Issuu on Google+

JA ARGANG 41, NR 7 / SEPTEMBER 2011, PRIJS € 6,-

OPinie en OnderZOeK vOOr de ScHOOLPraKtiJK

nieuw in nederland De favoriete leraar van Ronald Giphart

SPeciaL SAMEN onderwijs passend maken


Adv-Didaktief-8_11:Omslag-catalogus_DRUKKER 25-08-11 09:22 Pagina 3

Hoe ga ik om met een leerling met autisme, ADHD, ODD/CD of een angststoornis? Volg de cursus:

Passend omgaan met verschillen in de klas Voor leerkrachten, docenten en IB'ers die adequaat willen inspelen op bijzondere onderwijsbehoeften. Deelnemer aan de cursusmodule Autisme: ‘Na het volgen van de cursus over autisme voelde ik mij veel competenter in het lesgeven aan leerlingen met autisme.’

www.cedgroep.nl/cursussen voor meer informatie en cursusdata

Van de makers ! van Wijzer Onderwijs l

www.wijzeronderwijs.n

2

september 2011


van de redactie van de redactie

Nieuw! Supergemotiveerd zijn ze, de kinderen die nieuw zijn in Nederland en de eerste jaren ondergedompeld worden in de Nederlandse taal. Het aantal immigranten neemt de laatste jaren weer toe, zo blijkt uit cijfers van het SCP. Hun kinderen kunnen worden

Simone Barneveld, hoofdredacteur Didactief

opgevangen in zogenoemde Eerste Opvangscholen of Internationale Schakelklassen. Dat er een hele wereld schuilgaat achter het onderwijs aan nieuwkomers kunt u lezen in het coververhaal ‘Nieuw in Nederland’ op pagina 16. Nieuw – om dat woord dan maar direct als bruggetje te gebruiken – is ook Didactief. Een paar maanden geleden kondigden we het al aan: Didaktief is nu Didactief – eindelijk laten we de verwarrende jaren zeventig-spelling los – met bijbehorend fris uiterlijk. De vertrouwde inhoud wordt in een visueel toegankelijker jasje gepresenteerd. Elke maand openen we met een mooi, groot interview. Deze maand met de Belgische hoogleraar Jan van Damme die het zittenblijven van kleuters veroordeelt en hier inspiratie vindt voor de Vlaamse lerarenopleidingen: ‘In Nederland heb je de academische pabo. Wij zijn ook zoiets aan het bedenken.’ Er zijn nieuwe rubrieken, er is een nieuwe columnist, Frank Jongbloed, en een nieuwe serie, De favoriete leraar van…. Aan populaire pagina’s als Onderzoek Kort zijn nieuwe elementen toegevoegd. Elke twee maanden schrijft onderzoeker Paul Kirschner in de rubriek Kirschner kiest over spraakmakend (internationaal) onderzoek. Deze keer bewijst hij dat alle mobieltjes de klas uit moeten. En niet te vergeten, de specials zijn nog beter én uitneembaar. De reden voor deze verandering is onze blik op de toekomst. We bestaan dit jaar veertig jaar en zijn van plan nog decennia verder te gaan. We willen aansluiting houden bij docenten, ook bij de jonge leerkrachten, en vooral een vakblad en website blijven waar de onderwijsprofessional niet omheen kan. Wilt u reageren op de nieuwe Didactief, stuur dan een e-mail naar redactie@didaktief.nl.

september 2011

3


nieUwKOMers rOnaLd GiPHart

inHOUd

OnderwijsinsPectie REPORTAGE

6

16 Nieuw in Nederland 36 Mijn school: Visio Rotterdam

Jan Van Damme Onderzoek toont volgens de Vlaamse hoogleraar Jan Van Damme aan dat zittenblijven een negatief effect heeft op kinderen. Hij pleit daarom voor onderwijs op maat.

INTERVIEW 6 Hoogleraar Jan Van Damme 39 Scheidend hoogleraar Nico Verloop 40 De favoriete leraar van… Ronald Giphart

OPINIE

40

26 Onderwijsinspectie onder vuur

Ronald Giphart In gesprek met zijn favoriete leraar Kees van Bueren. ‘Als de schoolkrant uitkwam, was het muisstil in de lerarenkamer.’

COLUMN 9 Jo Kloprogge: de educatieve boekhouder 14 Wisselcolumn: Helmut Rauschenberg 30 Frank Jongbloed: ‘Wij werken hier met mongolen’

43

ONDERZOEK 22 In een minuut leesachterstanden opsporen 31 Onderzoek kort

Gratis boek! Didactief geeft vijf keer het boek Machomannetjes. 99 manieren om de straatcultuur terug te dringen uit uw school van Hans Kaldenbach weg. Lees de recensie van het boek en ding mee naar een gratis exemplaar.

RUBRIEKEN 10 D to know 15 Vakidioot: Stephan van Aalderen 25 Praktijknieuws 28 Historische foto: Almere in de kinderschoenen 42 Boeken 44 Interactief 45 Agenda 46 Colofon en Volgende maand De cover is gemaakt door: Olivia Ettema

4

september 2011

Collega’s in the picture

Dit jaar bestaat Didactief 40 jaar! De reizende fototentoonstelling ter ere daarvan is vanaf 5 september te zien in de NHL-pabo te Leeuwarden. De expo laat ‘Nederlandse evenwichtskunstenaars’ zien: docenten die zich elke dag staande houden in het onderwijs. Gefotografeerd door Zilveren Camera-winnares Rosa Verhoeve.

www.didaktief.nl  www.didactiefonline.nl Blogs, links naar Twitter, Facebook en rss-feeds, een poll, een webshop, meer nieuws, onderzoek en opinie en alles nog makkelijker vindbaar. In september krijgt Didactief een nieuwe website met een nieuwe URL.


16

Nieuw in Nederland Ze komen uit alle denkbare culturen en hebben soms nog nooit een school van binnen gezien. Eenmaal hier worden de nieuwkomers ondergedompeld in de Nederlandse taal, twintig uur per week. Didactief keek hoe het hun vergaat in de internationale schakelklassen.

Special De Operatie Passend Onderwijs van het kabinet zit er onontkoombaar aan te komen. In deze Special aandacht voor hoe het buitenland daarbij tot voorbeeld kan zijn. En hoe sommige initiatieven van scholen en samenwerkingsverbanden al – met succes – op de toekomst vooruit blijken te lopen.

september 2011

5


interview [PO/VO] intervieW

6

September 2011 september


Tekst Luutje Niemantsverdriet Beeld Rob Stevens

Hoogleraar Jan Van Damme

‘Zittenblijven heeft negatief effect’ In België blijven meer kinderen zitten dan in Nederland. Toch toont onderzoek volgens de Vlaamse hoogleraar Jan Van Damme aan dat zittenblijvers het aan het eind van het schooljaar slechter doen dan hun nieuwe klasgenoten. Hij pleit daarom voor onderwijs op maat.

v

eel van wat fout loopt in de schoolloopbaan loopt fout vanaf de start en moet vanaf de start aangepakt worden, zegt Jan Van Damme, emeritus hoogleraar en onderzoeker bij het Centrum voor Onderwijseffectiviteit en -evaluatie verbonden aan de Katholieke Universiteit van Leuven. Uit zijn onderzoek blijkt dat zich onder voortijdig schoolverlaters relatief veel vroege zittenblijvers bevinden. Wat is het verband tussen zittenblijven en schooluitval? ‘Leerlingen die al een keer zijn blijven zitten, haken sneller af als ze later nog eens problemen hebben. We hebben onderzocht wat er op termijn met zittenblijvers gebeurt. De grootste groep studeert gewoon af. Ze hebben een jaar verloren, maar ja, er was een probleem en dat probleem is in het voortgezet onderwijs opgelost. In netto effect vonden we geen verschil met klasgenoten wat betreft hun prestaties en beleving. Een jaartje ouder dan de klasgenoten is dus geen probleem, maar twee jaar ouder wel. Dan bevordert een gebrek aan schoolprestaties en sociale integratie het schoolverlaten zonder startkwalificatie. Dat was het meest negatieve effect dat we zagen. Dat zijn we nu grondiger aan het bekijken, aansluitend bij de internationale literatuur. Vlaamse leerkrachten verwijzen veel leerlingen, tien procent van de jongens, door naar het speciaal onderwijs, maar laten ook veel leerlingen zitten. Aan het eind van de lagere school is één op de vijf

leerlingen wel een keer blijven zitten. In het eerste leerjaar (onze groep 3, red.) zeven procent en dat is veel. Grosso modo zal dat niet zoveel verschillen met Nederland. Maar bij ons blijft ook één op de drie zitten in het voortgezet onderwijs en in het eerste jaar van de universiteit. Al met al hebben wij veel vertraagde leerlingen.’ Onderzoek naar de effectiviteit van zittenblijven is dus van maatschappelijk belang. Voorstanders veronderstellen dat het de verdere schoolcarrière van zittenblijvers helpt als zij in het jaar dat ze overdoen worden bijgespijkerd. Bovendien zouden zwakke leerlingen meer zelfvertrouwen krijgen als zij het jaar beginnen met een forse kennisvoorsprong op hun nieuwe klasgenoten. Tegenstanders vrezen dat onvoldoende nieuwe intellectuele uitdaging gedragsproblemen in de hand werkt. Wie heeft er gelijk? ‘Toen we in de jaren negentig met onderzoek begonnen naar het effect van zittenblijven in het eerste en tweede jaar van het voortgezet onderwijs, zagen we dat zittenblijvers op korte termijn beter presteerden. Ook in hun niet-cognitieve ontwikkeling voelden ze zich een stuk beter, zowel in het jaar dat ze overdeden als in het jaar daarna. Maar enkele jaren later waren de effecten bij diezelfde leerlingen minder positief en zagen we meer negatieve effecten. Nu volgen we al een jaar of acht een groep van zesduizend kinderen vanaf de derde kleuterklas (onze

>> september 2011

7


nterview

[PO/VO] intervieW

groep 2, red.). Die zitten nu in het begin van het voortgezet onderwijs. Op dit moment bekijken wij de effecten van zittenblijven in het eerste leerjaar. Daarvoor vergelijken we zittenblijvers niet alleen met leerlingen die niet zijn blijven zitten, maar ook met hun nieuwe klasgenoten. De scores lopen niet sterk uiteen, maar je ziet dat de zittenblijvers het in het begin een klein beetje beter, maar aan het eind van het schooljaar iets slechter doen dan hun nieuwe klasgenoten. Op het eind van het derde leerjaar blijven ze al achterop. Zittenblijven heeft geen positief effect, eerder integendeel. Je ziet hyperactief gedrag bij zittenblijvers. Ze vertonen in het begin minder probleemgedrag maar later juist meer. Datzelfde geldt voor zelfstandigheid in de klas: in het begin meer, later minder. Ze blijven haast systematisch achter bij hun nieuwe klasgenoten. Ook vergeleken met hun vroegere klasgenoten zie je dat ze niet voor alle vakken in dezelfde mate groeien. Daarbij komt dat de leerkracht negatiever over de prestaties van de zittenblijvers oordeelt dan over die van de anderen. Niet alleen in het jaar dat ze overdoen, ook nog twee, drie jaar later. Alsof de leerkracht vindt dat het kind beter had moeten presteren omdat het een jaartje ouder is. De negatieve effecten bleken nog duidelijker uit de perceptie van de leerkracht dan uit de testresultaten zelf. Eigenlijk zou het beter zijn als de kinderen zouden doorstromen. Ze zouden daar beter uitkomen.’ Hoe zou het anders kunnen? ‘Er zijn landen waar niemand blijft zitten, Scandinavische landen bijvoorbeeld. Die differentiëren sterker. Ook Vlaamse onderzoekers kijken daarnaar. Er moeten alternatieven worden geboden. Maar het is niet zo dat er één goede oplossing is. Ik zie toch een beweging in de richting van onderwijs op maat. Voor wat in de groep voor individuen onvoldoende werkt, moeten we alternatieven zoeken. In kleine groepen of individueel. Sterker differentiëren om alle leerlingen aan hun trekken te laten komen, ook de sterken. Dat is natuurlijk een zeer moeilijke opdracht, maar ook een aangename opdracht als je ziet dat het effect heeft. Leerkrachten hebben de neiging tamelijk homogene klassen te maken. Net als in Nederland is in Vlaanderen het basisonderwijs voor de sterke leerlingen niet goed. In internationale vergelijkingen blijven onze sterke leerlingen het meest achter, terwijl onze zwakke leerlingen het in vergelijking wel goed doen. Dat komt doordat leerkrachten als ze differentiëren, alleen differentiëren voor de zwakste

‘In Nederland heb je de academische pabo. Wij zijn ook zoiets aan het bedenken’

8

september 2011

groep. Ze helpen de zwakste maar ze dagen de sterke leerlingen onvoldoende uit. We hebben een sterker soort leerkracht nodig in het lager onderwijs. Er is een tijd geweest dat onze onderwijzers intellectueel en maatschappelijk zeer sterk waren. Maar door de democratisering van het onderwijs gaat iedereen die dat aankan naar de universiteit. De instroom naar de lerarenopleiding is toch wel een probleem aan het worden. In Nederland heb je de academische pabo. Wij zijn ook zoiets aan het bedenken.’ Hoe bepalen leerkrachten eigenlijk of een kind blijft zitten? ‘Gezond verstand. Wij hebben zeer weinig centrale toetsen; alleen een aantal peilingen op het eind van het zesde jaar. Toetsen is niet onze stijl. Scholen genieten in Vlaanderen een grote autonomie wat betreft onderwijsmethoden. Professionals hebben een zekere autonomie nodig en wij vinden dat de overheid zich niet te veel mag bezighouden met de school. Wij hebben in 1830 de Nederlanders buiten gegooid, omdat koning Willem I scholen begon op te richten in België. Wij vonden dat geen taak voor de koning. De overheid mag wel een beetje beleid voeren natuurlijk, maar niet te veel. Het is veel beter als de directie en het team zich zelf verantwoordelijk voelen voor wat er met de kinderen gebeurt. Dat is hier de traditie. De keerzijde daarvan is dat de overheid het ook niet nodig vindt praktijkgericht didactisch onderzoek te laten uitvoeren. Dat is een handicap, omdat de scholen nog niet echt met gegevens werken. Zij kijken niet goed: waar staan onze leerlingen nu en wat zouden we moeten doen opdat die leerlingen het verder zouden brengen. Ze hanteren wel leerlingvolgsystemen, maar beleidsmatig ermee werken, komt nog niet echt van de grond. Daarom zijn wij nu bezig met een schoolfeedbackproject. Wij kunnen voor scholen hun toegevoegde waarde berekenen en die vergelijken met soortgelijke Vlaamse scholen. Zodat ze weten waar hun leerlingen staan, in de hoop dat de scholen echt met die gegevens gaan werken en er vroegtijdiger tussen komen. Maar ik ben toch niet zo negatief. Er zijn geen enorme verschillen tussen scholen. Uit metingen van het netto effect blijkt dat alle scholen in Vlaanderen gemiddeld hun leerlingen ongeveer even ver brengen. Alles samen doen onze leerkrachten en scholen het niet zo slecht. En Nederlandse ouders denken dat ook, want die sturen hun kinderen naar Vlaanderen. Maar het kan nog beter. Het is al goed als scholen zich bewust zouden zijn: bij wie werkt dat en bij wie werkt dat niet? En er dan iets aan doen. Net als in Nederland wat opbrengstgerichter gaan werken. Daar zijn we volop mee bezig.’ ■


cOLUMn

cOLUMn Jo Kloprogge

De educatieve boekhouder

H

Alle enthousiasme wordt bij voorbaat de kop ingedrukt

Jo Kloprogge is adviseur voor onderwijs, onderzoek en jeugdbeleid Beeld Allard de Witte

