Amsterdamse School te vinden aan de Brink 20 (voorheen de Luxor bioscoop) en de Smedenstraat 10 (voorheen de bioscoop EDB). < 58


59

35 - 1913 - Hofstraat 13 - architect M. van Harte


36 - 1915 - Stationsplein 4-6 - architect H. Menalda 60

Station Ooit was de trein een duivels ge足drocht en het perron een plaats waar je maar beter niet kon zijn. Ook toen de trein rond 1865 sissend en stampend Deventer binnen kwam rijden (40 km per uur!) waren veel mensen er nog van overtuigd dat de wolken stoom van dit ijzeren monster je de adem letterlijk zouden benemen. Maar het monster wende en werd een geliefd vervoermiddel voor een dynamische rit naar Zutphen of Apeldoorn! Nauwelijks een halve eeuw later werd dit station gebouwd. De functionele en rationalistische stijl ademen de geest van een nieuwe tijd. <


61

37 - 1918 - Brink 20 - architect J.D. Postma


62

38 - 1919 - Smedenstraat 10 - voormalige bioscoop EDB- architect M. van Harte


63

39 - 1932 - Bergkerkplein 10-11 - architect L. Mensink


Tijd van wereldoorlogen III Het Nieuwe Bouwen In deze periode is er ruimte voor een radicale omslag in de architectuur en de beeldende kunst. Vanaf 1916 ontstaan nieuwe opvattingen met een hoofdrol voor functionaliteit. Tijdens de eerste wereldoorlog vormde zich rond Piet Mondriaan en Theo van Doesburg een groep kunstenaars en architecten die de Stijlgroep werd genoemd. Architecten die daar deel van uitmaakten waren onder andere J.J.P. Oud en Gerrit Rietveld. De abstracte kunst en de visie op architectuur die de groep voortbracht noemde men ‘Nieuwe beelding’. Het ging bij de Stijlgroep om de ruimtelijke compositie. Deze was in hoge mate abstract en geometrisch. Eind jaren twintig vormde de Stijlgroep de voorloper van de stroming het nieuwe bouwen (ook wel nieuwe zakelijkheid of functionalisme genoemd). De architecten van het nieuwe bouwen hadden een groot geloof in de moderne tijd. Uitgangspunt was de functie van het gebouw. Een grondige analyse van de ontwerpopdracht en de keuze voor nieuwe bouwmaterialen (zoals gewapend beton, geprefabriceerde panelen en staal) leverden als het ware vanzelf de juiste vorm op. De ruimtelijke compositie was belangrijk en het ornament ontbrak. De wanden mochten slechts een ruimtevormende functie hebben. Door skeletbouw in gewapend beton verviel de dragende functie van de wand, waardoor huiddunne wanden en gordijn- of vliesgevels mogelijk werden. De grote, stalen ramen met veel glas lieten veel lucht en licht toe. Bij woningbouw werd verhoging van de woonkwaliteit het hoogste doel. De traditionele, gesloten bouwblokken maakten plaats voor open bebouwing in strokenbouw. Zo werden ook volkshuisvesting en stedenbouw belangrijke opgaven voor de aanhangers van het nieuwe bouwen. Beroemde voorbeelden van het nieuwe bouwen in Nederland zijn de Amsterdamse openluchtschool en sanatorium Zonnestraal in Hilversum van ir. J. Duiker en de Van Nellefabriek in Rotterdam van Brinkman en Van der Vlugt. In Deventer geldt de door architect J.D. Postma ontworpen modelmakerij van Nering Bögel uit 1928 (nu het Kunstenlab) als voorbeeld. < 64


65

40 - 1928 - Emmastraat 33 - voormalig kantoor Nering Bรถgel- architect J.D. Postma


66

41 - 1937 - Brink 94


Wederopbouw traditionalisme en functionalisme Met het einde van het Nieuwe Bouwen of het Modernisme is de architectuurgeschiedenis nog niet compleet. De huidige architectuur kenmerkt zich door elkaar snel opvolgende stijlen en een toekomst die gericht is op duurzaamheid. De Delftse School is een traditionele stroming die voortborduurt op de ambachtelijke, traditionele en rationele architectuur van Berlage en het rationalisme. Onder bezielende leiding van de Delftse hoogleraar prof. M.J. Grandpré Molière werd daarmee sterk ge­reageerd tegen het functionalisme van het nieuwe bouwen. In Deventer gelden het St. Jozefziekenhuis aan de Van Oldenielstraat en de school aan de Nieuwe Markt als voorbeelden. In de jaren vijftig gold Amerika als bevrijder en als het land van de onbegrensde mogelijkheden. Nederland werd opgebouwd met behulp van Amerikaanse steun, de ‘Marshall hulp’. In het bankgebouw aan de Stromarkt uit 1965, ontworpen door Reyes en Roeterdink van het architectenbureau Postma, is de invloed van de Amerikaanse architectuur te zien. In de jaren veertig reduceerde Ludwig Mies van de Rohe, een van de invloedrijkste architecten in Amerika, de gevel van een wolkenkrabber tot een raster van staal en glas. Een beroemde uitspraak van deze architect is: “less is more”. De waardering voor de eerder zo verfoeide wederopbouwarchitectuur is groeiende. In 2008 kreeg een vijftigtal gebouwen uit deze periode het predikaat van beschermd monument toegewezen. Dat overkwam ook het traditionalistische St.Jozef ziekenhuis in Deventer. Het functionalistische bankgebouw aan de Stromarkt is menig Deventenaar een doorn in het oog. Er zijn plannen om het gebouw te strippen en opnieuw in te pakken in een ‘historische’ gevel. Dat zou jammer zijn, want ook dit gebouw verdient waardering. Maat en schaal zijn zorgvuldig aan de omgeving aangepast. De gevel van het gebouw is - volkomen afwijkend van zijn omgeving - uit prefab betonelementen samengesteld, een raster van beton en glas. Ook dit gebouw moet gezien worden als een zorgvuldig ontworpen product van zijn tijd. < 67


68

42 - 1953 - Oldenielstraat - St. Jozefziekenhuis- architecten BodifĂŠe, v.d. Laan, Hermans, v.d. Eerden en Kirch


69

43 - 1955 - Nieuwemarkt 23 - architect W.P.C. Knuttel


70

44 - 1965 - Stromarkt 18 - bankgebouw- architecten Postma, Reyes en Roeterdink


71


Waar wij wonen door: Vincent van Rossem

Sinds enige tijd heerst er in Nederland een ‘canon’ ziekte. Er is klaarblijkelijk behoefte aan overzicht en zekerheid. Wie waren de grootste schilders? De beste architecten? De meest getalenteerde schrijvers van de twintigste eeuw? Alleen een flink aantal Nederlandse schilders is ook buiten het vaderland bekend. Rembrandt, Van Gogh en Mondriaan behoren zelfs onbetwist tot de wereldtop aller tijden. De roep om een ‘canon’ betreft echter vooral de nationale identiteit. In ons tijdperk van globalisering wordt het steeds moeilijker om gestalte te geven aan een cultureel kader waarin men zich thuis kan voelen.

