__MAIN_TEXT__
feature-image

Page 1

Van klinker tot lettergreep, van werkwoord tot voornaamwoord, van apostrof tot trema, van alinea tot werkstuk, van dialect tot jongerentaal, van gedicht tot woordenboek. Alles over taal overzichtelijk op een rij. Duidelijk uitgelegd, met veel voorbeelden. Het Grote Taalboek – Oefenboek is het opdrachtenboek bij het ideale naslagwerk voor iedereen op de basisschool: Het Grote Taalboek – Overzicht. Dit Oefenboek bevat opdrachten op het niveau van groep 6/7/8. Maar er zijn ook herhalingsoefeningen over wat voorafging. Alles staat per onderwerp bij elkaar. Zo vind je snel wat je wilt oefenen. Het Grote Taalboek besteedt veel aandacht aan de regels van de taal. In dit Oefenboek oefen je onder andere spelling, grammatica, zinsbouw en tekststructuur. Dat heb je nodig om teksten te kunnen begrijpen en schrijven. Bovendien leer je hoe je een woordenboek moet gebruiken, hoe je een tekst het beste kunt samenvatten en hoe je een opstel, brief of werkstuk schrijft. En verder: gedichten, verhalen, talloze spreekwoorden en zegswijzen, taalvarianten en nog veel meer.

spelling • grammatica • leestekens • woordenschat • stijl tekstbegrip • schrijfvaardigheid • proza en poëzie

HET GROTE TAALBOEK OEFENBOEK

OEFENBOEK

OEFENBOEK

Het Grote Taalboek is het meest complete taalboek dat er voor de basisschool bestaat. ISBN 9789077990650

HGTB-Oefenboek-WT-Cover-Def.indd 1

Kijk voor het naslagwerk Het Grote Taalboek - Overzicht en andere leuke en leerzame uitgaven op www.scalaleukerleren.nl

13-08-10 13:13


Oefenboek Henriette Boersma Wim DaniĂŤls Jolanda Kuiper Wieteke van Veen

Scala leuker leren Groningen


Ontwerp Hans Bastiaan Busking bno, Groningen Opmaak Zo Grafisch bureau voor grafische communicatie, Groningen Illustraties Teun Berserik, ’s-Gravenhage

2 3 4 5 6 / 17 16 15 14 13 © 2010 Scala leuker leren bv, Groningen, The Netherlands www.scalaleukerleren.nl Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of op enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. All rights reserved. No part of this publication may be reproduced, stored in a retrieval system, or transmitted in any form or by any means, electronic, mechanical, photocopying, recording or otherwise without prior written permission of the publisher. ISBN 978 9077990 65 0 NUR 191


Woord vooraf Het Grote Taalboek – Overzicht is een naslagwerk over alles wat je op de basisschool over taal leert. Dit boek is het bijbehorende Oefenboek. In dezelfde volgorde als in Het Grote Taalboek – Overzicht worden oefeningen aangeboden die opklimmen in moeilijkheidsgraad. De oefeningen zijn bedoeld voor de bovenbouw. Het eindniveau is dat van groep 8 en reikt hier en daar zelfs verder. De regels die in Het Grote Taalboek – Overzicht worden uitgelegd, komen in dit Oefenboek beknopt terug in de instructies. Door de indeling per taalonderwerp kun je in dit Oefenboek gemakkelijk oefeningen zoeken bij taalonderdelen waarvoor je graag extra wilt oefenen. Het Oefenboek is niet bedoeld als werkboek. Het is de bedoeling dat je de opdrachten in een schrift maakt, ook als er invulpuntjes staan. Met het uitneembare antwoordenboekje kun je de opdrachten zelf nakijken. De oefenstof uit dit boek is op de basisschool vaak verdeeld over verschillende vakken zoals lezen, begrijpend lezen, schrijven, luisteren, spreekbeurt en taal. In Het Grote Taalboek is de stof geordend volgens de bouwstenen van de taal: van klanken en letters naar woorden, naar zinnen, naar teksten. Het Grote Taalboek besteedt veel aandacht aan de regels van de taal. Daarom is er ook voor grammatica ruime aandacht, al komt dat niet voor in de Cito-eindtoets basisonderwijs.

In het hoofdstuk Klanken en Letters staat logischerwijs vooral stof van de onderbouw van de basisschool. De moeilijkheidgraad is hier lager dan die in de andere hoofdstukken. Het hoofdstuk Vaardigheden bevat oefenstof voor het verwerken en produceren van grotere teksten en biedt onder andere een goede leidraad voor het schrijven van een werkstuk. In Het Grote Taalboek – Overzicht zijn in het hoofdstuk Vaardigheden ook paragrafen over spreken, luisteren en debatteren opgenomen. In dit Oefenboek worden op het gebied van de mondelinge vaardigheden geen oefeningen aangeboden omdat de schriftelijke vorm niet voldoet voor het oefenen en controleren van gesproken teksten. Het Grote Taalboek bevat ook hoofdstukken met stof waaraan op de basisschool niet per se aandacht wordt besteed, zoals Wat is taal? en Namen. De oefeningen in deze hoofdstukken hebben niet het doel systematisch te trainen, maar bieden quiz-achtige opdrachten om de stof te overhoren. De vragen zijn zo gepresenteerd dat je er ook wat van opsteekt als je de bijbehorende hoofdstukken uit het Overzicht niet hebt gelezen. Groningen, augustus 2010 de uitgever


Inhoud

Wat is taal?

1 Ontstaan van taal  8 2 Een taal leren  9 3 Het ontstaan van het Nederlands  9 4 Hoe het Nederlands gegroeid is  10 5 Nederlands buiten Nederland  11 6 Taalvarianten 12

Klanken en Letters

7 De klanken van onze taal  15 8 De letters van onze taal  28

Woorden

9 De betekenis van woorden  31 10 De vorm van woorden  36 11 Woordsoorten (taalkundige ontleding)  52 12 De spelling van woorden  84 13 Woordkeuzefouten  98 14 Woordenboeken  99

Namen

15 De betekenis van achternamen en voornamen  104 16 De vorm van achternamen  105 17 Namen van dieren en planten  105


Zinnen

18 Zinsontleding (redekundige ontleding)  106 19 Zinsbouwfouten  120 20 Leestekens  122

Bijzonder Taalgebruik

21 Stijlfiguren  131 22 Spreekwoorden en zegswijzen  135 23 Werkwoordelijke uitdrukkingen, koppels en uitroepen  138 24 Proza en poëzie  139

Teksten

25 Tekstinhoud en tekstopbouw  164 26 Tekstdoel en tekstsoort  179

Vaardigheden

27 Leesdoelen en leesstrategieën  202 28 Samenvatten  224 29 Een onderwerp kiezen en informatie verzamelen en selecteren  226 30 Schrijven voor publiek  232

Bronvermelding  240


In deze online publicatie zijn delen van dit boek opgenomen. Koop het boek voor de volledige publicatie.


Woorden 9

De betekenis van woorden

Herkomst van woorden

Woorden kunnen op allerlei manieren ontstaan. Woorden kunnen zijn afgeleid van woorden uit andere talen, of van namen van personen, van landen of streken, van het materiaal waar iets van gemaakt is, van lichaamsdelen, van de vorm, van een geluid, enz.

1

Probeer te bedenken waarvan het woord is afgeleid. Kies uit: materiaal • vorm • naam • lichaamsdeel • telwoord • geluid

a sissen b magneet c champagne d slok e neuzelen f duel

g aspirientje h octopus i uniek j circuit k kalksteen l brommer

m handelen n koolhydraten o decibel p centraal q tikken r koppig

Synoniemen Synoniemen zijn woorden die dezelfde of bijna dezelfde betekenis hebben.

2 Geef een ander woord voor: kalm slim lief vreemd kwaad zoen leuk eng spreken prachtig komisch

3 Zoek een woord met dezelfde

betekenis uit de andere kolom.

a b c d e f g h i j k

herrie 1

jammer

auto

2

muur

fiets

3

eetlust

voedsel 4

wagen

wand 5

kostbaar

duur

6

werk

razen 7

tekeergaan

honger 8

meedogenloos

helaas 9

eten

wreed 10

rijwiel

arbeid 11

kabaal

4

Zoek de synoniemen bij elkaar. sjaal a huwelijk 1 bang b verrukkelijk 2 angstig 3 huis c want verdrietig 4 d kletsen e weifelen 5 das 6 moeilijkheid f bruiloft g kwebbelen 7 meteen h droevig 8 woning 9 aarzelen i j probleem 10 handschoen direct heerlijk 11 k

31


Vaak kun je om hetzelfde te zeggen, kiezen tussen een moeilijk en een makkelijk woord.

5

Geef een makkelijk woord in plaats van het moeilijke woord.

a mededelen b duo c ellende d pantalon e accepteren f penalty g desalniettemin

h relaxen i telefoneren j timide k ordinair l collectie m applaudisseren n diner

Homoniemen

o irritant p attentie q sympathiek r oninteressant s arriveren t docent u reflecteren Homofonen

Homoniemen zijn woorden van dezelfde woordsoort die hetzelfde worden gespeld en uitgesproken, maar verschillen in betekenis.

6

Vul de tweede betekenis in. betekenis 1 betekenis 2 a bank waar je geld leent b bord waar juf op schrijft c hoofd baas van de afdeling d vorst heerser e bal dansfeest f kater ziekte na dronkenschap g graven edelen h nagel spijker i toeval flauwte j veer spiraal k klaar helder l rek veerkracht m muil type slof/schoen n kas glazen gebouw om gewassen te kweken

Homofonen zijn woorden die hetzelfde worden uitgesproken, maar anders worden gespeld en een verschillende betekenis hebben: wij/wei, slib/slip.

7

Welke homofoon is bedoeld? betekenis 1 vermaalt met zijn kiezen vacht bloedpomp nu aanbieding immers is van toepassing is verplicht hard klinkend parasiet gezang grote muis

32

v entree w occasion x strategie y charmant z idool

betekenis 2 tegenovergestelde van warm federatie, liga tegenovergestelde van zacht krap tegenovergestelde van scherp muur daar kun je mee betalen durf muziekinstrument jonge vrouw verleden tijd enkelvoud van laten groot wiel


Antoniemen Woorden zijn elkaars antoniemen als ze het tegenovergestelde betekenen. Antoniemen zijn tegenstellingen.

8 Wat is het tegengestelde?

9 Wat is het tegengestelde?

Zoek ze bij elkaar.

a b c d e f g

rijk

1

dun

hoog

2

nat

dik

3

koud

klein

4

arm

warm

5

buiten

droog

6

laag

binnen

7

groot

11 Wat is het tegengestelde? a b c d e f g

kort

h

moeilijk

zwart

i

spannend

lekker

j

overal

smal

k

achter

vol

l

slordig

winst

m

slim

zwaar

n

ver

a b c d e f g

huilen winnen blijven goedkeuren beginnen geven komen raken

vergroten kopen spreken klimmen trouwen duwen slagen breken

Zoek ze bij elkaar.

open

1

weinig

snel

2

lelijk

goed

3

oud

hard

4

dicht

veel

5

zacht

jong

6 langzaam

mooi

7

a b c d e f g

zoet droevig gezond links gemeen ’s nachts duur

13 Wat is het tegengestelde?

vraag

h

nooit

nu

i

noord

zelden

j

donker

met

k

nieuw

alleen

l

vroeger

krom

m

bot

meer

n

vuil

15

aardig 1 a b overdag 2 bitter c 3 d goedkoop 4 rechts 5 e vrolijk 6 f ziek g 7

fout

12 Wat is het tegengestelde?

14 Ook werkwoorden kunnen elkaars tegenovergestelde zijn. Wat is het tegenovergestelde?

10 Wat is het tegengestelde?

Zoek ze bij elkaar.

wel a ochtend h zomer b beneden i sterk c j niemand druk pech d k ouderwets l geopend e leugen m plus f start veilig g n

Zoek de tegenstellingen bij elkaar.

a b c d e f g h

accepteren

1a

bevestigen

2a

wantrouwen

3a

bevoordelen

invoeren ontkennen versnellen

4a kwalijk nemen

vergeven

5a

vertrouwen

6a verwaarlozen

verzorgen

7a

afschaffen

benadelen

8a

vertragen

weigeren

33


16

Wat is het tegenovergestelde? Kies uit: helder • dubbel • fijn • gevolg • heel • eeuwig • aftrekken • daar • verdedigen • zenuwachtig • belonen • vals • stilte • lui • verdriet • vloed • loskoppelen • meervoud • delen • verschillend • verzenden • dwerg • verleden • voordoen • levend toekomst gelijk tijdelijk aanvallen eb

eerlijk ontspannen nadoen enkel optellen

reus vermenigvuldigen dood half straffen

ijverig oorzaak samenvoegen troebel lawaai

ontvangen hier enkelvoud grof plezier

Hyperoniem en hyponiem Hyper betekent boven en hypo betekent onder. Hyponiemen zijn woorden die een subcategorie zijn van woorden die hyperoniem zijn. Een hyponiem valt dus onder een hyperoniem.

17

hyperoniem bloem gebouw

Zet de woorden in de juiste kolom. gitaar • appel • piano • verdriet • pop • bank • banaan • boosheid • fluit • stoel • bal • aardbei • blijdschap • knikker • kast muziekinstrument

meubel

fruit

18 Wat hoort er nog meer bij? Vul nog 3 woorden in. hyperoniem dier kleding familie drank

hyponiem hond, … , … , … , enz. trui, … , … , … , enz. vader, … , … , … , enz. melk, … , … , … , enz.

speelgoed

gevoel

19 Vul 4 woorden in de tweede kolom. hyperoniem vervoermiddel beroep groente seizoen

20 Bedenk bij elk woord een hyponiem en een hyperoniem. zoogdier – hyperoniem: dieren, hyponiem: paard drop broek bordspel toetje realitysoap

34

hyponiem roos, narcis, tulp enz. school, huis, kerk, flat, enz.

hyponiem


Eufemisme Mensen gebruiken een eufemisme in plaats van een manier van zeggen die ze hard of niet prettig vinden. mensen met een verstandelijke beperking is een eufemisme voor zwakbegaafden.

21 Voor welk woord is dit een eufemisme? 22 a interieurverzorgster b allochtoon c uitdaging d ongewenst bezoek e psychiatrische inrichting f laten inslapen

Deze zinnen zijn eufemismen. Wat betekenen ze eigenlijk?

a Onze vader heeft het tijdelijke voor het eeuwige verwisseld. b Momenteel zit ik tussen twee banen in. c Ze hebben de hele veestapel moeten ruimen. d Hij was met hardhandige ondervragingstechnieken verhoord. e Ze hadden de boel grondig verbouwd. f Hij heeft te diep in het glaasje gekeken.

Formeel/informeel Er zijn veel woorden die hetzelfde betekenen. Welk woord je gebruikt, hangt af van de situatie waarin je het gebruikt. Bij een informele woordkeuze kies je gewone, alledaagse woorden. Bij een formele woordkeuze kies je deftige woorden. Daartussenin zitten neutrale woorden die voor elke situatie geschikt zijn. Je kunt ook modieuze of trendy woorden kiezen en weer andere woorden horen bij ordinair, platvloers taalgebruik.

23 Dit zijn formele woorden.

Wat is het neutrale woord?

a transpireren b urineren c niettegenstaande d relevant

24 Dit zijn ordinaire woorden. Wat is het neutrale woord?

a plee b bikken c pleite d tengels

25

Dit zijn neutrale woorden. Wat is een informeel woord voor hetzelfde?

a Tot ziens! b leidinggevende c onderwijzeres d vriend

26 De zinnetjes links zijn neutrale woordkeus. Zet de andere woorden in de juiste kolom van het schema. formeel

informeel modieus

Ik moet naar de wc. Dat is erg prettig. Ik heb er geen geld voor.

ordinair

het toilet bezoeken – plassen – zeiken – sponko doen hoogst aangenaam – retegoed – supadupa – hartstikke fijn geen duku – niet de middelen – geen poen – niet de centen

35


10

De vorm van woorden

Lettergrepen aantal lettergrepen 1 deur, bal, kast, fiets, schreeuw 2 rij-den, mu-ren, ka-mer, lo-pen 3 be-rei-den, be-re-goed, ta-fel-tje 4 bij-zon-de-re, cho-co-la-de 5 on-der-ste-bo-ven, on-ge-lo-fe-lijk

Woorden bestaan uit een of meer lettergrepen. Een lettergreep bestaat uit letters die bij elkaar horen. Je spreekt ze in één keer uit. In plaats van lettergreep wordt ook wel van klankvoet gesproken.

27

28

Zet de woorden in de goede kolom. aantal lettergrepen één twee drie … … …

Zoek de juiste lettergrepen bij elkaar en maak de woorden heel.

a b c d e f g h

29

ko

ding

lo

ning

kle

ling

pa

ting

to

te

aar

neel

ka

de

tan

ter

i j k l m n o p

pa

te

bloem

leis

trui

pje

len

tje

maan

gel

vo

vis

per

zik

wal

dag

Splits de woorden in lettergrepen. Zet een streepje tussen de lettergrepen. hamer moeder vierkant voeten komen tegen

36

kabouter • huisje • maart • boterham • vlinder • liefde • fluit • boompje • regenjas • brievenbus • september • zwembad • gedoe • juni • zaterdag • korst • gitaar • stem • ziekenhuis • vrede • twee • vroeger • apenkooi • prijs • spreken • geld • keuken • vork • sleutel • tafelpoot • schoot • lepel • kinderstoel • bord • beker • zandbak • driewieler

ha – mer

avond bezoek varken aantal foto laten

genoeg morgen deken piraat rolschaats over

vliegtuig auto aardbei wortel honing kralen

voetstap beter agent potlood verder armband


30 Splits de woorden in lettergrepen. Zet een streepje tussen de lettergrepen. zangvogel binnendoor kanarie tovenaar ratelen

31

zang – vo – gel

grootmoeder paraplu donderdag boekenplank andijvie

eindeloos schilderij versturen avontuur gisteren

leugenaar vervelend sneltreinvaart geloven telefoon

Zet de lettergrepen weer in de goede volgorde. te – ning – ke te – rik – stou blik – o – gen ter – be – schap

goed – speel – paard naar – ste – kun len – ke – ge ter – ui – ste

32

olifant hagedis evenaar envelop overval

dag – jaar – ver lo – be – ning een – ie – der se – laar – met

de – boer – rij kwar – speel – tier tie – kan – va pu – ter – com

Zet de woorden in de goede kolom. aantal lettergrepen drie vier

vijf

verzekering • autosnelweg • omkeren • ratjetoe • bestelpagina • avontuurlijk • luisteren • boomkwekerij • politicus • tevreden • liefdeloos • ingetogen • verzorging • februari • bekentenis • afschuwelijk • mogelijkheid • paardrijles • onruststoker • waterkoker • voetbalstadion • bruidegom • burenruzie • zakelijk • stopcontact • klarinet • afwasteiltje • missverkiezing • talentenjacht • keukenkastdeurtje • bladzijde

Open of gesloten lettergrepen Een open lettergeep eindigt op een klinker. Een gesloten lettergreep eindigt op een medeklinker. Eerste lettergreep open: ko–ken, sla–pen, ka–per Eerste lettergeep gesloten: dor–stig, hok–je, kas–ten

33

Zet de lettergrepen van elk woord in de goede kolom. open gesloten glazen • blokhut • brieven • later • telkens • toren • rotsen • verzoek • donker gla zen eindeloos • wandelen • bevelen • belangrijk • tribune • kwaliteit • lieveling fietsenmaker • overtreding • eventueel • gelegenheid • gemeentehuis wereldkampioen • organiseren • triomfantelijk • speelgoedwinkelier

37


Bij woorden met een dubbele medeklinker na een korte klinker zoals kapper, dobber is de eerste lettergreep gesloten; de klinker moet kort worden uitgesproken. De eerste medeklinker hoort bij de eerste lettergreep en de tweede medeklinker bij de tweede lettergreep (kap–per, dob–ber). In dit soort gevallen is de verdeling in klankvoeten ka–(p)per en do–(b)ber. Er is dus een verschil. Dat komt omdat je bij klankvoeten uitgaat van de uitspraak en bij lettergrepen van de spelling.

34

Splits de woorden in lettergrepen. Zet een streepje tussen de lettergrepen.

a bakker b klepper c ridder d vallen e schoppen

bak – ker

f teller g letter h zakken i ladder j kudde

k vulling l flessen m remmen n kennen o vertellen

p trimmen q fokker r slimmer s mollig t leggen

u tobbe v bessen w treffen x pappa y warrig

Lettergreepgrenzen Meestal kun je horen waar de grens tussen twee lettergrepen valt. Voor gevallen waarbij dat lastiger is, zijn er regels.

38

Bij samenstellingen is de grens tussen de samenstellende woorden ook een lettergreepgrens: ta–fel–kleed.

35

Splits in lettergrepen.

a deurknop b postzak c fietsbel

Eén medeklinker gaat naar de volgende lettergreep: ge-ba-zel. Bij twee medeklinkers valt de grens tussen beide letters in: bon-dig, tenzij de uitspraak van de eerste lettergreep dan verandert, dus pi-stool en niet pis-tool. Bij meer dan twee medeklinkers, gaan er zo veel mogelijk naar de volgende lettergreep. Maar een lettergreep begint nooit met meer medeklinkers dan er aan het begin van een woord kunnen staan. De rest van de medeklinkers hoort bij de voorgaande lettergreep: amb–tenaar. Ook bij ng en nk ligt de grens tussen beide letters in: van–gen, an–ker. Uitzondering: Frank–rijk en konink–rijk.

37

d stoelpoot e jaszak f haarspeld

g ijslolly h schoenveter i broodtrommel

36 Splits in lettergrepen. a zebra b dompteur c reglement d probleem e reclame f publiek

g symptoom h katrol i diploma j neutraal k erwten l rekruut

Splits in lettergrepen.

a angel b dwingen

c donker d schenken

e janken f klungel


41

38

ch, th en kw worden beschouwd als één medeklinker en gaan in z’n geheel naar de volgende lettergreep: la–chen, me-thode.

a bochel b lichaam

Bij st en sp (zonder andere medeklinkers erbij), ligt de grens na de s: mees–ter, res–pect. Als het grondwoord eindigt op een medeklinker plus –st (angst, oogst, tekst) en je maakt een afleiding, dan gaat de st mee naar de volgende lettergreep: ang–stig, oog–sten, tek–sten. Bij meerklanken die eindigen op een –w, gaat de w naar de volgende lettergreep: kau–wen, leeu–wen.

Splits in lettergrepen.

39

c goochem d relikwie

Splits in lettergrepen.

a barsten b herfstig c rustiek d gespen e kasteel

40

e lachebek f apathie

f kwispelen g ekster h restaurant i borstel j ernstig

k lastig l respijt m holster n inkomsten o minister

Splits in lettergrepen.

a klauwen b kieuwen

c flauwekul d middeleeuwen

e vernieuwen f trouwen

Splits de woorden in lettergrepen. Zet een streepje tussen de lettergrepen.

a dorstig b huwelijk c kansloos d dringen e zelfstandig

f rusteloos g ekster h ontvangsten i kuchen j pesterij

k toekomstig l verbouwen m belasting n bankier o duwen

p verstandig q planken r klinker s kachel t plechtig

u belangstelling v wespen w geeuwen x koninklijk y bedenken

Samenstellingen

42 Vorm met een woord uit de eerste kolom en een woord uit de tweede kolom een nieuw woord. a

deur

bak

b

blind

kast

c

klas

huis

fiets

poot

koel

taak

even

lokaal

glas

knop

week

band

snel

tocht

kast

deur

arm

doek

kruis

weg

voet

bel

doel

ster

wacht

wicht

tafel

pad

film

punt

stad

woord

39


43

Vorm met een woord uit de eerste kolom, een woord uit de tweede kolom en een woord uit de derde kolom een nieuw woord.

a

boeren brom derde huis

pinda

voet kruis

bal jongens kaas wereld werk woord fiets

raadsel ijs land pot schoen verzekering vrij

b

brand vijf water blinden zonne

vracht lucht

geleide kracht brand druk wagen sterren weer

crème auto hotel chauffeur pistool centrale hond

Soms moet je één of twee tussenletters gebruiken, meestal en of s. koek + pan > koekenpan, dorp + feest > dorpsfeest Je krijgt alleen een –e (zonder n): • als het eerste woord een meervoud op –s heeft (of als allebei kan: op –en én –s): aspergesoep, secondewijzer. • bij samenstellingen met zon en maan: zonnestelsel. • bij bijvoegelijke naamwoorden als het eerste deel een versterking is van het tweede deel: apetrots, boordevol.

44 Maak een nieuw woord en zet de juiste tussenletters. a boek + plank

kat + bak krant + kop pan + koek bes + sap hond + hok fiets + maker klomp + dans

b stad + park

geluid + hinder leven + adem liefde + verdriet groep + foto dame + tas mening + verschil groente + soep

c reus + leuk

zon + straal maan + schijn Koningin + dag beer + sterk steek + blind zon + bank

45 Maak een nieuw woord en zet de juiste tussenletters. a kat + kwaad

40

lamp + kap stoel + dans vrijheid + beeld meisje + naam

b station + plein

ver + kijker pad + stoel tovenaar + kunst zwijn + stal

c roos + struik

muis + val leeuw + koning rover + nest gemeente + huis

Samenstellingen


Je moet een koppelteken (streepje) schrijven als: • het gaat om een combinatie met een afkorting, cijfer of symbool: IQ-test, 12-jarige, €-teken. • er klinkers zouden botsen die met elkaar anders één klank zouden vormen: diploma-uitreiking. • twee woorden bij elkaar horen en het eerste deel iets zegt over het tweede deel: chef-kok. • het gaat om een combinatie met niet, non, oud, ex: ex-gevangene, oud-minister.

46 Deze samenstellingen schrijf je met een streepje. Zoek de delen bij elkaar en schrijf ze correct op. a

leerling

burgemeester

b

tv

missie

niet

directeur

wc

2000

minister

notaris

top

as

ex

president

VN

bestand

proces

rokers

65+

programma

kandidaat

verbaal

y

n

oud

generaal

jpeg

toestel

adjunct

verpleegkundige

tussen

kaart

secretaris

vrouw

CDA

bril

Samenkoppelingen Samenkoppelingen zijn groepen woorden die een vaste combinatie zijn geworden. Je schrijft ze met een streepje ertussen. twee-onder-een-kap, staakt-het-vuren, vergeet-mij-niet.

47

Hieronder staan 14 samenkoppelingen aan elkaar. Haal ze los en zet de streepjes op de goede plaats. diefjemetverloskruidjeroermijnietlaagbijdegrondsglasinlood nekaannekkatenmuisheenenweerhinkstapsprongzwartwitk antenklaarjaneekopstaartgasenlichtmondopmond

41


Afleidingen Afleidingen zijn woorden die bestaan uit een woord dat ook los kan voorkomen (grondwoord) plus een woorddeel dat niet los kan voorkomen. Staat dat woorddeel ervoor, dan is het een voorvoegsel, staat het erachter dan is het een achtervoegsel.

48

Zet er een passend voorvoegsel voor. Kies uit: be– • ge– • ver– • her–

a … sieren b … sluit c … kansing d … zenden

49

e … zetten f … makkelijk g … luk h … innering

i j k l

… voel … examen … zicht … rouw

m … dieping n … ginnen o … vecht p … kentenis

q … lonen r … noeg s … roemd t … lof

Bedenk nog 3 andere woorden die met be–, ge–, ver– of her– beginnen. a be … b ge … c ver … d her … be … ge … ver … her … be … ge … ver … her …

50 Bedenk een woord met hetzelfde grondwoord maar een ander voorvoegsel. a herstellen b bekomst c verbouw d getrouwd

51

m vervelen n geliefde o beleven p beroep

q verslag r gebruik s gelegenheid t verwijzen

e … mogelijk f …. dekking g … geluk h … dom

i j k l

… wennen … recht … cijferen … compleet

m … bekend n … oud o … vlammen p … richting

q … koop r … lichting s … bijten t … woud

Zet er een passend voorvoegsel voor. Kies uit: re– • pre– • pro– • micro– • hyper–

a … kosmos b … modern c … animatie d … cent

42

i verdachte j hervormen k geleiden l bekennen

Zet er een passend voorvoegsel voor. Kies uit: on– • ont– • in– • oer–

a … lelijk b … triest c … beren d … eerlijk

52

e gegeten f vertalen g herenigen h verdenking

e … sentatie f … test g … nerveus h … unie

i j k l

… ageren … sent … actief … krediet

m … productie n … biologie o … historie p … actie

q … paraat r … organisme s … voceren t … constructie


53

Zet er een passend achtervoegsel achter. Kies uit: –ig • –lijk • –loos

a aandacht b einde c kruid

d aandoen e doel f rust

g fut h adem i verstand

j last k schande l kans

m schuld n lief o aanzien

54 Zet er een passend achtervoegsel achter. Kies uit: –dom • –heid • –schap • –te a boos b vriend c diep d helden

e warm f schoon g meester h zeker

i veilig j weten k luw l kostbaar

m heilig n broeder o schaars p vrij

q blij r dronken s rijk t ziek

Bij afleidingen van een werkwoord moet je meestal uitgaan van de stam. Soms is een tussen-e nodig. begrijpen > begrijp (stam) + e + lijk > begrijpelijk

55 Maak een nieuw woord en zet zo nodig een tussen-e. Kies uit: –aar • –baar • –ing • –rij a dragen

bakken zenden aanstellen betoveren

b veilen drinken verzekeren twijfelen aaien

c tellen

schakelen trillen drukken lenen

d vleien

straffen slopen aantonen wonen

e ontvlammen vissen zagen beschikken handelen

f rekken bedienen wassen belonen draaien

Soms moet je het grondwoord enigszins aanpassen en/of is een tussen-e nodig. hoop + lijk > hopelijk

56 Kies het juiste achtervoegsel en spel de afleiding correct. Kies uit: –loos • –lijk • –ig a ziek b baas c bewust d geloof e vrees

f gehoor g mens h kop i begrijpen j onzin

k klakken l verrukken m verleiden n huis o grens

p jaar q vriend r hulp s erven t geluk

Afleidingen

43


57 Sommige grondwoorden kun je combineren met verschillende achtervoegsels. Welke woorden zijn goed?

hartelijk • harteloos • hartig bloedig • bloedelijk • bloederig nuttig • nuttelijk • nutteloos eindig • eindelijk • eindeloos verstandig • verstandelijk • verstandloos bangig • bangelijk • bangerij levendig • levenlijk • levenloos

58 Bedenk 3 woorden die eindigen op: –ig –erig –lijk

59

Bedenk 3 woorden die eindigen op: –aar –baar –loos

60 Er zijn heel veel afleidingen met een voorvoegsel én een achtervoegsel. Maak afleidingen met de voorvoegsels uit het linkervlak, de grondwoorden uit het middelste vlak en de achtervoegsels uit het rechtervlak. on + uitstaan + baar > onuitstaanbaar be– ge– ver– on– ont–

61

44

overzicht toegang toelaten wezen wensen damp

huis sluit taal wennen samen laden

schrikken nood een betaal wissel reken

–ig –ing –lijk –baar

Achter een aantal van de afleidingen die je bij opdracht 60 gemaakt hebt, kun je nog een achtervoegsel zetten. Welk achtervoegsel is dat? Achter welke woorden past dat?

Afleidingen


Verbuiging meervoud verkleinvorm vergelijking buigings-s mannelijk/vrouwelijk

Zelfstandige naamwoorden kunnen op verschillende manieren verbogen worden.

fiets fiets mooi stoer agent

fietsen fietsje mooier (iets) stoers agente

MEERVOUD (getal)

62

Meestal komt er voor het meervoud –en achter het zelfstandig naamwoord: rups –rupsen. Zet in het meervoud.

a korst b poort c vrouw d vliegtuig e bloem

63

f stoel g broek h kluit i plein j geschenk

k boek l konijn m dier n sprong o tulp

p krant q muts r deur s scherm t leerling

u leeuw v vork w plank x berg y gracht

Bij een woord met een lange klank in een gesloten lettergreep schrijf je in het meervoud een klinker minder, omdat de lettergreep open wordt: boot – boten. Zet in het meervoud.

a been b poot c keel d meer

64

e raam f beer g noot h vloot

i muur j kraan k reep l kuur

m paal n oor o steek p keer

q beet r vuur s zool t koor

Bij een woord met een korte klank in een gesloten lettergreep schrijf je in het meervoud een medeklinker extra, omdat de lettergreep anders open wordt: hok – hokken. Zet in het meervoud.

a straf slof klif

b heg vlag rug

c rek

bak blok

d bal

stel rol

e kam

bom rem

f pan den vin

g mop stip kop

h kar ster tor

i mes jas vis

j put pet lat

45


Soms wordt de –s een z en –f een v: doos – dozen, golf – golven.

65 Zet in het meervoud. a wolf b neef c slurf d korf e zalf

f dief g kluif h gleuf i graaf j slaaf

k muis l prijs m kies n bons o lens

p glas q roos r reus s gans t kluns

u werf v vaas w mees x kaas y wees

Sommige meervouden krijgen een andere klinker in het meervoud: stad – steden. Er zijn een aantal woorden met een meervoud op –eren: volk – volkeren.

66 Zet in het meervoud. a rund b kalf c smid

d lid e schip f moeilijkheid

g ei h blad (boom) i kind

j lied k kleinigheid l lam

m goed n zekerheid o been (bot)

Bij woorden die eindigen op –ie maakt het uit of de klemtoon op de –ie (melodie) valt of niet (bacterie). Zo ja, dan komt er een trema op de e van de meervoudsuitgang. Woorden met zo’n meervoud eindigen dus op –ieën: melodieën. Zo niet, dan is het meervoud meestal met een –s (ruzie, ruzies). Uitzonderingen zijn een paar meervouden op –iën: bacteriën, financiën, bronchiën, poriën. Woorden die op –ee eindigen met een meervoud op –en, krijgen ook een trema op de e van de meervoudsuitgang en eindigen dus op –eeën. idee – ideeën.

67

46

Zet in het meervoud.

a industrie b fee c studie d knie

e genie f toffee g lelie h democratie

i encyclopedie j moskee k fantasie l portemonnee

m ree n coalitie o zee p komedie

q unie r calorie s snee t conclusie

Verbuiging


Bij woorden die eindigen op –ik of –es en waarbij de klemtoon niet op de laatste lettergreep valt (perzik, dreumes), wordt de laatste medeklinker niet verdubbeld. Het is dus kroketten met dubbel t, omdat de klemtoon op de laatste lettergreep valt, maar perziken en dreumesen, omdat de klemtoon niet op de laatste lettergreep valt. Voor lemmet en engel geldt hetzelfde: lemmeten en engelen.

68

Zet in het meervoud.

a havik b krokus

c monnik d luiwammes

e barones f artikel

g bangerik h onderwijzeres

i vonnis j engel

p vogel q vader r fietser s televisie t koffer

u hotel v meisje w luisteraar x pauze y morgen

Vaak komt er in het meervoud geen –en maar een –s: tafel – tafels.

69

Zet in het meervoud.

a stapel b toeter c ruzie d jongen e bloemetje

f kegel g eekhoorn h snavel i clown j toren

k schommel l schrijver m tralie n horloge o appel

Als een woord eindigt op –a, –i, –o of –u, schrijf je een ’s (apostrof s): mama’s, taxi’s, auto’s, accu’s. Bij de y schrijf je een ’s als er een medeklinker voorafgaat, anders komt de –s eraan vast. Dus het is baby’s, maar disckjockeys. In andere gevallen waarin het woord op een klinker eindigt (–ie, –é, –ee, de doffe e-klank zoals in de, –eau, –ieu, en –ui), schrijf je de –s eraan vast: horloges, cafés, dictees, vakanties, bureaus, milieus, etuis.

70 Zet in het meervoud. a paraplu b kano c logé d programma e buggy

f drama g auditie h foto i lama j tante

k regio l alibi m menu n garage o deejay

p pyjama q ski r oma s pony t abonnee

u radio v thema w hobby x trolley y cadeau

Verbuiging

47


Bij Latijnse leenwoorden op–us verandert –us in –i:

71

Zet in het meervoud.

Het meervoud van een letterwoord of een initiaalwoord

72

Zet in het meervoud.

Beroepen die eindigen op –man, krijgen in het meervoud

73

politicus – politici. Bij Latijnse leenwoorden op –um verandert –um in –a: museum – musea.

krijgt een ’s, tenzij het zelf op een sisklank eindigt; dan krijgt het ’en: BV – BV’s, gsm’s, hts’en.

–lieden of –lui: zeeman – zeelui/zeelieden. Ook het meervoud – mannen komt voor: brandweerlieden, brandweermannen

74

a technicus b lyceum c chemicus

a havo b ROC c bh

d gymnasium e criterium f musicus

d tv e x f CX

Zet in het meervoud.

a voorman b buurman

c bewindsman d koopman

Alles door elkaar. Zet in het meervoud.

a agenda

b lerares brief telefoon koopman monteur wandelaar

file allergie dominee klif rad

c flauwerik

school kwal piano medicus gelegenheid

d fobie

lobbes dia elektricien bezem jubileum

e leraar

visie kennis buis werkman vmbo

VERKLEINVORM Verkleinwoorden krijgen een uitgang op –je: huis – huisje. Vaak is een extra tussenletter nodig. Dan wordt de uitgang –pje, –tje of –etje: boompje, kaboutertje, mannetje. Let op bij de uitgang –etje: je moet vaak een extra medeklinker schrijven. Er zijn ook woorden waarbij het op twee manieren kan: vergelijk bloempje en bloemetje, trapje en trappetje.

75

48

Zet de verkleinwoorden in de juiste kolom. –je

–pje

–tje

–etje

wormpje • muisje • lammetje • plaatsje • spruitje • landje • sommetje • worteltje • broertje • doekje • bekertje • verhaaltje • bootje • steeltje • snoepje • bordje • biggetje • vriendje • lampje • torentje • geheimpje

Verbuiging


76 Maak het verkleinwoord. a duim b bak c schaats d appel e kam

77

f raam g vaas h kar i kamer j kraam

k hand l ster m hoed n koe o kleed

p fluit q geur r vogel s spel t emmer

u doos v sleutel w boek x bal y ei

i probleempje j spatje k jongetje l truitje

m paardje n ruitje o knietje p fietsje

q velletje r schriftje s zaadje t dingetje

Wat is de normale vorm?

a kleutertje b kommetje c lokaaltje d zalfje

e weggetje f drankje g riempje h geluidje

Bij woorden die eindigen op –a, –o, –u (oma, auto, paraplu), moet je in de verkleinvorm een dubbele klinker schrijven: omaatje, autootje, parapluutje. • Bij woorden die eindigen op een –i (taxi), wordt de i in de verkleinvorm een ie: taxietje. • Bij woorden die eindigen op een –y met een klinker ervoor (cowboy), komt er in de verkleinvorm gewoon –tje: cowboytje. Staat er een medeklinker voor (baby), dan schrijf je een apostrof: baby’tje.

78

Maak het verkleinwoord.

a po b la c menu

d bikini e alinea f trolley

g lolly h mama i ski

• Bij woorden die eindigen op een –é (café),

j opa k foto l pony

verandert de é in de verkleinvorm in ee: cafeetje. • Bij woorden die eindigen op –ee (dominee) of op de doffe e-klank zoals in de (tante), komt er in de verkleinvorm gewoon –tje aan vast: domineetje, tantetje. • Bij woorden die eindigen op –ine (machine, aspirine), komt er in de verkleinvorm –ientje: machientje, sardientje.

m schema n spray o kassa

79

p kano q playboy r radio

s deejay t pagina

Maak het verkleinwoord.

a dame b coupé c vitamine d fee e logé f horloge g slee

h horde i zee j cabine k methode l opname m idee n trampoline Verbuiging

49


Bij woorden die eindigen op –ing met de klemtoon op de lettergreep die ervoor staat (koning, haring), komt er in de verkleinvorm –inkje: koninkje, harinkje. Maar: rekening - rekeningetje. In sommige gevallen wordt de klinker van het woord verlengd of veranderd: glas – glaasje, schip – scheepje. Bijzondere gevallen zijn: chocolade – chocolaatje, karbonade – karbonaadje. Bij cijferwoorden en initiaalwoorden schrijf je een apostrof: A4’tje, sms’je. Maar niet bij letterwoorden en afkortingen die je als een woord uitspreekt: demo – demootje.

80 Maak het verkleinwoord. a paling b pad c tekening d lening

e bloeding f gat g ketting h gsm

i vat j verrassing k havo l beloning

m cd n woning o blad p kronkeling

q leuning r wc s wandeling t bh

MANNELIJK/VROUWELIJK (geslacht) Van veel zelfstandige naamwoorden voor mensen of dieren bestaat een mannelijke vorm en een afgeleide vrouwelijke vorm. Er zijn verschillende uitgangen voor. Die in de onderste helft van het schema komen uit het Frans en Latijn. Ze worden niet veel gebruikt, behalve –se en –ce. Tegenwoordig wordt meestal ook voor een vrouw het mannelijke woord gebruikt: secretaris, voorzitter, bondskanselier. Let op: bij de spelling veranderen f en s in v en z en moet je soms een dubbele klinker schrijven om de lange klank te behouden: wolf – wolvin, verpleger – verpleegster. En soms moet je een dubbele medeklinker schrijven om de korte klank te behouden: kok – kokkin.

uitgang –e –es –in –ster –se –ice –ante –trix –a –is

mannelijk patiënt onderwijzer wolf verpleger chauffeur presentator gouverneur rector politicus bibliothecaris

vrouwelijk patiënte onderwijzeres wolvin verpleegster chauffeuse presentatrice gouvernante rectrix politica bibliothecaresse

Er zijn dieren die een heel andere naam hebben voor mannetjesdieren en vrouwtjesdieren, zoals paard: hengst – merrie.

50

Verbuiging


81

Wat is de vrouwelijke variant?

a boer b vriend c koning d keizer e prins

82

k artiest l muzikant m medewerker n verkoper o schrijver

p voorzitter q leeuw r beer s ezel t aap

u kater v ram w stier x reu

i coördinator j commentator k imitator l organisator

m acteur n redacteur o directeur p instructeur

q masseur r adviseur s etaleur t regisseur

e ambassadeur f donateur

g hypnotiseur h animator

i monteur j conservator

Wat is de vrouwelijke variant?

a sollicitant b assistent c journalist d cliënt

83

f zanger g leraar h eigenaar i agent j violist

e erfgenaam f fotograaf g echtgenoot h radioloog

Wat is de vrouwelijke variant?

a illustrator b enquêteur

c conducteur d cardioloog

Vervoeging De vorm van werkwoorden verandert als er een ander onderwerp bij komt of als het werkwoord in een andere tijd wordt gebruikt. Die vormverandering heet vervoeging. Zie hiervoor pagina 52 en verder.

Letterwoorden Een initiaalwoord is een afkorting die letter voor letter wordt uitgesproken: vwo, tv. Een letterwoord is een afkorting die als één woord wordt uitgesproken: havo, pin. Een cijferwoord is een woord waarin een cijfer is opgenomen: A4, M15 (Britse inlichtingendienst).

