__MAIN_TEXT__
feature-image

Page 1

2012 De voorlopige hechtenis in het licht van de ‘praesumptio innocentiae’. In hoeverre mag iemand van zijn vrijheid worden beroofd door in voorlopige hechtenis te worden genomen, zonder dat zijn schuld in rechte is komen vast te staan?

Elise Krielen Bachelor scriptie Rechtsgeleerdheid Universiteit Utrecht Juni 2012


Inhoudsopgave Afkortingen…………………………………………………………………………..…….2 Inleiding………………………………………………………………………….…..……..3 1. De onschuldpresumptie……………………………………………………………………5 1.1 Het geldende recht……………………………………………………………..…..5 1.1.1 De onschuldpresumptie op internationaal niveau…………………....…..6 1.1.2 De onschuldpresumptie op nationaal niveau………………………..……6 2. De voorlopige hechtenis………………………………………………………………...….8 2.1 Het geldende recht…………………………………………………………………8 2.1.1. Voorwaarden voor de voorlopige hechtenis…………………………..…9 2.1.1.1 Ernstige bezwaren………………………………………….….10 2.1.1.2 Gevallen van voorlopige hechtenis……………………………11 2.1.1.3 Gronden voor voorlopige hechtenis………………………..….11 2.1.1.4 Anticipatiegebod………………………………………………13 3. De voorlopige hechtenis in de praktijk……………………………………………….…14 3.1 Het strafrecht als ‘ultimum remedium’…………………………………………...15 3.2 Omgang van rechters met de toepassing van voorlopige hechtenis…………………15 3.3 Kritieken…………………………………………………………………………..16 Conclusie……………………………………………………………………………….......18 Literatuur…………………………………………………………………………...……..20

1


Afkortingen A-G Art. EHRM EVRM NJ OM OvJ R-C Sr Sv

Advocaat-Generaal Artikel Europees Hof voor de Rechten van de Mens Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten de Mens en de fundamentele vrijheden Nederlandse Jurisprudentie Openbaar Ministerie Officier van Justitie Rechter-Commissaris Wetboek van Strafrecht Wetboek van Strafvordering

2


Inleiding Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, wordt voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan. Pas na een (onherroepelijke) veroordeling wordt de verdachte een dader. Dit beginsel van de onschuldpresumptie is neergelegd in onder meer artikel 6 lid 2 EVRM en is een leidend beginsel voor het Nederlandse strafproces. Daarnaast geldt het recht op individuele vrijheid als fundamenteel grondrecht1. In dit licht dienen verdachten zoveel mogelijk de berechting van hun zaak in vrijheid te kunnen afwachten.2 Dit beginsel lijkt tegenstrijdig te zijn met de voorlopige hechtenis, waarbij de verdachte gedurende het voorbereidend onderzoek van zijn vrijheid wordt beroofd terwijl hij nog niet schuldig is bevonden door de rechter. Dit is een ingrijpend dwangmiddel en heeft een problematisch karakter omdat het -evenals andere vrijheidsbenemende dwangmiddelen- inbreuk maakt op het recht op fysieke vrijheid van de persoon.3 Ondanks dit problematische karakter moet worden bedacht dat het in de praktijk onvermijdelijk is om in bepaalde gevallen vrijheidsbenemende maatregelen te treffen ten aanzien van een verdachte, reeds een lange tijd voordat de rechter tot een eindoordeel komt.4 In Nederland wordt de voorlopige hechtenis in verhouding vaak toegepast. Hoogleraar strafprocesrecht prof. mr. Klip heeft cijfers genoemd waaruit blijkt dat de detentieratio in Nederland in de periode van 1992 tot 2008 is gestegen van 49 naar 100. De detentieratio geeft een indicatie met betrekking tot het algehele strafklimaat van een land. Het vertelt hoeveel mensen per 100.000 inwoners gedetineerd zijn.5 Volgens Klip betreft het aantal voorlopig gehechten hiervan 35 procent, waarmee Nederland een vijfde plaats in de Europese Unie inneemt.6 Strafjurist mr. Buruma stelt zelfs dat dit percentage tot boven de 50 procent is opgelopen.7 Je zou denken dat dit voor Nederland eerder aanleiding zou geven tot het terugdringen, dan tot een verruiming van de toepassing van de voorlopige hechtenis.8 Niets is minder waar. In 2011 komt de minister van veiligheid en justitie, Ivo Opstelten, met een concept wetsvoorstel tot wijziging van art. 67a lid 2 van het Wetboek van Strafvordering, in verband met de uitbreiding van de gronden voor voorlopige hechtenis.9 Dit conceptwetsvoorstel strekt ertoe een extra grond voor voorlopige hechtenis in te voeren teneinde vaker snelrecht toe te kunnen passen. De voorgestelde grond wordt als volgt geformuleerd: ‘indien er sprake is van verdenking van een der misdrijven omschreven in de artikelen 141, 157, 285, 300 tot en met 303 of 350 van het Wetboek van Strafrecht, begaan tijdens evenementen, bij winkels, horeca- of andere uitgaansgelegenheden, of tegen personen met een publieke taak met het oog op berechting daarvan, uiterlijk binnen een termijn van 17 dagen en 15 uren na aanhouding van de verdachte.’10 Door middel van deze wijziging moet dus, bij een verdenking van specifieke misdrijven gepleegd tijdens evenementen en in het uitgaansleven, de voorgenomen toepassing van het snelrecht, grond worden voor de toepassing van voorlopige hechtenis. Volgens Haveman en van Lent (2012) is dit wetsvoorstel juridisch niet houdbaar. Onder andere vanwege strijd met de onschuldpresumptie, nu het enige doel van de voorgestelde grond voor voorlopige hechtenis lijkt te zijn om te zorgen dat een verdachte vastzit tot aan de snelrechtzitting.11 Ook de Raad voor de Rechtspraak, de NVvR en de NOvA hebben kritisch gereageerd op dit voorstel. Met name werd verwezen naar de jurisprudentie van het EHRM dat als uitgangspunt hanteert dat verdachten hun berechting in vrijheid mogen afwachten en voorlopige hechtenis slechts op vier gronden (vluchtgevaar, recidivegevaar, collusiegevaar en gevaar voor public disorder) gelegitimeerd wordt geacht, welke ook nog getoetst moeten worden aan de 1

Art. 5 lid 1 EVRM en Art. 15 Grondwet Van Den Emster 2011 3 Art. 5 EVRM 4 Groenhuijsen 2000, p. 98. 5 Klip 2010, p. 79 6 Klip 2010, p.67 7 Buruma 2009, p. 1034 8 Groenhuijsen 2000, p. 90 9 Opstelten 2011 10 Crijns 2011, p. 6831-6836 11 Haveman & Van Lent 2012, p. 94-101 2

3


concrete omstandigheden van het geval. Het conceptwetsvoorstel vooronderstelt dat er in de gevallen waarop deze voorgestelde regeling betrekking heeft, per definitie gevaar voor public disorder is, hetgeen in strijd is met de door het EHRM geëiste concrete toetsing van individuele gevallen aan de verschillende gronden.12 De verschillende adviesorganen stellen net als Haveman en Van Lent dat de voorgestelde regeling op gespannen voet staat met de onschuldpresumptie, nu het wetsvoorstel ervan uit lijkt te gaan dat verdachten die op voorgestelde grond in voorlopige hechtenis worden genomen ook daadwerkelijk veroordeeld zullen worden. De voorlopige hechtenis krijgt daarmee het karakter van een voorschot op de straf, hetgeen in strijd is met de onschuldpresumptie.13 In 2008 reageerde de toenmalige minister van justitie Hirsch Ballin ook afwijzend op een eerder voorstel om de toepassingsvoorwaarden van de voorlopige hechtenis te verruimen teneinde een effectieve en efficiënte toepassing van snelrecht mogelijk te maken. Feiten die thans niet ernstig genoeg zijn voor de toepassing van voorlopige hechtenis, behoren volgens hem niet vanwege de wenselijkheid van snelrecht alsnog voor vrijheidsbeneming in aanmerking te worden gebracht.14 De discussie over de toepassing van de voorlopige hechtenis in samenhang met de onschuldpresumptie is voor mij aanleiding geweest om de huidige Nederlandse regeling eens goed onder de loep te nemen. Bij die beschouwing is het van belang om de regeling ook in het licht van het EVRM te bezien. Op deze manier ontstaat er een helder beeld van de huidige opvattingen. Hierbij moet opgemerkt worden dat ik verder niet inhoudelijk in zal gaan op het bovenstaande wetsvoorstel, maar zal ik de voorlopige hechtenis vooral in het algemeen bespreken in het licht van de onschuldpresumptie. Dit alles leidt tot de volgende onderzoeksvraag: In hoeverre mag iemand van zijn vrijheid worden beroofd door in voorlopige hechtenis te worden genomen, zonder dat zijn schuld in rechte is komen vast te staan? Aan de hand van de onderzoeksresultaten kan bezien worden hoe de voorlopige hechtenis in Nederland is geregeld en hoe het in de praktijk wordt toegepast in het licht van de onschuldpresumptie. Voor de beantwoording van de onderzoeksvraag zal gebruik gemaakt worden van literatuur gecombineerd met (inter)nationale wetgeving en jurisprudentie. Om de onderzoeksvraag te kunnen beantwoorden zal in hoofdstuk 1 een uiteenzetting plaats vinden van de verschillende weten regelgeving omtrent de onschuldpresumptie en in hoofdstuk 2 het geldende recht van de voorlopige hechtenis. In hoofdstuk 3 zal de nadruk liggen op het beschrijven hoe de voorlopige hechtenis in de praktijk wordt toegepast in Nederland, met de onschuldpresumptie in onze gedachten. De voorlopige hechtenis zal onder andere worden besproken aan de hand van de ‘ultimum remedium’ gedachte. Ook zal aan de hand van (inter)nationale jurisprudentie worden weergegeven welke eisen er gelden voor de rechter bij het opleggen van de voorlopige hechtenis. Daarnaast zullen de overwegingen van de rechters aan bod komen met betrekking tot de argumenten die ze hebben om voorlopig te hechten. Aan het einde van dit hoofdstuk worden de kritieken besproken die er bestaan op de toepassing van de voorlopige hechtenis in Nederland. Ik zal dit onderzoek afsluiten met een conclusie waarbij antwoord zal worden gegeven op de onderzoeksvraag.

