Issuu on Google+

TERUG NAAR DE WARE LEBUÏNUS DIRK OTTEN

DEVENTER KOPSTUKKEN II deventer universitaire pers


DEVENTER KOPSTUKKEN II

TERUG NAAR DE WARE LEBUÏNUS


DEVENTER KOPSTUKKEN II

TERUG NAAR DE WARE LEBUÏNUS


DEVENTER KOPSTUKKEN II

TERUG NAAR DE WARE LEBUÏNUS


DEVENTER KOPSTUKKEN II

TERUG NAAR DE WARE LEBUÏNUS Hoe de evangelisator van Saksenland vanaf de ixe eeuw werd beschreven, vereerd en miskend.   Met een vertaling van de anonieme Vita Antiqua en de Vita Lebuini van Hucbaldus.

DIRK OTTEN

deventer universitaire pers 2010


DEVENTER KOPSTUKKEN ISSN 1878 – 822x Reeds uitgegeven in deze reeks: I contra turrim; geert grote en de kredietcrisis door Jeroen

Buve (2009) II terug naar de ware lebuïnus door Dirk Otten (2010) Nadere delen zijn in voorbereiding

Dit boek had niet kunnen verschijnen zonder de even genereuze als belangeloze bijdrage c.q. medewerking van de volgende instellingen: – Staatsbibliothek zu Berlin - Preussischer Kulturbesitz – Stadsarchief & Athenaeum Bibliotheek, Deventer – Historisch Centrum Overijssel, Zwolle – Protestantse Gemeente Wilp – Grote of Lebuinuskerk (Protestantse Gemeente Deventer) – Orthodoxe Parochie H.H. Eersttronende Apostelen Petrus en Paulus, Deventer – Heilige Lebuinus parochie (Katholieke kerken Zuid-West-Salland) – Abdij Sion, Diepenveen – Stichting Mr C.J.D.L. Waalfonds, Deventer – Fonds Deventer Geschiedenis in Beeld, Deventer – Stichting Wesselings-Van Breemen, Deventer – Stichting het Iordenshofje, Deventer – Anna van Twickelo Fonds, Deventer – NV Bergkwartier Maatschappij tot Stadsherstel, Deventer – Gemeente Deventer – Provincie Overijssel – Geert Grote Alliantie


INHOUD

WOORD VOORAF 7 INLEIDING 9 1. MET GEESTDRIFT BEZIELD 13 2. EEN OVERMOEDIGE PIONIER 18 3. EEN AKKERMAN IN FRIESLAND 22 4. VAN HELD TOT HEILIGE 28 5. EEN EIGEN ‘SANCTE LEBUIJNUS’ VOOR DE DEVOTEN 33 6. EEN EDELE PRINS 38 7. LEBUÏNUS OP GROTE AFSTAND 43 8. LEBUÏNUS IN DE GESCHIEDSCHRIJVING VAN DOMINEE NAGGE 46 BEELDKATERN 49 9. DE WETENSCHAP DIENT ZICH AAN 66 10. LEBUÏNUS GEBRANDSCHILDERD 71 11. SAGEN EN LEGENDEN 74 12. EEN GEROMANTISEERDE LEBUÏNUS 78 13. ZICHT OP DE WARE LEBUÏNUS 80


BIJLAGEN 1. VERTALING VAN DE VITA ANTIQUA 87 2. VERTALING VAN DE VITA LEBUINI VAN HUCBALDUS 93 3. FACSIMILE VAN DE ‘PRYNCE UUT ENGELANT’ 101 LITERATUUR 106 REGISTER 108