84 Zet de woorden in de goede kolom. initiaalwoord …

letterwoord …

cijferwoord …

vwo • 747 (vliegtuig) • pc • vut • ADSL • C5 (enveloppe) • NS • btw • HEMA • aids • vip • 007 (James Bond), 4711 (eau de cologne) •NOS • APK • lat • vmbo • Unicef • 3G (netwerk) • laser • KLM • B&W • FIFA

51


11

Woordsoorten Werkwoord

Zelfstandige werkwoorden herkennen Het werkwoord geeft aan wat er gebeurt. Werkwoorden heten daarom ook wel doe-woorden. Zelfstandige werkwoorden heten zo omdat ze van zichzelf betekenis hebben (aangeven wat er gebeurt) en zonder andere werkwoorden in de zin kunnen voorkomen.

85 Vul een werkwoord in.

86 Vul een werkwoord in.

a Een bril is om te z … b Uit een glas kun je d … c In een auto kun je r … d Met een pen kun je s … e Een stoel is om op te z … f Met een boot kun je v …

87 Welk woord is het werkwoord?

a eendjes v … b pannenkoeken b … c ruzie m … d buiten s … e een spelletje d … f eten k …

a Lisa danst in de kamer. b Wij gaan vandaag naar huis. c Het lammetje huppelt in het gras. d De boot vaart op het meer. e Morgen vertrekken ze naar Italië. f Het feestje begint om 3 uur.

88 Welk woord is het werkwoord? 89 Welk woord is het werkwoord? 90 a Hoe laat kom je? b Morgen krijgen we een toets. c Fiets je alleen naar huis? d Hij gaf me een hand. e Zeur toch niet zo! f Naomi heeft gitaarles.

a Papa kookte een pan soep. b Daan repareert zijn fiets. c We zongen met z’n allen. d Wij bewaren beschuit in een bus. e Hebben jullie nog vragen? f Ze deden het met z’n allen.

91 Welk woord is het werkwoord? 92 Welk werkwoord hoort erbij? a hazen • glazen • blazen • vazen b rijdt • meid • tijd • kwijt c vacht • zacht • bracht • kracht d recht • zegt • echt • slecht e plicht • nicht • ligt • zicht f polen • zolen • dolen • molen

52

a fiets fietsen b schaats … c voetbal … d lijm … e vis … f spel …

93

Welk woord is het werkwoord?

a Hij kwam te laat op school. b Hij hielp me met mijn huiswerk. c Ze konden het nog maar net. d Ze gaf hem een zoen. e Dat wist ik niet zeker. f Vroeg hij daar nog naar? Welk werkwoord hoort erbij?

a reuk ruiken b sprong … c leugen … d komst … e jacht … f stank …


Infinitief, persoonsvorm, stam/ ik-vorm

Het werkwoord zoals je het in het woordenboek

kunt opzoeken, is het hele werkwoord: de infinitief. Als je de vorm van het werkwoord aanpast aan het onderwerp, vervoeg je het werkwoord. Daarbij is het verschil tussen enkelvoud en meervoud (het getal) belangrijk.

95 Zet het werkwoord in de goede vorm. a krijgen b roepen c huilen d lachen e hangen f schrikken

a Het paard galoppeert in de wei. b Grootvader duwt de kar. c Anna brengt haar zusje naar huis. d De hond loopt mank. e Oma kijkt naar de televisie. f Mijn vriendje fietst naar school.

96 Zet in het meervoud.

Rob ... nieuwe schoenen. Mama … ons. David … van de pijn. Hij … haar uit. De was … aan de lijn. De poes … van het geluid.

De werkwoordsvorm die bepaald wordt door het

onderwerp is de persoonsvorm. Ook als het onderwerp geen persoon is, maar een ding of dier. De persoonsvorm verandert als het onderwerp verandert van getal (enkelvoud of meervoud), of als de zin in een andere tijd komt te staan.

98 Zet de persoonsvorm in de verleden tijd. a Ik loop door de straten. b Jij doet je huiswerk. c Ze gaat naar huis. d We eten eerst even wat. e Mijn moeder maakt soep. f Hij weet daar niets van.

94 Wat is het hele werkwoord?

(Ik) liep … … … … … …

a Ik lig op de bank. b Ik wacht nog even. c Ik houd van voetbal. d Ik ren er gauw achteraan. e Ik kijk tv. f Ik speel het liefst met jou.

Wij liggen op de bank. … … … … …

97 Wat is de persoonsvorm? a Morgen bel ik je terug. b Levert het ook nog iets op? c Wie doen er allemaal mee? d Hij verloor de laatste set. e Krijgen we er een koekje bij? f We kwamen helaas net te laat.

99 Zet de persoonsvorm in het meervoud. a Ze schrijft op het bord. b Hij lacht erom. c De kat speelt met de muis. d Onze juf geeft goed les. e De jongen weet het niet. f Hij zet het wel voor je klaar.

(Zij) schrijven … … … … … …

53


De ik-vorm van het werkwoord is de vorm van het werkwoord die je krijgt als het onderwerp ik is. De ik-vorm is het uitgangspunt bij het vervoegen van werkwoorden.

100 Wat is de ik-vorm? roepen zoeken werken

101

ik roep ik … ik …

wachten duwen denken

ik … ik … ik …

klieren rijden lijken

ik … ik … ik …

fietsen vliegen piepen

ik … ik … ik …

tekenen aaien geeuwen

ik … ik … ik …

leiden vieren zeilen

ik … ik … ik …

kauwen rennen luieren

ik … ik … ik …

Wat is de ik-vorm? zien grijpen kijken

ik … ik … ik …

In plaats van de ik-vorm, kun je ook uitgaan van de stam van het werkwoord. Dat is het hele werkwoord min – en: werken – werk, fietsen – fiets, sporten – sport, enz. Vaak krijg je dezelfde vorm als de ik-vorm, maar soms moet je een klinker toevoegen voor de uitspraak en spelling of een medeklinker weglaten. bukken – buk(k): de tweede k stond er omdat de u kort moest zijn. Bij de korte vorm is dat niet meer nodig. balen – ba(a)l: je moet een tweede a invoegen, omdat anders de a kort zou worden uitgesproken.

102

Schrijf de stam in stapjes op. Haal –en weg, haal de dubbele medeklinker weg of plaats juist een klinker bij. Schrijf daarnaast de ik-vorm. liggen willen mikken pitten boffen klimmen jokken

54

stam liggen > lig(g) > lig

ik-vorm ik lig

praten slapen lopen halen gluren steken slepen

stam praten > pra(a)t > praat

ik-vorm ik praat

Infinitief, persoonsvorm, stam/ ik-vorm


Bij werkwoorden met een stemhebbende medeklinker op het eind van de stam, is er verschil tussen de stam en de ik-vorm. Vergelijk: stam: doven – do(o)v > doov en ik-vorm: ik doof. Bij deze werkwoorden moet je voor de vervoeging uitgaan van de stam.

103

Schrijf eerst de ik-vorm op. Schrijf daarnaast de stam. verhuizen geloven reizen kleven draven

ik-vorm ik verhuis ik … ik … ik … ik …

stam verhuiz

leven vrezen stoven kijven zeven

ik-vorm ik leef ik … ik … ik … ik …

stam le(e)v > leev

beven kloven grazen streven lozen

ik-vorm ik … ik … ik … ik … ik …

stam

Verleden tijd (o.t.t.)

104

Verleden betekent dat de zin niet over het nu gaat, maar over iets dat al eerder gebeurde. Bij de verleden tijd van zwakke werkwoorden komt er in het enkelvoud –te achter de stam of ik-vorm en in het meervoud –ten als de stam eindigt op een van de medeklinkers van het woord kofschiptaxietje. Eindigt de stam op een andere (stemhebbende) medeklinker of een klinker, dan komt er –de of –den achter de stam. fiets – fietste dim - dimde leef – leefde (want stam is leev) fietsen – fietsten dimmen – dimden leven – leefden Let op: de v van de stam wordt in de vervoegde vorm weer een f. Maak de verleden tijd.

a ik pak b jij merkt c hij tikt d ze botst e het past f wij hopen g jullie puffen h zij poetsen

105

ik pakte jij … hij … ze … het … wij … jullie … zij …

i ik droom j jij rent k hij rilt l zij voelt m het duurt n wij leren o jullie storen p zij duimen

ik droomde jij … hij … zij … het … wij … jullie … zij …

q ik buk r jij kent s hij kust t ze luistert u het lukt v wij willen w jullie lachen x zij boffen

ik … jij … hij … ze … het … wij … jullie … zij …

Maak de verleden tijd. Let goed op de stam.

a ik draaf

b jij reist

c hij vreest

d zij zeeft

e wij geloven

f jullie verhuizen g zij glanzen

55


106

Van welk werkwoord is dit de verleden tijd?

a De kat klom in de boom. b We wonnen met 3 – 0! c Ze kregen het toch voor elkaar. d We lagen er drie dagen voor anker. e Hij gaf de moed niet op.

107

f Ze schrok van het geluid. g We bleven niet zo lang. h Ze reden er in 3 uur naartoe. i Hij las het boek in één ruk uit. j Dat klonk erg mooi.

k Ik vroeg je iets. l Het dreef al een week in de vijver. m Hij riep het antwoord meteen. n Juf prees hem om zijn mooie rapport. o Ze kromp ineen van angst.

i ik meet j jij ruikt k hij liegt l zij geniet m het giet n wij kijken o jullie spreken p zij glimmen

q ik sluit r jij trekt s hij vangt t ze geneest u het glimt v wij springen w jullie wijzen x zij slaan

Maak de verleden tijd.

a ik bijt b jij blaast c hij denkt d ze buigt e het helpt f wij vergeten g jullie schelden h zij zwemmen

ik beet jij … hij … ze … het … wij … jullie … zij …

ik … jij … hij … zij … het … wij … jullie … zij …

ik … jij … hij … ze … het … wij … jullie … zij …

Voltooide tijd Voltooid betekent dat wat er in de zin gebeurt klaar is, af, helemaal achter de rug. Er staat dan een hulpwerkwoord (meestal hebben of zijn) en een voltooid deelwoord in de zin. Het voltooid deelwoord van zwakke werkwoorden eindigt op een –t als de stam eindigt op een van de medeklinkers uit het woord kofschiptaxietje. Eindigt de stam op een andere (stemhebbende) medeklinker of een klinker, dan komt er een –d achter het voltooid deelwoord. De meeste voltooide deelwoorden herken je aan het voorvoegsel ge–. fietsen – gefietst, lenen – geleend, maaien – gemaaid, leven – geleefd (want de stam eindigt op –v)

108

Maak het voltooid deelwoord.

a haken b rusten c slippen d blaffen e koken

56

ge-haak-t

f bloeien g horen h spelen i kreunen j geeuwen

ge-bloei-d

k delen ge-deel-d l schaatsen m graaien n roken o storen


109

Zet in de voltooid tegenwoordige tijd.

a De auto remt. De auto heeft geremd. b Ze prakt haar aardappels. c De kat miauwt de hele tijd. d De inbreker kraakt de kluis. e Hij klust zaterdag bij de buren.

Het voltooid deelwoord van sterke

werkwoorden eindigt meestal op –en. En de klinker van de stam kan veranderen. lezen – gelezen, winnen – gewonnen, krijgen – gekregen

111

f Zij pikt mijn pen. g Hij roert in de pan. h Ze stoft de stoelen af. i Ze huilt de hele nacht. j Ik ren me rot.

110

Maak het voltooid deelwoord.

a drinken b grijpen c graven d vinden e dragen f krijgen g zingen h schieten

Zet in de voltooid tegenwoordige tijd.

a De dominee bidt. De dominee heeft gebeden. b Ze komt niet meer. Ze is niet meer gekomen. c De man zwijgt steeds. d Hij liegt erover. e We binden de touwen vast.

Als de stam van het werkwoord begint

113

met een voorvoegsel als be–, ver–, ont–, enz. vervalt het voorvoegsel ge– bij het voltooid deelwoord. Dat geldt voor sterke en zwakke werkwoorden. bewijzen – bewezen, vertrekken – vertrokken, ontbijten – ontbeten, vertrouwen – vertrouwd

112

k De hond likt zijn bak uit. l Ik hoor de klok. m Iemand klopt op de deur. n Ik bel je vanmiddag. o Ze probeert het nog een keer.

gedronken

i kruipen j spijten k roepen l scheiden m raden n smelten o stelen

f Zij drinkt geen bier. g De hond bijt me! h Ik schrik ervan. i Hij duikt nog niet. j We eten om 7 uur.

k Ze fluiten haar na. l De was hangt buiten. m Je helpt me altijd. n Hij kijkt me niet aan. o We kiezen voor hem.

Maak het voltooid deelwoord.

a verwijten verweten b verkrijgen c verslinden d verschuilen e verbouwen f begrijpen g bedriegen

h bewegen i bezitten j beloven k ontwijken l ontginnen m ontluiken n ontsteken

o ontsieren p genezen q herkiezen r onderbreken s herbouwen t ervaren

Deze voltooide deelwoorden zijn net even anders. Vul in.

a zien b doen

ge … ge …

c staan d slaan

ge … ge …

e eten f komen

ge … ge …

g brengen h kopen

ge … ge …

Voltooide tijd

57


Als het hulpwerkwoord hebben of zijn in de tegenwoordige tijd staat, staat de zin in de voltooid tegenwoordige tijd (v.t.t.). Staat het hulpwerkwoord hebben in de verleden tijd, dan staat de zin in de voltooid verleden tijd (v.v.t.). Ik heb gefietst. (v.t.t.) – Ik had gefietst. (v.v.t.)  Ik ben gekomen. (v.t.t.) – Ik was gekomen. (v.v.t.)

114

Zet in de voltooid verleden tijd.

a knoeien ik b vragen hij c stormen het d verslaan wij

Ik had geknoeid

e spugen hij f bezorgen jullie g worden wij h lijden zij (mv)

i blozen zij (ev) j verbinden jij k goochelen hij l spieken wij

Toekomende tijd Als iets nog gaat gebeuren, heb je het over de toekomst. De zin staat dan in de toekomende tijd. Daarvoor is het hulpwerkwoord zullen nodig: ik zal het doen, we zullen het wel zien. Dit is de onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (o.t.t.t). Als je achteraf vertelt over wat je in de toekomst zou gaan doen, gebruik je zullen in de verleden tijd. De zin staat dan in de onvoltooid verleden toekomende tijd (o.v.t.t.): ik zou het doen, we zouden het wel zien.

115

Zet in de toekomende tijd. brengen ik studeren jij meegaan jullie werken wij

o.t.t.t. ik zal brengen

o.v.t.t. ik zou brengen

o.t.t.t.

o.v.t.t.

komen hij spelen jullie vertrekken zij (mv) trouwen wij

De toekomende tijd kan ook voltooid zijn. Dan staan het hulpwerkwoord hebben of zijn en het voltooid deelwoord in de zin. Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (v.t.t.t.): hij zal het wel gedaan hebben. Voltooid verleden toekomende tijd (v.v.t.t.): hij zou het wel gedaan hebben.

116

58

Zet in de voltooid toekomende tijd. v.t.t.t. zeggen ik ik zal gezegd hebben weten jij vertellen jullie

v.v.t.t. ik zou gezegd hebben bedenken hij kijken jullie lezen zij (mv)

v.t.t.t.

v.v.t.t.


Alle werkwoordstijden onvoltooid tegenwoordige tijd onvoltooid verleden tijd voltooid tegenwoordige tijd voltooid verleden tijd onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd onvoltooid verleden toekomende tijd voltooid tegenwoordige toekomende tijd voltooid verleden toekomende tijd

o.t.t. o.v.t. v.t.t. v.v.t. o.t.t.t. o.v.t.t. v.t.t.t. v.v.t.t.

ik fiets ik fietste ik heb gefietst ik had gefietst ik zal fietsen ik zou fietsen ik zal gefietst hebben ik zou gefietst hebben

ezelsbruggetje voor de afkortingen de eerste letter (onvoltooid of voltooid) kijk of er wel of niet een voltooid deelwoord in de zin staat de tweede letter (tegenwoordig of verleden) kijk naar de persoonsvorm 4 letters altijd toekomende tijd

Let op: Bij de voltooide en toekomende tijden is de persoonsvorm in de zin het hulpwerkwoord. Het zelfstandige werkwoord is dan een voltooid deelwoord of een infinitief.

117

In welke tijd staat de zin? Kies uit: o.t.t. • o.v.t. • v.t.t.

a Hoe laat gaat de bus? b Vetrok de bus op tijd? c De bus rijdt meestal op tijd. d De bus is op tijd gekomen. e Daarom was ik er op tijd. f Hou je van spruitjes? g Vroeger hield ik niet van spruitjes. h Vandaag heb ik spruitjes gemaakt.

118 119

i We hebben ze allemaal opgegeten. j Wij eten nooit spruitjes. k De kat vangt vaak een muis. l Ze heeft er deze week al 3 gevangen. m Vroeger ving ze ook wel eens een vogeltje. n Dat vonden we niet fijn. o Maar dat is nu eenmaal de natuur. p Ze vangt ook wel eens een vlinder.

Welk woord is de persoonsvorm in de zinnen van opdracht 117? Schrijf de persoonsvorm in de goede tijd.

a Wij verdelen de dropjes. (o.v.t.) b Je lopen naar de bus. (o.t.t.) c Bas vinden er niets aan. (o.v.t.) d Dat slaan nergens op. (o.v.t.) e Je werken te hard. (o.t.t) f Zij kiezen daar niet voor. (v.t.t.) g Je weten het maar nooit. (o.t.t.) h We spelen veel buiten. (o.v.t.)

i Je leven maar één keer. (o.t.t.) j Wanneer beginnen de vakantie? (o.t.t.) k Het komen weer terug. (o.v.t.) l Ik verknallen mijn toets. (v.t.t.) m Luisteren je wel? (o.t.t.) n Hij begrijpen er niets van. (o.v.t.) o Dat krijgen je er nou van! (o.t.t.) p Dat lijken nergens op. (o.v.t.)

59


120

In welke tijd staat de zin? Kies uit: v.t.t. • v.v.t. • o.t.t.t • o.v.t.t.

a Wat zullen we doen? b Heb je wel eens geoefend? c Ik heb het wel geprobeerd. d Je zult je best redden. e Ik zou me geen zorgen maken. f Zou Ruben ook komen? g Ik zou het niet weten. h Hij zal nog wel bellen.

121 122

i Ik heb hem wel gevraagd. j Hij heeft niet afgezegd. k Is het weer gebeurd? l Dat had ik wel verwacht. m Had je er niet op gerekend? n Het zou hier toch niet onweren? o Nu ben ik wel weer natgeregend. p Dat zal me niet weer gebeuren.

Welk woord is de persoonsvorm in de zinnen van opdracht 120? In welke tijd staat de zin? Kies uit: o.t.t.t • o.v.t.t. • v.t.t.t. • v.v.t.t.

a Ik zal dat best eens gezegd hebben. b Hij zou zoiets nooit doen. c Ze zou het hem haarfijn uitleggen. d Dan zal hij wel vreemd hebben opgekeken. e Zal ik dat maar van je overnemen? f Daar zou zij nooit wat van zeggen. g Dat zal Koen wel geweest zijn. h Ik zou dat nooit ontdekt hebben.

i Maar ik zou wel hebben gezocht. j Het zal me niet weer overkomen. k Wat zou jij gedaan hebben? l Ze zou erover nadenken. m We zullen het toesturen. n Zal ik de hond even uitlaten? o Ze zouden er nog over bellen. p Ik zou het niet weten.

123 Welk woord is de persoonsvorm in de zinnen van opdracht 122? 124 Zet de zin in de goede tijd. 125 In welke tijd staat de zin? a We leren voor lang de toets. (v.t.t.) b Er komen ooit een einde aan. (o.t.t.t) c Ze doen alles met z’n allen. (o.v.t.) d We komen gauw eens op bezoek. (o.t.t.t.) e Dat beloven ik. (v.v.t.) f Juf roepen je. (v.v.t.t.) g Dat zeggen je zo vaak. (v.t.t.) h Dat zien ik heus wel. (v.v.t.t.) i Dat gaan bijna mis! (o.v.t.) j Je lijken op iemand. (o.t.t.)

60

a Wie lust er nog een portie? b Hebben jullie nu al genoeg gehad? c Ik wilde nog een toetje maken. d Zal ik dat dan maar niet doen? e We zouden dat toch morgen eten? f Ik zou het anders niet gekocht hebben. g Het smaakte allemaal prima. h We hebben heerlijk gegeten. i Komen jullie snel weer eens? j Dat zullen we doen. Alle werkwoordstijden


Hulpwerkwoorden Hulpwerkwoorden helpen een ander werkwoord. Ze hebben zelf geen betekenis maar ze horen bij een zelfstandig werkwoord dat wel een betekenis heeft. Hulpwerkwoorden van tijd helpen de zin in een andere tijd te zetten. Dat zijn hebben, zijn en zullen. Hulpwerkwoorden van wijze zeggen of wat er in de zin staat mogelijk is of noodzakelijk of wenselijk. Dat zijn de werkwoorden kunnen, mogen, moeten en willen.

126

Wat is het hulpwerkwoord en wat het zelfstandig werkwoord?

a We hebben gevoetbald. hebben = hww, voetballen = zww b Ik mag dat niet hebben. c Kun je even bij me komen? d We moeten hem helpen. e Ik wil nog even naar de stad gaan. f Mag zij bij ons spelen? g Ik had er niet aan gedacht. h Hij is van de trap gevallen. i Je kunt wel bij ons slapen.

Als de zin de lijdende vorm heeft, staat er een vorm van

het hulpwerkwoord worden in. Dat is het hulpwerkwoord van de lijdende vorm. Bij zinnen in de lijdende vorm is het onderwerp niet zo belangrijk. Dat is vaak weggelaten. Als er wel staat wie de handeling doet, staat er door voor. Er werd geklopt. Hij werd door iedereen toegejuicht.

128 Er kan meer dan ĂŠĂŠn hulpwerkwoord in de zin staan. Wat zijn hulpww. en wat zelfst. ww.?

a Hij had willen komen. b Hij heeft dat niet willen zeggen. c Ze zou dat best willen. d Zo had je het moeten doen. e Het feest mocht georganiseerd worden. f We hebben niets eens iets kunnen drinken.

127

j Wil je iets drinken? k Ze kon niets voor me doen. l Ze mochten eerder starten. m Er heeft iemand gebeld. n Dat mag je niet zeggen. o Dat zal niet gaan. p Hij heeft zijn best gedaan. q Was je gestruikeld? r Mag ik eens kijken? Wat is het hulpwerkwoord en wat het zelfstandig werkwoord?

a Ze werd niet uitgenodigd. c Aan de deur wordt niet gekocht. d Fietsen worden verwijderd. e Van diefstal wordt aangifte gedaan. f De scheidsrechter werd uitgefloten. g Ze werd door de politie verhoord.

129 Zet de hulpwerkwoorden van opdracht

128 in de goede kolom. hulpww hulpww hulpww van van tijd van wijze lijdende vorm

a b c d e f

61


Koppelwerkwoorden Koppelwerkwoorden ‘koppelen’ een eigenschap aan het onderwerp van de zin. Ze betekenen allemaal een beetje zijn. Je kunt er vaak te zijn achter zetten. Het zijn er 9: zijn, worden, lijken, blijken, blijven, schijnen, heten, dunken en voorkomen. Zij leek aardig (te zijn). De bal bleek lek (te zijn).

130

In welke zinnen staat een koppelwerkwoord?

a Dat lijkt me leuk. b Ik durf het niet. c Ze werd opeens niet lekker. d Ze is een mooi meisje. e Ik houd niet van heet eten. f Dat boek schijnt verdwenen te zijn. g Het weer blijft slecht. h Ik voel me moe.

i Dat verhaal bleek niet waar te zijn. j Zoiets heet een blunder. k Ze vindt hem aardig. l Dat dunkt me een goed plan. m Het werd niet beter. n We merkten er niets van. o Dat komt me vreemd voor.

Het werkwoord zijn kan een zelfstandig werkwoord zijn. Dan betekent het bestaan, zich bevinden. En het kan hulpwerkwoord van tijd zijn en koppelwerkwoord. Hebben is meestal een hulpwerkwoord, maar kan ook een zelfstandig werkwoord zijn. Dan betekent het bezitten.

131

132

62

Geef van elk werkwoord aan wat voor soort werkwoord het is. Kies uit: • zelfstandig werkwoord (zww) • hulpwerkwoord van tijd (hww tijd) • hulpwerkwoord van wijze (hww wijze) • hulpwerkwoord van de lijdende vorm (hww lv) • koppelwerkwoord Geef van elk werkwoord aan of het een persoonsvorm (pv) is of een infinitief (inf) of een voltooid deelwoord (vdw).

a Ik moet er niet aan denken. b Hij heeft er met de pet naar gegooid. c Hij blijft een opschepper. d Het leek zo’n aardige jongen. e Het zal je kind maar wezen! f Hij werd stevig aan de tand gevoeld. g Kun je me het zout aangeven? h Vind je dat geen leuk idee? i Ik zou best graag een boot willen hebben. j Je zou wat aardiger moeten doen tegen je zusje. k Je moet niet alles geloven! l Het nieuws bleek grote onzin.


De wijs van werkwoorden

133

aantonende wijs aanvoegende wijs

Je leeft. Leve de koning!

gebiedende wijs

Leef!

onbepaalde wijs tegenwoordig deelwoord

leven levend

komt het meest voor zie je bij recepten en bij ouderwets taalgebruik, zoals Leve de koningin! komt voor bij alle bevelen en geboden, in gebruiksaanwijzingen en instructies het hele werkwoord of de infinitief hele werkwoord + d,wordt als bijvoeglijk naamwoord of bijwoord gebruikt

In welke wijs staat het werkwoord? 1 Vandaag gaan we koekjes bakken. 2 We lezen eerst het recept. 3 Men neme 125 gram boter, 125 gram suiker, 200 gram bloem, 1 pakje vanillesuiker en een theelepel bloem. 4 Smelt de boter al roerend in een pannetje. 5 Doe nu alle ingrediĂŤnten bij elkaar in een

kom. 6 Kneed alles goed door elkaar. 7 Maak van het deeg met draaiende handen kleine balletjes. 8 Leg die op een bakplaat. 9 Doe de koekjes 10 minuten in een voorverwarmde oven. 10 De balletjes worden vanzelf plat in de oven. 11 Laat ze afkoelen. 12 Eet smakelijk!

Werkwoorden benoemen Als je een werkwoord volledig moet benoemen moet je aangeven wat de functie en vorm is. functie: zelfstandig werkwoord, hulpwerkwoord (van tijd, wijze of lijdende vorm) of koppelwerkwoord vorm: persoonsvorm (pv), infinitief (inf), voltooid deelwoord (vdw) of tegenwoordig deelwoord (twdw) Verder moet je aangeven in welke tijd en in welke wijs de zin staat en wat persoon en getal is van de persoonsvorm. zie voor persoon p. 73 persoonlijk voornaamwoord

134

Ze kon het verhaal alleen huilend vertellen. zin: aantonende wijs, o.v.t. kon: hww van wijze, pv, 3e persoon enkelvoud vertellen: zelfstandig werkwoord, infinitief  huilend: zelfstandig werkwoord, tegenwoordig deelwoord Geef me even de tijd. zin: gebiedende wijs  Geef: zelfstandig werkwoord, persoonsvorm 2e persoon enkelvoud

Benoem alle werkwoorden volledig. 1 Mensen bestaan al heel lang. 2 Maar ze hebben niet altijd gesproken. 3 Mensen kunnen al tienduizenden jaren praten. 4 Schrijven kunnen ze pas zo’n vierduizend jaar. 5 Veel hoofdletters waren eerst tekeningen van dingen.

6 Iemand had een idee. 7 Men moest geen dingen tekenen, maar klanken. 8 In de verschillende woorden werden vaak dezelfde klanken gebruikt. 9 In plaats van al die tekeningen waren enkele tientallen letters genoeg. 10 Zo is het alfabet ontstaan.

63


Onregelmatige werkwoorden De vervoegde vormen van een aantal werkwoorden wijken af van de regels van sterke of zwakke werkwoorden. Die werkwoorden zijn onregelmatig. Dat zijn de werkwoorden hebben, zijn, mogen, willen, kunnen en zullen. Er zijn geen regels voor te geven.

135

Geef de juiste persoonsvorm.

a Je mogen dat best proberen. b Dat hebben u goed gezien. c Hij kunnen heel lekker koken. d Het willen vorige week nog niet zo lukken. e Jij hebben dat mooi versierd. f Mogen ik die stoel pakken? g Je zullen versteld staan. h Hij willen vroeg naar bed.

i Zoiets kunnen je toen niet maken. j Wat zijn ik toch een sukkel! k Het zijn een mooie tijd. l Vroeger mogen ik dat niet. m Gisteren kunnen het nog wel. n Als ik dat hebben geweten! o Je zijn zo lief. p Dat mogen nooit van mama.

Scheidbare en niet-scheidbare werkwoorden Een scheidbaar werkwoord wordt in twee delen gesplitst bij vervoeging. Overschrijven en tegenkomen worden bij vervoeging bijvoorbeeld ik schrijf over en ik kom tegen. Het tweede deel kan soms ver weg komen te staan in de zin, maar hoort bij het werkwoord. Zulke werkwoorden beginnen met bij–, na–, in–, uit–, op–, tegen–, tussen–, af–, mee–, terug–. Veel andere werkwoorden die beginnen met mis–, onder–, over– en voor– kunnen zowel scheidbaar als niet scheidbaar zijn. Vergelijk ik overschat met ik steek over. Werkwoorden die beginnen met be– , her– en ver– zijn niet scheidbaar. Verhuizen wordt niet ik huis ver, maar blijft aan elkaar.

136 Geef de ik-vorm. a afkeuren b opgeven c overhalen d overtuigen e teleurstellen f overwegen g voldoen h overdrijven i onderhandelen

64

137 Geef de hij/zij/hetvorm.

a plaatsvinden b overwinnen c binnenkomen d vastmaken e voorstellen f mishandelen g ondergaan h voorspellen i volschenken

138 Geef het voltooid

139 Geef de zij-vorm

a achtervolgen b klaarmaken c vrijkomen d nadenken e aanvaarden f bijklussen g doorbreken h onderscheiden i misleiden

a loslaten b ademhalen c omsingelen d overstappen e mislukken f waarnemen g onderstrepen h afleiden i overtreden

deelwoord.

(meervoud).


Lidwoord Lidwoorden horen bij zelfstandige naamwoorden: de bal, het feest, een lepel. De en het zijn bepaalde lidwoorden: het is duidelijk welke je bedoelt: Wil je me de appel aangeven? Een is onbepaald: het gaat niet om welke je precies bedoelt: Ik heb trek in een appel. Voor zelfstandige naamwoorden in het meervoud staat altijd de: de bomen, de huizen. Voor verkleinwoorden staat altijd het: het huisje, het tafeltje.

140 Wat is het bepaalde lidwoord, de of het?  141 Maak het verkleinwoord en zet het goede a een tafel

de tafel

een pen een schrift een jongen

142

lidwoord ervoor.

b een glas

een boom een beker een bord

a de fiets het boek de poes het beest

b de straat de school het dorp de jas

c het schrift de gang de stoel het gebouw

d het geluid de deur de winkel het woord

Zet in het meervoud.

a het touw de touwen de knikker het plein de kooi

143 Onderstreep het lidwoord.

b de beurt het krijtje de meester de juf

a Jij hebt een mooi rapport! b Mag ik het zout van je? c Heb jij al een mobieltje? d Ik heb een skateboard gekregen. e Willen jullie de stoelen aanschuiven? f Jouw jas hangt op de kapstok.

144

Onderstreep de lidwoorden.

a De appel valt niet ver van de boom. b De koe bij de horens vatten. c De hond in de pot vinden. d Wie een kuil graaft voor een ander, valt er zelf in. e Dat was een geluk bij een ongeluk. f In het land der blinden is eenoog koning. g  Wie het onderste uit de kan wil hebben, krijgt het deksel op de neus.

h Als de kat van huis is, dansen de muizen. i Er schuilt een addertje onder het gras. j Iemand voor het lapje houden.

145

Geef van de lidwoorden in opdracht 143 en 144 aan of het een bepaald of een onbepaald lidwoord is.

65


Zelfstandig naamwoord Een zelfstandig naamwoord is een woord voor: • mensen: vrouw, zoon, kapper, leraar, • dieren of planten: hond, roos, • dingen: hamer, fiets. Vóór het zelfstandig naamwoord kun je altijd een lidwoord zetten.

146 Zet in elke kolom 4 zelfstandige naamwoorden. 147 Welke woorden zijn geen zelfstandig naamwoord? mensen

148

dieren

planten

dingen

g trein h station i computer j dingen k letter l schrift

m zingen n tv o boek p staan q toen r zoen

j Hij hoort het portier van de auto slaan. k Dan hoort hij een sleutel in het slot. l De deur gaat open en hij ziet zijn vader. m Ga je mee de hond uitlaten? n Hij pakt de riem en de bal en ze gaan. o Ondertussen maakt zijn moeder het eten klaar. p Straks moet hij nog huiswerk maken. q Morgen heeft hij een proefwerk. r Hij wil per se een voldoende.

Zet de zelfstandige naamwoorden in de juiste kolom. Zet er het juiste lidwoord voor. mensen

namen

dieren

dingen

Namen van personen en aardrijkskundige namen zijn ook zelfstandige naamwoorden: Jan, Rotterdam.

66

a zomer b vulkaan c vrachtwagen d dragen e krom f groter

Onderstreep de zelfstandige naamwoorden.

a De jongen zit op de bank. b Hij leest de krant. c Hij bekijkt de advertenties. d Hij neemt een appel. e Wil je een mesje? f Hij eet de appel tot het klokhuis op. g Hij hoort een vreemd geluid. h Het komt uit de garage. i Voorzichtig loopt hij de trap af.

149

Zet voor de andere het juiste lidwoord.

opa • konijn • Jaap • TV • tafel • peer • poes • broer • vis • keuken • toeter • telefoon • Vera • fruitschaal • groenteboer • Japan • borden • voetballer • giraf • trainer • Hilversum • goal • kampioen • glazen • bril • scheidsrechter • doelpunt • chips • supporters • spandoek • keeper • Zuid-Afrika • presentator • koffie • tuin • kroeg • jurk • leeuw • beker • bus


Met geslacht wordt bedoeld of zelfstandige naamwoorden mannelijk, vrouwelijk of onzijdig zijn. Zelfstandige naamwoorden waar het lidwoord het bij hoort, zijn onzijdig. Hoort er de voor, dan is het zelfstandig naamwoord mannelijk of vrouwelijk, of allebei. Het geslacht staat in het woordenboek. Mensen en dieren zijn van zichzelf al mannelijk of vrouwelijk: de dame, de jongen, de hengst, de merrie. Naar mannelijke woorden verwijs je met zijn, naar vrouwelijke woorden met haar: de dame met haar tasje, de mijnheer met zijn hondje. Naar onzijdige woorden verwijs je met zijn, tenzij het om een vrouw gaat. Het feest liep op zijn eind, het meisje haar schoenen.

150 Onderstreep de zelfstandig naamwoorden. Vul zijn of haar in.

a De hengst loopt met … staart te zwaaien b De merrie loopt met … veulen in de wei. c Het dametje zet … hoedje op. d Rob geeft … moeder een kus. e De chauffeur zet … pet op. f Juf loopt naar … lokaal. g De buurman is trots op … nieuwe auto

151 Zoek de woorden op in het woordenboek.

Staat er m (mannelijk) of v (vrouwelijk) achter?

a riem b jas c straat d broek e kamer f computer

g schoen h appel i aardbei j stoel k zon l wolk

m ster n pleister o dorp p keuken q deur r auto

Sommige zelfstandige naamwoorden hebben een andere betekenis als er een ander lidwoord voor staat: de bal (voetbal) – het bal (dansfeest).

152

Vul het juiste lidwoord in.

a .. blauwe veer komt uit de indianentooi. b We fietsen over .. pad langs de rivier. c Ik zal .. bos bloemen in de vaas zetten. d in Engeland is .. jacht op vossen erg populair. e Ik vertrouw .. blik in zijn ogen niet. f .. portier droeg de bagage naar binnen. g Daar kan .. arme mens niets aan doen. h Hij klopte .. stof van zijn jas. i De auto nam .. bocht te snel. j Achter deze zin ontbreekt .. punt k .. voetbal die zij kregen, was van echt leer.

.. veer naar Terneuzen vaart vandaag niet. .. pad zat vlak achter onze tent. Ga je mee wandelen in .. bos? In de baai lag .. jacht van de multimiljonair. Gooi .. lege blik maar weg. Hij sloeg .. portier van de auto met een klap dicht. De aap lijkt soms precies op .. mens. Er zit wol in .. stof van die broek. Bah, .. bocht uit die fles is niet te drinken! Voor .. punt dat hij wilde bespreken was geen tijd meer. De kwaliteit van .. voetbal tijdens de WK viel erg tegen.

Zelfstandig naamwoord

67


Sommige zelfstandige naamwoorden komen alleen in het meervoud voor: kleren, hersenen, onkosten, waterpokken. Er zijn ook zelfstandige naamwoorden die alleen in het enkelvoud voorkomen: atletiek, gymnastiek, gedoe, geklets.

153

Schrijf de zelfstandige naamwoorden op. Zet ze in het meervoud als het enkelvoud is en andersom. Bij welke kan dat niet?

a Na het goud voor oranje was het feest. b Er was muziek en iedereen had plezier. c Toch waren er relletjes uitgebroken. d Supporters met te veel bier op hadden ruiten vernield. e De politie probeerde de gemoederen te bedaren. f Een enkeling werd bij zijn lurven gepakt en afgevoerd naar het bureau.

g Een agent zat op zijn hurken bij een gewonde. h Zijn kleren waren gescheurd en hij bloedde. i De man bleek niet ernstig gewond te zijn. j Het

reinigingsbedrijf heeft de rotzooi inmiddels opgeruimd. k De gemeente zal wel weer voor de kosten moeten opdraaien.

Concrete zelfstandige naamwoorden zijn woorden voor dingen die je kunt aanraken: boom, poes. Abstracte zelfstandige naamwoorden zijn woorden voor dingen die je niet vast kunt pakken: liefde, geluk.

154

Schrijf de zelfstandige naamwoorden in de juiste kolom. concreet …

abstract …

• Hij heeft nog veel pijn aan zijn knie. • De organisatie van het feest gaf nog een hoop gedoe. • Het protest van de leerlingen heeft wel geholpen. • Mijn vader houdt niet van politiek. • Staat er nog nieuws in de krant? • Wat een akelig gevoel is dat! • De meester had geen goed humeur. • Ze kon van de opwinding niet slapen. • Ze moet nog een werkstuk inleveren en dan is ze klaar met haar studie. • In de zomer gaan we op vakantie naar een camping in Frankrijk. • Ik kan prima tegen de hitte. • Ik lig de hele dag in het zwembad. • Mijn ouders gaan liever naar een museum. • Die houden van kunst. • Veel plezier!

Zelfstandige naamwoorden met een meervoud op –en krijgen soms dezelfde vorm als het afgeleide werkwoord. Vergelijk zoen – zoenen, zeef – zeven. Er zijn ook zelfstandige naamwoorden die in het enkelvoud of meervoud eindigen op –en die soms dezelfde vorm hebben als een (heel ander) werkwoord. Dan is er sprake van homoniemen: (vracht-)wagen en wagen/durven.

155

Maak met elk woord twee zinnen: één waarin het een zelfstandig naamwoord is en één waarin het een werkwoord is.

a weken b kussen c flikken d wijzen e kleuren f vliegen g boeren h wegen i spelen j slopen k dammen

68

Zelfstandig naamwoord


Bijvoeglijk naamwoord Bijvoeglijke naamwoorden zeggen iets over een zelfstandig naamwoord. Ze kunnen voor het zelfstandig naamwoord staan of erachter. een fiets   een mooie fiets    De fiets is mooi. Als het bijvoeglijk naamwoord vóór het zelfstandig naamwoord staat, komt er een –e achter • na het lidwoord de: de nieuwe fiets • na het lidwoord het: het oude paard. De-woorden krijgen de –e ook als er het lidwoord een staat: de nieuwe fiets – een nieuwe fiets. Het-woorden krijgen geen –e als er het lidwoord een staat: het oude paard – een oud paard.

156 Vul in.

157 Vul in.

a Een koek die lekker is, is een … koek. b Een vrouw die blind is, is een … vrouw. c Een appel die groen is, is een … appel. d Een jongen die gezond is, is een .. jongen. e Een slang die giftig is, is een … slang. boek dat spannend is, is een … boek. f g Een Een verhaal dat raar is, is een … verhaal. h Een meisje dat lang is, is een … meisje. i Een paard dat wild is, is een … paard. j Een spel dat leuk is, is een … spel.

a Het huis is oud. Het … huis. b De hond is speels. De … hond c De kamer is groot. De … kamer. d De banaan is rijp. De … banaan. e De juf is lief. De … juf.

158 Vul in. Kies uit: vals • lelijk • lekker • warm a Dat is een … e wond. b Die hond is ... . Hij heeft haar gebeten. c Bij de prijs is een … e maaltijd inbegrepen. d Als toetje kregen we een … ijsje.

159 Vul een passend bijvoeglijk naamwoord in. a Elke winter maken we een … sneeuwpop. b De … poes ligt te spinnen. c Wat een … verrassing! d Nina eet een … boterham.

e Ik brandde me bijna aan de ... soep. f De baby is nog te … om rechtop te zitten. g De … grijsaard liep met een stok. h De … vos liet zich niet vangen.

Er komt ook een –e achter het bijvoeglijk naamwoord • na aanwijzende voornaamwoorden (dit, dat, deze en die): die aardige juf • bij zelfstandige naamwoorden die in het meervoud staan: lastige sommen • na bezittelijke voornaamwoorden (mijn, jouw, uw, onze enz.) mijn rode schoenen • na een naam van de bezitter van iets: Jannekes nieuwe schoenen.

160

Zet de bijvoeglijke naamwoorden in de juiste vorm.

Mijn verjaardag was (geweldig). Ik heb (prachtig) cadeaus gekregen. Die (stoer) fiets met die (blauw) bak voorop. We kregen een (enorm) taart en we hebben (leuk) spelletjes gedaan. Caro’s (nieuw) vriend is ook geweest. Van hen kreeg ik dat (schattig) kettinkje.

69


70

Bij sommige veelgebruikte, vaste combinaties komt er geen –e achter het bijvoeglijk naamwoord. het Koninklijk Besluit de maatschappelijk werkster

Soms is er betekenisverschil tussen een bijvoeglijk naamwoord met –e en zonder –e. een grote man (een man die lang is) een groot man (een man die veel goede dingen gedaan heeft)

Stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden geven aan van welk materiaal iets gemaakt is. Ze zijn afgeleid van het zelfstandig naamwoord voor het materiaal (wol, zilver) met de uitgang –en (wollen, zilveren). Ze krijgen geen buigings-e. Net als bij het meervoud moet je soms de medeklinker verdubbelen of een klinker minder schrijven. De s en f kunnen een z en v worden. leer – leren, glas – glazen. Sommige leenwoorden krijgen de uitgang –en niet: acryl, aluminium.