et komt regelmatig voor dat leerkrachten na een langdurige loopbaan in het onderwijs afscheid nemen. De lokale kranten besteden hier graag aandacht aan. Veel van hun lezers kennen immers deze leerkrachten en hebben les van hen gehad. En steeds duikt dan de vraag op wat er in het onderwijs is veranderd in de afgelopen 25 of 40 jaar. De antwoorden zijn bijna altijd gelijkluidend. Er wordt tegenwoordig op school veel meer vergaderd en er wordt veel meer getoetst dan vroeger. De vertrekkende leerkrachten laten niet na op te merken dat ze vooral blij zijn daar nu vanaf te zijn. Leerkrachten die nog een aantal jaren hun krachten aan het onderwijs mogen geven, zullen veel van hun tijd moeten besteden aan vergaderen en toetsen, althans als het aan het kabinet ligt. Dit wordt zichtbaar in een drietal actieplannen die het ministerie dit voorjaar afscheidde. Ze betreffen het basisonderwijs, het voortgezet onderwijs en het leraarschap. Het zijn geslaagde bureaucratische documenten, vol met het in 2011 gevraagde jargon. Het gaat om meten en regelen, toetsen en presteren, opbrengstgericht werken, scores en referentieniveaus, om meetbare doelen, rendementen en predicaten. De technocratie viert hoogtij. De oude waarheid dat de kwaliteit van de leerkracht bepalend is voor de kwaliteit van het onderwijs, wordt weer breed verkondigd. Maar de departementale plannenmakers hebben zo hun eigen idee over wat een goede leerkracht is. In hun visie is dat vooral een leraar die formulieren invult, doelen opschrijft, en scores bijhoudt. De leraren mogen zich inschrijven in een register waaruit blijkt (!) dat ze professioneel zijn, en ze mogen rekenen op een forse toename van het aantal functioneringsen beoordelingsgesprekken. De vraag is natuurlijk of ons onderwijs langs deze lijn beter wordt. Ik vrees van niet. Er is niets mis met een beetje toetsen en vergaderen, referentieniveaus scoren of doelen opschrijven. Maar het gaat wel allemaal ten koste van de tijd die aan de leerlingen kan worden besteed en moet dus niet een doel op zich worden. Bovendien is het zeer de vraag of toetsen het meest voor de hand liggende middel is als je effect wil bereiken. In de recente overzichtsstudie van Hattie, waarin 800 metastudies zijn verwerkt, komt frequent toetsen op plaats 79 van de 138 bestudeerde effectieve aanpakken. Er zijn dus zeker 78 alternatieven die wel eens mogen worden bekeken. Het ergste is echter dat de boodschap die wordt uitgedragen in de actieplannen niet spoort met de ambities van mensen die graag onderwijs geven om jongeren iets te kunnen leren. Alle enthousiasme wordt hier bij voorbaat de kop ingedrukt. De leraar die de beleidsmakers voor ogen hebben, is geen bevlogen pedagoog maar een educatieve boekhouder. In het toetsen en vergaderen ligt de toekomst van ons onderwijs. De vertrekkende leraren van nu hebben nog goede herinneringen aan hun leerlingen. Straks zien we leerkrachten vertrekken die niet eens meer weten dat er achter de cijfers en plannen ooit ook nog leerlingen zaten. â– 

september 2011

9


dtOKnOw Samenwerken

leraren die houden van deze jongeren

leraren die houden van deze jongeren

Wijkscholen lijken succesvol Een proef in Rotterdam waarbij probleemjongeren naar een zogenoemde wijkschool gaan, lijkt succesvol. In deze kleinschalige scholen krijgen de leerlingen vakken die gericht zijn op het beroep dat ze willen uitoefenen. Uit een evaluatie van het Centraal Plan Bureau blijkt dat zestig procent van de jongeren teruggaat naar het gewone onderwijs of werk vindt. Mede-initiatiefnemer Piet Boekhoud: ‘Dit is een goede manier om jongeren weer op de rails te krijgen. Daar is wel goed onderwijzend personeel voor nodig; leraren die houden van deze jongeren,’ aldus Boekhoud. / MdH

leraren die houden van deze jongeren

leraren die houden van deze jongeren

aan de slag Ruim 70 procent van de in 2009 afgestudeerden leraren (pabo, lvo en ulo) werkt direct na afstuderen binnen het onderwijs. Een halfjaar later is dit 80 procent en na een jaar 74 procent. Dit blijkt uit de jaarlijkse Loopbaanmonitor, uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Bijna 20 procent van de afgestudeerden werkt direct na afstuderen buiten het onderwijs, heeft een kleine baan of werkt helemaal niet. Van de groep afgestudeerden die geen baan heeft, studeert de helft verder. Ruim twintig procent van de beginnende leraren geeft aan geen of amper begeleiding te ontvangen. Degenen die wel begeleiding krijgen, willen langer in het onderwijs blijven werken dan degenen die geen begeleiding ontvangen. / MdH Het hele rapport is te vinden op: http://www.regioplan.nl/publicaties/ slug/type/rapporten/slug/loopbaanmonitor_onderwijs_2010

10

september 2011

leraren die houden van deze jongeren

leraren die houden van deze jongeren

Leraren in opleiding moeten goed leren samenwerken, vinden docenten en studenten. Maar samenwerken vormt geen apart leerdoel op de verschillende opleidingen. Als het aan NWO-onderzoeker Marjolein Dobber ligt komt daar snel verandering in. Zij ontwikkelde een aantal manieren om samenwerking binnen groepen te stimuleren en te verbeteren. Denk bijvoorbeeld aan het uitnodigen van experts bij bijeenkomsten of het roteren van de leiderschapsrol tussen groepsleden. / aB Meer weten? Ga naar www.nwo.nl/nwohome.nsf/pages/NWOP_8HZBGD


vaarwel balpen Met de hand schrijven is niet meer van deze tijd, vinden ze in Indiana. Daarom schrapt deze Amerikaanse staat dit leerdoel uit het curriculum om het te vervangen door typelessen. Ben Hamerling, van de Stichting Schriftontwikkeling, spreekt er schande van: ‘Basisvaardigheden worden steeds meer onderuitgehaald omdat de computer alles zou oplossen. Maar kinderen leren beter in woordverband te denken als ze letters aan elkaar leren schrijven, wat met de computer niet mogelijk is.’ In de Canadese krant Vancouver Sun spreekt Perry Klein, hoogleraar in geletterdheid aan de University of Western Ontario, dit tegen: ‘Het gaat erom dat leerlingen eerst letters vloeiend kunnen vormen. Dan pas kunnen ze zich richten op de inhoud en de taal van de tekst.’ Klein benadrukt dat onderzoek naar of leerlingen het vormen van letters beter op papier of op het scherm kunnen leren, nog niet is gedaan. Volgens Andree Anderson, van de Indiana University, is wel of niet handgeschreven niet het probleem: ‘Het gaat er niet om hoe leerlingen schrijven, maar wát ze schrijven. Kinderen gebruiken steeds meer sms-afkortingen in het schrijven, en dat willen we niet zien.’ Hamerling blijft pessimistisch over het besluit om de pen door het toetsenbord te vervangen. ‘Wie gaat die typelessen dan geven? Leraren kunnen dat vaak niet. Deze maatregel is dus niet in het belang van de kinderen en dat is zonde, want ieder kind wil en kan leren lezen en schrijven.’ / aB

curaçao zet mediacoaches in Onlangs ontvingen de eerste achttien Curaçaose mediacoaches hun certificaat. Aanleiding voor de opleiding zijn de problemen die de jeugd op het eiland ondervindt als gevolg van het toenemend mediagebruik. Ze maken elkaar bijvoorbeeld het leven zuur door met hun smartphones gefabriceerde rapsongs of filmpjes op YouTube te plaatsen. De gevolgen hiervan zijn op Curaçao extra ingrijpend omdat het slachtoffer geen uitweg heeft uit de kleine gemeenschap van het eiland. Soms neemt het digitale pesten zulke ernstige vormen aan dat Curaçaose jongeren dreigen met zelfmoord. Ook mediaverslavingen vormen een groot probleem. Doordat het toekomstperspectief vaak slecht is, vluchten tieners in verslavingen zoals ‘extreme gaming’ met als gevolg dat zij van de realiteit afgesloten raken. Daarnaast beïnvloeden de Noord- en Zuid-Amerikaanse media de jongeren sterk met hun seksueel getinte advertenties, muziekclips en soaps. Om deze problemen het hoofd te bieden, ontwikkelde de Nederlandse Academie voor Media en Maatschappij voor Curaçao een aangepaste versie van de al bestaande opleiding tot mediacoach. Deze coaches zetten zich in voor het verbeteren van de mediawijsheid van jeugd door middel van nationale en lokale projecten. De nu afgezwaaide mediacoaches zijn onder andere werkzaam in het onderwijs, bij jeugdzorg en bij de politie. De coaches kregen hun certificaat uit handen van plaatsvervangend minister van Onderwijs, de heer Wilsoe: ‘Naast ouders, school en overheid voeden ook de media onze kinderen op. Laten we de opvoeding en begeleiding weer in onze eigen hand nemen.’ / MdH

september 2011

11


dtOKnOw

M/J

Minister Van Bijsterveldt wil experimenteren met aparte lessen voor jongens en meisjes om te onderzoeken of deze bevorderlijk zijn voor de leerprestaties.

De hersenontwikkeling van jongens heeft zo’n twee jaar achterstand bij hun vrouwelijke leeftijdsgenoten, waardoor ze een minder goede schoolcarrière hebben, zegt Wim Kuiper in Trouw. Kuiper is voorzitter van de Besturenraad, de vereniging van meer dan 500 christelijke schoolbesturen die ruim 2000 scholen - en daarmee bijna 900.000 leerlingen - leidt. Volledig gescheiden onderwijs wordt niet onderzocht en ook uitsluiting van alleen jongens of meisjes is niet aan de orde. Zo zou een jongen dus wel kunnen deelnemen aan een op meisjes afgestemde les en vice versa. Of er nu een achterstand van jongens of meisjes moet worden weggepoetst, het debat over gescheiden onderwijs laait telkens weer op. In 2002 bleek uit een studie van de Universiteit van Gent dat meisjes beter presteren op een meisjesschool. Door de dominantie van jongens stellen meisjes zich minder assertief op om sociale afkeuring te vermijden. Ze voelen zich meer gesteund op meisjesscholen, ze hebben meer het gevoel erbij te horen en dat maakt hen weerbaarder. / aB Meer weten? Lees in het oktobernummer van Didactief het uitgebreide artikel over jongens en meisjes.

12

september 2011


Mister Perfect Hij is een man, hij is jong en hij geeft Nederlands. Dat is de ideale docent, blijkt uit een enquête van Schoolbank. Ruim 80 procent van de vrouwen geeft de voorkeur aan een mannelijke leraar, terwijl 40 procent van de mannen liever een vrouw voor de klas ziet. Belangrijke eigenschappen van de populairste docent zijn plezier in het lesgeven, motiveren en de klas onder controle hebben. De grootste not is grapjes maken ten koste van leerlingen. En ook kleding telt mee: hij hoeft niet knap te zijn, maar wel goed gekleed gaan en een eigen stijl hebben. / aB

?!

3 vragen aan

Wondimu ahmed

Zijn onderzoek naar de rol van emoties in de wiskundeles in de brugklas (w, september 2010) leverde Wondimu Ahmed de prestigieuze VOR-VFO dissertatieprijs op. Wat is zijn gouden tip voor wiskundeleraren? dat is een mooie prijs! Had je verwacht te winnen?

‘Ik had er geen idee van. Normaal moet je je aanmelden voor een prijs, maar dat was nu niet het geval. Ik kwam erachter dat ik genomineerd was toen mijn coördinator mij plotseling feliciteerde. Ik vroeg waarmee, en ze vertelde me het goede nieuws. Ik was ontzettend blij en dat ik ook nog heb gewonnen is natuurlijk geweldig.’ Het nieuwe schooljaar gaat bijna van start. Wat zijn de do’s en don’ts voor wiskundeleraren om met de nieuwe brugklassen aan de slag te gaan?

‘Wat een moeilijke vraag! Wiskundeleraren - ik ben er zelf ook één geweest - weten natuurlijk zelf wel wat de do’s en don’ts zijn, daar zijn ze immers voor opgeleid. Wat ik tijdens mijn onderzoek vaak zag, is dat docenten de stof die leerlingen op de basisschool al hadden geleerd herhaalden. Dat is een echte do, want daardoor krijgen leerlingen veel zelfvertrouwen in het vak en presteren ze beter. De valkuil is natuurlijk dat je zó veel herhaalt dat leerlingen zich gaan vervelen. Dus herhaal met mate.’ Wat zijn je verwachtingen voor dit schooljaar als het om wiskunde gaat?

‘Ik hoop dat de relatie tussen leraar en leerlingen verbetert. Tijdens het onderzoek gaven veel leerlingen aan dat ze het gevoel hadden dat hun wiskundeleraar helemaal niet geïnteresseerd was in hun prestaties. Gezien het grote verschil tussen de basisschool, waar één leraar je in praktisch elk vak begeleidt, is dat natuurlijk niet verrassend. Maar het is juist heel belangrijk om leerlingen te steunen en ze vertrouwen te geven in het vak. Juist voor zwakkere leerlingen maakt die support echt het verschil! / aB

september 2011

13


cOLUMn

WiSSeLcOLUMn

DEZE MAAND:HELMUT RAUSCHENBERG

Groot hart

H

et onderwijs moderne vreemde talen (mvt) mist een groot, kloppend hart. De docenten die in Europa voor een belangrijke (zo niet de belangrijkste) voorwaarde voor samenwerking zorgen, werken zelf nog veel te weinig samen. Het is hoog tijd dat dat gaat veranderen. De komst van het Europese referentiekader (Erk)vraagt om vervolgstappen. Het is niet meer van deze tijd dat in elk land aan geheel eigen curricula, uitleg en oefeningen wordt gewerkt en al helemaal niet dat elk land weer op zijn eigen manier examineert en certificeert. Door samenwerking kan kwalitatief en kwantitatief veel worden gewonnen. Zonder de eigen traditie meteen helemaal los te laten, kunnen internationale elementen aan het talenonderwijs worden toegevoegd die immers onlosmakelijk met de doelstellingen van mvt-onderwijs verbonden zijn. De eigen docent wordt daardoor een meer geloofwaardig intermediair. De productie van eigentijdse instructie video’s en programma’s, taal apps en games is voor elk land afzonderlijk veel te kostbaar. Iets dergelijks voor alle Europese landen te ontwikkelen, loont veel eerder. In zulke digitale instructie- en oefenomgevingen kan de taalleerder continu met de doeltaal in aanraking worden gebracht en onmiddellijk en individueel feedback ontvangen. In gaming- of second lifeachtige omgevingen kan zich de student al lerend en oefenend bewijzen, scoren en doorgaan naar het volgende taallevel. Toetsing en certificering vindt zo geleidelijk plaats en is niet meer afhankelijk van puntmetingen. Dit past ook veel beter bij het Erk. Het land van de doeltaal kan een belangrijke regierol in de productie van het materiaal en de bepaling van beheersingsniveaus en de accreditatie van certificeerders krijgen. De docent kan daardoor worden vrijgesteld van veel routinetaken. Hij treedt op als begeleider, adviseur en makelaar in leermaterialen. Hij helpt waar het aanbod tekortschiet en biedt in projecten onderwijs op maat en op hoog niveau (literatuur/cultuur). En hij neemt – als prosumer (een samentrekking van producer en consumer, red.) – deel aan de evaluatie en productie van materiaal. Het leermateriaal wordt veelal via crowdsourcing (een breed publiek betrekken bij je onderzoek, red.) ontwikkeld. Er is een verdienmodel voor de prosumers die hieraan deelnemen, gebaseerd op het aantal en de status van hun followers onder collega’s en studenten. Het vraagt om een weldoordachte en goed gecoördineerde aanpak om dit alles mogelijk te maken. Maar als de EU haar rol als bewaarder van haar culturele erfgoed en haar talige pluriformiteit serieus invulling wil geven, start ze spoedig met de opbouw van de benodigde infrastructuur. Zodat daaruit een groot kloppend hart voor samenwerking en beter begrip kan groeien. ■

‘Ontwikkel mvtmateriaal voor alle Europese landen’

14

september 2011

Helmut Rauschenberg is oud-bestuurslid van de sectie Duits van levende Talen. Momenteel is hij werkzaam in een onderwijsgerelateerde functie.


vaKidiOOt

Meer dan een koprol

Tekst Truus Groenewegen Beeld Allard de Witte

Ze zijn er nog, de authentieke vakidioten. Leraren die je, vanwege hun bevlogen aanpak, zelf wel had willen hebben. Vakleerkracht bewegingsonderwijs Stephan van Aalderen: ‘Om leerlingen te boeien, moet je van ze houden.’

d

e deuren van de sportzaal gaan open, 24 kinderen stuiven langs hem heen de sportzaal in en eentje springt in zijn armen. ‘Meester!’ ‘Dat gebeurt me een aantal malen per dag’, zegt Stephan van Aalderen (35). Hoe dat komt? ‘Zo’n kleintje van vier jaar wil de eerste keer niet naar binnen. In de zaal gebeurt zoveel, dat kun je niet overzien, maar de meester is er voor je en zo ontdek je dat je het leuk vindt.’ Wat hij ze ook leert – judo, tennis en dans, een koprol of ‘borstwaarts om’ aan de rekstok. Van Aalderen vindt zijn voldoening in het contact met de kinderen. ‘Om leerlingen te boeien, moet je van ze houden.’ En dan: ‘Of misschien is waarderen een beter woord. Kinderen zitten niet meer met z’n allen op de bank, terwijl er eentje over de bok springt. Ze zijn allemaal bezig en dat regel je makkelijker als je kinderen kent en waardeert.’ Twaalf jaar geleden was Van Aalderen de allereerste vakleerkracht op basisschool ’t Koggeschip in Amsterdam-West. ‘Ik moest vechten om mijn vak op de kaart te zetten. Nu wordt het belang door het hele team gedeeld.’ Nu er een tweede vakleerkracht is aangesteld, krijgen de kinderen tweemaal per week bewegingsonderwijs. En de sportzaal die het nieuwe schoolgebouw vijf jaar geleden kreeg, is nog steeds ‘de beste van de hele stad’. Wie over sport en bewegen spreekt, heeft het in een adem over gezond leven. ‘Zeker 22 procent van onze kinderen

heeft overgewicht en 10 procent (63 leerlingen) lijdt aan obesitas. Dat is dramatisch!’ Dus kunnen ouders tegenwoordig op school terecht voor de ggd, voedingsadvies en fysiotherapie. Om kinderen serieus aan het sporten te krijgen, maakte Van Aalderen zich sterk voor naschoolse activiteiten, samen met sportverenigingen. ‘Als je ze acht keer laat judoën leidt dat tot niets anders dan gezelligheid. En naar een vereniging stappen als je 35 bent, dat doe je niet meer.’ Van Aalderen zorgde er ook voor dat de beweegweek, een stedelijk initiatief, op ’t Koggeschip van het begin af aan groots werd opgezet. Voor de allereerste bijeenkomst had hij een mooie turndemonstratie geregeld. ‘Kinderen waren enthousiast, ouders vonden het geweldig, en in zo’n sfeer ontstaat bij collega’s ook een drive. Daarna willen zij zelf ook bijdragen.’ Mooi dus, dat de school in 2009 werd uitgeroepen tot de sportiefste school van Amsterdam. Bovendien, zo’n titel opent deuren. Toen de gemeente Amsterdam en de ggd een pilotschool zochten voor het project ‘schoolsportclubs’, kwamen ze bij ’t Koggeschip. De contacten met sportverenigingen kunnen nu verder worden uitgebouwd. Externe trainers trainen de schoolsportclubs en de kosten zijn laag, zodat kinderen eenvoudig kunnen overstappen naar een ‘gewone’ sportclub. Als kinderen plezier hebben, komt de boodschap vanzelf over bij ouders. Neem het kanovaren in de beweegweek. ‘Dat leidt nergens toe, want een kanovereniging is er niet. Maar het is geweldig, omdat het voor de kinderen zo’n bijzondere ervaring is. Ze rennen na afloop allemaal naar huis om te vertellen: ik heb vandaag kano gevaren! “Waarom?” vraagt zo’n ouder en zo komt het gesprek op gang.’ ■

september 2011

15


rePOrtaGe REPORTAGE

nieuw

in Nederland Ondergedompeld in de Nederlandse taal, twintig uur per week. Dat overkomt de kinderen die nieuw zijn in Nederland. Ze leren eerst één of twee jaar de taal kennen in aparte klassen of scholen. de 17-jarige, russische Katya is een van hen: ‘ik vind het jammer dat ik niet alles wat in mijn hoofd zit kan zeggen.’