terug naar de ware lebuïnus

COLOFON 112


Wie van de latere persoons- en levensbeschrijvingen van Lebuïnus kennis neemt, zou echter in verwarring kunnen raken. De opvattingen over hem lopen uiteen van ‘prediker in het land der Friezen die massaal heidenen bekeerde’ tot ‘de missionaris rond wiens persoon legenden ontstonden.’   In dit boekje wordt eerst nagegaan hoe Lebuïnus werd gezien in proza- en dichtwerken, die ontstonden nadat de christelijke kerk in het begin van de negende eeuw ook in Saksenland definitief een gevestigde macht was geworden, en ook hoe de ‘echte’ Lebuïnus daarbij op de achtergrond raakte. In het laatste hoofdstuk wordt aangetoond dat het mogelijk is om aan de hand van vooral de vroegste bronnen de ‘echte’ Lebuïnus op het spoor te komen.   Zeer erkentelijk ben ik dr C.M. Hogenstijn, dr Evert van den Berg en drs Han van Ravenzwaaij, die bereid waren om de voorlopige tekst kritisch door te nemen. Hun suggesties, correcties en aanvullingen zijn dit boekje zeer ten goede gekomen. Van de ‘Staatsbibliothek zu Berlin – Preussischer Kulturbesitz’ kreeg ik toestemming om een kopie van het lied ‘Lebuynus een edelle prynce’ als bijlage op te nemen. Daarvoor mijn dank.   Heerde, voorjaar 2010 Dirk Otten

woord vooraf

 WOORD VOORAF   Lebuïnus van Deventer mag niet worden vergeleken met de drie belangrijkste evangeliepredikers: Willibrord, Bonifatius en Ludger. Daarvoor was zijn leven te kort en had zijn prediking in Saksenland, dat militair nog niet was onderworpen, te weinig succes. Maar na zijn dood raakte Lebuïnus allerminst in vergetelheid. Na enkele decennia van mondelinge overlevering ontstonden vanaf het midden van de negende eeuw de eerste biografieën over hem. Dat in de meer dan elf eeuwen daarna teksten, dichtwerken en kunstwerken aan hem werden gewijd, is vooral te danken aan zijn optreden op de Volksvergadering van de Saksen in Marklo aan de Wezer. Deze heldhaftige bekeringsexpeditie moet zeer tot de verbeelding hebben gesproken. Zijn tijdgenoten hebben aan de volgende generatie doorverteld, hoe de Angelsaksische missionaris zich na een tocht door het vijandige Saksenland in het hol van de leeuw waagde.

— 7


— terug naar de ware lebuïnus


INLEIDING   Een biograaf van Lebuïnus weet te vertellen dat hij een vriendelijk, Engels gezicht had, dat hij bij zijn optreden op de Volksvergadering van de Saksen in Marklo gekleed was als een diaken en in zijn hand een gouden kruis droeg. De auteur is er stellig van uitgegaan, dat een priester met de Angelsaksische doopnaam Liafwin (= lieve vriend) een vriendelijk gezicht moet hebben gehad.

Deze klassieke uitbeelding van Lebuïnus’ uiterlijke verschijning is te vinden op enkele kerkgewelven (zie afb. 8, pag. 55), op de bekende gravure van Bloemaert (zie afb. 1, pag. 49), in oude drukken uit de boekenstad Deventer en op een zilveren oliedoos uit het derde kwart van de xviie eeuw, die in gebruik was bij de aartspriester van Salland. Ook het in 1856 vervaardigde Lebuïnusbeeld in de Broederenkerk van Deventer (zie afb. 11, pag. 58) volgt dit patroon.

inleiding

Deze beschrijving van Lebuïnus’ kleding, en vooral die in de vroegste biografie die aan hem werd gewijd, de Vita Antiqua, liggen ten grondslag aan de tekeningen, gravures en fresco’s die later van hem werden gemaakt. Ze tonen de missionaris gekleed in een dalmatiek, het klassieke gewaad van een diaken, of een kazuifel, het priestergewaad. In de ene hand draagt hij een klein kruis of een processiekruis met vaantje, in de andere hand een open of gesloten boek. Lebuïnus’ hoofd wordt omstraald door een nimbus.

