Issuu on Google+


LEERPLAN LEERPLAN

tekst Filip Bloem beeld Shutterstock

Cultuur in de spiegel Maar weinig begrippen zijn zo ongrijpbaar als ‘cultuur’. Onzekerheid over de invulling van cultuuronderwijs is het gevolg. Het net afgeronde onderzoeksproject

Cultuur in de spiegel probeert houvast te bieden.

C

ultuur, wat is dat eigenlijk? Alles wat in een museum hangt? Of ook de wereld daarbuiten? Eenduidige antwoorden zijn er niet. Die verwarring, vertellen Monique van der Hoeven en Astrid Rass van SLO, het nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling, lag in 2008 aan de basis van het onderzoeksproject Cultuur in de spiegel (CiS), waar Didactief al eerder over schreef (maart 2012). CiS stoelt op een analytisch kader over cultuur van de Groningse hoogleraar Barend van Heusden, voor wie cultuur niet uit een verzameling objecten bestaat. Cultuur is bij hem het proces van omgaan met en interpreteren van de wereld om ons heen, waarbij mensen gebruik maken van diverse vaardigheden (waarnemen, verbeelden, conceptualiseren, analyseren) en media (bijvoorbeeld muziekinstrumenten, architectuur, digitale media). In Cultuur in de spiegel is op dertien basis- en middelbare scholen onderzocht of deze opvatting van cultuur een bruikbaar uitgangspunt is voor cultuuronderwijs. De betrokken docenten deden een training in de pijlers van CiS. Vervolgens ontwikkelden ze samen met promovendi van de Rijksuniversiteit

Groningen en leerplanontwikkelaars van SLO onderwijsprogramma’s voor hun eigen school. Cruciaal is dat leraren steeds aanknopingspunten bij de belevingswereld van de leerlingen zoeken. Zo kunnen leerlingen in bepaalde vakken met een fototoestel op pad worden gestuurd om eetculturen te verbeelden. Hoe ontbijten mensen uit verschillende culturen, wat en hoe eten ze, op welke plekken en waarom? Vakoverstijgende taal Een van de deelnemende docenten was Rosanne Bakker, die op het Zernike College in Groningen kunst- en cultuurvakken geeft. ‘In vakken als Nederlands, filosofie en kunstgeschiedenis ben je soms met hetzelfde bezig als in andere vakken zonder dat je het van elkaar weet of goed kunt benoemen. Cultuur in de spiegel biedt een vakoverstijgende taal die het mogelijk maakt samen lesmateriaal te ontwikkelen.’ Dat resulteerde bijvoorbeeld op de Montessorilocatie van het Zernike College in een reeks vanuit CiS geschreven kunst- en cultuurvakken waarbij ook bruggen geslagen worden naar bijvoorbeeld wiskunde. Bakker is positief over het belang dat CiS hecht aan het culturele bewustzijn van jongeren. ‘Docenten hoeven niet hun hele lesprogramma overhoop te gooien, maar worden wel gestimuleerd om rekening te houden met de belevingswereld van hun leerlingen.’ De pilot is onlangs afgerond. Een leerplankader is 20 maart tijdens een eindconferentie gepresenteerd, met daarin vele praktijkvoorbeelden van op het CiS-kader geënt cultuuronderwijs. Een mooie inspiratiebron voor andere scholen, hopen Van der Hoeven en Rass. Bakker heeft wel gemerkt dat niet elke leraar warmloopt voor de bijbehorende abstracte theorie: ‘Maar dankzij de pilot is het theoretisch kader aangescherpt en toegankelijker geworden.’ De belangstelling uit het onderwijsveld is in ieder geval groot: de eindconferentie zat vol. ■ Meer info: www.cultuurindespiegel.nl. Zie voor een verslag van de eindconferentie van CiS www.didactiefonline.nl.