12

EHRM 26 juni 1991, NJ 1995, 575. Crijns 2011, p. 6832 14 Kamerstukken II 2009/10, 31 700, nr. 9, p. 5 13

4


Hoofdstuk 1 – De onschuldpresumptie `Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, wordt voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan.`15 Deze onschuldpresumptie, in het Latijns ook wel praesumptio innocentiae genoemd, is een procesrechtelijk beginsel dat normen stelt aan hoe de vervolgende instantie zich dient te gedragen.16 De onschuldpresumptie beoogt ertoe aan te sporen de verdachte niet als een reeds veroordeelde aan te merken. Hij moet daarom niet belast worden met het bewijzen van zijn onschuld, maar de overheid moet zijn schuld bewijzen.17 De onschuldpresumptie wordt gezien als één van de hoogste beginselen van de strafrechtspleging: er mag geen inbreuk worden gemaakt op de vrijheid van de burger zonder een voorafgaand vonnis van de rechter.18 Maar wat te doen wanneer iemands detentie nu juist nodig is om tot een vonnis te kunnen komen? Of om de samenleving tegen acute gevaren te beschermen? De voorlopige hechtenis is in deze dus voorwerp van discussie. Het wordt formeel niet als een straf gezien maar in de praktijk wordt het vaak als een zwaardere sanctie ervaren dan de gewone gevangenisstraf. Bovendien wordt met de voorlopige hechtenis de kans vergroot op een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf. Het schept een vooroordeel en het brengt ook andere psychologische effecten met zich mee die straf verhogend werken. De rechter stelt zich uiteindelijk de vraag of de vrijheidsbeneming moet worden voortgezet in plaats van de vraag of er überhaupt een vrijheidsbenemende straf moet worden opgelegd. 19 Vanwege de centrale rol van de onschuldpresumptie in dit onderzoek, zal dit beginsel nauwkeurig worden geanalyseerd. In het navolgende zal er dieper in worden gegaan op de inhoud en zal op nationaal- en internationaal niveau gekeken worden naar de betekenis van het beginsel in het huidige recht. 1.1 Het geldende recht Art. 6 EVRM is een opsomming van fundamentele rechten die een bescherming bieden tegen willekeurige vervolging en bestraffing. De ‘praesumptio innocentiae’ valt onder het alomvattende recht op een eerlijk proces, wat is vastgelegd in art. 6 lid 2 EVRM. Het tweede lid van dit artikel luidt als volgt: ‘‘Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, wordt voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan.” Een verdachte moet bejegend worden als onschuldige totdat de staat, middels de vervolgende instantie, voldoende bewijzen levert om een onpartijdige en onafhankelijke rechter ervan te overtuigen dat hij schuldig is. Uiteraard is dit niet een feitelijke, maar een normatieve veronderstelling. Het is, aldus Stevens, een moreel en politiek principe, op basis van een breed gedeelde opvatting over hoe een vrije samenleving de macht om te straffen moet uitoefenen. De staat heeft vergaande bevoegdheden om te onderzoeken, te vervolgen en te straffen. In een democratische samenleving wordt verwacht dat deze bevoegdheden met respect dienen te worden betracht voor de autonomie en de waardigheid van elk individu.20 Het vermoeden van onschuld is van toepassing op personen tegen wie een strafvervolging is ingesteld.21 De bewijslast betreffende de schuld ligt bij de staat en indien er wordt getwijfeld, dan dient dit in het voordeel van de verdachte te zijn. De verdachte wordt bij de onschuldpresumptie niet feitelijk vermoed onschuldig te zijn. Er is slechts sprake van een hypothetische onschuld van de verdachte. Er kan gezegd worden dat de onschuldpresumptie geen absolute regel formuleert, maar een uitgangspunt en een beginsel die zijn precisiering vindt in de afweging ten aanzien van andere legitieme belangen. Alleen de rechter kan om die reden vaststellen of hij schuldig wordt bevonden als resultaat van een eerlijk proces.22

15

Art. 6 lid 2 EVRM. Mevis 2009, p. 322 17 Corstens 2008, p. 398 18 Art. 6 lid 2 EVRM. 19 Reijntjes 1994, p.1-2 20 Stevens 2009, p. 165-180 21 Europese commissie van gemeenschappen 2006 22 ECRM, 4 mei 1993, 13616/88, Publ. Comparative Political Studies, vol. 39, nr. 1, p. 62 16

5


1.1.1 De onschuldpresumptie op internationaal niveau. Het vermoeden van onschuld, ook wel onschuldpresumptie genoemd, is een wettelijk recht van de verdachte in het strafproces. Dit beginsel is –zoals hiervoor al is genoemd- voornamelijk neergelegd in artikel 6 lid 2 (recht op eerlijk proces) van het EVRM. Daarin wordt bepaald dat een verdachte moet worden behandeld alsof hij geen strafbaar feit heeft gepleegd, totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan. De erkenning van de onschuldpresumptie wordt mede ondersteund doordat het is opgenomen in meerdere verdragen. Behalve het EVRM kent namelijk ook het IVBPR een dergelijk beginsel.23 De leden van een gerecht mogen in hun uitspraak of in met de strafzaak samenhangende procedures niet laten blijken van de schuld van verdachte overtuigd te zijn, als die schuld niet according to law bewezen is. De onschuldpresumptie wordt dus geschonden indien een rechterlijke beslissing de opvatting weerspiegelt dat de verdachte schuldig is, voordat een gerecht hem daadwerkelijk schuldig heeft verklaard en zonder dat de verdediging zijn rechten heeft kunnen uitoefenen. De onschuld hoeft niet bewezen te worden door de verdachte. Bij twijfel over de bewijslast wat betreft de schuld, moet dit in het voordeel van de verdachte werken.24 Dat de verdachte zijn onschuld niet behoeft te bewijzen is niet alleen van belang voor het formele recht, maar ook voor het materiële recht. Dat blijkt uit het arrest Salabiaku25. Het EHRM onderzocht in deze zaak een aansprakelijkstelling in het licht van art. 6 lid 2 EVRM.. De strafbaarstelling van ´een bloot materieel feit´ ziet het Hof als een wettelijk vermoeden van schuld, dat aangevochten moet kunnen worden. Er moet gelegenheid zijn om tegenbewijs te leveren.26 Het voorgaande artikel eist dat feitelijke en juridische vooronderstellingen binnen redelijke grenzen worden gehouden, die rekening houden met wat op het spel staat en de rechten van de verdediging respecteren. Volgens het Hof staat het de nationale wetgever niet vrij om de strafrechter te beroven van elke waarderingsbevoegdheid en zodoende de onschuldpresumptie van zijn kern te ontdoen. 27 Uit het arrest kan de conclusie worden getrokken dat het EHRM ´guilt´ in art. 6 lid 2 EVRM uitlegt als schuld in de zin van verwijtbaarheid. Van ´guilty according to law´ kan dus geen sprake zijn als de verdachte in geen enkel opzicht in gebreke is gebleven. Het schuldbeginsel is dus niet enkel een ongeschreven beginsel van nationaal recht, maar lijkt ook een basis te hebben in het verdrag. 28 1.1.2 De onschuldpresumptie op nationaal niveau Om voorlopige hechtenis op te mogen leggen moet er sprake zijn van een verdenking, ofwel er moet een redelijk vermoeden zijn dat een bepaalde persoon een strafbaar feit heeft gepleegd.29/30 Het redelijke vermoeden dient te worden beoordeeld aan de hand van objectieve maatstaven en het vermoeden van schuld moet zijn gebaseerd op feiten en omstandigheden. Redelijke uitleg van de onschuldpresumptie brengt mee dat deze de wetgever en de strafvorderlijke autoriteiten vooral duidelijk maakt dat zij de verdachte niet als een reeds veroordeelde dienen aan te merken.31 In de eerste plaats mag de verdachte -zoals hier boven al eerder is vermeld- niet worden belast met het bewijzen van zijn onschuld. De wetgeving moet zodanig zijn ingericht dat de bewijslast rust op de beschuldigende partij of de rechter. In Nederland ligt de bewijslast slechts bij het OM en kent men in beginsel geen bewijslastomkering. 32 De Hoge Raad33 heeft expliciet overwogen dat de omstandigheid dat de verdachte weigert een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden ingevolge art. 29 lid 1 Sv, niet aan bewijs kan bijdragen. Wel mag de rechter het ontbreken van een redelijke 23

