Page 1

13-doelenlogboek 1. gesprekken voeren met leerlingen 3 december 2008 Ik had een doos mee met allerlei blikken en de kinderen kwamen direct bij mij en vroegen juf wat is dat en wat gaan we daarmee doen in de les? De kinderen vroegen ook wie welke les gaf. De leerlingen waren heel open. => Ik vond het leuk en gemakkelijk om met spontaan met de kinderen te praten. 17 maart 2009 De leerlingen zijn voortdurend nieuwsgierig naar wat we gaan doen vandaag. 2. beoordelen en toegankelijk maken van teksten 24 november 2008 (voorbereidende les met vakdocent: godsdienst) De leerlingen kregen Bijbelteksten, deze teksten moesten de leerlingen per 2 lezen. Daarna werden de teksten mondeling besproken => De Bijbelteksten waren te moeilijk voor leerlingen voor de leerlingen van het 6de leerjaar. Toch heb ik geprobeerd om de leerlingen zoveel mogelijk bij de lessen te betrekken. 2 december 2008 (bedreigde diersoorten) Voor deze les heb ik verschillende fiches gemaakt per bedreigde diersoort. => De teksten bevatten soms moeilijke woorden. Ik had beter per fiche de moeilijke woorden uitgelegd of eventueel de leerlingen deze woorden laten verklaren met behulp van een woordenboek. 3. mondelinge opdrachten geven 2 december 2008 (les bedreigde diersoorten) Uitleggen dat de kinderen aan het bord moeten schrijven wat ze denken, wat te maken heeft met bedreigde diersoorten. 4. schriftelijk vragen en opdracht formuleren 3 december 2008 Op het werkblaadje van wiskunde stonden de opdrachten schriftelijk. De leerlingen moesten de vraagstukken lezen. => In de opdrachten stonden geen taalfouten en de opdrachten werden duidelijk geformuleerd zodat de leerlingen direct wisten wat ze moesten doen. 5. een uiteenzetting geven met schriftelijke ondersteuning 6. een schriftelijke evaluatie geven 2 december 2008 Ik heb de werkblaadjes verbeterd van over de bedreigde diersoorten. Ik heb er bijgeschreven of het goed was of zeer goed. 7. Vertellen 18 november 2008 Ik heb het boek stille lippen van Dirk Bracke verteld aan mijn stageklas. Daarna moesten de leerlingen hier rond verschillende opdrachten doen.