Bij dit zoeken naar een nationale identiteit worden de Nederlandse steden vreemd genoeg maar zelden genoemd. Nederland was al in de zeventiende eeuw een ‘stedenland’ met een uitgesproken burgerlijke cultuur. In andere Europese landen heerste toen nog een feodale plattelandscultuur, met enkele hoofdsteden die gedomineerd werden door de cultuur van een koninklijk hof. Als er al zoiets bestaat als een ‘Nederlandse identiteit’ dan komt deze vooral tot uitdrukking in de bescheidenheid die altijd toonaangevend is geweest voor de stedenbouw en de architectuur in ons land. De grandeur van een stad als Rome zal men tevergeefs zoeken in de straatjes van oude Nederlandse steden. Het streven naar monumentaliteit met imposante zichtlijnen en kostbare bouwwerken was niet gebruikelijk in de lage landen bij de zee. Alleen het stadhuis, het huis van de burgers, mocht zich onderscheiden. Het waaggebouw speelde eveneens een belangrijke rol in het stadsleven, dat geheel afhankelijk was van een handelseconomie. Ook kerken en kloosters waren prominent aanwezig in het stadsbeeld. Na de Hervorming kregen de kloostergebouwen een andere en vaak openbare functie. Het nieuwe geloof werd gepredikt in kerkgebouwen die vaak al eeuwen oud waren. Deventer is bij uitstek een Nederlandse stad. Ouder dan de Hollandse steden die na 1600 hun plaats veroverden in de internationale handel, maar niet wezenlijk anders. Ook de binnenstad van Deventer heeft een informele ste72


denbouwkundige structuur, die bepaald is door zakelijke overwegingen, niet door grootse gedachten. Deventer was een Hanzestad en maakte deel uit van een middeleeuwse economie die geconcentreerd was rond de Oostzee. Het stedelijk bouwwerk bestaat grotendeels uit burgerlijke woonhuizen, ontworpen door ambachtslieden, die met elkaar gestalte geven aan een stedelijke ruimte die nergens imponeert. De essentie van de Nederlandse stad komt tot uitdrukking in een vorm van ‘huiselijkheid’ die in andere Europese steden geheel ontbreekt. De plattegrond van de hedendaagse binnenstad van Deventer komt nog altijd overeen met de kaart van Jacob van Deventer uit het midden van de zestiende eeuw. De historische haven aan de zuidoost zijde van de stad heeft helaas plaats moeten maken voor een verkeersweg, maar het stratenpatroon van de middeleeuwse stad heeft de tand des tijds opmerkelijk goed doorstaan. Het Bergkwartier, gelegen op een hoge rivierduin rond de Bergkerk, vormde ook al in de zestiende eeuw een min of meer zelfstandig stadsdeel, gescheiden van de rest van de stad door de Brink. Dit stadsplein, met zijn karakteristieke onregelmatige vorm, zou in een ‘canon’ van Nederlandse pleinen wel eens op de hoogste plaats kunnen eindigen. Het waaggebouw uit 1528 vormt hier natuurlijk een spectaculaire blikvanger. Het andere deel van Deventer strekt zich uit rond het oudste plein van de stad, het Grote Kerkhof, en de machtige toren van de Lebuïnuskerk. Daar staat ook het trotse stadhuis uit 1692. Gebrek aan geld is erg bevorderlijk voor het behoud van steden. Het stadsbestuur en de burgerij zijn niet in staat om grootschalige ingrepen te financieren en zien zich genoodzaakt om het oude stedelijk bouwwerk eindeloos op te lappen. Nederland was in de negentiende eeuw een arm land en zo hebben veel oude binnensteden dit tijdperk van woeste vooruitgang betrekkelijk ongeschonden overleefd. Gebrek aan geld leidt tenslotte echter ook tot verval. Bouwwerken zijn kwetsbaarder dan de meeste mensen denken en zuinig onderhoud resulteert op langere termijn in structurele problemen. Na de Tweede Wereldoorlog verkeerde Deventer in een deplorabele toestand. Grote delen van de stad werden beschouwd als vervallen en volkshuisvestelijk hopeloos verouderd. Bovendien was er tijdens de oorlog ernstige schade ontstaan. Sanering was de enige oplossing, en dat betekende sloop. >

Bouwwerken zijn kwets­ baarder dan de meeste mensen denken en zuinig onderhoud resulteert op langere termijn in structurele problemen

73


> Ook tijdens de Wederopbouwperiode verkeerde het Vaderland in een roes van optimisme. Alles zou beter worden. Gelukkig werd daarbij geen prioriteit gegeven aan de kostbare sanering van oude binnensteden. Het was eenvoudiger en goedkoper om nieuwe woonwijken te bouwen. Dat gebeurde ook in Deventer. Tegelijkertijd koesterde men grootse plannen om Deventer te transformeren tot een moderne industriestad, met een sprong over de IJssel op de koop toe. Toen deze megalomane visie op de toekomst van de oude Hanzestad in Den Haag werd geschrapt, voltrok zich een bijna revolutionaire ommekeer in het bestuurlijk denken. Het Wederopbouwplan voor de oude stad uit 1946 zou zeer ingrijpende gevolgen hebben gehad, zoniet fatale gevolgen, maar begin jaren zestig werden dergelijke brute moderniseringen door kritische burgers ter discussie gesteld. Zo ontstond in 1966 de Werkgroep Bergkwartier, en daarmee werd de basis gelegd voor een geheel nieuw stedenbouwkundig beleid. Twee jaar later werd de NV Bergkwartier opgericht en kon het herstel van de oude stad ter hand worden genomen.