161

Wel of geen –e?

a het prinselijk_ paar het prachtig_ paar b het schriftelijk_ examen het moeilijk_examen c de zakelijk_ leider de zakelijk_ overeenkomst

162

d de behandelend_ arts de jong_ arts e de gevolmachtigd_ minister de vrouwelijk_ minister f de plastisch_ chirurg de uitstekend_ chirurg

Vul in.

a Een beroerd zwemmer is iemand die … kan … b Een beroerde zwemmer is een zwemmer die … is. c Een knap chirurg is een chirurg die … kan … d Een knappe chirurg is een chirurg die … is. e Een leuk spreker is iemand die … kan … f Een leuke spreker is een spreker die … is.

163

Vul een stoffelijk bijvoeglijk naamwoord in.

a We leren zeilen in … bootjes. b Er staat een … hek om de tuin. c Bij Sinterklaas hoort … snoepgoed. d Iedereen op het feestje had een … hoedje op. e In het bos staan een paar kleine … huisjes. f De collectie is gemaakt van kleurige … stoffen. g De elektricien gebruikte … buizen. h Nederland won een … medaille.

164

Vul een stoffelijk bijvoeglijk naamwoord in.

a Ik neem mijn brood mee in een … zakje. b We krijgen in de nieuwe keuken een … aanrecht. c Wat een mooi … bloesje is dat! d Het oud papier zit in een … doos. e Toen mijn zus 18 werd, kreeg ze een … armband. f Ik doe geen wollen maillot, maar … panty’s aan. g De boerderij heeft een … dak. h Het gebouw heeft een … constructie. Bijvoeglijk naamwoord


Trappen van vergelijking stellende trap klein zwart goed veel weinig

vergrotende trap kleiner zwarter beter meer minder

overtreffende trap kleinst zwartst best meest minst

165 Vul de rijtjes aan. een lange jas een diepe put een kort touw een snelle auto een lekker ijsje

167

Dit zijn de regelmatige vormen. Dit zijn onregelmatige vormen. Bij lastige uitspraak gebruik je meer en meest: meer verbaasd, meest verbaasd.

166 Vul de rijtjes aan. een langere jas een ….. put een …. touw een …. auto een …. ijsje

de langste jas de …. put het …. touw de …. auto het …. ijsje

smal – smaller – smalst mooi lelijk goedkoop duur

hard vies laf net lief

Zet de bijvoeglijke naamwoorden in de goede kolom. stellende trap

vergrotende trap

overtreffende trap

Nieuwe Mokafe: de voordeligste koffie heeft nu een nog betere smaak. Het geurigste aroma voor uw lekkerste kopje koffie. Schoner dan met Clox kan uw was niet zijn. Goedkoper dan de meeste andere merken. Nu met handige doseerbol nog meer waskracht.

168

Zet de lidwoorden, de zelfstandige naamwoorden en de bijvoeglijke naamwoorden in de juiste kolom. lidwoord

zelfstandig naamwoord

bijvoeglijk naamwoord

Roos is een leuke meid. Ze kreeg een nieuwe fiets. De weg naar school lijkt nu korter. Haar kleine broertje heeft rode schoentjes en een blauwe jas. Achter de school is een groot plein met houten bankjes. Er is een ronde zandbak en er staan kleurige speeltoestellen. De meeste kinderen spelen nog buiten. In de klas hangen de laatste werkjes van de leerlingen. De mooiste tekeningen hangen voor het bord. De juf gaat vandaag een spannend verhaal voorlezen. Daarna gaan ze naar het grote speellokaal.

71


Bijwoord Een bijwoord zegt iets over een woord dat geen zelfstandig naamwoord is of over de hele zin. Een bijwoord geeft vaak iets aan over een tijd of plaats of over het hoe. hier, daar, nu, morgen, toen, erg.

169

Wat is het bijwoord in de zin?

a Ik moet dit eerst afmaken. b Ik zal het daarna doen. c Gisteren regende het. d Toen werd hij ziek. e Ik ben erg verkouden. f Hij werkt hard. g Natuurlijk werd hij boos.

h Zij woont in het huis hiernaast. i Misschien komt hij nog even. j Je moet de derde zijweg linksaf. k Hij is vaak moe. l Ik stuur je binnenkort een mail. m Ik wil graag een glas melk. n Je mag niet oversteken.

o Ik moet steeds niezen. p Ik heb het pas gehoord. q We zijn bijna klaar. r Het is helaas koud. s Eigenlijk is het onzin. t Er staan twee koffers. u Je raadt het nooit.

Bijwoorden die aan het begin van een vraagzin staan, zijn vragende bijwoorden. wanneer, waarom, waarheen, enz. Veel bijvoeglijke naamwoorden kunnen als bijwoord worden gebruikt. Een bijwoord wordt niet verbogen. Deze auto roest snel. Woorden als heel en veel kunnen bijvoeglijk naamwoord en bijwoord zijn. Een heel huis – heel zegt iets over een zelfstandig naamwoord (huis) en is dus bijvoeglijk naamwoord. Een heel lekker ijsje – heel zegt iets over een bijvoeglijk naamwoord (lekker) en is dus bijwoord.

170

Wat is het bijwoord in de zin?

a Waarom kom je niet bij me? b Ik heb lang geslapen. c Wanneer is het feest afgelopen? d Dit toetje is veel lekkerder.

171

e Waar liggen mijn gymschoenen? h Hij heeft verschrikkelijk hard f Mijn knie is erg pijnlijk. gelopen. g  Waarmee kan ik je een plezier i Hoe oud ben jij? doen? j Heb jij het al gedaan?

Waar zegt het onderstreepte bijwoord iets over? Kies uit: het bijvoeglijk naamwoord • de hele zin • een ander bijwoord

a Ik vind dat een heel stom boek. b Jij zegt altijd hetzelfde. c Ze leest nogal snel. d Dat is niet goed. e Hij schaatste verschrikkelijk hard. f Het is een erg spannend verhaal.

72

g Ze heeft enorm haar best gedaan. h Dat is een bijzonder aardige vrouw. i Hij schrijft regelmatig in de krant. j Mij moeder is best jong. k Ze houdt veel van dieren. l Ik baal ontzettend.


Persoonlijk voornaamwoord Het persoonlijk voornaamwoord komt in de plaats van het naamwoord voor een persoon, dier, plant of ding. Er is een onderwerpsvorm (als het in de zin onderwerp is) en een voorwerpsvorm (als het in de zin meewerkend of lijdend voorwerp is).

1e persoon 2e persoon 3e persoon

172

onderwerpsvorm enkelvoud meervoud ik wij, we jij, je, u jullie/u hij, zij, ze, het zij, ze

voorwerpsvorm enkelvoud meervoud mij, me ons je, jou, u jullie/u hem, haar, het hun, hen, ze

Wat is het persoonlijk voornaamwoord in de zin?

a Jij bent een mooie meid. b Hij houdt niet van groente. c We doen goed ons best. d Jullie kunnen de pot op! e Ze spelen allemaal buiten. f Weet u de weg naar het station?

173

g Zijn jullie nou helemaal gek geworden? h Zullen we een spelletje doen? i Ik ben niet lekker. j Ze heeft nog een zusje. k Het zal wel meevallen. l Hoe laat komt ze?

Wat is het persoonlijk voornaamwoord in de zin?

a Juf gaf ons allemaal een tien. b Dat heeft die jongen mij gegeven. c De kinderen hadden iets voor hem gemaakt. d De familie helpt haar met alles. e Geef haar een hand! f Dat had mijn moeder u toch gevraagd?

g Een vriendin heeft hen ingeschreven. h Jan zou je dat nog doorgeven. i Heeft Kim jou meegenomen? j De student gaat hun bijles geven. k Wie heeft jullie dat verteld? l Dat heeft niets met ons te maken.

Als je een persoonlijk voornaamwoord moet benoemen, moet je het getal en de persoon aangeven, dus of het enkelvoud of meervoud is en welke persoon. Ik geef haar een boek. ik = pers. vnw. 1e persoon enkelvoud, haar = pers. vnw. 3e persoon enkelvoud.

174 175

Benoem getal en persoon van de persoonlijke voornaamwoorden van opdracht 172. Benoem getal en persoon van de persoonlijke voornaamwoorden van opdracht 173.

73


Bezittelijk voornaamwoord Bezittelijke voornaamwoorden geven aan van wie iets is; ze horen bij een zelfstandig naamwoord. mijn jas, haar fiets, ons huis, enz. Er kunnen andere woorden tussen het bezittelijk voornaamwoord en het zelfstandig naamwoord staan. mijn jas, mijn dure jas, mijn heel dure jas.

176

1e persoon 2e persoon 3e persoon

enkelvoud mijn je, jouw, uw zijn, haar

Wat zijn de bezittelijke voornaamwoorden?

a Mijn buurjongen wil graag een keer in onze auto rijden. b Mag mijn broertje een keer op jullie trampoline? c Jouw schrift lag in hun kamer en mijn boek lag daar ook. d Haar kamer is een grote bende, terwijl zijn kamer netjes is. e Zijn vader zat vroeger op dezelfde school als onze moeder. f Zijn muziek gaat vooral over zijn mislukte liefdes. g Haar nieuwste boek gaat over zijn laatste reis naar ItaliĂŤ. h Zijn opa en oma willen best op hun hond passen. i Kan mijn tas achter op jouw fiets? j Past jouw lader ook op haar telefoon?

177

Benoem persoon en getal van de bezittelijke voornaamwoorden.

a Zijn zus draagt de kleren van hun moeder. b Heb ik mijn agenda soms in jouw tas gestopt? c Onze buren hebben de boom in hun tuin omgekapt. d De zilveren ketting van mijn zus is een erfstuk van onze oma. e Wij letten op uw en onze eigendommen. f Zullen we ons huiswerk in jullie kamer maken? g Waar heeft jouw vriendin haar veel te dure nieuwe schoenen gekocht? h Neem bij een bezoek aan onze kliniek uw pasje mee.

178

Benoem persoon en getal van de persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden.

a Jouw wekker heeft ons allemaal wakker gemaakt. b Mag mijn moeder met jullie meerijden? c Jouw jas was duurder dan die van mij. d Hij heeft zijn spullen in hun huis laten liggen. e Kunnen we onze kleren bij jou laten? f De meeste van zijn liedjes componeerde hij op haar piano. g In haar ogen heeft zij het bedacht, maar wij weten dat het zijn idee is. h Heb je bij hen nog iets over ons team gehoord?

74

meervoud ons, onze jullie, uw hun


Zelfstandig gebruik De meeste bezittelijke voornaamwoorden (maar jullie bijvoorbeeld niet) kunnen net als bijvoeglijke naamwoorden zelfstandig worden gebruikt. Dat is jouw fiets niet, maar de mijne. Het mooie is dat het leukste nog moet komen. Er komt dan een –e achter. De bijvoeglijke naamwoorden krijgen het lidwoord het, de bezittelijke voornaamwoorden het lidwoord van het zelfstandig naamwoord waarnaar ze verwijzen.

179

Benoem alle woorden van de zin.

a Ze groet haar nieuwe buren. b Onze vakantie was een groot succes. c Mijn pen is leeg, mag ik de uwe gebruiken? d Het is zijn mening niet de mijne. e Ik heb het moeilijkste gisteren al gedaan.

f Waar zijn jullie ouders? g We kennen hun wilde ideeën. h Hij trekt zijn schoenen uit. i We doen het uiterste. j Zijn fiets fietst lichter.

Aanwijzend voornaamwoord Een aanwijzend voornaamwoord wijst iets of iemand aan en staat meestal bij het zelfstandig naamwoord waarnaar het wijst: dit boek, deze mensen, die tafel, dat stoeltje. Dit en dat gebruik je voor het-woorden in het enkelvoud. Deze en die gebruik je voor de-woorden in het enkelvoud en in alle gevallen voor meervoud. Ook dezelfde, hetzelfde, diezelfde, datzelfde, zo’n (zo een) en zulk zijn aanwijzende voornaamwoorden. Welke woorden zijn aanwijzende voornaamwoorden?

180 a Dit huis is te koop.

b Deze fiets is gestolen. c Heb je die film gezien? d Heb je deze boeken echt gelezen? e Die katjes zijn zo schattig! f Moeten we deze les ook nog maken? g Heb je zo’n beest wel eens eerder gezien? h Ik had niet zulk slecht weer verwacht. i Ik dacht dat u het dezelfde dag nog zou nakijken.

j Ditzelfde stukje heeft u al drie keer opgegeven. k Precies datzelfde shirt was daar goedkoper. l Dat leuke nieuwe bloesje heeft ze nog maar net. m Je mag dergelijke dingen niet doen. n Hij heeft ook zo’n jas. o Ik heb diezelfde cursus gedaan. p Zulke planten groeien niet in Nederland. q Ik heb hetzelfde mobieltje als jij. r Mag ik ook zulke schoenen?

75


Een aanwijzend voornaamwoord kan ook alleen in de zin staan, dus niet voor een zelfstandig naamwoord. Dat is mooi.

181

Welke woorden zijn aanwijzende voornaamwoorden?

a Deze zijn goedkoper dan die. b Dit vind ik veel leuker. c Heb je dat gezien? d Neem die maar mee. e Hetzelfde kun je zeggen van de winnaar. f Vandaag doen we hetzelfde als gisteren.

g Je bedoelt toch niet dezelfde als ik heb? h Zulke heb ik ook net gekocht! i Dan neem je toch gewoon dezelfde. j Ik wil er ook zo een. k Deze zijn lekker! l Dan kopen wij dezelfde.

Betrekkelijk voornaamwoord Met een betrekkelijk voornaamwoord verwijs je terug naar iemand die of iets dat eerder in de zin al genoemd is: dat, die, wat, welke, wie. Het tasje dat naast die stoel staat, is van mijn tante. Na iets, niets, alles, na een voornaamwoord en na een zelfstandig gebruikt bijvoeglijk naamwoord verwijs je met wat. Na personen verwijs je met wie. Het laatste wat ik heb gehoord, is dat ze was verhuisd. De collega met wie ik samenwerk, is nu op vakantie. Sommige van deze woorden kunnen ook aanwijzend voornaamwoord zijn. Maar als betrekkelijk voornaamwoord staan ze altijd aan het begin van een bijzin.

182

Welk woord is het betrekkelijk voornaamwoord? Naar welk woord eerder in de zin wijst het betrekkelijk voornaamwoord terug?

a  De broek die ik wil hebben is al weken

uitverkocht. b Ik vond het verhaal dat juf voorlas veel te spannend. c Mijn broer vond het boek terug dat ik kwijt was. d Kinderen die hun werk af hebben, mogen buiten gaan spelen. e Dat is mijn zus die al op kamers is. f Dat is die chocola die jij zo lekker vindt. g Is dat alles wat je hebt gedaan? h De paarden die in de wei staan, moeten nog worden bijgevoerd.

i  De scooter die daar geparkeerd staat, vraag ik voor mijn verjaardag.

j  Ik heb de film die zulke goede kritieken kreeg, nog niet gezien.

k  Het huis dat in de 17e eeuw gebouwd is, wordt gerestaureerd.

l  Dat zijn de buren bij wie de muziek altijd zo hard staat.

m Dat is iets wat ik me nog goed kan herinneren. n Dat is het vreemdste wat ik ooit heb meegemaakt. o Het was het enige wat ze zei. p De jongen aan wie hij de vraag stelde, wist het antwoord niet.

76


183

Vul een betrekkelijk voornaamwoord in.

a Ik vond de broek … jij gisteren aan had zo mooi. b De juf … we vorig jaar hadden, was veel liever. c  De boeken … je geleend hebt, moeten vandaag

h Dat is het liefste … je voor me kon doen. i De enige … ik leuk vind, ben jij. j  Het enige … ik kan bedenken, is dat hij

d Dat is Susan, met … ik samen een feestje geef. e Zie je het meisje … daar staat? f Dat is de jongen op … ze verliefd is. g Ik wil iets eten … niet al te pikant is.

k Dat is wel het laatste … ik wil! l  Bedoel je het meisje aan … ik mijn fiets heb

weer worden ingeleverd.

verhuisd is. geleend?

Je gebruikt wat ook om te verwijzen naar een hele zin, of naar een niet genoemd ‘dat’. Je kunt het dan vervangen door dat wat. Er is regen voorspeld, wat betekent dat de tocht niet doorgaat. (dat) Wat jij zegt is niet waar. Ook wie kan verwijzen naar een niet genoemde ‘degene’. Je kunt het dan vervangen door degene die. Wie niet weg is, wordt gezien.

184 In welke zinnen kun je wat vervangen door dat wat?

a Alles wat ik doe mislukt! b Er is maar weinig wat ik niet lust. c Is er iets wat ik voor je kan doen? d Hij gaf precies wat ik wilde hebben. e Het mooiste wat ik kreeg was jouw cadeau. f Wat ze daar aantroffen was niet te beschrijven.

186

Vul een betrekkelijk voornaamwoord in.

a ... niet weg is, is gezien. b Dat is iets … mijn oma me heeft geleerd. c  Dat zijn die mensen … naar Australië geëmigreerd zijn.

d Dat zijn de vrienden met … we op vakantie gaan.

e Dat is precies … ik leuk vind! f Ze gelooft alles … hij zegt.

185

In welke zinnen kun je wie vervangen door degene die?

a Wie steelt, is een dief. b Gisteren overleed de man voor wie ze jaren heeft gezorgd.

c Wie niet horen wil, moet maar voelen. d Dat zijn de buren van wie de kat vaak bij ons komt.

e Wie daar woont, moet wel rijk zijn. f Wie natuurlijk veel te laat was, was mijn broer. g  De toets … we gisteren kregen, was veel te moeilijk.

h Er is niets … dat zou kunnen veranderen. i Het leukste … we kunnen doen, is zwemmen. j Ze vertelde meteen door … hij gezegd had. k  … de grootste lol had, was natuurlijk de meester van groep 8.

l Dat is iemand voor … ik alles over heb. Betrekkelijk voornaamwoord

77


Vragend voornaamwoord Vragende zinnen beginnen vaak met een van de vragende voornaamwoorden wie, wat, welk(e), wat voor (een). Verwar ze niet met de vragende bijwoorden (hoe, wanneer, waarom, enz.) Let goed op de functie van wie en wat. Het kunnen ook betrekkelijke voornaamwoorden zijn.

187

Welke woorden zijn vragende voornaamwoorden?

a Wat kost dat? b Welke heb je liever? c Waarmee kan ik je een plezier doen? d Tegen wie praat je? e Wat maakt het uit? f Waar kan ik even naar de wc? g Wat voor weer wordt het? h Hoe laat is het? i Wat voor een heb jij gekozen? j Waarom zeg je niets? k Wie wil er iets zeggen?

l Waarmee was hij geslagen? m Met wie zat je aan de telefoon? n Wat voor wasmiddel gebruik jij? o Hoeveel kost dat? p Welke spelers doen mee? q Op wie heb jij gestemd? r Wanneer gaan we naar huis? s Wat voor dag is het vandaag? t Wat doe jij daar? u Waarom kon je niet? v Voor wie ben jij?

Onbepaald voornaamwoord Een onbepaald voornaamwoord verwijst naar iets wat niet precies bepaald is, zoals iedereen, alles, allemaal of elke(e), ieder(e) of iets , niets, iemand, niemand en men.

188

Welke woorden zijn onbepaalde voornaamwoorden?

a Alles is veranderd. b Iedereen kan dat wel willen. c Elk kind is lief. d Voor elk wat wils. e Ik wil nog iets zeggen. f Zou er nog iemand komen? g Elk artikel heeft een unieke code. h Hij zegt dat niet voor niets. i Willen jullie allemaal gaan zitten? j Iedere dag is anders. k Hij loopt elke dag hard. l Niemand mag het weten.

78

m Men zegt dat het morgen weer over is. n Voor niets gaat de zon op. o Ik weet wel iemand die dat kan. p Daar heeft men het geld niet voor over. q Hij had voor ieder kind een pakje. r Hij moet een sticker op alle pakken doen. s Ze pikten ze er allemaal uit. t Elke moeder houdt van haar kind. u Hij kon niets beters bedenken. v Ik heb niets gedaan! w Dat durf ik aan niemand te vragen. x Ze hebben iets geroepen.


Wederkerend en wederkerig voornaamwoord Bij sommige werkwoorden hoort zich: zich wassen, zich schamen, enz. Zich en de vervoegde vormen ervan zijn wederkerende voornaamwoorden. Er kan eventueel –zelf achter staan. De storm ontwikkelde zich tot een orkaan. wederkerend enkelvoud meervoud Ik erger me vreselijk aan het lawaai. voornaamwoord e Wassen jullie je wel? 1 persoon me (mij) ons e Er is één wederkerig voornaamwoord: elkaar. 2 persoon je, u, zich je, u, zich e We moeten elkaar helpen. 3 persoon zich zich

189

In welke zinnen staat het wederkerig voornaamwoord? Welke woorden zijn wederkerende voornaamwoorden?

a We hebben elkaar net gesproken. b Ik heb me verslapen. c Je herinnert je hem toch nog wel? d Ze ergerden zich aan elkaar. e Geef je je over? f Belooft u elkaar trouw totdat de dood u scheidt? g Ze sneed zichzelf in de vingers. h Ik vraag me af of we het anders moeten doen.

190

i Ze voelden zich tot elkaar aangetrokken. j De kat verstopte zich in de boekenkast. k Geef elkaar de hand! l Hij liet zich nogal meeslepen. m U kunt u hier inschrijven. n Ik denk dat u zich vergist. o Ik vertrouw mezelf niet.

Benoem de voornaamwoorden in de zin. Let goed op wie, die, dat en wat. Dat kunnen verschillende voornaamwoorden zijn.

a Die mensen bemoeien zich overal mee. b Ik heb me voorgenomen dit anders aan te pakken. c  Wie heeft het vlees dat ik gekocht heb in de

m Hopelijk zullen we dit soort dingen nog vaak

d Niemand greep in, dus iedereen moet zich

o Dit is bedoeld voor wie hier voor het eerst komt. p Wie heeft mijn jas gevonden? q Dat is niet onze auto, maar die van de buren. r  Ze verslikte zich in haar broodje, dat ze toen niet

koelkast gedaan? schamen.

e  Ze heeft zich vergist in de tijd die deze klus haar kost.

f Waar kan ik mijn auto parkeren? g Ieder kind moet zijn jas ophangen. h Wat ik het ergste vind, is dat ze me niet meer aankijkt.

i Zijn dat de spullen die je voor mij had klaargezet? j Voor wie doen we dit eigenlijk? k Wil je deze boeken in die kast zetten? l Kun je mij mijn telefoon even aangeven?

met elkaar doen.

n Daar regent het al een week, wat tot overstromingen leidt.

meer hoefde.

s Kunnen we nu weer gewoon tegen elkaar doen? t Wie zegt die rare dingen over hem? u Waarom moet ik dit elke keer weer zeggen? v  Wat je thuis mag, mag bij een ander misschien helemaal niet.

w We spreken elkaar binnenkort weer, wat ik erg leuk vind.

79


Voorzetsels Voorzetsels staan bij zelfstandige naamwoorden die je kunt vervangen door het woord kast. Daarom heten ze ook wel kastwoordjes. op de kast, tegenover de kast, in de kast, naast de kast, uit de kast, enz. Verwar een voorzetsel niet met een scheidbaar deel van het werkwoord. In de zin: Hij stak de straat over is over geen voorzetsel, maar een deel van het werkwoord oversteken.

191

Welke woorden zijn een voorzetsel?

a Wat ligt daar op de grond? b De poes heeft in de tuin een muis gevangen. c Ze legde die voor mijn voeten neer. d Tevreden gaf ze kopjes tegen mijn been. e Toen ging ze tegenover me liggen. f Ik schrijf liever met een balpen. g Kun je een beker uit de keuken halen? h De bal is achter de bank gerold. i Heb je de vuilnis naar buiten gebracht?

j Ik heb de was aan de lijn gehangen. k Dat is tussen wal en schip gevallen. l Hij is zonder jas naar school. m Er hangt een trui over de stoel. n En er staat een tas tegen de muur. o Er ligt van alles onder je bed. p Er staat iemand voor de deur. q De fiets heb ik naast het huis gezet. r Er is een bushalte bij de supermarkt.

Voegwoorden Nevenschikkende voegwoorden verbinden twee woorden of twee hoofdzinnen met elkaar: en, of, maar, want, dus, noch. Jij en ik, Nena of Kiki, zij noch wij. Ik ruim op, want het is een bende. Ik ruim op maar ik was niet af. Ik kan, dus ik kom.

192 Welk woord is het voegwoord? a  Jasper houdt niet van pannenkoeken,

maar zijn zus is er dol op. b Dat kunnen jij en ik toch samen wel oplossen? c  Ik houd niet van bessen, noch van ander zuur fruit. d Ik heb niet opgeruimd, dus het is hier een troep. e  Met wie gaat hij op vakantie, met zijn vader of met zijn moeder? f  Anna noch Bastiaan had gezien wat er was gebeurd. g  Ik ga nu naar huis, want anders moet ik alleen fietsen.

80

193

Vul een nevenschikkend voegwoord in.

a  Ik heb mijn huiswerk af, … kan ik nog wel even tv kijken.

b Ik moet ermee naar de dokter, … de pijn gaat niet over.

c Het maakt me niet uit wie er gaan, wij … jullie. d Ruud, Arjen … David hebben zich alle drie opgegeven.

e  Daar kan niemand iets aan doen; wij … zij wisten ervan.

f Ga je nu eigenlijk op zeilkamp ... ponykamp? g  Ik kan niet de hele middag, … ik kom zeker even langs.


Onderschikkende voegwoorden verbinden een hoofdzin met een bijzin. Er zijn er heel veel. Het verband ertussen kan allerlei betekenissen hebben. Bijvoorbeeld: tijd terwijl sinds nadat totdat toen

reden omdat aangezien daar daarom

oorzaak doordat

gevolg zodat opdat

doel om

inperking hoewel tenzij ondanks

voorwaarde als … dan indien wanneer mits

194 Wat is het onderschikkende voegwoord in de zin? 195 Wat is het onderschikkend voegwoord in de zin? Welk verband drukt het uit? Kies uit: doel • oorzaak • tijd

Welk verband drukt het uit? Kies uit: reden • voorwaarde • inperking

a Hij kwam dichterbij om het beter te kunnen zien. b Ze kwamen pas in actie nadat ik ze dat had

a  Hoewel hij niet lekker is, is Cas toch naar school

gevraagd. c  Doordat ze zolang heeft geschommeld, is ze nu misselijk. d Hij speelt al voetbal sinds hij op de basisschool zit. e  Iedereen was naar het plein gekomen om te protesteren. f  Toen we aankwamen, bleek de camping opgeheven te zijn.

196

gegaan.

b Hij ging naar de dokter omdat hij al dagen pijn in zijn rug had.

c  Morgen vertrekken we, mits Cas dan weer beter is.

d Als je een mooi rapport hebt, mag je een cadeau uitzoeken.

e We eten pas wanneer alle kinderen terug zijn. f Ze wil alleen in de achtbaan als ik ook meega. g We gaan fietsen, tenzij het regent.

Vul een passend voegwoord in. Kies uit: hoewel • sinds • ondanks • omdat • totdat • doordat • om • maar • wanneer • en

a  … niet uit de toon te vallen, had zij zich ook verkleed. b Hij wil niet, … zij wel. c Zijn vader schreeuwde, … hij boos was. d Ze vroeg … we komen. e Hij liep naar zijn moeder … gaf haar een zoen. f  Ik vind het geen leuke meester, … hij wel goed kan uitleggen. g  … het slechte weer, ging het schoolreisje wel door. h … hij op de basisschool zit, is hij thuis veel minder druk. i  Jullie mogen buiten spelen … ik je roep voor het eten. j  … Alex een lekke band had, kwam de hele groep te laat. Voegwoorden

81


Telwoord Vul een passend voegwoord in. 197

Kies uit: nadat • want • toen • mits • dus • of • daarom • zodat • noch • terwijl

a  Je kunt de klas opruimen, …

de kinderen in het gymlokaal zijn. b We kunnen gaan zwemmen … een eind gaan fietsen. c  Ze had het goed geleerd, … haalde ze een heel goed cijfer. d Hij mocht de toets niet maken, … hij was te laat. e  Je mag bij Ron spelen, … je je broertje meeneemt. f  … de kinderen geteld waren, stapten we weer in de bus. g  … ik nog klein was, lustte ik dat niet. h Laten we het met z’n allen doen, … we sneller klaar zijn. i  Hij had zich verslapen, … was hij te laat. j  Hij … ik had eraan gedacht Thomas te waarschuwen.

Een telwoord geeft een hoeveelheid aan (twee, 1.000) of de plaats van iets of iemand in een rij (derde, vijftiende). Er zijn vier soorten. bepaald hoofdtelwoord 15, vijftig, 10.500 rangtelwoord

onbepaald enige, menige, enkele, sommige, andere, voldoende, alle, veel, genoeg, beide eigenlijk bepaald (2) eerste, tiende, zoveelste, hoeveelste, tigste, honderdste middelste, laatste

198 Welk woord is het telwoord? Zet het in de juiste kolom.

a b c d e f g h i j k l

hoofdtelwoord

rangtelwoord

Als we eerlijk delen, krijg jij er 5 en ik ook 5. Prinsjesdag is de derde dinsdag in september. Je bent de eerste die het hoort. Hij is vandaag vijftig geworden. De hoeveelste is het vandaag? Blijf met beide benen op de grond staan. Enkele vragen bleven onbeantwoord. Hebben we genoeg glazen? Sommige dingen zijn niet goed voor je. Er zijn altijd wel enige uitzonderingen. Ik heb alle stoelen buitengezet. Dit is de laatste les voor de vakantie.

199 Geef van alle telwoorden in opdracht 198 aan of ze bepaald of onbepaald zijn.

Tussenwerpsels Tussenwerpsels zijn woorden of uitroepen die niet bij de zin zelf horen, maar door de spreker of schrijver zomaar ergens worden tussengeplaatst om de zin een bepaald gevoel mee te geven: Morgen zijn we – joepie – vrij!

200 Welk woord is het tussenwerpsel? a Aha, ben je daar? b Nou zeg, daar heb je haar weer! c Ze heeft het – warempel – nog gedaan ook! d Toe maar, het kan niet op! e Welja, laat mij daar maar weer voor opdraaien.

82

f Tsss, je lijkt wel gek. g Je doet wat ik je gezegd heb – en daarmee uit! h Ach, wat jammer! i Het was – bingo – voor de derde keer raak. j Dat is toch een goed idee, niet?


Taalkundig ontleden

201

Benoem de woordsoort van alle woorden in de zin.

a De poes ligt in haar mandje. b Mijn fiets staat buiten. c Morgen gaan we naar het strand. d Zullen we drie nachtjes blijven? e Mama geeft hem altijd zijn zin. f We hebben ons vergist. g Dat lijkt een goede oplossing. h Ik heb bloemen voor je meegenomen.

i Een kind kan de was doen. j De appel valt niet ver van de boom. k De morgenstond heeft goud in de mond. l Achter de wolken schijnt de zon. m Belofte maakt schuld. n De wens is de vader van de gedachte. o Goede raad is duur. p Hoge bomen vangen veel wind.

202 Benoem de woordsoort van alle woorden in de zin. a Daar kwam ik, warempel, Anwar tegen. b Wil je bij ons komen eten? c Zij betekenen veel voor elkaar. d Hij is groter dan ik. e Wie zou dat gedaan hebben? f De trein van elf uur is de laatste. g Moet jij een toets inhalen? h Doe de groeten aan je moeder.

i Het is niet alles goud wat er blinkt. j De beste stuurlui staan aan wal. k Keulen en Aken zijn niet op ĂŠĂŠn dag gebouwd. l Alle wegen leiden naar Rome. m Een goede buur is beter dan een verre vriend. n De ouderdom komt met gebreken. o Een schip op het strand is een baken in zee. p Elk huisje heeft zijn kruisje.

203 Benoem de woordsoort van alle woorden in de zin. a Ze kwam te laat, omdat de bus vertraging had. b Wat voor troep is dat daar? c Iedereen moet altijd erg om hem lachen. d In welke winkel heb je die aanbieding gezien? e Is dat het truitje dat je van haar had geleend? f MSN jij terwijl je je huiswerk maakt? g Dat moet je elkaar niet verwijten. h Waarom doe je niet wat ik zeg?

i Wie niet waagt die niet wint. j In het donker zijn alle katjes grauw. k Men kan geen ijzer met handen breken. l Stel niet uit tot morgen wat je vandaag kunt doen. m Als het kalf verdronken is, dempt men de put. n Wat de boer niet kent, dat eet hij niet. o Wie de schoen past, trekke hem aan. p Men vangt meer vliegen met honing dan met azijn.

83


12

De spelling van woorden

Spelling van werkwoorden Hoe je werkwoordsvormen vervoegt, kun je oefenen op pagina 52-64. Veel gemaakte spelfouten zijn fout gespelde werkwoordsvormen. Vooral de zwakke werkwoorden kunnen voor problemen zorgen. Om spelfouten te voorkomen, is het handig dit schema te gebruiken. Spellingschema

gebiedende wijs alleen de stam Eet op!

enkelvoud stam stam +t

persoonsvorm?

ja

tegenwoordige tijd

verleden tijd

sterke werkwoorden alleen andere klank in stam ik, jij, hij, zij liep wij, jullie, zij liepen ik, jij er achter ik loop, loop jij jij/je er vóór, hij, zij, het of wat daarvoor in de plaats kan Suzan loopt

meervoud hele werkwoord

zwakke werkwoorden laatste letter van de stam in kofschiptaxietje?  ja  stam +te(n)  nee  stam +de(n) fietste, faxte, rustten rende, beantwoordden

zij lopen

a Ze kopen een nieuwe bril. 1 Welke tijd?

2 o.t.t. > enkelvoud of meervoud?

o.t.t. o.v.t.

enkelvoud o.v.t. > sterk of zwak? zwak

84

hele werkwoord infinitief woordenboekvorm lopen

nee

deelwoord voltooid deelwoord

zwakke werkwoorden eindigen op d of t volgens kofschiptaxietje langer maken! gefietst, geloofd

onvoltooid deelwoord hele werkwoord +d lopend

sterke werkwoorden eindigen op -en gelopen

bij de langere vorm altijd een enkele d of t enige uitzondering is bij de verkeerde uitspraak: de afgezette president

Om d/t-fouten bij zwakke werkwoorden te voorkomen, begin je met de vraag: Is het een persoonsvorm? • Zo ja, dan kijk je naar de tijd en de persoon, om te bepalen of je een –t achter de stam moet schrijven, of –te(n)/de(n). • Zo nee, dan is het een infinitief of een deelwoord. Voor tegenwoordige en voltooide deelwoorden geldt: schrijf ze zo kort mogelijk.

b Hij antwoorden gisteren al.

3 4 enkelvoud > stam (1e persoon en 2e erachter) stam + t (2e en 3e persoon) 3e persoon >>>>>>>>>> meervoud > hele werkwoord sterk > klinkerverandering enkelvoud of meervoud zwak > wat is de stam? staat de laatste ja > enkelvoud letter van de stam in kofschiptaxietje? of meervoud? antwoord, nee nee > enkelvoud of meervoud? enkelvoud

5

>>>>>> koop+t ev > geen uitgang mw > + en ev > stam + te mw > stam + ten ev > stam + de >>>>>> antwoord+de mw > stam + den


204 Hoe schrijf je de persoonsvorm? Zet één voor één de stappen van het schema. a Mona werken alleen morgen. b Wonen je daar nu ook? c Vorige week bestellen jij dat ook al. d Misschien komen Marco ook. e  Ze kwamen langs en feliciteren me met m’n verjaardag.

k Omdat je niet opendeed, bellen ik nog een keer. l Ik wist niet dat je boos worden. m Hij vond ook dat het meisje zich aanstellen. n Toen de schets af was kleuren Suzan die in. o Hij vertrekken meteen toen het stopte met regenen. p Ze jokken alle drie dat ze het niet hadden gedaan. q Antwoorden je binnenkort nog op dat mailtje? r  De twee gaven elkaar een hand en groeten

f Merken je verbetering of bleef het hetzelfde? g Pas op, straks worden je nog ziek. h Die jongens staren mij gisteravond de hele tijd aan. het publiek. i Al zeg je het nog zo vaak, hij geloven je niet. s Ze kan niets weten, maar ze vermoeden wel iets. j  De kinderen lachen toen hij weer eens gekke t  Toen het licht op groen sprong, steken hij de bekken trok.

straat over.

205 Hoe schrijf je de persoonsvorm? Zet één voor één de stappen van het schema. a Vinden je het wel, denk je? b Hij haalde zijn schouders op en besteden er geen

k Hij is gebruikt, maar verkeren in uitstekende staat. l Morgen gebeuren het. aandacht aan. m Hij is volwassen, dus dat bepalen hijzelf. c De ploeg landen gisteren om 20.00 uur op Schiphol. n Voordat hij de kies vulde, verdoven de tandarts me. d Hopelijk rijden de bus op tijd. o Omdat hij steeds buiten stond, roesten de auto. e In 2002 verhuizen we drie keer in een jaar tijd. p Het vuur is enorm, het branden als een fakkel. f Hij vond het niet leuk, maar het verbazen hem niet. q Wie nu bestellen, heeft het voor het weekeinde g  Ik ben verkouden omdat het eergisteren erg tochten in huis. in dat zaaltje. r Ze poetsten hun tanden en kleden zich aan. h Weet je, dat veranderen vanzelf. s Als je dat doet, verraden je je vriend. i Haar auto starten vanochtend niet door de kou. t  De anderen troosten hem toen hij zo vreselijk j Posten je straks deze brief even voor mij? teleurgesteld was.

Als de persoonsvorm in de gebiedende wijs staat, is de spelling meestal geen probleem. De vorm van de gebiedende wijs is alleen de stam: Schrijf op, houd rechts, word wakker.

206 Wat is de goede vorm? a zijn stil! b stoppen daarmee! c blijven daar af! d worden toch eens volwassen! e geloven toch niet alles!

f besteden daar geen tijd aan! g rijden niet zo hard! h doen niet zo flauw! i bieden maar een drankje aan! j blijven maar hier!

Spelling van werkwoorden

85


207 Bij de spelling van zwakke voltooide deelwoorden pas je de

kofschiptaxietje-regel toe. Je hoort bovendien of het voltooid deelwoord op een –d of –t eindigt door het langer te maken. foppen, stam op –p, staat in kofschiptaxietje, dus t > gefopt. Dat hoor je, want het is gefopte. Schrijf het voltooid deelwoord.

a Volgens haar had hij spieken. b Zijn moeder had heerlijk koken. c Dat heb je me nooit vertellen. d Ze had uren op hem wachten. e Er werd op de deur kloppen. f Om het te kunnen kopen, had hij geld lenen. g Hij heeft zich er steeds mee bemoeien. h Dat heeft hij niet zo bedoelen. i Ik heb jullie kamers luchten.

j Oma was erg verrassen door ons bezoek. k De dag na het feest was het plein bezaaien met rotzooi. l De aardappelen worden volgende week oogsten. m Juf heeft zich de hele les aan hem ergeren. n Hij heeft alle beschuldigingen ontkennen. o Hij heeft voor iedereen betalen. p Wat is er gebeuren? q Hij heeft onze excuses aanvaarden. r Dat heeft onze plannen doorkruisen.

Als je een voltooid deelwoord gebruikt als bijvoeglijk naamwoord en langer maakt, spel je het zo kort mogelijk. De d of t moet je alleen verdubbelen als je het woord anders verkeerd zou uitspreken: verwachten – verwacht, de verwachte opbrengst maar: witten – gewit, de gewitte muur. Als de lettergreep door het langer maken open wordt, haal je een klinker weg: haten – gehaat, de gehate voorzitter. Soms moet je voor de uitspraak een extra e schrijven: racen – racete – geracet.

208 Schrijf het als bijvoeglijk naamwoord gebruikte voltooid deelwoord. a  Voor de niet maken vragen werden punten

afgetrokken. b De beloven resultaten bleven uit. c  De coach had voor deze wedstrijd een wijzigen opstelling. d De berekenen kosten leken mee te vallen. e Dat zijn vaak stellen vragen. f De toejuichen helden zwaaiden naar het publiek. g  Er is grote vraag naar gebruiken apparaten. h De inmiddels blussen brand heeft 4 huizen in de as gelegd. i  Ze verhuren volledig inrichten appartementen.

86

j  De uitputten wielrenner kon de pers niet te woord staan.

k  De verzekering had alle vergoeden kosten dubbel uitbetaald.

l Voor de stranden reizigers stonden veldbedden klaar. m De nog maar net starten wedstrijd werd meteen stilgelegd.

n Het begroten bedrag bleek niet genoeg. o  Het vermoedelijk vermoorden meisje is nooit gevonden.

p Het redden paard werd naar het paardenhospitaal gebracht.

Spelling van werkwoorden


Voltooide deelwoorden van sterke werkwoorden eindigen op –en: gelopen, verdronken, gesneden Ze veranderen niet als ze bijvoeglijk worden gebruikt: een gelopen race, de gesneden groente Eindigt het voltooid deelwoord op alleen een –n, dan moet je het als je het bijvoeglijk gebruikt zo kort mogelijk schrijven. vergaan – vergane glorie, gezien – een graag geziene gast

209 Schrijf het voltooid deelwoord of het als bijvoeglijk naamwoord gebruikte voltooid deelwoord. a Niet schieten is altijd mis. b Doen zaken nemen geen keer. c Nu zitten wij met de bakken peren. d Stelen goed gedijt niet. e Daar heeft hij geen kaas van eten. f Beter te hard blazen, dan de mond gebrand. g Hij is door het oog van de naald kruipen. h Vroeg beginnen, veel winnen.

i  De veel prijzen acteur, kreeg nu ook officieel erkenning.

j  De spoorloos verdwijnen directeur had iedereen opgelicht.

k De verloren gaan boeken waren unieke exemplaren. l De smelten chocola had een lelijke vlek veroorzaakt. m De bruid had kleine bloemetjes in haar vlechten haar. n De afbreken partij werd de volgende dag hervat.

Het onvoltooid of tegenwoordig deelwoord is altijd het hele werkwoord met een –d erachter: staand, lopend, werkend. Als het gebruikt wordt als bijvoeglijk naamwoord komt er een –e achter: staande ovatie, lopende contracten, werkende mensen.