16

September 2011 september


Tekst Simone Barneveld

Beeld Rob Niemantsverdriet

>> September september 2011 2011

17


rePOrtaGe

REPORTAGE [REPORTAGE] nieUWKOMerS

‘i

k ben’ staat er in een cirkel op het bord. Met daaromheen kenmerken als: naam, taal, land, leeftijd, hobby, hoe lang in Nederland... Maar ook: ‘ik ben’ aardig, blij, vrolijk, lief, netjes, moe... De leerlingen, veertien in totaal, mogen aan de hand van die kenmerken vertellen wie ze zijn. In het Nederlands. Mohamed zit op het puntje van zijn stoel en vertelt met verve: ‘Ik kom uit Amerika. Ik ben vijf maanden in Nederland en ik wil dokter worden.’ Verbazingwekkend goed Nederlands spreken ze, sommigen in prachtige volzinnen. En ze zitten nog maar drie maanden op school. Op het Nova College in Den Haag zitten ruim 600 nieuwkomers, het is de grootste Internationale Schakelklas-school in Nederland. Kinderen tussen de 12 en 18 jaar die als nieuwkomer Nederland binnenkomen en de taal niet beheersen, komen in de Internationale Schakelklas (ISK) terecht. De ISK is een afdeling van een reguliere middelbare school en de leerlingen worden gewoon in het voortgezet onderwijs ingeschreven. Er zijn 60 à 65 ISK’s in Nederland. Je vindt ze vooral in de grote steden, maar ook in kleinere plaatsen waar asielzoekerscentra zijn of waren. ‘De kinderen verblijven er gemiddeld twee jaar, afhankelijk van hun schoolachtergrond’, vertelt Hariëtte Boerboom van Lowan, de organisatie die de belangen van nieuwkomers en eerste opvangscholen behartigt. Het is een diverse populatie: asielzoekers, gezinsherenigers, kinderen van huwelijksmigranten en van arbeidsmigranten. Die laatsten zijn vooral MOE-landers (uit Midden- en Oost-Europa) maar ook Engelsen (zij werken vaak in de metaal). Sommige leerlingen hebben al langere tijd (Westers) onderwijs gevolgd, anderen hebben nooit op school gezeten. Sommige leerlingen kampen met gedrags- of leermoeilijkheden, bijvoorbeeld vanwege traumatische gebeurtenissen die zij hebben meegemaakt. Soms lukt het niet om hen binnen twee jaar aansluiting te laten vinden bij Nederlandse leeftijdsgenoten en zijn ze langer afhankelijk van extra zorg.

Sommige kinderen hebben nog nooit op school gezeten

Onderdompelen Om het niveau van een kind te bepalen krijgt het eerst een intake. Op het Nova College doet Liesbeth Flipse dat: ‘Elke dag van het jaar kan een kind binnenkomen. Alle kinderen zijn welkom, ze moeten zich wel aanmelden met een geldig identiteitsbewijs samen met een ouder, of als het gaat om minderjarige asielzoekers, met een voogd van Nidos (voogdijinstelling). Kinderen die nog geen verblijfsdocument hebben en

Aantal nieuwkomers stijgt Het aantal immigranten stijgt de laatste jaren weer volgens het SCP, vooral door de instroom van westerse migranten (voor een belangrijk deel Polen). Maar ook onder niet-westerse migranten is de immigratie sinds 2008 weer toegenomen. Hoeveel nieuwkomers er in het onderwijs zijn, is niet goed te zeggen. Het ministerie kijkt alleen naar de aantallen waarvoor

18

september 2011

geld uit de regeling nieuwkomers is aangevraagd. Maar dat is niet zuiver, scholen krijgen pas geld als ze meer dan vier nieuwkomers hebben, en veel scholen vragen niet eens geld aan. Lowan schat dat het om zo’n 10.000 nieuwkomers per jaar in het primair onderwijs gaat. In het voorgezet onderwijs zijn het er naar schatting tussen de 7.000 en 10.000.


Op het Stedelijk Dalton Lyceum in Dordrecht leren kinderen zelfstandig, computers spelen daarbij een belangrijke rol.

leerplichtig zijn, worden niet geweigerd.’ Teamleider Rob Schmidt vult aan: ‘Vaak hebben ama-jongeren nog geen papieren. Op dat moment zijn zij in feite “illegaal”, maar zij mogen wel gewoon bij ons naar school in afwachting van hun registratie bij officiële instanties.’ De leerlingen worden getoetst op taal, rekenen et cetera, maar ook wordt er gevraagd naar hun achtergrond en familie. Eerst komen alle kinderen in de instroomklas. Ze volgen een zesweeks programma waarin ze letterkennis opdoen, klankenkennis en schoolse vaardigheden (‘pak je boek’, ‘schrijf op’) leren. Taal wordt in eerste instantie geleerd volgens TPR (Total Physical Respons). Alles wordt letterlijk fysiek voorgedaan: opstaan, zitten, de gang oplopen. Daarna volgt een vorderingstoets en worden de kinderen op niveau ingedeeld, niet op leeftijd. Een 17-jarige kan dus met een 13-jarige in een groep zitten. Het eerste jaar worden ze twintig uur per week ondergedompeld in het Nederlands. Leerlingen doorlopen na de instroomklas drie fasen. In de tweede fase krijgen de leerlingen twaalf uur taalles en daarnaast vakken als aardrijkskunde, biologie en geschiedenis

om hen voor te bereiden op het regulier onderwijs. Maar omdat de taal zo essentieel is, is deze ook geïntegreerd in de andere vakken. In de laatste fase stromen de leerlingen door naar het regulier onderwijs, waar ze ook nog worden begeleid. instroom Het Stedelijk Dalton Lyceum in Dordrecht kent ook een ISK. De schakelklassen vormen een aparte afdeling binnen de vmbo-locatie. 135 leerlingen zitten er, 38 nationaliteiten, vooral Polen, Somaliërs en Afghanen. Ze werken anders dan op het Nova-college. Er zijn acht groepen op taalniveau. A1 en A2 zijn starters- of instroomgroepen. B en C zijn doorstroom- en determinatiegroepen, waar wordt gekeken naar welke school kinderen kunnen uitstromen. D en E zijn uitstroomgroepen waar kinderen worden voorbereid op regulier onderwijs. Leerlingen zijn verantwoordelijk voor hun eigen leerproces en werken zelfstandig op eigen niveau en tempo aan de hand van studiewijzers. Computers spelen daarbij een belangrijke rol. Wat opvalt als je op beide ISK’s rondloopt, is de prettige, rustige sfeer. Er is veel saamhorigheid,

>> september 2011

19


rePOrtaGe REPORTAGE

nieuwe leerlingen worden onmiddellijk op sleeptouw genomen. En de leerlingen zijn erg gemotiveerd. Zoals de 17-jarige Katya van het Stedelijk Dalton Lyceum. Ze komt uit Rusland, is tien maanden in Nederland en een snelle en praatgrage leerling. ‘Ik vind het jammer dat ik niet alles wat in mijn hoofd zit kan zeggen. Ik begrijp alles. Ik vind schrijven makkelijk, maar spreken moeilijk. Ik heb veel vrienden op de ISK, maar niet op het gewone vmbo, want die kan ik niet zo goed verstaan.’ Op beide ISK’s stromen wekelijks nieuwe leerlingen in. Dat is lastig voor de leraar, die moet organisatorisch sterk in zijn schoenen staan. ‘Dan heb je net een fijne sfeer in de klas’, zegt teamleider Carine Zwart van

Financiën Het eerste opvangonderwijs is geen apart onderwijstype; de scholen vallen onder hetzelfde financiële regime als reguliere scholen. Wel kunnen scholen via de Regeling nieuwkomers aanvullende financiering ontvangen voor alle leerlingen die korter dan twee jaar in Nederland zijn. De scholen krijgen per kind het eerste jaar 4500, het tweede jaar 2500 euro. Daarnaast zijn er voor de tussentijdse instromers nog twee peildata, 1 oktober en 1 april, die een extra financiering geven van 2250 euro per nieuwkomer. In het primair onderwijs is het anders geregeld, vertelt Rob Andriol van het Lowan: ‘De doelgroep is 4 tot 14 jaar. Basisscholen kunnen voor één jaar een bijdrage vragen (ruim 2500 euro per leerling) als ze minimaal vier nieuwkomers op school hebben. Bij kleinere aantallen worden de kinderen in reguliere klassen opgevangen. Bij grotere aantallen gaan de kinderen naar een aparte klas of school. Er zijn drie peildata: 1 oktober, 1 februari en 1 april. Als een leerling verhuist, kan de nieuwe school ook een deel van het geld aanvragen.’ Scholen voor eerste opvangonderwijs kampen vaak met wisselende (en moeilijk te voorspellen) leerlingaantallen, samenhangend met stijgende en dalende migratiestromen en bijvoorbeeld opening en sluiting van asielzoekerscentra. Omdat de financiering van het onderwijs gebaseerd wordt op het aantal leerlingen op de peildatum, kunnen scholen lange tijd achterlopen in hun bekostiging. De scholen krijgen ook geld uit het onderwijsachterstandenbeleid van OCW. ‘Maar dat is wel problematischer geworden sinds de gewichtenregeling geen rekening meer houdt met etniciteit’, zegt Andriol. ‘Het opleidingsniveau van de ouders is vaak moeilijk vast te stellen. En kinderen van hoger opgeleide buitenlanders vallen er sowieso buiten.’

voor meer informatie over het aanvragen van financiering voor de opvang van nieuwkomers kijk op: www.lowan.nl.

20

september 2011

de ISK in Dordrecht, ‘en dan kun je weer opnieuw beginnen.’ toename De laatste jaren is er weer een toename van nieuwkomers (zie kader pag. 18), zowel kinderen van arbeidsmigranten als asielzoekerskinderen. De laatsten komen vooral uit Somalië. ‘Dat is een moeilijke groep’, vertelt Hariëtte Boerboom. ‘Kinderen komen hier door gezinshereniging en zijn soms vervreemd van hun ouders. Ze hebben geen duidelijke relatie met hun ouders, een ouder is slechts degene die voor hen zorgt.’ In het thuisland kenden ze veel vrijheid, de kinderen zijn losgeslagen. Elke groep nieuwkomers heeft zijn eigen problemen. Minderjarige asielzoekers hebben veel psychische problemen. Maar Poolse kinderen bijvoorbeeld hebben het ook niet makkelijk. ‘Deze kinderen zijn erg op zichzelf aangewezen’, vertelt Rob Schmidt. De ouders staan vroeg op om te gaan werken, dus kunnen hun kinderen niet naar school helpen. Ontslag dreigt snel als ouders vrij nemen omdat er iets met hun kind aan de hand is, of voor zoiets simpels maar belangrijks als oudergesprekken. En het is als school moeilijk om een ingang te vinden in de Poolse gemeenschap.’ Daarom hecht het Nova College ook zo aan de huisbezoeken die de mentor – voor alle kinderen het eerste aanspreekpunt – aflegt. Als dat niet genoeg is, zijn er de interne zorgcoördinator en het maatschappelijk werk, dat is toevallig een Poolse dame. Als zij er niet uitkomen, wordt doorverwezen naar jeugdzorg of psychiatrie (Parnassia). Maar Schmidt zelf houdt ook vinger aan de pols en belt met ouders als er iets is, of bij verzuim. Ook deze leerlingen zijn namelijk gewoon leerplichtig. Carine Zwart vertelt: ‘Kinderen zijn plop in Nederland gezet uit vaak hele andere culturen. We hebben soms te maken met heftige problematiek. Zoals een jongen uit de Filipijnen die daar altijd op straat had gezworven, lijm had gesnoven en hier totaal onaangepast gedrag vertoonde.’ Het vraagt veel van leraren om zulke kinderen te begeleiden, maar de school krijgt ondersteuning van een Zorg Advies Team (ZAT), de GGZ en het maatschappelijk werk. ‘Elke dinsdag heeft maatschappelijk werkster Saskia de Waard spreekuur (op de gang hangt een briefje: heb je problemen, voel je je niet goed, kom gerust langs) en gaat ze de klassen langs. Sommige kinderen kennen nog niet genoeg Nederlands om hun problemen met haar te bespreken, maar dan maakt ze gebruik van tekeningen. ‘We proberen zo snel mogelijk aan de slag te

‘We hebben soms te maken met heftige problematiek’


De Kernschool

Beeld Allard de Witte

In de klas van juf Soekartijem gaat het over vlinders. De kinderen zitten in een kring en een Somalisch meisje vertelt over vlinders en bloemen en wat vlinders ‘net als cola’ uit de bloemen drinken. Ze komt er niet helemaal goed uit, dus haar buurvrouw springt te hulp en vertelt wat ze eigenlijk bedoelt. ‘We bieden de kinderen een veilig klassenklimaat’, vertelt directeur Irma Klaassen van de Kernschool, een eerste opvangschool voor 6 tot 12-jarigen in Zaandam. De leerlingen, 53 aan het einde van het schooljaar, komen uit de hele regio. ‘Iedereen komt aan de beurt, niemand wordt overgeslagen. We luisteren altijd naar de kinderen, ook al komen ze niet uit hun woorden. We geven hun mee dat ze gezien worden. Veel van deze kinderen worden gediscrimineerd voor het leven. Omdat onze school één grote leefgemeenschap is, is het er vertrouwd en zorgen we zo voor een goede basis. ’ De eerste twee uur van de dag volgen kinderen Nederlandse les in niveaugroepen. Daarna gaan deze klassen uit elkaar en volgen de kinderen andere vakken in groepen, ingedeeld op niveau én leeftijd. Een jaar bestaat uit vier blokken van tien weken. Na een jaar stromen kinderen meestal in het regulier onderwijs in. De kernschool biedt een uitgebreid nazorgtraject van twee maal zeven weken. Als de kinderen 11 of 12 zijn, gaan ze veelal naar een ISK. Dit eerste jaar is er veel aandacht voor mondeling Nederlands. ‘We spreken langzaam en in hele zinnen’, vertelt Klaassen. ‘Als een kind zegt: “toilet” dan zeggen wij “ja, je mag naar het toilet”, niet “ja, is goed”. Na tien weken beklijft het Nederlands een beetje, de taal wordt vertrouwd.’Alle leraren zijn NT2 gespecialiseerd. ‘We geven gerichte instructie, want deze kinderen hebben veel structuur nodig. De kinderen moeten veel. Gespeeld wordt er weinig in de klas, behalve als onderdeel van de les, gerelateerd aan opdrachten en thema’s. Ze pikken dan ook veel op, zijn enthousiast en willen alles weten. Maar ze zijn vooral erg aanhankelijk. Slaan als het even kan hun armpjes om je heen’, besluit Klaassen vertederd.

gaan met deze kinderen en het lukt ons bijna altijd het probleem te tackelen. Zo was er een jongen uit Afghanistan die een zelfmoordpoging had ondernomen. Wij leraren houden zijn welzijn nauwlettend in de gaten, letten erop dat hij op school komt, controleren of hij zijn medicijnen neemt en houden contact met verzorgers en GGZ.’ Scholen moeten daarom veel investeren in de zorgstructuur, daarbij helpt Lowan hen. Voor de meeste kinderen heeft school een therapeutische waarde. Op school zijn, is uit de sores zijn. Dat

‘Deze kinderen hebben veel structuur nodig.’

geldt niet alleen voor de kinderen met serieuze problemen, maar voor alle nieuwkomers. Liesbeth Flipse van het Nova-College: ‘Deze kinderen zijn zo leuk. Ze zitten allemaal in hetzelfde schuitje. Dat schept een band. De motivatie is groot. Als ze net binnenkomen, zitten ze hier met bibberende handjes. Na een week is het ‘hallo juf ’. Dan weet je dat ze zijn geland. School geeft houvast.’ ■

september 2011

21


OnderZOeK [PO] OnderZOeK

In een minuut leesachterstanden opsporen In een minuut de leesachterstanden in je groep opsporen, dat kan met de Doorstreepleestoets. Deze toets meet het technisch lezen zonder dat leerlingen hardop hoeven te lezen. Zo raken de scores niet vertekend door eventuele spraakproblemen.