Stedenbouw足 kundig gezien is Deventer een middeleeuwse stad, maar de architectuur in de binnenstad is natuurlijk in de loop der eeuwen vernieuwd. Met name gedurende de dynamische decennia na 1850 is er veel veranderd.

Niemand kan ijzer met handen breken, maar Deventer is toch wel veel dank verschuldigd aan de planoloog H.M. Goudappel en de architect H.F.A. Rademaker. De oorspronkelijke opdracht van Goudappel was het voorbereiden van de sprong over de IJssel, en ook voor Rademaker vormde de oude binnenstad niet een primaire taak. Zij vonden elkaar in het Bergkwartier. De planoloog en de architect kwamen tot het inzicht dat een goed geconserveerde historische binnenstad van grote waarde is voor de toekomst van de Nederlandse samenleving. Rademaker, van 1961 tot 1988 stadsarchitect, realiseerde naast zijn restauratiewerk ook opmerkelijke nieuwbouw in de binnenstad. Toen hij begin jaren zestig in Deventer werd geconfronteerd met de architectuur van een oude binnenstad, heeft hij al snel een eigenzinnige en moderne visie ontwikkeld op de ambachtelijke traditie in de bouwkunst. Waar mogelijk aarzelde hij niet om op stoutmoedige wijze zijn fantasie te gebruiken. De voor de hand liggende keuze, historiserende detaillering uit het boekje, was hem vreemd. Toch getuigt zijn werk 74


van een oprechte liefde voor het oude. De gevel van Roggestraat 8 bewijst dat hij oud metselwerk, inclusief bouwsporen en rommelig voegwerk, tot spreken kon brengen door het gewoon met rust te laten. Een hoogst opmerkelijk nieuwbouwproject is de gevel aan de Noorderbergstraat uit 1962, een van zijn eerste werken in Deventer. Het is een compromisloos modern ontwerp, maar toch harmonieert deze gevel goed met de restanten van de middeleeuwse stadsmuur. Nieuwbouw detoneert helaas vaak in een historische omgeving, of er wordt juist gekozen voor al te brave aanpassingsarchitectuur. Stedenbouwkundig gezien is Deventer een middeleeuwse stad, maar de architectuur in de binnenstad is natuurlijk in de loop der eeuwen vernieuwd. Met name gedurende de dynamische decennia na 1850 is er veel veranderd. Er verrees veel nieuwbouw en voor de detailhandel werd een nieuw type winkelpui ontwikkeld. Maar deze modernisering van de historische stad had in wezen nog een traditioneel karakter. De oude en doorgaans smalle parcellering van het stedelijk bouwwerk werd nog gerespecteerd. Constructief bood dat de mogelijkheid om een eeuwenoude traditie voort te zetten, met simpele balklagen tussen twee dragende muren. Ook bij winkelpuien werd dit gegeven gerespecteerd, zij het vaak onder een stalen puibalk, al dan niet in het zicht gelaten. Zelfs de revolutionaire jugendstil kwam alleen tot expressie in de detaillering van gebouwen. Rademaker begreep dat deze simpele formule essentieel was voor het behoud van de binnenstad. Met name de oude parcellering was in zijn ogen een fundamenteel stedenbouwkundig gegeven. Door de eeuwen heen had het stedelijk bouwwerk de opeenvolgende stijlen in de architectuur altijd kunnen absorberen. Vernieuwing is goed mogelijk, mits de maat en de schaal van de binnenstad de toon aangeven. Een wandeling door de binnenstad van Deventer leert dat juist de stilistische diversiteit het stadsbeeld zo aantrekkelijk maakt. De belangrijke monumenten vormen ankerpunten die de stad allure geven, maar daarnaast bepalen ook vele eenvoudige bouwwerken in allerlei stijlen de sfeer. In de drukke winkelstraten is die diversiteit verloren gegaan, om plaats te maken voor de eenvormigheid van het moderne winkelbedrijf. De Lange en de Korte Bisschopstraat zijn karakterloze straten geworden. Maar in veel andere straten kan de liefhebber zijn hart ophalen aan sprookjesachtige stadsbeelden. De Papenstraat, om maar een voorbeeld te noemen, biedt alle charme die de historische Nederlandse binnensteden zo aantrekkelijk maakt. De architectuur is gevarieerd, deels oud, deels minder oud, zorgvuldig gedetailleerd en aangenaam om naar te kijken. Ook stedenbouwkundig is de straat een wonder. Oude straatjes zijn bijna nooit recht, zodat de straatgevels een gesloten beeld vormen. De wandelaar voelt zich geborgen. Bovendien staan de huizen niet keurig op ĂŠĂŠn lijn, zoals in de moderne stedenbouw, waar de rooilijn een onverbiddelijk en hard gegeven is. De stedelijke ruimte komt zo > 75