210

Vul de werkwoordsvormen in.

a  Veel mensen raakten gewond door rondslingeren

puin. b  Verwennen kinderen kunnen zich onuitstaanbaar gedragen. c  Een uitbreiden beschrijving vinden u op onze website. d We zijn in een huren auto naar Brussel rijden. e  De laatste keer dat we elkaar ontmoeten is een jaar geleden. f  Zodra het bekend werd, verspreiden het nieuws zich als een lopen vuurtje. g  Het indienen voorstel werd in de gemeenteraad bespreken. h Het geld dat je zelf verdienen, mag je houden.

i Men vermoeden dat de inbrekers waarschuwen waren. j Eindelijk is het lang verwachten moment aanbreken. k De haten dictator werd het land uitzetten. l Binden de riemen goed vast! m De verloten prijzen waren kleinigheidjes. n Hij beantwoorden de brief wel, maar vergeten die te versturen.

o De  verblinden tegenligger belanden uiteindelijk slippen in de berm.

p In de loods stonden alleen verroesten machines. q  De koffie hier is van vers malen en zelf branden bonen. r  De missen uitzendingen worden ’s avonds toch herhalen.

Spelling van werkwoorden

87


Hoofdletters Een zin begint met een hoofdletter, behalve als: • de zin begint met een losse letter: ’s Avonds gaat ze om 7 uur naar bed. Dan begint het eerste volledige woord met een hoofdletter. • de zin begint met een cijfer: 13 is een ongeluksgetal. Het eerste in letters geschreven woord krijgt dan ook geen hoofdletter.

211

In tekst 1 en 2 ontbreken de hoofdletters. Welke woorden moeten met een hoofdletter beginnen? tekst 1

neem een getal in je hoofd. tel er 4 bij op. tel er dan 15 bij op en daarna nog eens 9. trek nu het getal af dat je in je hoofd had. 28 is je eindgetal.

tekst 2

13 augustus ben ik jarig. woensdag geef ik een feestje. kom je ook? het begint om 3 uur. je kunt blijven eten. ’s avonds word je om ongeveer 8 uur weer thuisgebracht.

Als je in je zin een hele zin van iemand anders letterlijk aanhaalt, begin je het citaat met een hoofdletter. Ze zei: ‘Ik ga niet mee.’ Het citaat moet tussen aanhalingstekens staan. Let op: je zet geen hoofdletter en geen aanhalingstekens als iemand de zin dacht in plaats van zegt. Hij dacht: het zal wel.

212

In tekst 3 – 7 ontbreken de hoofdletters. Welke woorden moeten met een hoofdletter beginnen? tekst 3

een olifant en een muis lopen door de woestijn. de muis vraagt aan de olifant: ‘waarom heb jij een autodeur bij je?’ de olifant antwoordt: ‘als ik het warm heb kan ik het raampje open zetten’.

tekst 4

twee muizen lopen over een vlakte als er een vleermuis overvliegt. ‘kijk, dat is mijn broer’, zegt de ene muis tegen de andere. ‘die is bij de luchtmacht.’

tekst 6

een muis kijkt tegen een benzinepomp op en vraagt: ‘ben jij een robot?’ de benzinepomp zegt niets terug. de muis vraagt nog eens: ‘ben je een robot of niet?’ de pomp zwijgt nog steeds in alle talen. de muis zegt boos: ‘haal die vinger nou eens uit je oor, dan hoor je tenminste wat ik je vraag!’

88

tekst 5

er komt een kikker bij de melkboer. de melkboer vraagt: ‘waarmee kan ik u van dienst zijn?’ ‘kwark, kwark!’

tekst 7

een olifant en een muis lopen over een brug. de muis zegt tegen de olifant: ‘‘wat stampen wij, hè?’


Namen van personen, bedrijven en merken en aardrijkskundige namen (ook straatnamen) moeten met een hoofdletter. Ook namen van inwoners van landen en van talen en afleidingen van aardrijkskundige namen moeten met een hoofdletter, tenzij er niet meer echt gedacht wordt aan de plaats waarover het gaat. De stad Bordeaux is met een hoofdletter, maar een fles bordeaux (wijn) niet. Namen van volken krijgen een hoofdletter: Azteken, Noormannen, Vikingen; verzamelnamen van volkeren niet: indianen, zigeuners. Wetenschappelijke namen van dieren en planten krijgen één hoofdletter: Pantera tigris (tijger), maar soortnamen krijgen een kleine letter: heester, roodborstje, leeuw.

213

In tekst 8 – 13 ontbreken de hoofdletters. Welke woorden/namen moeten met een hoofdletter beginnen? tekst 8

hoe krijg je 30 nederlanders in een mini? gooi er een euro in.

tekst 10

meester vraagt aan jan of hij amerika op de kaart kan aanduiden. jan wijst amerika aan en meester zegt dat hij het goed heeft. dan vraagt meester aan piet: ‘wie heeft amerika ontdekt?’ piet antwoordt: jan, meneer.’

tekst 9

waarom vertellen hollanders graag belgenmoppen? omdat ze zo goedkoop zijn.

tekst 11

een groningse en een friese boot liggen klaar om de sluis in te varen. de boot uit groningen lijkt te breed voor de smalle sluisingang. ‘’t ken net!’ roept de fries in het fries naar de groninger. ‘bedankt!’ roept de groninger terug en botst prompt tegen de sluiswand.

tekst 12

andré vraagt lotte: ‘wil je een glaasje champagne?’ lotte antwoordt: ‘nee, bedankt, als ik wijn drink, kan ik niet slapen.’ andré: ‘bij mij is het precies andersom, als ik slaap kan ik geen wijn drinken.’

tekst 13

toen de amerikanen hun reis naar de maan voorbereidden, vond een deel van de training van de astronauten plaats in een indianenreservaat van de navajo. op een dag waren een oudere navajo en zijn zoon schapen aan het hoeden en ontmoetten ze de ruimteschipbemanning. de oude man, die alleen navajo sprak, stelde een vraag, die zijn zoon vertaalde: ‘wat zijn de mannen in de grote pakken aan het doen?’ ze vertelden dat ze aan het oefenen waren voor hun reis naar de maan. de oude man vroeg of hij met de astronauten een boodschap naar de maan kon sturen. ze vonden het goed en legden zijn boodschap vast op een bandrecorder. ze vroegen zijn zoon om een vertaling. hij weigerde. toen de amerikanen de band naar het reservaat brachten, luisterden de andere indianen en lachten, maar niemand vertelde wat de boodschap was. uiteindelijk rapporteerde een officiële tolk van de regering wat er werd gezegd: ‘kijk uit voor deze lui; ze zijn gekomen om jullie land te stelen.’

Hoofdletters

89


In een brief begint de aanhef en de afscheidsgroet met een hoofdletter. Beste mevrouw Visser, of Geachte heer, Met vriendelijke groet, of Hoogachtend, Als de achternaam er staat met de voornaam of voorletters erbij, schrijf je de tussenvoegsels (de, den, van de, van der, van den) met een kleine letter. Staat er geen voornaam en ook geen voorletter, dan krijgt het eerste voorvoegsel een hoofdletter. Mischa van de Ven, M. van de Ven mevrouw Van de Ven, burgemeester Van de Ven.

214

In de brieven van tekst 14 – 16 ontbreken de hoofdletters. Welke woorden/namen moeten met een hoofdletter beginnen? tekst 14

damstede, 21 april 2011 beste jorrit, volgende week zaterdag ben ik jarig. kom je op mijn feestje? het begint zaterdag om 2 uur. omdat je verhuisd bent, mag je blijven logeren! als je zaterdag gebracht kunt worden, brengt mijn vader je zondag weer thuis. tot zaterdag, Robin van der Woude vuursekamp 12 5678 cd damstede

tekst 15

vakantiepark loevenlicht t.a.v. mevrouw p. van der hoeven paarseveldstraat 12 2345 kv loevenlicht

sportvereniging actief t.a.v. dhr. a.j. van rijn Veghelseweg 7 7654 rd hoekseweide

zwolle, 15 januari 2011

randstein, 7-8-2011

geachte mevrouw van der hoeven,

geachte heer van rijn,

hiermee wil ik graag een huisje voor 6 personen reserveren voor het weekeinde van 20 en 21 mei. graag ontvang ik van u een bevestiging.

hierbij geef ik u de namen door van de scheidsrechters voor het nieuwe speelseizoen: de heer d. van vleuten de heer p. nagtegaal de heer j. c. steins

met vriendelijke groet, hoogachtend, marit jacobs j.p. van der lindenstraat 31 3342 xa duivelaar

90

tekst 16

pieter van ’t lagewater

Hoofdletters


Namen van feestdagen krijgen een hoofdletter, maar afleidingen daarvan niet. Kerstmis, Koninginnedag, Suikerfeest, maar koninginnedagfeest, kerstvakantie. Maar: Kerstman Alles wat voor veel mensen heilig is, krijgt een hoofdletter: de Bijbel, de Koran, God, Allah, Boeddha Hemellichamen en sterrenbeelden krijgen een hoofdletter: Saturnus, Grote Beer, Tweelingen, maar de algemene woorden als zon, maan en ster niet. Geen hoofdletter krijgen: • beroepen en functies: burgemeester, minister, koningin, bisschop • tijdperken: ijstijd, middeleeuwen • maanden van het jaar: januari, december • windrichtingen: het zuidoosten van Nederland, het westen van Polen

215

Wat moet met een hoofdletter?

a  met pinksteren gaan wij met de familie

werkman kamperen. b mijn vriendin is vis en ik ben waterman. c de mammoet leefde in de ijstijd. d wat ga jij in augustus doen? e we gaan op vakantie naar de spaanse westkust. f  de aartsbisschop van utrecht woont aan de maliebaan. g  in de middeleeuwen was mariaverering vanzelfsprekend. h de kerstman en sinterklaas zijn eigenlijk dezelfde figuur.

i  in de kerstvakantie gaan we skiën, maar kerst vier ik thuis.

j in de bijbel staat dat jezus de zoon van god is. k hij heeft een grote verzameling boeddhabeelden. l  morgen regent het in het noordoosten eerst nog,

maar vanuit het zuidwesten komen er opklaringen.

m de burgemeester heeft een huis in zuid-frankrijk. n die partij is tegen de islam en wil dat de koran verboden wordt.

o de koningin ontving vandaag de minister-president.

Titels van boeken, kranten, films, enz. moet je schrijven zoals de uitgever het zelf doet: De Telegraaf (lidwoord ook met een hoofdletter), de Volkskrant (lidwoord met een klein letter). Sommige woorden verwijzen naar de vorm van een letter. Schrijf die met een hoofdletter als het om de vorm van de hoofdletter gaat: T-shirt, T-splitsing. Anders hoeft het niet (v-hals/ V-hals mag allebei).

216

Wat moet met een hoofdletter?

a mijn ouders stemmen cda en hebben als ochtendkrant trouw. b in eelde hadden we een doorzonkamer, nu een l-kamer. c ik vind de steen der wijzen het mooiste harry potterboek. d Ik ben op 17 december 2009 naar de première geweest van anubis en de wraak van arghus. e cowboys kregen o-benen van jarenlang paardrijden. f nrc handelsblad heeft een nieuwe hoofdredacteur.

Hoofdletters

91


Trema Een trema plaats je in gevallen van klinkerbotsing. Van klinkerbotsing is sprake als • er 2 klinkers naast elkaar staan, • die klinkers behoren tot verschillende lettergrepen, • je de klinkers anders zou kunnen uitspreken als één klank. vergelijk keuken en reünie, poetsen en poëzie Maar let op: bij samenstellingen plaats je geen trema maar een koppelteken (streepje): zee-egel, gala-avond. Alleen de samengestelde telwoorden zijn een uitzondering: drieëntwintig, tweeëndertig.

217

Op welke klinkers moet een trema staan?

a knieen b fideel c mozaiek d keien e kopieren f Belgie g aaien

218

Plaats de ontbrekende trema’s of koppeltekens.

a coordinatie b drieenzeventig c Italie d geergerd e zoeven f zeeeend g geoefend h ideeel i vanilleijs j beantwoord

92

h Ze moet zich niet zo door dat meisje laten beinvloeden. i Ik stond versteld van zoveel naiviteit. j Het is de vraag of dat reele verwachtingen zijn. k De penningmeester heeft alle contributies geind. l Vaak kwamen immigranten uit de voormalige kolonien. m Hij heeft zich die rol meteen toegeeigend. n Mijn moeder regelt bij ons de financien.

k ‘Volgende patient’, riep de dokter door de wachtkamer. l Mijn zus won een prijs op een poeziefestival. m Dat is echt het toppunt van egoisme. n Je moet hem niet zo naapen. o Toen zij dat huisje in Frankrijk kochten, was het een ruine. p Mijn broer heeft nu al last van meeeters op zijn gezicht. q Alle productieprocessen zijn geautomatiseerd. r Tegenwoordig wordt veel vlees vacuum verpakt. s Onze school heeft al jaren geen concierge meer. t Ze zei dat ze het zelf gezien had en hij kon dat beamen.


Er komt geen trema direct na de i als er 3 klinkers achter elkaar staan: dieet, maar financiële. Er komt geen trema bij twee op elkaar volgende i’s: begroeiing. De Latijnse uitgangen –eum en de Franse uitgang –ien krijgen geen trema: lyceum, elektricien.

219

Op welke klinkers moet een trema staan?

a museum b glooiing c beeindigen

d waaien e officieel f petroleum

g geeerd h besproeien i lawaaiig

j verfraaiing k geijkt l zoiets

Aan elkaar schrijven of los • De meeste samenstellingen worden aan elkaar geschreven. In een aantal gevallen schrijf je een streepje, zoals bij klinkerbotsing. Zie daarvoor ook pagina 38-41. • Als in driedelige samenstellingen een hoofdletter voorkomt, komt er een spatie: Tweede Kamervoorzitter. Een samenstelling die met een naam begint, schrijf je aan elkaar: Greenwichtijd. • Getallen schrijf je aan elkaar, maar na het woord duizend komt een spatie: honderddrie, zevenduizend veertien. Bij breuken schrijf je teller en noemer aan elkaar: tweederde, zevenachtste. • Afleidingen van aardrijkskundige namen met een spatie behouden die spatie: Costa Rica, Costa Ricaans.

220 Aan elkaar of los of met koppelteken? a viertiende b warmebakkerswinkel c dikkemuurtegels d Armanipak e zeventienduizend f CentraalAziatisch g Eurovisiesongfestival

h eengezinswoning i duizendvijfendertig j ZuidAfrikaans k EersteKamerlid l langetermijnplanning m twaalfzestiende n OostVlaams

o PuertoRicaans p dikkedarmoperatie q driekwart r RodeKruispost s ZuidoostGronings t onroerendgoedmarkt u drieduizendvijfentwintig

93


Voorzetsels en bijwoorden worden aan elkaar geschreven als ze bij elkaar staan en niet vast bij een werkwoord horen: erdoorheen praten, ervandoor gaan. Als er na woordjes als onderin, vlakbij, enz. niets meer volgt, moet je ze aan elkaar schrijven. Volgt er nog wel iets, dan schrijf je ze los. Ik zit achterop. Ik zit achter op de fiets. Een combinatie van kleine woordjes die samen één vaste betekenis hebben, schrijf je meestal als één woord: binnenstebuiten, zodoende.

221

Welke woorden moeten aan elkaar?

a Je moet er van uit gaan dat je het haalt. b Ik heb de handdoeken onder in de koffer gedaan. c De langste jongen stond achter aan. d Spring maar achter op! e Daar kun je bij voorbeeld je eigen logo ontwerpen. f Zij wonen in een flat daar tegen over. g We gaan er tegen aan! h Dat is een prachtig gebied om er op uit te trekken. i De scheidsrechter stond er boven op. j Ze wilde er tussen uit piepen. k Ze was er nog lang onderste boven van. l Er zit een vliegje vlak bij je oog.

Apostrof

Een apostrof is een kommaatje in de lucht. De apostrof schrijf je • bij het meervoud van zelfstandige naamwoorden die eindigen op –a, –i, –o, –u: auto’s (zie p. 47). • bij het meervoud van zelfstandige naamwoorden die eindigen op –y als daarvoor geen andere klinker staat: baby’s (zie p. 49). • bij afleidingen van afkortingen en afleidingen met een cijfer erin: A4’tje (zie p. 50). • als je wilt aangeven dat iets van iemand is bij een naam die eindigt op een klinker of –y: mama’s tas, Lizzy’s vader. • als je wilt aangeven dat iets van iemand is bij een naam die eindigt op een sisklank. Je schrijft dan alleen een apostrof en geen s: Kees’ fiets, Max’ mobieltje. • bij verkleinvormen van woorden die eindigen op een –y zonder andere klinker ervoor: baby’tje (zie p. 49). • als je letters weglaat: zo’n (eigenlijk: zo een), A’dam (eigenlijk: Amsterdam). De apostrof komt op de plaats van de weggelaten letter(s).

222 De apostrofs zijn weggelaten. Plaats ze alsnog.

a  s Middags waren er meer autos dan s ochtends.

b We gaan liever met papas jeep dan met Koos auto.

c Ik heb nog nooit zon lief ponytje gezien. d Kun je dat ook als MP3tje downloaden? e Bij ons staan alle hortensias in bloei. f Had jij Ninas schrift zoekgemaakt? g  Ik heb wel drie kiwis door de fruitsalade gedaan.

h Ik schrijf liever Den Haag dan s-Gravenhage.

i Peters fiets stond gisteren niet op slot. j Als t waar is, is t een schandaal. k Ze hebben bij groep 1 en 2 van die kleine wctjes geplaatst.

l  De gasten hebben hun paraplus hier laten staan.

94


Accentteken

Bij sommige woorden die uit het Frans komen, staat er een accentteken op de e. Er zijn er 3: • accent aigu – de uitspraak is ee: coupé • accent grave – de uitspraak is als de e in ster die langer wordt aangehouden: volière • accent circonflexe (dakje) – wordt gezet op een e of i waarachter vroeger een s stond: enquête, maître

223

De accenten zijn weggelaten. Plaats ze alsnog.

a comite b premiere c loge d crepe e pate f gene g creme

h feteren i oke j scene k cafe l ampere m carriere n frele

Uitspraakteken

Met een vooroverliggend of een achteroverliggend streepje boven de klinker kun je aangeven hoe een woord moet worden uitgesproken. De uitspraak is dan hetzelfde als met de accenttekens. • hé, één • blèren, hè

224

Zet de uitspraaktekens die zijn weggelaten.

a Er is meer dan een oplossing. b Hehe, eindelijk even zitten! c He, jij daar, kom eens hier! d Een zwaluw maakt nog geen zomer. e Schaapjes zeggen: ‘beeh’.

Klemtoonteken

Je kunt een vooroverliggend streepje gebruiken als klemtoonteken. Het moet staan op de klinker(s) van de lettergreep die je wilt benadrukken. fantástisch, ééuwig zonde

225

Zet de klemtoontekens.

a Ik wil het nu! b Dat was haar ijsje, niet het jouwe. c Eerst je handen wassen! d Het is de oplossing. e Hij heeft het wel gedaan. f Is dat echt waar?

Cedille

De cedille is een kommaatje onder de letter c. Als de c een cedille heeft, moet je die als een s uitspreken. Staat de cedille er niet, dan spreek je de c als een k uit, behalve voor een e of i. Dan spreek je de c ook zonder cedille uit als s. Curaçao, reçu, cacao, cirkel

226

Zet de cedille daar waar die is weggelaten.

a facade b bacil c centrum d Francois

e Provencaals f concept g cappuccino h commercieel

95


Afbreekteken

Soms moet je een woord dat niet meer helemaal op een regel kan, afbreken en een deel naar de volgende regel verplaatsen. Daarvoor gebruik je het afbreekteken. Dat is net als het koppelteken een streepje. • Woorden moet je afbreken aan het einde van een lettergreep. Zie p. 38 – 39. • Samenstellingen breek je af tussen de woorden die de samenstelling vormen. Zie p. 38 – 40. Sommige woorden zijn niet zo goed te herkennen als samenstelling, zoals daarom, hierom en meteen. Die moet je als volgt afbreken: daar-om, hier-om, met-een. • Breek af na een voorvoegsel: on-rein. • Breek af vóór een achtervoegsel: draag-lijk. • Woorden die eruitzien alsof ze twee lettergrepen hebben, maar die je als één lettergreep uitspreekt, moet je niet afbreken: cake, live. • Bij het afbreken mag er geen letter alleen komen te staan. Dus niet a-linea, maar ali-nea. • Voor en na een x tussen klinkers mag je niet afbreken: niet ex-amen, maar exa-men. • Bij woorden die door klinkerbotsing een trema krijgen, vervalt het trema bij afbreken: geëist, ge-eist. • Bij verkleinwoorden met een apostrof vervalt de apostrof bij het afbreken: baby’tje, baby-tje. • Extra klinkertekens bij verkleinwoorden vervallen als wordt afgebroken: parapluutje, paraplu-tje.

227Breek de woorden af op punten waar dat mag. a benoemd b colaatje c behoorlijk d radio e flexibel f hapklaar g verwisselbaar h waarom i race

j reünie k besluiteloos l tweeëntwintig m opaatje n secondewijzer o weerloos p onverantwoord q verpleegster r fixeren

228 Breek de onderstreepte woorden af op punten waar dat mag.

a  Omdat het verroest is, is dat gereedschap onbruikbaar geworden.

b Ze weet krijgt de uitslag van haar examen waarschijnlijk morgen.

c  Het contract met de speler die al weken geblesseerd was, is nu beëindigd.

d Ik geef niets om snoep, maar ik houd wel van een chocolaatje.

e  Nu is het een republiek, maar het was jaren een koninkrijk.

f  Mijn moeder neemt op feestjes wel eens een sherry’tje.

g  Juf zei tegen ons dat het niet morgen kon, maar nu meteen moest.

h De wedstrijd Ghana – Uruguay is eigenlijk door de scheidsrechter beslist.

i  In onze klas zaten vorig jaar nog dertig leerlingen, maar nu maar drieëntwintig.

j  Bij verschijning van zijn nieuwe boek krijgt hij het eerste exemplaar feestelijk uitgereikt.

96


Weglatingsteken Gebruik het weglatingsteken als je een deel van een woord weglaat: in- en uitvoer.

229

Zet het weglatingsteken daar waar dat hoort.

a land en luchtmacht b provinciale en gemeenteraadsverkiezingen c voor en tegenspoed d klein en achterkleinkinderen e telefoon en faxkosten

f personen en goederenvervoer g gewone en luchtkussenenveloppen h brief en krantenpapier i bank en verzekeringswezen j knip en plakwerk

Spelling – dictee

230 Plaats hoofdletters, accenten, trema’s, apostrofs, koppeltekens en

weglatingstekens waar die zijn weggelaten en schrijf woorden aan elkaar waar dat moet.

a  patrick de winter kweekt engelse rozen in het westland. dit boek gaat over de

opmars van de islam in het westen. het europees parlement vertegenwoordigt de europese burgers. het internationaal gerechtshof is een orgaan van de verenigde naties en is gevestigd te s gravenhage. studenten kopen vaak kant en klaar maaltijden. wil je het voor me mee brengen, zodat ik er mee kan werken? ik drink s morgens thee bij het ontbijt. robert kocht een peper en zout stel voor zijn omaatje. verkopen ze in dit cafe ook cafeinevrije koffie? na de beediging was er champagne op het stad huis. hij is op gepakt voor auto inbraak. Zo even is onze loge gearriveerd. Op het vwo krijg je gecoordineerde proefwerken. Mijn vader is suikerpatient en moet zich aan een speciaal dieet houden.

b de cabaretier deed 8 solo optredens in noord nederland. die egoist kocht

alleen voor zichzelf een dure skiuitrusting. als kerstmis op een donderdag valt, valt nieuwjaar op de donderdag daarna. de boot voer naar ethiopie met radio actief afval aan boord. de maoris leven in nieuw zeeland. naar welke landen exporteert belgie ijzer en staalproducten? s lands wijs s lands eer. op zon en feestdagen moet je in A dam ook parkeergeld betalen. heb je dat enqueteformulier al in gevuld? Rene gaat niet graag naar de creche. rose wordt s zomers veel op terrassen gedronken. In sommige dichtbevolkte streken van zuid en zuid oost azie is een voedsel tekort. Hij is geinteresseerd in de egyptische cultuur, vooral in hierogliefen. Voor de boventallige personeels leden was er een afvloeiingsregeling.

97


231

Deze woorden worden vaak fout gespeld. Verbeter ze en zoek de juiste spelling zo nodig op in het woordenboek.

a A4-tje b aanvoerdster c abbonnee d achtien e accoord f annanas g begroeing

13

h kado i aplaus j sjagrijnig k creche l dieree m electrisch n emailadres

o geweldadig p gezamelijk q handvaten r hardstikke s lineaal t intervieuw u ommiddellijk

v pubertijd w pijama x stiekum y verassing z joghurt

Woordkeuzefouten

Veel gemaakte fouten

232

Welke foute zin hoort bij welke veel gemaakte woordkeuzefout? Verbeter de zinnen.

a Hun hebben daar een hekel aan. b Zij is ouder dan mij. c Ik zag jouw te laat staan. d Hij is een kop groter als mij. e Dat is de oom waarmee we gaan zeilen. f  We konden niet anders als maar gewoon

weggaan. g Dat is het huis wat voor een miljoen verkocht is. h Toen besefte hij zich pas wat voor enorme fout hij had gemaakt. i Ze hebben alles dat hun hartje begeert. j Ik heb hun niet gezien. k Geloof je niet wat me moeder zegt? l Deze kleren kosten veel te duur. m Zij is naar hem aan de beurt. n Dat is het beste dat je kunt doen. o U moet u schoenen uitdoen. p Wij gaan om 9 uur, maar de meeste komen om 8 uur.

98



verwisseling bezittelijk voornaamwoord/ persoonlijk voornaamwoord

2 

verkeerde voorzetsel



verwisseling onderwerpsvorm/voorwerpsvorm van het persoonlijk voornaamwoord

1

3

4  5



6  7

verkeerde voegwoord na vergrotende trap verwisseling van de vorm voor voorwerpen met de vorm voor personen verkeerde betrekkelijk voornaamwoord

 verwisseling van de meewerkendvoorwerpsvorm met de lijdendvoorwerpsvorm

8 verhaspeling


14

Woordenboeken In een vreemdetalenwoordenboek zoek je op wat de vertaling van een Nederlands woord in een andere taal is of wat de Nederlandse vertaling is van een woord uit een andere taal. In een Nederlands woordenboek zoek je op wat een Nederlands woord betekent of hoe het wordt gespeld. Maar er staat nog veel meer informatie in een woordenboek, bijvoorbeeld over geslacht en woordsoort of hoe je het meervoud (van een zelfstandig naamwoord) schrijft of wat de verleden tijd en het voltooid deelwoord (van een werkwoord) is. Er zijn ook woordenboeken voor speciale informatie, zoals een spreekwoordenboek, thematisch woordenboek (met alle woorden over een bepaald onderwerp) of een rijmwoordenboek.

Herleiden De woorden waarbij je in een woordenboek informatie kunt vinden heten trefwoorden of lemma’s. Trefwoorden staan op alfabetische volgorde (zie pagina 29-30). Vervoegingen en verbuigingen worden niet opgenomen in het woordenboek. Die moet je dus herleiden tot het trefwoord. Dus verbeurd zoek je op bij verbeuren, circuleert bij circuleren en koninkje zoek je op bij koning. De betekenis van uitdrukkingen vind je bij het eerste betekenisvolle woord van de uitdrukking. Ook dat moet je herleiden: het loodje leggen vind je bij lood, op eigen benen staan vind je bij been.

233 Bij welk trefwoord moet je deze woorden opzoeken?

a seconden b minuutje c uren d begrepen e kinderen f machientje g goochelde h verdiend i radiootje j karbonaadje k gegeten

l verdwaald m traantje n A4’tjes o theegedronken p concurrenten q adresje r beetgenomen s automaten t gestofzuigd u tomaatje v betrapt

234

Bij welk trefwoord moet je deze uitdrukkingen opzoeken?

a op een houtje bijten b van je stokje gaan c Kleine potjes hebben grote oren. d Nieuwe bezems vegen schoon. e Blaffende honden bijten niet. f de bloemetjes buiten zetten g de handen uit de mouwen steken h het bijltje erbij neergooien i je grenzen verleggen j het naadje van de kous willen weten k met lange tanden eten

99


Betekeniswoordenboek

235 236

Wat betekent guit?

a  Hoe moet je het woord gruzelementen in lettergepen verdelen? Hoe kun je dat zien?

b Op welke lettergreep valt de klemtoon? c Waaraan kun je dat zien?

237 238

239

a Tot welke woordsoorten kan het woord gulden horen? b Schrijf voor beide gevallen de betekenis op.

240

a Welke 2 betekenissen heeft het woord gulp? b Van welke van de 2 betekenissen is het werkwoord gulpen

Wat betekent de afkorting GS?

a Welk initiaalwoord staat er in dit stukje? b Hoe schrijf je het meervoud? c Wat is het geslacht?

afgeleid?

241

a  Wat is de verleden tijd en wat is het voltooid deelwoord van gruwen?

b Wat is de verleden tijd en wat is het voltooid deelwoord van gulpen?

242

a Welke twee afleidingen staan er van het woord gruwel? b Wat is de woordsoort van elke afleiding?

243

a Welke 3 uitdrukkingen zijn er met het woord gul? b Schrijf van alle drie de betekenis op. c Tot welke woordsoort behoort het woord gul?

244

a Welke 5 leenwoorden staan er in dit stukje? b Schrijf van elk de taal op waaruit het woord afkomstig is. c Schrijf van elk het meervoud op. d Bij welke woorden verschilt de uitspraak in Nederland en BelgiĂŤ?

In welke letters steekt het verschil?

100


fragment 2

fragment 1

249

Denk je dat het zelfstandig naamwoord civilisatie is afgeleid van het bijvoeglijk naamwoord civiel? Waarom wel of niet?

fragment 1

45 a Welke trefwoorden zijn letterwoorden 2

of initiaalwoorden? b Schrijf deze namen voluit. 246 Welke woorden zijn Engelse leenwoorden? 247 Welke woorden hebben het lidwoord het? 248 Denk je dat het werkwoord citeren is afgeleid van het zelfstandig naamwoord citer? Waarom wel of niet?

fragment 2

250 251 252

a  Waarom staat het 2e woord band niet als

6e betekenis onder het eerste woord band? b Welke van de 5 betekenissen is een figuurlijke betekenis? (figuurlijk = alsof) Welke uitdrukkingen zijn er met het woord band? wat is de betekenis?

a Welk trefwoord is een samenstelling? b Welk trefwoord is een afleiding? Betekeniswoordenboek

101


Spreekwoordenboek

253

Elk van de hier afgedrukte uitdrukkingen heeft als belangrijkste woord een woord dat in normaal taalgebruik niet zo wordt gebruikt. Wat betekenden deze woorden vroeger?

254

Wat betekent de uitdrukking iets aan de kaak stellen?

102

b Bedenk zelf een voorbeeldzin met deze uitdrukking.

256

Welke uitdrukkingen betekenen hetzelfde als ergens mee in je schik zijn?

255 a Wat betekent peentjes zweten?

257

a  In welke samenstelling komt het woord gelag met een g op het eind voor?

b Ken je nog een andere uitdrukking met het woord gelag? Je mag een woordenboek gebruiken.

 258 Bij welk woord moet je de uitdrukking van je hart geen moordkuil maken in een gewoon woordenboek opzoeken?


Etymologisch woordenboek In een etymologisch woordenboek of herkomstwoordenboek staat de herkomst van woorden uitgelegd. In het etymologische woordenboek waaruit hier fragmenten zijn opgenomen, staan erfwoorden onderstreept.

259 Welke woorden in dit fragment zijn erfwoorden? 260 a Er staat drie keer het trefwoord brik. In welk jaar werd elk van deze woorden voor het eerst gebruikt?

b Welk woord is het oudst? c Waarom is alleen het derde trefwoord brik onderstreept? d Als je bij brikken kijkt, staat er in de uitleg nog eens het trefwoord brik. In welke betekenis? Waar geldt die betekenis?

261

a Van welk woord komt het woord bril? b Welke 2 samenstellingen met het woord bril zijn ook als trefwoord opgenomen?

c  Wordt het woord bril daarin letterlijk of figuurlijk (= alsof, zoals) gebruikt?

262 a In welke periode werd het Franse leenwoord brillantine hier voor ’t eerst gebruikt?

b Met welk werkwoord is het verwant? c  Wat is het oorspronkelijk Franse grondwoord van deze afleidingen?

d Welke betekenis heeft dat grondwoord in het Nederlands? e  Welk woord (grondwoord, afgeleid werkwoord of afgeleid

bijvoeglijk naamwoord) werd het eerst in de Nederlandse taal gebruikt?

263 a Wat is het oudste erfwoord in dit fragment? b Wat betekent het?

103


Bijzonder taalgebruik 21

Stijlfiguren

Beeldspraak Bij beeldspraak vergelijk je iets of iemand ergens mee. In de zin Oom Henk is zo sterk als een beer wordt oom Henk vergeleken met een beer omdat hij wel net zo sterk lijkt te zijn.

1

Vul in.

a Joop is zo kaal als een biljartbal. b Oma is zo grijs als een duif. c Zij is zo brutaal als een aap. d Mijn zusje was zo trots als een pauw. e De schil is zo zacht als fluweel. f Dat kind is zo bang als een wezel. g Gelukkig is hij weer zo gezond als

Joop wordt vergeleken met een biljartbal … wordt vergeleken met … … wordt vergeleken met … … wordt vergeleken met … … wordt vergeleken met … … wordt vergeleken met … … wordt vergeleken met …

omdat hij heel erg kaal is. omdat … heel erg …. is. omdat … heel erg …. is. omdat … heel erg …. is. omdat … heel erg …. is. omdat … heel erg …. is. omdat … heel erg …. is.

een vis.

h Ze zag zo rood als een biet. i De leeuw liep zo mak als een

… wordt vergeleken met … … wordt vergeleken met …

omdat … heel erg …. is. omdat … heel erg …. is.

j Zij voelt zich zo slap als een dweil.

… wordt vergeleken met …

omdat … heel erg …. is.

lammetje achter hem aan.

2 Maak zelf vergelijkingen.

Kies uit: steen • kanarie • konijn • huis • zijde • roet • gras • banaan • veertje • lat

a zo duf als een … b zo licht als een … c zo zacht als …. d zo mager als een … e zo hard als …

f zo zwart als … g zo vast als een … h zo krom als een … i zo geel als een … j zo groen als …

3

Zoek bij elkaar.

a zo koel als b zo klaar als c zo hongerig als d zo fris als e zo vlug als f zo stijf als g zo plat als h zo lek als i zo koppig als j zo zacht als

1 een ezel 2 boter 3 een aal 4 een mandje 5 een paard 6 een klontje 7 een kikker 8 een hoentje 9 een plank 10 een dubbeltje

131


4

5

Wat betekent het? Zoek bij elkaar. a als een speer b als bij toverslag c als sardientjes in een blik d als een zoutzak e als een kip zonder kop f als de dood

1 erg bang 2 heel snel 3 zonder nadenken 4 plotseling 5 dicht opeengepakt 6 lusteloos

Wat betekent het? Zoek de juiste bij elkaar. a Dat staat als een paal boven water. b Hij werkt als een paard. c Het slaat als een tang op een varken. d Ze beefde als een rietje. e Hij sliep als een roos. f De baby groeit als kool.

1 2 3 4 5 6

6 Zeg in één woord.

zo eerlijk als goud – goudeerlijk

a zo sterk als een beer b zo scherp als een mes c zo hard als een spijker d zo hoog als een toren e zo stil als een muis f zo zwaar als lood

9 Zoek bij elkaar. a

132

rots

1

naakt

b brood 2

vast

c

peper 3

zoet

d

kaars 4

nodig

e poedel 5

duur

f

recht

mier

6

7 Zoek bij elkaar.

8

a

stok

1

b

haar

2 lekker

c

bloed 3

rijk

d

poes

oud

e

steen 5 scherp

f

10

lekker, diep heel snel heel erg is overduidelijk erg hard is totaal onzinnig

kip

4 6

lief

heet

Zoek de juiste betekenis erbij. a Hij zweeg als het graf. b Het klopt als een zwerende vinger. c Hij is gezakt als een baksteen. d Dat gaat erin als koek. e Hij baalt als een stekker. f Het krijst als een mager speenvarken.

Vul in. Kies uit: moddervet • pijlsnel • flinterdun • spekglad • doodstil • snipverkouden

a Ze schrok en bleef …. zitten. b Hij sneed er een …. plakje af. c Ze is …. en moet telkens niezen. d De betrapte dief ging er …. vandoor. e Van al die hamburgers word je …. f Pas op! Het is buiten …. Kies uit: 1 Hij vindt het heel vervelend. 2 Hij sprak er met niemand over. 3 Het is helemaal juist. 4 Het gilt heel hard. 5 Hij heeft zijn examen niet gehaald. 6 Dat is heerlijk.

Beeldspraak


Als je twee dingen vergelijkt zonder als te gebruiken, heet dat een metafoor. Bij metonymie zeg je iets anders dan wat je eigenlijk bedoelt. Je noemt bijvoorbeeld een deel terwijl je het geheel bedoelt, of andersom. Of je noemt de maker, maar je bedoelt het product, of je noemt het omhulsel in plaats van de inhoud.

11 Vul de juiste metafoor in.

a  Dat is lief van je. Je bent … b Mijn altijd vrolijke zusje is … c  Dat stel is duidelijk … d Paardrijden is … e  Pak eens aan met je … f  Hij won de talentenjacht en

Kies uit: 1 in de zevende hemel 2 kolenschoppen 3 het zonnetje in huis 4 een ster 5 een engel 6 haar lust en haar leven

was meteen …

13 Geef aan of het onderstreepte gedeelte een

vergelijking is, of een metafoor of metonymie. a  Wat een viswijf, dat mens van de overkant! b Lust je nog een glas? c  Ze wacht al jaren op haar prins op het witte paard. d Wat een plaatje, dacht ze, toen de bruid naar buiten kwam. e  Met een gezicht als een oorwurm ging ze naar haar kamer. f  Ierland – Duitsland eindigde in een gelijkspel. g  Met een slakkengang reden ze de laatste 10 kilometer. h Met een kop als een boei bekende hij: ‘Ik was het.’ i  Mijn oude oma is inmiddels zo doof als een kwartel. j De bemanning van het schip telde 75 koppen.

12

Wat wordt eigenlijk bedoeld met de metonymie in de onderstreepte woorden? a  Wie lust er nog een bord? b Mijn rijke oom heeft een echte Van Gogh. c  Nederland wordt kampioen. d Wij komen uit Holland. e  Hij loopt altijd op Nikes. f  Tweede kopje gratis. g  We zijn vanavond met 200 man.

14 Onderstreep de beeldspraak in de zin. Geef aan of het een vergelijking is, of een metafoor of metonymie.

a  Het dorpje telt nu nog maar 500 zielen. b Be-Quick – FC Muntendam liep uit op een slachtpartij.

c  Zij draagt alleen nog maar Prada en Gucci. d Wat een stelletje leeghoofden zijn jullie! e  Hij vertrok als een dief in de nacht. f  Italië is al 10 wedstrijden ongeslagen. g  Ze werd vuurrood van schaamte. h De president van Amerika is de machtigste man ter wereld.

i  Hij lachte als een boer die kiespijn heeft. j  Als je een beetje kunt tekenen, ben je nog niet meteen Rembrandt.

Beeldspraak

133


Omkering, vooropplaatsing, dubbelop taalgebruik en dubbelzinnigheid Bij omkering en vooropplaatsing is de volgorde van de woorden in de zin anders dan normaal. Bij tautologie en pleonasme zeg je twee keer hetzelfde in een zin. Bij tautologie gebruik je dezelfde woordsoort, bij pleonasme zeg je twee keer hetzelfde met verschillende woordsoorten. Als je met opzet woorden gebruikt die meer betekenissen hebben, is dat dubbelzinnigheid. Als je doet alsof dingen of dieren mensen zijn, heet dat personificatie. Dat zijn allemaal stijlfiguren.

15 Leg uit wat er dubbel is.

a  Ze was een onopvallend type, zeg maar gerust een

16

grijze muis.

Zet de zin in de normale woordvolgorde.

a  De familie Flodder lijkt het wel, dat gezin dat hier is komen wonen.

b Ik houd van drop, maar echter niet van chocola. c  We krijgen een demonstratie en tevens ook een

b Ingemaakt hebben we ze, die F’jes van SFC. c  Abnormaal hard reed Sven Kramer de 10

d Aan de eindeloze rij leek geen eind te komen. e  Ik bedoel met name in het bijzonder de bedreigde

d Volkomen belachelijk. Dat vond hij de hele gang

proefles.

kilometer.

van zaken.

e  Een merkwaardige besluit vond hij het, om juist

diersoorten. f  Kleine baby’s kunnen nog niet praten. 

daar een parkeerplaats aan te leggen.

f  ‘Pannenkoeken!’, riep moeder en meteen stormde iedereen naar binnen.

17 Geef aan of het onderstreepte gedeelte een

omkering, vooropplaatsing, dubbelop taalgebruik, personificatie of dubbelzinnigheid is. a  Jongens waren we, aardige jongens. b Drink jij je koffie expres zo, of drink je hem verkeerd? c  De huizen keken me betraand aan. d De gevangenen zaten opgesloten in hun cel. e  Onmiddellijk. Ik wil dat je nu aan je huiswerk begint. f  De paarden wisselden een blik van verstandhouding: die komt er hier niet in. g  Pas op voor het hete vuur! h Amehoela, dacht hij en smeet de deur achter zich dicht. i  Telkens als ik de radio aandoe, hoor ik altijd eerst een ruis. j  ‘Er klopt hier iets niet’, zei de cardioloog.

134

18

Onderstreep het gedeelte van de zin met omkering, vooropplaatsing, dubbelop taalgebruik, dubbelzinnigheid of personificatie. Geef aan om welke stijlfiguur het gaat. a  De bomen langs de oprit wuifden me gedag. b Ik heb razende honger en vreselijke trek. c  Bekaf en dorstig. Zo voelden we ons na de uit de hand gelopen speurtocht. d Ook een konijn is wel eens het haasje. e  Ik hou veel van R & B, zoals bijvoorbeeld Beyoncé. f  Gekkenwerk is het, wat mij betreft. g  De huisarts kocht die praktijk voor een prikje. h ‘Krijg toch allemaal de klere!’ Dat zingt Danny de Munk in Ciske de Rat. i  De bergtoppen zijn bedekt met een laag witte sneeuw. j  Een pak rammel kun je krijgen, als je zo doorgaat.


Ironie, sarcasme, zelfspot Bij ironie maak je iets of iemand een beetje belachelijk. Bij sarcasme is de spot gemener, bedoeld om iemand te kwetsen. Bij zelfspot of galgenhumor maak je jezelf een beetje belachelijk.

