Page 1

Verwonderd bedonderd, Bijzonder gedonderd, Bevrijd bekrompen, Bezopen bewonderd,

Verwonderd verward, Verweer verhard, Verlicht gelach, Benepen gedrag

Verwonderd gelaten, Verloren bepraten, Bewogen beloven, Briljant verlaten.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 1


Gewoon Zijn

Verwondering Is een bijzonder ding. Wie het onderging Weet dat schoon is Al wat gewoon Is.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 2


Verwondering Geproefd van een duizend liefdes, onmiddellijk verloren in al haar pracht, die eerste blik, die eerste seconde. Een lach, een glimps, gestolen en vergaard, niet begrijpend hoe dit alles verder is ontaard. Onbekend met dit eigenste moment, en in het duister over elk volgende dat komt aangerend.

Geproefd van een duizend lippen, verdronken in die ogenpracht en de waterval aan woorden, versmacht en verloren in dit vreemd gevoel, herboren worden als ontdekkingsreiziger, dat is mijn doel. Klaar voor de verkenning van dit compleet nieuwe continent. De geuren en kleuren van dit vreemde sentiment, niets leek nog echt te zijn, daar was het dan, die eerste liefdespijn.

Geproefd van een duizend dromen, alles voor een tweede maal verkennende, met men eerste stappen terug de wereld in rennende. Een lach en een eerste zachte streel, men ogen sluitende voor die eerste verstomde schreeuw, een en al betovering en ik ben haar eerste verovering.

.....

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 3

1/2


Geproefd van een duizend verhalen, elk vroeger moment vergetende, plaats makende voor het alwetende. Het epos vers geschreven met elke nieuwe ademteug, de mythe omgezet naar werkelijkheid, iets waarop ik mij werkelijk verheug. Alles wordt mogelijk in dit eigenste moment, waarom word ik toch o zo verwend?

Geproefd van een duizend woorden, geen een meer klaar voor dat eerste fragment. Alles opnieuw lerende, in de flits van die ene kus, meer dan enkel het fascinerende. Het aanstormen van de werkelijkheid met die ene hoefslag, voelde ik eindelijk men eerste hartslag.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 3

2/2


Waar in het bladerdek

Mijn hoop sloop in het bladerdek haar te vinden vreesde ik dat zij haar lied bracht en nooit hetzelfde was

In mijn jas broedde het die afgeschilferde knikker hem bewaren kon ik niet zelfs niet in veelvoud

De wind hernam het nest ontvlocht haar hart tot ritsen negatieven – het begrijpen leerde ik

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 4


Hemelvaart

Graag twee vleugels die me hoger dan de wolken brengen, schreef ik hunkerend, om straks bij U te komen wonen, Sint. Die ochtend, wauw! Er lag een prettig vlieg-nu-zelfpakketje met apart verpakte pluimen bij de schoorsteen. Ik begon

de fladderstukjes in elkaar te passen, volgens heilig plan. Zorgvuldig werden arendsveren ingenaaid, om snelheid aan mijn vlucht te geven. Eens het laatste dons gekleefd was, bond ik beide afgewerkte vleugels aan mijn schouders vast.

Zo kwam ik los van aarde, zweefde waar de lucht me lichter tilde dan de zon. Hoe stralend lagen speelgoedboerderijen tussen diepe akkers. Deze wereld draaide verder (z)onder mij: verzwakt geblaf, gezwaai van iemand die ik lachend achterliet.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 5


Verwondering Opdat ik verwonderd ben door de energie die ik voel stromen door mijn lendenen, Kijk ik omhoog naar de hemel en bewonder U, O, Sterre, Opdat ik verwonderd ben door de ademstroom die ik mijn longen voel opnemen, Voel ik de pijn van uw verlies, O. Sterre, Alles heb ik ervoor over om je weer te zien, om je warmte te voelen, Om je geur te ruiken, Om je huid te voelen,

Opdat ik verwonderd ben door je afwezigheid, terwijl mijn gedachten ĂŠĂŠn zijn met jou, Waar ben je dan? Weet iemand het antwoord? Ik voel dat je dichtbij me bent, maar je bent zo ver. Alles heb ik ervoor over om je stem te horen, je adem te voelen in mijn hals. Als je naast me ligt te slapen. In gedachten zie ik je lopen door mijn tuin. Je kijkt naar de nieuwe bloemen en ruikt de schone geuren

.....

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 6

1/2


Opdat ik verwonderd ben dat jij niet terug komt, Dat jij in dat andere land bent, waar de taal anders is, waar zijn iets anders betekent, daar, Daar wil ik zijn met jou, maar mijn taken zijn hier nog niet klaar, Jij zult als geen ander begrijpen dat ik jou los moet laten, dat ik daar geen keuze in heb, Ik vertrouw op jouw begrip, om op een dag wel bij jou te kunnen zijn, En dat jij tot die tijd, mijn verwondering begrijpt, als ik boven mijn Vliet een regenboog zie en in tranen uitbarst. O, Sterre.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 6

2/2


Sprookje

Je beeld vervaagt in mijn herinnering Lost op in witte mist. Zoals jij tussen De lakens van het veel te ruime bed.

Je ogen vragen: kom jij me halen Neem jij me mee? Vandaag ben ik De sprookjesfee. Ik draag je mee

Op mijn vleugels. We dansen op Waterlelies. We fladderen door De nacht. Alleen de maan kijkt toe

En lacht.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 7


Hou niet van me

Het kleine meisje klauterde over de grenzen van de liefde. Haar hart was ze toch al lang verloren. Ze baande zich een weg door de tranen, scheurde duizend zoenen, bevrijdde zich uit elke hartstochtelijke omhelzing, vertrappelde elke liefdesverklaring, alle zeemzoete herinneringen sneed ze weg.

Om te vinden wat er van haar was overgebleven, niets.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 8


grote ogen en oren de constante van de tijd maakt ons tot stofdeel. zij die ons voorgaan stemperden ons pril leven - hoe was het morgen - hoe zal het gisteren zijn? ik lees ende luister in golven en vlagen.

rond heertje Constantijn bouw ik erehagen voor zijn Den Haagsch profiel dat mijn iris bezingt en zijn koren-bloemen die ik graag bevochtig als blauw zich aan rood van klaprozen overgeeft.

maar bovenal grijp ik in nood naar zijn noten die mij ruwe rust en blije klaarheid brengen wanneer een schone mensenstem de kiesheid vindt om mijn oren naar een gouden eeuw te leiden. ♪

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 9


Herfstwind

Hij streelt de bomen en mijn haren, speelt met takken en hun blaren. Als hij z'n fluisterstem laat klinken, doet het mij in spinnerij verzinken.

Een zachte bries laat wolken varen, doen mij dromen en bedaren. Zie gras en graan daar zachtjes golven, onder een diepe zucht bedolven.

Hoge bomen nijgen traag en statig, hun ontzag voor de wind is maar matig. Gedachten dwalen, ver van mij, als wolken aan het zwerk voorbij.

Plots waart hij rond, de razende rakker, Zweept de golven op tot ruwe zeeĂŤn, Water, wolken, bomen schudt hij wakker. breekt menig schip finaal in tweeĂŤn.

.....