— 9

De ‘beelden’ van Lebuïnus die worden opgeroepen in de teksten en gedichten die over hem werden geschreven, lopen veel meer uiteen. In sommige gevallen wordt Lebuïnus tot een tijdgenoot van de schrijver of dichter zelf gemaakt. Hoe Lebuïnus’ uiterlijke verschijning was, was voor de schrijvers en dichters minder relevant. Het ging hun veel meer om zijn betekenis voor de verbreiding van het christendom; ze wilden de lezers zijn geloof, zijn nederigheid en grote trouw aan zijn opdracht ten voorbeeld stellen. In dit boekje worden in dertien hoofdstukken de ‘beelden’ beschreven die in de loop van ongeveer elf eeuwen van Lebuïnus werden gemaakt.


terug naar de ware lebuïnus

— 10

Het gaat om drie uitbeeldingen van zijn uiterlijke verschijning en om tien persoonsbeschrijvingen van schrijvers en dichters. De dertien beelden zijn chronologisch gerangschikt, omdat het interessant en verhelderend is om te zien hoe de typeringen van Lebuïnus zich in de loop der eeuwen ontwikkelden, en in hoeverre ze vruchten zijn van de tijd waarin ze ontstonden. Zo maakte een schrijver uit de kring der Moderne Devoten van Lebuïnus een vooraanstaand burger van de middeleeuwse stad Deventer. De auteur van de Batavia Sacra (1715), die zijn studie voorzag van een wetenschappelijk voetnotenapparaat, presenteerde zichzelf in zijn beschrijving van Lebuïnus onmiskenbaar als een voorloper van de Verlichting, terwijl een nuchtere wetenschapper uit het begin van de xxe eeuw een belangrijk deel van de Lebuïnus-biografie naar het rijk der sagen meende te moeten verwijzen. In het laatste hoofdstuk wordt de weg terug, naar de vroegste bron, ingeslagen, en wel om de echte Lebuïnus op het spoor te komen. Veel aandacht zal worden besteed aan het heiligenleven dat de monnik Hucbaldus omstreeks het jaar 920 schreef, de Vita Lebuini. Hij vormde de Vita Antiqua (van midden negende eeuw), waarin de anonieme auteur de historische feiten wilde vastleggen, om tot een traditioneel heiligenleven dat moest dienen tot verheerlijking van Lebuïnus en tot stichting van de lezer. De eerste bijlage (p. 87) geeft de vertaling van de Vita Antiqua. Daarin worden de gedeelten die Hucbaldus ongeveer zeventig jaar later heeft ‘geschrapt’ cursief gedrukt. De tweede bijlage is een vertaling van Lebuïnus’ optreden en lotgevallen zoals die Hucbaldus in zijn Vita Lebuini beschreef. Daarin zijn Hucbaldus’ toevoegingen en aanpassingen cursief weergegeven. Het gedeelte in romein komt in grote lijnen overeen met de Vita Antiqua.


—

11

inleiding


—

12

terug naar de ware lebuĂŻnus


1 MET GEESTDRIFT BEZIELD

Omstreeks het midden van de negende eeuw ontstond het heiligenleven over Lebuïnus dat men later de Vita Antiqua is gaan noemen. Anders dan de bekende heiligenlevens over Willibrord, Bonifatius en Ludger is deze Vita geen doorlopend, biografisch verhaal, dat begint met een beschrijving van de deugden die de hoofdpersoon ook al in zijn kinderjaren bezat. Lebuïnus komt pas in beeld als hij zich in Utrecht meldt bij abt Gregorius. Over zijn jeugd en opleiding wordt niets meegedeeld. De auteur van de Vita Antiqua besteedt meer dan de helft van zijn tekst aan de bekeringsexpeditie van Lebuïnus naar de Saksische Volksvergadering in Marklo. Daaraan voorafgaand zijn de twee belangrijkste informaties dat de uit Engeland gekomen Lebuïnus nadrukkelijk wenste om te missioneren in het grensgebied van de Saksen en de Franken, de IJsselvallei, en als tweede zijn optreden in het vijandige en gevaarlijke Saksenland, waar hij bij Deventer een kerk stichtte, die dan ook prompt werd verwoest.

met geestdrift bezield

De schrijver van de Vita Antiqua beschreef Lebuïnus als een jonge, gedreven prediker die wist dat zijn bekeringsexpeditie naar Marklo aan de Wezer hem zijn leven zou kunnen kosten.  