19

22

Is het ironie, sarcasme of zelfspot? a  Nou, dat is ook een lieverdje! (gezegd van een ondeugend kind) b Denk je ook nog eens een voldoende te halen? (tegen iemand die een slecht cijfer had voor een toets) c  Het is wel goed met jou! (tegen iemand die iets vraagt wat niet kan of mag) d ‘Met mij kom je tenminste nog eens ergens’, zei Tom (die erom bekend staat altijd hopeloos te verdwalen). e  Ja ja, mooie praatjes! (tegen iemand die smoesjes vertelt) f  Zijn er nog vragen? Niet allemaal tegelijk alstublieft! (gezegd als niemand uit het publiek een hand opsteekt) g  Vriendelijk bedankt voor deze fijne bijdrage aan de gezelligheid! (tegen iemand die een rotopmerking heeft gemaakt) h Dat is me ook wat moois! (tegen iemand die met kapotte kleren thuiskomt) i  ‘Net een hotel hier’, zei de gevangene toen hem zijn maaltijd werd gebracht. ‘Zo chique heb ik het nog nooit gehad. Zelfs roomservice!’ j  Leuk, hoor! (tegen iemand die een grapje over jou heeft gemaakt) k  Niemand is perfect. Het beste bewijs ben ikzelf!

Spreekwoorden en zegswijzen

Functie van spreekwoorden en zegswijzen Spreekwoorden en zegswijzen maken de taal mooier. Je gebruikt ze om op een krachtige manier duidelijk te maken wat je bedoelt.

20 Zeg het in gewone taal.

a  Wie niet waagt, die niet wint. b Ze kan er geen touw aan vastknopen. c  Je moet even door de zure appel heen bijten. d Oost, west, thuis best. e  Hij kletst uit zijn nek. f  Eerlijk duurt het langst. g  Hij zit met lange tanden te eten. h Het loopt in de soep. i  Zij doen voor spek en bonen mee. j  Haastige spoed is zelden goed.

21

Welk gevoel wordt bedoeld? Kies uit: blijdschap • verdriet • verliefdheid • niet meer weten hoe het verder moet a  Ze is in de zevende hemel. b Hij zit in de put. c Hij voelde vlinders in zijn buik. d Hij zat met zijn handen in zijn haar. e  Ze had een brok in haar keel. f  We sprongen een gat in de lucht. g  Ze heeft een oogje op hem. h Ze is de kluts kwijt.

135


Verschil tussen spreekwoorden en zegswijzen Een spreekwoord is een hele zin die er altijd hetzelfde uitziet en een wijsheid of advies bevat. Een zegwijze is geen hele zin. Je kunt de zin aanpassen aan bijvoorbeeld de tijd of het onderwerp.

spreekwoord Eerlijk duurt het langst. zegswijze Ze verkopen daar voor een appel en een ei leuke tweedehandsspullen. Die klok hadden we voor een appel en een ei op de rommelmarkt gekocht.

22 Is het een spreekwoord of een zegswijze? a  Wie het laatst lacht, lacht het best. b Hij ging buiten zijn boekje. c Zij gaf er de brui aan. d Er schuilt een addertje onder het gras. e  Blaffende honden bijten niet. f  Dat is mosterd na de maaltijd.

23 Maak met elke zegswijze zelf twee verschillende zinnen. a  op je dooie akkertje b  in goede aarde vallen c  op de bonnefooi d  aan de lopende band e  iemand iets betaald zetten f  de boel op stelten zetten

Betekenis van spreekwoorden en zegswijzen

24

25

136

Wat is de betekenis van de zegswijzen? a  uit je vel springen b in het water vallen c  iemand in de wielen rijden d recht door zee zijn e  uit de toon vallen f  een scheve schaats rijden g  ergens een stokje voor steken h achter het net vissen i  bij de pinken zijn j  er de kantjes aflopen

1 niet bij de rest passen 2 ervoor zorgen dat iets niet doorgaat 3 te laat zijn om nog iets te krijgen 4 plotseling heel erg boos worden 5 iemand dwarszitten 6 slim zijn 7 zo min mogelijk doen 8 eerlijk zijn 9 mislukken 10 iets verkeerds doen

Wat is de betekenis van de spreekwoorden? a  Als de kat van huis is, dansen de muizen op tafel. b Je moet het ijzer smeden als het heet is. c  Hoge bomen vangen veel wind. d Baat het niet, het schaadt ook niet. e  Spreken is zilver, zwijgen is goud. f Wie een kuil graaft voor een ander, valt er zelf in. g Wie voor een dubbeltje geboren is, wordt nooit een kwartje.

1 Wie arm geboren wordt, blijft arm. 2 Misschien helpt wat je doet niet, maar je zult er ook geen nadeel van ondervinden. 3 Als er geen toezicht is, wordt er van alles gedaan wat niet mag. 4 Als je een kans krijgt, moet je die benutten. 5 Je kunt soms beter je mond houden dan je mening geven. 6  Belangrijke personen krijgen veel kritiek. 7  Wie een ander ongelukkig probeert te maken, wordt vaak zelf ongelukkig.


26 Is het een spreekwoord of een zegswijze?

Zoek de juiste betekenis erbij. a  Hij gaf er de brui aan. b Oefening baart kunst. c  Hij maakte er een punt van. d Beter één vogel in de hand dan tien in de lucht. e  Hij gaf taal noch teken. f  We zullen zien wie de langste adem heeft. g  Zoals het klokje thuis tikt, tikt het nergens. h Nu komt de aap uit de mouw.

27

1 Je kunt beter tevreden zijn met een klein beetje dat je zeker hebt, dan verlangen naar veel dingen die je misschien nooit zult krijgen. 2 Het is nergens zo fijn als thuis. 3  Het moet nog blijken wie het het langste vol kan houden. 4 Hij stopte ermee. 5 Nu blijkt pas hoe het werkelijk zit. 6 Hij maakte er problemen over. 7 Je kunt iets leren door het veel te doen. 8 Hij liet niets van zich horen.

Vul in. Kies uit: job • hendrik • aagje • piet • roeland • jacob • thomas • frans

a  een brave … b de ware … c  een vrolijke … d de jarige …

e  een ongelovige … f  een nieuwsgierig … g  een razende … h een hele …

28 Vul een lichaamsdeel in.

a  Zij gaf hem een … klopje. b Hij is niet op zijn … gevallen. c  Iemand aan de … voelen. d Zij is gauw op haar … getrapt. e  Hij is erg bij de … en. f  Ik wil jou onder vier … spreken. g  Ze nam niet bepaald een blad voor de … h Hij werd lelijk bij de … genomen. i  Het gebeurde achter zijn … om. j  Vertel maar wat je op je … hebt! k  Zij leefde op grote …

l  Ze hingen aan zijn … m Hij vertelde het met een stalen … n Ze haalde hem het bloed onder zijn … vandaan. o  Hij klaagde steen en … p Helaas heeft hij twee linker… q Ik heb daar mijn … van vol! r  Ben je soms met je verkeerde … uit bed gestapt? s  Kleine potjes hebben grote … t  Ze zette zich met … en ziel in. u Hij stak geen … uit. v  Hij kreeg de baard in de ...

29 Schrijf de betekenis op van de zegswijzen van opdracht 28. Zoek ze op in het woordenboek bij het lichaamsdeel dat je hebt ingevuld als je de betekenis niet weet.

Betekenis van spreekwoorden en zegswijzen

137


23

Werkwoordelijke uitdrukkingen, koppels en uitroepen

Werkwoordelijke uitdrukkingen Werkwoordelijke uitdrukkingen zijn korte uitdrukkingen met een werkwoord dat niet in de letterlijke betekenis wordt gebruikt. In de uitdrukking de bal terugkaatsen – op een vraag die gesteld wordt geen antwoord geven, maar een tegenvraag stellen wordt dus niet letterlijk een bal gekaatst.

30 Vul het ontbrekende zelfstandige naamwoord in. a  de … afhouden b de … ontspringen c  de … kwijtraken d de … geven e  de … misslaan f de … blazen

32 33

1 plank 2 doorslag 3 aftocht 4 boot 5 draad 6 dans

31

Kies het juiste werkwoord.

a  je hielen b je biezen c  de benen d je grenzen e  in duigen f duimen

1 pakken 2 verleggen 3 draaien 4 lichten 5 nemen 6 vallen

Wat betekenen de uitdrukkingen van opdracht 30? Zoek als je het niet weet de betekenis op in het woordenboek. Wat betekenen de uitdrukkingen van opdracht 31? Zoek als je het niet weet de betekenis op in het woordenboek.

Koppels Taalkoppels zijn vaste combinaties van twee of drie dingen met en of of ertussen.

34 Zoek ze bij elkaar.

138

35 Zoek ze bij elkaar.

a

bar

en 1

blauw

a

b

haat

en 2

zeker

b kiezen of 2

niet

c

af

en 3 eeuwig

c zelden of 3

laat

d

vast

en 4

leed

d

kop

of 4

delen

e dubbel en 5

boos

e

erop

of 5

niets

f

altijd

en 6

nijd

f

min

of 6

munt

g

bont

en 7

toe

g

vroeg of 7

nooit

h

lief

en 8

dwars

h

graag of 8 eronder

alles

of 1

36 meer

Vul het ontbrekende woord in.

a  bloed, zweet en … b …, kaas en eieren c  rood, … , blauw d ziek, zwak en …. e  game, … en match


Uitroepen

37 Wanneer gebruik je deze uitroepen?

24

38

a  Als iemand moest niezen.

1 

b Als je ergens van onder de indruk bent.

2

ajakkes

c  Als je iets vies vindt.

3

allemachtig

d Als je denkt: dat is ook zo.

4

basta

e  Als je iets sneu vindt.

5

bingo

f  Als je jezelf op iets betrapt.

6

gezondheid

g  Als je een toast uitbrengt.

7

mazzel

h Als het raak is.

8

proost

i  Als je vindt dat iets een gelukje is.

9

verhip

j  Als het genoeg is.

10

warempel

ach

Vul een geschikte uitroep in. a  Je doet wat ik je gezegd heb, … .. ! b Ze dacht dat wij dat wel voor haar zouden doen. Nou, … … ! c  Er is er een jarig, … ! d Hé, wat doe jij daar? … .. .. … ! Dat mag niet, dat weet je best. e  Je zult nog even moeten doorzetten; … .. …! f  …! Dat interesseert mij toch niet! g  Maak een grote sprong! Eén, twee, ….! h Het publiek klapte enthousiast. ‘…,’ riep iemand. i  …! …! Houd de dief! j  …! Dat doen we.

Proza en poëzie

Proza en poëzie Proza zijn verhalende teksten, poëzie zijn gedichten. In een gedicht staat wat iemand denkt, voelt, fantaseert of ziet. Liedteksten en rapteksten zijn ook een soort gedichten.

39

Geef van de teksten 1 – 4 aan of het proza of poëzie is. Waaraan zie je dat? tekst 1

tekst 2

Ozo heppie

Gerben maakt rare bokkensprongen

Ik voel me ozo heppie, Zo heppie deze dag en als je vraagt: wat heppie als ik eens vragen mag, dan zeg ik: hoe wat heppie, wat heppik aan die vraag, heppie nooit dat heppieje dat ik hep vandaag?

‘Kijk eens wie daar aankomt.’ Sietse Klinkhamer vaart met zijn broer Hielke in een boot op het meer. Hun boot heet de Kameleon. Die heeft de tweeling een poos geleden van hun vader gekregen. Ze hebben de boot zelf opgeknapt en geschilderd. Nu is de Kameleon de mooiste en snelste boot van het meer van Lenten. Dat komt omdat er een echte motor van een auto in zit. Die hebben ze gekregen van de dokter toen zijn auto in het meer was beland.

Joke van Leeuwen

Uit: Fred Diks, De Kameleon gaat op speurtocht

139


tekst 3

Beer en Rat Tije sneed een scherpe punt aan een stok. Het was een mooie rechte tak, een speer of een spit of een vlaggenstok voor op een vlot... Eigenlijk stond hij op Bas te wachten. Ze hadden hier op de hoek afgesproken, Tije en Stefano en Bas. Daarna zouden ze wel zien wat ze gingen doen. Stefano was er, maar Bas liet op zich wachten. Om hen heen klonk het gonzen van de zomer. Insecten, de verre snelweg, een grasmaaier, zelfs het ruisen van de beek in het bos kon je hier al horen. Een mannenstem klonk er luid doorheen: ‘We gaan toch niet moeilijk doen, makker?’ Tije sloeg er geen acht op. Waar bleef Bas nou?

tekst 4

Je lijkt op iemand Je lijkt op iemand, en ‘k weet niet, op wie Maar ‘k weet, dat ik niet voor het eerst je zie. Eerst dacht ik: lijkt ze niet op ’t meisje dat Toen ‘k jongen was, ik eens heb liefgehad? Maar ‘k weet nog goed, hoe ‘k toen verwonderd keek Naar háár gezicht, op wie ze eigenlijk leek Johan Andreas dèr Mouw

Uit: Lydia Rood & Niels Rood, Voorgoed verdwenen?

Onderverdeling van proza Je kunt proza op verschillende manieren onderverdelen. Als je bijvoorbeeld onderverdeelt naar de omgeving of tijd waarin het verhaal zich afspeelt, krijg je een indeling in: streekromans, historische romans, sciencefiction, enz. Als je onderverdeelt naar onderwerp of soort (genre), krijg je liefdesromans, oorlogsromans, griezelromans, detectives, thrillers, enz.

40 Tekst 5 t/m 9 zijn flapteksten: korte beschrijvingen van de inhoud op de achterkant van een boek. a Geef bij elke tekst aan om wat voor soort boek het gaat: streekroman • detective • historische roman • sciencefiction • liefdesroman. b Geef per tekst aan waaraan je dat ziet.

tekst 5

Annejoke Smids, Meester van de schaduw Rome, 1599. De twaalfjarige Aretino is op de vlucht. Hij zwerft op straat en houdt zich in leven met voedsel dat hij daar vindt of in taveernes van tafels grist. Als hij de onstuimige schilder Donato Savoldo ontmoet, die hem aanneemt als leerling, lijkt zijn leven een gunstige wending te nemen. Hij leert de grootste schilders van Rome kennen en is kind aan huis in het palazzo van kardinaal Monaldi. Maar zijn geheim blijft hem achtervolgen, en het lijkt wel of hij door zijn vriendschap met Donato juist nog meer in gevaar komt... Uit: Annejoke Smids, Meester van de schaduw

140


tekst 6

tekst 7

Theo en Ester Heuveling, Tijdloos

S. Peters – Geheime liefde

De 13-jarige Jasper Jansen is gek op sciencefiction en computerspelletjes. Hij wil dolgraag straaljagerpiloot worden, maar kan dit niet omdat hij een bril draagt. Jasper wint tot zijn vreugde een rondleiding in een opleidingscentrum van de luchtmacht. Tijdens de rondleiding raakt hij betrokken bij een ongeluk, waarna hij bouters ontmoet, kleine wezentjes die veel verder ontwikkeld zijn dan mensen. De wereld van deze wezens is alleen te zien als de tijd even stilstaat voor iedereen, behalve voor Jasper. Als de tijd weer begint te lopen, begint de twijfel. Heeft hij die wezens wel echt gezien? Waarom ziet niemand anders ze? Tot het moment dat de tijd opnieuw stilstaat en hij een lotgenoot ontmoet. Dan begint het avontuur pas echt…

Twintiger Karen vindt via een vriendin een nieuwe, vaste baan. Daar ontmoet ze systeembeheerder Chris, die door zijn medecollega’s vaak het mikpunt van spot is: Chris heeft namelijk overgewicht. Karen vindt hem echter wel charmant en besluit hem uit eten te vragen. De twee worden flink verliefd, maar Karen wil de relatie liever geheimhouden, omdat ze zich schaamt voor haar dikke vriend.

Uit: Theo en Ester Heuveling, Tijdloos

tekst 8

Uit: S. Peters, Geheime Liefde

tekst 9

Bartje – Anne de Vries

Baantjer “De Cock en een recept voor moord”

Bartje Bartels is een jongetje dat opgroeit in een arm Drents keuterboerengezin en zich steeds minder wil schikken naar zijn lot. In plaats van in de voetsporen van zijn vader te treden als boerenarbeider, wil Bartje de wijde wereld intrekken. Toch beschikt het lot anders. Nadat Bartje enige jaren als knecht heeft gewerkt, krijgt hij na het overlijden van zijn moeder de zorg over het gezin op zich.

De Cock is flink uit zijn humeur: zijn vrouw is ziek en krijgt volgens hem verkeerde medicijnen. Vledder is het dichtsbijzijnde, ondankbare slachtoffer, want gezamenlijk zijn ze op weg naar het modehuis Verbruggen, alwaar ze de directeur aan de tand willen voelen in een smaadzaak. Daar aangekomen treffen ze de heer Verbruggen aan in zijn stoel, levenloos en met een receptenbriefje op zijn revers gespeld. Het briefje bevat een cryptische tekst en biedt op het eerste gezicht weinig aanknopingspunten. De Cock en Vledder zijn compleet verrast wanneer plotseling een aantrekkelijke vrouw de kamer binnenkomt, de dode man een klap in het gezicht geeft en hem begint uit te schelden. De Cock reageert geschokt en begrijpt niets van haar gedrag. ‘Vrouwen …’

Uit: Bartje, Anne de Vries

Uit: A.C. Baantjer, De Cock en een recept voor moord

Onderverdeling van proza

141


Onderverdeling van poëzie Gedichten kun je onder andere onderverdelen in gedichten met rijm of zonder rijm.

41

a  Welke van de volgende gedichten bevatten rijm? b Geef aan welke woorden rijmen.

tekst 10

Vulkaan Ik ben een vulkaan. Ik ben boos. En ik koos voor een uitbarsting. Frank Woltjes tekst 12

We zien wel… tekst 11

Een heel fijn kado Onze poes is aan komen lopen, We hebben haar niet hoeven kopen. Ze was een zwervertje, o zo klein. Maar we hebben het samen zó fijn. Ze spint, miauwt en zegt als ik binnen kom: “hallo”, en gisteren kreeg ik van haar zomaar drie poesjes kado. Vayanti Stevens tekst 13

Blind kruip dan maar dicht tegen me aan dan laat ik je de warmte van rood voelen

142

tekst 14

Dat ik van mijn vader hou, Doet mijn moeder Soms verdriet En dat ik van Mijn moeder hou, Dat weet mijn vader niet. Zo draag ik Mijn geheimen mee En loop van hier naar daar Nog altijd hou Ik van die twee Die hielden van elkaar. (…) tekst 15

Twee slakken waren al sinds jaren op weg van Groningen naar Haren Ten slotte kwam geheel ontdaan de oudste bij het eindpunt aan Hij slikte en sprak diepbewogen: ‘Mijn broer is uit de bocht gevlogen.’

Sardientje Snotterbel

Kees Stip

Maycon Kuiper

Hoi, ik ben Sardientje Snotterbel Ik heb af en toe een nies maar ik gebruik mijn zakdoek niet want anders wordt die vies!!!


Fictie en non-fictie Fictieve teksten zijn verzonnen en beschrijven nooit precies de werkelijkheid. Deze teksten worden fictie genoemd. Denk aan romans, gedichten, verhalen, toneelstukken, enz. Niet-verzonnen teksten worden non-fictie genoemd. Deze teksten zijn gebaseerd op werkelijk gebeurde zaken en zijn bedoeld om informatie over te dragen, bijvoorbeeld een encyclopedie, essays, kranten- of tijdschriftartikelen, woordenboeken, reisgidsen of studieboeken.

42

tekst 17

Welk van de teksten 16 - 21 zijn gebaseerd op feiten en welke zijn verzonnen verhalen? Geef per tekst aan waaraan je dat kunt zien. tekst 16

Murks: Algemeen Cool Nederlands Wetenschapster Jacomine Nortier onderzocht een jongerentaal die zij ‘Murks’ noemde. ‘Murks’ is een mengeling van Marokkaans, Berbers, Turks en Nederlands. Zij stelde de volgende taalfeiten over het Murks vast. Bij het Murks hoort: • een overdreven Marokkaans accent; • een zwaar aangezette ‘g’; • een ‘s’ die uitgesproken wordt als een ‘z’ of ‘sj’; • het tekst 16 weglaten van lidwoorden: wij gaan naar winkel; • het vervangen van ‘het’ door ‘die’: die meisje. Het Murks werd juist gebruikt door jongeren met Nederlandse ouders. Dit ‘Algemeen Cool Nederlands’ werd een soort standaard allochtoon accent. Uit: Nortier, J., Murks en straattaal. Vriendschap en taalgebruik onder jongeren.

Eeuwig jong De Grijpgrip loerde naar zijn ontbijtbord. Daar lagen drie kindertjes te spartelen in de havermoutpap. De Grijpgrip knorde als een wild varken. Met een grote glimmende lepel schepte hij de pap uit het bord. Yorick werd meegeschept. Hij schreeuwde, hij gilde. Maar de Grijpgrip grijnsde. Hij likte langs zijn lippen en bracht de lepel naar zijn mond. ‘Elke dagh een paarh kinderhen ihs goedh voorh mijh,’ gromde hij. ‘Daardoorh blijhf ikh eeuwigh jongh….’ Uit: Paul van Loon, De Grijpgrip

tekst 18

Feit: één op de vier verzint zelf woorden Uit onderzoek blijkt dat minstens een kwart van alle Vlamingen, Nederlanders en Surinamers eigen woorden verzint die ze thuis gebruiken. Van poedoemplof over lekkeronie tot wormpjeskaas. Hieronder vind je enkele Vlaamse, Surinaamse en Nederlandse smaakmakers. Om hersa van te krijgen…

Nederland Dievenbeffer: vliegenmepper Hersa: hoofdpijn Jimbob: jeuk Lekkeronie: lekkere macaroni Pinkepoertje: sluitertje van een broodzakje

Suriname Aardappelbabbelaar: iemand die bekakt praat

Poedoemplof: dik persoon die bij het vallen zo’n geluid maakt Tjietjiebikies: kinderen Boetebolle: lief huisdier

Vlaanderen Kiedekoet: navel Patatzakken: liefhebben Toeterkast: ijsje in een torentje Vier en een krent: niet intelligent Wormpjeskaas: gemalen kaas

Uit: Taalpeil 2009, De Nederlandse Taalunie

143


tekst 19

tekst 20

De VOC

De vrolijke schoenmaker

Marten Toonder

De VOC, de Verenigde Oost-Indische Compagnie, werd in 1602 opgericht. Schepen van de Compagnie gingen via Zuid-Afrika naar Oost-Indië, onder andere naar Java en de Molukken. Men wilde vooral allerlei producten uit Indië halen, waarmee grote winsten behaald konden worden. Via de VOC kwamen Nederlanders ook in Indonesië terecht. Het land werd zelfs een kolonie van Nederland. Veel Nederlandse woorden werden door Indonesiërs overgenomen in hun taal.

In de Breestraat, in een drukke volksbuurt van een grote stad, woonde een schoenmaker die Pieter Bell heette. Hij was een man van bijna veertig jaar, met een allervrolijkst humeur en een gezicht dat lachen het allerfijnste vond. Onder het werk zat hij van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat te zingen en als hij geen nieuwe liedjes meer wist, begon hij weer van voren af aan.

Marten Toonder (1912-2005) begon in de jaren dertig met het tekenen van strips. Het eerste Avontuur van Tom Poes verscheen in 1941 in de krant. In het derde Tom Poesverhaal introduceerde Toonder een nieuw personage: Olivier B. Bommel, de standsbewuste heer voor wie geld geen rol speelt. In de periode 1941-1986 zou Toonder 177 verhalen schrijven met Tom Poes en/of Heer Bommel in de hoofdrol. Al die verhalen, waarin Toonder fijnzinnig en met veel humor zijn visie op de wereld verbeeldde, worden nu verzameld en in de oude staat hersteld.

Uit: Wim Daniëls, Het Grote Taalboek

Uit: Chris van Abkoude, Pietje Bell

Er bestaan ook teksten die vallen onder de categorie fictie, maar die wél gebaseerd zijn op feiten. Denk aan een dagboek, een historisch verhaal, een biografie of een betoog of opstel waarin enkele argumenten op feiten gebaseerd zijn. Je zou kunnen zeggen dat ze zowel verhalende of verzonnen elementen bevatten als feitelijke elementen.

43

a  Zijn de teksten 22 – 24 fictie of non-fictie? b Geef bij elke tekstje aan wat voor soort

tekstje het is. Kies uit: dagboek • opstel/artikel • biografie/levensbeschrijving. c  Geef van de gekleurde zinnen aan of het een feit of fictie is. Geef de zinnen in je antwoord aan met het eerste en het laatste woord.

144

tekst 21

tekst 22

Uit: www.nrclux.nl/-Laat-dat-een-les-zijnMarten-Toonder

Vandaag heb ik dringende behoefte aan een uitlaatklep. Ik ben namelijk zo boos! Mijn moeder noemt mij steeds een sloddervos en dat terwijl ik juist zo mijn best doe om mijn kamer op te ruimen. Ze ziet het niet eens! Ze zegt gewoon elke dag hetzelfde! Mijn broertjes maken de meeste troep, daar zegt ze niks van. Ik wou dat ik geen broertjes had, maar een oudere zus. Dat lijkt me veel leuker. Zo en nu ga ik Hyven. Met vriendinnen. Die begrijpen me tenminste!!! Anna Carolina PS En weet je wat ik ook erg vind? Van de goede dingen zegt ze niks! Ik haal namelijk hele goede cijfers. Ik zit op het Gymnasium en had vandaag een 8 op Nederlands, een 9.2 op Duits en een 7 op NASK. Dat zijn pas eens positieve feiten!

Fictie en non-fictie


tekst 23

Anna Maria Geertruida Schmidt werd geboren op 20Â mei 1911 in Kapelle op Zuid-Beveland (Zeeland). Na de middelbare school, de HBS in Goes, ging ze naar Den Haag om een notariaatstudie te volgen, maar die ruilde ze al snel in voor een cursus steno en typen bij Schoevers. In 1930 werkte ze een poosje als au pair in een gezin in Hannover. Terug in Nederland werd ze bibliothecaresse en in 1941 directrice van de Openbare Bibliotheek in Vlissingen. Daarna ging ze voor Het Parool werken. Vanaf 1948 schreef ze wekelijks een column voor volwassenen en versjes voor kinderen voor de krant. Kort nadat Annie M.G. Schmidt werd geboren, kwam haar acht jaar oudere broertje thuis met de mededeling dat hij haar had geruild voor een kalf. Het zou nooit meer helemaal goed komen tussen die twee. Ze waren ook erg verschillend. Broer had veel vriendjes en speelde altijd buiten. Annie zat het liefste thuis met haar neus in de boeken. Ze begon al op jonge leeftijd gedichtjes te schrijven. Over het huwelijk van haar ouders bijvoorbeeld, die niet echt gelukkig met elkaar waren. Haar moeder had ooit gekozen voor haar vader, maar was eigenlijk verliefd op ene Maaskant. Als kind dichtte Annie: Had ik Maaskant maar genomen dan was alles goed gekomen nu ben ik met Schmidt getrouwd daarvandaan ging alles fout

tekst 24

Ik leef, ik beweeg, ik besta ADHD, gek word ik van die term. Zelf ben ik een sportieve, beweeglijke jongen die niet houdt van stil zitten. Een hele dag voor mij op school zitten is een straf. Van stilzitten word ik verschrikkelijk moe. Maar ik voel me goed als ik veel beweeg! Wat is daar nu mis mee, het is volgens mij gewoon natuurlijk en gezond. En nuttig! Want op de sportdagen tussen alle scholen uit de buurt, zijn het wel de sportieve kinderen die de bekers voor IEDEREEN in de school binnenhalen. Zo werd onze school (dankzij ons team) vorige week kampioen op Het Grote Korfbaltoernooi. Een toernooi waar alle scholen uit de regio aan meedoen. Ik bedoel maar! Het gekke is, dat sommige hele rustige mensen er alles aan doen om mij etiketjes op te plakken. (Hebben ze niks beters te doen?) Dat het vreemd is als je wil bewegen. Volgens mij is bewegen voor een jongen juist een gezonde oerdrang. Hoe meer beweging, hoe meer energie, hoe meer leven. Ik pleit er dan ook voor dat die hele term ADHD uit de wereld wordt geholpen. Weet je wat ik vreemd vind? Als je niet WILT bewegen. De wereld, de tijd, de mensen moeten in beweging blijven. Beweging leidt tot verandering. En verandering is natuurlijk. Mensen die bewegen lopen voorop. Maarten van Haren

Uit: www.annie-mg.com, Wie was Annie M.G. Schmidt?

Fictie en non-fictie

145


Kenmerken van verhalende teksten (proza) Elk verhaal, elke roman is vanuit een bepaalde persoon geschreven. Dat heet het perspectief van het boek. Voorbeelden van vertelperspectieven zijn: • de ik-vorm, alles wordt vanuit de ik-persoon verteld; • de hij/zij vorm: alles wordt vanuit de hij of de zij verteld; • wisselend perspectief: de ik-vorm of hij/zij-vorm wisselen elkaar af, tekst 26 of er is in elk hoofdstuk elke keer een andere hij of zij. • de alwetende verteller: het verhaal wordt verteld door iemand die zelf .. Rosa leest de brief drie keer over en druk hem dan tegen haar borst. niet meedoet aan het verhaal, maar precies weet wat er gaat gebeuren.

44 a Welk perspectief hebben de teksten 25 – 27?

 Kies uit: ik-vorm • hij/zij-

vorm • wisselend perspectief • alwetende verteller. b Tekst 25 en 26 zijn fragmenten uit hetzelfde boek. Bij wie ligt het perspectief in het boek?

tekst 25

Lieve Bozeroos, Ik heb van alles gedaan om je te bereiken, maar tevergeefs. Je neemt je mobiel niet op en volgens mij heb je de stekker uit jullie vaste telefoon getrokken, Je hebt me geblokkeerd op msn en mijn mails komen terug! Wel een beetje overdreven zeg! Ik ben dol op je en je moet me vertrouwen, anders gaat het niet tussen ons. Wat is liefde nu zonder vertrouwen…

Natuurlijk wil ze het goed maken! En het is waar, zo nu en dan schiet ze in de stress en dan kan ze zich niet meer beheersen. Echt stom. Uit: Francine Oomen. Hoe overleef ik (zonder) liefde? tekst 27

Wie niet tegen enge verhalen kan, moet niet verder lezen. Want Jante maakt in dit boek hele spannende, enge dingen mee. En het loopt zeker niet goed af…. Het begon zo. Jante werd geboren…

Uit: Francine Oomen. Hoe overleef ik (zonder) liefde?

45 a In welke van de teksten 28 – 31 is het perspectief de ik-vorm?

b In welke van de teksten 28 – 31 is het perspectief de hij/zij-vorm?

c  Welke tekst heeft een

wisselend perspectief? Hoeveel verschillende vertellers zijn er in die tekst? Hoe heten ze? d Welke tekst heeft een alwetende verteller? Schrijf de zinnen op waar de verteller aan het woord is.

146

tekst 28

Maxim was met zijn ouders op vakantie in Frankrijk. Ze kampeerden op een camping in het bos, vlakbij de Atlantische Oceaan. Het was een bos met heel hoge naaldbomen. Deze bomen waren ooit geplant door Napoleon. Daarvoor was er aan deze Franse Westkust alleen maar zand. Heel vroeger liepen ze in dit gebied zelfs op stelten, om zich zo door het zand te kunnen voortbewegen. Maxim vond het heerlijk in dit gebied. Hij genoot van het bos met alle mooie dieren. Elke ochtend bijvoorbeeld, zag hij een eekhoorntje in de boom naast zijn tent. En de zee vond hij ook prachtig. Hij kon uren kijken naar de woeste, hoge golven. En het waaide hier ook altijd zo heerlijk hard. Machtig vond hij dat!


tekst 29

Jamila werd wakker met een akelig gevoel in haar buik. Ze had gedroomd dat er iets met haar moeder was gebeurd. Gauw ging Jamila naar beneden om te kijken waar haar moeder was. Haar moeder was nergens te bekennen. Vreemd! Zou ze zich verslapen hebben? Jamila wist toen nog niet dat ze helderziend was en dat ze dingen droomde die écht gingen gebeuren. Had ze dat geweten, dan zou dit verhaal heel anders afgelopen zijn….

tekst 30

tekst 31

Ik wist het. Er is iets met opa aan de hand. Gisteren nog hoorde ik opa tegen oma zeggen dat hij hoopte dat de uitslag snel binnen zou komen. Maar hij keek zó bezorgd en oma keek zo verdrietig naar opa. Als er maar niks ergs met opa is… Ik wil mijn opa voor geen goud missen. Met wie moet ik anders stoeien en praten over voetbal en tennis? Met m’n ouders zeker. Nou, die lezen alleen maar boeken en weten niks van sport… Vechten en stoeien kunnen ze ook al niet.

In proza komt vaak dialoog voor: een gesprek tussen twee mensen (als het een gesprek is tussen meer dan twee mensen heet het polyloog). Ook wordt in proza vaak beeldspraak gebruikt. Een voorbeeld van beeldspraak is de zin: De vijand kwam als een dief in de nacht.

46 a Is het gesprek in tekst 32 een dialoog of een polyloog?

Mariëtte fietste door de regen naar school. Daar zag ze Corinne fietsen. ‘Oeps, ik heb nu eigenlijk geen zin om met Corinne te praten. Stel je voor dat ze over onze ruzie van vorige week begint, ik sla gauw hier af’, dacht Mariëtte. Corinne merkte niet dat het regende. Ze was kletsnat, maar ze voelde het niet eens. Ze was met haar gedachten heel ergens anders, ze dacht aan die vreselijke ruzie met Mariëtte vorige week. Het liefst zou ze het vandaag nog uitpraten, ze haatte ruzies. Toen zag ze Mariëtte! Corinne wilde snel naar haar toe fietsen. “Hè gatsie, waarom fietst Mariëtte zo snel weg en waarom slaat ze nu af, dit is toch niet de weg naar school?, vroeg Corinne zich teleurgesteld af.

b Met welke woorden begint en eindigt het gesprek in tekst 33? Is het een dialoog of een polyloog?

c Welke zinnen in tekst 33 zijn beeldspraak? tekst 32

‘Ik ga niet met je mee! Ik heb helemaal geen zin om nu naar het bos te gaan’, zegt Jeroen. ‘Waarom niet? We zouden onze boomhut toch afmaken?’ vraagt Cathy. ‘Ik heb gewoon geen zin. Ik wil computeren.’ ‘Jeroen, met mooi weer kunnen jullie best buiten spelen’, roept moeder vanuit de keuken.

tekst 33

In de herfst van haar leven wilde oma nog rijles. Ze had altijd nog willen leren autorijden. Vroeger, toen ze jong was, had ze er geen geld voor. Nu had oma voor haar zeventigste verjaardag aan iedereen geld gevraagd. Maar papa was tegen. ‘Onverantwoord, die oude mensen achter het stuur.’ ‘Dat is een vooroordeel, Roelof, oma is juist nog heel erg bij de pinken.’ ‘Straks veroorzaakt ze nog een ongeluk.’ ‘Hoe kom je daar nou bij! Jouw moeder is zo fit als een hoentje en heus niet meteen een gevaar op de weg.’

Kenmerken van verhalende teksten (proza)

147


Kenmerken van gedichten (poëzie) De regels van een gedicht heten versregels. Ze hoeven niet uit volledige zinnen te bestaan. Lange gedichten kunnen verdeeld zijn in strofen. Dat zijn een aantal versregels die gescheiden zijn met een witregel van een volgend aantal versregels. Een strofe die een paar keer met precies dezelfde woorden terugkeert in een gedicht, heet een refrein.

47

a  Hoeveel versregels hebben de gedichten van tekst 34 – 36? b Wijs in elk gedicht een versregel aan die geen volledige zin is. tekst 34

Gemompel

Het lied van Mustafa

Hoe duidelijker ik ’t wil zeggen hoe slechter ik uit mijn woorden kom

Het huis waar ik woon, heeft wel erg dunne muren en we wonen te dicht op een kluit. Dus een klein beetje herrie geeft ruzie met buren en zo’n ruzie maakt ook weer geluid.

dit lijkt mij een typisch verschijnsel van het een of ander Remco Campert

tekst 36

Wakker Ik droomde dat ik niet wakker kon worden, omdat er twee, drie, vier hagedissen aan mijn oogleden hingen. Ze hadden het over zacht, warm zand en ronde keien, over stille zomernachten, heimelijk, zoals alleen hagedissen kunnen praten, als verre familie van dinosaurussen. Ik had je graag wat meer verteld, jammer dat ik niet wakker kon worden. Rob Chrispijn

148

tekst 35

Men wil in dit land dat we heel anders leven, ook al zijn we hier soms maar kort. Maar mijn oom in Marokko heeft laatst nog geschreven dat ik te veel Nederlands word. Ik zal deze buurt op de duur wel verlaten, alhoewel ik er toch wel van hou. Maar ik wil wel eens hard kunnen zingen en praten en ik wil wel eens weg uit de kou. Er is een land waar ze niet meteen vloeken, er is een land waar ik dikwijls van droom. Daar zal ik zelf wel een meisje gaan zoeken, tot verdriet van mijn vader en oom. Willem Wilmink


48 De gedichten van tekst 37 en 38 zijn beide geschreven door leerlingen van een basisschool. a  Welk gedicht heeft de meeste strofen? b Geef van elk gedicht aan of het

1 2 3 4 5

rijmt of niet; strofen met hetzelfde aantal versregels heeft of niet; een gebeurtenis uit de werkelijkheid beschrijft; er dingen worden beschreven die eigenlijk niet kunnen; hele of halve zinnen per regel heeft.

tekst 37

tekst 38

Oeganda

Vrijdag hop dan stop

’s Nachts was Malaika doodsbang. De nachten duurden haar te lang. Ze kregen maar 1 keer per dag te eten. Er was verders toch niks te vreten.

Ik was op straat, Zonder iemand.

Water halen als maar weer. Tien kilometer op en neer. Wassen met ijskoud water. Dat deden ze liever wat later. Landmijnen, bommen en soldaten. Ze waren er in alle maten. Oorlog voelde best wel naar. En het was echt superzwaar. Ze misten soms een voet of hand. Maar zo ging dat in hun land. Pak nu Vicky bij de hand. Die ging mee naar Nederland. Vicky was al best wel oud. Ze is met een Nederlandse man getrouwd. En vooral heel veel dank. Aan onze enige echte Ank.

Niemand te zien. Ik was er gewoon. Om te spelen. Met een poes. Maar die was er niet. Ik riep: hop dan stop. Toen kwam er een brief uit de lucht vallen. Er was groot opgeschreven: oki doki. Ik riep oki doki. Toen hoorde ik muziek. En het klonk mooi. Ik riep het nog harder. En toen zag ik ze. Ze zeiden dat ze meer toneelstukjes deden. Zoals: storm op komst en terug in de tijd.

Carmen Nijborg

Anke en Anne-Baukje

Kenmerken van gedichten (poĂŤzie)

149


Rijmsoorten

tekst 39

De twee belangrijkste soorten rijm zijn eindrijm en beginrijm. Bij eindrijm eindigen de rijmende woorden met dezelfde klank: lopen – hopen, fiets – niets. Bij beginrijm beginnen de woorden of namen uit een versregel met dezelfde medeklinker: Liesje leerde Lotje lopen langs de lange Lindelaan.

Ballade van een roversbende

Onze huizen zijn veel te saai, onze scholen zijn veel te groot In onze straat is geen speelplaats meer, we verveelden ons overal dood Daarom hebben we op een dag een bende opgericht Een roversbende die de armen helpt en de rijken te gronde richt Deze nacht vaart ons piratenschip uit Iedere rover vaart mee Diep in de nacht kijkt de roerganger uit Over de stille zee We hebben cassettes geroofd, uit de leuke platenboetiek Die zijn voor de arme mensen bestemd, want ook zij hebben recht op muziek Sloffen sigaretten geroofd, en speelgoed bij V&D Daarna nog Albert Heyn beroofd, van z'n Mars en Milkyway Deze nacht vaart ons piratenschip uit Iedere rover vaart mee Diep in de nacht kijkt de roerganger uit Over de stille zee We moeten wel gauw met dat spul naar de arme mensen gaan Voorlopig ligt alles nog bij elkaar, waar m'n vader z'n auto heeft staan Ach, 't is niet zo ernstig bedoeld, 't is gewoon maar een spel En waarom komt er dan zo opeens een echte agent aan de bel Deze nacht vaart ons piratenschip uit Iedere rover vaart mee Diep in de nacht kijkt de roerganger uit Over de stille zee M'n vader gaat met de agent naar waar de auto staat Heeft m'n eigen vader de buit ontdekt? Verraad, kameraden, verraad Mannen, alle hens aan dek, hijst de zeilen, de doodskopvlag We begroeten morgen een ander land, bij het licht van de nieuwe dag Deze nacht vaart ons piratenschip uit Iedere rover vaart mee Diep in de nacht kijkt de roerganger uit Over de stille zee Willem Wilmink

49 Wat is het refrein in het gedicht van tekst 39?

150

50 Welke rijmsoort wordt er

in het gedicht van tekst 39 gebruikt, begin- of eindrijm?

51

Onderstaande titels komen uit de Rode Reeks stripverhalen van Suske en Wiske. Wat valt op aan de klanken in de titels? • De nerveuze Nerviërs • De koddige Kater • Het mini-mierennest • De brullende berg • De schone slaper • Tedere Tronica


Rijmschema's

52

Gedichten kunnen op verschillende manieren rijmen. Bij gepaard rijm rijmen de twee op elkaar volgende regels, dus regel 2 rijmt op regel 1, regel 4 op regel 3, enz. Bij gekruist rijm slaat het rijm een regel over. Dan rijmt regel 3 op regel 1, regel 4 op regel 2, enz.

tekst 40

Hebben de gedichtjes in tekst 40 en 41 gepaard of gekruist rijm?

tekst 42

Rijmschema’s kun je aanduiden door elke regel van het gedicht een letter te geven: regels die rijmen, krijgen dezelfde letter. Elke nieuwe rijmklank krijgt een volgende letter uit het alfabet.

53

a Geef met letters de rijmschema’s van de gedichtjes in tekst 40 en 41 aan. b Schrijf twee sinterklaas- of poëziealbumgedichtjes, een met het rijmschema abab en een met het rijmschema aabb.

54 a Welk rijmschema hebben de

gedichten van tekst 42 en 43? b Noteer per strofe het rijmschema in letters.

tekst 41

Sinterklaasgedichtje

Gedichtje uit een poëziealbum

Sinterklaas zat diep na te denken Wat hij jou dit jaar zou schenken Hij heeft heel de stad afgelopen Om wat voor jou te kopen

Ik zou iets in je album schrijven Alleen ik weet niet wat Dat we altijd vrienden blijven Hoe bevalt je dat? tekst 43

Weer naar school

’n Vonkje

Vandaag ben ik niet blij Want de vakantie is voorbij Voorbij alle mooie vrije tijd Elke dag ontbijt met zorg bereid

Ik ben veel meer dan Nederland, Veel meer dan zon en maan. Ik ben de zeeën en het strand, Ik ben het ruisend graan.