Art. 4 IVBPR. EHRM 25 maart 1983, A62 (1983). 25 EHRM 16 december 1992, , NJ 1991, 351. 26 EHRM 16 december 1992, , NJ 1991, 351. 27 Harteveld, Hielkema, Keulen en Krabbe 2004, p. 109 28 EHRM 16 december 1992, , NJ 1991, 351. 29 Art. 27 Sv 30 Corstens 2008, p. 57. 31 EHRM 6 december 1988, A136 32 Corstens 2008, p. 57. 33 HR 3 juni 1997, NJ 1997, 584. 24

6


verklaring van de verdachte voor een bepaalde omstandigheid betrekken in zijn overwegingen omtrent het bewijs.34 Het tweede aspect van de onschuldpresumptie betreft het feit dat de rechter moet uitstralen dat hij de verdachte niet als reeds veroordeelde beschouwt. Dit beginsel is in het Nederlandse strafrecht neergelegd in art. 271 lid 2 Sv: ‘Noch de voorzitter, noch een der rechters geeft op de terechtzitting blijk van enige overtuiging omtrent de schuld of onschuld van de verdachte’. Dit artikel heeft echter vooral betrekking op de onschuldpresumptie tijdens de terechtzitting. Uit een aantal uitspraken van het EHRM maar ook uit de Nederlandse jurisprudentie blijkt dat dit artikel vooral van toepassing is, in gevallen waarbij er schadevergoeding wordt gevorderd door de verdachte, als gevolg van een niet bewezen verklaard strafrechtelijke feit. Zelden wordt dit artikel dus gebruikt in gevallen die betrekking hebben op de voorlopige hechtenis. 35 Ten derde moet zoveel mogelijk worden voorkomen dat de verdachte, alvorens te zijn veroordeeld, al wordt onderworpen aan ter zake van de verdenking opgelegde onherstelbare maatregelen. Voorlopige hechtenis is een vorm van een onherstelbare maatregel omdat je de ontnomen vrijheid van een persoon later niet met terugwerkende kracht kan terug geven en dit dwangmiddel zou dus terughoudend moeten worden toegepast. Ten vierde mogen er in beginsel geen strafrechtsdoeleinden worden nagestreefd. Die komen namelijk pas in beeld zodra is vastgesteld dat de verdachte schuldig is. Dit sluit aan op het vijfde aspect, waarbij de verdachte niet als een veroordeelde mag worden behandeld. Volgens art. 2 lid 4 van de Penitentiaire beginselenwet mag de verdachte aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die voor het doel van zijn opsluiting of in het belang van de openbare orde volstrekt noodzakelijk zijn.36 Ten slotte heeft de onschuldpresumptie gevolgen voor de informatieverstrekking door het OM aan de media, welke moet worden beperkt tot vaststaande feiten en deze informatieverstrekking mag geen strafrechtelijk kwalificerende conclusies bevatten.37 De begrenzende functie van de onschuldpresumptie is onmiskenbaar van belang. Groenhuijsen benadrukt daarbij wel: “dat de onschuldpresumptie géén fundament kan bieden aan het rechtsinstituut van de voorlopige hechtenis. Het kan nooit een rechtvaardiging vormen voor de toelaatbaar geoordeelde vormen van preventieve hechtenis; hooguit kan het indicaties opleveren voor positiefrechtelijke uitwerkingen van deze rechtsfiguur die van de hand moeten worden gewezen”.38

34

Harteveld, Hielkema, Keulen en Krabbe 2004, p. 110 LJN: BM0977, Rechtbank Amsterdam, 13/997031-05, LJN: BL1670, Rechtbank Amsterdam, 13/997140-05 RK: 09/4787; 10/554, EHRM 25 maart 1983, NJ 1986, 698, EHRM 25 augustus 1987 A 123. 36 Corstens 2008, p. 58 37 Hof Den Bosch 28 maart 2002, NJ 2003, 12. 38 Groenhuijsen 2000 35

7


Hoofdstuk 2 - De voorlopige hechtenis De beginselen waarop de Europese jurisprudentie zijn gebouwd, vertonen grote overeenkomsten met de klassieke beginselen die aan de Nederlandse wettelijke regeling van de voorlopige hechtenis ten grondslag zijn gelegd. Beide zijn namelijk gebaseerd op hetzelfde beginsel: de onschuldpresumptie. Rechtsgeleerden ontwikkelde uitgangspunten en beginselen voor het Nederlandse systeem van de voorlopige hechtenis, die moesten waarborgen dat de wettelijke regeling in overeenstemming met de onschuldpresumptie werd toegepast. Dit beginsel is echter in de loop der tijd vaak door de maatschappelijke en strafrechtelijke ontwikkelingen, niet meer te herkennen.39 Naar geldend recht worden er vier doelstellingen van de voorlopige hechtenis onderscheiden. Kort gezegd houden die doelen het volgende in: waarheidsvinding, het verzekeren van de mogelijkheid om een rechterlijk vonnis te executeren, het beveiligen van de samenleving tegen gevaarlijke personen en tenslotte is er de doelstelling om tegemoet te komen aan de door het feit ernstig geschokte rechtsorde. Deze doelstellingen zijn nauw gekoppeld aan de bestaande gronden ex art. 67a Sv. 40 In het navolgende bespreek ik uitgebreid de nodige wettelijke regelingen welke betrekking hebben op de voorlopige hechtenis, zodat er een duidelijk beeld kan worden gevormd omtrent dit dwangmiddel. Er zal een definitie worden gegeven, de verschillende onderdelen zullen worden besproken en de eisen die aan dit dwangmiddel worden gesteld zullen aan bod komen. 2.1 Het geldende recht Art. 133 van het Wetboek van Strafvordering bevat een definitie van de voorlopige hechtenis: “onder voorlopige hechtenis wordt verstaan de vrijheidsbeneming ingevolge enig bevel van bewaring, gevangenhouding of gevangenneming.� Dit betekent met betrekking tot het strafproces, dat de voorlopige hechtenis door de strafrechter moet worden bevolen, voorafgaand aan de tenuitvoerlegging van de veroordeling. Dit staat los van de inverzekeringstelling, die wordt bevolen door de (hulp)officier van justitie.41 In het navolgende bespreek ik de drie fases van de voorlopige hechtenis, namelijk; de bewaring, de gevangenhouding en de gevangenneming. Daarna komen de voorwaarden aan bod welke nodig zijn om voorlopige hechtenis op te kunnen leggen. Na de inverzekeringstelling (van maximaal 6 dagen)42 mag de Officier van Justitie een verdachte niet langer vasthouden. Mocht de OvJ het van belang vinden dat de verdachte langer moet worden vastgehouden, dan kan hij de verdachte voor de rechter-commissaris geleiden met de vordering om diens bewaring te gelasten (voorgeleiding).43 Het bevel tot bewaring is de eerste fase van de voorlopige hechtenis en is een zelfstandig dwangmiddel.44 Zij kan worden opgelegd ter zake van een ander feit dan dat waarop de inverzekeringstelling betrekking had.45 De bewaring wordt bevolen gedurende een door de rechter-commissaris te bepalen termijn van maximaal veertien dagen, welke ingaat op het ogenblik der tenuitvoerlegging.46 Wijst de rechter-commissaris de vordering toe, dan omschrijft hij zelfstandig het strafbare feit ter zake waarvan hij de bewaring beveelt47 maar hij mag het feit, waarop de OvJ zijn vordering baseerde, niet vervangen door een heel ander feit.48 Op het moment dat de OvJ of de rechter-commissaris van oordeel is dat de gronden zijn vervallen waarop het bevel tot bewaring is verleend, dan gelast hij de invrijheidstelling van de verdachte.49

39

Uit Beijerse 1998. Groenhuijsen 2000 41 Corstens 2008, p.396 42 Art. 58 lid 2 Sv 43 Art. 63 lid 1 Sv 44 Minkenhof 2009, p. 146 45 Reijntjes 1994, p. 48 46 Art. 64 lid 1 Sv. 47 Art. 78 lid 2 Sv. 48 Minkenhof 2009, p. 147 49 Art. 64 lid 2 Sv. 40