— 13

Maar er is meer waardoor de auteur van de Vita Antiqua zich onderscheidt van onder meer Alcuïnus die de Vita Willibrordi schreef, Willibald, de schrijver van de Vita Bonifatii en Altfried, de auteur van de Vita Ludgeri. In taal- en woordgebruik zijn er opmerkelijke verschillen. Wat in de Vita Antiqua wellicht meteen opvalt, is de aansprekende verteltrant, die nog versterkt wordt door het veelvuldig gebruik van de directe rede. Een tekstgedeelte, dat illustreert hoe de auteur de lezer en hoorder meteen weet te betrekken bij het gebeuren, gaat over de ontmoeting tussen de bejaarde en voorname Saks Folkbert en de jonge missionaris Lebuïnus op de dag vóór de Volksvergadering.


Folkbert, die we al genoemd hebben, had een zoon genaamd Helko, die met de andere jonge mannen naar de Vergadering zou vertrekken. Op een morgen, terwijl hij sprak met zijn zoon, zei hij onder meer: ‘Ik maak me zorgen over Wine’ – zo placht hij Lebuïnus te noemen – ‘en ik ben bang dat, als hij degenen ontmoet die hem haten, ze hem zullen doden of naar de plek van samenkomst zullen slepen en hem daar laten doden.’

terug naar de ware lebuïnus

Terwijl hij nog sprak begonnen de honden te blaffen en te grommen tegen iemand die binnen kwam. De jongeman Helko ging naar de deur om te zien wie daar was en trof daar Lebuïnus aan, die probeerde de honden met een stok van zich af te houden. Hij rende naar hem toe, joeg de honden van hem weg en bracht hem verheugd naar zijn vader.

— 14

Nadat ze elkaar hadden begroet en waren gaan zitten, zei Folkbert tegen de man Gods: ‘Je bent op de goede tijd gekomen, mijn beste Wine, want ik wilde je ontmoeten en eens even met je praten. Waar ben je van plan nu heen te gaan?’ De man Gods zei: ‘Ik ga naar de Vergadering van de Saksen.’   De niet tot het christendom bekeerde Folkbert — in het begin van de Vita wordt de rijke en adellijke Folkbert één van Lebuïnus’ vrienden en kennissen genoemd, wiens zoon naar de heidense Volksvergadering zal gaan — is hier onmiskenbaar een soort vader-figuur voor Lebuïnus. Hij spreekt hem aan met de liefkozende naam Wine, die hij altijd al gebruikte. Ook wanneer hij Lebuïnus indringend moet waarschuwen voor het dreigende doodsgevaar op de Volksvergadering. Ongeveer de helft van dit deel, en ook van het dan volgende verslag van Lebuïnus’ optreden in Marklo, bestaat uit dialogen en toespraken. Het gebruik van de directe rede is één van de punten waarop de Vita Antiqua zich onderscheidt van de ‘traditionele’ heiligenlevens. De Duitse germanist Gerhard Eis zag het veelvuldig gebruik van de directe rede in de Vita Antiqua als een aanwijzing dat de schrijver moet hebben geput uit een oudere bron, een Oudsaksisch lied over de heldhaf-


tige bekeringsexpeditie die Lebuïnus, tegen de waarschuwing van Folkbert in, ondernam. Het gebruik van de directe rede was immers specifiek voor de Oudsaksische dichtwerken, waarvan de Heliand met afstand het belangrijkste is. In een lied over Lebuïnus heeft de dichter volgens Eis vastgelegd wat in zijn tijd door mondelinge overlevering was bekend gebleven van het opzienbarende optreden van de onverschrokken jonge priester. Die had met groot gevaar voor eigen leven zijn boodschap verkondigd aan de toen nog machtige leiders van de Saksische stammen.