> werkelijk tot leven: het steeds wisselende silhouet van de gevelbeëindigingen, de rijke detaillering van de architectuur en de onregelmatige situering van de afzonderlijke huizen bieden een ongekende rijkdom aan visuele indrukken. Zoiets als de Papenstraat is in de Nederlandse stedenbouw nooit meer geëvenaard. Bij alle genoegens die de binnenstad van Deventer biedt, moet zeker het plaveisel genoemd worden. In vele Nederlandse binnensteden heeft men zich bezondigd aan bijzondere bestrating. Daarvoor werden zelfs buitenlandse ontwerpers in de hand genomen. Het resultaat was eigenlijk altijd onbevredigend. In Deventer liggen overal bakstenen, op veel plaatsen zelfs oude bakstenen, in een simpel patroon, met een rijweg, twee goten, en een smalle strook voor de huizen. Er zijn geen stoepen, en dus ook geen stoepranden, zoals het hoort in een oude stad. De stoep is namelijk een uitvinding uit de negentiende eeuw. Deze keuze voor een sobere inrichting van de openbare ruimte kan met recht een zeer goede keuze worden genoemd. Na het vallen van het duister valt ook op dat er is nagedacht over de straatverlichting. Dit is geen simpel probleem, want het mag tegenwoordig niet te donker zijn in Nederland, ook niet in de oude binnensteden. De nieuwe lantaarns, bevestigd aan de gevels, geven helder wit licht, ongetwijfeld meer licht dan er gedurende de nachtelijke uren ooit geweest is, maar het resultaat is nog altijd sfeervol. De binnenstad van Deventer is in veel opzichten een toonbeeld van verstandig stedenbouwkundig beleid. Maar het evenwicht tussen oud en nieuw blijft een punt van zorg, niet alleen in, maar vooral ook direct rond de binnenstad. De verleiding is groot om met grootschalige nieuwbouw tegemoet te komen aan de vraag naar appartementen in de directe nabijheid van de historische stad. Het zou daarom verstandig zijn om nog eens goed na te denken over het silhouet van Deventer. De toren van de Lebuïnuskerk vormt nu nog een dominant gegeven, maar dat kan snel veranderen. Tot slot is er ook het autoverkeer. Het Grote Kerkhof en de Nieuwe Markt worden als parkeerplaats gebruikt. Dat is toch een aanfluiting voor deze fraaie pleinen. Het prachtige IJsselfront met zijn statige villa’s wordt geplaagd door druk autoverkeer. Dankzij Goudappel en Rademaker is Deventer een bezienswaardigheid geworden, waar bezoekers graag komen om in een snel veranderende wereld nog iets te proeven van het stadsleven van weleer. Er is veel bereikt, maar dat mag geen aanleiding zijn om het erfgoedbeleid op zijn lauweren te laten rusten. Integendeel. Er zijn tal van mogelijkheden denkbaar om de oude binnenstad nog meer glans te geven. < dr. Vincent van Rossem (1950) is architectuurhistoricus bij het Bureau Monumenten & Archeologie in Amsterdam, en sinds 1 mei 2009 hoogleraar Monumenten en Stedenbouwkundige vraagstukken van de periode sinds de 19de eeuw, in het bijzonder in de stad Amsterdam aan de Universiteit van Amsterdam. 76


77


1

4

7

10

78

2

5

8

3

6

9


de 44 panden in beeld

1 Sandrasteeg 8 - 1130 - Romaans De zijgevel van dit gebouw is de door een een glazen kap beschermde gevel van het oudste woonhuis in Nederland dat gewoon nog zichtbaar is. Het is in 1150 gebouwd als onderdeel van de hof van de Bisschop. Het woonhuis van de Proost, de poortwachter en als zodanig een verdedigingswerk met gesloten dikke muren en alleen bovenin enkele kleine vensters. 2 Bergkerk - 1200 - Romaans De Bergkerk dankt zijn naam aan de hoge ligging op een rivierduin. Het is het hoogtepunt van de middeleeuwse wijk. Het fiere “westwerk” heeft een gevel met de twee torens in romaanse stijl en is nog steeds van verre te zien. Bij de inwijding in 1206 werd de kerk toegewijd aan St. Nicolaas die de schutspatroon is van kooplieden en schippers. Schippers? Er is hier toch geen haven in de buurt? Of wel? Op het Bergschild kun je in een kleine stadstuin over de stadsmuur kijken en daar zie je de voormalige haven. De haven is in 1948 gedempt. Daarna is de Wilhelminabrug gebouwd. 3 Crypte Lebuïnus - 1100 - Romaans 4 Brink 69 - 1442 - Gotiek 5 Boterstraat 3 - 1495 - Gotiek Dit gebouw is nu de zijkant van het speelgoedmuseum. Het is in 1495 gebouwd, mooi dicht bij de haven en de Brink waar de handel werd gedreven. Het is een rijtje gotische pakhuizen. 6 de Waag - 1528 - Gotiek De Waag is een middeleeuws gebouw en is de oudste waag in Nederland. Het bordes is er later in 1643 aan toegevoegd in renaissancestijl. Let ook even op het verschil in baksteen tussen het bordes en het hoofdgebouw. De Waag is een voorbeeld van een “wereldlijk gebouw” in een gotische stijl. Dat is bijzonder want meestal zijn het kerken die in de gotische stijl zijn gebouwd. 7 Assenstraat 10 - 1550 - onder: Gotiek, boven: Renaissance 8 Brink 55 - 1575 - Renaissance Dit huis werd in 1575 gebouwd voor een “Bergenvaarder’ koopman. Het is een bijzonder mooi voorbeeld van een renaissance woonhuis. Aan de versieringen kun je zien waarin de koopman handelde: haring. 9 Brink 89 - 1495 - Renaissance Dit is het woonhuis van een rijke koopmansfamilie geweest. De familie Penninck. De zes mensfiguren beelden deugden uit. Caritas = naastenliefde, Fides = het geloof, Spes = hoop, Fortitudo = stand­vastigheid, Temperantia = matigheid, Prudentia = voorzichtigheid, Justitia - de gerechtigheid - ontbreekt. 10 Grote Kerhof 2 - 1632 - Renaissance Deze pronkgevel is in 1636 gebouwd toen het gebouw de nieuwe functie kreeg als behuizing voor de Staten van Overijssel. Vergelijk deze zuilenentree met die van het pand er naast. 79