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 10

1/2


Hij teistert duin en kusten, en botviert daar z’n lusten Balt zich samen tot een hoos, nietsontziend, meedogenloos. Als ik er niet op ben bedacht, rukt hij aan mij met volle kracht.

Als hij huilt, sjor alles maar vast, dan is 't echt, lijden in last. Als ie buldert ist een orkaan, berg je maar, je gaat eraan !

Uitgeput legt hij zich neder, 't wordt stil, de rust keert weder. De onzichtbaar, ongrijpbare dwingeland, vlucht ijlings weg naar 't achterland.

Of was 't Gods adem, die alles beroert...? Zijn hand, die ons naar 't eeuwig mysterie voert...?

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 10

2/2


Verwonderingen

Ik bewandelde geen overwogen wegen maar verzonnen en spontane paden waar verhalen naar dieptes daalden en naar bevlogen hoogtes stegen

ik bevoer de onzichtbare zeven zeeĂŤn waaruit onbekende rivieren waadden daar bevocht ik omstreden idealen en ontstonden de illustere ideeĂŤn

smachten naar de utopie in gedachten geschapen waan die blijft boeien ontdekkingsreis waar nog onbeschreven verwonderingen vloeien

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 11


Verwondering

woord dat de eeuwen trotseerde en zich handhaafde in tijden van oorlog en geweld veilig geborgen achter muren in duistere gangen wachtend op het moment dat het zou worden ontdekt door het nageslacht verwondering... woord ons geschonken door Constantijn Huygens in zijn prachtige gedicht over Delft dat ik als een kostbaar kleinood zal koesteren

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 12


Buiten zinnen

Een amper waarneembare uitstulping, meer is het aanvankelijk niet. Maar als sneeuw en ijs verdwijnen, evolueert het tot een volgroeid blad, omkaderd door grillige lijnen.

Met ontelbare soortgenoten hecht het zich aan een houvast biedende tak. Een vinnig voorjaarsbriesje trotseert het met speels gemak.

De natte zomer kleurt het landschap groen. En groen is ook het kerngezonde blad. Met behulp van water en zonlicht zuigt het zich helemaal zat.

.....

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 13

1/3


Tot nacht langer wordt dan dag, En de zon zich steeds vroeger te ruste legt. Groen verandert in geel, bruin of rood. Kleuren van een naderende dood. Een noordwester wordt het blad fataal; in ĂŠĂŠn nacht onthechten ze zich allemaal.

Krom gebogen treurt moeder tak om haar half jaar jonge kind, dat wanhopig dwarrelend een laatste rustplaats zoekt; speelbal van de wispelturige wind.

Een gecentimeterd gazonnetje lijkt geschikt voor een vredig graf. Maar daar komt de tuinman nog even het blad harken, pas dan is het helemaal af. Op een composterende hoop eindigt voor het blaadje de levensloop.

.....

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 13

2/3


Edoch, sneeuw en ijs doen wederom hun intrede. Kinderen vermaken zich op een houten slede. Moeder tak heeft haar verdriet verdrongen. Nieuwe uitstulpingen zijn inmiddels begonnen. En ook van haar mag alles opnieuw beginnen. Dan…, brengt één blaadje haar bijkans buiten zinnen. Ze herkent het aan de karakteristieke kartelrand. Voor haar is het zonneklaar, een nazaat van de oogappel van vorig jaar!

Vol toewijding voedt zij haar allerliefste kind, groener dan groen. Totdat ook deze keer de herfst begint. Moedertje tak, selectief van geheugen en ook een beetje naïef, neemt de kortere dagen maar voor lief…

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 13

3/3


Dansen

Als ochtendzon zijn stralen bewaart. Het wit van de maan, verdrinkt in nachtelijk zwart.

Wanneer sterren hun vallen vergeten en laten. Zal verwondering dansen en de aarde in stilte achterlaten.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 14


Ode aan een enkele blik

Ik kijk omhoog naar je raam, vergat mijn viool, toch zing ik met onvaste stem een lied, omdat ik moet, omdat ik moet,

over die ene blik waardoor de film van mijn leven voorbijflitst als een spel van angst en pijn, maar een kinderspel.

Het is die blik waarmee je moet proberen om de mijne te vangen, lees dat al je moordenaars faalden.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 15


Verwondering

Je ging niet je schreed zo onvergetelijk als nooit en zo mooi als het bericht dat de dood was overleden. Je leek jonger dan het heden en je voeten fluisterden naar afstand jouw zoompje hangen en van verwondering liet ik slechts stilte achter maar jij vertrok zoals jij alleen dat kon afscheid nemen met de warme sfeer van blijven.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 16


Verwondering

De dag licht op, duurt nachten lang, dingen liggen stil te wachten tot het nadert,

het kind, dat moeder maakt en vadert en alles andert in een oogopslag, het kind,

zoeven nog geborgen en zonder naam, is als een vloedgolf in de tijd gedreven.

Hulpeloos en klein wondert het ogen, tedert handen en ankert leven.

Voorzichtig zingt zij een wiegelied en hij, zo vreemd ontroerd, zwijgt en ziet.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 17


Verwondering

Ieder moment Iedere ademhaling Iedere lach Iedere traan Ieder woordje Iedere stap Iedere dag dat je er bent Mijn zoon wat een verwondering dat ik je ken

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 18


Zoete vragen

De jongen slaapt onrustig in zijn bed Als door het open raam Vanuit het niets Geklapwiek naar zijn oren jaagt

Geschrokken schiet hij overeind Gedachten zijn nog dromen

Hij draait zich om En schuift de zware stof van het gordijn opzij

Hij wordt gegrepen door het wonder

Die verre wereld daagt hem uit en plaagt en tart Tot hij weer rustig is en loom En met een zalig vraagstuk Terug in zijn lakens glijdt

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 20


vallende lichamen

ik vermoed de oorzaak van het licht van de zon de doordringbaarheid ervan

de verbazing van de aarde niet gehinderd door het vallen van de maan

holle deeltjes oneindig sterk die het luchtruim vullen

niets merkt men van de beweging der materie die zwaarte veroorzaakt

gaat door de poriĂŤn van alle lichamen die wij kennen wat onze handen voelen

de wervels van Descartes lege ruimtes uitgestrektheid in essentie

.....

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 21

1/2


hemelmaterie moet ijl zijn het licht verspreid in rechte lijnen

daalt het lichtste veertje met dezelfde snelheid als een loden kogel neer

alle lichamen die vallen of geworpen worden verre sterren naar mijn ogen

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 21

2/2


foto's: dichter

Verwonderd Even stilstaan Ruiken, horen, zien Wandelend in de natuur Om mij heen Nog zijn er vogels Die zoeken naar wat voedsel En Raak niet uitgekeken In het winters bos Neem dit met mij mee Ga naar huis en ben tevree 'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 22


Foto: Jennifer van Triest

Verwondering

Gezwollen liefde Opengebarsten Van ontroering Onomkeerbaar In vervoering Door de ogen van een kind Voelde het niet eerder De bewondering voor De verwondering In de ogen van een kind

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 23


Bevreemding

Verstikt Door een slinger van geluid Die ik zelf had opgehangen Met plezier Ga weg!

Het had mij in bedwang Gevangen in een notenbalk Achter een notenbalk Ik kom er niet meer weg Ga weg!