L

eerlingen moet snel goed leren lezen, daarover is iedereen het eens. Leerlingen van wie de leesvaardigheid achterblijft, willen we daarom snel opsporen. De vernieuwde Protocollen Leesproblemen en Dyslexie adviseren dan ook op bepaalde tijdstippen bij alle leerlingen een woordleestoets af te nemen. Bij de leerlingen die daarop verhoudingsgewijs laag scoren (een E-, D-, of C-score) moet dan aanvullend onderzoek gedaan worden met de Drie-Minuten-Toets (DMT) en de AVI-toetskaarten. Het opsporen van zwakke lezers kost echter tijd. Een goede en snelle methode om dit te doen, is de doorstreepleestoets (DLT). De DLT is een handig alternatief voor de gangbare toetsen voor de technische leesvaardigheid.

Onzinwoorden De DLT bestaat uit drie onderdelen: de Oefentoets, met zeer eenvoudige woorden zoals bos en ijs, DLT 1 met eenlettergrepige woorden als beurt en graaf en DLT 2, met tweelettergrepige woorden zoals speelgoed en klimrek. Beschikt de leerkracht over genoeg tijd, dan neemt hij/zij steeds zowel DLT1 als DLT2 af. De DLT bestaat uit woorden die vaak gebruikt worden en die – zo blijkt uit dit onderzoek – aan vrijwel alle leerlingen van groep 3 en hoger bekend zijn. Deze woorden staan, gemengd met onzinwoorden van hetzelfde type, in kolommen op een vel papier. Er zijn meerdere versies met verschillende volgorde om afkijken tegen te gaan. De leerlingen moeten klassikaal, kolom voor kolom, in een minuut zoveel mogelijk onzinwoorden door-

De DLT is ook bruikbaar voor screening en diagnostiek van dyslexie

22

september 2011

strepen. Na een minuut zegt de toetsafnemer ‘stop’ en zetten de leerlingen een dubbele streep onder het laatste woord dat ze beoordeeld hebben. Het nakijken gebeurt met doorzichtige sjablonen die aangeven waar de pseudowoorden staan. Daarmee is gemakkelijk vast te stellen welke woorden ten onrechte doorgestreept en welke onzinwoorden overgeslagen zijn. Het aantal woorden en onzinwoorden dat in die minuut correct is beoordeeld, vormt de score: het ‘aantal goed’. normscore Meestal zal een leerkracht willen weten hoe de leerlingen scoren in verhouding tot andere kinderen die in die maand in dezelfde groep van het basisonderwijs zitten. Daarvoor wordt het ‘aantal goed’ vertaald in een ‘normscore’ die aangeeft hoe de technische leesvaardigheid van de eigen leerlingen is ten opzichte van een vergelijkingsgroep. Die normscore is de gebruikelijke waardering met een A, B, C, D of E, waarbij A staat voor de allerbeste 25 procent en E voor de zwakste 10 procent. De gegevens die nodig waren om de omrekening van het aantal goed in normscores te bepalen, zijn verzameld door


Tekst Wim van Bon

de DLT bij een groot aantal basisschoolleerlingen, in het hele land, af te nemen. Screening Het kan gebeuren dat een leerling slordig oordeelt en meer dan 25 procent van de pseudowoorden overslaat of veel bestaande woorden doorstreept. Dan is het raadzaam nader onderzoek te doen. De leerkracht zou die leerling apart kunnen nemen om de DLT-woorden hardop te laten lezen en vast te stellen wat er met de (onzin)woorden gebeurt. Worden de pseudowoorden fout gelezen als een bestaand woord dat erop lijkt? Of worden de echte woorden goed gelezen maar weet de leerling niet wat ze betekenen? De DLT kan zo worden toegevoegd aan het toetsarsenaal dat voor screening en

Voorbeeld uit DLT1 vlees kruit glaar

tars brief proef

kers muns fles

trek plak krens

diagnostiek van dyslexie bruikbaar is. Er zijn ook wel andere stilleestoetsen om de technische leesvaardigheid te bepalen die groepsgewijs kunnen worden toegepast. Bij zo’n toets (zoals de Citotoets ‘Leestempo’) moet het kind bepalen welke schrijfwijze in een gegeven context past. Bijvoorbeeld: ‘Hij keel/ lek/leek wel gek.’ Het voordeel van de DLT is dat het niet nodig is de context correct te interpreteren alvorens het juiste antwoord gegeven kan worden. Bij een andere toets, Technisch Lezen van het Cito, moet het kind de overeenstemming tussen plaatjes en woorden beoordelen. Omdat het in de DLT niet om afbeeldbaarheid gaat, kunnen ook woorden gebruikt worden die nauwelijks uit te beelden zijn, zoals geest en dag. Spraakproblemen Volgens sommigen is ‘technisch lezen’ het omzetten van letters in nog onuitgesproken spraak, waar de lezer dan naar kan luisteren zoals hij ook naar anderen luistert. Daarom wordt de technische leesvaardigheid gewoonlijk onderzocht met toetsen waarbij de leerling hardop moet lezen: als de geschreven woorden niet goed verklankt worden, kunnen ze ook niet goed begrepen worden, is de redenering. Het is echter de vraag of de geoefende lezer een of andere vorm van spraak produceert als een tussenstap naar tekstbegrip. Zo weten we dat articulatiestoornissen niet automatisch leiden tot minder tekstbegrip. Daarom wordt in wetenschappelijk onderzoek naar lezen – waarvan de DLT-methode is afgeleid – vaak een werkwijze met stillezen gebruikt (‘lexicale decisie’). Immers, als je de woorden niet laat uitspreken, kan de uitkomst niet beïnvloed worden door factoren die met het uitspreken te maken hebben. Leerlingen met spraakproblemen kunnen daarom met de DLT beter voor de dag komen. Voor dove en slechthorende leerlingen is de DLT eveneens geschikter. En het is niet onderzocht, maar het is denkbaar dat ook faalangstige kinderen bij deze werkwijze scores behalen die meer in overeenstemming zijn met hun werkelijke leesvaardigheid, omdat ze zich minder ‘bekeken’ voelen. ■ De DLT is een uitgave van PITS (Leiden), www.pits-online.nl. Voor meer informatie kijk op www.didaktief.nl Wim van Bon is Universitair Hoofddocent aan de Radboud Universiteit Nijmegen

september 2011

23


Duiken uwleuke kinderen liever achter Op een manier thuis de slagdan metinde ! deaan computer delesstof lesboeken?

Maak kennis met Squla, het leukste en meest complete online oefenprogramma voor thuis. Methodeonafhankelijk en met modules voor alle vakken. Meer weten? Ga naar www.squla.nl en overtuig uzelf.

www.squla.nl


PraKtijKnieUws PraKtiJKnieUWS

Betrokken ouders, betere leerprestaties Meer ouderbetrokkenheid leidt tot betere leerprestaties en maakt een basisschool aantrekkelijker voor nieuwe leerlingen. ‘Een verband smeden tussen ouders en de school.’ Zo omschrijft directeur Ad van den Oever wat basisschool Karel de Grote afgelopen schooljaar heeft gedaan. ‘Uit onderzoek blijkt dat de schoolresultaten van de kinderen stijgen als papa en mama betrokken zijn. Er is thuis dan namelijk meer aandacht voor wat er op school gebeurt, ook ín de les. Wij zijn een Brede School en hebben er bewust voor gekozen ouders vanaf het begin bij ons te betrekken: al bij de peuterspeelzaal en de kinderdagopvang. Anders ben je ze voor een deel al kwijt als de kinderen naar groep 1 gaan.’ Na een periode van nieuwbouw en renovatie was de Karel de Grote afgelopen jaar toe aan een nieuwe inrichting van het speelplein. ‘We hebben ouders niet alleen laten kijken wat leuk is, maar hen diepgaand betrokken bij de inrichting’, vertelt Van den Oever. ‘Op een avond met zo’n vijftig ouders hebben we gepraat over de filosofie achter verschillende spellen en speeltoestellen. Welke uitdaging biedt het, welke beweging stimuleert het, hoe zit het met veiligheid?’ Uiteindelijk gingen ouders ook concreet aan de slag. Ze maakten onder meer een buitenpodium voor kleuters en een fietstraject op de vloer van de peuterspeelzaal. Van den Oever ziet ouderbetrokkenheid als een investering voor de lange termijn, maar merkt de eerste resultaten al. ‘Ouders spreken het team en de directie makkelijker aan. De school, die nu 170 leerlingen heeft, hoopt dat meer ouderbetrokkenheid op termijn leidt tot meer leerlingen. / Berber Bijma

Lessen over de grens Leerlingen in de Duits-Nederlandse grensstreek volgen sinds een paar maanden lessen over de grens. De Nederlanders verbeteren zo hun Duitse taalvaardigheid. De samenwerking tussen scholen in de Euregio (grofweg: Twente, de Achterhoek en delen van Nedersaksen en Noordrijn-Westfalen) lag eigenlijk voor de hand, zegt Auke de Vries. Hij is coördinator internationalisering op Christelijk College Schaersvoorde, dat locaties heeft in Aalten, Dinxperlo en Winterswijk. De Nederlandse en Duitse scholen liggen slechts 10 à 15 kilometer bij elkaar vandaan. De vmbo-afdeling in Schaersvoorde werkt samen met de Verbundschule in Isselburg, vergelijkbaar met vmbohavo, en het Berufskolleg Bocholt-West, vergelijkbaar met mbo. Sinds maart volgen Duitse en Nederlandse leerlingen regelmatig les over de grens. De leerlingen uit Isselburg doen bijvoorbeeld mee aan de ‘beroepencarrousel’ die de leerlingen in Dinxperlo volgen en die hen helpt een studierichting te kiezen. Leerlingen uit Bocholt maken graag gebruik van de computergestuurde

machines van Schaersvoorde, terwijl Nederlandse leerlingen naar Bocholt gaan voor kappers- en schilderslessen. Voordeel voor de Duitse leerlingen is dat ze kennismaken met vakken die ‘thuis’ niet worden gegeven. Voor de leerlingen van Schaersvoorde is het verbeteren van hun Duitse taalvaardigheid het hoofddoel. De drie scholen zijn na de eerste maanden enthousiast over hun samenwerking en willen graag meer. De Vries: ‘We willen bijvoorbeeld onze derdejaars vmbo’ers als leermeester laten fungeren voor de Duitse leerlingen. Dat kan onder meer bij het werken met bepaalde machines. De leerling krijgt dan de rol van de expert die zijn kennis moet verwoorden en overdragen.’ De drie scholen kregen 25.000 euro subsidie van de Euregio. Vanaf augustus 2012 proberen ze meer geld los te krijgen uit de grotere Europese subsidiepot Interreg III. / Berber Bijma

september 2011

25


OPinie OPinie

Onderwijsinspectie o Het rapport ‘De staat van het onderwijs’ van de inspectie leverde dit voorjaar felle reacties op. De meningen over het werk van de inspectie lopen sterk uiteen, zo blijkt ook uit onderstaande opinies van onderwijsspecialisten Pieter Appelhof en Henk Blok.

Beter onderwijs De verbeterde situatie op veel zwakke speciale basisscholen is te danken aan de Onderwijsinspectie, zegt Pieter appelhof. Als het over veiligheid en gezondheid gaat, kan de inspectie niet streng genoeg zijn. Denk maar aan de rampen in Volendam en Moerdijk, of aan de toestanden in de ziekenhuizen in Flevopolder en Almelo. Maar als het over de Inspectie van het Onderwijs gaat, is de reactie anders. Het rapport ‘De Staat van het Onderwijs 2009/2010’ riep in de media felle reacties op. Zo schrijft Hartger Wassink van de Open Universiteit in NRC Handelsblad dat de inspectie nutteloze zaken controleert. In dezelfde krant betoogt een rector van een vo-school dat de rapportage geen recht doet aan het onderwijs door ‘gebrek aan nuance.’ Een collega van hem vindt dat er ‘op leraren wordt ingehakt’. Hebben deze mensen het rapport wel goed gelezen, vraag ik me af. Het is een genuanceerd en gedegen rapport. De inspectie verrichtte onderzoek bij 1.142 leraren op 106 havo en vwo-scholen. Gemiddeld werden 11 leraren per school geobserveerd. Iedere wetenschappelijk onderzoeker zou bij dergelijke aantallen zijn vingers aflikken. De inspectie constateert in het rapport bijvoorbeeld dat leraren ervoor zorgen dat leerlingen op een respectvolle manier met elkaar omgaan. Ze stimuleren het welbevinden van leerlingen, geven duidelijke uitleg en creëren een taakgerichte werksfeer. De inspectie noemt natuurlijk ook verbeterpunten, zoals: leerlingen actiever bij de les betrekken, beter controleren en feedback geven. Wat de inspectie echt een probleem vindt, is dat uit het onderzoek blijkt dat een kwart van de leraren in het voortgezet onderwijs de lessen onvoldoende afstemt op leerlingen met specifieke behoeften.

Iedere wetenschappelijk onderzoeker zou bij dergelijke aantallen zijn vingers aflikken

26

september 2011

De inspectie merkt op dat de gedachte dat leerlingen ook gedragsproblemen kunnen ontwikkelen doordat het onderwijsaanbod niet is afgestemd op hun onderwijsbehoeften, onder leraren geen gemeengoed is. Die conclusie wordt in het rapport verder onderbouwd met behulp van ander wetenschappelijk onderzoek. Een ander punt van aandacht voor de inspectie vormen de speciale scholen. Een aantal jaren geleden was de helft daarvan nog zwak tot zeer zwak. Gelukkig is dat nu een stuk minder. Dat is te danken aan de betreffende scholen én aan de inspectie die vanaf 2006


e onder vuur sterk heeft ingezet op verbetering. De inspectie houdt de vinger stevig aan de pols omdat het aandeel zwakke scholen onder de speciale scholen met een kwart ook nu nog veel te hoog is. Wassink betoogt dat we net als in Finland goed zonder inspectie zouden kunnen. Dat is inderdaad mogelijk op voorwaarde dat ook wij, in navolging van Finland, het onderwijs minder inhoudelijke vrijheid geven, van alle leraren een universitaire opleiding vragen en

de gemeenten meer verantwoordelijkheid geven over de kwaliteit van de scholen. Allemaal zaken waar we in Nederland niet aan willen. Waar minder toezicht van overheidswege toe kan leiden, is de afgelopen tijd duidelijk geworden in het hoger onderwijs. Niet de leraren, maar de studenten zijn de dupe. ■ Pieter Appelhof is verbonden aan Oberon , bureau voor onderzoek en advies voor onderwijs en welzijn.