1


De vertelling is goed verlopen. Ik moet erop letten dat ik mijn eindklinkers uitspreek en zo min mogelijk dialect praat. Voorbereiding: Fase 1: sfeerschepping… en situering De leerlingen nieuwsgierig maken. Tonen van de omslag(omslag vergroten) en dit op het bord hangen(zie bijlage). Ik stel enkele vragen aan de kinderen: - Ziet het meisje er gelukkig uit? - Waarover denken jullie dat het verhaal gaat? Het verhaal gaat over Elien. Elien is een meisje dat doof is. - Weten jullie wat dat is als iemand doof is? Indien de kinderen dit niet weten. Ga ik dit uitleggen aan de kinderen. Iemand die doof is hoort slecht of niet. Die persoon heeft een beperking aan het gehoor. - Kennen jullie iemand die doof is? Fase 2: Vertellen Elien loopt naar school. Ze heeft nog 7 minuten. Ze haast zich nog harder door de straat. Elien zag aan de overkant van de straat de school. Ze keek routineus even rond. Tussen twee geparkeerde auto’s door liep Elien snel het zebrapad op. Halverwege de straat hoorde Elien vaag het geluid van een auto. Geschrokken keek ze naar links. Niks! Rechts had een Land Rover op een meter van haar geremd. Elien staarde naar de jeep. Waar kwam die opeen vandaan? De chauffeur draaide zijn raampje omlaag en stak zijn hoofd naar buiten. “Hé! Kun je niet uitkijken?! Ben je doof ofzo?!”: schreeuwde hij woedend. Elien haastte zich naar de stoep. De jeep reed weg. Ach, wat had ze kunnen doen? Die chauffeur had haar vast uitgelachen als ze hem met moeizame zinnetjes op zijn nummer had willen zetten. Door dit voorval was Elien te laat op school. Na school ging Elien samen met Lise naar huis. Lise is Eliens buurmeisje. Lise vraagt of Elien niet mee naar de discotheek gaat. Elien zei eerst:” Neen het zal niet leuk zijn”. “Hoe kan jij dat nu weten of de discotheek niet leuk is, je bent er nog niet geweest. En iedereen gaat graag naar de discotheek. Ben je bang, Elien? Ben je bang dat iemand je zal uitlachen?”: zei Lise. “ Ik ga de muziek niet goed horen. Hoe kan ik dan dansen?” zei Elien. “ Nonsens,de muziek staat hard en je danst gewoon mee met de anderen. Elien je moet meegaan! Je weet niet wat je mist.”: zie Lise. “ Ik zal het thuis vragen.” zei Elien. Eenmaal thuis zette Elien de tv aan en keek naar een tekenfilm. Elien schrok toen haar moeder thuis kwam. Haar moeder vond dat Elien vreemd deed. Maar Elien zei niets en ze zat constant aan zaterdagavond te denken. Tijdens het eten zei Elien:” Zaterdagavond, ga ik naar de discotheek”. “Waarom?”: vroeg haar vader. “Om te dansen natuurlijk. Andere meisjes gaan toch ook naar de discotheek om te dansen. En ik ga samen met Lise.”: zei Elien. “Maar je hoort de muziek amper, hoe kun je dan dansen?”: vroeg haar vader. 2


“De muziek staat hard! En ik kan toch kijken hoe de anderen dansen?”:zei Elien. ‘Tja in de dovenclub valt het niet op als je verkeerd danst. Daar is iedereen…”: zei hij. “Ik wil me niet opsluiten in die club! Ik wil leven zoals iedereen. En ik ga toch met Lise!”: riep Elien. “ in de dovenclub zijn er toch ook soms feestjes waar je kunt dansen. En Lise is horend, die kan op haar eigen benen staan.”: probeerde haar vader opnieuw”. Het is toch niet mijn schuld dat ik doof ben? Waarom scheelde er uitgerekend iets met haar oren? En niet met de oren van iemand anders? Uiteindelijk gaven de ouders van Elien toe. De volgende dag na school liep Elien naar huis. Ineens kwam er een jongen op een Booster hard aangereden. Hij sneed de bocht af om langs het plein te rijden. Op hetzelfde ogenblik draaide een zware vrachtwagen met een oplegger de straat in. De voorste wielen namen een stuk van het voetpad en de oplegger zwaaide ver uit, te ver. In een wanhopige reflex stuurde de jongen zijn Booster naar rechts, maar hij kon niet vermijden dat de achterbumper van de oplegger hem aantikte. De jongen gilde, probeerde in paniek de Booster naar rechts te houden, viel, geleed over het plaveisel en sloeg zwaar met zijn been tegen een boom! De vrachtwagenchauffeur had het wellicht niet gemerkt want hij reed snel door. Seconden lang keek Elien het gevaarte na. Toen dacht ze aan de jongen. Aarzelend ging ze naar de jongen toe. Ze was bang, bang omdat ze iets moest doen en niet wist wat. Ze hurkte bij hem neer. De jongen bewoog toen ze voorzichtig zijn schouders aanraakte. “Doet het pijn?”: vroeg ze. Ze hoopte maar dat de jongen wat zou zeggen, zou opstaan. Maar de jongen bleef liggen. Elien richtte zich moeizaam op en keek op zich heen. Het plein en de straten waren verlaten. Alsof er niets was gebeurd. Elien vroeg zich af of de horenden niets hadden gehoord? Elien zag een telefoonhokje. Aarzelend nam ze de hoorn van de haak, niet wetend hoe ze moest binnen want Elien had thuis nog nooit getelefoneerd. Ze zag op de pictogrammen het nummer 100 voor medische hulp staan. Haar vingers toestte 100 in. “ Er ligt een jongen op de grond!”: riep ze, zonder op de aansluiting te wachten. “Hallo? Er ligt een jongen op de stenen!”: riep Elien. Waar bent u? Wat is er gebeurd? “Er ligt een jongen op de stenen! Een vrachtwagen heeft hem aangetikt en de jongen is met zijn bromfiets gevallen”: riep Elien terug. Blijf even rustig! Is de jongen ernstig gewond? Elien keek onzeker naar het telefoontoestel alsof ze eraan zou zien dat men haar begrepen had. Ze had er geen idee van of haar telefoontje iemand bereikt had. Elien probeerde nog eens: “ Er is een jongen gevallen!”. Blijf waar je bent. We komen er zo aan. Elien legde de hoorn terug en liep naar de jongen. Ze liet zich op haar knieën naast hem zakken. “Het komt wel goed.”: zei ze troostend. “Maar ik weet niet wat ik moet doen? Doe je been veel pijn?”: vroeg Elien. De jongen verschoof een beetje. Een pijnlijke grimas lag op zijn gezicht. “Je bent niet meet bewusteloos.”: zei ze. “ Maar je ligt als zo lang op die ijskoude stenen.” Elien ristte haar jas los, trok hem uit en legde hem over de jongen. Er stopte een auto en een vrouw stapte uit. “Wat is er gebeurd?”: vroeg de vrouw aan Elien. Elien legde uit dat de jongen is aangereden door een vrachtwagen! De 3


