De wolf, de jongen en de kweker - Kerstverhaal 2022

Page 1

2
3
Kerstverhaal 2022

Toch liever naar Scan deze code en luister meteen!

4

De Groningse schrijver Herman Annema (1978) is geboeid door de onweerstaanbare aantrekkingskracht van verhalen en hoe ze een gids kunnen zijn in tijden van grote verandering. In opdracht schreef hij het Kerstverhaal ‘De wolf, de jongen en de kweker’ .

In 2022 presenteerde Annema zijn veelbelovende roman Jacht op de zwaartekracht waarin hij op magistrale wijze verschillende werkelijkheden op hoog literair niveau bij elkaar brengt binnen het genre magisch realisme. Daarnaast geeft hij inspiratievoorstellingen en begeleidt hij mensen en organisaties.

5
6

Deel 1 De wolf

Er was vorst op komst. Vanochtend vroeg, toen Ruud en zijn zoon Max bezig waren de laatste boompjes in de potten te doen, was daar nog geen sprake van. De lucht was asgrauw en de atmosfeer warm. Maar in de loop van de ochtend was de bewolking weggetrokken en met ieder uur dat verstreek, was de temperatuur gedaald. Alsof iemand daarboven de klimaatbeheersing had verloren en had besloten de airco vol aan te zetten.

Ruud gooide nog een blok hout in de vuurkorf en terwijl hij zijn handen warmde aan de vlammen, keek hij naar de avond. Boven de kwekerij was het kraakhelder en in de schoongeveegde hemel klom een grote, ronde maan langzaam omhoog. Ruud ademde diep in en voelde hoe de droge, koude lucht door zijn neus sneed. Ja, er was absoluut vorst op komst. En flink ook. Het zou hem niet verbazen wanneer de vrijwilligers van de ijsvereniging uit het nabijgelegen dorp

7

alweer opgetrommeld waren om de eerste marathon op natuurijs binnen te slepen.

Ruud werd overmand door nostalgie. Hij hield van de winter, ook al was die niet meer zoals vroeger. Het was zijn seizoen, al zo lang hij zich kon herinneren. Hij hield van het contrast. Van de kou en het donker buiten, en de warmte en het licht binnen. Het was alsof hij door dat scherpe contrast meer tot leven kwam, contact kreeg met zijn lichaam. En niet onbelangrijk: de winterperiode had al sinds jaar en dag een groot aandeel in de jaaromzet van de kwekerij. De winter was zogezegd zijn brood.

Tevreden liet Ruud zijn blik gaan over de akker naast de schuur. Vanochtend had deze volgestaan met sparren, maar nu was ie nagenoeg leeg. Het was de hele dag druk geweest. Aan één stuk door had hij zijn pleegbomen verkocht. Gelukkig met de hulp van Max die de netten om de boompjes trok en natuurlijk van Mariët, zijn vrouw, die de schuur had omgetoverd tot kerststal waar ze kerstspulletjes, lekkernijen en warme chocolademelk verkocht. Ruud wist dat niet iedereen het tegenwoordig even breed had, maar had bij zijn klanten gemerkt dat er desondanks op de feestdagen niet werd beknibbeld. Hoe schraal het leven soms ook mocht zijn,

8

de kerstgedachte was onverminderd sterk in de mensen. Dus was hij op zijn beurt flexibel met de prijs van zijn boompjes als de situatie daar om vroeg. Hij hoopte dat het morgen weer zo’n drukke en gezellige dag zou worden, maar voor vandaag zat het werk erop. Hij begaf zich naar de kerststal en tapte een mok vol met de nog hete chocolademelk. Toen haalde hij uit de binnenzak van zijn jas een heupflesje, nam er een slok uit en schonk de rest bij de chocolademelk.

‘Een hartversterkertje heb ik wel verdiend,’ zei hij tegen niemand in het bijzonder.

Hij sloot de schuur af, liet alleen de kerstverlichting branden en nestelde zich op het bankje achter de schuur. Ruud merkte hoe de rum hem van binnenuit verwarmde en voelde zijn gezicht gloeien. Hij grinnikte. Het was hem nog nooit gelukt de zeldzame keren dat hij stiekem een neut nam, dit voor Mariët verborgen te houden. Ze zag het altijd meteen aan de rode neus die hij ervan kreeg. Het zou dit keer wel niet anders zijn, bedacht hij.