8


Is de bewaring echter niet voldoende, dan moet de OvJ zich tot de (raadkamer van de) rechtbank wenden om een bevel tot gevangenhouding te verkrijgen. Gevangenhouding kan dus alleen worden bevolen van de verdachte die zich daadwerkelijk in bewaring bevindt.50 De gevangenhouding is ten opzichte van de bewaring dus geen zelfstandig dwangmiddel; zij mag daarom alleen worden bevolen ten aanzien van hetzelfde delict waarvan de voorafgaande bewaring is toegepast.51 Art. 66 lid 1 Sv bepaalt dat de gevangenhouding van kracht is gedurende een door de rechtbank te bepalen termijn van ten hoogste 90 dagen, welke ingaat op het ogenblik der tenuitvoerlegging en welke duurt tot aan de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting.52 De derde fase van de voorlopige hechtenis is de gevangenneming. Deze kan in de eerste plaats worden toegepast als de verdachte op vrije voeten is en terechtstaat. De verdachte kan gevangen worden genomen indien de rechtbank van oordeel is dat de verdachte voorlopig gehecht moet worden (omdat hij bijvoorbeeld vluchtgevaarlijk blijkt te zijn). 53 Gevangenneming kan in de tweede plaats ook worden bevolen ná de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting, ongeacht of de verdachte op vrije voeten verkeert, in verzekering is gesteld of voor iets anders in bewaring werd genomen. Behoudens het geval van art. 66a lid 1 Sv kan de rechtbank ambtshalve of op de vordering van de OvJ de gevangenneming van de verdachte bevelen.54 Ook is de gevangenneming denkbaar wanneer de verdachte (om welke reden dan ook) in een eerder stadium uit inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis werd ontslagen. 55 De tijd, welke de verdachte heeft doorgebracht in voorlopige hechtenis, wordt in mindering gebracht op een opgelegde vrijheidsstraf of taakstraf56 (Art. 27 lid 1 Sr). Dit geldt ook voor de tijd welke in verzekering is doorgebracht. De wettelijke regeling van de voorlopige hechtenis vindt zijn legitimatie in art. 15 lid 1 van de Grondwet. Daarin is neergelegd dat buiten de gevallen bij of krachtens de wet bepaald, niemand zijn vrijheid mag worden ontnomen. Deze bepaling heeft tot gevolg dat elke politieke of justitiële vrijheidsbeneming moet zijn terug te voeren op een legitimatie door de wet in formele zin.57 Aangezien Nederland de voorlopige hechtenis heeft neergelegd in een wet in formele zin, waarin de nodige waarborgen worden gesteld, lijkt deze regeling te voldoen aan de eisen die aan vrijheidsbeneming worden gesteld. Toch moet er bij het opleggen van voorlopige hechtenis grote terughoudendheid worden betracht. Er zullen bijzonder goede redenen moeten zijn die een inbreuk als de voorlopige hechtenis, kunnen rechtvaardigen.58 Voorlopige hechtenis is ook op internationaal niveau –binnen de beperking- erkend als een legitieme uitzondering op het recht op vrijheid middels art. 5 lid 1 sub c en lid 3 EVRM. 2.1.1 Voorwaarden voor voorlopige hechtenis Zoals bij alle dwangmiddelen geldt ook bij de voorlopige hechtenis dat de wetgever een veroorlovende bevoegdheid heeft toebedeeld. Ook al is ruimschoots aan alle wettelijke voorwaarden voldaan, dan nog staat het de beslissende autoriteit vrij om de voorlopige hechtenis wel of niet toe te passen. De autoriteit zal de redenen om de hantering van de bevoegdheid achterwege te laten moeten afwegen tegen argumenten die vóór hantering van de bevoegdheid pleiten.59 Bij voorlopige hechtenis wordt de verdachte zijn vrijheid ontnomen. In die zin staat voorlopige hechtenis op één lijn met een vrijheidsstraf. Gegeven het strafkarakter van de voorlopige hechtenis,

50

Art. 65 lid 1 Sv. Minkenhof 2009, p. 149 52 Art. 66 lid 3 Sv. 53 Corstens 2008, p. 403 54 Art. 65 lid 2 Sv. 55 Minkenhof 2009, p. 149 56 HR 28 januari 1997, NJ 1997, 408 57 Corstens 2008, p.397 58 Stevens 2008, p. 35 59 Corstens 2008, p. 404 51

9


wat eveneens verduidelijkt wordt door de aftrekregeling60, ligt het voor de hand dat de wetgever beperkingen heeft gesteld aan het opleggen daarvan. Voorlopige hechtenis mag alleen worden bevolen als de schuld van de verdachte ‘prima facie aannemelijk is’. Dit is vormgegeven in de eerste van de vier wettelijke voorwaarden voor toepassing van voorlopige hechtenis, het vereiste van de ernstige bezwaren. Verder dienen er (ten minste een van de) gevallen en (ten minste een van de) gronden aanwezig te zijn en kent de wet de eis dat de voorlopige hechtenis niet mag worden bevolen als de verwachting is dat de verdachte geen vrijheidsbenemende straf of maatregel zal krijgen, dan dat deze wel korter zal zijn dan de te verwachten duur van het voorarrest (het anticipatieverbod). In de navolgende paragrafen zullen deze voorwaarden nader worden uiteengezet.61 2.1.1.1 Ernstige bezwaren Als eerste voorwaarde voor voorlopige hechtenis geldt volgens lid 3 van art. 67 Sv dat er ‘ernstige bezwaren’ moeten bestaan tegen de verdachte, welke uit de feiten of omstandigheden moeten blijken. Bij de vraag of er sprake is van ernstige bezwaren, zal de rechter een soort van belangenafweging moeten maken. Er zal gekeken moeten worden naar wat er tegen de verdachte is ingebracht, maar er zal ook aandacht moeten worden besteed aan de feiten die vóór de verdachte pleiten. Er zal dus een vergelijkbare afweging door de rechter moeten worden gemaakt als in het eindonderzoek. Zijn eigen overtuiging speelt in dit stadium ook een rol. De rechter moet een voorlopig oordeel geven waarbij ook moet worden gekeken naar de geloofwaardigheid van bijvoorbeeld getuigenverklaringen. Tenslotte zal de rechter zich ook moeten afvragen hoe groot de kans is dat er méér bewijs tegen de verdachte zal worden gevonden.62 Aan de voorlopige hechtenis is vaak al de inverzekeringstelling vooraf gegaan en derhalve dienen de opsporingsambtenaren inmiddels zo ver met hun onderzoek te zijn gevorderd dat meer duidelijkheid bestaat over de geldigheid van de verdenking van de verdachte. Er zal derhalve méér moeten zijn dan een redelijk vermoeden in de zin van art. 27 Sv. Voorlopige hechtenis is dan ook alleen toegestaan wanneer de verdenking is toegenomen en er ernstige bezwaren zijn tegen de verdachte. Voor ernstige bezwaren is in de visie van de wetgever een vrij grote mate van waarschijnlijkheid vereist dat de betrokkene een strafbaar feit heeft begaan.63 Volgens Corstens kan bijvoorbeeld een anonieme tip voldoende grond voor een verdenking opleveren, maar zal zij ontoereikend worden geacht om daarop een bevel van voorlopige hechtenis te gronden. Er zal dan meer bewijsmateriaal moeten zijn, zoals bijvoorbeeld een getuigenverklaring of een bekentenis.64 Bij een verdenking van een terroristisch misdrijf mag bij de bewaring echter worden volstaan met een enkele verdenking.65 Het verschil tussen een verdenking en ernstige bezwaren is moeilijk te concretiseren en bovendien zijn de begrippen erg breed. Wanneer namelijk de toepassing van een naar verhouding minder ingrijpend dwangmiddel (zoals fouillering) wordt overwogen kan er eerder sprake zijn van ernstige bezwaren dan bij de toepassing van voorlopige hechtenis.66 Bij moeilijk bewijsbare en ernstige delicten kan met minder genoegen genomen worden dan bij veel voorkomende, eenvoudige, strafbare feiten. Hoe groter dus het belang van de opsporing is, des te geringer mag het bezwaar zijn, maar anderzijds, hoe groter het belang van de verdachte, des te ernstiger moeten de bezwaren tegen hem zijn.67

60

Bij de aftrekregeling wordt de in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd in de uiteindelijke straf verdisconteerd. 61 Stevens 2010, p. 1520 62 Reijntjes 2011 63 Cleiren & Nijboer 2007 64 Corstens 2008, p. 404 65 Art. 67 lid 4 Sv. 66 Fouillering kan bijvoorbeeld soms geoorloofd zijn op grond van een nog onbevestigde tip. Inbewaringstelling (doorgaans) niet. 67 Reijntjes 2011

10


2.1.1.2 Gevallen van voorlopige hechtenis Als tweede vereiste voor toepassing van de voorlopige hechtenis noemt art. 67 lid 1 Sv limitatieve gevallen waarbij voorlopige hechtenis mag worden opgelegd. Het uitgangspunt van dit wetsartikel is dat er alleen voorlopige hechtenis mag worden opgelegd als er sprake is van een verdenking tegen de verdachte van een ‘ernstig strafbaar feit’. Als hoofdregel geldt dat voorlopige hechtenis mogelijk is indien op een misdrijf naar wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld (lid 1 sub a). Met ‘naar de wettelijke omschrijving’ wordt volgens de memorie van toelichting bedoeld dat er geen rekening dient te worden gehouden met omstandigheden die op de strafbaarheid van de verdachte van invloed zijn. Het wettelijke strafmaximum is dus bepalend. Strafverzwarende en straf verlichtende omstandigheden tellen dus niet mee, tenzij de omstandigheden zijn opgenomen in een bijzondere delictsomschrijving. Vervolgens noemen lid 1 sub b en sub c enkele uitzonderingen op deze hoofdregel.68Kennelijk vond de wetgever het noodzakelijk dat ook op deze categorie delicten voorlopige hechtenis kon worden toegepast, maar zag hij geen aanleiding om het strafmaximum te verhogen naar vier jaar. Het tweede lid van het onderhavige artikel vormt ook een uitzondering op de hoofdregel. Daarin staat dat het bevel tot voorlopige hechtenis voorts kan worden gegeven indien van verdachte geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland kan worden vastgesteld en hij verdacht wordt van een misdrijf waarvan de rechtbank kennis neemt en waarop, naar de wettelijke omschrijving, gevangenisstraf is gesteld. 69 Er wordt gedoeld op verdachten die in het buitenland wonen, dakloos zijn of waarvan het adres bij justitie niet bekend is. Hiermee wordt getracht eventuele problemen tegen te gaan die samen kunnen hangen met het onbereikbaar zijn van de verdachte. 2.1.1.3 Gronden voor voorlopige hechtenis Naast de voorgaande eisen van ernstige bezwaren en gevallen van voorlopige hechtenis, moet er ook sprake zijn van een grond. Grond is hier te verstaan als het door de wetgever toegelaten doel met het oog waarop voorlopige hechtenis mag worden bevolen.70 Als geen van deze doeleinden van toepassing is, mag er geen voorlopige hechtenis worden opgelegd. Achtereenvolgens zijn er in art. 67a Sv de volgende gronden limitatief opgesomd: vluchtgevaar, geschokte rechtsorde, recidivegevaar en collusiegevaar. Andere gronden voor voorlopige hechtenis zijn daarmee definitief uitgesloten. Hiermee beoogt de wetgever de vrijheidsbeneming te beperken tot het strikt noodzakelijke.71 Het is in principe onwenselijk, maar in sommige gevallen wordt het als onvermijdelijk gezien.72 Vluchtgevaar Als eerste grond noemt de wetgever ernstig gevaar voor vlucht. Volgens de memorie van toelichting moet vluchtgevaar worden verstaan als: “het weggaan om zich aan de justitie te onttrekken”. 73 Het ernstig gevaar voor vlucht moet blijken uit bepaalde gedragingen van de verdachte of uit bepaalde, hem persoonlijk treffende omstandigheden.74 Vluchtgevaar kan niet louter worden afgeleid uit het feit dat de verdachte een zware straf boven het hoofd hangt of het feit dat hij buitenlander is. Er moet meer zijn dan een algemeen gevaar voor vlucht, wat moet worden vastgesteld op basis van andere relevante factoren.75 Wanneer de verdachte deel uitmaakt van een internationale criminele organisatie, banden heeft met een land waarmee wij geen uitleveringsverdrag hebben of dat blijkt dat de verdachte volgens uitlatingen van derden van plan is naar zijn eigen land terug te keren, zal er een extra specifieke belangenafweging moeten worden gemaakt ten aanzien van vluchtgevaar.76 Er kunnen alsnog redenen zijn om toch geen voorlopige hechtenis te bevelen, ondanks het feit dat er relevante factoren zijn die op het eerste gezicht een bevel tot voorlopige hechtenis wegens vluchtgevaar rechtvaardigen. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer vluchtgevaar de enige grond is en er alternatieve