Nu moet ik weer naar school gaan En keurig stil in de rij staan. Hele dagen in de stoel zitten Denk erom, niet op meester vitten

Ik ben veel meer dan nu en toen, Dan rijk of zwak of sterk. Ik ben veel meer dan de kampioen, Dan stad of kroeg of kerk.

De dagen aan het meer en het water Die herinnering bewaar ik voor later Blauwe lucht en een blije mama En lekker met papa naar de Gamma

Ik ben de boom de bloem de plant, Veel meer dan stem of taal. Ik ben veel meer dan Nederland, Ik ben het allemaal.

Vakantie staat voor weggaan en plezier School, dat is nú en hier Niets anders te doen dan wat leren Ja pap, om later te kunnen studeren.

Want alle leven dat er leeft, Is meer dan uur of tijd. Je proeft in al wat leven heeft ’n vonkje eeuwigheid.

Ook een beetje voor wat geld Zeker, dat is niet het enige wat telt Met mijn boot naar het meer en water Dat doe ik met mijn geld, later.

Toon Hermans

151


Naast gepaard rijm en gekruist rijm is er ook omarmend en gebroken rijm. Bij omarmend rijm rijmt regel 4 op regel 1 en regel 3 op regel 2. Bij gebroken rijm zijn er maar twee regels die rijmen, bijvoorbeeld regel 2 en 4.

55

a Benoem het rijmschema van de gedichten in tekst 44 – 46.

b Soms komen er ook verschillende rijmschema’s in

één gedicht voor. Bij welk gedicht is dat het geval? c Hoeveel versregels heeft elk van de drie gedichten? d Geef de strofen aan van alle drie gedichten door het eerste en laatste woord op te schrijven. tekst 44

De Wolken Ik droeg nog kleine kleren, en ik lag Lang-uit met mijn moeder in de warme hei, De wolken schoven boven ons voorbij En mijn moeder vroeg wat ‘k in de wolken zag. En ik riep: Scandinavië, en: eenden, Daar gaat een dame, schapen met een herder De wond’ren werden woord en dreven verder, Maar ‘k zag dat mijn moeder met een glimlach weende. Toen kwam de tijd dat ‘k niet naar boven keek, Ofschoon de hemel vol van wolken hing. Ik greep niet naar de vlucht van ’t vreemde ding Dat met zijn schaduw langs mijn leven streek. – Nu ligt mijn jongen naast mij in de heide En wijst mij wat hij in de wolken ziet, Nu schrei ik zelf, en zie in het verschiet De verre wolken waarom mijn moeder schreide – Martinus Nijhoff

152

tekst 45

Prothese Ik was nog niet helemaal af toen ik werd geboren al had ik een neus en een mond twee ogen, twee oren, twee armen, twee benen, gewoon met daaraan twee voeten… Maar ik had toevallig één hand, dat had niet gemoeten. Hoe treurig je ook zoiets vindt, dat zal wel zo wezen, een kunsthand ligt dan voor de hand, die heet een prothese. Waarmee je van alles kunt doen, net als met een echte, dus sporten en dansen en zo, maar liever niet vechten. Wel vraagt dat daarvóór een heleboel meten en passen en moeten er mensen speciaal voor jou flink aan de slag, gaan gipsen en gieten en boren en buigen en lassen, maar dan wordt het resultaat echt ook heel mooi op een dag. Zo’n hand, die je minstens een jaar heel goed kunt gebruiken, met tikkertje spelen, allicht, of koppeltje duikelen. Waarmee je iets makkelijk pakt, kunt grissen en grijpen. En ook nog eens, twee keer zo hard Of harder kunt knijpen. En dus ben je trots en je vindt Het te gek en oké… Maar één ding blijft jammer: zo’n hand, die groeit nooit met je mee. Jan Boerstoel

Rijmschema's


tekst 46

Zachtjes tikt het avondklokje alles keert in ruste weer vogels zingen treurige liederen zonlicht daalt in het westen neer Imme Dros

57

56 Schrijf zelf een gedichtje van vier regels met gebroken rijm of omarmend rijm. Geef met letters het rijmschema aan. Kies een van deze drie onderwerpen: • mijn liefste opa of oma; • verliefd; • een betere wereld.

a Welk rijmschema hebben de gedichten in tekst

tekst 48

47 – 52: gebroken rijm, omarmend rijm, gekruist rijm of gepaard rijm? b Geef per gedicht van alle strofen het rijmschema in letters. c Geef een voorbeeld van beginrijm in deze gedichten. Wat is de rijmende klank? d Welke gedichten hebben een refrein? Geef het eerste en laatste woord van de strofe die het refrein is.

Willem Wever - Wie weet (Ouverture)

tekst 47

Hoe wordt nou een Eskimo begraven Of wordt zo’n Eskimo soms weggegooid Ja, natuurlijk wordt een Eskimo begraven Maar pas nadat het even stevig heeft gedooid Hoe doen ze precies fris in frisdrank Of willen fabrieken dat niet kwijt Frisdrank wordt gewoon gemaakt van water Dus uit dat frisse water wordt de fris bereid

Ben je ver van huis mijn kindje En je zoekt in donkere nacht Naar een haven om te rusten Weet dat thuis je bedje wacht Twee paar handen om te groeten En twee stemmen die verblijd Om jouw thuiskomst zullen roepen Welkom, welkom, lieve meid

Wie weet, wie weet, wie weet, wie weet Wie weet waar Willem Wever woont Hoeft nergens mee te zitten Is toch onderhand wel aangetoond Wie weet, wie weet, wie weet, wie weet Wie weet waar Willem Wever woont

Altijd zijn er open ramen Waar je rust en warmte vindt Wat er ook gebeurt in je leven Thuis blijft steeds jouw haven kind.

Wie weet, wie weet, wie weet, wie weet Wie weet waar Willem Wever woont Hoeft nergens mee te zitten Is toch onderhand wel aangetoond Wie weet, wie weet, wie weet, wie weet Wie weet waar Willem Wever woont

papa en mama

H. Westbroek / E. Schimscheimer

Rijmschema's

153


tekst 49

tekst 50

Vriendschap

Gouden bergen Ik zag een man die zich liet leiden door wat een ander had gezegd Zich verschuilen achter kreten Overtuigend maar onterecht Hij hoefde niet te denken Dat werd voor hem gedaan Als hij weer voor een keuze kwam te staan Hun opzet leek te werken Ze spraken duidelijke taal Gevoelloze harde woorden Verpakt in een mooi verhaal Je zag hem lopen door de straten Met z’n vrienden op één lijn Vanaf nu zou hij voor altijd iemand zijn Want: Ze gaven hem het uitzicht Op een toekomst en een doel En een heuvel om op te wonen En in z’n tuin een luie stoel Maar bij de gouden bergen Daar is hij nooit geweest Want het einde en de twijfel Kwamen eerder dan het feest

Want: Ze gaven hem het uitzicht Op een toekomst en een doel En een heuvel om op te wonen En in z’n tuin een luie stoel Maar bij de gouden bergen Daar is hij nooit geweest Want het einde en de twijfel Kwamen eerder dan het feest

(2x)

Bij de gouden bergen daar is hij nooit geweest Want het einde en de twijfel kwamen eerder dan het feest... Syb van der Ploeg

Hij werd kwetsbaar op z’n zetel Maar wilde leven als een vorst Verdwaasd door alle luxe En door het lessen van z’n dorst Hij stond op eenzame hoogte Op een pilaar van macht en angst Als een roofdier zo bewaakte hij z’n vangst

Wat kun je je verdrietig voelen Als alles dof en donker is; Gedachten blijven in je woelen: Waarom ging alles plots’ling mis? En ja, je wilt het wel vergeten, Gewoon je werk doen, als altijd Je tegenslag breed uit te meten Dat helpt toch niet. Je zorg ten spijt Die duw je weg, vertel je niemand; Maar als haast alles tegen zit, Bedenk dan maar: toch is er iemand Die van me houdt en voor me bid. Nel Benschop

tekst 51

De Dapperstraat Natuur is voor tevredenen of legen. En dan: wat is natuur nog in dit land? Een stukje bos, ter grootte van een krant, Een heuvel met wat villaatjes ertegen. J.C. Bloem, De Dapperstraat (eerste vier regels)

tekst 52

Sevilla, 1 december 2009

Zo moe Zwetend en zwoegend loop ik weer over het dak Zeulend met mijn weer veel te grote zak Ik arme drommelpiet ben aan rust toe Ik ben de gedichten en de cadeautjes zo moe Arme Drommelpiet

154

Rijmschema's


Dichtvormen Er zijn veel soorten gedichten of dichtvormen en daaronder zijn er die regels hebben over bijvoorbeeld het aantal regels en/of het rijmschema van het gedicht en soms ook over welke thema’s zo’n gedicht kan gaan. Voorbeelden van dichtvormen zijn: haiku, klankdicht, limerick, elfje, naamdicht, nonsenspoëzie, sonnet en het vrije gedicht. Een haiku is een gedicht geschreven in drie regels van 5, 7 en 5 lettergrepen. Met een haiku geef je weer wat je op een bepaald moment ziet of voelt.

58 a Tel de lettergrepen van de versregels van de gedichten van tekst 53 en 54. b Welke gedicht is een haiku? c Welk gevoel geeft deze haiku weer?

59 Schrijf zelf een haiku. Werkwijze:

• Kies eerst een onderwerp: bijvoorbeeld iets wat je op dit moment ziet of voelt. • Schrijf in een paar steekwoorden op wat je over dit onderwerp denkt of wat er over dit onderwerp in je opkomt. • Maak daarvan korte zinnen. • Kies daaruit 3 regels en knutsel net zo lang totdat de eerste regel 5 lettergrepen heeft, de tweede 7 lettergrepen en de derde weer 5.

tekst 53

De zon, zee en strand. Hoe mooi ruisen de golven De wind in mijn haar Jordi Noort

tekst 54

Ongetemd Ongetemd, als ik mocht kiezen Dan zou ik alles willen verliezen Voor vrijheid, respect en eigenheid Ga nu nieuwe kinderen, het is jullie tijd

tekst 56

NACHTKROEG ….. Dà Domb_ Dà Domb_ Dà Domb_ Dà Domb_ Drusch Dà Domb_ Dà Domb_ Drisch

Een klankdicht is een gedicht dat niet uit echte woorden bestaat, maar uit een reeks klanken. Met een klankdicht probeer je een bepaalde sfeer op te roepen.

60 a Wat drukken de klanken in de gedichten van tekst 55 en 56 uit?

b Welke sfeer probeert de dichter op te roepen?

tekst 55

DE MUS Tjielp tjielp – tjielp tjielp tjielp tjielp tjielp tjielp - tjielp tjielp tjielp tjielp tjielp tjielp tjielp tjielp tjielp tjielp tjielp Tjielp etc. Jan Hanlo

Dà Domb_ Rusch Domb …

Anthony Kok, Nachtkroeg (gedeelte)

155


61

Schrijf zelf een klankdicht volgens de twee voorbeelden van tekst 57 en 58. Gebruik niet meer dan 10 regels. Het gevoel dat je wilt uitdrukken, vat je samen in de titel. Een limerick is een grappig gedicht van 5 regels. In de eerste regel wordt meestal een persoon of dier opgevoerd met een plaatsnaam. De regels 1, 2 en 5 rijmen op elkaar en de regels 3 en 4 ook. De regels 3 en 4 zijn heel kort en hebben elk twee klemtonen. In de regels 1, 2 en 5 zitten drie klemtonen.

62

a Geef van de limericken in tekst 59 en 60 aan welke regels op elkaar

tekst 59

Een man in de Ierse stad Limerick die vond zichzelf een slimmerik. Van elk bericht, maakte hij een gedicht. En zo ontstond daar de limerick!

tekst 58

Blij

Boos

Tra la la la La la la laa

Grom Grrr grrrr Grom

Tra la la la La la la laa Traa laa laa laa Laa laa laa laa

rijmen (noteer per regel het eerste en het rijmende woord)

b Geef aan op welke woorden in de regels de klemtoon ligt. c Tel het aantal lettergepen per versregel.

Là!

Dáááá! Báááá! Bèng! Klèng!

tekst 60

Er was eens een man in Noordgouwe, die dacht een lief meisje te trouwen. Maar na een dag of tien, had hij het wel gezien. Hij is toen maar bijen gaan houwen!

63 Schrijf zelf een limerick over iemand die je kent.

• Bedenk een naam van een dorp, stad, streek of land die past bij de persoon over wie je gaat dichten. • Schrijf daaronder een aantal zinnen, bijvoorbeeld over: – wat het onderwerp in die plaats doet; – wat er met het onderwerp gebeurt of aan de hand is; – wat het onderwerp zou willen, enz. Probeer nu van deze zinnen vijf rijmende regels te maken volgens het rijmschema aabba.

156

tekst 57

64 Schrijf nog een limerick. Kies zelf een persoon of dier. De rijmende woorden zijn al gegeven: Regel 1: Tiel Regel 2: viel Regel 3: komen Regel 4: dromen Regel 5: ziel

Dichtvormen


Een elfje is een gedicht dat uit elf woorden bestaat, verdeeld over vijf regels. De eerste regel heeft één woord, elke volgende regel een woord meer en de laatste regel heeft weer één woord.

65 Schrijf een elfje over een kleur,

dier, eigenschap of gevoel. Kies eerst een onderwerp. Schrijf in steekwoorden op wat er over dit onderwerp in je opkomt. Maak daarvan het elfje. Regel 1: één woord (hier kun je het onderwerp benoemen of een sfeer oproepen); Regel 2: twee woorden (hier zeg je iets over regel 1); Regel 3: drie woorden (hier zeg je nog meer over regel 1 of 2); Regel 4: vier woorden (hier zeg je nóg meer en betrek je jezelf erin); Regel 5: één woord (een soort slot of einde als ontknoping of uitsmijter). Kijk goed naar het voorbeeld van het elfje in tekst 61. Nonsenspoëzie bestaat uit gedichten waarin vaak woorden worden gebruikt die niet bestaan en waarin dingen worden beschreven die eigenlijk niet kunnen.

66 a Wijs in de gedichten 62 – 64 drie voorbeelden aan van woorden die niet bestaan. b Geef uit elk gedicht een voorbeeld van iets dat in het echt niet kan.

tekst 62

Knoester met mijn knezidon Ik ben een blauwbilgorgel, Als ik niet wok of worgel, Dan lig ik languit in de zon En knoester met mijn knezidon. Rabon ! Rabon ! Rabon ! Cees Buddingh’ tekst 64

tekst 61

Herfst Verkleurende bladeren Veel warme kleding ik, regen, wind, geur Koud Eduard Nijborg tekst 63

Zeer kleine speeldoos Amarillis hier is in een zeepbel Iris hang de bel aan een ring en de ring aan je neus

De Bozbezbozzel De bozbezbozzel lijkt wat op Een jenk, maar heeft een klein’re kop. Zijn poten staan reeds twee aan twee Als eenmaal bij het stekelree. Hij hinnikt als een maliepaard, En als het sneeuwt heeft hij een staart. Wanneer die staart zijn kop zou zijn, Was hij precies een spieringzwijn.

Schud je ’t hoofd speelt het licht in de bel met Iris schud je fel breekt de bel Amarillis Waar is Iris Iris is hier geweest Amarillis aan een ring en de ring aan jouw neus

En als hij zeven staarten had, Een kolossale kolbakrat. Nu lijkt hij nog het meeste op Een jenk, maar met een klein’re kop. Cees Buddingh’

Wijsneus Amarillis Paul van Ostaijen

Dichtvormen

157


Een sonnet is een gedicht dat bestaat uit 14 regels. De eerste twee strofen hebben elk 4 regels. De laatste twee elk 3 regels. De strofen van 4 regels heten een kwatrijn, twee kwatrijnen heten een octaaf. Na het octaaf verandert vaak de inhoud van het gedicht, dan gaat het sonnet een heel andere kant op dan je verwacht: dat heet de wending. De laatste twee strofen met 3 regels heten terzine en de twee terzines zijn samen een sextet. Het rijmschema van een sonnet is vaak: abba, abba cdc dcd.

67

Lees het sonnet in tekst 65. a Noem het eerste en het laatste woord van de kwatrijnen. b Noem het eerste en het laatste woord van de terzinen. c Met welke versregel begint de wending? d Je kunt zeggen dat dit gedicht een gedachte over het leven verwoordt en dat daarbij een vergelijking wordt gebruikt. Waar staat die vergelijking, in het octaaf of in het sextet? In welke versregel staat de gedachte over het leven?

68 Lees de gedichten in tekst 66 – 68. a Geef van alle gedichten:

• het aantal regels; • het aantal strofen met het aantal regels per strofe; • het rijmschema per strofe. b Welk gedicht is een sonnet? • Benoem van het sonnet het eerste en het laatste woord van het octaaf en van het sextet. • Beschrijf in je eigen woorden wat de wending is in het sonnet.

tekst 65

OP DE RAILS Mijn trein gaat ogenschijnlijk rijden, want spoorwagon na spoorwagon links op een parallel perron zie ik langs mijn coupéruit glijden. Maar dan verbreedt de horizon en blijkt dat ik mij liet misleiden: De trein is weg ter linkerzijde en ik sta nog op het station. Zo worden wij wel meer bedrogen: Wij zijn op reis, zo menen wij en maken voortgang zienderogen, doch richten wij de blik opzij dan staan wij stil en onbewogen. Het leven gaat aan ons voorbij. Driek van Wissen

158

Dichtvormen


tekst 66

Storm We werden wakker van de wind. De lucht stond in lichterlaaie. De wolken stoven de hemel voorbij. Verjaagd door het hoge waaien. We sprongen uit bed want de wereld liep weg. We moesten hem in gaan halen. De vogels vlogen als gekken voorop. Wij renden om niet te verdwalen. De bliksem sloeg gaten in de nacht. Wij lachten om niet te gaan huilen. Daarna heeft iemand ons vleugels gebracht. En konden we eindelijk schuilen. Johanna Kruit tekst 68

gulzig draait razendsnel een klein harmonicaatje rondom een frisgroen blaadje als een dolgedraaide carrousel vreet zich wel 5x uit zijn vel telkens een groter maatje dan weeft het zich met een draadje tot een pop: dag rups, vaarwel plots knapt wat het omspon en kruipt met natte lapjes als een verregende bloem

tekst 67

Pas op voor de hitte Denk aan juffrouw Scholten, die is vandaag gesmolten, helemaal gesmolten, op de Dam. Dat kwam door de hitte, daar is ze in gaan zitten - als je soms wil weten hoe dat kwam. Ze hebben het voorspeld: Pas op, juffrouw, je smelt! Maar ze was ontzettend eigenwijs... Als een pakje boter, maar dan alleen wat groter, is ze uitgelopen, voor het paleis. Enkel nog haar tasje lag daar in een plasje... Alle kranten hebben het vermeld op de eerste pagina. Kijk het zelf maar even na. Ja, daar staat het, kijk maar: dame smelt. Die arme juffrouw Scholten... helemaal gesmolten... Als dat jou en mij eens overkwam... Laten we met die hitte overal gaan zitten... maar vooral niet midden op de Dam. Annie M.G. Schmidt

uit zijn beschermend cocon een diertje, nog wat slapjes dat ik alvast maar vlinder noem Hannah Rozetta

Dichtvormen

159


Een naamdicht is een gedicht waarvan de eerste letters van elke versregel of van elke strofe achter elkaar gelezen een woord of een zin vormen.

69 a Welke namen zitten in gedicht 69 en 70 verborgen? b Wie wordt in gedicht 70 bedoeld?

70 Maak een naamdicht met de beginletters van je eigen naam. Het gedicht hoeft niet per se te rijmen.

Het vrije gedicht kent geen regels waaraan de dichter zich moet houden. Een vrij gedicht hoeft niet te rijmen.

71

Veel gebruikelijke vormkenmerken van gedichten komen niet voor in het gedicht van tekst 71. Noem drie kenmerken van gedichten waaraan dit gedicht niet voldoet en twee kenmerken waaraan het wel voldoet. Kies uit: rijmschema abba • strofen • refrein • terzines • rijm • vast aantal lettergrepen per versregel • gepaard rijm tekst 71

Beknopte topografie van de Rijnmond

Rotterdam Schiedam Vlaardingen Maassluis hoekie om trappie af

72

tekst 69

Telkens als ik naar de sterren kijk Hoor ik een zacht gefluister En iets dat op zachtjes roepen lijkt Als ik heel goed luister Dat zijn de dromen van de mensen En hun allerdiepste wensen Welk van al die flonkerdromen Is speciaal voor ons bestemd? ’t Is een wens die uit kan komen Hoor, en herken je eigen stem tekst 70

Water, daar houdt hij van In binnen- en buitenland Langs zeeën en duinen Lopend op het strand En aan zijn zijde bruist de Mooie struise Máxima

Benoem van de gedichten op de volgende pagina de dichtvorm. Kies uit: haiku • klankdicht • limerick • elfje • sonnet • nonsenspoëzie • naamdicht • vrij gedicht

gekkenhuis J.A. Deelder

160

Dichtvormen


tekst 72

magneet een aantrekking van twee werelden ik heb je lief man! tekst 75

Zee sssssSSSSsssshoeiii sssssSSSSSssshoeiii sssssssssss sssssssssss sssssssSSSSSSSsshoei ssshoeisssssss sssss ssss sss sssssSSSSsssshoeiii ssssssssssshoeiishoeissss sssss

tekst 73

De kleine dieren van mijn jeugd Ze waren overal, mijn leukste speeltjes. De bontjashommel, sterren aan het strand. Een slak verhuisde langzaam op mijn hand. Hoe hij steeds naar me gluurde door die steeltjes. Ik zag ze graven, vliegen, zich verjongen. Parende kikkers in mijn moeders pan. Daar kwam eerst dril, toen kikkervisvolk van. Toen kikkertjes die door de kamer sprongen. Mijn vader zei: ‘Doe dat nou niet, m’n kind. Laat al die beesten buiten maar weer vrij. Je zorgt niet goed voor ze, geeft ze geen eten.’ Nog droom ik soms dat ik thuis dieren vind, verhongerd, bijna dood. Ze kijken mij wanhopig aan. Hoe kon ik ze vergeten. Patty Scholten

tekst 76

Als de wind waait Met harde vlagen Als de sneeuw valt Langs de lantaarnpalen Is de zee hier koud Argentinië zo vertrouwd

tekst 77

In het lommer van mijn snor In het lommer van mijn snor ligt een lach te rusten die ‘k om jouw lippen plooien zou als ze de mijne kusten John O’Mill

tekst 74

Eerste winterdag de zon schijnt aan de hemel sneeuw zweeft door de lucht Kim Jorieke Hoeoe tekst 78

Moeder Je had het niet mogen doen. Als je mijn kamer opruimt met o zo precieze vingers en mijn spulletjes een plaats geeft die ze niet herkennen dan wordt mijn kamer rommelvrij maar minder mij. Goed, dat slik ik door. Maar dat tekstje aan de muur In bruine ronde letters op okergeel papier dat was geen vodje met zomaar woorden voor de prullenmand, het was… het is niet uit te leggen. Nooit had je dát mogen doen. Ed Franck tekst 79

Er was eens een naaister uit Knokke, die naaide per dag twintig rokken. Dat ging niet meer goed, dus werd ze met spoed verplaatst naar de afdeling sokken.

Dichtvormen

161


73

Lees de gedichten van tekst 80 – 91 en beantwoord daarna de vragen. tekst 80

LOEMOEM LAMMOEM LAROEM LAKOEM bergamotse pergolas boestroem bastroem bestroem bostroem arboesti arboesas oemoem ammoem aroem akoem postolorum postolas akroem baroem fakroem faroem synagobi syncopas oeloem aloem oesdroem nosdroem akolasi rabotas oeldroes knoeldroes boeldroes moeldroes pastellorum crammacas oemboem hoemboem zoemboem boemboem castranorum castrafas Hendrik Nicolaas Werkman

tekst 85

Slak Duizend lichtjaren ver glinstert zijn spoor op de tegels van het tuinpad reist hij in een baan om de aarde, hoogbejaarde astronaut op zoutloos dieet, dromend

162

tekst 81

tekst 82

Er was eens een kaasboer in Gouda Die zat rond de tafel zijn vrouw na Maar zij riep zeer fief: “Alles is relatief, als ik iets harder loop zit ik jou na.

Mooie Argentijnse Áltijd vriendelijk Xantippe is ze zeker niet In voor- en tegenspoed Met blonde Willem Aanvullend, altijd

Alex van der Heiden tekst 84 tekst 83

Zag ik een bloesem die naar haar tak terugkeerde? Ach, ’t was een vlinder.

Kat Lieve kat Mijn lieve kat Ik hou van jou Altijd

Moritake tekst 86

Hollandse Eenheidsprijzen Maatschappij Amsterdam Zo Hollands als de erwtensoep met spek. Het volk is één, al zitten er scholieren te SMS’en, kletsen met z’n vieren. Een kind sproeit roze Fristi in mijn nek. Bejaarden hebben hier hun vaste stek voor stamppot, boerenkool met worst, papieren servetjes in hun bord tegen het klieren. Ook havermout met basterd is in trek. Het restaurant heet nu joyeus De Keuken, met tegels om de keuken op te leuken. Er zijn wel negen soorten vruchtenthee.

van een grote stap voorwaarts in de regen.

Marie en Fientje werden Marthe, Fini en het kadetje noemt men een panini. Straks moeten we aan de saucisse fumée.

Gerda De Preter

Patty Scholten

Dichtvormen


a Welk gedicht is een naamdicht?

Welke naam vormen de eerste letters? b Welk gedicht heeft beginrijm? c Welk gedicht heeft een gebroken rijmschema? Geef het rijmschema van het hele gedicht in letters. d Welk gedicht heeft gepaard rijm? Geef het rijmschema van dat gedicht in letters. e Welk gedicht is een klankdicht? f Welk gedicht is een voorbeeld van nonsenspoëzie? Noem 2 kenmerken van het gedicht waaruit blijkt dat het nonsenspoëzie is. g Welk gedicht is een vrij gedicht? Waarom is dat gedicht een voorbeeld van een vrij gedicht? h Welk gedicht is een haiku? i Welk gedicht is een limerick? j Welk gedicht is een elfje? k Bedenk een andere titel voor het gedicht van tekst 88 Beeld. l Welk gedicht is een sonnet? m Geef het eerste en laatste woord van het tweede kwatrijn, van het octaaf, van de tweede terzine en van het sextet. n Geef het rijmschema van dit sonnet in letters. o Welk gedicht vind je het mooiste? Waarom?

tekst 87

Zusje is niet thuis Zusje is niet thuis Ze ligt in ‘t ziekenhuis Het bed is groot De muren bloot De vloer is kil Men praat er stil Gekke geuren Bleke kleuren Ik wil haar elke dag bezoeken Met perziken en koeken Ed Franck

tekst 89

Ruzie Altijd zie je weer wat anders in de kleuren op ‘t behang, het decor van al je dromen. Maar vanavond ben je bang. Want je luistert ondertussen naar de stemmen in het huis. Eerst heel zacht en dan weer luider, papa is dus eind’lijk thuis.

tekst 88

Beeld Mensen kun je ontmoeten Nooit weer zien, maar toch groeten De herinnering blijft in je hoofd Tenminste als je erin gelooft Geloven in het beeld, het beeld in je hoofd Carmen Nijborg tekst 90

Olà! Olà! Olà! Olà! Olà Hé ladios Olà sol Arium Factor zum Smeer ‘m nu maar heel snel. Ogà! Ogà Ogà tekst 91

Liesje leerde Lotje lopen langs de lange Lindelaan, maar toen Lotje niet wou lopen, toen liet Liesje Lotje staan

Even denk je: Hoor ze lachen, maar dan lijkt het huilen weer. Is dat mams? Waar gaat het over? Ruzie! Slapen lukt niet meer. André Sollie

Dichtvormen

163


Dit antwoordenboekje zit achterin het oefenboek en is uitneembaar.


HET GROTE TAALBOEK OEFENBOEK

Antwoorden


2 3 4 5 6 / 16 15 14 13 12 ISBN 978907790650



2


b

balk boter burger dak deftig

donker dooi doorn flauw fris

hotel huis jas jurk kasteel

16 52 65 14 17

104

Ɔ;ĞĞŶƐͿ ħ͕Ǐ;WŽŽůƐͿ č͕ ;EŽŽƌƐͿ ē͕Ɠ͕Ĉ͕ţ͕ƻ͕ǎ͕ţ;>ĞƚƐͿ

XLV XXCVI CV DXXX CML

MCD MCMVL MMX MMMDLI MDXC

103

kater kers kijven krant kronkel

101

120 92 109 900 1610

102

fris glas grond grot hooi

a b c d e

Grieks Spaans Russisch Arabisch Chinees

Woorden 9 De betekenis van woorden 1

a b c d e f

2

rustig knap aardig raar boos kus fijn griezelig praten schitterend grappig

5

a b c d e f g

geluid materiaal naam geluid lichaamsdeel telwoord

vertellen tweetal narigheid broek aanvaarden strafschop toch

g h i j k l

naam telwoord telwoord vorm materiaal geluid

3

h i j k l m n

11 4 10 9 2 5 7 3 1 8 6

4

ontspannen bellen verlegen platvloers verzameling klappen avondeten

o p q r s t u

a b c d e f g h i j k

Het Grote Taalboek Oefenboek



m lichaamsdeel n materiaal o telwoord p vorm q geluid r lichaamsdeel a b c d e f g h i j k

7 11 2 10 9 1 5 4 3 6 8

ergerlijk aandacht aardig saai aankomen leraar weerkaatsen

Antwoorden

v w x y z

ingang tweedehands aanpak aardig ster

Woorden

15


a b c d e f g h i j k l m n

9

a b c d e f g

4 6 7 5 1 3 2

12

a b c d e f g

antwoord straks vaak zonder samen recht minder

14

lachen verliezen weggaan afkeuren eindigen nemen gaan missen

16

verleden verschillend eeuwig verdedigen vloed

16



7

a b c d e f g h i j k l

kauwt/koud bont/bond hart/hard nou/nauw bod/bot want/wand geldt/geld moet/moed luid/luit mijt/meid lied/liet rat/rad

11

a b c d e f g

lang wit vies breed leeg verlies licht

zitmeubel waar je van eet lichaamsdeel als het vriest speelgoed mannetjeskat een gat maken huidbedekking op vingertoppen en tenen het lot pluim af stelling bek geldla

10

a b c d e f g h i j k l m n

5 6 1 7 4 2 3

altijd zuid licht oud later scherp schoon

verkleinen verkopen zwijgen dalen scheiden trekken zakken lijmen vals zenuwachtig voordoen dubbel aftrekken

Het Grote Taalboek Oefenboek

8

h i j k l m n

a b c d e f g

middag/avond boven zwak rustig modern waarheid finish

15

a b c d e f g h

5 7 1 8 4 2 6 3

h i j k l m n

lui gevolg loskoppelen helder stilte

Antwoorden

4 6 1 7 3 2 5

makkelijk saai nergens voor netjes dom dichtbij

13

dwerg delen levend heel belonen

a b c d e f g

niet winter iedereen geluk gesloten min gevaarlijk

verzenden daar meervoud fijn verdriet

Woorden


17

muziekinstrument gitaar piano fluit

meubel bank stoel kast

fruit appel banaan aardbei

18

kat, muis, paard, koe, varken broek, rok, jurk, hemd, shirt moeder, zus, broer, oma, opa melk, thee, cola, ranja, sap

19

auto, fiets, bus, tram, metro kapper, bakker, agent, chauffeur, arts andijvie, spinazie, wortels, bonen, prei voorjaar, zomer, herfst, winter

21

a b c d e f

20

hyperoniem kleding eten snoep spel tvprogramma

22

a b c d

hyponiem spijkerbroek vla winegum scrabble GTST

speelgoed pop bal knikker

schoonmaakster buitenlander probleem inbraak gesticht afmaken, doden

e f

Onze vader is overleden. Ik ben nu werkloos. Ze hebben al het vee moeten afmaken. Hij was gemarteld om hem aan het praten te krijgen. Ze hadden veel vernield. Hij heeft teveel gedronken.

24

a b

wc eten

26

formeel het toilet bezoeken hoogst aangenaam niet de middelen



c d

zoek, kwijt vingers informeel plassen hartstikke fijn niet de centen

25

gevoel verdriet boosheid blijdschap

a b

Doei! baas

modieus sponko doen supadupa geen duku

23

a b c d

c d

zweten plassen ondanks belangrijk

juf makker

ordinair zeiken retegoed geen poen

10 De vorm van woorden 27

een maart fluit korst stem twee prijs geld vork

aantal lettergrepen twee drie huisje kabouter vlinder boterham liefde regenjas boompje brievenbus zwembad september gedoe zaterdag juni ziekenhuis gitaar apenkooi

aantal lettergrepen een twee drie schoot vrede tafelpoot bord vroeger kinderstoel spreken driewieler keuken sleutel lepel beker zandbak

 

Het Grote Taalboek Oefenboek



Antwoorden

Woorden

17


28



a b c d

koning loting kleding paling

e f g h

toneel aarde kater tante

i j k l

paleis bloempje truitje lente

m n o p

maandag vogel perzik walvis

29

hamer moeder vierkant voeten komen tegen

avond bezoek varken aantal foto laten

genoeg morgen deken piraat rolschaats over

vliegtuig auto aardbei wortel honing kralen

voetstap beter agent potlood verder armband

30

zangvogel binnendoor kanarie tovenaar ratelen

olifant hagedis evenaar envelop overval

grootmoeder paraplu donderdag boekenplank andijvie

eindeloos schilderij versturen avontuur gisteren

leugenaar vervelend sneltreinvaart geloven telefoon

31

speelgoedpaard kunstenaar kegelen uiterste

32

drie omkeren ratjetoe luisteren tevreden liefdeloos verzorging bruidegom zakelijk stopcontact klarinet bladzijde paardrijles

tekening stouterik ogenblik beterschap

verjaardag beloning iedereen metselaar

aantal lettergrepen vier vijf bestelpagina verzekering voetbalstadion autosnelweg keukenkastdeurtje avontuurlijk boomkwekerij politicus ingetogen februari bekentenis afschuwelijk mogelijkheid onruststoker waterkoker burenruzie afwasteiltje missverkiezing talentenjacht

boerderij speelkwartier vakantie computer

33

open brie la to

de de beve be tribune kwali lieve ma o tre e tu ge le ge te we pi ganise tri te ke

18



Het Grote Taalboek Oefenboek

Antwoorden

gesloten blokhut ven ter telkens ren rotsen verzoek donker ein loos wan len len langrijk teit ling fietsen ker ver ding ven eel genheid meen huis reld kam oen or ren omfan lijk speelgoed win lier

Woorden


34

a b c d e

bakker klepper ridder vallen schoppen

35

a b

deurknop postzak

c d

fietsbel stoelpoot

e f

jaszak haarspeld

g h i

ijslolly schoenveter broodtrommel

36

a b c

zebra dompteur reglement

d e f

probleem reclame publiek

g h i

symptoom katrol diploma

j k l

neutraal erwten rekruut

37

a b c

angel dwingen donker

bochel lichaam goochem

d e f

relikwie lachebek apathie

39

a b c

barsten herfstig rustiek

40

a b

klauwen kieuwen

41

a b c d e

dorstig huwelijk kansloos dringen zelfstandig

f g h i j

rusteloos ekster ontvangsten kuchen pesterij

42

a

deurknop fietsbel glasbak kastdeur voetpad tafelpoot

b

blinddoek koelkast weektaak armband doelpunt filmster

b

brandweerauto vijfsterrenhotel waterkrachtcentrale blindengeleidehond zonnebrandcrème vrachtwagenchauffeur luchtdrukpistool

f g h i j

d e f d e f

teller letter zakken ladder kudde

schenken janken klungel gespen kasteel kwispelen c d

Het Grote Taalboek Oefenboek



k l m n o

vulling flessen remmen kennen vertellen

38

g h i

a b c

p q r s t

ekster restaurant borstel

j k l

flauwekul middeleeuwen k toekomstig l verbouwen m belasting n bankier o duwen

c

44

klaslokaal evenwicht snelweg kruistocht wachtwoord stadhuis

a

trimmen fokker slimmer mollig leggen

e f p q r s t

Antwoorden

tobbe bessen treffen pappa warrig

m holster n inkomsten o minister

vernieuwen trouwen

verstandig planken klinker kachel plechtig

43

boekenplank kattenbak krantenkop pannenkoek bessensap hondenhok fietsenmaker klompendans

ernstig lastig respijt

u v w x y

u belangstelling v wespen w geeuwen x koninklijk y bedenken

a

boerenjongensijs bromfietsverzekering derdewereldland huiswerkvrij pindakaaspot voetbalschoen kruiswoordraadsel

b

stadspark geluidshinder levensadem liefdesverdriet groepsfoto damestas meningsverschil groentesoep

Woorden

19


45

c

reuzeleuk zonnestraal maneschijn Koninginnedag beresterk stekeblind zonnebank

46

a

leerlingverpleegkundige nietrokers ministerpresident exvrouw procesverbaal kandidaatnotaris oudburgemeester adjunctdirecteur secretarisgeneraal

48

a b c d

49

a beraad bericht bedrijf

b gedoe gewicht geduld

c verdachte verdeling verhaal

d herkansing hertelling herzien

50

a b c d

bestellen toekomst gebouw vertrouwd

e f g h

vergeten betalen verenigen herdenking

i j k l

gedachte vervormen verleiden herkennen

m n o p

51

a b c d

oerlelijk intriest ontberen oneerlijk

e f g h

onmogelijk ontdekking ongeluk oerdom

i j k l

ontwennen onrecht ontcijferen incompleet

m n o p

52

a b c d

microkosmos hypermodern reanimatie procent

20



versieren besluit herkansing verzenden

e f g h

a

kattenkwaad b lampenkap stoelendans Vrijheidsbeeld meisjesnaam

b

be/verzetten gemakkelijk geluk herinnering

e f g h

presentatie protest hypernerveus re端nie

Het Grote Taalboek Oefenboek

stationsplein verrekijker paddenstoel tovenaarskunst zwijnenstal

47

tvtoestel wcbril top2000 VNmissie 65+kaart yas jpegbestand tussenn CDAprogramma

i j k l

gevoel herexamen gezicht berouw

m n o p

c

rozenstruik muizenval leeuwenkoning roversnest gemeentehuis

diefjemetverlos kruidjeroermijniet laagbijdegronds glasinlood nekaannek katenmuis heenenweer hinkstapsprong zwartwit kantenklaar janee kopstaart gasenlicht mondopmond

verdieping beginnen gevecht bekentenis

q r s t

belonen genoeg beroemd verlof

bevelen verliefde herleven geroep

q r s t

beslag verbruik verlegenheid bewijzen

onbekend oeroud ontvlammen inrichting

q r s t

inkoop inlichting ontbijten oerwoud

i reageren j present k proactief/ hyperactief l microkrediet

Antwoorden

m n o p

reproductie microbiologie prehistorie reactie

q preparaat r micro organisme s provoceren t reconstructie

Woorden


53

a aandachtig b eindelijk of eindeloos c kruidig

d aandoenlijk e doelloos f rustig of rusteloos

g futloos h ademloos i verstandig of verstandelijk

j lastig k schandelijk l kansloos

54

a b c d

e f g h

i j k l

m heiligdom / heiligheid n broederschap o schaarste / schaarsheid p vrijheid

55

a

draagbaar bakkerij zending aanstellerij betovering

b

veiling drinkbaar verzekering of verzekeraar twijfelaar aaibaar

c

telbaar of telling schakeling of schakelaar trilling drukkerij lening

d

vleierij strafbaar sloperij aantoonbaar woning

e

ontvlambaar visserij zagerij beschikbaar handelaar of handeling

f

rekbaar bediening wasserij beloning draaibaar

a b c d e

ziekelijk bazig bewusteloos gelovig vreselijk

56

57

boosheid vriendschap diepte heldendom

warmte schoonheid meesterschap zekerheid

f g h i j

hartelijk, harteloos, hartig bloedig, bloederig nuttig, nutteloos eindig, eindelijk, eindeloos verstandig, verstandelijk bangelijk levendig, levenloos

veiligheid wetenschap luwte kostbaarheid

gehorig menselijk koppig begrijpelijk onzinnig

58

k l m n o

klakkeloos verrukkelijk verleidelijk huiselijk grenzeloos

a

slordig, pezig genadig, gezellig gunstig, bezig

b

rillerig, vlekkerig bedillerig, kleverig

c

belachelijk, gemak kelijk, smartelijk, kostelijk

60

onoverzichtelijk ontoegankelijk ontoelaatbaar onwezenlijk verwensing verdamping

61

–heid achter alle woorden, behalve die op –ing

verhuizing ontsluiting vertaling ontwenning verzameling ontlading

Het Grote Taalboek Oefenboek



verschrikkelijk onnodig onenig onbetaalbaar verwisselbaar verrekenbaar

Antwoorden

59

m schuldig of schuldloos n lieflijk o aanzienlijk q r s t

blijheid dronkenschap rijkdom ziekte

p q r s t

jarig vriendelijk hulpeloos erfelijk gelukkig

a

babbelaar, bedelaar, eigenaar, makelaar

b

kostbaar, betaalbaar, bereikbaar, herkenbaar, betrouwbaar

c

naamloos. spoorloos, werkloos, weergaloos

betaalbaar gewenning ontlading verhuizing verwisseling berekenbaar

Woorden

21


62

a b c d e

korsten poorten vrouwen vliegtuigen bloemen

f g h i j

stoelen broeken kluiten pleinen geschenken

k l m n o

boeken konijnen dieren sprongen tulpen

p q r s t

63

a b c d

benen poten kelen meren

e f g h

ramen beren noten vloten

i j k l

muren kranen repen kuren

m palen n oren o steken p keren

q r s t

64

a straffen sloffen kliffen

b heggen vlaggen ruggen

c rekken bakken blokken

d ballen stellen rollen

e kammen bommen remmen

f pannen dennen vinnen

g moppen stippen koppen

h karren sterren torren

i messen jassen vissen

j putten petten latten

65

a b c d e

f g h i j

k l m n o

p q r s t

u werven v vazen w mezen x kazen y wezen

66

a runderen b kalveren c smeden

d leden e schepen f moeilijkheden

g eieren h bladeren i kinderen

67

a b c d

e f g h

i j k l

68

a haviken b krokussen

c monniken d luiwammesen

69

a b c d e

stapels toeters ruzies jongens bloemetjes

f g h i j

70

a b c d e

paraplu’s kano’s logés programma’s buggy’s

22



wolven neven slurven korven zalven

industrieën feeën studies knieën

dieven kluiven gleuven graven slaven

genieën toffees lelies democratieën

muizen prijzen kiezen bonzen lenzen

u leeuwen v vorken w planken x bergen y grachten

glazen rozen reuzen ganzen klunzen

j liederen k kleinigheden l lammeren

encyclopedieën moskeeën fantasieën portemonnees

e baronessen f artikelen

kranten mutsen deuren schermen leerlingen

beten vuren zolen koren

m goederen n zekerheden o beenderen

m reeën n coalities o zeeën p komedies

q r s t

g bangeriken h onderwijzeressen

unies calorieën sneeën conclusies i vonnissen j engelen

kegels eekhoorns snavels clowns torens

k schommels l schrijvers m tralies n horloges o appels

p q r s t

vogels vaders fietsers televisies koffers

u hotels v meisjes w luisteraars x pauzes y morgens

f g h i j

k l m n o

p q r s t

pyjama’s ski’s oma’s pony’s abonnees

u radio’s v thema’s w hobby’s x trolleys y cadeaus

drama’s audities foto’s lama’s tantes

Het Grote Taalboek Oefenboek

regio’s alibi’s menu’s garages deejays

Antwoorden

Woorden


71

a b c d e f b

75

technici lycea chemici gymnasia criteria musici

72

a b c d e f

leraressen brieven telefoons kooplui/kooplieden monteurs wandelaars –je muisje plaatsje spruitje landje doekje bootje snoepje bordje vriendje

73 voormannen

havo’s ROC’s bh’s tv’s x’en CX’en c

buurmannen/ buurlui/buurlieden bewindslieden kooplui/kooplieden

flauweriken scholen kwallen piano’s medici gelegenheden

–pje wormpje lampje geheimpje

d

–tje worteltje broertje bekertje verhaaltje torentje steeltje

fobieën lobbesen dia’s elektriciens bezems jubilea

74

a

e

agenda’s files allergieën dominees kliffen raderen

leraren visies kennissen buizen werklui/werklieden vmbo’s

–etje lammetje sommetje biggetje



76

a b c d e

duimpje bakje schaatsje appeltje kammetje

f g h i j

raampje vaasje karretje kamertje kraampje

k l m n o

handje sterretje hoedje koetje kleedje

p q r s t

fluitje geurtje vogeltje spelletje emmertje

u v w x y

doosje sleuteltje boekje balletje eitje

77

a b c d

kleuter kom lokaal zalf

e f g h

weg drank riem geluid

i j k l

probleem spat jongen trui

m n o p

paard ruit knie fiets

q r s t

vel schrift zaad ding

78

a b c d

pootje laatje menuutje bikinietje

e f g h

alineaatje trolleytje lolly’tje mamaatje

i j k l

skietje opaatje fotootje pony’tje

m n o p

schemaatje spraytje kassaatje kanootje

79

a dametje d feetje b coupeetje e logeetje c vitamientje f horlogetje

g sleetje h hordetje i zeetje

80

a b c d

i j k l

palinkje paadje tekeningetje leninkje

e f g h

bloedinkje gaatje kettinkje gsm’etje

vaatje verrassinkje havootje beloninkje

q r s t

j cabientje k methodetje l opnametje m n o p

playboytje radiootje deejaytje paginaatje

m ideetje n trampolientje

cd’tje woninkje blaadje kronkelingetje

q r s t

leuninkje wc’tje wandelingetje bh’tje



Het Grote Taalboek Oefenboek



Antwoorden

Woorden

23


81

a b c d e

boerin vriendin koningin keizerin prinses

f g h i j

zangeres lerares eigenares(se) agente violiste

82

a b c d

sollicitante assistente journaliste cliënte

e f g h

erfgename fotografe echtgenote radiologe

83

a illustratrice b enquêtrice

c conductrice d cardiologe

84

initiaalwoord letterwoord cijferwoord

vwo, pc, ADSL, NS, btw, NOS, APK, vmbo, KLM, B&W vut, HEMA, aids, vip, lat, Unicef, laser, FIFA 747, C5, 007, 4711, 3G

k l m n o

artieste muzikante medewerkster verkoopster schrijfster

p q r s t

voorzitster leeuwin berin ezelin apin

i coördinatrice j commentatrice k imitatrice l organisatrice

m n o p

e ambassadrice f donatrice

g hypnotiseur h animatrice

actrice redactrice directrice instructrice

q r s t

u v w x

poes ooi koe teef

masseuse adviseuse etaleuse regisseuse

i monteuse j conservatrix

11 Woordsoorten 85

a b c d e f

zien drinken rijden schrijven zitten varen

86

a b c d e f

voeren bakken maken spelen doen koken

87

a b c d e f

danst gaan huppelt vaart vertrekken begint

88

a b c d e f

kom krijgen fiets gaf zeur heeft

89

a b c d e f

kookte repareert zongen bewaren hebben deden

90

a b c d e f

kwam hielp konden gaf wist vroeg

91

a b c d e f

blazen rijdt bracht zegt ligt dolen

92

a b c d e f

fietsen schaatsen voetballen lijmen vissen spelen

93

a b c d e f

ruiken springen liegen komen jagen stinken

94

a b c d e f

galopperen duwen brengen lopen kijken fietsen

24



95

a b c d e f

krijgt roept huilt lacht hangt schrikt

Het Grote Taalboek Oefenboek

96

a b c d e f

Wij liggen op de bank. Wij wachten nog even. Wij houden van voetbal. We rennen er gauw achteraan. Wij kijken tv. Wij spelen het liefst met jou.