11

14

17

20

80

12

15

18

21

13

16

19

22


11 Noordenbergstraat 6 - 1634 - Renaissance 12 Brink 10, 11 en 12 - 1630 - Renaissance Brink 11/12 heeft renaissance architectuur. Kenmerkend zijn de horizontale waterlijsten en de schelpversieringen boven de ramen. Vergelijk de 1e verdieping van dit pand met nr. 10 uit dezelfde tijd. Nr. 10 heeft zandstenen kruiskozijnen, glas in lood en luiken. No 11/12 heeft 19e eeuwse schuiframen. 13 Rijkmanstraat 13 - 1612 - Gelders-Overijsselse stijl Dit pand is gebouwd in 1612 in een stijl die vooral in Deventer en omgeving voorkomt: de “GeldersOverijsselse stijl”. Als je goed kijkt zie je dat er in het Bergkwartier veel huizen in deze stijl gebouwd zijn. Kenmerkend is de toepassing van hoofdzakelijk metselwerk. De gemetselde torentjes op de top heten pinakels, de horizontale banden met overhoeks gemetselde baksteen worden “muizentand” genoemd. Kenmerkend zijn de afgeronde overgangen in de topgevels. 14 Hofstraat 8 en 10 - 1623 - Gelders-Overijsselse stijl Het terrein van de Hofstraat maakte deel uit van het bisschoppelijke hof samen met de bisschoppelijke kerk, de Lebuïnuskerk, en de woning van de Proost, de poortwachter van de hof waar we later langs komen (1). Toen de Hofstraat rond 1623 werd aangelegd moeten het allemaal panden in de ‘gelders-overijsselse stijl’ zijn geweest. 15 Kleine Overstraat 23 - 1633 - Gelders-Overijsselse stijl Dit is weer een voorbeeld van een Gelders-Overijsselse gevel. Kijk eens naar de achtergevel die zichtbaar is in de Treurnietsgang. Hier zie je iets van de constructie van het huis. Het heeft een houten draagconstructie, die misschien wel ouder is dan de gevel die gedateerd is op 1633. 16 Lantaarn Lebuïnustoren - 1612 - Hollands Classicisme De lantaarn is een toevoeging uit 1612 in Hollands classicistische stijl op een toren en kerk met gevels in gotische stijl. Als dat geen stijlbreuk is! Aan de linkerzijde van het westportaal zijn ook nog fundamenten te zien. Er had een 2e toren moeten komen maar die is nooit gebouwd. 17 Polstraat - 1662 - Hollands Classicisme Deze gevel uit 1662 is met zekerheid een ontwerp van de Amsterdamse architect Vingboons. Het is een nieuwe zijgevel voor een oud gebouw. Van origine het “Wanthuis”, het huis waar het lakensnijdersgilde onder stadstoezicht zijn laken verkocht. Laken was een dure wollen stof. 18 Polstraat 18 - 1664 - Hollands Classicisme De gevel van dit pand lijkt wel een Griekse tempel. Het heeft zuilen met een ionisch kapiteel en basement. De top van de gevel wordt bekroond door een driehoekig timpaan en daaronder een horizontale lijst. Het is in 1664 gebouwd waarschijnlijk door de Amsterdamse architect Philips Vingboons, een architect die sterk beïnvloed is door de Italiaanse renaissance. 19 Grote Kerhof - 1692 - Hollands Classicisme Links naast het Wanthuis was al sinds de 13e eeuw het stadhuis. De beide huizen, Wanthuis en stadhuis, zijn samengevoegd en er is in 1692 een gevel voorgebouwd in Hollands classicistische stijl. Het heeft ondanks de geringe versiering een heel krachtige uitstraling door de diepliggende ramen en het bordes met de zuilen. Vooral die zuilen hebben een associatie met macht. 20 Assenstraat 4 - 1653 - Hollands Classicisme Aan het eind van de Vleeshouwerstraat zien we Assenstraat 4 met bouwjaar 1653. Een mooi voorbeeld van het Hollands classicisme: smalle halsgevel met ionische pilasters en een timpaan als beëindiging. Op de gevel staat de tekst: “Deo fidendum mediis utendum” Dit betekent: “Zoek vrij Uw baat bij medicijn, doch laat God Uw hoop zijn.” 21 Brink 102 - 1753 - Barok De Franse invloed is te zien aan dit pand met kroonlijst en kuif. Het bouwjaar is er in vermeld: 1735. 22 papenstraat 26 - 1740 - Barok 81


23

26

29

32

82

12 24

27

30

33

25

28

31

34


23 Kleine Poot - 1886 - Neo Classicisme De botermarkt is een gietijzeren gebouw gemaakt in 1886 naar een ontwerp van J.A.Mulock Houwer. Het gebouw is niet compleet. Wat nu het rechter deel is, is eigenlijk de middenpartij. Het was dus veel langer. Het werd in serie geproduceerd door ijzergieterij Nering Bögel. 24 Worp 2 - 1862 - Neo Classicisme 25 Brinkpoortstraat 76 - 1881 - Neo Classicisme Dit was ooit de plaats van een stadspoort: de “Brinkpoort”. Toen de vesting Deventer werd opgeheven in 1874 konden de stadsmuren worden gesloopt. Daarna is op wat toen de rand van de stad was, een rij voorname huizen gebouwd. 26 Nieuwstraat - 1907 - Neo Gotiek 27 Singel 15 - 1886 - Chaletstijl 28 Boedekerstraat 7 - 1892 - Chaletstijl 29 van Twickelostraat 9 - 1892 - Chaletstijl 30 Golstraat 22 - 1892 - Moorse stijl Dit sprookjesachtige gebouw is in 1892 gebouwd als synagoge. In de 18e eeuw werd onder invloed van de Franse filosofen het concept van de burgerrechten bedacht. Pas in 1796 kregen alle Nederlanders en ook Joden burgerrechten. Na die tijd zijn er veel synagogen gebouwd. Ze onderscheiden zich door een heel eigen architectuur die de moorse stijl wordt genoemd. De ‘moorse’ invloeden zie je aan de “sleutelgatbogen” en de roodwitte versieringen zoals van de Mezquita moskee in Cordoba, Spanje en aan de uivormige torentjes. 31 Polstraat 82 - 1860 - Eclectisch Dit pand is gebouwd in 1860. Aan de hand van de versieringen op de voordeur kun je zien dat het een hoge militair moet zijn geweest die hier woonde. Deze gevel is eigenlijk een verzameling van stijlen, en die combinatie heeft ook weer een naam: eclecticisme. Je ziet er spitsboogvensters naast versieringen met een barokkarakter. In de top onder de imposante lijstgevel zie je vensters die dichtgemetseld zijn. Daarachter bevindt zich het dak. Deze ‘schijnvensters’ doen het gebouw nog groter en imposanter lijken. 32 Brink 100 - 1905 - Jugendstil, Art Nouveau Ook aan dit pand komen bloemmotieven voor, maar dan heel anders. De bloemen op dit pand zijn veel meer gestileerd. 33 Nieuwstraat 91 - 1905 - Jugendstil, Art Nouveau 34 Kleine Overstraat 22/Vleeshouwerstraat - 1907 - Jugendstil, Art Nouveau Het gebouw is nu een restaurant, maar het is in 1907 gebouwd voor juwelier Husselman naar een ontwerp van architect M. van Harte. We zijn architect Van Harte eerder tegen gekomen bij het gebouw van de Sallandse bank (35). Dit gebouw met ranke jugendstilmotieven maakt wel een wat luchtigere indruk dan gebouw 35. 83