68

Corstens 2008, p. 405 Cleiren & Nijboer 2007 70 Corstens 2008, p. 407. 71 Cleiren & Nijboer 2007 72 Groenhuijsen 2000, p. .. 73 Memorie van Toelichting ad art. 64 ORO. 74 Art. 67a lid 1 sub a Sv. 75 HR 21 maart 2006, NJ 2006, 246 76 Cleiren & Nijboer 2007 69

11


maatregelen zijn (zoals het betalen van een borgsom77of het inleveren van het paspoort).78 Het uitgangspunt van het EHRM is dat de nationale rechter eerst dient te onderzoeken of er alternatieve maatregelen zijn die het vluchtgevaar van de verdachte kunnen afwenden. Indien dit het geval is kan er geen voorlopige hechtenis worden bevolen. Geschokte rechtsorde De tweede grond is de gewichtige reden van maatschappelijke veiligheid die uit bepaalde omstandigheden moet blijken.79 In het tweede lid van art. 67a Sv volgt een limitatieve opsomming van redenen van maatschappelijke veiligheid die in aanmerking komen. Het moet onder andere gaan om een strafbaar feit waarop naar de wettelijke delictsomschrijving een gevangenisstraf van twaalf jaar of meer is gesteld terwijl de rechtsorde ernstig door het feit is geschokt.80 In de zaak Lettelier oordeelde het EHRM dat voorlopige hechtenis mag worden toegepast ter bescherming van de openbare orde. Er moet dan dus wel sprake zijn van ernstige misdaden en er moeten concrete feiten en omstandigheden zijn die de vrees voor verstoring van de openbare orde rechtvaardigen.81 Daarmee is de bedoelde ratio van deze grond uitgedrukt: de voorlopige hechtenis mag bij zeer ernstige delicten dienen om de door het delict ontstane onrust te dempen. Hierbij kan worden gedacht aan strafbare feiten die voor veel maatschappelijke onrust zorgen, zoals ernstige geweldscriminaliteit of gevaardelicten met dodelijke afloop.82 Volgens Corstens dient de rechter te beoordelen of de omgeving van het slachtoffer de vrijlating van de verdachte kan verdragen. Het EHRM heeft toegelaten dat voorlopige hechtenis in een eerste fase zonder meer kan zijn gerechtvaardigd bij sommige zeer ernstige delicten. 83 Als de voorlopige hechtenis echter langer gaat duren, dan zullen er concrete omstandigheden moeten zijn die erop wijzen dat vrijlating daadwerkelijk de openbare orde zouden aantasten en dat het delict nog steeds orde verstorend moet werken. De Nederlandse grondslag van de geschokte rechtsorde is dus wel toelaatbaar, maar er moet concreet getoetst worden of de openbare orde door het delict gestoord blijft en of vrijlating van de verdachte op zichzelf de openbare orde extra zou verstoren. 84 Recidivegevaar Art. 67a lid 2 sub 3 Sv vermeldt de derde grond en tweede categorie van een gewichtige reden van maatschappelijke veiligheid. Er moet ernstig rekening worden gehouden dat de verdachte wederom een van die misdrijven zal begaan, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld of waardoor de veiligheid van de staat of de gezondheid of veiligheid van personen in gevaar kan worden gebracht, dan wel algemeen gevaar voor goederen kan ontstaan. Deze grond, ook wel vrees voor herhaling of recidivegevaar genoemd, wordt in de praktijk het vaakst gebruikt.85 De rechtsorde behoort over middelen te beschikken om zich te beschermen tegen verdachten die acuut in herhaling dreigen te vallen, ook als nog niet definitief is vastgesteld dat zij schuldig zijn aan een delict. Het aspect van de beveiliging van de maatschappij kan hier zwaarder wegen dan het belang van de verdachte om niet van zijn vrijheid te worden beroofd.86 Het gedrag hoeft zich niet te uiten in precies dezelfde delicten, maar wel in soortgelijke, verwante delicten. Uit de rechtspraak van het EHRM kan worden afgeleid dat het gevaar voor recidive plausibel moet zijn, immers zowel de verdachte als de samenleving dienen te worden beschermd. 87 Bij de vaststelling van het recidivegevaar is, samen met de ernst van het delict, het strafrechtelijk verleden van de verdachte een belangrijke factor. Immers heeft de rechter weinig andere aanknopingspunten dan het strafblad van de verdachte.88 77

EHRM 28 juli 2005, NJCM-Bulletin 2005. EHRM 26 juni 1991, NJ 1995, 575. 79 Art. 67a lid 1 sub b Sv. 80 Art. 67a lid 2 sub 1 Sv. 81 EHRM 26 juni 1991, NJ 1995, 575. 82 Cleiren & Nijboer 2007 83 EHRM 27 augustus 1992, NJ 1995, 576. 84 Corstens 2008, p. 408 85 Minkenhof 2009, p. 156 86 Corstens 2008, p. 409 87 Cleiren & Nijboer 2007 88 Corstens 2008, p. 410 78

12


Collusiegevaar De vierde grond en laatste categorie die als gewichtige reden van maatschappelijke veiligheid wordt genoemd is het collusiegevaar. In art. 67a lid 2 sub 4 staat dat de voorlopige hechtenis in redelijkheid noodzakelijk is voor het, anders dan door verklaringen van de verdachte, aan de dag brengen van de waarheid.89 Collusiegevaar bestaat indien er een redelijk vermoeden is dat de verdachte, wanneer hij in vrijheid gesteld zou worden, getuigen oneigenlijk zal beĂŻnvloeden, sporen van het misdrijf zal vernietigen of kwijtmaken, of op een andere manier het strafproces zal belemmeren.90 Het collusiegevaar dient volgens het EHRM uit concrete feiten en omstandigheden te blijken, in samenhang met de zaak en het gedrag van de verdachte. Als getuigen in vrijheid een verklaring hebben afgelegd, dan zal het bevel tot voorlopige hechtenis moeten worden opgeheven. 91 Op grond van het collusiegevaar mag voorlopige hechtenis niet worden toegepast om de verdachte onder druk te zetten, een verklaring af te dwingen of hem uit te horen. Dat zou in strijd zijn met zijn zwijgrecht.92 2.1.1.4 Anticipatiegebod Bij de oplegging van de voorlopige hechtenis mag in beginsel geen voorschot worden genomen op de op te leggen straf. Toch eist art. 67a lid 3 dat er rekening dient te worden gehouden met de mogelijkheid dat aan de verdachte in geval van veroordeling geen onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel zal worden opgelegd, dan wel dat hij bij tenuitvoerlegging van het bevel langere tijd van zijn vrijheid zal worden beroofd dan de straf of maatregel zal duren. Hoewel dit voorschrift in artikel 67a is geplaatst, heeft het een geheel ander karakter dan de andere in artikel 67 en 67a voorkomende voorschriften, die samen de materiĂŤle grondslag vormen. Het is een procedurele waarborg ter beperking van de duur van het voorarrest, dat echter in dit artikel is geplaatst omdat het een voorwaarde voor toepassing is.93 De rechter anticipeert aldus op de mogelijke beslissing van de zittingsrechter.94 Vandaar ook het begrip, anticipatiegebod. De rechter zal zich moeten afvragen of er een gerede kans bestaat dat de te bevelen voorlopige hechtenis wellicht niet via de verplichte aftrekregeling95 kan worden afgetrokken, omdat er in het geheel geen vrijheidsbenemende sanctie komt of deze korter zal duren dan de voorlopige hechtenis.96

89

Corstens 2008, p. 410 Cleiren & Nijboer 2007 91 EHRM 26 juni 1994, NJ 1995, 575. 92 Art. 29 Sv. 93 Uit Beijerse & Simmelink 2001 94 Corstens 2008, p. 411-412 95 Art. 27 lid 1 Sr. 96 Corstens 2008, p. 412 90