34

april 2014


ONDERZOEK ONDERZOEK KORT tekst Bea Ros

Anneke Timmermans

Geeft de inspectie ‘perverse prikkels’ bij snelle krimp of groei? Een sterke leerlingenkrimp of -groei gaat samen met een slechtere beoordeling door de Onderwijsinspectie. Mogelijk een extra reden voor scholen om met hun opbrengsten te sjoemelen, zegt onderzoekster Anneke Timmermans. Tijdens een conferentie van het Welten Instituut (Open Universiteit) eind maart hield je een lezing met de prikkelende titel: Inspectie en krimp: perverse effecten. Hoezo ‘pervers’? ‘De inspectie meet de opbrengsten van scholen, onder meer op basis van de prestaties op de Cito-eindtoets. Maar bij kleine scholen zijn de variaties in die scores veel groter. Dat is een kwestie van statistiek: prestaties van individuele leerlingen hebben een grotere impact op het gemiddelde. Niet voor niets scoren kleine scholen vaak boven of onder het landelijk gemiddelde. Dat is mogelijk een extra incentive voor kleine scholen om de opbrengsten kunstmatig te verhogen.’ Kunstmatig verhogen? ‘Scholen kunnen diverse strategieën benutten om stiekem hun opbrengsten te verbeteren. Uit onderzoek van de inspectie in 2006 blijkt dat ongeveer vijf procent van de scholen dat doet. Ze geven leerlingen bijvoorbeeld kladpapier of hints tijdens het maken van de Cito-toets. Voor kleine scholen, waar de prestaties van een enkele leerling het beeld al kunnen doen kantelen, is dat verleidelijk.’ Dus eigenlijk zeg je dat toezicht beter niet op basis van Cito-scores kan? ‘De inspectie kijkt natuurlijk naar meer zaken. Bovendien zorgt de inspectie voor stabielere cijfers door de beoordeling te baseren op de resultaten van ten minste drie jaargroepen.’ Maar de Cito-scores zijn in de publieke opinie erg belangrijk. Ouders kiezen er bijvoorbeeld de school voor hun kinderen op uit. ‘Dat is niet verstandig, want die scores zeggen weinig over toekomstige prestaties van scholen. Dat blijkt ook uit Brits onderzoek naar de toegevoegde waarde van scholen. De toetsscores die dit jaar in de krant staan, zeggen niets over hoe scholen het over acht jaar doen, als jouw kind van school komt. Dat komt omdat scholen snel veranderen en toetsscores sterk variëren.’ Als je kijkt naar het toezicht op andere zaken dan Cito-scores zijn er dan verschillen tussen grote en kleine scholen?

‘Ik heb ook gekeken naar normindicatoren van de inspectie. Dan moet je denken aan zaken als: “de leerkracht legt de lesstof duidelijk uit” en “de leerkracht volgt de ontwikkelingen van de leerlingen”. Kleine scholen doen het op deze indicatoren iets slechter, maar de verschillen met grote scholen zijn relatief klein. Maar wat wel opvalt, is dat de slechtste beoordelingen voorkomen bij sterk krimpende en sterk groeiende scholen. Ofwel: er is een samenhang tussen grote schommelingen in de leerlingpopulatie en slechtere beoordelingen van de inspectie.’ Heb je daar een verklaring voor? ‘Nee, niet echt. Een verklaring zou kunnen zijn dat sterk groeiende scholen vaak nieuwe scholen zijn die nog niet alles op orde hebben. Maar waarom krimpende scholen het slechter doen? Kennelijk is stabiliteit belangrijk voor de kwaliteit van het onderwijs. Of andersom en leidt kwaliteit tot een stabielere leerlingpopulatie. Het is een verband dat we nader moeten onderzoeken en waar we alert op moeten zijn.’ Dus extra aandacht de komende jaren voor krimpende scholen op het platteland? ’Nee, nee, dat is een misverstand. Kleine scholen vind je inderdaad vaker op het platteland. Maar krimpende en snel groeiende scholen vind je relatief net zo vaak in grote steden als op het platteland. En we weten nu: hoe instabieler een school, hoe beter we die school in de gaten moeten houden.’ ■ Anneke Timmermans doet bij het GION onderzoek naar de toegevoegde waarde van scholen, a.c.timmermans@rug.nl.

april 2014

35


onderzoek onderzoek

Genoeg docenten,

maar niet de juiste Geen natuurkunde in 6 vwo? Dat lijkt moeilijk voorstelbaar. Toch is er een kans dat middelbare scholen straks voor vakken als natuurkunde, wiskunde en informatica geen bevoegde docenten kunnen vinden.

D

e afspraak uit het Nationaal Onderwijsakkoord dat iedere docent in 2017 bevoegd dient te zijn voor het onderwijs, heeft in theorie grote gevolgen. Gegeven de huidige inrichting van het voortgezet onderwijs, heeft Nederland voldoende leraren. Maar de verwachting is dat men in de toekomst voor sommige vakken te weinig en voor andere juist te veel leerkrachten heeft. Dit risico van een ‘kwalitatieve mismatch tussen vraag en aanbod’ vormt voor het voortgezet onderwijs de komende jaren de grootste arbeidsmarktuitdaging, blijkt uit de Arbeidsmarktanalyse voortgezet onderwijs 2013 dat in opdracht van Voion is opgesteld door het ITS (Radboud Universiteit Nijmegen). Of zo’n kwalitatieve mismatch ook daadwerkelijk ontstaat, is lastig te zeggen. Er zijn veel onzekere factoren, zoals de vraag of de economie weer aantrekt en of scholen bijvoorbeeld het aantal leerlingen per klas verlagen. Ook de mogelijke omzetting van de BAPO naar een nieuwe seniorenre-