35

38

41

44

84

36

39

42

37

40

43


35 Hofstraat 14 - 1913 - Rationalisme Dit is een bankgebouw dat in 1913 door architect M. van Harte is ontworpen voor de Sallandsche bank. Samen met het stationsgebouw zijn dit voorbeelden van het rationalisme. De gebouwen hebben een wat zwaarmoedige maar degelijke uitstraling. Dat paste wel bij de functie. Deze architectuur doet denken aan gebouwen van de internationaal beroemde architect Berlage. Denk bijvoorbeeld eens aan zijn Koopmansbeurs in Amsterdam. 36 Stationsplein 4-6 - 1915 - Rationalisme Het stationsgebouw is ontworpen door architect H. Menalda. De functionele en rationalistische stijl ademen de geest van een nieuwe tijd. 37 Brink 20 - 1918 - Amsterdamse School, Art Deco Dit gebouw is in 1918 gebouwd. Rond 1900 ontstond een nieuw type gebouw voor vermaak: de bioscoop. Het werd toen volgens de laatste hippe architectuurmode gebouwd, met leuke versieringen van baksteen. De baksteencirkel rond de entreepui lijkt op de stralen van lamplicht (lux). Deze stijl wordt Amsterdamse School genoemd. 38 Smedenstraat 10 - 1919 - Art Deco 39 Bergkerkplein 10-11 - 1932 - Amsterdamse School Bekijk het pand van iets dichterbij. De mooie bijpassende belettering boven de garage geeft aan wat hier vroeger was gevestigd. 40 Emmastraat 33 - 1928 - Nieuwe Bouwen Het Kunstenlab. Dit in 1928 gebouwde kantoor van de ijzergieterij Nering Bögel is door architect Postma ontworpen in de stijl van het nieuwe bouwen. De vorm is een combinatie van een doos met een toren en een halve cilinder. De draagconstructie is een ‘modern’ betonskelet dat makkelijk in te delen is in ruimten. 41 Brink 94 - 1937 - Nieuwe Bouwen Hotel Royal is een voorbeeld van het nieuwe bouwen. De strakke gevel lijkt opgebouwd te zijn uit verschillende rechthoekige vormen. 42 Oldenielstraat - 1953 - Delftse School 43 Nieuwemarkt 23 - 1955 - Delftse School In 1955 werd deze school gebouwd als gymnasium. Het is typische wederopbouwarchitectuur. Traditioneel gebouwd met mooi ambachtelijk metselwerk. In 1952 werd op initiatief van de toenmalige rijksbouwmeester Gijsbert Friedhoff de kern van de huidige percentageregeling voor gebouwen vastgesteld. Dat betekende dat bij openbare gebouwen 1% van de bouwsom werd besteed aan kunsttoepassing. Ook hier is in de gevel een bijzonder kunstwerk te vinden. Het reliëf in de voorgevel is van Mw. Brugman-de Vries. Het symboliseert de gymnasiast die zijn kans grijpt (L) en degene die de kans voorbij laat gaan (R). 44 Stromarkt 18 - 1965 - Functionalisme Dit gebouw uit 1965 van de architecten Postma, Reyes, Roeterdink heeft ook een vorm van seriematigheid. De betonnen gevelelementen zijn in de fabriek gemaakt. Het gebouw wijkt qua materiaalgebruik erg af van de omgeving, maar let eens op de maten en verhoudingen. Er is moeite gedaan om het in te passen in de omgeving. Ook het beton ziet er nog prachtig wit uit. Dit gebouw heeft wel iets van de Amerikaanse wolkenkrabbers uit 1940: ‘Less is more'. 85