13


Hoofdstuk 3 - De voorlopige hechtenis in de praktijk. De onschuldpresumptie, opgenomen in art. 6 lid 2 EVRM, is met name van belang bij het voorbereidend onderzoek en bij de toepassing van dwangmiddelen, zoals voorlopige hechtenis. Juist omdat er nog maar sprake is van een (redelijk) vermoeden, moet als norm voor de beslissende autoriteiten gelden dat zij van de onschuld van de verdachte uit moeten gaan.97 Het recht op een behandeling als onschuldige moet volgens het EHRM niet alleen door de rechter, maar ook door andere publieke autoriteiten in acht worden genomen. 98 Het is echter de vraag, of alle onderdelen van het beginsel voor hen in dezelfde mate gelden als voor de rechter. De politie zal bijvoorbeeld met kracht moeten werken aan het ‘hard’ maken van een redelijke hypothese dat iemand een strafbaar feit heeft gepleegd. Het OM, belast met de handhaving van de wetten, moet meer dan de politie bedacht zijn op omstandigheden die in de richting van de onschuld van de verdachte wijzen.99 In de praktijk zal het OM toch vaak polair tegenover de verdachte staan. Het OM zoekt naar de waarheid vanuit een verdenking tegen de verdachte. De verdenking kan gaan functioneren als een hypothese die moet worden bevestigd, terwijl het uitgangspunt van de onschuldpresumptie mee zou moeten brengen dat ook moet worden gezocht naar factoren die ontlastend zijn voor de verdachte.100 Men is er in het algemeen over eens dat er spanning bestaat tussen de voorlopige hechtenis en de onschuldpresumptie. Immers, de verdachte is tijdens de periode van voorlopige hechtenis nog niet schuldig bevonden, terwijl hij wel van zijn vrijheid wordt beroofd. Die inbreuk behoeft bij de voorlopige hechtenis wegens de lange duur ervan, nog meer rechtvaardiging dan bij andere dwangmiddelen. Het gaat hier om een rechtsfiguur die ´voorlopig´ heet, maar definitief is in die zin dat men iemand die van zijn vrijheid beroofd is geweest, die vrijheid niet naderhand weer kan retourneren.101 Toch wordt de voorlopige hechtenis als noodzakelijk beschouwd en, juist vanwege die spanning met de onschuldpresumptie, wel als een ´noodzakelijk kwaad´ aangeduid. Tijdens deze noodzakelijkheidstoets, waarbij het gaat om de proportionaliteit en de subsidiariteit van de vrijheidsbeneming, dient eveneens goed te worden nagegaan of niet op een andere manier kan worden tegemoet gekomen aan de doelen die met het eventueel te verlenen bevel tot voorlopige hechtenis dienen te worden bereikt. In dit verband wordt ook wel gewezen op het beginsel van de minimale toepassing, waarin een parallel kan worden getrokken met de ultimum remedium-gedachte van het strafrecht.102 De voorlopige hechtenis dient volgens dit uitgangspunt alleen in gevallen van uiterste noodzakelijkheid te worden toegepast en te worden beëindigd zodra dat mogelijk is en waar mogelijk ook door alternatieven te worden vervangen.103 Ik kom hier nog op terug. Om voorlopige hechtenis te kunnen toepassen moet voldaan zijn aan de vier voorwaarden die eerder al zijn besproken. Ook het theoretische kader van de onschuldpresumptie is uitvoerig aan bod geweest. Het EVRM erkent zowel de onschuldpresumptie104 als de voorlopige hechtenis105, zodat beide beginselen ogenschijnlijk toch naast elkaar kunnen bestaan. Om een gerechtvaardigde inbreuk te maken, zullen er bijzonder goede redenen moeten zijn die moeten worden afgewogen tegen het individuele belang. Volgens Stevens zal er dus grote terughoudendheid moeten worden betracht bij het opleggen van de voorlopige hechtenis.106 Binnen de strafrechtadvocatuur wordt de voorlopige hechtenis echter als een van de grootste frustraties beschouwd. De leemte tussen de theorie en de praktijk veroorzaakt de veel geuite kritiek.107 De kwesties die in dit hoofdstuk dan ook aan bod komen 97

Mevis 2009, p. 323 EHRM 10 februari 1995, Oubl. ECHR Series A, vol. A. 308. 99 Lensing en Mulder 1994, p. 66 100 Corstens 2008, p. 97 101 Corstens 2008, p. 397 102 Groenhuijsen 2000, p. 90 103 Uit Beijerse en Simmelink, p. 589 104 Art. 6 lid 2 EVRM. 105 Art. 5 lid 1 sub c EVRM. 106 Stevens 2008, p. 35 107 Hamer & Jansen 2003, p. 936 98

14


zijn hoe de beslissende autoriteiten in de praktijk omgaan met het toepassen van de voorlopige hechtenis en welke kritieken er zijn op de uitvoering. In de volgende paragrafen zal dit worden besproken met, uiteraard, de onschuldpresumptie in gedachten. 3.1 Het strafrecht als ‘ultimum remedium’. ‘A person charged with an offence must always be released pending trial unless the State can show that there are relevant and sufficient reasons to justify the continued detention’.108 Het EHRM presenteerde in 2003 het leerstuk van de voorlopige hechtenis in een notendop: geen voorlopige hechtenis tenzij daar goede redenen voor zijn. Strafrecht als ultimum remedium.109 Dat wil zeggen dat (in het kader van de onschuldpresumptie) alleen dient te worden gekozen voor de inzet van het strafrecht als (is gebleken dat) geen enkel ander middel geschikt is. Het strafrecht dient met uiterste terughoudendheid te worden toegepast. Het inzetten van het strafrecht is dus slechts op zijn plaats wanneer andere, minder vergaande middelen tekort hebben geschoten of tekort zullen schieten. En zelfs dan is de geschiktheid van het strafrecht nog niet gegeven. Steeds zal de aanvullende vraag moeten worden gesteld of het strafrecht wel een geschikt middel is om het voorliggende maatschappelijke probleem het hoofd te bieden. 110 Volgens Crijns heeft de ultimum remedium-gedachte het moeilijk de laatste jaren. In geval van meer of minder ernstige maatschappelijke problematiek wekt het de schijn dat er al snel een greep wordt gedaan naar een strafrechtelijke oplossing, zonder dat eerst zorgvuldig wordt bekeken of een minder ingrijpend middel ook zou kunnen volstaan. De autoriteiten zullen zich moeten afvragen in hoeverre strafbaarstelling al dan niet aan het oplossen of inperken van het geconstateerde maatschappelijke probleem kan bijdragen. De ultimum remedium-gedachte houdt ons voor dat het strafrecht niet het eerst aangewezen instrument kan en mag zijn bij het oplossen van maatschappelijke problemen, wat oproept tot een terughoudend gebruik van het strafrecht. Het doel is om zo min mogelijk inbreuk te maken op de fundamentele rechten van de individuele burger. Daarbij zal gekeken moeten worden naar adequate alternatieven (subsidiariteitsbeginsel) en naar de daadwerkelijke noodzakelijkheid van de strafbaarstelling. 111 3.2 Omgang van rechters met de toepassing van voorlopige hechtenis De procedurele waarborgen die in de wet zijn neergelegd om de praktijk zodanig te sturen dat de voorlopige hechtenis alleen in gevallen van uiterste noodzakelijkheid wordt toegepast, hebben in de praktijk maar een gering regulerend vermogen gehad.112 Ondanks de strikte regelgeving omtrent de toepassing van de voorlopige hechtenis behoort Nederland tot een van de koplopers in Europa met betrekking tot het toepassen van de voorlopige hechtenis. Er zijn weinig landen waarin verdachten op zo’n grote schaal in voorlopige hechtenis worden genomen. Veel verdachten hebben in Nederland hun straf al uitgezeten voordat zij door de strafrechter worden veroordeeld.113 In de praktijk is de beslissing om een verdachte in voorlopige hechtenis te nemen niet alleen gebaseerd op wettelijke gronden.114 Volgens de Hoge Raad kunnen er namelijk naast de wettelijke gronden ook argumenten zijn zoals de persoon van de verdachte en de ernst van het delict die een rol kunnen spelen bij het toepassen van voorlopige hechtenis.115 Stevens heeft onderzoek gedaan naar de rechterlijke toepassing van de voorlopige hechtenis in Nederland, waarbij ze interviews heeft afgenomen met willekeurige rechters en rechters-commissarissen in heel Nederland. De argumenten voor rechters om voorlopige hechtenis toe te passen liggen doorgaans op het gebied van het nastreven van strafdoelen. Zoals snelle bestraffing van delicten en beveiliging van de maatschappij. Daarnaast is gebleken dat de 108

EHRM 24 juli 2003, NJ 2005, 550. Van Zijl 2010. 110 Crijns 2012, p. 11-18 111 Crijns 2012, p. 11-12 112 Uit Beijerse en Simmelink, p. 619 113 Klip 2012 114 Reijntjes 2008 115 HR 2 maart 1954, NJ 1954, 240. 109