Blijf bij mij Het mooiste stuk van de avond Ben jij De baas over mijn gevoelens En ik jouw bediende Ga weg!

Onbegrijpelijk Hoe ik mij vastklem Aan de slinger die ik opgehangen had Terwijl ik nog lang niet jarig ben Op deze manier Blijf bij me.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 24


Hoe ik de Speciale Relativiteitstheorie heb leren begrijpen (voor S.)

Ik steek mijn hand uit en het wonder geschiedt: De toekomst is er. Ik denk dat ik de ruimte inloop maar ik loop de toekomst in.

Zo wil ik leven in het wonder van vernieuwing. Zo wil ik je kussen, die mijn toekomst is, elke dag.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 25


De Jonge Darwin Verwondert Zich Over de Dieren En Schrijft In Zijn Dagboek

1. Een konijn is nog geen haas En een haas is geen konijn, Wat je vast nooit heeft verbaasd Omdat het andere beesten zijn.

Een konijn heeft lange oren Maar zijn staart is juist heel kort, Want daarmee hoeft het niet te horen, Het zit erop voor zijn comfort.

Een konijn maakt rare sprongen En rent sneller dan een trein. Een konijn krijgt heel veel jongen Hoewel veel jongen meisjes zijn.

.....

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 26

1/4


2. Melchior, het oude paard, Was volkomen van de kaart. Staart en manen had hij niet En dat deed hem veel verdriet.

Om hem te troosten gaf de boer Hem een pruik van rood velours Opgesierd met bloem en plant Hooi en stro en witte kant.

Nu loopt Melchior weer blij Met zijn haarbos in de wei. Hij is trots en heeft niets door Dus als je 'm ziet, niet lachen, hoor!

.....

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 26

2/4


3. Een worm zonder naam (Ik noem hem maar Fred) Lag onder mijn raam (En ik in mijn bed).

Hj kroop in de grond (Ik onder de wol) En verdween toen terstond In de maag van een mol.

.....

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 26

3/4


4. Ik had een goudvis in een kom Die steeds alleen maar rondjes zwom Van links naar rechts en andersom.

Soms ging hij op, soms ging hij neer, Soms trok hij baantjes heen en weer, Soms deed hij sprintjes als een speer,

En als hij in de stemming was Dan blies hij bellen tegen 't glas En sprong hij uit zijn waterplas.

Zo ging zijn leventje voorbij Zonder dat hij ooit iets zei, Gelukkig met een mierenei.

.....

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 26

4/4


5. Een papegaai van honderd jaar Die van z'n leven niets gezegd had Begon te spreken, en ziedaar! Het Woord waarop de Mens gewacht had.

"De Wijsheid die ons redden zal Van oorlog, honger, pijn en nood," zei hij, "die 'k nu onthullen zal— Te laat! Mijn hart!" Het beest viel dood.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 26

5/4


De man op de brug Ik herinner mij nog hoe het was, in Parijs. Een koude winter, glinsterend door ijs. Hoe ik op een brug liep en genoot van wat leek op een zee, Hoe ik keek naar een vrouw, en het kind met haar mee.

En toen ik daar langs het grauwe water liep, mijn ogen gericht op het donkere diep, Kwamen mijn voeten een bos bloemen tegen; Wat lelies en een roos, die lag alsof hij sliep.

Een leven genomen door de machtige Seine, een persoon letterlijk verdronken in zijn verdriet. En als mijn ogen loskwamen van het eeuwige deinen, vielen ze op een wandelende man, en hij lachte niet.

Mij tegemoet komend- niet anders dan anderen, en een zekerheid in loop die niemand leek te veranderen.

De eenzame man met zijn donkere jas.. Maar mij viel al op dat hij anders was. Zoals hij de gezichten van anderen lasOf iedere keer teleurgesteld keek, alsof iets niet goed aan was.

.....

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 27

1/2


Zonder mij te zien stopte hij bij een rand. En het enige opvallende de brief in zijn hand. Met "moniseur- excusez-moi" sprak ik hem aan, door instinct gedreven, door instinct gegaan.

"Ik gun u een lach, een warme en fijne. oh, en als u niet kunt lachen, geef ik u de mijne." Mijn frans was niet perfect, maar hij had me verstaan.

De man keek me aan met een pijnlijke blik. Daar in zijn verloren ogen was een reflectie- was ik. Was mijn weg langs de brug, met het golvende water, was mijn pad naar beterschap, en nieuwe dromen voor later..

En als hij me aankeek, gaf hij me zijn brief. -Glimlachte even, draaide zich om, en liep weg met een laatste "alstublieft" zijn nu glimlach en "merci beaucoup!" verdwenen van de brug. En mijn ogen schoten vol verwondering van het vel naar hem terug.

Dat vel met papier, de woorden maar zeven. "Als iemand tegen me lacht, zal ik blijven leven."

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 27

2/2


mijn tantes

mijn tantes ’t zijn net feeÍn altijd goedgezind ze helpen je mocht dat nodig zijn sterk gaan altijd door dragen make-uptasjes net als mijn moeder verzorgd zijn ze maar bovenal echt en daar voor jou het leven toegewijd

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 28


het nachtkonvooi ver na middernacht stopte ik voor de geopende brug waar schepen voeren met staande mast ontstoken licht in optocht langs de binnenstad de brugwachter erboven

als tangodansers gleden zij geduldig wachtend op hun beurt en na die pauze mochten ze verder zeilen op weg met onbekende bestemming

wij bleven achter stil getuigend van deze tocht niet wetend waar die eindigen zou hoopvol verlangen dansende golven

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 29


worden als een kind

wij speelden op de fluit maar jullie dansten niet wij zongen ’n klaaglied maar jullie rouwden niet je hart zo onbewogen en je gevoel verborgen het verstand overheerste nooit echt jong geweest verwonder je onbevangen over de machtige schepping de wisseling van kleuren het mysterie van je leven doe toch met ons mee en werp ’t volwassene af wees speels onder de zon en word als wij die ’t mysterie volkomen met ons gevoel begrijpen die heel goed snappen dat er meer is dan je kunt waarnemen en beredeneren

[naar mattheus 11 : 17]

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 30


het wonder van het leven

de dood sterft in dorre grond onbegrijpelijk leven reikt naar de zon

vogels jubelen hoog in de prille ochtend van de eerste dag wonder van 't woord

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 31


breekbaar

het leven brak door in sterke broosheid

bedekt mysterie van den beginne

de herinnering blijft in vergankelijkheid

opgenomen in de kring van een eeuwig wonder

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 32


het prille begin

en toen waren er twee ritmes ‘t mysterie van de eerste toon de beginklop van jouw hart samen in een zachte warmte

eens samen een lichaam nu een zichtbare band later onafhankelijk en fier ‘n hart ook voor anderen

een geschenk van je moeder ‘t geheim van onze schepper een lieflijke witte bloem die bloeit voor ons allen

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 33


Informatiedichtheid

Zojuist heb ik de tijd stilgezet Had geen zin meer om te rennen Mijn informatiedichtheid stond op exploderen Nu is het tijd om even de sterren te exploreren Eén voor één neem ik ze waar Vol verwondering Als er eentje valt, doe ik een wens Dat de klok zich voortaan aanpast Aan mijn innerlijk bestaan Ik zou iedere dag buiten sluiten Met Sisyphus staren naar de sterren