Zittend achter de schuur, voelde Ruud zich opeens omringd door een ongewone stilte. Nu was hij natuurlijk bekend met de stilte van het buitenleven, maar deze stilte was anders. Alsof er opeens een onzichtbare muur was

9

opgetrokken tussen hem en de wereld om hem heen. Ruud spitste zijn oren, hoorde niets, maar voelde dat hij niet langer alleen was. Alsof een aanwezigheid zijn bewustzijn was binnengedrongen. Hij tuurde een poosje over het land van boer Hoving dat grensde aan de kwekerij en toen zag hij ze, twee gele ogen die hem vanuit de duisternis aanstaarden. Een koude rilling liep over zijn rug en terwijl een vreemde spanning hem aan het bankje vastnagelde, realiseerde Ruud zich dat hij oog in oog stond met een wolf. Hij kende wolven alleen van de lugubere sprookjes die zijn grootouders hem vroeger vertelden en van de foto’s die tegenwoordig regelmatig in het nieuws voorbijkwamen, maar nog nooit had hij er één in het echt gezien. Tot nu toe, want alles in hem wist dat dit wilde dier dat zich daar in de duisternis bevond een wolf was. Het was alsof hij een wezen ontmoette dat afkomstig was uit een andere wereld. Een wezen wiens bedoelingen hij niet kende.

Hoe langer hij in de indringende gele ogen keek, hoe meer de wolf bij hem binnendrong en daar de wildernis van zijn eigen menselijke ziel ontsloot. Een wildernis die hij ergens vergeten was geraakt, maar nu, onder invloed van deze bijzondere ontmoeting weer in hem ontwaakte. Het voelde

10

als een pure, rauwe levenskracht die hem herinnerde aan de natuur, zijn diepe connectie met het leven zelf. Dat was het moment dat de wolf dichterbij kwam. Behoedzaam, de oren rechtop, trots en gracieus. Ruud voelde hoe zijn eerdere angst verdween, dat zijn lichaam zich ontspande en dat hij van dit dier niets te vrezen had. Omringd door de onzichtbare muur was het alsof hij en de wolf de enige wezens op de wereld waren. Wolf en Mens. Mens en Wolf. Dat was alles wat er in dat moment bestond.

Langzaam maar zeker kwam de wolf dichterbij. Ruud kon niets dan bewondering voelen voor het ontzagwekkende dier. Voor zijn gespierde lijf, de zilverkleurige strepen in zijn dikke vacht en de spitse, zwarte neus die dampwolkjes uitblies. De wolf was Ruud nu tot zo’n vijf meter genaderd en hield toen plotseling halt. Hij richtte zijn kop op en op dat moment zag Ruud dat het dier iets in zijn bek had. Hij kon niet goed zien wat het was, maar begreep instinctief dat het voor hem bedoeld was. De wolf liet het ding uit zijn bek vallen, keek Ruud nog een keer aan, draaide zich om en rende weg.

Op hetzelfde moment verdween de onzichtbare muur en werd Ruud zich weer bewust van de chocolademelk in zijn hand en de kwekerij. Verbijsterd keek hij de wolf na, klom

11

toen over de afrastering van Hovings land en liep naar de plek waar de wolf iets had laten vallen. Hij bukte zich voorover en wendde zich naar het maanlicht om goed te kunnen zien wat hij zojuist had opgeraapt. Er ging een schok door hem heen. Want in zijn hand had hij een schoen. Een schoentje van een kind, niet ouder dan acht of negen jaar.