Onwetenschappelijk oordeel Volgens Henk Blok zijn adviezen die de inspectie scholen aanreikt onvoldoende wetenschappelijk gefundeerd. De Inspectie van het Onderwijs investeert sinds enkele jaren in een onderzoeksprogramma rond opbrengstgericht werken in het primair onderwijs. Ze probeert onder andere uit te zoeken in welke opzichten scholen met hoge leeropbrengsten verschillen van scholen met lage leeropbrengsten. Er zijn inmiddels rapporten verschenen over taalsterke/taalzwakke scholen en rekensterke/rekenzwakke scholen. In die rapporten worden scholen vergeleken op allerlei onderdelen van het waarderingskader dat de inspectie bij schoolbezoeken hanteert. Als bijvoorbeeld blijkt dat sterke scholen een efficiënter gebruik van de onderwijstijd maken dan zwakke scholen, acht de inspectie aangetoond dat een efficiënt gebruik tot hogere leeropbrengsten leidt. Deze werkwijze is, zo luidt mijn stelling, ondeugdelijk. De aanpak leidt namelijk niet tot wetenschappelijke kennis en helpt scholen niet hun onderwijs te verbeteren. Door alleen de uitersten – de sterke en zwakke scholen – te vergelijken, sluit de inspectie de ogen voor de zeventig tot tachtig procent van de scholen die min of meer gemiddelde leeropbrengsten realiseren. Of een efficiënt gebruik van de onderwijstijd ook op deze scholen tot hogere leeropbrengsten leidt, is bijvoorbeeld zeer de vraag. Een representatieve steekproef onder alle scholen zou best tot de conclusie kunnen leiden dat het effect van de onderwijstijd op leeropbrengsten te verwaarlozen is. Ook draait de inspectie de vaste volgorde die oorzaak en gevolg hebben om. Naar de oorzaken wordt pas gekeken als een school al enkele jaren zwak of sterk is. Al vóórdat inspecteurs het waarderingskader toepassen, weten ze of ze met een sterke of een zwakke school te maken hebben. Dat zou geen bezwaar hoeven zijn als de criteria van het waarderingskader objectief toepasbaar zouden zijn. Maar zo spijkerhard zijn de criteria

niet. Denk alleen maar aan de beoordelingsschaal die de inspectie hanteert, met omschrijvingen als niet of nauwelijks, onvoldoende, voldoende en in hoge mate. Welke garanties zijn er dat de beoordeling ongekleurd door de voorkennis is? De indruk bestaat dat de inspectie het stokpaard van de effectieve-schoolbeweging berijdt, ongeacht de uitkomsten van de eigen analyses. Als namelijk blijkt dat sterke scholen de onderwijstijd beter afstemmen op niveauverschillen tussen leerlingen, moeten zwakke scholen dat van de inspectie ook gaan doen. Maar als blijkt dat sterke scholen minder investeren in nascholing, luidt het advies dat zwakke scholen méér tijd aan nascholing moeten besteden. De inspectie zou ter verdediging van het bovenstaande naar voren kunnen brengen dat haar onderzoeken helemaal niet pretenderen wetenschappelijk te zijn en dat zulks ook niet tot het takenpakket van de inspectie behoort. Dan gaat de inspectie echter voorbij aan het grote gezag dat ze geniet, zowel bij scholen als bij bestuurders en politici. De buitenwacht hecht veel belang aan inzichten die de inspectie naar buiten brengt, neemt deze voor waar aan en onderkent niet dat ze wetenschappelijk onvoldoende getoetst zijn. De schade die het onderwijsveld hierdoor ondervindt moeten we, denk ik, niet onderschatten. Scholen krijgen adviezen aangereikt, soms zelfs tamelijk dwingend, waarvan de werkzaamheid niet vaststaat. In feite komt de inspectie onvoldoende tegemoet aan haar wettelijke opdracht, namelijk het bevorderen van de onderwijskwaliteit. Dat kan alleen maar op basis van deugdelijk onderwijsonderzoek. ■

De inspectie draait de vaste volgorde van oorzaak en gevolg om

Henk Blok is onderzoeker bij het Kohnstamm Instituut van de Universiteit van Amsterdam

september 2011

27


HistOriscHe FOtO HiStOriScH

almere in de k

in 1971 besloot het kabinet-de Jong: we gaan een nieuwe stad bouwen. Zes jaar later – den Uyl was inmiddels premier – telde bouwput almere veertien leerplichtige kinderen, vier leerkrachten, vier scholen: twee christelijke en twee openbare. en, oh ja, een noodlokaal. veertig jaar later, op 5 oktober 2011, viert almere de dag van de leraar: het verwacht duizenden leraren op verschillende locaties in de stad voor een grote manifestatie met lezingen, workshops en festiviteiten. Basisscholen in almere hebben ondertussen te maken met een afnemend aantal leerlingen. Obs de Peperbus en obs de trinoom gaan fuseren om deze krimp het hoofd te bieden. Golfbeweging in de polder. 28

september 2011


Tekst Monique Marreveld

Nationaal Archief/Collectie Spaarnestad Photo/ANP

e kinderschoenen

september 2011

29


cOLUMn

cOLUMn Frank Jongbloed

‘Wij werken hier met mongolen’

i

n het primair onderwijs wordt wel eens geklaagd over de uiteenlopende niveaus van de kinderen. Verwijzingen naar het speciaal onderwijs komen dan al snel ter sprake. Soms te snel, soms niet. En op dat speciaal onderwijs (dat een flinke terugloop van leerlingen kent) wordt er wel eens geklaagd dat het po eigenlijk maar weinig kennis heeft over de gang van zaken op het so. ‘Wij werken hier met mongolen’, zei de directeur van de school voor Zeer Moeilijk Lerende Kinderen destijds tegen mij op mijn eerste stagedag. ‘Downsyndroom is een term die wij hier niet vaak gebruiken, mongooltje is een veel leuker woord.’ Daar voegde hij aan toe dat zijn broer een mongool was. Vervolgens liet hij mij de lerarenkamer zien en werd ik voorgesteld aan de vrouw die het komende half jaar mijn stagementor zou zijn. Ze heette Josine en gaf les aan een groep jongeren in de leeftijd van 12 tot en met 16 jaar. Dat deed ze drie dagen per week. De overige twee dagen stond Hannie voor de klas. Toevallig was zij er ook die dag. Een graatmager gevaarte in een tie-dye shirt. Ik stelde mij aan haar voor en stootte per ongeluk haar thee om. Hannie begon te vloeken als een volleerd spoorwegarbeider. Ze kraaide tegen me dat het haar veel moeite had gekost om thee te vinden met een diuretische én een adstringerende werking en dat ik zojuist een euro van het spul richting de bevlekte vloerbedekking had getikt. Ik keek verschrikt om me heen en zag hoe de andere leden van het team in verlegenheid gebracht naar diezelfde grond keken, inclusief de directeur. Wij werken hier met mongolen, dacht ik en berispte mijzelf voor deze gemene gedachte. De bel ging. Tijd om aan het werk te gaan. Die eerste dag werd ik meteen in het diepe gegooid. De 16-jarige Ellert (ik was destijds 18) sloeg mij tijdens een hysterische woedeuitbarsting met mijn pukkelige hoofd tegen de deurpost en de 15-jarige Annelies zag in mijn plotselinge verschijning de langverwachte wederkomst van de door haar zo geliefde Sint Nicolaas. Tussen al deze ervaringen door zag ik ook nog kans om samen met Leon een kasteel te bouwen van houten blokjes en deed ik met John vrij ingewikkelde rekenoefeningen. Zo lang als die eerste stagedag leek, zo lang schenen de daaropvolgende stagedagen gelukkig niet te duren. En er werd mij aan het einde van die eerste dag vol liefde een kopje prijzige diuretische thee voorgezet door een bijgetrokken Hannie. Al bleef ze mij de rest van het halve stagejaar wantrouwend aankijken. Maar dat kon ook een bijwerking van haar homeopathische medicatie zijn. Werken in het speciaal onderwijs verschilt niet wezenlijk van het reguliere onderwijs. In de klassen wel, maar in de lerarenkamer is het dezelfde verzameling van poedermelk, zenuwtrekjes, overgewicht, pedagogische cursussen, zwangerschapspraat, relatieperikelen en schoolbestuurroddels als in welke lerarenkamer in het onderwijs dan ook. We doen het allemaal voor de kinderen, (niemand wordt leraar voor dat fabuleuze onderwijssalaris). En we doen het allemaal met veel liefde. * vioolmuziek * Nou ja, dat is misschien niet helemaal waar. Maar ik wilde zo graag afsluiten met iets sentimenteels. ■

Hannie vloekte als een volleerd spoorwegarbeider

30

september 2011

Frank Jongbloed is voltijd leerkracht in het primair onderwijs


OnderZOeK OnderZOeK KOrt Tekst Bea Ros

Geschiedenisdidacticus Arie Wilschut

‘Beelden van tijdvakken werken’ Leerlingen moeten in de geschiedenisles op een andere, onnatuurlijke manier over tijd leren denken. Tijdvakken zijn daarbij een goed anker, zegt Arie Wilschut. Hij bewees de didactiek van de tien tijdvakken met een experiment. Historici denken op een aparte manier over tijd, zegt u. Hoezo? ‘De spontane manier van denken over tijd is een andere dan die van de historicus. Als mensen het over tijd hebben, hebben ze het over de cyclische dagelijkse tijd; dat het weer avond wordt of dat de winter aanbreekt. Of ze hangen hun bestaan op aan gedenkwaardige gebeurtenissen, zoals geboorte, het halen van een diploma of het overlijden van iemand. Dat noem ik de sociale tijd. Dan is er nog de mythische tijd, de tijd van verhalen over een onbepaald vroeger, van ‘er was eens’. De geordende manier van denken in eeuwen, chronologie en tijdbalken en nadenken over wat waar en niet waar is, staat daar haaks op en is typisch voor historici.’ Maar wij denken toch ook wel spontaan in chronologie? ‘De meeste mensen hebben grote moeite zich de goede volgorde van gebeurtenissen te herinneren. Tijdens de verdediging van mijn proefschrift zei een opponent dat jaartallen en data wel degelijk gekend worden, denk maar aan 9/11. Maar 9/11 is voor mensen helemaal geen datum, maar een beeld, namelijk van instortende torens. Mensen weten waar ze waren op het moment dat ze het nieuws horen, maar als je ze vraagt in welk jaar 9/11 was en wat er dat jaar nog meer gebeurde, wordt het lastig. En het wordt helemaal lastig als het gaat om gebeurtenissen die niet in je eigen leven, maar eeuwen geleden plaatsvonden.’ Hoe kan de docent geschiedenis dit probleem oplossen? ‘Door in de les zoveel mogelijk aan te sluiten bij onze spontane manier van denken over tijd. In een experiment heb ik leerlingen verteld over de geschiedenis van Aruba. Die is relatief onbekend, dus zeer geschikt voor een experiment. De ene helft van de klassen kreeg deze voorgeschoteld in zes eeuwen chronologische geschiedenis, de andere helft kreeg de geschiedenis verteld aan de hand van enkele tijdvakken met namen die ik zelfverzonnen had, zoals de ‘Tijd van de olie’ en de ‘Tijd van paarden & piraten’. Die laatste aanpak werkt het beste. Leerlingen onthouden de chronologie beter en kunnen nieuwe feiten beter in de tijd plaatsen. Het is de aanpak die we ook kennen van de tien tijdvak-

‘Begin met kleuters al

ken. Ze zijn destijds ingevoerd zonder dat er echt bewijs voor was. Met mijn onderzoek is dat bewijs er nu.’

met geschiedenis’

Hoe past de canon daarin? ‘De vijftig vensters van de canon bieden ook verhalen en aanknopingspunten die hetzelfde werken. Jammer is alleen dat de opzet zo weinig systematisch is. Zo heb je voor de zeventiende eeuw veel meer vensters dan voor de negentiende eeuw. Bovendien zijn de vensters nogal ongelijksoortig, heel grote zoals ‘De Republiek’ naast details zoals ‘Eise Eisinga’.’ Hoe vroeg kun je met geschiedenis beginnen? ‘Je kunt met kleuters al bezig zijn met geschiedenis. Begin onbekommerd met beelden en verhalen. En dat hoeft echt niet in chronologische volgorde, je kunt rustig van de Vikingen naar de oorlog en weer terug naar de ridders gaan. Jonge kinderen kunnen zich nog niets voorstellen bij hoe lang iets geleden is, maar dat komt later wel. Mensen hebben de fout gemaakt te stellen dat kinderen eerst met tijd moeten kunnen rekenen en dan pas toe zijn aan geschiedenis. Zo werkt het dus niet. Met die beelden moet je juist vroeg beginnen. Dan kun je daar later wel een historisch tijdsbesef op bouwen.’ ■ Beelden van tijd. De rol van historisch tijdsbewustzijn bij het leren van geschiedenis, Arie Wilschut, Van Gorcum, 2011

september 2011

31


nderZOeK OnderZOeK KOrt

Hoe hoog is een hek? Jonge kinderen zeggen wel dat iets groot of hoog is, maar ze kunnen zich er niet echt iets bij voorstellen. Veel jonge kinderen gebruiken al bijvoeglijke naamwoorden als groot en hoog. Maar pas op hun 7-de begrijpen ze deze termen echt. Tot die conclusie komt taalwetenschapper Elena Tribushinina, werk-

&

Kort

Goed

Marijke J. Mullender-Wijnsma, ‘Kleuters leren rekenen met digitale prentenboeken’

Te downloaden van www.kortlopendonderzoek.nl

vraag: Getalsbegrip is een voorwaarde om in groep 3 te leren rekenen. Kunnen digitale prentenboeken helpen om dat kleuters systematisch en toch speels bij te brengen? Onderzocht door: GION, Groningen de bevindingen: Acht weken lang, drie keer per week bekeken groepjes van 4 tot 6 kleuters een digitaal prentenboek waarin geteld en gerekend wordt, zoals bijvoorbeeld Rupsje Nooitgenoeg. Daarna deden ze rekenspelletjes. De kleuters blijven zelfs na herhaald werken met hetzelfde prentenboek goed bij de les. Ook presteren ze beter op de voor dit onderzoek ontworpen ‘natoets rekenen’. Ze kunnen bijvoorbeeld beter getallen en hoeveelheden vergelijken en beter getallen van 1 tot 20 op een getallenlijn plaatsen. tips voor andere scholen: Met een powerpointprogramma zijn prentenboeken eenvoudig te digitaliseren. Zorg voor speelse oefeningen die aansluiten bij het verhaal. Voor het beste resultaat: veel herhaling en veel individuele beurten.

zaam aan de Universiteit Utrecht. Ze presenteerde de resultaten van haar onderzoek in juli tijdens IASCL 2011 in Montreal, het grootste congres ter wereld over kindertaal. Om te snappen wat een hoog hek betekent, is antwoord op twee vragen nodig: hoe hoog zijn hekken normaal gesproken en zijn er andere hoge objecten in de buurt waarmee ik het hek kan vergelijken? Tribushinina ontdekte dat kinderen onder de 7 jaar moeite hebben met dergelijke ingewikkelde interpretaties. De onderzoeker toonde dit aan met een experiment waarbij ze kinderen plaatjes liet zien van zeven objecten van dezelfde soort, maar van uiteenlopende grootte. Ze liet bijvoorbeeld een plaatje met verschillende olifanten zien. Kinderen van 2 vonden alleen de grootste olifant op het plaatje groot. Kinderen van 4 vonden drie of vier van de zeven olifanten groot. ‘Ze begrijpen dat deze drie of vier in vergelijking met de andere dieren op het plaatje groot zijn,’ aldus de onderzoekster. Vanaf 7 jaar vinden kinderen de meeste olifanten op het plaatje klein. Op die leeftijd zijn kinderen in staat hun kennis van de werkelijke maat van objecten, in dit geval olifanten, te combineren met wat ze op de plaatjes zien. Toch gebruiken heel jonge kinderen de combinatie van bijvoeglijke en zelfstandige naamwoorden foutloos. Dat komt volgens Tribushinina omdat ze precies onthouden welke objecten door volwassenen als groot worden beschreven. En met welke woorden je het beste het begrip ‘hoog’ kunt combineren. Het onderzoek is van belang voor ouders, leerkrachten en anderen die met kinderen werken. Tribushinina: ‘Volwassenen kunnen de kinderen helpen bij hun taalontwikkeling door meer uitleg te geven als ze relatieve bijvoeglijke naamwoorden gebruiken. Het helpt ook als volwassenen diverse eigenschappen van objecten noemen.’ Tribushinina voerde haar onderzoek uit aan de Universiteit Antwerpen, nadat ze eerder promoveerde in Leiden. Ze heeft nu een aanstelling als universitair docent aan de Universiteit Utrecht, waar ze haar onderzoek naar kindertaal voortzet met een Veni-subsidie van NWO. Voor meer informatie: www.nwo.nl