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 34


Crisis

Ik kijk om me heen Voel me overdonderd Nog drukker dan voorheen Ben erg verwonderd Hoe kan dat nou? Mensen met volle tassen Ik bezie het gesjouw Zoveel geld verbrassen De terrassen zitten tjokvol Vol lachende mensen Het maakt me horendol Ik kan ze wel verwensen Ik vraag me nu echt af Of er wel crisis is Dit is toch al te maf Of ben ik nu vol scepsis

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 35


risus sardonicus

in manden van wilgenteen zwemmen goudhaaien hun bekken vertrokken in een sardonische grijns de visser grijnst terug zijn lippen in verwondering gekruld dat het lot hem ruim heeft bedacht sabeldier en strohond vechten om lever en hart gesneden uit de kadavers van des keizers ontrouwe vazallen van hun hoofden ontdaan hun lippen in verbazing gesloten en dichtgenaaid geen mens vraagt zich af waarom goudhaaien en ontrouwe vazallen visser en strohond of sabeldier hun armtierige lot niet konden ontlopen

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 36


De vliezen zijn gebroken! Zover mijn blik reikt loopt het eenzaam pad waarop mijn lot bestemming vindt.. De adem hijgt op het tempo van mijn pas. Groen blad spant boven mij , vol kracht uit knellend hout ontknopt Daartussen sprenkelt ochtendzon aarzelend voor mij alleen? haar stralen uit op het naakt beton. De bodem gist, kruidig geurt het kiemend zaad. Warm sap ontstijgt aan aarde. De vliezen zijn gebroken ! En als ik het pad mijn blijdschap wil verklaren door de aanhef van een lied ,pak je mijn hand. Ik hoor je stem .Verpakt in zinnen verheffen zich gedachten loos van elk gewicht Ze zweven in de lucht waar jouw naakte woorden fluisterend versmelten tot gedicht. Dan laat je los, ik schreeuw, ik val Ik leef! En snak verbaasd naar adem Als een pasgeboren kind.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 37


De hemel voor mij alleen

In de krant een schitterende foto van Hale-Bopp. Veel mooier dan in het echt dacht ik. Totdat ik de komeet zie met eigen ogen. Hale-Bopp zo helder als wat in de laatste schemering van een vrieskoude dag. En de hemel voor mij alleen. Er zal maar iemand roepen dat de ster een teken moet zijn.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 38


In een ander licht

In een raadselachtig avondlicht zijn de dingen opeens anders en zijn de mensen opeens anders de mensen die de dingen altijd anders zagen dan ik ze zag.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 39


Maanwandelen

Goed dat er zwaartekracht is anders zouden we ten hemel stijgen bij het minste hupje. Of ten hemel stuiteren zelfs bij een ongelukkige struikeling over een wel erg los zittende stoeptegel.

Zwaartekracht bindt ons aan de aarde houdt de dingen op hun plek.

Maar soms drukt het zwaar.

Wanneer de dingen lichter waren zou ons gemoed dat ook zijn. Kijk alleen al naar onze tred we gaan als onder regen gebukt.

Met een kwart van de zwaartekracht zou de wereld er anders uitzien.

.....

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 40

1/2


Wij zouden ons verwonderen over de regen die bleef hangen in de lucht. De druppels zouden zich hechten aan dwarrelend bloesemblad dat toch al niet van vallen weet.

Alles steeg boven zichzelf uit. Struisvogels fladderden uit hun ren een wesp vloog op met peer en al en vlinders van nog geen gram waren als een waaier zo groot.

Wij mensen hoeven niet te vliegen. Het volstaat om bij elke stap een paar tellen te zweven.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 40

2/2


Pinstoring

Onrust in de rij als de stroom uitvalt is je geld niets meer waard. Een man komt aangelopen met twee briefjes van vijftig ‘momentje’ zegt de caissière wanneer een vrouw vraagt hoe lang het nog duurt. De man met de briefjes van vijftig draait zich plotseling om naar de wintertuin. De zon probeert het door een glazen koepel in het dak wordt een ladder neergelaten. De caissière staat op deze kassa gaat sluiten.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 41


Leuk

Een vrouw doet een brief op de bus een handgeschreven liefdesverklaring of een afscheid op papier misschien. Zonder om te kijken loopt ze verder een pas of twintig voor mij uit ik probeer haar aandacht te trekken. Met mijn nieuwe Reality App maak ik de grijze hemel groen en de bomen blauw. Leuk. Ik zoek nog naar oranje woorden.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 42


Zeus' loting om de ring.

Saturnus,

die kwam van vijf lichtjaren ver,

won de ring,

niet Jupiter.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 43


De kleine strandjutter.

Boven worstelen de golven botsen en stoten op elkaar wijl in de diepte vrede heerst als draken met gewitte koppen spuwen ze op 't zand van de kust een weinig luchtig schuim om dan rustig terug te vloeien zoals de dag doet in de nacht

het spelend kind een schuimvlok in zijn handjes ziet snel vol verwondering dat het slechts twee druppels water heeft gejut en lacht.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 44


Hofwijcks meerkoet

De felle zon nipt uit Hofwijcks diepe gracht. Een zwarte meerkoet draait Tussen groene slierten zijn eenzame wacht. Hoe vredig oogt dit stille waterlandschap. Tot Onverwachts, Het drijvend zwart, trappelend vlucht met geluid van neerpletsende regen 0ver het open watervlak tot aan de eeuwenoude slot muur, waartegen, op het nest, zijn broedend vrouwtje roerloos wacht.

Cirkels trekkend rond haar nest, waarin de warme eierschalen breken, voedt hij nadien zijn levendige spiegelbeelden.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 45


Zin van inkt

Onnavolgbare fascinatie Vliedend naar alle kanten Leonardo da Vinci

Zijn notitie:

De zon staat stil

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 46


Slaap

Ga maar gaan slapen voor je het weet is de avondzon getuige.

Van jouw verrijzenis, omdat de dag te licht is.

Dus waak maar over de dansende sterrenpracht.

Zacht is de ochtendstond.

Je loopt door de lege melkwegstelsels en vergeet te ademen.

.....

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 47

1/2


De goudbrasem is dof en zonder enig lof verzilvert hij jouw gemoed.

De zon komt op als bevroren klimop behoed jou voor een kop koffie.

Schenk je glas in, kolkend genot en leg je neder.

Slaap.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 47

2/2


Jij

jij voelt jij voelt mij jij voelt mij aan jij voelt mij aan de tand en zegt dat ik moet kiezen wie ik ben

tegenstrijdige gedachten maken zich van mij meester heen en weer word ik geslingerd tussen ideaalplaatjes en beperkende overtuigingen verwarring…….

allerlei emoties schieten door mij heen tussen nietswaardigheid en hoogmoed slinger ik heen en weer knoop in mijn maag……..

.....

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 48

1/2


teruggeworpen word ik in de leegte van niet- weten waar angst en machteloosheid op mij loeren maar dit keer blijf ik waar ik ben ik verduur en verdraag en als ik het niet meer uithoudt verdraag ik en verduur

dit moet de nacht van de ziel zijn maar ik blijf en in mijn vastberadenheid te sterven wordt ik opnieuw geboren de klem die mij dooddrukt verruimt zich en een weldadige troostende stilte omhult me, vervult me zachtaardig en liefdevol

jouw hand op mijn arm ‘ik ben een andere jij’ versta ik het goed?