12

Deel 2

De jongen

Met een schok kwam de vrachtwagen tot stilstand. Achterin de trailer schrok de jongen wakker uit bange dromen over zijn moeder en mannen met bruine tanden en luide stemmen. Gedesoriënteerd liet hij zijn ogen aan het donker wennen en werd zich weer bewust van waar hij zich bevond. Buiten hoorde hij mensen praten in een taal die hij niet kende, zoals hij sinds zijn vlucht al zo veel vreemde talen had gehoord. Onmiddellijk zag hij de mannen met de bruine tanden weer voor zich en een hevige paniek maakte zich van hem meester. Wat was er daarbuiten aan de hand? Waarom reden ze niet verder? Hadden ze hem misschien ontdekt, flitste er door hem heen. De motor van de vrachtwagen werd uitgezet en met bonkend hart kroop de jongen uit zijn schuilplaats en schuifelde naar de achterzijde van de trailer. Tot zijn grote opluchting ontdekte hij dat het zeildoek van de trailer waar hij zich twee – of was het inmiddels al drie? – dagen geleden door naar binnen had gewurmd, nog steeds los zat. Hij gleed

13

door de opening naar buiten en liet zich plat op de weg vallen. Wat hij zag benam hem de adem. Blauwe en rode zwaailichten lichtten op in het donker en drie paar benen stonden bij de cabine van de vrachtwagen. Politie! Dat betekende, zo hadden de afgelopen weken hem geleerd, niet veel goeds. Hij herinnerde zich de agenten, de vele grensposten, de smeekbedes van zijn moeder, de steekpenningen, de hardvochtige gezichten en hij moest zijn best doen om niet in huilen uit te barsten.

Ondertussen werd er een zaklantaarn aangeknipt. De lichtbundel bewoog in zijn richting en doodsbang keek de jongen om zich heen. De weg was aan weerszijden geflankeerd door bos en rechts van hem stond een bord met daarop de tekst: “Hunebed Highway”, maar hij had geen flauw idee wat dat kon betekenen. De lichtbundels kwamen nu dichterbij. De jongen bedacht zich geen moment en schoot het struikgewas rechts van hem in.

‘Wat was dat?’ vroeg de agent die op hetzelfde moment de achterzijde van de trailer bereikte. De chauffeur haalde zijn schouders op. ‘Een hert? Die hebben jullie hier toch?’

14

De agent liet het licht van haar zaklamp een poosje over de bomen en het struikgewas glijden. Toen ze zich ervan verzekerd had dat zich daar niets bevond, draaide ze zich om naar de chauffeur en zei: ‘U krijgt een boete voor het rijden met een kapot achterlicht. Repareer het zodra u in Groningen bent. Oh, en maak dat zeil vast.’

De chauffeur nam morrend de bon in ontvangst, gespte het zeil vast en liep terug naar de cabine van de vrachtwagen. De agenten stapten weer in de politiewagen en reden weg, even later gevolgd door de vrachtwagen. Maar daar kreeg de jongen niets meer van mee.

Hij rende door het bos, in de vaste overtuiging dat hij op de hielen werd gezeten. Takken zwiepten tegen zijn gezicht en hij ging regelmatig onderuit door dikke boomwortels die uit de grond staken. Gelukkig scheen de maan, anders had hij geen hand voor ogen kunnen zien. Hij was buiten adem, maar waar hij niet durfde te stoppen met rennen, hielp het bos hem een handje. De voet van de jongen verdween in een kuil, waarop hij zijn evenwicht verloor, zijn hoofd tegen een boom stootte en hard tegen de grond smakte.

Toen hij weer bij bewustzijn kwam, stond de maan een stuk hoger aan de hemel. De jongen voelde zich uitgehongerd

15

en merkte dat hij tot op het bot verkleumd was. Verzwakt probeerde hij overeind te komen, maar door een venijnige pijn in zijn linkervoet zakte hij meteen weer terug. Hij ging zitten, deed voorzichtig zijn schoen uit en voelde aan zijn voet. Meteen was er weer die vlammende pijn en de jongen moest zijn best doen om het niet uit te gillen. Wanhopig keek hij om zich heen. Hij had geen idee in welk land hij was. Overal waren bomen, het was ijskoud en nu kon hij ook niet meer lopen. Op dat moment werd het hem allemaal te veel. Snikkend viel hij terug tegen de koude aarde en terwijl hij daar lag, voelde hij een zware vermoeidheid over zich heen komen. Verlangend naar slaap, besloot hij zijn betraande ogen even te sluiten. *

Waakzaam naderde de wolf de jongen. Toen hij bij hem was cirkelde hij een poosje om hem heen. Daarna liep hij naar de jongen toe en snuffelde even aan zijn kleren. De wolf begreep dat de jongen hier in dit koude bos gevaar liep en huilde, maar er waren geen soortgenoten in de buurt om zijn gehuil te beantwoorden. Uiteindelijk vleide hij zich tegen het

16

mensenkind om de warmte van zijn wolvenlijf beschikbaar te stellen aan dat van hem.