Veelzeggend is volgens Eis ook dat de schrijver van de Vita Antiqua God de ‘Deus coeli et terrae rex’ (= God des hemels en koning der aarde) noemt, namen die teruggaan op het Oudsaksische ‘heban-kuning’ en ‘himil-kuning.’ De ‘traditionele’ heiligenlevens noemen God daarentegen ‘Dominus’, ‘Deus’ of ‘Pater’. Verder kan de vleinaam Wine onmogelijk van de auteur van de Vita Antiqua zelf zijn, maar hij heeft die overgenomen uit het Oudsaksische lied. Ook is moeilijk voorstelbaar dat een schrijver van een traditioneel heiligenleven zijn hoofdpersoon zó voorstelt als de auteur van de Vita Antiqua dat in bovenstaand, inleidend tekstgedeelte met Lebuïnus heeft gedaan. Daarin is de onbekeerde, maar oude en wijze Folkbert duidelijk superieur aan de jonge, in Folkberts ogen overmoedige evangelieprediker. In andere heiligenlevens zijn de hoofdpersonen, ook al in hun kinderjaren, per definitie lichtende voorbeelden: ze zijn vroom, nederig en gehoorzaam.   De wetenschap reageerde nauwelijks op de geheel nieuwe visie van Eis op het ontstaan van de Vita Antiqua. Het duurde veertien jaar voor de bekende taalgeleerde Felix Genzmer een artikel wijdde aan de volgens hem ondergewaardeerde studie van Gerhard Eis. Genzmer bevestigde

met geestdrift bezield

Volgens Gerhard Eis moet het lied over Lebuïnus’ optreden in Marklo rond 815, dus ongeveer tien jaar na de definitieve onderwerping van de Saksen door de Franken, zijn ontstaan. Eis kon nog meer argumenten aandragen die zeer aannemelijk maken dat de schrijver van de Vita Antiqua dit Oudsaksische lied moet hebben gekend, en daarvan delen in zijn tekst heeft verwerkt.

— 15


terug naar de ware lebuïnus

diens conclusie dat aan de Vita Antiqua een vroegere bron ten grondslag heeft gelegen. Ook volgens hem was er ongeveer een generatie vóór het ontstaan van de Vita Antiqua een Oudsaksisch lied over Lebuïnus’ missie naar Marklo geschreven. Genzmer completeerde zijn artikel met een reconstructie van dit lied in het Nieuwhoogduits, maar wel in Oudsaksiche vorm met alliteratie. Hij voorzag het lied over Lebuïnus’ expeditie van een ‘Oudsaksische’ titel. De naam Lebuïnus werd Liobwin, en voor Volksvergadering gebruikte hij het woord  Ding: ‘Liobwins Dingfahrt’. Met deze titel gaf Genzmer aan, dat de kern van het overgeleverde verhaal, en dus ook van het lied, de tocht naar Marklo en de heftige gebeurtenissen op de Volksvergadering waren. Meer dan de helft van zijn dichtregels is daaraan gewijd.   De waarschuwingen van Folkbert en de onverschrokkenheid en vastberadenheid van Lebuïnus doen denken aan wat Willibald schreef over Bonifatius’ expeditie naar het Noord-Friese gebied. Willibald vertelt in zijn Vita Bonifatii, dat vrienden van Bonifatius pogingen deden om de oude missionaris van zijn voornemen af te brengen. Bonifatius reageerde op hun waarschuwingen met: ‘Ik laat me niet van de verlangde reis afbrengen, nu de dag van mijn verlossing voor de deur staat en de tijd van mijn heengaan nadert. Heel gauw zal ik, uit de gevangenis van dit lichaam bevrijd, de kampprijs voor de eeuwige vergelding ontvangen.��� En over het waarom van Bonifatius’ expeditie schreef Willibald: ‘Omdat de Heer hem aan de verzoeking van deze wereld onttrekken en van de ellende van het tijdelijke leven bevrijden wilde.’

16

In een studie over Bonifatius schreef Jelsma, dat het te ver gaat om aan te nemen dat Bonifatius uitsluitend was gegaan om een plek te vinden ‘waar hij aan God geofferd’ kon worden. Het is volgens Jelsma uiterst onwaarschijnlijk dat Bonifatius bewust de martelaarsdood heeft gezocht. Alcuïnus maakte in zijn Vita Willibrordi bij de beschrijving van de elf metgezellen die Willibrord uitkoos voor zijn reis naar het Friezenland, een veelzeggend onderscheid tussen sommigen die ‘de kroon van het martelaarschap vanwege de felheid waarmee zij het evangelie predikten’ ontvingen, en ‘anderen die de bisschoppelijke waardigheid aanvaardden na de moeite van hun heilige prediking.’ Willibrord heeft onmiskenbaar


tot de tweede groep behoord (zie volgende hoofdstuk). Maar door zijn prediking op de Saksische Volksvergadering was Lebuïnus bijna een vertegenwoordiger van de eerste groep geworden.   De Angelsaksische en Ierse missionarissen zagen de martelaarsdood als het absolute hoogtepunt in de navolging van Christus. Die was immers trouw gebleven tot de dood aan het kruis. De verkondiger van het evangelie die in den vreemde een gewelddadige dood stierf, kon verzekerd zijn van de zaligheid.