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 48

2/2


Het tij keerde

de brug over onoverbrugbaar gevonden toen ik ophield met zoeken

eenzaamheid in de ogen gekeken wanhoop laten zijn

gedachteloos doorademend liet ik gaan wat wilde lossen en verwelkomde ik wat kwam

en zie : het tij keerde

als vanzelf en moeiteloos werd ik gevonden

barstte de knop open bloeide de bloem

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 49


Maanfasen

neerwaarts keek hij nietswaardigheid alles wat hij zag somberman

geen sprankel of dartel alles zwaar en traag niets dan vleugellamme gedachten in de muil van Zwaartekracht vermalen tot wanhoopsbrij

de lucht van zwaveldampen steeg op uit het moeras van zijn zelftwijfel geen verzachtende omstandigheid gaf hem als stapsteen vaste grond onder zijn voeten

.....

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 50

1/2


hoe bestond het toch dat hij elke nacht alleen maar droomde over vlinders en licht lammetjes en lente fonkel en schittering spelen en delen spontaan dansen en zingen hoop, geloof

en liefde gehuld in de zoete geur van damastbloem en jasmijn

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 50

2/2


stilte oog van de cycloon woonplaats van het onzegbare klankschaal van het woordloze waar het hart van gelukzaligheid in ontzag en met verwondering klopt waar vrede en vreugde heersen verheven wijsheid en zuiver zijn in kalme zekerheid in stilte

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 51


Ogen van verwondering

Lopend Rennend, zwierend Door weiden Huppelend Springend, dansend Haar jurkje groen van gras en vegen Verder Steeds verder van huis Een bloem hier Een steen daar Water Haar ogen keren omhoog Midden in de grote plas Beschermd door het zachte water Een huis zo mooi Zo groot en sterk Hofwijck, de plek van haar dromen

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 52


De wind

Wind Het redt me Het keert me Laat me voelen dat ik leef Laat me horen hoe ik denk Laat me weten wat ik wil Wind Maakt me kalm Maakt me wild Maakt me stemmen doen horen Stemmen die ik mis Weet wanneer het stoppen moet Weet wanneer het beginnen zal Verwoest Leeft Een kracht die het meeste geeft Verwondering

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 53


Waterglijbaan

Langzaam glij ik Galm in mijn schelp Steeds sneller Het holle geluid van rood plastic Klam Benauwd Maar fijn Wanneer stopt het Wanneer is het moment daar Een spiraal van dromen Een wokkel van plezier Spanning De grootste waterglijbaan Die ik ooit heb gezien

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 54


Wonderbaarlijk

Hij vliegt Hij vliegt echt Grote ogen Pupillen groeien langzaam mee Haren overeind Want hij vliegt Een glimlach vaart Naar een grote brede grijns Schaterlach Wow! Hij vliegt! Handen hoog in de lucht Springend Volgend De vogel Met de gebroken vleugel Vliegt

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 55


De hanger van mijn moeder

In mijn hand Warm van mijn warmte Plakkerig van mijn tranen De hanger van mijn moeder In mijn hand Elke dag heb ik het beet Het ontkomt er niet aan Stevig vast In mijn hand Het vasthouden van dit object Is het vasthouden van tijd Tijd Die mooie Die gekke Die warme Maar vooral snelle Tijd Waar ga je heen En waar nam je mijn moeder mee naartoe Tijd, ik heb je vast Voor even De hanger van mijn moeder

(Dit gedicht is gebaseerd op het overlijden van de moeder van Christiaan Huygens toen hij 8 jaar oud was)

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 56


Hoe

Hoe Hoger hoger hoger Ik ga Hoe Dieper dieper dieper Ik val Hoe?

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 57


Etalage

Twee glinsterende oogjes Klein en verwonderd Neusje en beide handjes plat Op een inmiddels beslagen ruit Vingertjes gespreidt Al het gewicht op de teentjes Pupillen verstellen van scherpte Lichtjes vervagen Bij het zien van zoveel moois Een ruk De hond wil verder

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 58


Constante herinnering

Hij waart weer op zijn Hofwijck rond over zijn bekende grond verweerd door zonneschijn en sneeuw na drie en een halve eeuw

Toch voelt hij zich meteen weer thuis want zijn zelf ontworpen huis werd niet door zijn dood verstoord is nog steeds een toevluchtsoord

Maar hier hangt ook het verdriet zijn Sterre die hij vroeg verloor woonde hier op Hofwijck niet

Nu ziet hij tussen struiken door de stervorm die hij achterliet zo gaat zijn liefde nooit teloor

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 59


Beste Cees

vanavond na het diner ontdekte ik, door mijn nieuwsgierigheid, dat de inhoud van een flesje pils (het 30 cl. formaat) royaal past in een lege wijnfles

natuurlijk heb ik toen meteen geprobeerd of de inhoud van een wijnfles ook in het pils-flesje paste

maar nee hoor: dat paste niet

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 60


Groeten uit Happy Land* (in plaats van kaarten)

Een sloppenwijk. Het vrolijk polychrome bedriegt: wat hier op stelten balanceert, heeft de tyfoon nog pas gedecimeerd; wat wind liet werd door water meegenomen.

Maar nauw voorbij de storm, de modderstromen – de doden en vermisten koud geëerd – zijn plastic, plank en plaat gehergroepeerd; bijeengepuzzeld tot nieuw onderkomen.

Een ansicht waarop nooit een stip verandert. De glimlach niet, de vruchteloze hoop, de vliegen, ratten, rook, de gore lucht,

de vuilnisdiarree die, overbrugd door catwalks, als een dodelijke stroop veelkleurig naar Manila Bay meandert.

* Happy Land is een sloppenwijk in Manilla, Filippijnen. De wijk werd in amper vijf weken tijd vol geraakt door drie opeenvolgende tropische stormen.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 61


Panorama Mesdag

Al vaak heb ik het Seinpostduin beklommen, van binnenuit, maar niet om die kopie van ooit: het strand met de geteerde bommen, het duindorp van de zwarte vissers die er Vrolijk heetten. Nee, om de magie: de verf is uitgehard, ik weet het, maar is niet dat ezeltje, dat hondje daar, de paardentram, zijn niet de meeuwen boven het Paviljoen von Wied sinds vorig jaar seconden langs de cirkelbaan verschoven?

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 62


The narrow path In times of woe when darkness dooms and fear invades, both hearts and rooms There are those who flee and hide; shivering shadows in the night There are those who tremble more who’s minds become both vail and poor And then there are the ones who spread their wings like eagles, and they let nor hate or fear rule hearts and minds Instead they recognize the signs

of needs and ways beyond the scope; of power that combines with hope; mighty power yet so mild. In their eyes a faithful child. that child resides with lions roar, with sizzling whispers of snakes once more They find a path both bright and narrow, yet they doubt it. Still the swallow in darkest hour leads way and men It whispers softly: Yes, we can

(This poem is inspired by Adam Kahane and the film Elizabeth, the golden age. Both made me think how powerful and courages people can be when they keep in touch with wonder, hope and vulnerability. In trying circumstances those qualities of the soul seem to be fuel for wisdom and strength. That in itself was wonder to me. Because the inspiration came to me in English, the poem came out in the same language.)