De jongen kreunde. Hij zweefde ergens tussen slapen en wakker zijn in. Hij droomde over zijn moeder en de laatste keer dat hij haar had gezien. Dat was bij de Bulgaarse grens, de plek waar hun vluchtplannen leken te stranden. Hij droomde over de grenswachten en dat zijn moeder niet genoeg geld had om hen beide doorgang te verschaffen. Dat ze hem had gezegd dat hij alleen verder moest gaan. Dat hij sterk moest zijn en dat ze snel weer bij hem zou zijn. Hij droomde over de mannen die zijn moeder tegenhielden. En hij droomde over het moment dat zijn moeder haar rug naar hem toedraaide, nog voor hij in de vrachtwagen kon klimmen. Toen het lichaam van de jongen warmer was geworden, kwam de wolf overeind. Alsof hij wist dat hij niet eeuwig bij hem kon blijven liggen. Bovendien had de jongen meer nodig dan alleen een warm lichaam. Hij had zijn eigen soort nodig. Geen wolf. Hij drentelde om de jongen heen en vond de schoen die de jongen had uitgedaan. Hij nam de schoen in

17

zijn bek, wierp nog een blik op de slapende jongen en zette het op een lopen.

Het was tijd om naar de mensenwereld toe te gaan.

18

De kweker

Ruud en Max renden over Hovings land. De meegenomen zaklantaarns wierpen lange bundels licht voor de twee mannen uit. Max dacht aan hoe zijn vader hem uit zijn slaapkamer had geroepen en had gezegd dat er buiten ergens iemand was die hulp nodig had. Hij had ook gezegd dat er geen tijd te verliezen was.

‘Pap, kun je me alsjeblieft vertellen wat er aan de hand is?’ vroeg Max buiten adem. Hij kon het tempo amper bijhouden. Was zijn vader in een vorig leven soms marathonloper geweest? vroeg hij zich af. Hij keek naar zijn vaders ronde buik en kon het maar moeilijk geloven.

‘Geen tijd,’ brulde Ruud. ‘Vertrouw me.’

Even later bereikten ze de bosrand. Ruud vertraagde zijn pas en kwam tot stilstand.

‘Zaklampen uit, Max,’ zei hij tegen zijn zoon.

Max gehoorzaamde zijn vader en samen stonden ze een poosje aan de bosrand.

19 Deel
3

‘Pap, wat doen we hier?’

‘We wachten.’

‘Waarop precies?’

Ruud zweeg en tuurde gespannen tussen de bomen door. Max wilde nog wat zeggen, maar Ruud gebaarde dat hij stil moest zijn. Toen zag hij in de verte de gele ogen die hij eerder die avond bij de schuur had gezien.

‘Daarop,’ fluisterde hij, terwijl hij naar de ogen wees. Op dat moment zag Max ze ook.

‘Zijn dat, is dat een…?’

‘Reken maar. Kom op.’

Vader en zoon volgden de wolf door het bos. Iedere keer dat Ruud en Max hem uit het oog dreigden te verliezen, stopte de wolf even. Zodra ze hem weer in het vizier kregen, kwam hij weer in beweging. Zo leidde de wolf de beide mannen het bos in, naar de plek waar hij de jongen had achtergelaten. De wolf legde zijn kop tegen de borst van de jongen die nog steeds leek te slapen. Toen Ruud de jongen bereikte, deed hij, nadat de wolf zich had teruggetrokken, hetzelfde. Hij zakte door zijn knieën en legde zijn oor tegen de borst van de jongen.

20

‘Hij leeft nog,’ zei Ruud opgelucht. ‘Maar we moeten zorgen dat hij niet verder afkoelt.’ Hij trok zijn jas uit en wikkelde die om de jongen. Toen nam hij hem in zijn armen en kwam overeind.