15


rechters(-commissarissen) niet het risico willen lopen om de verdachte op vrije voeten te stellen en zo de zittingsrechter voor de voeten te lopen, met het idee dat wanneer de verdachte niet langer wordt gehecht, het lastig is om de verdachte uiteindelijk terug de gevangenis in te sturen. Dit is dus ook een van de redenen waarom rechters in de praktijk terughoudend zijn bij het schorsen van de voorlopige hechtenis. Sommige rechters geven aan dat verdachten van bepaalde ernstige delicten na hun aanhouding niet meer vrij mogen komen omdat het maatschappelijk belang dat zou eisen. Deze grond staat echter niet in de wet maar deze blijkt toch regelmatig in de raadkamer aan bod te komen, aldus Stevens. Ook een veel voorkomende gedeelde mening onder de rechters is “dat het voor de verdachte beter zou zijn om nu alvast zijn straf uit te zitten, in plaats van dat hij nu wordt vrijgelaten, zijn leven weer opbouwt en later weer wordt opgesloten zodat alles weer instort.�116 De volgende percentages laten dan ook zien met wat voor gemak de voorlopige hechtenis over het algemeen wordt toegepast in Nederland. Van de door het OM ingediende vorderingen tot gevangenhouding werd namelijk 96 % volledig toegewezen. In 3% van de gevallen was sprake van een gedeeltelijke toewijzing en in 1% van de gevallen gaf de rechtbank geen bevel tot gevangenhouding af. De cijfers geven geen inzicht in de redenen voor de volledige afwijzing, maar ze ondersteunen wel de bovengenoemde uitlatingen van de rechters.117 Het punitieve karakter in de argumentatie blijkt bij veel rechters voor te komen. Er wordt door de beslissende autoriteiten gekeken naar wat wenselijk is, en daar wordt alvast een voorschot op genomen, waardoor de wettelijke gronden naar de achtergrond verdwijnen.118 In de praktijk lijkt er in Nederland dus een samenhang te zijn tussen de voorlopige hechtenis en de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, omdat de zittingsrechter zich bij het opleggen van de onvoorwaardelijke vrijheidsstraf schikt naar de duur van de voorlopige hechtenis.119 Bij het bepalen van de straf door de rechter wordt er namelijk rekening gehouden met de duur die de verdachte al in voorlopige hechtenis heeft gezeten. De kans dat de rechter een kortere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zal leggen dan dat de verdachte al in voorarrest heeft gezeten is relatief klein. De verdachte zal dan schadevergoeding eisen voor de tijd die hij ten onrechte gedetineerd heeft gezeten. De rechter kiest er daarom eerder voor om een straf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest of langer. 3.3 Kritieken Zoals in paragraaf 1.1.2 omtrent de onschuldpresumptie is besproken, moet zoveel mogelijk worden voorkomen dat de verdachte, alvorens te zijn veroordeeld, al wordt onderworpen aan ter zake van de verdenking opgelegde onherstelbare maatregelen.120 Daarom moet hij tijdens de voorlopige hechtenis niet als een reeds veroordeelde worden behandeld en dus aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die voor het doel van de opsluiting of in het belang van de openbare orde volstrekt noodzakelijk zijn.121 In het kader van de onschuldpresumptie mag er ook geen voorlopige hechtenis opgelegd worden om strafrechtsdoeleinden na te streven. De voorlopige hechtenis is een strafvorderlijk dwangmiddel, geen sanctie. Hieruit volgt dat de voorlopige hechtenis dus uitsluitend kan worden aangewend in het kader van de strafvordering en nimmer een doel op zich is. In Nederland hebben bovengenoemde aspecten vaak geleid tot kritiek op haar toepassing.122 De toepassing van de voorlopige hechtenis zou te frequent en te langdurig zijn. De verdachte wordt bij voorlopige hechtenis uit zijn gewone omgeving weggehaald, wat ernstige gevolgen kan hebben voor zijn gezin, werk en voor zijn sociaal functioneren. 123

116

Stevens 2010, p. 1521 Stevens 2010, p. 1522 118 Stevens 2010, p. 1522 119 Stevens 2010, p. 1524 120 Art. 67a lid 3 SV. 121 Art. 2 lid 1 sub t Penitentiaire beginselenwet en art. 62 en 76 Sv 122 Corstens 2008, p. 397-399 123 Corstens 2008, p. 399 117

16


In Nederland wordt er ook veel kritiek geuit op de wijze waarop de Nederlandse rechters de voorlopige hechtenis onderbouwen. Een vordering wordt door de OvJ doorgaans met enkele standaardzinnen afgedaan en ook bij de beslissing door de rechter wordt er regelmatig onvoldoende gemotiveerd, terwijl dit wel wettelijk verplicht is gesteld.124 Ook uit het Smirnova-arrest kan worden afgeleid dat de rechter verplicht is om specifiek in te gaan op de aangevoerde feiten en omstandigheden en niet te volstaan met het slechts benoemen van wettelijke gronden die de voorlopige hechtenis toelaten. Er moet zodanig worden gemotiveerd dat er uit afgeleid kan worden dat de beslissing berust op een juiste toepassing van de wet in het concrete geval.125 Het niet motiveren of zelfs automatisch opleggen van de voorlopige hechtenis zou zelfs in strijd zijn met die eisen, zoals neergelegd in art. 5 EVRM. Het gebrek aan motivering en daarmee het gemis aan concrete vertaling naar de specifieke zaak, laat zich het meest voelen bij de grond van de ernstig geschokte rechtsorde. Volgens Europese rechtspraak moeten er concrete aanwijzingen zijn op grond waarvan onderbouwd kan worden dat de vrijlating van de verdachte de openbare orde daadwerkelijk zou aantasten.126 Naar zijn aard is deze grond het meest abstract van alle gronden. Wat moet worden verstaan onder een ´geschokte rechtsorde´ is namelijk niet eenvoudig vast te stellen.127

124

Art. 78 lid 2 Sv EHRM 24 juli 2003, NJ 2005, 550. 126 Corstens 2008, p. 408 127 Stevens 2008, p. 499 125

17


Conclusie De voorlopige hechtenis is een van de onderwerpen van het strafprocesrecht die blijvend in de belangstelling staat. De verdachte is immers tijdens de periode in voorlopige hechtenis nog niet schuldig bevonden, terwijl hij wel van zijn vrijheid wordt beroofd.128 Dit levert een spanningsveld op tussen de voorlopige hechtenis en de zogenoemde ‘praesumptio innocentiae’, waarbij eenieder voor onschuldig moet worden gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan.129 Voorts geldt in zijn algemeenheid het uitgangspunt, zoals ook door het EHRM is vastgesteld en voortvloeit uit de onschuldpresumptie, dat de voorlopige hechtenis terughoudend moet worden toegepast en dat de verdachte zijn berechting zoveel mogelijk in vrijheid mag afwachten.130 Niets is minder waar. Nederland is koploper als het gaat om de toepassing van voorlopige hechtenis. Er zijn weinig landen waarin verdachten op zo’n grote schaal van hun vrijheid worden beroofd voordat ze zijn veroordeeld.131 Er is dan ook veel kritiek op het feit dat de voorlopige hechtenis tegenwoordig steeds vaker en gemakkelijker wordt opgelegd in Nederland. Bij de besproken wettelijke voorwaarden voor de toepassing van voorlopige hechtenis (en hoe daar door de rechters in de praktijk mee om wordt gegaan) werd duidelijk dat er een kloof bestaat tussen de theorie en de praktijk. Zo werd besproken dat de bovenmatige toepassing van de voorlopige hechtenis in het kader van de onschuldpresumptie niet geheel overeenstemt met de ultimum remedium-gedachte en ook werd de gebrekkige motivering door de Nederlandse rechter aan de kaak gesteld. Deze motivering bestaat in regel uit niet veel meer dan het aanvinken van de wettelijke gronden, terwijl de rechter verplicht is om specifiek in te gaan op de aangevoerde feiten en omstandigheden. Ook blijken er in de praktijk vaak andere motieven schuil te gaan achter de oplegging van de voorlopige hechtenis dan in de wettelijke gronden wordt geëist. De voorlopige hechtenis heeft in Nederland een punitief karakter gekregen. Zij wordt vrijwel standaard toegepast in de gevallen waarin de wet haar mogelijk maakt. Naar alternatieven wordt niet of nauwelijks gekeken. Door de wenselijkheid van de maatschappij als belangrijk uitgangspunt te nemen, verdwijnen de wettelijke gronden naar de achtergrond. Op basis hiervan wordt duidelijk waarom de voorlopige hechtenis in Nederland zo vaak wordt opgelegd. De rechter heeft op basis van de wettelijke regelingen namelijk de middelen in handen om de voorlopige hechtenis gemakkelijk toe te passen. Hierdoor wordt de ultimum remedium-gedachte aangetast en wordt de voorlopige hechtenis steeds meer als een straf gezien, waarmee de bedoelingen van de wetgever aan de kant worden geschoven. Rechters zouden zich eigenlijk bij de toepassing moeten laten leiden door de te verwachten straf, terwijl het eerder andersom het geval lijkt; de beslissing om voorlopige hechtenis toe te passen beïnvloedt de uiteindelijke straf. De voorlopige hechtenis strookt dan niet meer met de straf die de strafrechter wil opleggen en daarmee voldoet het daarmee evenmin aan het door de wet gestelde anticipatiegebod. 132 De onschuldpresumptie van art. 6 lid 2 EVRM is nadrukkelijk geformuleerd als een recht van de verdachte. Maar in feite is het een procesrechtelijk beginsel dat een norm bevat voor beslissende autoriteiten die zich in het strafproces op basis van de tegen verdachte gerezen verdenking bezighouden. Zij hoeven niet feitelijk te vermoeden dat de verdachte het niet gedaan heeft, maar juridisch dienen ze uit te gaan van de hypothese dat de verdachte onschuldig is. De conclusie dat de verdachte schuldig is, mag pas door de rechter in de fase van berechting worden getrokken. Voor wat betreft de toepassing van voorlopige hechtenis, dwingt dit uitganspunt dus niet om van de toepassing af te zien, maar wel om de voorwaarden waaronder die mogen worden toegepast, zorgvuldiger te maken. Precies voor die afweging geeft de onschuldpresumptie een norm aan voor de beslissende