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 63


Avond

Wijdvertakt graven takken zich in lucht en kalen silhouet af tegen licht dat sterft niet keert weer dag wordt na nacht en duisterheid

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 64


Fair you are in wind and sun fairer than a tale You reach my heart and break it down till only awe remains

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 65


Afbeelding: schilderij van Torcque Zaanen, met zijn toestemming.

Ode aan een clown Vlindervlug door witte vingers klinken klanken vogelzang

Rode neus en dito wangen dansend hart; nooit meer bang

Als je dan mij kan vangen en weer keren naar het licht is de glans die mij betovert liefdevol op jou gericht

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 66


Winterstilte

Zomer is herinnering Herfst een vers gedicht Winterstilte daalt in grijs bevangen licht

Ingehouden adem Het witte wachten rust op daken, weiden, vogels Onstuimigheid gesust

Verzonken stille wereld Belofte koud bedekt In de stilte groeit wat straks de zon warmhartig wekt.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 67


Volle verwondering Ik hoor het stemmen van de sterren, de klanken van de nacht, het orkest van de hemel,

Ik hoor het weerklinken van de nacht terwijl de sterren mij omarmen en één naar mij lacht,

jij bent daar, één van onze sterren, waarvan wij afstammen, ik hoor ze spreken over jou,

en kijk naar het kwartiertje van de maan, en de schaduw van haar volle verwondering.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 68


Denktemperatuur Daar hingen ze, op klank gerangschikt, aan mijn hersenpan.

Met blauwe handen sloeg ik ze aan.

Alleen de zuivere, dat wel. Van de valse bleef ik af.

Die dag bij min vijftien, toen niet alleen mijn vingers en mijn fietsslot,

maar ook mijn gedachten bevroren.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 69


ik heb een dagboek gekocht en laat het op tafel liggen tussen onbeschreven woorden, zinnen - ontelbare letters maken zich klaar voor een opmars

Een kop koffie dempt de stille kreten van de splinters

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 70


IdeeĂŤnvenus

Gedachten die als dolfijnen keer op keer met en tegen de stroom op en neer buitelen en tuimelen over elkaar

geen rust

Wilde schuimtoppen wellen op en spatten open in de gedachtestroom‌

Hoezee!

De geboorte van

een nieuw idee!

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 71


Paar op den boerenbuiten

Er was daar eene paar op den boerenbuiten… Ze werkten van d’eerste vogelfluiten tot de donk’re lucht ’t veld te rusten kuste.

Er was daar eene paar op den boerenbuiten… Vlijtig in de weer: ’s zomers in de zonne, ’s winters, wanneer d’er niet veel werd gewonne.

Velden, akkers met zorg en liefde beploegd, heerlijk geurend fornuis waarachter werd gezwoegd. Lieflijk tafereel, gezellige haard, al met respect voor moeder Aard.

Er was daar eene paar op den boerenbuiten… Vruchtbare akkers, vruchtbare schoot… Dank aan ’t paar dat ons dit (h)eerlijke leven bood!

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 72


Winter Stilte aangename kilte de wereld is voor een poosje vacuüm getrokken van leven zelfs de razendsnelle realiteit wordt even de kiem in gesmoord.

Warme winterweelde die ons als geen ander o zo rijkelijk bedeelde witte vrede dekt ons toe met haar koele mantel der liefde.

Feeëriek tafereel een magisch sprookje, een meesterwerk, een ijskasteel… “Ik voel me zo [intens] gelukkig in de eerste sneeuw.”

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 73


Huis

ik weet nog hoe het land zich plooide een slabber rond het ouderlijk huis de hemel die wind en zonlicht strooide mijn moeder achter het fornuis

hoe tinkelend zacht de regen verleidde de glinstering, het bewasemde glas waarin het kleine kon gedijen hoe onontdekt dit alles was

nu drink ik thee, weet duizend dingen hun lengte en hun breedtegraad vanwaar de wind vanmiddag waait

geloken zijn herinneringen mat glanzend is de honingraat niet wetend wat is uitgezwaaid

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 74


voordat ik verdwijn voordat ik verdwijn, zei ze is alles verdwenen en als ik dan verdwijn verdwijnt er niets

we waren eekhoorntjes raapten nieuwe stoelen en zagen buren ter kerke gaan

weet je, zei ze, wist je dat en ik wist dat het verleden aan tafel zat

het vijf-pits-gasfornuis fonkelde in de late herfstzon bescheen vingerafdrukken op het wijnglas

ik ben gekomen om te zeggen, zei ze en ik wist dat ze zou zeggen dat ze weg zou gaan

‘Dichter op Hofwijck, gedichtnr. 75’


Milan beslist

Jacco grijpt mijn arm Leidt me naar Leandra’s handen Vingers gevlochten in vorm van gebed Rustend op buik in verstilling Oranjeblond haar omlijst lief’lijk gezicht Ogen altijd open in verwondering Nu onder leden ‘n gebroken blik Hart dat pompte voor iedereen Vol bravoure Was met d’r leven nog lang niet klaar

Maar Milan… besliste anders Zijn jaloezie was te snijden Eerst in haar Zijn polsen volgden later.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 76


Donder- en wonderwolken

Het is emmes en onverkwikkelijk, maar inzonderheid danig bijzonder Zoals ik, door een loszinnig bruusk woord van jou, keihard van mijn wolk afdonder. En zoals ik daarop, door een volgend woord of gebaar me weerom, vertederd en overweldigd, over je verwonder Zodat ik, vanaf een fonkelnieuwe wolk, me dankbaar bedenk: “je bent een groots klein wonder�

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 77


Jongleur Totdat de zon valt, bekijken we met open mond hoe hij het hemelruim herschikt.

Planeten houdt hij in de lucht. Een eindeloos heelal vol werelden waarin we keer op keer onszelf herkennen.

Bang voor de vrijheid houden we de adem in, maar telkens weer vangt hij ons op.

Aan het einde van de dag legt hij ons ego terug in eierdozen. De nacht gebruikt hij om de zon te lijmen.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 78


Aprilse winternacht ik geef je mijn geheimen prijs woorden enkel gedacht zoeken hun weg op dronken wijs.

In je oor vinden ze een thuis ik wilde ze schreeuwen doch sprak ze stil gemengd met donker winds gesuis broze handen klam, de hartslag op til.

Ach aprilse woordensneeuw ik nestel me op je warme schoot en denk in deze eeuw wat je me de vorige verbood

Ik omhelsde je met bijna kindse verwondering ik leefde opnieuw, vergat de fouten die ik beging.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 79


Spiegelbeeld Rietstengels teer fragiel breekbaar broos ronde vormen van uitzonderlijke vrouwelijke schoonheid en mannelijk hoekige lijnen ik kijk met verwondering.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 80


zie hoe de zoon - eerst in een baan rond zijn vader – in volkomen evenwicht zijn eigen Momentum kiest

en zie hoe de vader - standvastig en zonder vrees – deze ruimte schenkt als door God gewenste zegen

wellicht dat wetten zich laten vinden op dagen die heilig zijn als het licht breekt en de natuur even haar aard laat zien aan hen die willen zoeken

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 81

1/2


'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 81

2/2


zoals een man van stand niet bang is in zijn toren door schoonheid wordt geslagen enkel nog luistert en de inkt laat vloeien daar waar het hart spreekt

zou hij leven hebben vermoed in de Ruimte of was het zijn moeder die hij zocht tussen de andere Sterren?