Lebuïnus was opgegroeid en geschoold in een traditie waar zo werd gedacht. Dat blijkt al uit zijn nadrukkelijke wens om te prediken in het grensgebied van de Franken en de Saksen bij Wilp, de latere overschrijding van de grens bij Deventer en  zijn prediking in het vijandige Saksenland. Zijn onwrikbaar vaste voornemen om naar de levensgevaarlijke Volksvergadering van de Saksen te gaan en zijn onverschrokkenheid kunnen daarom niet los worden gezien van de overtuiging dat de martelaarsdood voor hem het hoogst haalbare was. De auteur van de Vita Antiqua heeft dit ideaal van Lebuïnus onbesproken gelaten. Hij heeft het kennelijk als zijn taak gezien om schriftelijk vast te leggen wat van Lebuïnus was overgeleverd, en schreef een korte kroniek over de in zijn tijd nog steeds niet vergeten, onverschrokken missionaris. Hucbaldus daarentegen, de auteur van het tweede heiligenleven over Lebuïnus, was wat betreft Lebuïnus’ verlangen naar de martelaarsdood volstrekt duidelijk (zie hoofdstuk 4). Hij beschreef in zijn Vita Lebuini de teleurstelling die er bij Lebuïnus was toen hij ongedeerd ontkwam aan de door zijn prediking getergde Saksen.

met geestdrift bezield

Ook de keuze voor de vreemdelingschap, het vertoeven in een vreemd, heidens land en daar te missioneren, stond hoog aangeschreven (zie ook het laatste hoofdstuk).

— 17


terug naar de ware lebuïnus

— 58

11a. Sint Lebuïnus. Detail reliekschrijn, door J.H. Brom (1891), Broederenkerk Deventer. 11b. Lebuïnussbeeld met Keltisch kapsel (Broederenkerk, 1856). Met ingang van 2010 vormen alle katholieke kerken van Zuid-West-Salland de H. Lebuinus Parochie.


beeldkatern

— 59

12. Fragment van de gravure naast de titelpagina van de ‘Batavia Sacra’ (1715). 13. Overzicht van de vroeg-middeleeuwse missionarissen dat Heinrich Timerding maakte voor zijn boek met ‘Bekehrergeschichten’ (1929).


104

— terug naar de ware lebuïnus


105

bijlage 3 facsimile van de ‘prynce uut engelant’


LITERATUUR

terug naar de ware lebuïnus

 