32

september 2011


OnderZOeK OnderZOeK KOrt

Alle mobieltjes de klas uit! Er is de laatste tijd veel ophef over het gebruik van mobieltjes in de klas. Met griezelverhalen over woedeuitbarstingen van docenten op YouTube, verongelijkte vriendjes die naakte foto’s van vriendinnen twitteren en het doorgeven van examen- en tentamenantwoorden. Deze gevallen zijn vervelend, maar het zijn excessen. Als reactie vinden sommigen – waaronder de VO-raad en opspringende onderwijsgoeroes – dat docenten op ‘mobieltjescursus’ moeten om te leren hoe zij mobieltjes in de klas nuttig kunnen inzetten. Helaas gaat men hier voorbij aan het echte probleem, namelijk dat googlen, sms’en en chatten onder de les of bij het leren gewoon afleidingen zijn, waardoor er slechter of niet geleerd wordt. In een recent artikel in Cyberpsychology, Behavior, and Social Networking tonen Jacobsen en Forste aan dat er een zeer robuuste negatieve relatie bestaat tussen het gebruik van sociale media in de klas, tijdens het leren of bij het maken van huiswerk en de behaalde punten van leerlingen. Zij concluderen dat dit multitaskgedrag interfereerde met het leren: het leidde leerlingen af van wat zij ‘hoorden’ te doen. Dit komt overeen met een studie die ik uitvoerde met Aryn Karpinski over het gebruik van Facebook en leerresultaten. Daaruit bleek dat Facebookgebruikers gemiddeld één punt lager scoorden dan niet-gebruikers. De verklaring is eenvoudig. Ten eerste, mensen kunnen NIET multitasken! Als je multitaskt, voer je twee cognitieve processen tegelijk uit. Maar onze hersens kunnen dat helemaal niet. Wij kunnen wel verschillende geautomatiseerde activiteiten tegelijkertijd uitvoeren. Maar dit geldt niet voor dingen waarbij we moeten nadenken. Wat wij wel kunnen, is schakelen tussen taken (task switching) en hoe meer wij iets geoefend hebben, hoe sneller wij kunnen schakelen. Voor leerlingen is dat misschien chatten of sms’en, voor anderen bijvoorbeeld autorijden of typen. Dus toch geen probleem die mobieltjes in de klas? Jawel. Want elk onderzoek naar schakelen tussen taken waarbij denken is vereist, toont aan dat dit leidt tot circa twee keer zoveel tijd om de taken uit te voeren en tot circa twee keer zoveel fouten. Die extra tijd zou geen probleem zijn als chattende leerlingen twee keer

zo lang zouden studeren, maar uit mijn onderzoek met Karpinski bleek dat daarvan geen sprake was. En dan hebben we het nog maar even niet over die verdubbeling van fouten. Eigenlijk weten we dit ook wel uit eigen ervaring. Stel je bent met iemand aan het praten en uit je ooghoek zie je een e-mail binnenkomen die je even snel wilt lezen. Sta

KirScHner KieSt

je opeens met je mond vol tanden als je gesprekspartner je vraagt ‘wat vind je daarvan?’ En zou het in een klaslokaal dan anders gaan? Ik vind het echt een wonder dat men durft te beweren dat mobieltjes in de klas gebruikt moeten worden. Let wel: mobieltjes kunnen wel een waarde voor het onderwijs hebben, bijvoorbeeld op excursies, in musea of op een uitheemse markt om taal te leren. Maar in een leslokaal? Liever niet. Wie nog niet overtuigd mocht zijn: onderzoek van Strayer, Drews en Crouch heeft aangetoond dat het rijden onder de invloed van alcohol veiliger is, dan rijden terwijl je telefoneert, ongeacht of het handsfree is of niet! Paul Kirschner, hoogleraar Onderwijspsychologie aan de Open Universiteit, haalt elke twee maanden de krenten uit het recente onderzoek. Op www.didaktief.nl zijn de besproken onderzoeken te vinden.

september 2011

33


nderZOeK OnderZOeK KOrt

Computerprogramma stimuleert rekenen met relaties

Realistisch rekenen slaat brug van rekenen naar algebra  Rekenen met relaties wordt op de basisschool te weinig geoefend Een quiz bestaat uit tien vragen. Elk goed antwoord levert twee punten op. Een vraag fout of niet beantwoord

zorgt voor een punt aftrek. Tina heeft acht punten. Hoeveel vragen heeft Tina goed beantwoord? Basisschoolleerlingen hebben, zo blijkt uit het promotieonderzoek van Angeliki Kolovou, geen idee hoe ze een dergelijke opgave moeten oplossen. ‘En omdat leerlingen niet meteen wisten wat ze moesten doen, deden ze vaak helemaal

Bent u op zoek naar een onderzoeker die bijvoorbeeld uw onderwijsvernieuwing komt monitoren of u inzicht in brandende vragen kan verschaffen? Hebt u onderzoeksbegeleiding in de aanbieding? Didactief brengt de partijen samen. Stuur uw oproep naar redactie@didaktief.nl ovv Didactief Dating.

aangeboden

34

september 2011

Het Ruud de Moor Centrum heeft jaren met scholen samengewerkt aan goede manieren om aan professionalisering te werken. Zo is de Toolkit netwerkleren ontstaan. Bij netwerkleren leren docenten door gebruik te maken van elkaars ervaringen en expertise. De toolkit helpt scholen en lerarenteams bij het invoeren of versterken van netwerkleren. Als school kunt u zich aanmelden voor een pilot. U krijgt de toolkit dan gratis toegestuurd en doet mee aan het onderzoek naar netwerkleren. Er is ruimte voor maximaal 200 scholen, vooral uit het basisonderwijs. Meer weten? Kijk op http://portal.rdmc.ou.nl/toolkit/


OnderZOeK OnderZOeK nieUW

niets. Terwijl je getallen kunt uitproberen en zo achter de oplossing kunt komen. Maar ook dat deden ze niet.’ Tijdens haar masterstudie reken-wiskundeonderwijs leerde Kolovou het realistisch rekenen kennen. Als leerkracht op een Griekse basisschool zag zij vervolgens dat het rekenonderwijs daar veel meer mechanistisch was. ‘Vermenigvuldigen met breuken bijvoorbeeld, dat werd wekenlang geoefend, totdat de leerlingen wisten wat ze moesten doen. Maar begrijpen deden ze het niet.’ ‘Uit de literatuur en uit ervaringen in andere landen blijkt dat basisschoolleerlingen moeten kunnen rekenen met relaties, de basis van algebra. Maar in Nederland is dat niet het geval. We hebben de methodes bekeken en daar bleek dat er weinig aandacht voor was. Rekenen met relaties is belangrijk, omdat het de overgang naar de middelbare school makkelijker maakt. Het is de brug van rekenen naar algebra.’ Waarbij Kolovou benadrukt dat het niet de bedoeling is om eerder met formele algebra te beginnen. Om het rekenen met relaties te oefenen, is een computerprogramma ontwikkeld. ‘Leerlingen konden daar online thuis mee aan de slag. En het bleek dat zij door te oefenen opgaven zoals die van de quiz beter konden oplossen. Vandaar mijn aanbeveling om het programma ook in de klas te gaan gebruiken.’ Nu ze gepromoveerd is, gaat Kolovou terug naar Griekenland en voorlopig weer terug voor de klas. ‘Maar ik hoop dat ik een plek kan vinden op een universiteit en daar kan bijdragen aan de verbetering van het Griekse reken-wiskundeonderwijs.’/ PZ Angeliki Kolovou, Mathematical problem solving in primary school, proefschrift, Universiteit Utrecht/Freudenthal Instituut, 2011

aangeboden Loopt u als school rond met een inhoudelijke of organisatorische vraag en komt u er zelf niet uit? Wilt u laten uitzoeken hoe dingen beter kunnen? Via het programma Kortlopend onderwijsonderzoek krijgt u een gratis onderzoeker in school die over uw schouder meekijkt. Het gaat om onderzoek dat maximaal 1 jaar duurt en dat uitmondt in lesmateriaal, prototypen, scenario’s of adviezen die passen bij uw school. U kunt aanvragen indienen tot 1 november 2011 via de website www.kortlopendonderzoek.nl

VVE De afgelopen vier jaar zijn binnen het project Vvesterk 12.000 leidsters en leerkrachten geschoold in voor- en vroegschoolse educatie. Inmiddels is de tweede fase van dit project (20102014) gestart, met nog eens 16.000 scholingsplaatsen. Er wordt ook een aantal onderzoeken uitgevoerd. Afgelopen zomer is de eerste tranche onderzoeken gestart. Sardes en CED-groep voeren twee metastudies uit naar de thema’s professionaliteit en professioneel handelen en naar factoren die bijdragen aan een hoog niveau bij professionalisering. Verder wordt er onderzoek gedaan naar de kwaliteit van VVE-beleid van gemeenten, schoolbesturen, kinderdagverblijven en peuterspeelzalen. Er wordt gekeken in hoeverre en op welke wijze VVE nu structureel een plaats heeft verworven in het curriculum van ROC’s en pabo’s. Ten slotte is er een quickscan naar de ontwikkeling van integrale kindcentra. Najaar 2011 zal een volgende tranche onderzoeken van start gaan. Nadere informatie: Karin Westerbeek (Sardes), K.Westerbeek@sardes.nl of op www.sardes.nl

Leescoaches Diverse studies laten zien dat veel vmbo-leerlingen problemen ondervinden met technisch en begrijpend lezen. Vooral op achterstandsscholen is de uitval groot en dreigen leerlingen in een negatieve spiraal te raken. Omdat ze niet goed kunnen lezen, lezen ze minder, zijn ze minder gemotiveerd en ontwikkelen ze hun leesvaardigheid niet. Het Expertisecentrum Nederlands gaat, met subsidie van OnderwijsBewijs, onderzoeken wat de effecten zijn van een tutorprogramma waarbij leerlingen uit 5vwo als maatschappelijke stage leescoach worden voor eerstejaars vmbo-leerlingen. Ze begeleiden tien weken lang drie keer per week een groepje van drie leeszwakke vmbo-leerlingen. Daarbij werken ze volgens een vast omschreven programma voor effectieve leesbegeleiding: samen praten over een boek dat de leerlingen thuis hebben gelezen (doel: leesplezier), samen met de leerlingen een nieuwe tekst over een actueel onderwerp lezen en bespreken (hardop begeleid lezen met als doel bevorderen technisch lezen en leesbegrip), leesstrategie oefenen (doel bevorderen strategisch lezen). Deze interventie wordt vergeleken met een controlegroep van vmbo-leerlingen zonder leescoach. Meer informatie: Expertisecentrum Nederlands, info@expertisecentrumnederlands.nl

september 2011

35


Mijn scHOOL MiJn ScHOOL

‘Je moet goede afspraken maken, anders loop je elkaar te zoeken’ Visio Rotterdam is een school voor slechtziende en blinde kinderen. Zo’n 120 kinderen van 4 tot 20 jaar krijgen er les. www.visio.org > onderwijs > rotterdam

a

lle leerlingen van Visio Rotterdam moeten binnen de school zichzelf kunnen redden. In de gangen zijn daarom overal gidslijnen, een stang langs de wand waarlangs je je weg kunt vinden. Bij de deuren ligt vloerbedekking met ribbels op de grond, en de opschriften zijn niet alleen in letters maar ook in brailletekens. Akoestiek is belangrijk, dus is ervoor gezorgd dat het niet galmt in grote ruimtes zoals de aula. ‘De school is specifiek gebouwd voor deze doelgroep’, zegt Ingrid Stekelenburg, leerkracht van groep 1 en 2. Ze laat zien hoe alle lijnen van het in vakken verdeelde schoolplein recht zijn, zodat kinderen de plattegrond eenvoudig in hun hoofd kunnen prenten. ‘Grotere blinde kinderen lopen met een stok. Zij zetten die ergens neer omdat hij bij het spelen in de weg zit, en dan moeten ze hem daarna wel kunnen terugvinden.’ Maan Visio Rotterdam is onderdeel van Koninklijke Visio, het landelijke expertisecentrum voor slechtziende en blinde mensen en biedt onderwijs aan ongeveer 120 kinderen in de leeftijd van 4 tot 20 jaar. De leerlingen komen uit een grote regio. ‘Slechtziende kinderen missen de mimiek en gebaren van leerkrachten en medeleerlingen. En van sommige dingen kun je je geen voorstelling maken’, zegt Stekelenburg. ‘Een blinde weet hoe een auto ruikt, zit, klinkt, maar niet hoe een auto eruitziet.’ In haar eigen groep werkt Stekelenburg met concrete, tastbare materialen, zoals trouwens in alle kleutergroepen het geval is. Bij het voorlezen is ze extra alert op begrippen die voor kinderen met een visuele beperking onbekend zijn, zoals de maan. ‘Dat moet je

36

september 2011

uitleggen, want je kunt niet naar de hemel wijzen. Ik vraag of kleuters weten wat de maan is, ik vertel dat je dan naar boven kijkt, dat de maan heel hoog in de lucht is, dat het de vorm van een bal heeft. Een bal is een concreet ding.’ Positief Stekelenburg werkt nu 22 jaar op deze school. Zij is trots op het pedagogisch klimaat. ‘In alle groepen gaan we uit van de mogelijkheden, van het positieve, van wat een leerling wel kan. Ook onderling is de sfeer goed, kinderen worden niet gepest. Onze leerlingen hebben een groot acceptatievermogen.’ Van kinderen die normaal begaafd zijn, wordt verwacht dat ze het gewone basisschoolprogramma doorlopen en vervolgens uitstromen naar het voortgezet onderwijs. De leerlingen doen er een jaar langer over, omdat alles nu eenmaal meer tijd kost als je niets of weinig kunt zien. Leerlingen die naar het praktijkonderwijs of vmbo gaan, en sommige havoleerlingen, blijven bij Visio. Andere leerlingen die havo of vwo aankunnen, stappen in groep 7 over naar een reguliere basisschool. ‘Anders is de overgang naar het voortgezet onderwijs helemaal zo groot.’ Plakkertje In het technieklokaal laat Annelies Zonneveld, de techniekleraar, graag de verschillende gereedschappen en machines zien. ‘In dit lokaal kunnen kinderen van alle leeftijden terecht’, vertelt ze. ‘Het is belangrijk dat alles dichtbij is, onder de handen van de kinderen. Daarom beginnen we altijd met een onderdeel. Van een fiets bijvoorbeeld behandelen we een wiel of de trappers,


tekst Susan de Boer beeld Rob Niemantsverdriet

en pas later de hele fiets. En alles is echt, het is geen speelgoed; je kunt de kranen echt op de waterleiding aansluiten.’ Zonneveld is met name trots op een heel simpele aanpassing: op de polijstmachine heeft ze met een plakkertje aangegeven waar de polijstschijf zit. ‘Het is niet echt een harde borstel, maar als hij ronddraait kun je je wel pijn doen. Met dat plakkertje kan een blind kind zelfstandig polijsten. Bij de naaimachine zit een soortgelijk plakkertje om de plaats van het voetje en de naald te vinden.’ Sommige machines maken veel lawaai. Dat is spannend voor de kinderen, maar heeft als nadeel dat de communicatie wordt bemoeilijkt. Niet alle machines zijn geschikt om mee te werken. Zonneveld: ‘Een cirkelzaag gebruik ik hier niet. Wel de kolomboor. Dan halen we eerst de stekker eruit, dat doen we samen zodat het kind zeker weet dat hij eruit is. Vervolgens voelt een leerling met de handen welke onderdelen bewegen. Ze moeten altijd met twee handen werken.’ Schoolrestaurant In het praktijklokaal staan fornuizen en (vaat)wasmachines. Leerlingen van het voortgezet onderwijs voor meervoudig gehandicapten en van het praktijkonderwijs werken in het schoolrestaurant, waar eens per week een lunch wordt geserveerd. Stagelopen doen de kinderen in de horeca, de kringloopwinkel of de groenvoorziening. Er zijn schooltuinen en ook het schoolplein wordt door leerlingen bijgehouden. Stekelenburg: ‘Voor de praktijkonderwijsleerlingen is het de voorbereiding van een toekomstig vak, voor de meervoudig gehandicapte leerling ligt de lat lager. Voor

hen is het doel om zo zelfredzaam mogelijk te zijn als ze op zichzelf gaan wonen.’ Een belangrijk aspect is leren samenwerken. ’Je moet goede afspraken maken, anders loop je elkaar te zoeken.’ Led-verlichting Het pronkstuk van het gebouw is het gymnastieklokaal op de eerste verdieping. Het lokaal heeft een zachte vloer en zachte, meeverende wanden. Maar het mooiste is de vloer, waarin met led-verlichting de strepen en cirkels kunnen worden aangezet die nodig zijn voor basketbal of volleybal. De meeste leerlingen zijn slechtziend en kunnen gewone witte strepen niet of niet goed zien. Dankzij de felle verlichting lukt dat wel. ‘Het was spannend of de led-verlichting zou werken voor onze doelgroep’, vertelt Stekelenburg. ‘Er was geen voorbeeld, het was nog nergens toegepast op deze manier. Maar het werkt fantastisch goed.’ In de wand heeft de gymleraar oogjes bevestigd, waaraan elastiek kan worden vastgemaakt. ‘Daarmee kunnen kinderen veilig rennen. Anders zou je ze steeds aan de hand moeten nemen om ze hard te laten lopen.’ Midden in het lokaal staat een groot rad met tussenstangen en handgrepen. Hiermee kunnen allerlei oefeningen worden gedaan. ‘Het is een duur ding, maar alle leerlingen hebben er iets aan’, vertelt Stekelenburg. ‘De kleuters leren hoe ze er met elkaar in balans in kunnen schommelen, de oudere kinderen draaien erin rond. Ze kunnen er zelfs mee over de kop gaan.’ ■

De school is specifiek gebouwd voor deze doelgroep

september 2011

37


OPINIE EN ONDERZOEK VOOR DE SCHOOLPRAKTIJK SCHOOLPRAKT T IJK

‘Didactief helpt scholen hun weg te kiezen tussen de vele vernieuwingen’ Anje de Vries en Henk Diephuis, abonnees

NEEM of GEEF een jaarabonnement

op DIDACTIEF

én krijg een boekenbon t.w.v. 15 euro! Vul de antwoordkaart in op pagina 25

‘ m p


interview intervieW

Tekst Astrid van de Weijenberg

Hoogleraar Nico Verloop

‘Leraarschap centraal is een hoopvolle trend’ ’Wij moeten leraren niet voorschrijven hoe ze het moeten doen, maar luisteren naar wat zij bedacht hebben en waarom’, zegt onderwijs hoogleraar Nico Verloop in zijn afscheidsinterview.