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 81

3/2


Heilig geduld brengt alles op zijn tijd

Een vrijheid om te kiezen, links of rechts maar vooruit worden wij alsmaar geduwd geboren om gebruikt te worden slechts een metgezel met wie is uitgehuwd

Kan nu de tijd gaan komen dat ik speel de tijd waarin ik zorg en ook creĂŤer of zijn de tijden jong en vraag ik veel te veel, want tegen lot is geen verweer

O fantasie die ons de dood voorspelt is reden voor terreur dat wij begaan en rust in mijn gedachten wordt gekweld tot vrijheid komt om stil te mogen staan

Alsnog geniet ik van mijn lijdensweg geluk is zuur verdiend door onze pech

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 82


Stil verlangen

Een stil verlangen naar rust Een hoofd zo vol emoties Ongeordende beelden razen heen en weer Door geen enkel moment gesust

Stil verlangen Een stil verlangen naar iets Geen chaos meer Genieten van al wat deze wereld biedt Maar telkens weer eindigen in het niets

Stil verlangen Een stil verlangen naar het hoe Nog ĂŠĂŠn keer samen Een laatste blik voordat hij gaat En ik kijk in verwondering toe

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 83


Nog een geluk dat‌ Nu ik opgehouden ben spaarzaam te zijn met geluk vind ik het werkelijk waar overal. Alsof iemand een gat heeft in zijn broekzak waar het voortdurend uitvalt, zo. Je zal het maar zijn, gelukkig. Voortdurend vol van vreugde. Geef mij liever de overpeinzing, van waaruit ik opschrik wanneer jij thuiskomt van je werk: O! Daarna de omhelzing. Je borsten stiekem bewonderen. Nog een geluk dat ik zo droevig was, vandaag. En dat jij mij, gezien dit feit, nog steeds zo kan verwonderen.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 84


Vadertje Tijd

De klok tikt seconden weg tot het op is, en nemen we afscheid, soms zonder een traan te laten, van een mensenleven.

‘Er lopen er toch nog voldoende rond,’ roept Vadertje Tijd. ‘Ik gooi zeis en zandloper naast mij neer, graai naar hartenlust in de grabbelton, ruk lukraak jong, oud, dik of dun uit het vat en als dat leeg is, zet mijn vrouw Moeder Natuur de teller weer op Nul en begin ik van voor af aan.’

Waarom wij verteren en hij bestaat drijft een wig tussen gelovigen en hen die op veilige afstand verwonderen.

Gelovigen leggen zich zonder strijd neer, verwonderaars laten zich graag verrassen.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 85


Wijland

Er ligt nog steeds een wijland ergens hier in het onderste land Vol koeien, schapen, paarden weidevogels, beekjes, reigers en mensen zoals wij

Wij drogen onze was en buigen ons over onze waren alsof wij er altijd zijn geweest

Wanneer het wijland zich uitstrekt en richting de hemel gaapt Zou ik willen dat ik een stukje wij uit kon snijden, kon verzorgen en bewaren totdat het groener wordt dan de overkant

..... 'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 86

1/2


Kon zeggen Dit is wat er was Dit is wie wij waren Voordat de hij- en zijpalen kwamen

Wij hebben alles gegeven wat we hadden De grond, de lucht, het blauw, het bruin, het groen

Tot ieders verbazing alles behalve wat er was Er ligt nog steeds een wijland ergens hier in het onderste land

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 86

2/2


vingers strijken langs de rug van een tijd een leven lang tot dood ons verscheidt holt de wind terug over familiaire wegen wie drukt aan het eind ons tegen zich aan waar te midden welke menselijke drukte zullen wij ons bevinden wanneer jij komt de onzichtbare tred van de nacht stroomt dichterbij voorbij telkens van ons vandaan wijkt dit verlangen nimmer onze zijde

hoe kalmeer ik deze onrust de deur wijd een enkel woord dat ik had bewaard een stukje avondster op de drempel de kom van handen vol ochtenddauw bloesems bloeien wanneer je vertrekt wat wij elkaar hebben toevertrouwd reikt naar wie ook maar langs loopt zie ik jou niet overal om mij heen

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 87

1/2


al die tijd waarin ik ben zonder te zijn wegen afloop onwetend wat ons bindt maakt niet uit wiens hand ik nog vind een aalmoes van vergetelheid koestert wiens schaduw die mij hongerig kust dorre namen van geliefden fluisteren dwalen hoeveel dagen uiteengetornd vallen vleugels neer voor onze voeten

’s morgens ligt jouw gezicht op het gras

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 87

2/2


Welgedacht C

mijn erf verlaten voor werk of iets anders het uur dat schuilt in dichte schaduwen roept mij telkens terug naar binnen om te luisteren naar woorden die zachtjes mijn hoofd aanraken voor het afscheid

het spoor waarlangs onze wegen kruisen ben ik bijster bebloed ligt vers op straat een jonge vogel wiens warme hart ons toebehoort het lied in ochtenddauw gesmoord verdampt in blinde vaart

waarheen in welke drukte bevinden wij ons onderweg zonder te weten waarom vleugels van ons dromerig hart vragen kom nog eens naar buiten waar wij samen spelen de rest van ons leven

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 88


Wat me raakt heel diep van binnen, wat me roert telkens opnieuw. Een vreugde die niet geblust kan worden, als ik verwondering voel voor elke vorm van leven.

De prilste knop, het kleinste dier, de kwetsbaarheid en kracht in alle levensvormen.

Verwondering voel ik voor mij, die telkens weer opnieuw probeert het leven door en in mezelf te leven.

Het leven is verwondering de kunst is het te leven

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 89


Nu de avond valt het licht verdwijnt de tijd steeds sneller gaat. Wil ik het weten; Wat heeft het leven voor me gedaan? Wat gaf het mij, maakte het goed. Wat gaf het mij maakte het beter. terugkijkend stel ik verwonderd vast; Het bracht me niets. Al wat ik kreeg, en alles beter maakte heb ik zelf moeten zoeken. En als ik het vond wat het er voor mij. Dank je leven, dat je niets gaf. Behalve dan het vermogen om te zoeken en te vinden.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 90


Landschap in mei Mijn raam biedt zicht op het voortdurend kleurenspel gespeeld door regen zon en wind. De avond valt en ik voel als de schemering vanuit haar nevelen vertelt in mij het onbevangen kind. De belijning van de heuvels in een duister silhouet gaat door getinte mist in regenvlagen over. Met warmoranje gloed wordt de onderkant van wolken aangezet en het dreigend parelgrijs sereen betoverd. Stil doet de aarde een prikkelend aroma geuren. Zo zinnenstrelend is dit volmaakte schilderij dat genot magisch weet te kleuren. En in verwondering ervaar ik dan geloof en groei heel diep in mij.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 91


Spiegelend Hofwijck

Op Hofwijck kromt de tijd tot wereldbol die het heelal de toekomst spiegelt Ver voor Canaveral en Baikoenoer vertrokken hier ruimtereizigers vanaf een krappe zolder,

to boldly go where no man has gone before

Lenzenslijpsel als sterrenstof verwaait in de lanen van de tuin waar geometrie reuzen schetst, op wiens schouders vader en zoon zich achtten, maar het nu zelf zijn

In de keuken mengt koperschijnsel met verbaasde blikken van passanten over het verrassend kleine buiten van grote denkers

.....