vrouw stelde nog verschillende vragen aan Elien. Maar Elien verstond haar niet. Elien toonde haar hoorapparaten aan de vrouw. De vrouw belde de hulpdiensten want Elien wist niet zeker of ze iemand kon bereiken. Maar de hulpdiensten waren al onderweg. Elien had dus toch iemand kunnen bereiken. De hulpdiensten namen de jongen mee en de ambulance raasde weg met het zwaailicht en zette een loeiharde sirene op. Het is zaterdagavond. Elien is zenuwachtig want deze avond gaat ze naar de discotheek samen met Lise. Eenmaal binnen in de discotheek was Elien heel tevreden. Elien voelde de muziek en ze keek wat rond in de discotheek. Toen vielen haar ogen op een paar meisjes die elkaar iets toeschreeuwden. Ze hadden moeite om elkaar te verstaan. Elien dacht eerst of die twee meisjes ook slechthorende zijn. Maar neen, de muziek stond zo hard dat de anderen elkaar ook niet konden verstaan. In de discotheek was iedereen slechthorend! Hier was Elien bijna zoals de anderen. Wat was het avondje in de discotheek zo snel voorbij en Elien wou zeker nog terug gaan. Een paar weken later kreeg Elien een fax van Jeroen. Jeroen is de jongen die aangereden werd door de vrachtwagen. Jeroen schreef of Elien hem eens wou bezoeken in het ziekenhuis. Elien ging op bezoek. Jeroen was heel blij toen hij Elien zag want zij had zijn leven gered. Fase -

3: Nabespreking van het verhaal Wat vond je leuk aan het boek? Hoe voelt Elien zich? Zou je, je ook zo voelen moest je in de plaats van Elien zijn? Aan welk zintuig heeft Elien een beperking? Welke zijn de verschillende zintuigen?

8. Voorlezen 17 maart 2009 Tijdens mijn les fantasie. Heb ik het boek: De Wens, Lieshout E, Rotterdam, Lemniscaat, 2006, 1ste druk., voorgelezen als inleiding op mijn les.

4

13doelenlogboek  

logboek over de 13 doelen communicatie

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you