De expertise van de docent is de laatste jaren steeds centraler komen te staan. ‘Dat is een hoopvolle en veelbelovende trend’, zegt Nico Verloop. ‘Wij moeten leerkrachten niet voorschrijven hoe ze het moeten doen, maar heel goed luisteren naar wat ze bedacht hebben en waarom. Onderzoekers kunnen hen vervolgens helpen door het denken op de werkvloer naar een hoger plan te brengen. Door te helpen kennis te expliciteren. Dat zie je heel mooi gebeuren bij de Academische Opleidingsschool. Ook voor leraren een aantrekkelijke vorm van professionele ontwikkeling.’ Hoogleraar Nico Verloop neemt deze maand afscheid van het Iclon, het Interfacultair centrum voor lerarenopleiding, onderwijsontwikkeling en nascholing van de Universiteit Leiden. Zíjn Iclon, mag je gerust zeggen. Verloop stond aan de wieg ervan. Toen hij aantrad in 1991 had de lerarenopleiding van de Leidse universiteit nog weinig in de melk te brokkelen en waren er nauwelijks onderzoeksfaciliteiten. Verloop voegde de opleiding samen met het Bureau Onderzoek van het onderwijs en zo ontstond in 1995 het Iclon. Nico Verloop is bij zijn afscheid een tevreden man. Het onderzoek staat, ook internationaal, goed op de kaart. De instroom van studenten is meer dan op orde, het personeelsbestand groeide van twintig naar 110 mensen. Verloop is ook de man die de praktijkkennis van de docent over het voetlicht bracht. Al in zijn oratie in 1991 vroeg hij zich af hoe we die praktijkkennis op een slimme manier kunnen combineren met theoretische kennis van onderzoekers. Hij heeft daarom altijd ingezet op een goede samenwerking tussen onderzoekers en leerkrachten. Verloop: ‘Met schooldirecteuren en mentoren is er

‘Onderzoekers hebben meer voeling met de praktijk gekregen’

inmiddels partnerschap. Er vindt afstemming plaats. Ze weten veel meer dan in het verleden hoe de opleiding eruit ziet. Ze hebben er meer voeling mee.’ Er schuilt volgens Verloop wel één gevaar in het steeds centraler stellen van de expertise van de docent: je moet de uitkomsten niet te snel benoemen als wetenschappelijk onderzoek. ‘Als iets in drie klassen is uitgeprobeerd en het werkt, wil dat nog niet zeggen dat het algemeen geldend is. Het werkt misschien voor jouw schoolsituatie. Daarom is het goed om in samenwerking met onderzoeksmensen op een systematische en navolgbare manier tot bevindingen te komen.’ Sowieso is het in de onderwijswetenschap moeilijk om zaken te vinden die altijd en overal geldig zijn. Er zijn weinig wetmatigheden in het onderwijs. Met het ongenuanceerd gebruik van de term ‘evidence based’ suggereer je dat wel. Verloop vindt dat een kwalijke zaak. ‘Het lijkt de Heilige Graal: over een paar jaar weten we dat als leerkrachten dít doen, er dát uitkomt. Beleidsmakers houden van dat idee en er gaat dus relatief veel geld naar dit type onderzoek.’ Toch wil Verloop niet cynisch zijn. Hij is juist optimistisch over het huidige politieke en maatschappelijke klimaat. ‘Ik vind het hoopvol dat het leraarschap weer centraal staat. Het is minstens zo relevant hoe docenten denken over begrijpend lezen als wat de theorie ervan zegt. Innovaties die geen rekening houden met de praktijkkennis van docenten zijn gedoemd te mislukken. Dat er in het plan Leraar 2020 systematisch geld wordt uitgetrokken voor professionalisering, vind ik hoopgevend. Er zijn veel mooie initiatieven. Ik hoop dat men daarbij aansluit.’ ■

september 2011

39


interview intervieW

De favoriete leraar van

RG ‘Had iemand in 1986 ooit kunnen bedenken dat we in 2011…’ VB: ‘… als fotomodellen…’ RG+VB: ‘….in de wc zouden staan?’

40

september 2011

r


n

Tekst Bea Ros

Beeld Martijn van de Griendt

ronald Giphart Van 1980 tot en met 1986 zat schrijver Ronald Giphart op Het Baarnsch Lyceum. Zijn favoriete leraar was Kees van Bueren, sinds 1979 leraar Nederlands op de school. Het is niet de eerste keer sinds zijn eindexamen in 1986 dat schrijver Ronald Giphart zijn leraar Nederlands terugziet – Kees van Bueren nodigt zijn beroemde oudleerling regelmatig uit voor lezingen of klassenbezoeken. Wel ziet hij voor het eerst de nieuwbouw van zijn Baarnsch Lyceum. Met enige ontzetting kijkt hij rond. Op de oude, nog door Escher ontworpen pilaren na is alles spiksplinternieuw. ‘Dit gaat je aan het hart, he?’ zegt Van Bueren. ‘Maar een school is meer mensen dan gebouw. En we hebben de geest van de oude school meegenomen.’ Muisstil VB: ‘Ik had Ronald voor het eerst in de tweede klas. Ik heb zo’n romantisch beeld dat hij toen heel korte beentjes had, dat zijn voeten steeds boven de grond bungelden.’ RG: ‘Klopt.’ VB: ‘Dan ging er af en toe een vinger van Ronald omhoog om een kritische opmerking te maken. Dat vond ik interessant. Hij was niet iemand die met de stroom meeging. En dat heeft zich in de vierde en vijfde klas uitgekristalliseerd.’ RG: ‘Ik schreef opstellen.’ VB: ‘En kritische stukken in de Schoolkrant.’ RG: ‘Het was een rechtse schoolkrant, de school was een tikje elitair. Maar ik kwam uit een links milieu. Samen met enkele anderen richtten we een alternatieve schoolkrant op, De Uitlaat.’ VB: ‘Schreef je daar niet ook een feuilleton in?’ RG: ‘Ja, samen met Bert Natter, over de leraren.’ VB: ‘Als de krant uitkwam, was het muisstil in de lerarenkamer.’ RG: ‘Ik heb later nog enkele passages gebruikt in mijn boek De beste schrijver van Nederland. Zonder onszelf nou op de borst te kloppen, dat waren best leuke teksten.’ VB: ‘Ik vind het leuk dat ik oud-leerlingen heb die schrijver zijn. Dat is meer waard dan alle bonussen in het bankwezen.’ een duwtje geven RG: ‘Ik kom regelmatig op scholen en mij valt op dat er grofweg twee soorten leraren Nederlands zijn: leraren die hun eigen enthousiasme over en plezier in literatuur overbrengen en leraren die hameren op feiten en structuur. De eerste methode is die van Van Bueren. Die werkt veel beter.’

VB: ‘Daar herken ik me wel in. Volgens mij geldt die waterscheiding voor alle leraren van welk vak ook.’ RG: ‘Van Bueren stimuleerde ons te praten over boeken die we mooi vonden. En hij vertelde zelf enthousiast over zijn lievelingsboeken. Met zijn aanpak kreeg hij de meest verstokte niet-lezers aan het lezen. Wat wij niet wisten, is dat hij toch verhaalanalyse en literatuurgeschiedenis erdoorheen wist te vlechten.’ VB: ‘Ik vind het wezenlijk om leerlingen in hun waarde te laten. Literatuuronderwijs is vertellen en voorlezen, geen oordelen, geen repetities, geen leesverslagen. Dat heeft te maken met mijn visie op kinderen: ze hebben het recht hun eigen richting te bepalen.’ RG grapt: ‘Als ze maar vwo kiezen, zeg ik als ouder.’ VB: ‘Houd je mond, nu mag ik even. Je kinderen zijn niet jouw kinderen.’ RG: ‘Mooi!’ VB: ‘Het is aan de leerling zelf om te bepalen welk boek goed of slecht, mooi of lelijk is.’ RG: ‘Mee eens. Maar je hebt wel een verantwoordelijkheid naar mensen die de kracht van het lezen niet ontdekt hebben. Je moet ze laten zien dat lezen een prachtige manier is om jezelf te uiten.’ VB: ‘Je hebt inderdaad de verantwoordelijkheid om de deur open te houden naar die enorme verzameling boeken. En af en toe mag je best een beetje duwen.’ RG: ‘In de beslissende jaren heb je iemand nodig die je een duwtje geeft. We moesten twintig boeken lezen voor de lijst. Ik las er 85 om hem te laten zien dat het overgekomen was.’ Persoonlijkheid RG: ‘Het is een vreemd besef dat Van Bueren destijds veel jonger was dan ik nu ben. Terwijl, als ik aan hem terugdenk, ik een man zie zoals hij nu is.’ VB: ‘Datzelfde had ik met mijn leraar Nederlands, meneer Sarneel. Door hem ben ik Nederlands gaan studeren. Toen ik hem dertig jaar later weer opzocht, begreep ik meteen weer waarom ik hem zo waardeerde: niet om zijn kennis, maar om wie hij was. Het is de persoonlijkheid die het ’m doet. Hij zei: zeg maar Gerard, maar dat kon ik niet.’ RG: ‘Vroeger zag ik leraren niet als mensen, zelfs niet als ik er heel goed mee overweg kon. Van Bueren een vriend? Welnee!’ VB: ‘Dat is mijn stijl ook niet.’ RG: ‘Een leraar is een leraar.’ VB: ‘Precies! Je moet niet afdalen, je blijft leraar.’ ■

september 2011

41


BOeKen BOeKen

Jeugdboek

Brugklasbrokken de brugklas met bijbehorende gevoelens van onzekerheid en groepsvorming, is een bekend thema in de jeugdliteratuur. Ook anna van Praag kiest hiervoor in haar nieuwste jeugdroman vossenjacht.

Vossenjacht, Anna van Praag, vanaf 11 jaar, Leopold, 2011, € 13,95

Haar vorige boek Nooit meer lief (2010) deed veel stof opwaaien, omdat de hoofdpersoon een rotkind is en wil zijn. Hiermee wilde de schrijfster een tegenwicht bieden tegen al te brave helden in jeugdboeken. Zoals de auteur in een interview zei: ‘Elk mens heeft een rotkind in zich, maar ook een fantastische held.’ In elke klas weer, maar vooral in de brugklas, worden leerlingen in dit opzicht op de proef gesteld en daarbij is het vaak makkelijker een ‘rotkind’ te zijn dan een held. Ze moeten kiezen tussen meelopen met de meute en opkomen voor zichzelf en de underdog. Over die keuzes gaat Vossenjacht. Lisa is blij als ze in de brugklas snel aansluiting vindt bij het populaire clubje. Ze dankt dit aan haar schrijftalent; ze wordt gevraagd voor de schoolkrant. Ze doet mee zonder goed door te hebben waar de club mee bezig is. Zo schrijft ze een stuk in de schoolkrant over generatie Alpha: rijke, blonde, knappe, slimme, kortom superieure, leerlingen. Wie er niet bij hoort, heeft pech. Pas als het te laat is, heeft Lisa door dat haar Turkse vriendin Esra slachtoffer wordt van generatie Alpha. Haar eigen wens om erbij te horen maakte haar blind. ‘Ik dacht altijd dat ik zo’n slim en aardig meisje was. Niet dus’, constateert Lisa op het eind. De plot is hier en daar wat kort door de bocht en een thriller, zoals de omslag vermeldt, is het ook niet. Wel is Vossenjacht een vlot geschreven en herkenbaar verhaal dat nog weer eens duidelijk maakt hoe het op school spitsroeden lopen is voor jongeren. / Bea ros

Bang

Minder angstig en bang, M. Tompkins, K. Martinez, uitgeverij SWP, 2011, € 19,50

42

september 2011

Bijna alle jongeren hebben wel eens last van angst en onzekerheid, maar bij sommigen beheersen fobieën en paniekaanvallen hun dagelijks leven. Minder angstig en bang geeft een praktische handleiding hoe zulke angsten onder controle te krijgen. Zo geven de auteurs tips om je slaapgewoontes te verbeteren en bevat het boek een lijst met vijftig typische stressfactoren voor jongeren, zoals een ruzie met een ouder of verliefdheid.

Kleuters

Zorg voor kleuters, Johan Eichhorn, uitgeverij Pica, 2011, € 19,50

Sommige kleuters vragen om extra aandacht en speciale onderwijszorg. Om hierop deskundig in te spelen biedt Zorg voor kleuters een handvat. In het eerste deel legt de auteur uit hoe je gedragsproblemen kunt herkennen en oplossen en het tweede deel staat geheel in het teken van de werkhouding van kleuters. Met veel mooie kleurenfoto’s en casussen.


Gratis! didactief geeft vijf exemplaren van Machomannetjes. 99 manieren om de straatcultuur terug te dringen uit uw school van Hans Kaldenbach weg. Mail uw naam en adres naar redactie@didaktief.nl onder vermelding van de titel van het boek. Onder de inzenders worden vijf boeken verloot.

Pedagogisch omgaan met rotjongens m/v Zorg voor binding met die lastige leerling, dan bied je tegenwicht aan de straatcultuur die ongewenst je klas binnenkomt.

Hans Kaldenbach, Prometheus, 2011, € 9,95

Veel leerlingen in lagere sectoren van het voortgezet onderwijs komen uit kansarme gezinnen en vertonen gedrag waarmee ze overleven in de straatcultuur. Deze cultuur staat haaks op de burgerlijke cultuur van de school, en ook haaks op algemene maatschappelijke normen. Dat is lastig voor leraren die zelden de straatcultuur van binnenuit kennen, die gewend zijn om vriendelijk en flexibel te zijn en, indien nodig, fouten ruiterlijk te erkennen. Wat kun je doen tegen de constante stroom van scheldwoorden, bedreigingen, intimidaties en ander lastig gedrag? Hoe krijg je het voor elkaar om deze leerlingen überhaupt iets te leren, liefst ook dat ze met dit gedrag in de samenleving niet ver zullen komen? Binding – een goede relatie opbouwen met leerlingen – is een belangrijke pijler, zegt Hans Kaldenbach, expert op het gebied van cultuurverschillen. In het boek Machomannetjes bespreekt hij in achttien artikelen de achtergronden van het straatcultuurgedrag en geeft hij tips, zoals hoe met de eigen weerzin tegen straatcultuur om te gaan. Ook behandelt hij mogelijke reacties op intimidatie en bedreigingen en geeft hij suggesties hoe in de klas brandbare onderwerpen als politieke gebeurtenissen in het Midden-Oosten en homoseksualiteit aan de orde te stellen. Daarbij relativeert hij op een prettige manier de invloedssfeer van de leraar. Het gedrag van de jongeren komt voort uit allerlei nare omstandigheden, inclusief puberteitshormonen; dat kun je dus niet veranderen. Waar je wel voor kunt zorgen, is dat het gestolen mobieltje terugkomt, dat opvattingen over moslims, Joden en homoseksuelen een paar centimeter opschuiven en dat het woord ‘kanker’ minder vaak valt. / Susan de Boer

Identiteit

Onze school is een verhaal, B. van den Berg, A. van der Harst e.a., uitgeverij CPS, 2011, € 28,90

Gaat de kwaliteit van een school alleen over cijfermatige resultaten? Volgens de auteurs van Onze school is een verhaal niet. Zij betogen dat een school moet staan voor verbondenheid tussen kwaliteit en identiteit, om een gebrek aan zingeving en vervreemding bij alle betrokkenen te voorkomen. Hiervoor is een brede identiteitsontwikkeling nodig. Met inspirerende foto’s en verhalen.

Autisme

Dirigeren van de oceaan, Maddy Hulshof, Van Tricht uitgeverij, 2011, € 18,50

Omgaan met een autistisch kind is voor veel mensen moeilijk omdat ze het gedrag van een kind met autisme niet begrijpen. Het lezen van Dirigeren van de oceaan kan daar verandering in brengen. Hierin beschrijft Maddy Hulshof de kenmerken en achtergronden van de aandoening aan de hand van veel anekdotes over haar autistische zoon Gijs en hoe het gezin zich aan zijn autisme aanpast. Van zwemmen in koude meertjes tot tafelgesprekken tijdens het eten.

september 2011

43


actieF actieF

‘

Pabo is veel, niet moeilijk. Hou er rekening mee dat je veel van iets moet weten, maar dat je niet ergens diep op ingaat. Wat ik echt minder vind, is het feit dat je zoveel aan competenties moet werken en dat maar moet uitleggen. Ik haal de helft van mijn studiepunten met slap ouwehoeren, wat soms redelijk frustrerend is. Snooz, op forum.cosmogirl.nl, in discussie over Pabo

‘

Scheepvaartmuseum

Early Bird

iPockets, de eerste volledig digitale lesmethode Engels voor kleuters op de basisschool, is eind juni in Berlijn bekroond met de EduMedia Siegel 2011. Er waren tweehonderd inzendingen uit tien verschillende landen. iPockets biedt authentieke Engelse audio- en videomaterialen voor gebruik in de klas. Leerlingen zouden dankzij deze juiste klankvoorbeelden hun uitspraak goed ontwikkelen. De methode is ontwikkeld in samenwerking met expertisecentrum Early Bird. www.ipockets.nl

Wist u dat…? … Didactief ook op Facebook zit? Bezoek onze pagina en laat ons weten wat deze maand uw favoriete artikel was. Kijk eens wie er nog meer bevriend zijn met Didactief. Of bent u niet zo’n socializer? Kijk dan eens naar onze LinkedIn-groep en start een serieuze discussie. Wij kunnen het niet alleen, we hebben u nodig. Praat mee.