‘Naar huis, Max.’ Ruud stond op het punt te gaan lopen, maar bedacht zich toen en draaide zich om. Voor de laatste keer die dag stond hij oog in oog met de wolf en zei: ‘Bedankt, goede vriend.’ Toen knikte hij naar zijn zoon en samen keerden ze huiswaarts. Tegen de tijd dat ze boer Hovings land bereikten, klonk vanuit het bos wolvengehuil. * Het haardvuur dreef de temperatuur in de woonkamer van de kweker flink op. De jongen was wakker en zat met een knie opgetrokken en zijn pijnlijke been gestrekt op de bank met een deken over zich heen. Hij dronk van de chocolademelk en at gulzig van de boterhammen die Mariët hem had gegeven. Om meer te weten te komen, had Ruud de jaszakken van de jongen doorzocht en een versleten foto gevonden. Op de foto stonden de jongen en een oudere vrouw, waarschijnlijk de moeder. Op de achterkant stonden een paar namen en een mailadres geschreven. Dat was in

21

ieder geval een aanknopingspunt. Ruud had de jongen zijn naam verteld, gevraagd hoe hij heette en waar hij vandaan kwam. Eerst in het Engels en toen dat niet lukte had hij Max erbij gevraagd om het in het Frans en Duits te proberen. Maar al zijn pogingen ten spijt, de jongen bleef zwijgen. Hij had een angstige blik in zijn ogen. De blik van iemand die niet weet wat hem te wachten staat, iemand die niet weet of een ander mens wel te vertrouwen is.

Mariët was in de keuken aan het bellen met de huisartsenpost. Ruud zelf stond er een beetje schaapachtig bij. Kwesties die betrekking hadden op gevoel en emotie waren meer Mariët haar terrein en nu hij even niet meer de held kon uithangen met praktische oplossingen, voelde hij zich een beetje onbeholpen. Hij frunnikte wat aan een kerstbal in de kerstboom, toen hij opeens merkte dat de jongen hem aanstaarde. Ruud voelde zich er ongemakkelijk bij, tot hij zich bewust werd dat de jongen niet naar hem keek, maar naar het ingelijste haakwerk dat aan de muur naast de kerstboom hing. Het werk bestond uit slechts één woord dat lang geleden door zijn moeder was gehaakt. Het was zijn moeders motto waarvan ze hem altijd het belang op het hart had gedrukt. Nu

22

wees de jongen ernaar, alsof het een onweerstaanbare aantrekkingskracht op hem had.

‘Wil je weten wat hier staat?’ probeerde Ruud het nog eens in zijn beste steenkolenengels. De jongen leek hem te begrijpen en knikte.

Ruud dacht even na en zei: ‘Waar ik vandaan kom, waar jij nu bent, is dit een héél belangrijk woord. En dat woord is Noaberschap.’ Hij wees naar zijn moeders haakwerk. ‘Het wil zoveel zeggen als, naar elkaar omkijken.’

Even was het stil en toen herhaalde de jongen: Noaberschap. ‘Precies,’ glimlachte Ruud en hij ging naast de jongen op de bank zitten. Die lachte terug en leek zowaar wat te ontdooien. Én hij had voor het eerst gesproken.

Mooi, dacht Ruud. De jongen had zo te zien een lange reis achter de rug. Een reis die hem uiteindelijk hier bij hem en zijn gezin had gebracht. Niemand kon met zekerheid zeggen wat de dag van morgen voor hem zou brengen en er waren nog veel vragen te beantwoorden. Maar nu was de jongen hier. Er was warmte en een gevoel van welkom zijn. En te oordelen naar de blik die de jongen in zijn ogen had gehad, was dat voor hem alweer een poosje geleden. Misschien was het ook wel niet nodig om met elkaar te praten. Ze waren bij

23

elkaar en dat was genoeg. En wanneer het hart open stond, was het in staat om zowel te geven als te ontvangen. Dat was Noaberschap en op dat moment kon Ruud geen betere manier bedenken om de kerst te beginnen.

Einde

24

Op de volgende pagina’s vindt je een preview van ‘Jacht op de zwaartekracht’ .

Je kunt het boek bestellen via de website van de en het is tevens verkrijgbaar in de boekhandel.

25
26
27
28
34
Titel: Jacht op de zwaartekracht Auteur: Herman Annema Genre: Magisch realisme Uitgever: Elk Books ISBN: 9789493255364 NUR: 300 Aantal pagina’s: 284
35