Grijp nu in. Straks is het te laat

Overschot of niet? Nieuwsberichten over dreigende tekorten of juist overschotten aan leraren zijn er te over. Maar hoe zit het nu echt? Onderzoekers maken onder meer op basis van overheidsvoornemens en economische trends prognoses. De overheid kan vervolgens op die prognoses reageren door bijvoorbeeld extra geld voor het onderwijs beschikbaar te stellen om een tekort aan leraren te voorkomen. De voorspelde tekorten of overschotten kunnen hierdoor in de praktijk uitblijven, maar dat wil dus niet zeggen dat er niets ondernomen hoeft te worden. Het doel van onderzoeksprognoses is juist om de sombere voorspellingen met beleidsacties te voorkomen.

48

april 2014

geling vormt een onzekere factor. Toch levert de voorgenomen verplichting om vanaf 2017 alleen nog docenten voor de klas te hebben die voor het betreffende vak bevoegd zijn, vrijwel zeker een kwalitatieve uitdaging op. Wat is het probleem? Onder de huidige omstandigheden – zoals een krimpende economie en dalende leerlingaantallen (van 955.000 in 2015 naar 905.000 in 2020) – zijn er regionaal slechts bescheiden personele tekorten te verwachten. Voor diverse vakken waaronder informatica, wiskunde en natuurkunde zullen scholen echter moeilijk voldoende gekwalificeerd personeel kunnen vinden. Dat veel scholen het steeds moeilijker vinden om rond te komen, is daarbij een extra complicerende factor. Zo hebben scholen geen budget om jonge afgestudeerden in dienst te houden tot ze echt hard nodig zijn. Sommige scholen redeneren dat ze deze krachten later alsnog wel kunnen werven: het zou gaan om een ‘stil reservoir’. Maar in praktijk blijkt dat als leraren eenmaal zijn uitgestroomd naar het bedrijfsleven, het lastig is ze te laten terugkeren naar het onderwijs. Het beeld verschilt overigens per regio. Zo hebben scholen in (krimp)regio’s als Zeeland, Limburg, Oost-Groningen en Oost-Gelderland een overschot aan personeel, terwijl in de Randstad een tekort dreigt. Tegelijkertijd dreigt ook in de krimpgebieden een tekort aan specifieke vakleerkrachten. Ingrijpen Om te voorkomen dat scholen zich genoodzaakt zien om bijvoorbeeld bepaalde vakken uit hun curriculum te schrappen, vraagt dit probleem van een dreigende kwalitatieve mismatch om extra maatregelen. Benut daarom de komende jaren om docenten in overschotvakken alvast te verleiden zich om- of bij te scholen. Dit alleen volstaat echter niet. Scholen, lerarenopleidingen en overheden dienen ook andere sturingsmogelijkheden te overwegen:


tekst Jos Lubberman en Menno Wester

beeld Shutterstock

in de toekomst een herhaling van problemen in de uitstroom te voorkomen. Leerkrachten tussen de 35 en 45 jaar zijn ondervertegenwoordigd. Zij werken bovendien vaker in deeltijd, mogelijk vooral vanwege de thuissituatie (jong gezin). Bekijk of het mogelijk is om de aanstellingsomvang van werknemers aan te passen om een evenwichtigere opbouw te realiseren en om te voorkomen dat jongere docenten voor het onderwijs verloren gaan.

5

5. Verlaag het ziekteverzuim. Het huidige verzuim van circa vijf procent zorgt landelijk voor een vervangingsvraag van circa vierduizend fte. Het terugbrengen van dit verzuim met één procentpunt scheelt de sector bijna zestig miljoen euro en kan de vraag naar gekwalificeerd personeel verkleinen.

1 2 4

6

1. Allereerst de lerarenopleiding: het rendement kan omhoog. Jaarlijks beginnen er zo’n tienduizend studenten aan de lerarenopleiding, van wie het merendeel voor een tweedegraads bevoegdheid. Maar van de tweedegraads opleiding heeft binnen vijf jaar slechts een derde het diploma behaald. Bij de eerstegraders is het opleidingsrendement minder een probleem. Studenten die deze vervolgopleiding na hun master volgen, lijken dit bewuster te doen. De huidige instroom van de universitaire lerarenopleiding is echter met ruim negenhonderd beperkt. Ondanks een groeiende instroom van zo’n twintig procent sinds 2008 blijft de belangstelling achter. Als de economie aantrekt, zal deze instroom bovendien waarschijnlijk dalen.