— 106

Alberts, W.J., ‘Middelnederlandse heiligenlevens uit de kring van de Devotio Moderna’, in: Bijdragen en Mededelingen van het Historisch Genootschap 75 (1961), p. 13–32. Angenendt, Arnold, Ludger. Missionar – Abt – Bischof im frühen Mittelalter, Aschendorff Münster 2005. Bloemink, J.W., ‘De bouwgeschiedenis van de kerk tot ca. 1450’, A.J.J. Mekking (red.), De Grote of Lenuinuskerk in Deventer. De “Dom” van het Oversticht veelzijdig bekeken, Zutphen 1992 (= Clavis kunsthistorische monografieën 11), p. 29–49. Carasso-Kok, M., Repertorium van verhalende historische bronnen uit de Middeleeuwen. Heiligenlevens, annalen, kronieken en andere in Nederland geschreven bronnen, Nijhoff ’s-Gravenhage 1981. De Reu, Martine, ‘De missionering: het eerste contact van heidendom en christendom’, in: De Heidense Middeleeuwen, Brepols/Kok, Turnhout en Kampen 1992, p. 19–46. Eijnatten, Joris van en Fred van Lieburg, Nederlandse Religiegeschiedenis, Verloren Hilversum 2005. Eis, Gerhard, ‘Liafwins Thingfart’, in: Drei deutsche Gedichte des 8. Jahrhunderts, aus Legenden erschlossen, E.Eberling Berlin 1936, p. 43–60. Genzmer, Felix, ‘Liobwins Dingfahrt’, in: Germanisch-Romanische Monatsschrift 32 (1950/51), p. 161–171. Gevers, A.J. en Mensema A.J., De Broerenkerk te Zwolle, Zwolle 1989. Haaksma Wagenaar, W., ‘De schilderingen op hun plaats in het gebouw’, in: De Grote of Lebuinuskerk te Deventer, Walburg Pers Zutphen 1992 (= Clavis kunsthistorische monografieën 11), p. 128–159. Hartmans, K.D., ‘De zetel van het Provinciaal Bestuur,’ in: Overijssel, Deventer 1931, p. 1–6. Hauck, Karl, ‘Ein Utrechter Missionar auf der altsächsischen Stammesversammlung’, in: Das erste Jahrtausend, Kultur und Kunst im werdenden Abendland an Rhein und Ruhr II, Düsseldorf 1964, p. 734–745. Hauck, Karl, ‘Die Herkunft der Ludger-Lebuin und Marklo-Überlieferung. Ein brieflicher Vorbericht’, in: Festschrift für Jost Trier, Köln/Graz 1964, p. 221–239. Hogenstijn, C.M., De Broederenkerk in de geschiedenis van Deventer, Deventer (Praamstra) 1981. Hogenstijn, C.M. en Dullaert, P., De Broederenkerk. Parochiekerk van St. Lebuïnus te Deventer, Deventer 1996.


literatuur

Horstink, H., De zin der glasschilderingen in de kerk der parochie van den H. Lebuïnus te Deventer, Deventer 1876. Jappe Alberts, W., Geschiedenis van Gelderland. Van de vroegste tijden tot het einde der Middeleeuwen, ’s-Gravenhage 1966. Jelsma, Auke., Bonifatius. Zijn leven, zijn invloed, Meinema Zoetermeer 2003. Koch, A.C.F., ‘Die Anfänge der Stadt Deventer’, in: Westfälische Forschungen 10 (1957), p. 167–173. Koch, A.C.F., Tussen Saksen en Hollanders; de wording van Oost-Nederland, Amsterdam 1966 (= overdruk uit Akademiedagen 18). Kronshage, Walter, ‘Die Entstehung der Vita Lebuini’, in: Niedersächsisches Jahrbuch für Landesgeschichte 36 (1964), p. 1–27. Lapoutre L., Van provinciehuis tot bibliotheek, Ach lieve tijd special, Zwolle 1986. Mensema A.J., ‘Schilderingen in de Broerenkerk’, in: Zwols Historisch Tijdschrift 3 (1986), p. 78–84. Molhuysen, P.C., ‘Levensberigt van St. Lebuinus’, in: Overijsselsche almanak voor oudheid en letteren, 1836, p. 1–17. Moltzer, M.J.A., ‘De oudste levensbeschrijving van Lebuïnus’, in: Nederlands Archief voor Kerkgeschiedenis, 1909, p. 221–235. Mostert, Marco, 754: Bonifatius bij Dokkum vermoord, Verloren Hilversum 1999 (= Verloren Verleden 7). Otten, Dirk, Lebuïnus, een gedreven missionaris, Verloren Hilversum 2006 (= Middeleeuwse studies en bronnen XCII). Nissen, Peter en Vincent Hunink, Vita Radbodi/ Het leven van Radboud, Vantilt Nijmegen 2004. Sinninghe, J.R.W., Overijselsch Sagenboek, Zutphen 1936 (= fotografische herdruk). Talbot, C.H., The Anglo-Saxon Missionaries in Germany, Sheed and Ward, London and New York 1954. Timerding, Heinrich, Die christliche Frühzeit Deutschlands in den Berichten über die Bekehrer, Erste Gruppe, Die irisch-fränkische Mission, Zweite Gruppe, Die angelsächsische Mission, Jena 1929. Ver Loren, J.Ph., Lebuïnus en zijne stichting in Deventer gedurende den eersten tijd van haar bestaan, Zwolle 1885. Weiler, A.G., Willibrords missie. Christendom en cultuur in de zevende en achtste eeuw, met een vertaling van de voornaamste bronnen door P. Bange, Verloren Hilversum 1989. Wood, Ian, The Missionary Life: Saints and the Evangelisation of Europe, Longman Harlow 2001.