ST AT IO

NS ST RA AT

AT

de 44 panden in de stad EE

EL

G

EN

A ST RO M

N

IN

14

O

O

F HO

STR

R N

D

ST

T AA

RT

35

E

PO

U D

EN IV

A G

N

E G N A

C SS BI GR OT E

G

A

OV ER S

EE

15 34

O T

GR

3

OT

E AT W

16

I NE

E P O OT

10

20

RS

7

TR

19

A AT

GROTE KERKHOF

K LE

17

AS SE N

ST RA

UR

36

W

WO RP

EL L

EP AD

18 EN

W

DU

IM

PO

OR

T

PO

LS TR AA T

BU RS

EM

VOETVEER

B

RD

35

U

RS

AC HT E

34

ES TR AA T

EP

LE

IN

SP

32 33

A

N RA VE G NIEUWE MARKT

AT

VI

31

1 LE

RA ST G

EN

30

44

43 23

R

UR

29

E ER D

RA ST PS O H

L

RK T

ER ST O LO K

11

LAMM E V DIESE PLEIN PR O O SD IJ PA SS AG E

K

BE

M

28

E BROEDERENO PLEIN BR E D R TE H C A

ES TR A AT

G EE ST

EN

B B TI

A AT

ST MO EN LE NS EN TR AA W A T L

EN ST R U R B VA N A F A G R

N

NB JZE SI

G

N

DE

27

A

DE

R

26

BA N

PA RK W EG

E JZ SI

A AT

B

O EL EN

AT RA ST

ST R

OR

TE

25

EG

EN ER

N

NO

H AC

24

D

ED

G EE ST

22

38

E LV

PA

PE

23

37

HA

22 MUGGE PLEIN

21

E

O BR

IN LE NP DE LIN

G

19 20

EG TE SS

AT RA ST EN D LIN

H

R. ST ER IP U K

N UY

17 18

BR

16

33

E ST EN G A

EE PON T ST

28

R. ST

LE

26

ER G

EN

29

D

N IJ

I

O RD EN B

G BA

EL

TW

ST O EL CK

O

AT RA

AT A TR ST UW IE

N VA

SW

EL

ENSTRAAT SMED

N

15

PJ E

G

27

T AA

14

O N

KA

BE EN RD O

N SI RG

N

TR NS SO IB

11 12 13

HET PERCK

.G T.G

10

IN

DH UI

B

8 9

SIN GE L

BA

AT

7

SI EN N

SA

6

BIN NE N

G

5

SINGEL

N

4

GA SS ST TR HU AA IS T ST R

W O SS EN

BOEDEKE R S T R A

3

RD ST RA

1 2

EL

LE

39 40 41

BO LW ER KS W EG

24

42 43 44

86

N

MI

EL ILH

W


42

EG

ST AT IO N

BR IN KG EV ER W

NS

36

L

SIN GE L

ST RA AT

SIN GE

BRINKPOORT PLEIN

N

IZ E

T H A C R G E

25

38

EL

SK

AD

E

AN

PI

ND

A

R

HA

L TS

KE

PT

DE

EM

OP

IN KP OO RT ST RA AT

G

N

E RZ VE

LE I BAANP

ED

BR

K EU

R SB A

A

N

G RS TR AA T

SNIPPERLINGSDIJ

BRINK

ST

39 R AAT

T ESTRAA KAZERN

RG KE R

BE

2

EMMAPLEIN

F DE

NA

8

MENST

AA T

31

ZA ND PO OR T

LS TR PO

UG

BR

13 IL BERGSC H

RIJKMANSTR.

RS TR

AA T

AC

E HT

KER

RAAT

5

BO TE

KST EE

6 4

AT

E RD

MU

RE

N

-Z A

ND

PO

OR

OO

LABORATORIUM PLEIN

D

T

E

PO TH

40

LAAN

BOER

G

EEG

MR H

AT RA

MA AN ST

BOREELPLEIN

A MM

ST

RA

AT

FD

BOERPLN.

9

DA MS TR

PRIN SEN PL AA TS

ROGG E

37

BE RG ST

OV ER ST RA AT

A

30

PL EI N

STR AAT

41

SP I

JK ER

BO

EG TE RS O

GOL

12

ST RA AT

HOUTMARKT

AT RA ST

32

AA T

WALSTRAA T

K

OP CH SS BI

21

OTESTR.

KE IZE

E RT KO

AT

O GEERTGR

87


kaarten N

BORGELERDIJK

N N N

KAART 1250 - 1597 Eerste bakstenen stadsmuur (1200 - 1250)

Eerste bakstenen stadsmuur (1200 - 1250) Eerste bakstenen stadsmuur (1200 - 1250)

IJ ss e

Tweede bakstenen bakstenen stadsmuur (1340 (1340 1360) Tweede stadsmuur -- 1360) Tweede bakstenen stadsmuur (1340 - 1360)

l

en (1482) en Noordenbergtoren Noordenbergtoren (1482) Eerste bakstenen bakstenen stadsmuur stadsmuur (1200 (1200 -- 1250) 1250) Eerste

I IIJJJsss sssee elll

en Noordenbergtoren (1482) Bolwerk De Bolwerk De Keizer Keizer (1542) (1542) Tweede Tweede bakstenen bakstenen stadsmuur stadsmuur (1340 (1340 -- 1360) 1360) en (1482) Bastion Graaf van van Buren Buren (1558) en Noordenbergtoren Noordenbergtoren (1482) Bastion Graaf (1558) Bolwerk De De Keizer Keizer (1542) Bolwerk Bolwerk De (1542) Keizer (1542)

Eerste bakstenen stadsmuur (1200 - 1250)

Tweede bakstenen stadsmuur (1340 - 1360) en Noordenbergtoren (1482)

Bastion Graaf Graaf van Buren Buren (1558) Bastion Graaf van Buren (1558) Bastion van (1558)

Bolwerk De Keizer (1542) Eerste bakstenen stadsmuur (1200 - 1250) Eerste bakstenen stadsmuur (1200 - 1250) Eerste bakstenen stadsmuur (1200 - 1250)

0

Bastion Graaf van Buren (1558) Tweede bakstenen stadsmuur (1340 - 1360) Tweede bakstenen stadsmuur (1340 - 1360) en Noordenbergtoren (1482) (1340 - 1360) Tweede bakstenen stadsmuur en Noordenbergtoren (1482) en Noordenbergtoren (1482) Bolwerk De Keizer (1542) Bolwerk De Keizer (1542) Bolwerk De Keizer (1542)

0,5

1 km

Bastion Graaf van Buren (1558) Bastion Graaf van Buren (1558) Bastion Graaf van Buren (1558)

0,5 0,5 0,5

1 km 11 km km

M R. H.F. DE

BOERPLN.

0 0 0

N

N N N

KAART 1597 - 1700 1597 - 1700 Eerste bakstenen stadsmuur (1200 - 1250)

Eerste uitleg vestingwerken Eerste uitleg vestingwerken (1597-1621) (1597-1621) 1597 -- 1700 1700 1597 1597 - 1700 1700 - 1852

Hoogte +NAP >7m

Tweede bakstenen stadsmuur (1340 - 1360) en Noordenbergtoren (1482)

As se

ns tra

Po lst ra at

6-7m

Hoogte +NAP +NAP Hoogte Hoogte +NAP 5-6m >7m >7m >7m

Wal Wegen

4-5m 6-7m 6-7m 6-7m

IJsseloever Gereconstrueerde perceelsgrenzen Wal Wal Wal Wegen Wegen Wegen IJsseloever IJsseloever IJsseloever

<4m 5-6m 5-6m 5-6m 4-5m 4-5m 4-5m

Gereconstrueerde Gereconstrueerde perceelsgrenzen Gereconstrueerde perceelsgrenzen perceelsgrenzen

<4m <4m <4m

IJPPPsoolst ols a lssttrre raaaaltt a

at

Eerste uitleg uitleg vestingwerken Eerste Eerste uitleg vestingwerken vestingwerken (1597-1621) (1597-1621) (1597-1621) Tweede uitleg vestingwerken (1700)

Bolwerk De Keizer (1542) A Asss Assen seenst nsstrraa traaat att

kaart 1700 - 1852 1700 -- 1852 1852 1700 1700 - 1852

Bastion Graaf van Buren (1558) 0

t

50

100

Pothoofd (1716) Tweede Tweede uitleg uitleg vestingwerken vestingwerken (1700) (1700)

m

IIIJJJsss ssseeell l

Tweede uitleg vestingwerken (1700) Tweede uitleg vestingwerken (1700) Hoornwerk (1742)

0 0 0

50 50 50 m m m

100 100 100

Pothoofd (1716)

Pothoofd Pothoofd (1716) (1716) (1716) Pothoofd

M R. H.F. DE

BOERPLN.