Antwoorden

Woorden


97

a b c d e f

bel levert doen verloor krijgen kwamen

98

a b c d e f

liep deed ging aten maakte wist

99

a b c d e f

schrijven lachen spelen geven weten zetten

100

roep zoek werk

wacht duw denk

klier rijd lijk

fiets vlieg piep

101

zie grijp kijk

teken aai geeuw

leid vier zeil

kauw ren luier

102

liggen > ligg > lig willen > will > wil mikken > mikk > mik pitten > pitt > pit boffen> boff > bof klimmen > klimm > klim jokken > jokk > jok

103

verhuis > verhuiz geloof > geloov reis > reiz kleef > kleev draaf > draav

104

a b c d e f g h

ik pakte jij merkte hij tikte ze botste het paste wij hoopten jullie puften zij poetsten

105

a b c

draafde reisde vreesde

106

a b c d e

klimmen winnen krijgen liggen geven

leef > leev vrees > vreez stoof > stoov kijf > kijv zeef > zeev i j k l m n o p

ik droomde jij rende hij rilde zij voelde het duurde wij leerden jullie stoorden zij duimden d e

f g h i j

Het Grote Taalboek Oefenboek



praten > prat > praat slapen > slap > slaap lopen > lop > loop halen > hal > haal gluren > glur > gluur steken > stek > steek slepen > slep > sleep beef > beev kloof > kloov graas > graaz streef > streev loos > looz q r s t u v w x

bukte kende kuste luisterde lukte wilden lachten boften

zeefde geloofden

schrikken blijven rijden lezen klinken

k l m n o

f g

verhuisden glansden

vragen drijven roepen prijzen krimpen

Antwoorden

Woorden

25


107

a b c d e f g h

beet blies dacht boog hielp vergaten scholden zwommen

i j k l m n o p

mat rook loog genoot goot keken spraken glommen

q r s t u v w x

sloot trok ving genas glom sprongen wezen sloegen

108

a b c d e

gehaakt gerust geslipt geblaft gekookt

f g h i j

gebloeid gehoord gespeeld gekreund gegeeuwd

k l m n o

gedeeld geschaatst gegraaid gerookt gespoord

109

a De auto heeft geremd. b Ze heeft haar aardappels geprakt. c De kat heeft de hele tijd gemiauwd. d De inbreker heeft de kluis gekraakt. e Hij heeft zaterdag bij de buren geklust.

110

a b c d e

111

a De dominee heeft gebeden. b Ze is niet meer gekomen. c De man heeft steeds gezwegen. d Hij heeft erover gelogen. e We hebben de touwen vastgebonden.

112

a b c d e

26



gedronken gegrepen gegraven gevonden gedragen

verweten verkregen verslonden verscholen verbouwd

f g h i j

f g h i j

f g h i j

Ze heeft mijn pen gepikt. Hij heeft in de pan geroerd. Ze heeft de stoelen afgestoft. Ze heeft de hele nacht gehuild. Ik heb me rot gerend.

gekregen gezongen geschoten gekropen gespeten

k l m n o

Zij heeft geen bier gedronken. g De hond heeft me gebeten. h Ik ben ervan geschrokken. i Hij heeft nog niet gedoken. j We hebben om 7 uur gegeten.

Het Grote Taalboek Oefenboek

k l m n o

De hond heeft zijn bak uitgelikt. l Ik heb de klok gehoord. m Iemand heeft op de deur geklopt. n Ik heb je vanmiddag gebeld. o Ze heeft het nog een keer geprobeerd.

geroepen gescheiden geraden gesmolten gestolen

f

begrepen bedrogen bewogen bezeten beloofd

k

k Ze hebben haar nagefloten. l De was heeft buiten gehangen. m Je hebt me altijd geholpen. n Hij heeft me niet aangekeken. o We hebben voor hem gekozen.

ontweken ontgonnen ontloken ontstoken ontsierd

Antwoorden

p q r s t

genezen herkozen onderbroken herbouwd ervaren

Woorden


113

a gezien b gedaan

114

a b c d

115

o.t.t.t. ik zal brengen jij zal studeren jullie zullen meegaan wij zullen werken

o.v.t.t. ik zou brengen jij zou studeren jullie zouden meegaan wij zouden werken

hij zal komen jullie zullen spelen zij zullen vertrekken wij zullen trouwen

hij zou komen jullie zouden spelen zij zouden vertrekken wij zouden trouwen

116

117

ik had geknoeid hij had gevraagd het had gestormd wij hadden verslagen

e f g h

e gegeten f gekomen hij had gespuugd jullie hadden bezorgd wij waren geworden zij hadden geleden

g gebracht h gekocht i j k l

zij hadden gebloosd jij had verbonden hij had gegoocheld wij hadden gespiekt

v.t.t.t. ik zal gezegd hebben jij zal geweten hebben jullie zullen verteld hebben

v.v.t.t. ik zou gezegd hebben jij zou geweten hebben jullie zouden verteld hebben

hij zal bedacht hebben jullie zullen gekeken hebben zij zullen gelezen hebben

hij zou bedacht hebben jullie zouden gekeken hebben zij zouden gelezen hebben

a b c d e f g h

119 a

b c d

120

c gestaan d geslagen

a b c d

o.t.t. o.v.t. o.t.t. v.t.t. o.v.t. o.t.t. o.v.t. v.t.t.

i j k l m n o p

verdeelden loopt vond sloeg

o.t.t.t. v.t.t. v.t.t. o.t.t.t.

118

v.t.t. o.t.t. o.t.t. v.t.t. o.v.t. o.v.t. o.t.t. o.t.t. e f g h

werkt hebben (pv) gekozen weet speelden

e o.v.t.t. f o.v.t.t. g o.v.t.t. h o.t.t.t.

a b c d e f g h i j k l

i j k l

gaat vertrok rijdt is was hou hield heb leeft begint kwam heb (pv) verknald

v.t.t. v.t.t. v.t.t. v.v.t.

i j k l m n o p m n o p

m n o p

hebben eten vangt heeft ving vonden is vangt

luister begreep krijg lijkt

v.v.t. o.v.t.t. v.t.t. o.t.t.t.



Het Grote Taalboek Oefenboek



Antwoorden

Woorden

27


121

a b c d

zullen heb heb zult

e f g h

zou zou zou zal

i j k l

heb heeft is had

122

a v.t.t.t. b o.v.t.t. c o.v.t.t. d v.t.t.t.

e f g h

o.t.t.t. o.v.t.t. v.t.t.t. v.v.t.t.

i j k l

v.v.t.t. o.t.t.t. v.v.t.t. o.v.t.t.

123

a b c d

e f g h

124

a b c d e f g h i j

We hebben lang voor de toets geleerd Er zal ooit een einde aan komen. Ze deden alles met z’n allen. We zullen gauw eens op bezoek komen. Dat had ik beloofd. Juf zou je geroepen hebben. Dat heb je zo vaak gezegd. Dat zou ik heus wel gezien hebben. Dat ging bijna mis! Je lijkt op iemand.

126

a b c d e f g h i

hebben = hww, voetballen is zww mogen = hww, hebben = zww kunnen = hww, komen = zww moeten = hww, helpen = zww willen = hww, gaan = zww mogen = hww, spelen = zww hebben = hww, denken is zww zijn = hww, vallen = zww kunnen = hww, slapen = zww

127

a worden = hww, uitnodigen = zww b worden = hww, kopen = zww c worden = hww, verwijderen = zww

128

a b c d e f

zal zou zou zal

zal zou zal zou

hww: hebben, willen; zww: komen hww: hebben, willen; zww: zeggen hww: zullen; zww: willen hww: hebben, moeten; zww: doen hww: mogen, worden; zww: organiseren hww: hebben, kunnen; zww: drinken

m n o p

m o.t.t.t. n o.t.t.t. o o.v.t.t. p o.v.t.t.

i zou j zal k zou l zou

125

j k l m n o p q r

had zou ben zal

m n o p

zullen zal zouden zou

a b c d e f g h i j

o.t.t. v.t.t. o.v.t. o.t.t.t. o.v.t.t. v.v.t.t. o.v.t. v.t.t. o.t.t. o.t.t.t.

willen = hww, drinken = zww kunnen = hww, doen = zww mogen = hww, starten = zww hebben = hww, bellen = zww mogen = hww, zeggen = zww zullen = hww, gaan = zww hebben = hww, doen = zww zijn = hww, struikelen = zww mogen = hww, kijken = zww

d worden = hww, aangifte doen = zww e worden = hww, uitfluiten = zww f worden = hw, verhoren = zww

129

hww tijd hww wijze hww lv a b c

hebben hebben zullen

willen willen

d e f

hebben

moeten mogen kunnen

hebben

worden



28



Het Grote Taalboek Oefenboek

Antwoorden

Woorden


130

a c d f g i j l m o

lijkt 131 werd is schijnt blijft bleek heet dunkt werd komt voor

a b c d e f g h i j k

l 132

a b c d e f g h i j k

l

moet = hww wijze; denken = zww heeft = hww tijd; gegooid = zww blijft = kww leek = kww zal = hww tijd; wezen = kww werd = hww lv; gevoeld = zww kun = hww wijze; aangeven = zww vind = zww zou = hww tijd; willen = hww wijze; hebben = zww zou = hww tijd; moeten = hww wijze; doen = zww moet = hww wijze; geloven = zww bleek = kww

moet = pv; denken = infinitief heeft = pv; gegooid = volt. dw blijft = pv leek = pv zal = pv; wezen = infinitief werd = pv; gevoeld = volt. dw kun = pv; aangeven = infinitief vind = pv zou = pv; willen = infinitief; hebben = infinitief zou = pv; moeten = infinitief; doen = infinitief moet = pv; geloven = infinitief bleek = pv

133

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12

134

zin 1 = aantonende wijs, o.t.t. bestaan = zww, pv, 3e p mv zin 2 = aantonende wijs. v.t.t. hebben = hww tijd, pv 3e p mv gesproken = zww volt. dw. zin 3 = aantonende wijs, o.t.t. kunnen = hww wijze, pv, 3e p mv praten = zww, infinitief zin 4 = aantonende wijs, o.t.t. kunnen = hww wijze, pv, 3e p mv schrijven = zww, infinitief zin 5 = aantonende wijs, o.v.t. waren = kww, pv, 3e p mv

Het Grote Taalboek Oefenboek



gaan = aantonend; bakken = onbepaald lezen = aantonend neme = aanvoegend smelt = gebiedend; roerend = tegenw. dw doe = gebiedend kneed = gebiedend maak = gebiedend; draaiende = tegenw. dw. leg = gebiedend doe = gebiedend worden = aantonend laat = gebiedend; afkoelen = onbepaald eet = gebiedend

zin 6 = aantonende wijs, o.v.t. had = zww, pv, 3e p ev zin 7 = aantonende wijs. o.v.t. moest = hww wijze, pv 3e p ev tekenen = zww, infinitief. zin 8 = aantonende wijs, o.v.t. werden = hww lv, pv, 3e p mv gebruikt = zww, volt. dw. zin 9 = aantonende wijs, o.v.t. waren = kww, pv, 3e p mv zin 10 = aantonende wijs, v.t.t. is = hww tijd, pv, 3e p ev ontstaan = zww, infinitief

Antwoorden

Woorden

29


135

a b c d e f g h

137

mag hebt, heeft kan wilde hebt mag zult wil

i j k l m n o p

a b c d e f g

het vindt plaats hij overwint hij komt binnen hij maakt vast hij stelt voor hij mishandelt hij ondergaat of hij gaat onder h hij voorspelt i hij schenkt vol

140

a de de het de

142

a de touwen de knikkers de pleinen de kooien

143

a b c d e f

een het een een de de

b

144

mensen bakker leraar man

30



a b c d e f g h i

a b c d e f g

dieren hond kat koe

141

de, de de, de de, de een, een een, een het het, de, het, de de, de een, het het

planten bloem boom roos

Het Grote Taalboek Oefenboek

a b c d e f g h i

achtervolgd klaargemaakt vrijgekomen nagedacht aanvaard bijgeklust doorgebroken onderscheiden misleid

de beurten de krijtjes de meesters de juffen

h i j

146

138

het de de het b

136

kun ben is mocht kon had bent mag

a

a

145

ik keur af ik geef op ik haal over ik overtuig ik stel teleur ik overweeg ik voldoe ik overdrijf ik onderhandel

139

de schriften de gangen de stoelen de gebouwen

143

f

zij laten los zij halen adem zij omsingelen zij stappen over zij mislukken zij nemen waar zij onderstrepen zij leiden af zij overtreden

i

het fietsje het boekje het poesje het beestje

a b c d e

a b c d e f g h

b

het straatje het schooltje het dorpje het jasje

b

de geluiden de deuren de winkels de woorden

144 onbepaald bepaald onbepaald onbepaald bepaald bepaald

a b c d e f g h i j

dingen tafel boek deur

147

bep, bep bep, bep bep, bep onbep, onbep onbep, onbep bep bep, bep, bep, bep bep, bep onbep, bep bep

d, e, f, m, p en q niet a de h het l het b de i de n de c de j de o het

Antwoorden

Woorden


vrouw

vis

eik

g de

tuin

k de

r de



148

a b c d e f g h i

149

jongen, bank krant advertenties appel mesje appel, klokhuis geluid garage trap

j k l m n o p q r

mensen de opa de broer de groenteboer de voetballer de trainer de scheidsrechter de supporters de keeper de presentator de kampioen

150

a b c d e f g

153

a

b c d

zijn haar haar zijn zijn haar zijn

151

a b c d e f

namen Jaap Vera Japan Hilversum ZuidAfrika

m m/v v v v m

g h i j k l

goud – geen meervoud oranje – geen meervoud feest – feesten muziek – geen meervoud plezier – geen meervoud relletjes – relletje supporters – supporter

Het Grote Taalboek Oefenboek



portier, auto sleutel, slot deur, vader hond riem, bal moeder, eten huiswerk proefwerk voldoende

m m v m v v

dieren het konijn de poes de vis de giraf de leeuw

m n o p q

r

v v o v v m

e f

dingen de tv de tafel de peer de keuken de toeter de telefoon de fruitschaal de borden de goal de glazen de bril het doelpunt de chips het spandoek de koffie de tuin de kroeg de jurk de beker de bus

152

a b c d e f

de; het het; de de; het de; het de; het de; het

g h i j k

het; de het; de de; het de; het de; het

bier – geen meervoud ruiten – ruit politie – geen meervoud gemoederen – geen enkelvoud enkeling – enkelingen lurven – geen enkelvoud bureau  bureaus

Antwoorden

Woorden

31


g

h i

154

agent  agenten hurken – geen enkelvoud gewonde  gewonden kleren – geen enkelvoud man  mannen

concreet knie leerlingen vader krant meester werkstuk camping zwembad ouders museum

abstract 155 pijn organisatie feest gedoe protest politiek nieuws gevoel humeur opwinding studie zomer vakantie Frankrijk hitte dag kunst plezier

j

k a b c d

e f

g

h i j k

156

a b c d e f g h i j

160

lekkere blinde groene gezonde giftige spannend raar lang wild leuk

geweldig prachtige stoere blauwe

32



reinigingsbedrijf  reinigingsbedrijven rotzooi – geen meeroud gemeente – gemeentes kosten – geen enkelvoud

Het duurt nog weken. Je moet die vlek eerst weken. Ik slaap het liefst op een veren kussen. Hij wilde zijn tante niet kussen. Dat moet je me niet nog eens flikken. Houd je van chocoladeflikken? De wijzen uit het oosten brachten geschenken mee. Kun je me de weg naar de markt wijzen? Wat een mooie kleuren heeft deze prent! Ze kleurde van schaamte. We hebben veel last van vliegen en andere insecten. De vogeltjes vliegen hoog in de lucht. De boeren halen de oogst binnen. Chinezen vinden boeren na het eten de gewoonste zaak van de wereld. Hoeveel wegen uw koffers? Er stond meer dan 200 km file op de wegen. In 2012 zijn de Olympische Spelen in Londen. Bonnie, kom je buiten spelen? Je moet zelf lakens en slopen meenemen. Morgen beginnen ze deze flat te slopen. Schaken en dammen zijn denksporten. Nederland maakte dammen in rivieren.

157

a b c d e

oude speelse grote rijpe lieve

158

a b c d

lelijke vals warm lekker

159

a b c d e f g h

enorme 161 a het prinselijk paar het prachtige paar leuke b het schriftelijk examen nieuwe het moeilijke examen schattige c de zakelijk leider

Het Grote Taalboek Oefenboek

Antwoorden

grote zwarte leuke dikke hete klein oude sluwe

d de behandelend arts de jonge arts e de gevolmachtigde minister de vrouwelijke minister f de plastisch chirurg

Woorden


de zakelijke overeenkomst

de uitstekende chirurg



162

a b c d e f

niet goed kan zwemmen niet lekker is goed kan opereren er goed uitziet leuk kan spreken leuk

165

diepere, diepste korter, kortste snellere, snelste lekkerder, lekkerste

167

stellend nieuwe handige

vergrotend betere schoner goedkoper meer

168

lidwoord

zelfstandig naamwoord Roos meid fiets weg school broertje schoentjes jas school plein bankjes zandbak speeltoestellen kinderen klas werkjes leerlingen tekeningen bord juf verhaal speellokaal

een een de een de een een de de de de de het de een het

166

163

Het Grote Taalboek Oefenboek



a b c d e f g h

polyester ijzeren marsepeinen papieren houten katoenen koperen bronzen

smaller, smalst mooier, mooist lelijker, lelijkst goedkoper, goedkoopst duurder, duurst

164

a b c d e f g

h

plastic granieten zijden kartonnen gouden nylon rieten stalen

harder, hardst viezer, viest laffer, lafst netter, netst liever, liefst

overtreffend voordeligste geurigste lekkerste meeste bijvoeglijk naamwoord leuke nieuwe korter kleine rode blauwe groot houten ronde kleurige meeste laatste mooiste spannend grote

Antwoorden

Woorden

33


169

a b c d e f g

171

a b c d e f

172

a b c d e f

jij hij we jullie ze u

g h i j k l

jullie we ik ze het ze

173

a b c d e f

175

a b c d e f

1e mv 1e ev 3e ev 3e ev 3e ev 2e ev

g h i j k l

3e mv 2e ev 2e ev 3e mv 2e mv 1e mv

176

a b c

177

a b c d e f g h

eerst daarna gisteren toen erg hard natuurlijk

h i j k l m n

hiernaast misschien, even linksaf vaak binnenkort graag niet

o p q r s t u

bijvoeglijk naamwoord: stom de hele zin bijwoord: snel bijvoeglijk naamwoord: goed bijwoord: hard bijvoeglijk naamwoord: spannend

zijn: 3e ev, hun: 3e mv mijn: 1e ev, jouw: 2e ev onze: 1e mv, hun: 3e mv mijn: 1e ev, onze: 1e mv uw: 2e ev, onze: 1e mv ons: 1e mv, jullie: 2e mv jouw: 2e ev, haar: 3e ev onze: 1e mv; uw: 2e ev

d e

g h i j k l

ons mij hem haar haar u

g h i j k l

a

34



waarom lang wanneer veel waar erg waarmee verschrikkelijk hoe al

hen je jou hun jullie ons

174

f g h i j

2 e ev 3e ev 1e mv 2e mv 3e mv f 2e ev

a b c d e

g h i j k l

2e mv 1e mv 1e ev 3e ev 3e ev 3e ev

zijn, zijn haar, zijn zijn, hun mijn, jouw jouw, haar

jouw: 2e ev, ons: 1e mw mijn: 1e ev, jullie: 2e mv jouw: 2e ev, mij: 1e ev hij: 3e ev, zijn: 3e ev, hun: 3e mv we: 1e mv, onze: 1e mv, jou: 2e ev zijn: 3e ev, hij: 3e ev, haar: 3e ev haar: 3e ev, zij: 3e ev, het: 3e ev, wij: 1e mv, het: 3e ev, zijn: 3e ev je: 2e ev, hun: 3e mv, ons: 1e mv

a b c d e f g h

179

a b c d e f g h i j

de hele zin bijvoeglijk naamwoord: aardige de hele zin bijvoeglijk naamwoord: jong de hele zin de hele zin

mijn, onze mijn, jullie jouw, hun, mijn haar, zijn zijn, onze

178

170

steeds pas bijna helaas eigenlijk er nooit

ze = pers. vnw. 3e p. ev. groet = pv, zelfst.ww. 3e p.ev. o.t.t. haar = bez. vnw. nieuwe = bijv.nw. buren = znw

b

Het Grote Taalboek Oefenboek

Antwoorden

Onze = bez. vnw. vakantie = znw. was = pv, koppelww. 3e p.ev. o.v.t. een = onbep. lw. groot = bijv.nw. succes = znw.

Woorden


c

d

e

Mijn = bez. vnw. pen = znw. is = pv, koppelww. 3e p.ev. o.t.t. leeg = bijv.nw. mag = pv, hww. van wijze, 3e p.ev. o.t.t. ik = pers.vnw 1e p. ev. de = bep. lw. uwe = bez. vnw. 3e p.ev. zelfst. gebruikt gebruiken = zww, infinitief Het = pers. vnw. 3e p.ev. is = pv koppelww. 3e p.ev. o.t.t. zijn = bez. vnw. 3e p.ev. mening = znw. niet = bijwoord de = bepaald lw. mijne = bez. vnw. 1e p. ev. zelfst. gebruikt Ik = pers. vnw. 1e p.ev. heb = pv, hww van tijd, 1e p.ev. o.t.t. (maar = v.t.t.) het = bepaald lw. moeilijkste = bijv.nw. zelfst. gebr. gisteren = bijwoord al = bijwoord gedaan = zelfst. ww. volt.dw.

180

a dit b deze c die

181

a deze/die c dat b dit d die

182

a b c d

d deze e die f deze

die, broek dat, verhaal dat, boek die, kinderen

g zo’n h zulk i dezelfde

Waar = vragend bijwoord. zijn = pv, zelfst. ww. 3e p.mv. o.t.t. jullie = bnw. ouders = znw.

g

we = pers. vnw. 1e p. mv kennen = pv, zelfst. ww, 1e p.mv o.t.t. hun = bez. vnw. wilde = bijv. nw. ideeën = zelfst. nw

h

Hij = pers. vnw. 3e p. ev. trekt = pv, zelfst.ww. 3e p.ev. o.t.t zijn = bez. vnw. schoenen = znw uit = scheidbaar deel van ww uittrekken

i

We = pers. vnw. 1e p. mv. doen = pv, zelfst.ww. 1e p.mv. o.t.t het = bepaald lw. uiterste = bijv. nw. zelfst. gebr.

j

Zijn = bez. vnw. fiets =znw. fietst = pv, zelfst.ww. 3e p.ev. o.t.t lichter = bijwoord

j ditzelfde k datzelfde l dat

e hetzelfde g dezelfde f hetzelfde h zulke e f g h

Het Grote Taalboek Oefenboek



f

die, zus die, chocola wat, alles die, paarden

i j k l

m dergelijke n zo’n o diezelfde i j

die, scooter die, film dat, huis wie, buren

Antwoorden

dezelfde zo een m n o p

p zulke q hetzelfde r zulke k deze l dezelfde

wat, iets wat, vreemdste wat, enige wie, jongen

Woorden

35


183

a die b die c die

d wie e dat f wie

184

d en f

186

185

a, c, e en f

187

a wat b welke d wie

e wat g wat voor i wat voor een

188

a b c d

e f g h

189

a b c d

alles iedereen elk elk

a b

c d

e

f g h

36



a wie b wat c die

iets iemand elk niets

elkaar = wederkerig me = wederkerend je = wederkerend zich = wederkerend elkaar = wederkerig e je = wederkerend

190

g wat h wat i die

j wat k wat l wie

d wie e wat f wat k wie m wie n wat voor

g die h wat i wat

j wat k wie l wie

p welke q wie s wat voor

t wat v wie

i j k l

allemaal iedere elke niemand

f g h i

elkaar = wederkerig zichzelf = wederkerend me = wederkerend zich = wederkerend; elkaar = wederkerig zich = wederkerend

j

die = aanwijzend vnw. zich = wederkerend vnw. ik = pers. vnw. 1e p. ev. me = wederkerend vnw. dit = aanwijzend vnw. wie = vragend vnw. dat = betrekkelijk vnw. niemand = onbepaald vnw. iedereen = onbepaald vnw. zich = wederkerend vnw. ze = pers. vnw. 3e p. ev. zich = wederkerend vnw. die = betr.vnw. deze = aanwijzend vnw. haar = pers. vnw. 3e p. ev. mijn = bezittelijk vnw. ik = pers.vnw. 1e p.ev ieder = onbepaald vnw. zijn = bezittelijk vnw. wat = betrekkelijk vnw. ik = pers. vnw. 1e p. ev. dat = betrekkelijk vnw.

Het Grote Taalboek Oefenboek

m n o p

men niets iemand men

q r s t

ieder alle allemaal elke

k l m n o

u v w x

niets niets niemand iets

elkaar = wederkerig zich = wederkerend u = wederkerend zich = wederkerend mezelf = wederkerend

ze = pers. vnw. 3e p. ev. me = pers. vnw. 1e p. ev. i dat = aanwijzend vnw. die = betrekkelijk vnw. je = pers. vnw. 2e p. ev. mij = pers. vnw. 1e p.ev. j wie = vragend vnw. we = pers. vnw. 1e p. mv. dit = aanwijzend vnw. k je = pers. vnw. 2e p. ev. deze = aanwijzend vnw. die = aanwijzend vnw. l je = pers. vnw. 2e p. ev. mij = pers. vnw. 1e p. ev. mijn = bezittelijk vnw. m we = pers. vnw. 1e p.mv. dit = aanwijzend vnw. elkaar = wederkerig vnw. n het = pers. vnw. 3e p. ev. wat = betrekkelijk vnw. o dit = aanwijzend vnw. wie = betrekkelijk vnw.

Antwoorden

Woorden


p q

r

s

191

a b c d e f

192

a b c d e f g

195

a b c d e

wie = vragend vnw. mijn = bezittelijk vnw. dat = aanwijzend vnw. onze = bezittelijk vnw. die = aanwijzend vnw. ze = pers. vnw. 3e p. ev. zich = wederkerend vnw. haar = bezittelijk vnw. dat = betrekkelijk vnw. ze = pers. vnw. 3e p. ev. we = pers. vnw. 1e p. mv. elkaar = wederkerig vnw. op in voor tegen tegenover met maar en noch dus of noch want

g h i j k l

193

hoewel – inperking omdat – reden mits – voorwaarde als – voorwaarde wanneer – voorwaarde f als – voorwaarde g tenzij – inperking

198 a b c d e f

hoofdtelwoord 5, 5

a b c d e f g

t

wie = vragend vnw. hem = pers. vnw. 3e p. ev. u ik = pers. vnw. 1e p. ev. dit = aanw. vnw. elke = onbepaald vnw. v wat = betrekkelijk vnw. je = pers. vnw. 2e p. ev. ander = onbepaald vnw. w we = pers. vnw. 1e p. mv. elkaar = wederkerig vnw. wat = betrekkelijk vnw. ik = pers. vnw. 1e p.ev uit achter naar aan tussen zonder

194

dus want of en noch of maar

196

a b c d e f g h i j

om maar omdat wanneer en hoewel ondanks sinds totdat doordat

rangtelwoord derde eerste

vijftig hoeveelste

m n o p q r

g h i j k

hoofdtelwoord enkele genoeg sommige enige alle

beide

a b c d e f

over tegen onder voor naast bij om – doel nadat – tijd doordat – oorzaak sinds – tijd om – doel toen – tijd

197

a b c d e f g h i j

terwijl of daarom want mits nadat toen zodat daarom noch

rangtelwoord

laatste



Het Grote Taalboek Oefenboek



Antwoorden

Woorden

37


199

a b c d

200

a b c

201

a

de = bepaald lidwoord poes = znw ligt = pv. zelfst. ww. 3e p. ev. o.t.t. in = voorzetsel haar = bezittelijk vnw. mandje = zelfst. nw

b

mijn = bezittelijk vnw. fiets = zelfst. nw. staat = pv. zelfst. ww. 3e p. ev. o.t.t. buiten = bijwoord

c

38



bepaald bepaald bepaald bepaald aha nou zeg warempel

e f g h d e f

onbepaald onbepaald onbepaald onbepaald

toe maar welja tsss

g h i

morgen = bijwoord gaan = pv. zelfst. ww. 1e p. mv. o.t.t. we = pers. vnw. 1e p. mv. naar = voorzetsel het = bepaald lidwoord strand = zelfst. nw.

d

zullen = pv. hww. tijd 1e p. mv. o.t.t.t. we = pers. vnw. 1e p. mv. drie = bepaald hoofdtelwoord nachtjes = zefst. nw. blijven = zelfst.ww. infinitief.

e

mama = zelfst.nw. geeft = pv. zelfst. ww. 3e p. ev. o.t.t. hem = pers. vnw. 3e p. ev. altijd = bijwoord zijn = bezittelijk vnw. zin = zelfst. nw.

f

we = persoonlijk vnw. hebben = pv. hww. tijd 1e p. mv. ons = wederkerend vnw. vergist = zelfst.ww. volt.dw. v.t.t.

g

dat = aanwijzend vnw. lijkt = pv. koppelww. 3e p. ev. o.t.t. een = onbepaald lidwoord goede = bijvoeglijk nw. oplossing = zelfst. nw.

Het Grote Taalboek Oefenboek

i j k l en daarmee uit ach bingo

onbepaald onbepaald onbepaald onbepaald j

niet

h

ik = pers. vnw. 1e p. ev. heb = pv. hww. tijd 1e p. ev. bloemen = zelfst. nw. voor = voorzetsel je = pers. vnw. 2e p. ev. meegenomen = zelfst. ww. volt. dw. v.t.t.

i

een = onbepaald lidwoord kind = zelfst. nw. kan = pv. hulpww. wijze 3e p. ev. o.t.t. de = lidwoord was = zelfst nw. doen = zelfst. ww. infinitief

j

de = bepaald lidwoord appel = zelfst. nw. valt = pv. zelfst. ww. 3e p. ev. o.t.t. niet = bijwoord ver = bijwoord van = voorzetsel de = bepaald lidwoord boom = zelfst. nw.

k

de = bepaald lidwoord morgenstond = zelfst. nw. heeft = pv. zelfst. ww. 3e p. ev. o.t.t. goud = zelfst. nw in = voorzetsel de = bepaald ldiwoord mond = zelfstandig nw.

l

achter = voorzetsel de = bepaald lidwoord wolken = zelfst. nw. schijnt = pv. zelfst. ww. 3e p. ev. o.t.t. de = bepaald lidwoord zon = zelfst. nw.

m belofte = zelfst. nw. maakt = pv. zelfst. ww. 3e p. ev. o.t.t. schuld = zelfst. nw.

Antwoorden

Woorden


n

202

de = bepaald lidwoord wens = zelfst. nw. is = pv. koppelww. 3e p. ev. o.t.t. de = bepaald lidwoord vader = zelfst. nw. van = voorzetsel de = bepaald ldiwoord gedachte = zelfst. nw.

a

daar = bijwoord kwam = pv. zelfst.ww. 1e p. ev. o.v.t. ik = pers. vnw. 1e p. ev. warempel = tussenwerpsel Anwar = zelfst. nw. eigennaam tegen = scheidbaar deel van ww.

b

wil = pv. hww.wijze 2e p. ev. o.t.t. je = pers. vnw. 2e p. ev. bij = voorzetsel ons = pers. vnw. 1e p. mv. komen = zelfst. ww. infinitef eten = zelfst. ww. infinitief

c

zij = pers. vnw. 3e p. mv. betekenen = pv. zelfst. ww. 3e p. mv. o.t.t. veel = onbepaald hoofdtelwooord voor = voorzetsel elkaar = wederkerig vnw.

d

hij = pers. vnw. 3e p. ev. is = pv. koppelww. 3e p. ev. groter = bijvoeglijk nw. dan = voegwoord ik = pers. vnw. 1e p. ev.

e

f

wie = vragend vnw. zou = pv. hww. tijd 3e p. ev. dat = aanwijzend vnw. gedaan = zelfst. ww. volt dw. v.v.t.t. hebben = hww tijd infinitief de = bepaald lidwoord trein = zelfst. nw. van = voorzetsel elf = bepaald hoofdtelwoord uur = zelfst. nw. is = pv. koppelww. 3e p. ev. o.t.t. de = bepaald lidwoord laatste = onbepaald rangtelwoord

Het Grote Taalboek Oefenboek



o

goede = bijvoeglijk nw. raad = zelfst. nw. is = pv. koppelww. 3e p. ev. o.t.t. duur = bijvoeglijk nw.

p

hoge = bijvoeglijk nw. bomen = zelfst. nw. vangen = pv. zelfst. ww. 3e p. mv. o.t.t. veel = onbepaald hoofdtelwoord wind = zelfst. nw.

g

moet = pv. hww. wijze 2e p. ev. o.t.t. jij = pers. vnw. 2e p. ev. een = onbepaald lidwoord toets = zelfst. nw. inhalen = zelfst. ww. infinitief

h

doe = pv. zelfst. ww. 2e p. ev. o.t.t. de = bepaald lidwoord groeten = zelfst. nw. aan = voorzetsel je = bezittelijk vnw. moeder = zelfst. nw.

i

het = pers. vnw. 3e p. ev. is = pv. koppelww. 3e p. ev. o.t.t. niet = bijwoord alles = onbepaald vnw. goud = zelfst. nw. wat = betrekkelijk vnw. er = bijwoord blinkt = pv. zelfst. ww. 3e p. ev. o.t.t.

j

de = bepaald lidwoord beste = bijvoeglijk nw. stuurlui = zelfst. nw staan = pv. zelfst. ww. 3e p. mv. o.t.t. aan = voorzetsel wal = zelfst. nw.

k

Keulen = zelfst. nw. eigennaam en = nevenschikkend voegwoord Aken = zelfst. nw. eigennaam zijn = pv. hww. tijd. 3e p. mv. niet = bijwoord op = voorzetsel één = bepaald hoofdtelwoord dag = zelfst. nw. gebouwd = zelfst. ww. volt. dw. v.t.t. Kijk voor l, m, n, o, p op p. 40.

Antwoorden

Woorden

39


l

alle = onbepaald hoofdtelwoord wegen = zelfst. nw. leiden = pv. zelfst. ww. 3e p. mv. o.t.t. naar = voorzetsel Rome = zelfst. nw. eigennaam

m een = onbepaald lidwoord goede = bijvoeglijk nw. buur = zelfst. nw. is = pv. koppelww. 3e p. ev. o.t.t. beter = bijv. nw. dan = voegwoord een = onbepaald lidwoord verre = bijvoeglijk nw. vriend = zelfst. nw.

203

40



n

de = bepaald lidwoord ouderdom = zelfst. nw. komt = pv. zelfst. ww. 3e p. ev. o.t.t. met = voorzetsel gebreken = zelfstandig nw.

a

ze = pers. vnw. 3e p. ev. kwam = pv. zelfst. ww. 3e p. ev. o.v.t. te = bijwoord laat = bijwoord omdat = onderschikkend voegwoord de = bepaald lidwoord bus = zelfst. nw. vertraging = zelfst. had = pv. zelfst. ww. 3e p. ev. o.v.t.

b

wat voor = vragend voornaamwoord troep = zelfst. nw. is = pv. koppelww. 3e p. ev. o.t.t. dat = aanwijzend vnw. daar = bijwoord

c

iedereen = onbepaald vnw. moet = pv. hww. wijze 3e p. ev. o.t.t. altijd = bijwoord erg = bijwoord om = voorzetsel hem = pers. vnw. 3e. p. ev. lachen = zelfst. nw. infinitief

Het Grote Taalboek Oefenboek

o

een = onbepaald lidwoord schip = zelfst. nw. op = voorzetsel het = bepaald lidwoord strand = zelfst nw. is = pv. koppelww. 3e p. ev. o.t.t. een = onbepaald lidwoord baken = zelfst. nw. in = voorzetsel zee = zelfst. nw.

p

elk = onbepaald vnw. huisje = zelfst. nw. heeft = pv. zelfst. ww. 3e p. ev. o.t.t. zijn = betrekkelijk vnw. kruisje = zelfst. nw.

d

in = voorzetsel welke = vragend vnw. winkel = zelfst. nw. heb = pv. hww. tijd 2e p. ev. je = pers. vnw. 2e p. ev. die = aanwijzend vnw. aanbieding = zelfst, nw gezien = zelfst. ww. volt. dw. v.t.t.

e

is = pv. koppelww. 3e p. ev. o.t.t. dat = aanwijzend vnw. het = bepaald lidwoord truitje = zelfst. nw. dat = betrekkelijk vnw. je = pers. vnw. 2e p. ev. van = voorzetsel haar = pers. vnw. 3e p. ev. had = pv. hww. tijd 3e p. ev. geleend = zelfst. ww. volt. dw. v.v.t.

f

MSN = pv. zelfst. ww. 2e p. ev. o.t.t. jij = pers. vnw. 2e p. ev. terwijl = onderschikkend voegwoord je = pers. vnw. 2e p. ev. je = bezittelijk vnw. huiswerk = zelfst. nw. maakt = pv. zelfst. ww. 2e p. ev. o.t.t.