— 107


COLOFON Dirk Otten, ‘Terug naar de ware Lebuïnus’ is het tweede deel uit de reeks deventer kopstukken, uitgegeven onder auspiciën van de Geert Grote Universiteit door de Deventer Universitaire Pers. Eindredactie: Sybrand Buve, Deventer

Vormgeving: Martien Yland / MWFY, Deventer (www.mwfy.nl) Fotografie: Martin Hogeboom, Epe; Paul van Remmen, Olst; Hans Westerink, Zwolle

terug naar de ware lebuïnus

Letter: Scala Papier: Biotop 90 grams, hv mc 115 grams (beeldkatern) Druk: Thieme Deventer Bindwerk: Binderij Callenbach van Wijk, Nijkerk

— 112

Deventer Universitaire Pers Sandrasteeg 8 NL-7411 KS Deventer 0570 – 600 134 info@universitairepers.nl www.deventeruniversitairepers.nl ©2010

Deventer Universitaire Pers Alle rechten voorbehouden/All rights reserved/Tous droits reservés ISSN: 1878-822x (Deventer Kopstukken) ISBN: 978-90-79378-99-9 (Terug naar de Ware Lebuïnus) NUR: 693 (Regionale en Stadsgeschiedenis) Editio Princeps Daventriae A.D. MMX Ce volume est le deuxième dans la série des ‘Deventer Kopstukken’. Il a été achevé d’imprimer en juin 2010 sur les presses de Thieme Deventer pour le compte de la Presse Universitaire de Deventer (DUP), sous les auspices de l’Université Gérard le Grand (‘Geert Grote Universiteit’), en voie de réfondation à Deventer, Royaume des Pays-Bas.


DEVENTER KOPSTUKKEN II

TERUG NAAR DE WARE LEBUÏNUS


DEVENTER KOPSTUKKEN II

TERUG NAAR DE WARE LEBUÏNUS


de afbeelding op het omslag van dit boek illustreert hoe uiteenlopend de beelden waren die kunstenaars zich vormden van Lebuïnus van Deventer (ca. 739 – 773). In hetgeen over hem werd geschreven en gedicht zijn de verschillen zo mogelijk nog groter. In die verscheidenheid aan opvattingen en door devote verering en verheerlijking raakte Lebuïnus zelf op de achtergrond.

dit boek beschrijft niet alleen hoe verschillend over Lebuïnus werd gedacht, maar het vindt aan de hand van de twee vroegste bronnen ook de weg terug naar de echte Lebuïnus. Die beide bronnen brengen een missionaris in beeld die weliswaar minder verheven, minder voorbeeldig en ook minder succesvol was, maar die in zijn tijd veel van zich deed spreken en die ook nu nog een boeiende persoonlijkheid is.

dr. dirk otten is germanist, geboren in 1939, en was werkzaam als leraar Duits en redacteur van de Grote Woordenboeken NederlandsDuits en Duits-Nederlands van Van Dale. Hij schreef een groot aantal boeken over de plaats-, veld- en boerderijnamen van de Noord- en OostVeluwe. Een naamkundig onderzoek in de omgeving van Wilp, waar Lebuïnus in 768 zijn missionaire arbeid begon, gaf aanleiding tot een onderzoek naar het leven en optreden van deze Angelsaksische missionaris. In 2006 verscheen Lebuïnus, een gedreven missionaris, een boekje waarmee hij Lebuïnus, van wie weinig méér bekend bleek te zijn dan zijn naam, terug bracht in de belangstelling. www.deventeruniversitairepers.nl ISSN: 1878-822x ISBN: 978-90-79378-99-9 NUR: 693

deventer universitaire pers


Terug naar de ware Lebuinus