Hoornwerk (1742) Hoornwerk Hoornwerk Hoornwerk (1742) (1742)

1597 - 1700

88

Eerste uitleg vestingwerken (1597-1621)

1700 - 1852

(1742)


BBO BO BO BR O O E E ER EP RPRLPELN PLR LN N .PN .L..N.

M M M M R R.RM R.H .R.HH .H ..F .F.H F F .DD ..D EFD E.EEDE

hoogte kaart rond het jaar 1000 Hoogte +NAP Hoogte + NAP Hoogte Hoogte +NAP +NAP >7m > 7 m > > 7 m >7 7m m

>7m

6-7m 6 --- 7 m 6 6 7 m 6 6-7 -7 7m m

m

5-6m 5 --- 6 m 5 5 6 m 5 5-6 -6 6m m

m

4-5m 4-5 4 -5 m 4 4 5 m 4 --- 5 5m m

m

<< 4m 4 < 4 m < < 4 m <4 4m m

m

N N N

Hoogte +NAP Hoogte +NAP Hoogte Hoogte +NAP +NAP Hoogte +NAP >7m > >7 7m m > >7 7m m

6-7m 6 -- 7 6 7m m 6 6 -- 7 7m m 5-6m 5 -6m 5 5 --- 6 6m m 5 6 m 4-5m 4 -5m 4 4 --- 5 5m m 4 5 m

As se A A Asssssens A ssseennstra ennssttr at sttrraaaa raaatt att

IIJs IJJssssel seell

0 0 0 0 0

100 100 100 100 100

50 50 50 50 50 m m m m m

MM RM R .R .H.H .FH .F.D F.D ED EE

BB OB O EO ER ELR R P PN LPN L.N ..

<4m < m <4 4 m < 4m m < 4

Wal Wal Wal Wal Wal Wegen Wegen Wegen Wegen Wegen IJsseloever IJsseloever IJsseloever IJsseloever IJsseloever Gereconstrueerde Gereconstrueerde perceelsgrenzen Gereconstrueerde Gereconstrueerde Gereconstrueerde perceelsgrenzen perceelsgrenzen perceelsgrenzen perceelsgrenzen

Po PPolst r PPoools ls t aa ls lsttrrraaat traat aaatt t

infrastructuur Infrastructuur rond het jaar 1000 Infrastructuur Infrastructuur Wal Wal Wal Wal

N N N

Wegen Wegen Wegen Wegen

IJsseloever IJsseloever IJsseloever IJsseloever Gereconstrueerde perceelsgrenzen Gereconstrueerde Gereconstrueerde perceelsgrenzen perceelsgrenzen

Hoogte +NAP Hoogte Hoogte +NAP +NAP

Hoogte +NAP

>7m >7m >7m 6-7m 6-7m 6-7m 5-6m 5-6m 5-6m

>7m

4-5m 4-5m 4-5m <4m <4m <4m

Wal Wal Wal Wegen Wegen Wegen IJsseloever IJsseloever IJsseloever Gereconstrueerde Gereconstrueerde perceelsgrenzen Gereconstrueerde perceelsgrenzen perceelsgrenzen

Po Pols Polstr lstraaa tr at aat t

IIJJs IJsssse seell l

As Ass Assen seensstr nstraa traaat att

0 0 0

50 50 50 m m m

100 100 100

6-7m

5-6m

4-5m

<4m

89


500

1000

1500

1600

170

500 - 1000 Tijd van monniken en ridders 950 - 1250 Romaans 1000 - 1500 Tijd van steden en staten 1230 - 1550 Gotiek

1500 - 1600

90


00

1800

1900

2000

tijdlijn Tijd van ontdekkers en hervormers

1530 - 1633 Renaissance 1609 - 1633 Gelders-Overijsselse stijl 1600 - 1700 Tijd van regenten en vorsten 1630 - 1700 Hollands Classicisme 1700 - 1800 Tijd van pruiken en revoluties 1700 - 1813 Barok

1800 - 1900 Tijd van burgers en stoommachines I 1820 - 1850 Neo Classicisme 1830 - 1910 Neo Gotiek 1875 - 1930 Neo Renaissance

1800 - 1900 Tijd van burgers en stoommachines II 1850 - 1910 Eclecticisme, Chalet- en Moorse stijl

1900 - 1950 Tijd van wereldoorlogen I 1900 - 1918 Art Nouveau, Jugendstil

1900 - 1950 Tijd van wereldoorlogen II 1900 - 1920 Rationele architectuur 1910 - 1930 Art Deco en Amsterdamse School

1900 - 1950 Tijd van wereldoorlogen III 1920 - 1940 Het Nieuwe Bouwen 1940 - 1955 wederopbouw 1925 - 1955 Traditionalisme 1920 - 1970 Functionalisme 91


colofon

Uitgave van Stichting Architectuurcentrum Rondeel, deventer

concept ir. Coraline Vester redactie en eindredactie Tom de Vries, Marion Lanting teksten ir. Coraline Vester, prof. ir. Koen Ottenheym, prof. dr. Vincent van Rossem, Alied van der Meer fotografie Erwin Zijlstra, Deventer ontwerp Eloi Koster, Apeldoorn Coert de Boe, Arnhem druk Thieme, Deventer met dank aan Johans Kreek en Archeologie Deventer

deze uitgave werd mogelijk gemaakt door

ISBN/EAN 978-90-814047-1-6 CopyrightŠ Stichting Architectuurcentrum Rondeel Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze zonder voorafgaande toestemming van de uitgever.


In Deventer, architectuur tot 1950  

1e in een serie boeken, waarin de bouwgeschiedenis van Deventer in kaart is gebracht. In de uitgave is tevens een wandelkaart toegevoegd.

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you