44

september 2011

Na een ingrijpende verbouwing van vier jaar opent het Amsterdamse Scheepvaartmuseum op 2 oktober haar deuren weer voor het publiek. Het voormalige ’s Lands Zeemagazijn waarin het museum is gevestigd, is gerestaureerd en gemoderniseerd. Voor het onderwijs is een nieuw educatief programma ontworpen, afgestemd op verschillende groepen, en per groep op specifieke kerndoelen. Zo is er ‘Gouden Netwerk’ (kerndoelen 4, 5, 8, 51, 52, 56), waarin leerlingen uit groep 6-8 worden uitgenodigd Facebook- en Hyves-profielen te maken van personages uit de Gouden Eeuw. Voor het vmbo is het speciale ‘doe’-programma ‘Haven Promotieteam’ ontwikkeld, waarbij leerlingen in duo’s reclamefilmpjes maken. Doel is de jongeren enthousiast te maken voor het werken in de haven. Of het educatief team zijn werk goed heeft gedaan, moet nog blijken maar het oogt allemaal veelbelovend. www.hetscheepvaartmuseum.nl

Opmerkelijke reis

Van 28 maart tot 4 april 2012 organiseert de Besturenraad Academie ‘een inspirerende studiereis naar Israël’. Volgens de organisatoren kunnen leidinggevenden inspiratie en bezin-


aGenda

aGenda aGenda

OnderwijsmuseumOnderwijsmuseumOnderwijsmuseumOnderwijsmuseum

Schultüte

De eerste schooldag – vroeger was de overgang van ‘nog bij moeder’ (de titel van een leesboekje uit 1908 van de pedagoog Jan Ligthart (1859-1916)) naar de grote school een belevenis waaraan veel aandacht werd besteed. In de collectie van het Nationaal Onderwijsmuseum is een serie ingekleurde prentbriefkaarten opgenomen met daarop lachende, trots kijkende kinderen in hun ‘zondagse kleren’, zoals nette kleding werd genoemd. In Duitsland en België wordt de eerste schooldag al sinds de negentiende eeuw gevierd met een zogenaamde Schultüte; een grote puntzak boordevol cadeautjes en vooral snoepgoed; zoetigheid verzacht de spanning en angst voor de eerste schooldag. Meer informatie op www.onderwijsmuseum.nl

OnderwijsmuseumOnderwijsmuseumOnderwijsmuseumOnderwijsmuseum

OnderwijsmuseumOnderwijsmuseum

OnderwijsmuseumOnderwijsmuseum ning opdoen door het bezoeken van bekende bijbelse ‘heilige’ plaatsen. Daarnaast kunnen ze kennismaken met het onderwijs in Israël en, hier houdt de organisatie een slag om de arm, ‘als het mogelijk is ook op de Westbank’. Volgens de VN is dit immers nog steeds bezet gebied. Belangstellenden worden betrokken bij het opstellen van het reisprogramma. De prijs van de reis zal ongeveer € 1.600,- bedragen. Voor informatie en aanmelding raadpleeg de Academiebrochure op www.besturenraad.nl

Kindercentra pedagogisch inrichten Wat is de invloed van de omgeving op het gedrag van kinderen? Voor bestuurders van kinderopvanginstellingen, pedagogen en interieurarchitecten. 20 september, Bureau Akta te Utrecht. Kosten: € 75. Informatie: www.akta.nl

Onderwijsdag almere Op de internationale Dag van de Leraar staat Almere in het teken van docenten, met 70 workshops, lezingen en activiteiten. Inclusief markt met dans, theater en muziek. 5 oktober, Stadshart Almere. Kosten: geen. Informatie: www.onderwijsdagalmere.nl daders en slachtoffers, wie is wie? Voor contact- en vertrouwenspersonen (vo). Leer alles over wetgeving en klachten rond seksuele intimidatie aan de hand van workshops, infoshops en een materialenmarkt. 13 oktober, Regardz Eenhoorn te Amersfoort. Kosten: € 249. Informatie: www.ppsi.nl Onderwijs en jeugdzorg Met de invoering van passend onderwijs moeten scholen, gemeenten en jeugdzorg nauwer met elkaar samenwerken. Dit congres laat zien hoe, met deelsessies, lezingen en een infomarkt. 25 oktober, Meervaart te Amsterdam. Kosten: € 295. Informatie: www.ojz-congres.nl early english: Keys to Success De invoering van vroeg vreemde talen onderwijs (vvto) staat centraal. Met keynote speakers Noreen Caplen-Spence en Wendy Arnold. En workshops over onder andere hoogbegaafde kinderen, het gebruik van theater en eTwinning. 9 november, congrescentrum Engels te Rotterdam. Kosten: € 195. Informatie: www.earlybirdie.nl/keystosuccess Positief omgaan met gedragsproblemen School Wide Positive Behavior Support (SWPBS) is erop gericht gedragsproblemen te voorkomen. Leer hoe je leerlingen (po) gewenst gedrag aanleert. 18 en 19 november, Hogeschool Windesheim te Zwolle. Kosten: onbekend. Informatie: http://www.oso-windesheim.nl >agenda Masterclass inspirerend toetsen en beoordelen Op school ligt de nadruk vaak meer op cijfers en scoren dan op leren. Er zijn manieren van toetsen en beoordelen die het leerproces versterken, en de motivatie en prestaties verbeteren. 21 november, 6 februari, APS te Utrecht. Kosten: € 475. Informatie: www.aps.nl/inspirerend-toetsen-en-beoordelen Wedstrijd: maak jouw schoolomgeving klimaatbestendig Wat zijn de grootste gevolgen van klimaatverandering rondom jouw school? Breng ze in kaart, verzin oplossingen en win een prijs. 1 december, Amersfoort. Kosten: geen. Informatie: www.wereldburgerschap.nl

september 2011

45


vOLGende Maand vOLGende Maand

cOLOFOn

didactief is een onafhankelijk vakblad, voortgekomen uit het onderzoeksmagazine Didaktief en het onderwijstijdschrift School. Didactief stelt zich ten doel actuele onderzoeksresultaten toegankelijk te maken voor een groot onderwijspubliek. Daarnaast wil het blad het debat over het onderwijs stimuleren. Het blad verschijnt maandelijks, met uitzondering van juli en augustus. redactieadres: Molukkenstraat 200, 1098 TW Amsterdam. tel: 020-5900099, fax: 020-5900098, e-mail: redactie@didaktief.nl, internet www.didaktief.nl redactie: Simone Barneveld (hoofdredactie), Monique Marreveld (specials), Bea Ros (onderzoek) Maaike de Hon (eindredactie a.i.). correspondenten en medewerkers: Paul van der Bijl, Filip Bloem, Kees Broekhof, Toon Broekhuisen, Susan de Boer, Ymkje de Boer, Anne Burgers, Iris Dijkstra, Ans Compaijen, Edith van Eck, Alaattin Erdal, Truus Groenewegen, Adam Handelzalts, Thoni Houtveen, Bernadette van Hout-Wolters, Henny Jellema, Eef Jacobs, Marian Kat, Marco Krijnsen, Cees van der Kooij, Harrie Kooijman, Luutje Niemantsverdriet, Nienke Nieveen, Carolien Nout, Peter van Petegem, Carolien van Rens, Corine van Renswoude, Marcel van Riessen, Anje Ros, Marjan Vermeulen, Dineke Tigelaar, Jacques Vriens, Jacques de Vroomen, Marijke van Vijfeijken, Astrid van de Weijenberg, Geraldine Zieleman, Peter Zunneberg. redactieadviesraad: Marleen Barth, Henrico ten Brink, Roel Bosker, Geert ten Dam, Jo Kloprogge, Carola Schoor, Stef Verhoeven, Alfred Wald en Judit Weekenborg. Uitgever: Uitgeverij School bv, Stationsweg 44a, 7941 HC Meppel advertenties: Adco Services, Corinne Wisboom, Boslaan 1, 7231 DG Warnsveld. Tel. 0575-526263, fax 0575-522823 abonnementen: Een jaarabonnement kost € 52,50. Proefabonnement € 8,50 (voor 2 nrs). Studentenabonnement: € 35,- (kopie inschrijvingsbewijs toezenden). Losse nummers verkrijgbaar à € 6,20 (incl. porto). België € 56,50, overig buitenland € 71,80. Abonnementen kunnen op elk gewenst tijdstip beginnen. Opgave bij de abonnementenadministratie (postbus 41, 7940 AA Meppel, tel: 0522-855175). Opzeggingen uiterlijk twee maanden voor het begin van het nieuwe abonnementsjaar. vormgeving/opmaak & lithografie: FIZZ reclame + communicatie, Meppel. druk: Drukkerij Ten Brink, Meppel. ISSN 1572-4085 Het oktobernummer van didactief verschijnt op 3 oktober

46

september 2011

didactieF OKtOBer Jongens dommer? De vraag of jongens en meisjes apart les moeten krijgen, was deze zomer ineens weer actueel. Jongens zouden het slechter doen in het gefeminiseerde onderwijs. Maar de zaken liggen iets gecompliceerder.

Zorg over wiskundeonderwijs Zowel het Centraal Planbureau als het internationale Pisa-onderzoek wijzen op een teruglopende kwaliteit van het Nederlandse wiskundeonderwijs. Is de toestand echt zo alarmerend? Didactief ging op onderzoek uit.

Maori’s scoren Maori-leerlingen die keuzelessen in hun taal blijven volgen tot aan het eind van de middelbare school scoren beter op hun eindexamens. Dankzij hun tweetaligheid nemen zelfvertrouwen en onderwijsprestaties toe.

Taalontwikkeling Een taalproject van de gemeente ’s-Hertogenbosch voor onderwijsprofessionals werpt zijn vruchten af. Leerlingen leveren betere prestaties en leerkrachten hebben meer plezier in hun werk.

Bruisende school Dwars tegen de tijdgeest in profileert het Antoniuscollege in Gouda zich als cultuurschool. Theatermaker John de Heij is de motor achter de theaterklas

Alle artikelen zijn onder voorbehoud.

cOLOFOn


“Mijn vriendje Daan

is ziek. hij ligt al lang in het ziekenhuis. Gelukkig logeren zijn ouders in het Ronald McDonald Huis en zijn ze altijd dichtbij. Dat vindt Daan heel fijn!”

Het boekenaanbod voor jonge lezers is bijzonder groot, kiezen is niet altijd makkelijk. De Boekenzoeker helpt jonge mensen van 8 tot 18 jaar een boek te vinden dat bij hen past.

De Boekenzoeker is een project van:

Voor €5,- per maand brengt u zieke kinderen en hun ouders dicht bij elkaar. Word nu donateur van het Ronald McDonald Kinderfonds.

www.kinderfondsknuffels.nl

r voo lier mu For t! h c o z e g s e tj a a m eEenncadeau hoest Scnab n ellinge van kind tot kind 2009

Creatief

Al 16 ja schoe ar de nen actie doos voo schole r n

Met de actie Schoenmaatjes vullen kinderen in Nederland een schoenendoos met schoolspullen, toiletartikelen en speelgoed. De prachtig versierde dozen gaan naar leeftijdgenootjes in een arm land als een persoonlijk en concreet gebaar van betrokkenheid.

Educatief Voor gebruik op school, in de kerk, vereniging of thuis is aansprekend educatief materiaal beschikbaar waaronder (voor)leesboeken een projectkrant en filmpjes.

Gaat u mee op reis? Als u zich nu aanmeldt als contactpersoon voor Schoenmaatjes maakt u kans om zelf schoenendozen uit te gaan delen in een ontwikkelingsland. Kijk voor meer informatie op: www.edukans.nl/schoenmaatjes.

Doe mee! Geef kinderen de kans iets concreets te doen voor leeftijdgenootjes in ontwikkelingslanden en verras kinderen met een prachtig cadeau. Vul het aanmeldingsformulier in op www.edukans.nl/schoenmaatjes en doe mee met Schoenmaatjes. Dat kan van september tot aan de kerstvakantie. ES1116

Alle artikelen zijn onder voorbehoud.

OP ZOEK NAAR EEN BOEK? OP WWW. BOEKENZOEKER.ORG VIND JE HONDERDEN BOEKENTIPS!

Meer informatie? Kijk op www.edukans.nl/schoenmaatjes of bel met Edukans (033) 460 19 42.

september 2011

47


Orde hOuden

Orde hOuden in het

Orde hOuden in het

“Het is de twee de week na de zomervakantie het werkklimaat , maar in deze klas is indrukwekkend De leerlingen zijn . ontspannen en lijken het naar hun zin te hebb en. Hoe lang duur t dit, wanneer gaan ze rotzooien ? Niet dus, is Kney bers ervaring. ‘Leerlingen zijn allemaal gemo tiveerd om succ te zijn.’ ” (reda esvol cteur Monique Marreveld, Dida 9, 2010, pagina ktief 5). Niemand wil de afgang meemaken dat het op school niet lukt. Orde is de sleut el voor dit succes. Maar orde houden is moe ilijk. Zeker voor beginnende doce nten. Docent René Kneyber heef t een bijzo ndere aanpak die echt werkt. Wat Kneybers gehe im is, leest u in zijn inspirerende boek Orde houd en in het voort gezet onderwijs Boordevol eyeo . peners, praktisch e voorbeelden wetenschappelijk en onderbouwd. Kney ber gaat onder andere in op de eerste lesdag, klass enmanagemen omgaan met leerp t, roblemen, rege ls, visuele instructieplannen en straf fen. Orde houden? Iedereen kan het leren: de leraa r maakt het versc hil.

derwijs

vOOrtgezet On derwi

vOOrtgezet On

ORDE HOUDEN

js

René Kneyber (1978) is docent wiskunde aan het Oosterlicht Colle ge in Nieuwegein en oprichter van trainingsbure au Handelingsbru taal. Hij is specialist in klassenmanagemen t en geef t traininge n en workshops. Hij heef t een vijftal instr uctiefilmpjes over orde houden opgenomen die op Leraar 24 staa n.

in het vOOrtg ezet Onderwij s

rené Kneyber

www.didaktief .nl

IN HET VOORTGEZET ONDERWIJS

Didaktief Didaktief ONDERZO EK VOOR DE PRAK TIJK

VOOR DE PRAKTIJ K

‘Het is de tweede week na de zomervakantie, maar het werkklimaat in deze klas is indrukwekkend. De leerlingen zijn ontspannen en lijken het naar hun zin te hebben.’ (redacteur Monique Marreveld, Didaktief 9, 2010). Alle leerlingen willen succesvol zijn op school. Niemand wil de afgang meemaken dat het niet lukt. Orde is de sleutel voor dit succes. Maar orde houden is moeilijk. Zeker voor beginnende docenten. Docent René Kneyber heeft een bijzondere aanpak die echt werkt. Wat zijn geheim is, leest u in zijn inspirerende boek Orde houden in het voortgezet onderwijs. Boordevol eyeopeners, praktische voorbeelden èn wetenschappelijk onderbouwd. Kneyber gaat onder andere in op de eerste lesdag, klassenopstelling, omgaan met leerproblemen, regels, straffen en instructie.

Orde houden in het voortgezet onderwijs is er in twee versies. Een dikke voor wie zich wil verdiepen in wat de wetenschap zegt over orde houden èn praktische handvatten wil (paperback, 80 pagina’s, €12,50). En een light versie voor wie direct aan de slag wil met de praktische tips van Kneyber (brochure, 40 pagina’s, €6,95). Beide zijn uitgaven van Handelingsbrutaal & Didactief.

Prijzen Orde houden light Per 5 ex.: € 6,95 Vanaf 20: € 6,25 Vanaf 40: € 5,75 Vanaf 100: € 5,00

exemplaren van Orde houden in het voortgezet onderwijs (€ 12,50) exemplaren van Orde houden light (brochure met praktische tips) (€ 6,95) School Naam Functie Adres Postcode Woonplaats Telefoonnummer E-mail

Stuur de bon in een ongefrankeerde envelop naar: Didactief, t.a.v. orderadministratie, Antwoordnummer 17, 7940 VB Meppel

Prijswijzigingen en drukfouten voorbehouden.

 Ik bestel  Ik bestel


Didactief