3

2. Behoud startende leraren voor het onderwijs door ze een aantrekkelijker carrièreperspectief te bieden en goed te begeleiden in het begin van hun loopbaan. Nu is van alle gediplomeerden tachtig procent na één jaar in het onderwijs aan het werk en na tien jaar (nog maar) vijftig procent. 3. Scholen dienen heel bewust te kijken naar hun ‘risicovakken’. Van welke vakken voorzien zij dat er op een dag geen geschikte leerkracht voor in huis is? Ze kunnen daarvoor voorbereidingen treffen, bijvoorbeeld door nu al gericht te gaan werven. 4. Werk aan een personeelsbestand waarin alle leeftijdsgroepen gelijk vertegenwoordigd zijn, mede om

6. Bekijk als school de mogelijkheid van combinatiefuncties, leraren die zowel in het bedrijfsleven als in het onderwijs werkzaam zijn. Met een tekort aan technici op komst, is de roep om afgestudeerde natuurkundigen, wiskundigen en informatici niet alleen in het onderwijs groot. In plaats van als werkgevers elkaar te beconcurreren, is het raadzaam de samenwerking te zoeken. Dit geldt ook door de onderwijssectoren heen.

7

7. Onderzoek de mogelijkheden om regio-overstijgende afspraken te maken om personeel vanuit overschot- naar tekortregio’s te halen (en niet alleen binnen regio’s samen te werken). Verleid mensen om (tijdelijk) in een andere regio als docent aan de slag te gaan. Bekijk samen met de aankomende docenten welke constructies het voor hen aantrekkelijk maakt (woon-werkregelingen, detacheringen, terugkeergaranties). Deze oplossing vereist wel veel maatwerk. Enerzijds willen afgestudeerden zekerheid, anderzijds hebben ze ook een sociaal leven in de regio en hun buurt. Het voortgezet onderwijs staat voor de uitdaging om in 2017 nog voldoende bevoegde docenten te hebben om het huidige onderwijsaanbod overeind te kunnen houden. Bovenstaande opties zijn mogelijke oplossingen, met de nadruk op ‘mogelijk’: ze zijn voor discussie vatbaar. Maar wat voor alternatieven er ook worden bedacht: houd het imago van werken in het onderwijs scherp in de gaten. Voorkom dat een groeiende vraag leidt tot lagere eisen en slecht op de beroepspraktijk voorbereide leraren. ■ Jos Lubberman, Nico van Kessel, Menno Wester, Adri Mommers, Arbeidsmarktanalyse voortgezet onderwijs 2013. Te downloaden op www.voion.nl. Zie voor meer info ook: www.voion.nl/programmalijnen/arbeidsmarkt-en-mobiliteit.

april 2014

49


Haal het beste uit uzelf en uit uw leerlingen! Voor vertrouwen, veiligheid, rust en wederzijds respect

Bestel

hier de uitgave van uw keuze

• Preventief en curatief Opleiding voor individuele leerkrachten en teams (ook B.S.O. en T.S.O.) • Gratis volgsysteem, doorCOTAN positief beoordeeld • Aanpak van pesten, erkend effectief (NJi) Ouders, leerkrachten en leerlingen verlangen een school die goede leerresultaten weet te behalen en de veiligheid weet te waarborgen.

Help, rd ik wo

Inspiratie & informatie voor managers en docenten

er!

slimm

in

het bre Begrijp r beter en lee Gerjan

n ne Dirkse

www.tenbrinkuitgevers.nl

T (036) 548 94 05 E info@kanjertraining.nl

w w w. ka nj er training .nl

Ben jij gek?! Hét lespakket om psychische problemen bespreekbaar te maken Depressieve gevoelens, ADHD, eetproblemen of overmatige angsten. Krijgt u ook regelmatig te maken met leerlingen met psychische problemen? Hierover praten is niet altijd even makkelijk. Als hulpmiddel is het lespakket Ben jij gek?! ontwikkeld. Ben jij gek?! haalt psychische problemen uit de taboesfeer en maakt ze bespreekbaar. Ook kan het leerlingen van pas komen in hun toekomstige werk, zoals in de zorg en welzijn.

Voor meer info en bestellen: www.benjijgek.nl ‘Ben jij gek?!’ is een initiatief van Fonds Psychische Gezondheid


Didactief 2014 | Nr. 4