128

Art. 5 EVRM. Art. 6 lid 2 EVRM. 130 Stevens 2010, p. 1520 131 Klip 2012 132 Stevens 2010, p. 1520-1525 129

18


autoriteiten. 133 Volgens het EHRM vormen het fundamentele recht op vrijheid en de onschuldpresumptie de belangrijkste argumenten om te pleiten voor een uiterst terughoudende toepassing. Uit Europese jurisprudentie blijkt dat de Nederlandse praktijk niet voldoet aan de daar met het oog op de onschuldpresumptie gestelde criteria. Terwijl de uitgangspunten die ten grondslag liggen aan de Europese jurisprudentie, ook ten grondslag liggen aan de wettelijke regeling zelf.134 De voorlopige hechtenis kan volgens het Hof slechts worden bevolen wanneer is vastgesteld dat er voldaan is aan de eerder besproken wettelijke voorwaarden, en als minder ingrijpende alternatieven tekortschieten. De beslissing van de rechter om voorlopige hechtenis toe te passen moet daarnaast ook uitgebreid en op basis van de specifieke omstandigheden van het voorliggende geval worden gemotiveerd.135 Deze uitgangspunten zijn nauwelijks in de Nederlandse praktijk te vinden. Verdachten blijken te snel en gemakkelijk preventief te worden gehecht, waarbij in de regel wordt volstaan met summier gemotiveerde standaardbeschikkingen. Naar alternatieven wordt nauwelijks gekeken. Het feit dat Nederland nog niet op de vingers is getikt in Straatsburg, mag niet als argument worden gehanteerd om de door het Europese Hof geformuleerde uitgangspunten zonder meer terzijde te leggen.136 Terugkerend naar de onderzoeksvraag kan worden geconcludeerd dat de onschuldpresumptie en de voorlopige hechtenis naast elkaar kunnen bestaan, mits aan de genoemde voorwaarden en beginselen is voldaan.

133

Mevis 2009, p. 323 Uit Beijerse 2008, p. 486 (strafblad) 135 Smirnova-arrest 136 Crijns en Geelhoed 2011, p. 29-30 134

19


Literatuur Boeken Bertens 2011/2012 T. Bertens, Strafrecht & Strafvordering, elfde herziene editie, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2011. Cleiren & Nijboer 2007 C.P.M. Cleiren en J.F. Nijboer, Tekst en Commentaar Strafvordering, Deventer: Kluwer 2007. Corstens 2008 G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, Deventer: Kluwer 2008. Harteveld 2004 A.E. Harteveld e.a., Het EVRM en het Nederlandse strafprocesrecht, Deventer: Kluwer 2004. Minkenhof 2009 A. Minkenhof, De Nederlandse strafvordering, Deventer Kluwer 2009. Reijntjes 1994 J.M. Reijntjes, Voorarrest, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1994. Uit Beijerse 1998 J. uit Beijerse, Op verdenking gevangengezet. Het voorarrest tussen beginselen en praktische behoeften, Nijmegen: Ars Aequi Libri, 1998. Bijdragen in boeken Groenhuijsen 1998 M.S. Groenhuijsen, ‘Op verdenking gevangengezet.’ In: J. uit Bijerse, Het voorarrest tussen beginselen en praktische behoeften, diss. Rotterdam, Nijmegen 1998, XI + 230 pp. Groenhuijsen 2000 M.S. Groenhuijsen, ‘De nabije toekomst van de voorlopige hechtenis, in het bijzonder in het licht van de onschuldpresumptie’ in: J. de Hullu & W.E.C.A. Valkenburg (red.), Door Straatsburg geïnspireerde grondnormen voor het Nederlandse strafprocesrecht, Deventer: W.E.J. Tjeen Willink, 2000. Uit Beijerse & Simmelink 2001 J. uit Beijerse en J.B.H.M. Simmelink, ‘Voorarrest’, in: M.S. Groenhuijsen en G. Knigge, Het vooronderzoek in strafzaken. Tweede interimrapport onderzoeksproject Strafvordering 2001, Deventer: Gouda Quint 2001 Van Kempen & Kristen 2005 P.H.P.H.M.C. van Kempen en F.G.H. Kristen, ‘Alternatieven voor voorarrest in Europees perspectief’, in: J.M. Reijntjes, Praktisch strafrecht Liber amicorum, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2005.

20


Artikelen Bertens 2011 T. Bertens, Strafrecht & Strafvordering, Ars Aequi wetseditie 2011/2012, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2011. Buruma 2009 Y. Buruma, ‘De rechtsstaat in de knel tussen populisme en absolutisme’, DD 2009. Crijns & Geelhoed 2011 J.H. Crijns & W. Geelhoed, ‘Wederzijdse erkenning van toezichtmaatregelen als alternatief voor voorlopige hechtenis.’ 2011 Crijns 2012 J. Crijns, ‘Strafrecht als ultimum remedium’, Ars Aequi januari 2012. Haveman & Van Lent 2012 M. Haveman & L. van Lent, ‘Vastzetten om het vastzitten’, Ars Aequi februari 2012. Klip 2009 A.H. Klip, ‘Justitiebegroting 2010 in historisch perspectief’, DD 2009. Klip 2012 A.H. Klip, ‘Delikt en Delinkwent, Voorlopige hechtenis’, DD 2012/8 Mevis 2009 P.A.M. Mevis, Capita Strafrecht: een thematische inleiding, zesde druk, Ars Aequi Libri, Nijmegen, 2009. Reijntjes 2004 J.M. Reijntjes, ‘Is er vooruitgang?: over de toepassing van voorlopige hechtenis’, Strafblad 2004. Stevens 2008 L. Stevens, ‘De praktijk van de Nederlandse voorlopige hechtenis vanuit Straatburgs perspectief: ‘klaag niet te snel”, DD 2008/35, p. 499 Stevens 2009 L. Stevens, ‘Pre-Trial Detention: The presumption of Innocence and Aricle 5 of the european Convention on Human Rights Cannot and Does Not Limit its Increasing Use’, European Journal of Crime, Criminal Law and Criminal Justice 17 (2009) 165-180. Stevens 2010 L. Stevens, ‘Voorlopige hechtenis en vrijheidsstraf, De strafrechter voor voldongen feiten?’, Nederlandse juristenblad 2010 (afl. 24), p. 1520-1525. Uit Beijerse 2008 J. uit Beijerse, ‘Naar een bij onschuldpresumptie passend systeem van voorlopige hechtenis’, Strafblad 2008 (afl. 5), p. 465-487 Van Zijl 2010 R. van Zijl, ‘Voorlopige hechtenis wordt onvoldoende gemotiveerd – Recidivegevaar en gebrekkige redeneringen’, Advocatenblad 2010.

21


Wedzinga 1999 W. Wedzinga, ‘Voorarrest’, Nijmegen: Ars Aequi Libri 1999.

Losbladige uitgaven Opstelten 2011 I.W. Opstelten, ‘Voorstel van wet tot Wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met de uitbreiding van de gronden voor voorlopige hechtenis, 2011. Van Den Emster 2011 F.W.H. van den Emster, Advies conceptwetsvoorstel tot wijziging gronden voor voorlopige hechtenis, Raad voor de Rechtspraak, 2011. Jurisprudentie Rechtbank LJN: BM0977, Rechtbank Amsterdam, 13/997031-05 LJN: BL1670, Rechtbank Amsterdam, 13/997140-05 RK: 09/4787; 10/554 Hof Hof Den Bosch 28 maart 2002, NJ 2003, 12. Hoge Raad HR 3 juni 1997, NJ 1997, 584 HR 28 januari 1997, NJ 1997, 408 HR 21 maart 2006, NJ 2006, 246 HR 2 maart 1954, NJ 1954, 240 Europees Hof voor de Rechten van Mens EHRM 25 maart 1983, A62 (1983). EHRM 16 december 1992, NJ 1991, 351 EHRM 6 december 1988, A136 EHRM 25 maart 1983, NJ 1986, 698 EHRM 25 augustus 1987, A 123; EHRM 28 juli 2005, NJCM-Bulletin 2005. EHRM 26 juni 1991, NJ 1995, 575. EHRM 26 juni 1991, NJ 1995, 575. EHRM 27 augustus 1992, NJ 1995, 576. EHRM 26 juni 1994, NJ 1995, 575 . EHRM 10 februari 1995, Oubl. ECHR Series A, vol. A. 308. EHRM 24 juli 2003, NJ 2005, 550. EHRM 24 juli 2003, NJ 2005, 550. Europese Commissie voor de Rechten van de Mens ECRM, 4 mei 1993, 13616/88, Publ. Comparative Political Studies, vol. 39, nr. 1, p. 62

22

Profile for Elise Krielen

Voorlopige hechtenis en onschuldpresumptie  

In hoeverre mag iemand van zijn vrijheid worden beroofd door in voorlopige hechtenis te worden genomen, zonder dat zijn schuld in rechte is...

Voorlopige hechtenis en onschuldpresumptie  

In hoeverre mag iemand van zijn vrijheid worden beroofd door in voorlopige hechtenis te worden genomen, zonder dat zijn schuld in rechte is...

Advertisement