Antwoorden

Woorden


g

dat = aanwijzend vnw. moet = pv. hww. wijze 2e p. ev. o.t.t. je = pers. vnw. 2e p. ev. elkaar = wederkerig vnw. niet = bijwoord verwijten = zelfst. ww. infinitief

h

waarom = vragend bijwoord doe = pv. zelfst. ww. 2e p. ev. o.t.t. je = pers. vnw. 2e p. ev. niet = bijwoord wat = betrekkelijk vnw. ik = pers. vnw. 1e p. ev. zeg = pv. zelfst ww. 1e p. ev. o.t.t.

i

wie = betrekkelijk vnw. niet = bijwoord waagt = pv. zelfst. ww. 3e p. ev. o.t.t. die = betrekkelijk vnw. niet = bijwoord wint = pv. zelfst. ww. 3e p. ev. o.t.t.

j

in = voorzetsel het = bepaald lidwoord donker = zelfst. nw. zijn = pv. koppelww. 3e p. mw. o.t.t. alle = onbepaald vnw. katjes = zelfst. nw. grauw = bijvoeglijk nw.

k

men = onbepaald vnw. kan = pv. hww. wijze 3e p. ev. o.t.t. geen = onbepaald hoofdtelwoord. ijzer = zelfst. nw. met = voorzetsel handen = zelfst. nw. breken = zelfst. ww. infinitief

Het Grote Taalboek Oefenboek



l

stel = pv. zelfst. ww. gebiedende wijs niet = bijwoord uit = scheidbaar deel van ww. tot = voorzetsel morgen = bijwoord wat = betrekkelijk vnw. je = pers. vnw. 2e p. ev. vandaag = bijwoord kunt = pv. hww. wijze 2e p. ev. o.t.t. doen = zelfst. ww. infinitief

m als = onderschikkend voegwoord het = bepaald lidwoord kalf = zelfstandig nw. verdronken = voltooid dw. v.t.t. is = pv. hww. tijd 3e p. ev. dempt = pv zelfst. ww. 3e p. ev. o.t.t. men = onbepaald vnw. de = bepaald lidwoord put = zelfst. nw. n

wat = betrekkelijk vnw. de = bepaald lidwoord boer = zelfst. nw. niet = bijwoord kent = pv zelfst. ww. 3e p. ev. o.t.t. dat = betrekkelijk vnw. eet = pv. zelfst. ww. 3e p. ev. o.t.t. hij = pers. vnw. 3e p. ev. niet = bijwoord

o

wie = betrekkelijk vnw. de = bepaald lidwoord schoen = zelfst. nw. past = pv. zelfst. ww. 3e p. ev. o.t.t. trekke = zelfst. ww. aanvoegende wijs hem = pers. vnw. 3e p. ev. aan = scheidbaar deel van ww.

p

men = onbepaald vnw. vangt = pv. zelfstandig ww. 3e p. ev. o.t.t. meer = onbepaald hoofdtelwoord vliegen = zelfst. nw. met = voorzetsel honing = zelfst. nw. dan = voegwoord met = voorzetsel azijn = zelfst. nw.

Antwoorden

Woorden

41


12 De spelling van woorden 204

a b c d e f g h i j k l m n o p q r s t

o.t.t. > enkelvoud > 3e p. > werkt o.t.t. > enkelvoud > 2e p. erachter > woon o.v.t.> zwak > geen kofschiptaxietje > enkelvoud > bestelde o.t.t. > enkelvoud > 3e p. > komt o.v.t. > zwak > geen kofschiptaxietje > meervoud > feliciteerden o.v.t. > zwak > kofschiptaxietje > enkelvoud > merkte o.t.t. > enkelvoud > 2e p. erachter > word o.v.t. > zwak > geen kofschiptaxietje > meervoud > staarden o.t.t. > enkelvoud > 3e p. > gelooft o.v.t. > zwak > kofschiptaxietje > meervoud > lachten o.v.t. > zwak > geen kofschiptaxietje > enkelvoud > belde o.v.t. > sterk > enkelvoud > werd o.v.t. > zwak > geen kofschiptaxietje > enkelvoud > aanstelde o.v.t. > zwak > geen kofschiptaxietje > enkelvoud > kleurde o.v.t. > sterk > enkelvoud > vertrok o.v.t. > zwak > kofschiptaxietje > meervoud > jokten o.t.t. > enkelvoud > 2e p. erachter > antwoord o.v.t. > zwak > kofschiptaxietje > meervoud > groetten o.t.t. > enkelvoud > 3e p. > vermoedt o.v.t. > sterk > enkelvoud > stak

205

a b c d e f g h i j k l m n o p q r s t

o.t.t. > enkelvoud > 2e p. erachter > vind o.v.t. > zwak > geen kofschip > enkelvoud > besteedde o.v.t. > zwak > geen kofschip > enkelvoud > landde o.t.t. > enkelvoud > 3e p. > rijdt o.v.t. > zwak > geen kofschip (stam op –z) > meervoud > verhuisden o.v.t. > zwak > geen kofschip (stam op –z) > enkelvoud > verbaasde o.v.t. > zwak > kofschip > enkelvoud > tochtte o.t.t. > enkelvoud > 3e p. > verandert o.v.t. > zwak > kofschip > enkelvoud > startte o.t.t. > enkelvoud > 2e p. erachter > post o.t.t. > enkelvoud > 3e p. > verkeert o.t.t. > enkelvoud > 3e p. > gebeurt o.t.t. > enkelvoud > 3e p. > bepaalt o.v.t. > zwak > geen kofschip (stam op –v) > enkelvoud > verdoofde o.v.t. > zwak > kofschip > enkelvoud > roestte o.t.t. > enkelvoud > 3e p. > brandt o.t.t. > enkelvoud > 3e p. > bestelt o.v.t. > zwak > geen kofschip > meervoud > kleedde o.t.t. > enkelvoud > 2e p. erachter > verraad o.v.t. > zwak > kofschip > meervoud > troostten

206

a Wees b Stop

42



c Blijf d Word

Het Grote Taalboek Oefenboek

e Geloof f Besteed

g Rijd h Doe

Antwoorden

i j

Bied Blijf

Woorden


207

a b c d

gespiekt gekookt verteld gewacht

208

a b c d

gemaakte beloofde gewijzigde berekende

209

a b c d e

210

a b c d e f

211

tekst 1

tekst 2

Neem een getal in je hoofd. Tel er 4 bij op. Tel er dan 15 bij op en daarna nog eens 9. Trek nu het getal af dat je in je hoofd had. 28 is je eindgetal.

13 augustus ben ik jarig. Woensdag geef ik een feestje. Kom je ook? Het begint om 3 uur. Je kunt blijven eten. ’s Avonds word je om ongeveer 8 uur weer thuisgebracht.

212

tekst 3

tekst 4

tekst 5

Een olifant en een muis lopen door de woestijn. De muis vraagt aan de olifant: ‘Waarom heb jij een autodeur bij je?’ De olifant antwoordt: ‘Als ik het warm heb, kan ik het raampje open zetten.’

Twee muizen lopen over een vlakte als er een vleermuis overvliegt. ‘Kijk, dat is mijn broer,’ zegt de ene muis tegen de andere. ‘Die is bij de luchtmacht.’

Er komt een kikker bij de melkboer. De melkboer vraagt: ‘Waarmee kan ik u van dienst zijn?’ ‘Kwark, kwark!’

e f g h

geklopt geleend bemoeid bedoeld

i j k l

gelucht verrast bezaaid geoogst

m n o p

geërgerd ontkend betaald gebeurd

q aanvaard r doorkruist

 e f g h

geschoten gedane gebakken gestolen gegeten rondslingerend verwende uitgebreide, vindt gehuurde, gereden ontmoetten verspreidde, lopend

f g h i j

i j k l

ingerichte uitgeputte vergoede gestrande

geblazen gekropen begonnen, gewonnen geprezen verdwenen

g ingediende, besproken h verdient i vermoedde, gewaarschuwd j verwachte, aangebroken k gehate, uitgezet l bind

m n o p k l m n

gestarte begrote vermoorde geredde

gegane gesmolten gevlochten afgebroken

m verlote n beantwoordde, vergat o verblinde, belandde, slippend p verroeste q gemalen, gebrande r gemiste, herhaald

tekst 6

tekst 7

Een muis kijkt tegen een benzinepomp op, en vraagt: ‘Ben jij een robot?’ De benzinepomp zegt niets terug. De muis vraagt nog eens: ‘Ben je een robot of niet?’ De pomp zwijgt nog steeds in alle talen. De muis zegt boos: ‘Haal die vinger nou eens uit je oor, dan hoor je tenminste wat ik je vraag!’

Een olifant en een muis lopen over een brug. De muis zegt tegen de olifant: ‘Wat stampen wij, hè?’

Het Grote Taalboek Oefenboek



gestelde toegejuichte gebruikte gebluste

Antwoorden

Woorden

43


213

tekst 8

tekst 9

tekst 10

Hoe krijg je 30 Nederlanders in een Mini? Gooi er een euro in.

Waarom vertellen Hollanders graag Belgenmoppen? Omdat ze zo goedkoop zijn.

Meester vraagt aan Jan of hij Amerika op de kaart kan aanduiden. Jan wijst Amerika aan en meester zegt dat hij het goed heeft. Dan vraagt meester aan Piet: ‘Wie heeft Amerika ontdekt?’ Piet antwoordt: Jan, meneer.’



tekst 11

tekst 12

Een Groningse en een Friese boot liggen klaar om de sluis in te varen. De boot uit Groningen lijkt te breed voor de smalle sluisingang.’t Ken net!’ roept de Fries in het Fries naar de Groninger. ‘Bedankt!’ roept de Groninger terug en botst prompt tegen de sluiswand.

André vraagt Lotte: ‘Wil je een glaasje champagne?’ Lotte antwoordt: ‘Nee, bedankt, als ik wijn drink, kan ik niet slapen.’ André: ‘Bij mij is het precies andersom, als ik slaap kan ik geen wijn drinken.’

tekst 13

dat ze aan het oefenen waren voor hun reis naar de maan. De oude man vroeg of hij met de astronauten een boodschap naar de maan kon sturen. Ze vonden het goed en legden zijn boodschap vast op een bandrecorder. Ze vroegen zijn zoon om een vertaling. Hij weigerde. Toen de Amerikanen de band naar het reservaat brachten, luisterden de andere indianen en lachten, maar niemand vertelde wat de boodschap was. Uiteindelijk rapporteerde een officiële tolk van de regering wat er werd gezegd: ‘Kijk uit voor deze lui; ze zijn gekomen om jullie land te stelen’.

Toen de Amerikanen hun reis naar de maan voorbereidden, vond een deel van de training van de astronauten plaats in een indianenreservaat van de Navajo. Op een dag waren een oudere Navajo en zijn zoon schapen aan het hoeden en ontmoetten ze de ruimteschipbemanning. De oude man, die alleen Navajo sprak, stelde een vraag, die zijn zoon vertaalde: ‘Wat zijn de mannen in de grote pakken aan het doen?’ Ze vertelden 

214

tekst 14

tekst 15

tekst 16

Damstede, 21 april 2011 Beste Jorrit,

Vakantiepark Loevenlicht t.a.v. mevrouw P. van der Hoeven Paarseveldstraat 12 2345 KV Loevenlicht

Sportvereniging Actief t.a.v. dhr. A.J. van Rijn Veghelseweg 7 7654 RD Hoekseweide

Zwolle, 15 januari 2011

Randstein, 7 – 8 – 2011

Geachte mevrouw Van der Hoeven,

Geachte heer Van Rijn,

Hiermee wil ik graag een huisje voor 6 personen reserveren voor het weekeinde van 20 en 21 mei. Graag ontvang ik van u een bevestiging.

Hierbij geef ik u de namen door van de scheidsrechters voor het nieuwe speelseizoen: de heer D. van Vleuten de heer P. Nagtegaal de heer J. C. steins

Volgende week zaterdag ben ik jarig. Kom je op mijn feestje? Het begint zaterdag om 2 uur. Omdat je verhuisd bent, mag je blijven logeren! Als je zaterdag gebracht kunt worden, brengt mijn vader je zondag weer thuis. Tot zaterdag,

Met vriendelijke groet, Robin van der Woude Vuursekamp 12 5678 CD Damstede

44



Marit Jacobs J.P. van der Lindenstraat 31 3342 XA Duivelaar

Het Grote Taalboek Oefenboek

Antwoorden

Hoogachtend, Pieter van ’t Lagewater

Woorden


215

a b c d e f g

Ś i

216

a b c d e

Ĩ

Met Pinksteren gaan wij met de familie Werkman kamperen. Mijn vriendin is Vis en ik ben Waterman. De mammoet leefde in de ijstijd. Wat ga jij in augustus doen? We gaan op vakantie naar de Spaanse westkust. De aartsbisschop van Utrecht woont aan de Maliebaan. In de middeleeuwen Mariaverering was vanzelfsprekend. De Kerstman en Sinterklaas zijn eigenlijk dezelfde figuur. In de kerstvakantie gaan we skiën, maar Kerst vier ik thuis.

In de Bijbel staat dat Jezus de zoon van God is. Hij heeft een grote verzameling Boeddhabeelden. Morgen regent het in het noordoosten eerst nog, maar vanuit het zuidwesten komen er opklaringen. De burgemeester heeft een huis in ZuidFrankrijk. Die partij is tegen de islam en wil dat de Koran verboden wordt. De koningin ontving vandaag drie ministers.

k l

m n

Ž

Mijn ouders stemmen CDA en hebben als ochtendkrant Trouw. In Eelde hadden we een doorzonkamer, nu een Lkamer. Ik vind de Steen der Wijzen het mooiste Harry Potterboek. Ik ben op 17 december 2009 naar de première geweest van Anubis en de Wraak van Arghus. Cowboys kregen obenen van jarenlang paardrijden. NRC Handelsblad heeft een nieuwe hoofdredacteur.

217

a b c d e f g

219

a museum b glooiing c beëindigen

220

a b c d e f g

knieën fideel mozaïek keien kopiëren België aaien

h i j k l m n

218

beïnvloeden naïviteit reële geïnd koloniën toegeëigend financiën

d waaien e officieel f petroleum

viertiende warmebakkerswinkel dikke muurtegels Armanipak zeventienduizend CentraalAziatisch Eurovisiesongfestival

Het Grote Taalboek Oefenboek



j

h i j k l m n

a b c d e f g h i j

coördinatie drieënzeventig Italië geërgerd zoeven zeeeend geoefend ideëel vanilleijs beantwoord

g geëerd h besproeien i lawaaiig

eengezinswoning duizend vijfendertig ZuidAfrikaans Eerste Kamerlid langetermijnplanning twaalfzestiende OostVlaams

Antwoorden

k l m n o p q r s t

patiënt poëziefestival egoïsme naapen ruïne meeeters geautomatiseerd vacuüm conciërge beamen

j verfraaiing k geijkt l zoiets o p q r s t u

PuertoRicaans dikkedarmoperatie driekwart Rode Kruispost ZuidoostGronings onroerendgoedmarkt drieduizend vijfentwintig

Woorden

45


221

a b c d

222

a ’s Middags, auto’s ’s ochtends b papa’s jeep, Koos’ auto c zo’n, pony’tje d MP3’tje

223

a b c d e f g h i j k l m

Ŷ

ervanuit gaan onder in de koffer achteraan achterop

comité première logé crêpe paté gêne crème fêteren oké scène café ampère carrière frêle

224

Ğ 225

a façade b bacil

227

a b c d e

benoemd colatje behoorlijk radio flexibel

228

a b c d

onbruikbaar waarschijnlijk beeindigd chocolatje

229

a b

46



a b c d e

Ĩ

226

c d e

a b c d

e f g h

bijvoorbeeld daartegenover ertegenaan eropuit te trekken

i j k l

erbovenop ertussenuit ondersteboven vlak bij

e f g h

hortensia’s Nina’s kiwi’s ’sGravenhage

i j k l

Peters ‘t , ‘t wc’tjes paraplu’s

Er is meer dan één oplossing. Hèhè, eindelijk even zitten! Hé, jij daar, kom eens hier! Eén zwaluw maakt nog geen zomer. Schaapjes zeggen: ‘bèèh’.. Ik wil het nú! Dat was háár ijsje. Eérst je handen wassen! Het is dé oplossing. Hij heeft het wél gedaan. Is dat écht waar?

c centrum d François f g h i j

hapklaar verwisselbaar waarom race reunie e f g h

k l m n

Provençaals concept

g h

besluiteloos tweeentwintig opatje secondewijzer

koninkrijk sherrytje meteen scheidsrechter

land en luchtmacht provinciale en gemeenteraadsverkiezingen voor en tegenspoed klein en achterkleinkinderen telefoon en faxkosten

Het Grote Taalboek Oefenboek

e f

f g h i j

o p q r

i j

cappuccino commercieel weerloos onverantwoord verpleegster fixeren

drieentwintig exemplaar

personen en goederenvervoer gewone en luchtkussenenveloppen brief en krantenpapier bank en verzekeringswezen knip en plakwerk

Antwoorden

Woorden


230

a Patrick de Winter kweekt Engelse rozen in het Westland. Dit boek gaat over de opmars van de islam in het Westen. Het Europees Parlement vertegenwoordigt de Europese burgers. Het internationaal gerechtshof is een orgaan van de Verenigde Naties en is gevestigd te ‘sGravenhage. Studenten kopen vaak kanten klaarmaaltijden. Wil je het voor me meebrengen, zodat ik ermee kan werken? Ik drink ‘s morgens thee bij het ontbijt. Robert kocht een peperenzoutstel voor zijn omaatje. Verkopen ze in dit café ook cafeïnevrije koffie? Na de beëdiging was er champagne op het stadhuis. Hij is opgepakt voor autoinbraak. Zoeven is onze logé gearriveerd. Op het vwo krijg je gecoördineerde proefwerken. Mijn vader is suikerpatiënt en moet zich aan een speciaal dieet houden. b De cabaretier deed 8 solooptredens in NoordNederland. Die egoïst kocht alleen voor zichzelf een dure skiuitrusting. Als Kerstmis op een donderdag valt, valt Nieuwjaar op de donderdag daarna. De boot voer naar Ethiopië met radioactief afval aan boord. De Maori’s leven in Nieuw Zeeland. Naar welke landen exporteert België ijzer en staalproducten? ‘s Lands wijs ‘s lands eer. Op zon en feestdagen moet je in A’dam ook parkeergeld betalen. Heb je dat enquêteformulier al in gevuld? René gaat niet graag naar de crèche. Rosé wordt ‘s zomers veel op terrassen gedronken. In sommige dichtbevolkte streken van Zuid en ZuidoostAzie is een voedseltekort. Hij is geïnteresseerd in de Egyptische cultuur, vooral in hiërogliefen. Voor de boventallige personeelsleden was er een afvloeiingsregeling.

231

a b c d e f g

A4’tje aanvoerster abonnee achttien akkoord ananas begroeiing

h i j k l m n

cadeau applaus chagrijnig crèche diarree elektrisch emailadres

o p q r s t u

gewelddadig gezamenlijk handvatten hartstikke liniaal interview onmiddellijk

v w x y z

puberteit pyjama stiekem verrassing yoghurt

13 Woordkeuzefouten 232

a b c d e f g h i j k l m n o p

3 Zij hebben daar een hekel aan. 3 Zij is ouder dan ik. 1 Ik zag jou te laat staan. 3 en 4 Hij is een kop groter dan ik. 5 Dat is de oom met wie we gaan zeilen. 4 We konden niet anders dan maar gewoon weggaan. 6 Dat is het huis dat voor een miljoen verkocht is. 8 Toen besefte hij pas wat voor enorme fout hij had gemaakt. 6 Ze hebben alles wat hun hartje begeert. 7 Ik heb hen niet gezien. 1 Geloof je niet wat mijn moeder zegt? 8 Deze kleren kosten veel te veel. / Deze kleren zijn veel te duur. 2 Zij is na hem aan de beurt. 6 Dat is het beste wat je kunt doen. 1 U moet uw schoenen uitdoen. 5 Wij gaan om 9 uur, maar de meesten komen om 8 uur.



Het Grote Taalboek Oefenboek



Antwoorden

Woorden

47


Volgende online deel


71

tekst 22

tekst 23

BAM! BAM! BAM! Iemand bonsde op de deur van het huisje. ‘Sophie, ben je er?’ Ze rende naar de deur, haar hart klopte in haar keel. ‘Wat is er aan de hand?’ Sam grijnsde. ‘Niks’, ik wilde alleen dat je een keer gewoon opendeed.’

Toen Erica haar moeder had gebeld om te zeggen dat de middag iets anders was verlopen dan gepland – enige toelichting bleek daarbij wel nodig – had haar moeder ‘oké’ gezegd en haar succes gewenst. ‘En?’, had haar moeder haar toen ze thuiskwam gevraagd, ‘Hoe is het afgelopen?’ ‘Goed’, zuchtte Erica. ‘Betekent het dat jullie weer vrienden zijn?’, vroeg ze ook. ‘Zoiets’, zei Erica en hoopte dat haar moeder niet meer zou vragen.

Bijzonder Taalgebruik 21 Stijlfiguren 1

a b c d e f g h i j

Joop wordt vergeleken met een biljartbal omdat hij heel erg kaal is. Oma wordt vergeleken met een duif omdat zij heel erg grijs is. Zij wordt vergeleken met een aap omdat zij heel erg brutaal is. Mijn zusje wordt vergeleken met een pauw omdat zij heel erg trots is. De schil wordt vergeleken met fluweel omdat die heel erg zacht is. Dat kind wordt vergeleken met een wezel omdat het heel erg bang is. Hij wordt vergeleken met een vis omdat hij heel erg gezond is. Ze wordt vergeleken met een biet omdat ze heel erg rood is. De leeuw wordt vergeleken met een lammetje omdat hij heel erg mak is. Zij wordt vergeleken met een dweil omdat zij heel erg slap is.

2

a b c d e f g h i j

konijn veertje zijde lat steen roet huis banaan kanarie gras

3

a b c d e f g h i j

7 6 5 8 3 9 10 4 1 2

7

a b c d e f

4 5 6 1 3 2

8

a b c d e f

doodstil flinterdun snipverkouden pijlsnel moddervet spekglad

66



Het Grote Taalboek Oefenboek

4

a b c d e f

2 4 5 6 3 1

5

a b c d e f

4 5 6 3 1 5

6

a b c d e f

beresterk messcherp spijkerhard torenhoog muisstil loodzwaar

9

a b c d e f

2 4 5 6 1 3

10

a b c d e f

2 3 5 6 1 4

Antwoorden

Bijzonder Taalgebruik


11

a b c d e f

5 3 1 6 2 4

14

a b c d e f g h

500 zielen; metonymie slachtpartij; metafoor Prada, Gucci; metonymie leeghoofden; metonymie als een dief in de nacht; vergelijking Italië; metonymie vuurrood; vergelijking (zo rood als vuur) Amerika: metonymie (in plaats van Verenigde Staten) als een boer die kiespijn heeft; vergelijking Rembrandt; metafoor (zo goed als Rembrandt)

i j

16

a b c d e

17

12

a b c d e f g

een volgende portie schilderij van Van Gogh het Nederlandse team Nederland sportschoenen tweede kopje koffie personen

metafoor metonymie metafoor metafoor vergelijking metonymie metafoor vergelijking vergelijking metonymie

15

a

een onooglijk type en een grijze muis maar en echter tevens en ook eindeloze en geen eind met name en in het bijzonder baby’s en klein

b c d e f

f a b c d e f g h i j

vooropplaatsing dubbelzinnigheid personificatie dubbelop taalgebruik vooropplaatsing personificatie dubbelop taalgebruik vooropplaatsing dubbelop taalgebruik dubbelzinnigheid

18

a b c d e f g

i j a ironie b sarcasme c ironie

d zelfspot e ironie f ironie

Het Grote Taalboek Oefenboek



a b c d e f g h i j

Dat gezin dat hier is komen wonen lijkt de familie Flodder wel. We hebben die F’jes van SFC ingemaakt. Sven Kramer reed de 10 kilometer abnormaal hard. Hij vond de hele gang van zaken volkomen belachelijk. Hij vond het een merkwaardig besluit om juist daar een parkeerplaats aan te leggen. Moeder riep: ‘Pannenkoeken!’ en meteen stormde iedereen naar binnen.

h

19

13

de bomen wuifden; personificatie razende honger en vreselijke trek; dubbelop taalgebruik Bekaf en dorstig; vooropplaatsing een konijn is wel eens het haasje; dubbelzinnigheid zoals en bijvoorbeeld; dubbelop taalgebruik Gekkenwerk; vooropplaatsing De huisarts kocht die praktijk voor een prikje; dubbelzinnigheid ‘Krijg toch allemaal de klere!’; vooropplaatsing witte sneeuw: dubbelop taalgebruik Een pak rammel; vooropplaatsing

g sarcasme h ironie

Antwoorden

i j

zelfspot ironie

k

zelfspot

Bijzonder Taalgebruik

67


22 Spreekwoorden en zegswijzen 20

a

g h i j

Mensen die geen risico’s durven nemen, hebben minder kans iets te bereiken dan mensen die juist wel risico’s durven nemen. Ze snapt er helemaal niets van. Je moet iets doen wat heel vervelend is, maar wat wel moet gebeuren. Thuis voelt men zich het meest op z’n gemak. Hij vertelt dingen die niet waar zijn. Als je eerlijk bent, beleef je daar op den duur meer plezier van dan wanneer je niet eerlijk bent. Hij zit met tegenzin te eten. Het gaat fout, het mislukt helemaal. Ze doen mee zonder dat ze echt meetellen of serieus worden genomen. Als je veel haast hebt, gaan er vaak veel dingen fout.

21

a b c d e f g h

blijdschap niet meer weten hoe het verder moet verliefdheid niet meer weten hoe het verder moet verdriet blijdschap verliefdheid niet meer weten hoe het verder moet

23

a

Ze vouwde op haar dooie akkertje de was op. Zijn voorsprong was zo groot dat hij op zijn dooie akkertje de laatste rondjes voor de finish uitreed. Ons voorstel viel in goede aarde en werd meteen aangenomen. Zijn grapje viel niet in goede aarde; niemand lachte. Wij hebben niets geboekt dit jaar. We gaan op de bonnefooi naar Frankrijk. Kom niet op de bonnefooi naar ZuidAfrika. Tickets zijn niet meer te krijgen en alle hotels zitten vol. Ze stonden aan de lopende band broodjes te smeren. We verwachten dat de ingezonden brieven aan de lopende band binnenkomen. Hij heeft mee een lelijke streek geleverd, maar ik zal het hem betaald zetten! ‘Dat zal ik je betaald zetten!’, dreigde hij met een woedende blik. Het was duidelijk dat ze van plan waren de boel een flink op stelten te zetten. Aan de ravage was te zien dat de boel behoorlijk op stelten was gezet.

b c d e f

b c

d

e f

24

a b c d e

4 9 5 8 1

f g h i j

10 2 3 6 7

25

a b c d e f g

3 4 6 2 5 7 1

26

22

a b c d e f g h

a b c d e f

spreekwoord zegswijze zegswijze zegswijze spreekwoord zegswijze

zegswijze; 4 spreekwoord; 7 zegswijze; 6 spreekwoord; 1 zegswijze; 8 zegswijze; 3 spreekwoord; 2 zegswijze; 5



68



Het Grote Taalboek Oefenboek

Antwoorden

Bijzonder Taalgebruik


27

a b c d e f g

29

22

hendrik Jacob Frans job thomas roeland piet

a b c d e f

a b c d e f g

schouder achterhoofd/ mondje tand teentjes pink ogen mond

Ze gaf hem waardering. Hij is niet dom/verlegen Iemand ondervragen. Ze voelt zich snel beledigd. Hij is erg pienter, bij de hand. Ik wil jou even met niemand anders erbij spreken. Ze zei de dingen zoals ze er werkelijk over dacht. Hij werd gefopt, bedrogen. Het gebeurde zonder dat ze het hem erbij hadden betrokken. Vertel maar waar je mee zit.

g h i

j

h i j k l m n

k l m n o p q r

neus rug lever voet lippen gezicht nagels

o p q r s t u v

been handen buik been oren hart vinger keel

Hij gaf veel geld uit. Ze luisterden aandachtig naar hem. Hij vertelde het zonder gevoel te tonen. Ze maakte hem woedend. Hij klaagde erg. Hij is erg onhandig. Ik heb daar erg genoeg van. Ben je met een slecht humeur opgestaan? Kinderen horen alles, ook wat niet voor ze bedoeld is. Ze zette zich volledig in. Hij deed helemaal niets. Hij kwam in de puberteit.

s t u v

23 Werkwoordelijke uitdrukkingen, koppels en uitroepen 30

a b c d e f

4 6 5 2 1 3

4 1 5 2 6 3

32

a b c d e f

terughoudend op iets reageren aan iets onaangenaams ontkomen het vervolg niet meer weten de zaak beslissen zich vergissen zich uit de moeilijkheden terugtrekken

33

a b

34

e f

ervandoor gaan zich ut de voeten maken vluchten nieuwe normen vaststellen mislukken niets uitvoeren

a b c d e f g h

5 6 7 2 8 3 1 4

a b c d e

6 3 2 10 1

c d

37

31

f g h i j

a b c d e f

9 8 5 7 4

38 a basta, punt uit

Het Grote Taalboek Oefenboek



35

b mooi niet c hoera d Ben je nou helemaal/ Wat denk je wel

Antwoorden

36

a b c d e

tranen boter wit misselijk set

e Kom op/ Zet ‘em op/ Hou je taai/ Hou je haaks f Boeien/ Hou toch op

g h i j

hupsakee Bravo Halt/Help OkĂŠ

a b c d e f g h

5 4 7 6 8 1 3 2

Bijzonder Taalgebruik

69


24 Proza en poëzie 39

tekst 1: poëzie. Het zijn korte zinnen/versregels onder elkaar die af en toe op elkaar rijmen en samen een gedicht vormen. Met dit gedicht drukt de dichter een gevoel uit. tekst 2: proza. Het is een verhalende tekst uit een leesboek. tekst 3: proza. Het is een verhalende tekst uit een leesboek. tekst 4: poëzie. Het zijn korte zinnen/versregels onder elkaar die op elkaar rijmen en samen een gedicht vormen. Met dit gedicht beschrijft de dichter wat hij ziet/voelt.

40

tekst 5: historische Roman. Het verhaal speelt zich af in Rome 1599. tekst 6: sciencefiction. Hier gebeuren dingen die in werkelijkheid niet kunnen. tekst 7: liefdesroman. Het onderwerp is de liefde tussen Karen en Chris. tekst 8: streekroman. Het boek speelt zich af in Drenthe en gaat over Bartje, een jongetje dat opgroeit in een arm Drents keuterboerengezin. tekst 9: detective. Dit boek gaat over de oplossing van een moordzaak.

41

tekst 10: boos–koos tekst 11: lopen–kopen, klein–fijn, hallo–kado tekst 12: hou–hou, verdriet–niet, mee–twee, daar–elkaar tekst 14: jaren–Haren, ontdaan–aan, diepbewogen–gevlogen tekst 15: nies–vies

42

tekst 16: gebaseerd op feiten. De tekst is gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek. Dat is altijd gebaseerd op feiten. Ook staat er: ‘zij stelde de volgende taalfeiten over het Murks vast.’ tekst 17: verzonnen tekst. In deze tekst gebeuren dingen die in werkelijkheid niet kunnen; het verhaal is bedacht door de schrijver. tekst 18: gebaseerd op feiten. In de titel staat al dat het gaat om een feit en in de tekst staat dat de gegevens zijn gebleken uit onderzoek. Dat betekent dat ze niet verzonnen zijn. tekst 19: gebaseerd op feiten. Alles wat er staat, is ook werkelijk zo gebeurd. Ook het jaartal klopt. Aan de bronvermelding is te zien, dat het om een schoolboek staat. Informatie in schoolboeken is doorgaans gebaseerd op feiten. tekst 20: verzonnen tekst. Als je het leest, zie je direct dat het om een verhaaltje gaat. Ook aan de bronvermelding zie je dat het een leesboek is. tekst 21: gebaseerd op feiten. Aan de volgorde van de jaartallen en de verdere inhoud is onder andere te zien dat het hier gaat om een biografie. Een biografie is over het algemeen gebaseerd op feiten. De bron, het NRC – een landelijke krant – doet vermoeden dat de gegevens betrouwbaar zijn. Het NRC staat er bekend om dat het geen roddels en onwaarheden verspreid.

43

a fictie b tekst 22: dagboek; tekst 23: levensbeschrijving; tekst 24: opstel/betoog

70



Het Grote Taalboek Oefenboek

c tekst 22: Ik – zus: fictie; Ik – Nask: feit tekst 23: Anna – Zeeland: feit; Had – fout: fictie tekst 24: Zo – Korfbaltoernooi: feit; Weet – voorop: fictie.

Antwoorden

Bijzonder Taalgebruik


44

46

a tekst 25: ikvorm tekst 26: hij/zijvorm tekst 27: alwetende verteller b bij Rosa

45

a polyloog b Onverantwoord – weg; dialoog. c In de herfst van haar leven: metafoor; zo fit als een hoentje: vergelijking

47

a b c d

a

b

tekst 30 tekst 28 tekst 31 Er zijn twee vertellers, Mariëtte en Corinne. tekst 29; Jamila wist toen nog niet dat ze helderziend was en dat ze dingen droomde die écht gingen gebeuren. Had ze dat geweten, dan zou dit verhaal heel anders afgelopen zijn … tekst 34: 4 versregels tekst 35: 16 versregels tekst 36: 10 versregels 34: hoe slechter ik uit mijn woorden kom 35: ook al zijn we hier soms maar kort 36: ik droomde dat ik niet wakker

48

a tekst 37 heeft de meeste strofen. b tekst 37 1 rijmt 2 heeft strofen met hetzelfde aantal versregels; 3 beschrijft een gebeurtenis uit de werkelijkheid; 4 beschrijft; dingen die werkelijk kunnen gebeuren; 5 heeft de meeste hele zinnen, maar er komen ook een paar halve voor. tekst 38; 1 rijmt niet; 2 heeft een wisselend aantal versregels per strofe 3 beschrijft geen gebeurtenis uit de werkelijkheid; 4 beschrijft dingen die eigenlijk niet kunnen; 5 het heeft zowel hele als halve zinnen per regel.

49

Deze nacht vaart ons piratenschip uit Iedere rover vaart mee Diep in de nacht kijkt de roerganger uit Over de stille zee

50

eindrijm

52

tekst 40: gepaard rijm tekst 41: gekruist rijm

53

a

54

a tekst 42: gepaard rijm

b tekst 42: strofe 1: aabb, strofe 2: ccdd, strofe 3: eeff, strofe 4: gghh, strofe 5: iiee tekst 43: stofe 1abab, strofe 2: cdcd, strofe 3: aeae, strofe 4: fgfg

tekst 43: gekruist rijm

Het Grote Taalboek Oefenboek



51

tekst 40: aabb tekst 41: abab

Antwoorden

In elke titel komen steeds twee woorden voor die beginnen met dezelfde medeklinker. Dit is een vorm van beginrijm. b

Alle gedichtjes met rijmschema abab en aabb zijn goed.

Bijzonder Taalgebruik

71


55

a b c d

56

tekst 44: omarmend rijm; tekst 45: gebroken/gekruist rijm. tekst 46: gebroken rijm. tekst 45: de derde strofe heeft gekruist rijm en de rest gebroken rijm tekst 44 : 16 versregels ; tekst 45: 32 versregels; Tekst 46: 4 versregels tekst 44: strofe 1: Ik – zag; strofe 2: En – weende; strofe 3: Toen – streek; Strofe 4:  Nu – schreide  . tekst 45: strofe 1: Ik – gemoeten; strofe 2: Hoe – vechten; strofe 3: Wel –dag; strofe 4: Zo’n – knijpen; strofe 5: En – mee. tekst 44: Strofe 1 Zachtjes – neer;

Alle gedichtjes met rijmschema abac, abcb of abba zijn goed. gebroken omarmend

57

Van alle mensen op deze wereld (a) Houd ik van mijn opa het meest (b) Zijn huis een kalme haven c) Hoe vaak ben ik er niet geweest(b)

Ik houd zoveel van mijn opa (a) Zeeën van tijd heeft hij voor mij (b) Met hem gaat de tijd snel voorbij (b) Dat is waarom ik graag naar hem toe ga! (a)

Zo knap, zo grappig en zo lief (a) Die dromerige jongen uit mijn skiklas (b) Rest een gesmolten herinnering (c) Ik wou dat ik nog bij hem was. (b)

Blauwe ogen, blond haar en een mooie stem (a) Lekker ding met leuke grappen (b) Die de anderen niet snappen (b) Wat ben ik toch verliefd op hem! (a)

Niet ver hier vandaan (a) Oorlog, leed en pijn (b) Harmonie ver te zoeken (c) Het zou anders moeten zijn! (b)

Warmte, rust en veiligheid Wensen Alle mensen Einde aan de strijd

a tekst 47: gebroken / strofe 1: abcb, strofe 2: defe, strofe 3: ghih b tekst 48: gebroken strofe 1 en 3: abcbab, strofe 2: dedefghg, tekst 49: gebroken strofe 1: abcbdee, strofe 2: fghgijj, refrein: klmlnopo, strofe 3: qrsrtuu tekst 50: gekruist; ababcdcdefef tekst 51: omarmend; abba tekst 52: gepaard; aabb

58

a tekst 53: r.1 heeft 5; r.2 heeft 7; r.3 heeft 5 lettergrepen. tekst 54:r.1 heeft 8; r.2 heeft 10; r.3 heeft 9; r.4 heeft 12 b lettergrepen. c tekst 53 het blije gevoel dat de dichter heeft bij de zee: de dichter geniet van de zee, de zon, de wind en het strand.

72



Het Grote Taalboek Oefenboek

59

c

Tekst 48 bevat beginrijm. De w is de rijmende klank: Wie weet waar Willem Wever woont.

d

tekst 48: Wie – woont tekst 49: Ze – feest

• Onderwerp: de klas • Druk, warm, rumoer, veel, hard leren, lieve juf. • Het is druk en warm in de klas. Er is veel rumoer. We moeten veel en hard leren. Juf is lief. haiku: Druk, warm in de klas (5) Rumoer verstoort hard leren (7) Oh, mijn lieve juf (5)

Antwoorden

Bijzonder Taalgebruik


60

a b

61

Het gedicht van tekst 55 drukt het getjilp van een mus uit. Het gedicht van tekst 56 bootst het geroezemoes in een nachtkroeg na. tekst 55: vrolijk vogelgekwetter staat voor een opgewekte stemming. tekst 56: geroezemoes, bedompte sfeer.

Het klankdicht moet klanken bevatten die verband houden met de titel en het gevoel van de titel uitdrukken. Bijvoorbeeld:

Verdriet Snuff, snuff nneheh nnehehe Sniff, sniff heheh heheh Weeeeeh Weeeheheheheheweeeeeeeeeh Wehwehweh Snik wèhwèh wèèèèèah Wèh wèh Weh snn snn

tekst 59

62

tekst 60

a

aabba: r.1: een – limerick; r.2: die – slimmerik; r.5: en – limerick (a) r.3: van – bericht; r.4: maakte – gedicht (b)

a

aabba: r. 1: Er – Noordgouwe; r.2: die – trouwen; r.5: hij – houwen (a) r.3: Maar – tien; r..4: had – gezien (b)

b + c

Een man in de Ierse stad Limerick (10 lettergrepen) die vond zichzelf een slimmerik. (8 lettergrepen) Van elk bericht, (4 lettergrepen) maakte hij een gedicht. ( 5 lettergrepen) En zo ontstond daar de limerick! ( 9 lettergrepen)

b + c

Er was eens een man in Noordgouwe, (9 lettergrepen) die dacht een lief meisje te trouwen. (9 lettergrepen) Maar na een dag of tien, (6 lettergrepen) had hij het wel gezien (6 lettergrepen) Hij is toen maar bijen gaan houwen! (9 lettergrepen)

63

De limerick moet gaan over iemand die je kent, met de naam van een stad, dorp of streek in de eerste regel en moet bestaan uit 5 regels volgens het rijmschema aabba. Regel 3 en 4 moeten korter zijn.

65

Voorbeeld: Onderwerp: sneeuw Steekwoorden: wit, koud, vlokjes, dwarrelen, mooi, sneeuwpop, smelten, glad

66

a b

64

Er was eens een dromerige jongen uit Tiel Die telkens van zijn fiets viel Zo kon hij niet komen Op de plek van zijn dromen dus kocht hij een buskaartje voor zijn ziel Sneeuw Koude vlokjes Dwarrelen naar beneden Ik ben als sneeuwpop geboren

blauwbilgorgel, worgel, knoester, knezidon, rabon, bozbezbozzel, stekelree, maliepaard, spieringzwijn, kolbarat, jenk. Iris in de zeepbel; aan een ring aan de neus van Amarillis; als ik niet wok of worgel; knoester met mijn knezidon; vrijwel alle zinnen van tekst 64



Het Grote Taalboek Oefenboek



Antwoorden

Bijzonder Taalgebruik

73


67

a b

68

a tekst 66: 12 regels, 4 regels per strofe, strofe 1: abcb; strofe 2: defe; strofe 3: ghgh tekst 67: 23 regels, strofe 1: 6 regels, aabccb; strofe 2: 5 regels, deffe; strofe 3: 6 regels, ggdhhd; strofe 4: 6 regels, aabccb. tekst 68 : 14 regels, strofe 1: 4 regels, kwatrijn, abba, strofe 2: 4 regels, kwatrijn, abba, strofe 3: 3 regels, terzine, cde, strofe 4: 3 regels, terzine cde.

69

a b

Mijn – glijden. Maar – station. Zo – zienderogen. Doch – voorbij.

tekst 69: Thea de With tekst 70: Willem WillemAlexander

71

niet: rijmschema abba refrein terzines vast aantal lettergrepen per versregel gepaard rijm

73

a b c d e f g h i j k l m n o

74



wel: strofen rijm

c d

Zo worden wij wel meer bedrogen. Sextet. Laatste regel: het leven gaan aan ons voorbij. b tekst 68 • Octaaf: gulzig – vaarwel Sextet: plots – noem • Het moment dat de vlinder uit zijn cocon kruipt.

70

Het naamdicht moet evenveel versregels hebben als er letters in je naam voorkomen. De beginletters van alle regels vormen je naam.

72

tekst 72: elfje tekst 73: sonnet tekst 74: haiku tekst 75: klankdicht tekst 76: naamdicht tekst 77: nonsenspoëzie tekst 78: vrij gedicht tekst 79: limerick

tekst 82, Máxima tekst 91 tekst 89, abcb, defe, ghih tekst 87, aabbccddee tekst 80 tekst 90; Er staan woorden in die niet bestaan. Smeer ‘m (die factor zum) kan helemaal niet. tekst 85; Het gedicht rijmt niet. Er is geen refrein, er is geen vast aantal lettergrepen per regel. Het enige vormkenmerk zijn de strofen. tekst 83 tekst 81 tekst 84 Ontmoeting tekst 86 Bejaarden – trek; Zo – trek; Marie – fumée; Het – fumée abba, abba, cce, dde Wat je mooi vindt is persoonlijk. Elk antwoord is goed mits je het toelicht.

Het Grote Taalboek Oefenboek

Antwoorden

Bijzonder Taalgebruik

Profile for Donkigotte

Het grote taalboek oefenboek  

Het Grote Taalboek – Overzicht is het onmisbare naslagwerk voor de basisschool over taal. Het Grote Taalboek – Oefenboek is het bijbehorend...

Het grote taalboek oefenboek  

Het Grote Taalboek – Overzicht is het onmisbare naslagwerk voor de basisschool over taal. Het Grote Taalboek – Oefenboek is het bijbehorend...