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 92

1/2


De klok die er voor het eerst de tijd wiegde, haakt momenten van muziek en poĂŤzie ineen, en maant de Filosoof in de bieb het versgedrukte oeuvre open te slaan want hoe grandioos, slechts enkelen die het verstaan

Over de hofvijver zeilt een herfstblad op de winterzon raakt achteloos deinend de windwijzer van het huis, gehesen boven grisaille strepen

Gele luiken lichten de hartstocht aan die hier nog steeds klinkt om oorlog te stuiten op die korrel van zand waarop we allen darren

Want op Hofwijck kromt de tijd tot wereldbol die vrede spiegelt als boodschap van het heelal

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 92

2/2


Bevreemding

Geboorte van een kind schept verwondering ook al wordt het niet bemind. Opbloeien van een origineel idee kan veel navolging vinden, ook al is uitvinder er niet blij mee. Afwisseling van de seizoenen geven het nodige spanningsverschil ook al kan niemand er zich op beroemen.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 93


Voorhoede (Principe van Huygens)

In principe elke kant op, toch een rechte lijn naar voren.

Muren dwingen tot een terugtocht, ieder wormgat krijgt zijn waaier,

bochten leiden tot colonnes die verdwijnen in de krochten

van de kosmos. Fijn geslepen glas brengt samen in één vuurpunt,

spiegelspettert witte wanden vol met regenbogenschraapsel.

Laat de appelman maar denken dat het gaat om kleine knikkers.

Laat de deeltjesdenkers praten dat het een en ander waar is.

Alle fronten komen samen in exact één lichtend beeld.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 94


De Horizon heel erg in de verte zien wij een horizon opdoemen met een beeld van zomerse rust een beeld van schapen en madeliefjes dat ons zachtjes in slaap sust bij deze grasheide voelt de wereld eenzaam En de zon sluimert langzaam over deze zachte velden golft licht gestaag. in onze dromen tuimelen wij omlaag het gras kietelt de tenen van zwevende benen de kiezelstenen van het pad zijn verdwenen onze weg is het pad van herinneringen die jij ooit vergat en deze dromen leiden onze ogen tot over de horizon naar het land van het verleden waar onze zoektocht begon onze moeder is de aarde die liefdevol naar haar kinderen staarde de reis is ons leven met onze dromen die zijn gebleven het kleinste zaadje is als een klein draadje in een weefsel van fluweel deel van het levensgeheel zoals de spin haar web spint is zoals een minstreel zijn verhaal verzint. de levende voorvloeiende dromen bestaan uit kleurrijke stromen die is ons verleiden en leiden langs de grasweiden naar de koude toren waar het leven weer zal toebehoren

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 95


Verwondering Vroeger was ik vaak verwonderd: Over de pracht van de natuur, kinderen die spelen, het bouwen van zanderige luchtkastelen, een vrolijke, olijke lach, mooie muziek en wijze woorden, het telkens opnieuw gloren van de dag.

Nu blijven alleen wonden over. De wrange strijd -in taal en tekentegen levenslange bitterheid heb ik verloren. Meermaals struikelde mijn tong over het likken van mijn wonden. Ik kan niet anders dan me overgeven aan het tandengeknars van de tijd waaronder ik ongeneeslijk lijd.

.....

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 96

1/2


Het enige wat ik nog kon was het aanbidden van de zon en proberen het gevecht te vergeten dat ik nooit maar dan ook nooit won -in het vage verlangen dat ik het mezelf vergeef dat ik tevergeefs leef-.

Mijn laatste hoop was het zien van een vallende ster.

Vandaag is het wonder ver, hĂŠĂŠl ver.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 96

2/2


Tweelicht (voor een fotografe)

Ze schrijft met licht verhalen in het deemster

kiest kleur in gulden snedes en wijst je ogen stil de weg.

Van elke bloem en ieder diertje schetst zij verbazing

en met zilverdraden naast de schemer weeft zij verwondering.

Ze schrijft met het licht en doseert het donker

intiem bewijs van haar bestaan.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 97


Verlicht me dan

Breng me in contact met de grootste filosofen en wiskundigen en laat hen jou verklaren want liefste, ik ben al gevlogen van planeet naar planeet en gevraagd of iemand het daar weet

maar niemand die iets zegt over de diepte van jouw gedachten of de scherpte van het licht uit je ogen of zeg dan zelf iets over de golven in je haar waaronder ik ben bedolven en

je laat me zweven door de eeuwen en hoe vaak ik je ook telkens weer bestudeer en onderzoek, ik raak geen enkel moment verveeld door de schoonheid die aan jou is toebedeeld.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 98


Ver van huis Aarzelend schoof hij aan onze tafel. een grijze man in een grijs pak, een verwarde kuif en een vlinderdasje met een vertederende blik in zijn ogen. We dronken bitterzoete lokale wijn en klapten luid voor Turkse dansers die door de lucht vlogen alsof het vogels waren en de buikdanseres die zich zelfzeker, sensueel en uitdagend over het toneel bewoog.

De man keek een beetje treurig omlaag en omhoog en verloren om zich heen, hij vroeg zich af, waarom hij geen mooi groot glas rode wijn voor zich had staan en keek op zijn horloge om uit te vinden, hoe laat het was en waar hij zich bevond, maar het was vergeefs hij was zijn naam en heel zijn leven vergeten.

.....

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 99

1/2


Maar dat is niets vergeleken bij het raadsel van de Oudheid en de verloren verhalen en pilaren van geschonden tempels en de roof van koningsgraven.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 99

2/2


Kijkdoos

de foto van de schilder keek aandachtig naast zich naar het schilderij van de fotograaf met ons liepen vele voyeurs zwijgend langs de portretten en landschappen de wereld ontluikt achter de deur van het museum op de terugweg sprak je slechts over je tuin, je kinderen de dakgoot, die je nog steeds moet laten repareren de nieuwe bril die je gaat kopen ik bied je hierbij mijn kijkdoos pak hem beet en kijk naar de bloemen, de dieren, de mensen naar wat beweegt en stilstaat naar wat groeit en afsterft en naar wat langer blijft de kleuren de samenhang der dingen naar het nieuwe en het vertrouwde naar het kunnen kiezen naar de vrijheid beslissingen mogen nemen er mogen zijn

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 100


Broos

als het langs schiet vluchtig en schuw pak het dan snel vast en bekijk het van alle kanten

verwonder je over de lichtheid de zachtste vacht die je voelt koester de stilte die muziek mogelijk maakt

dans daarop de dag tot het je ontschiet het wordt je niet gegund als je er om zou vragen

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 101


Nieuw soms spuit het spontaan op als fontein, geiser of vulkaan of waaiert het verscheurd in een kleurenpracht bij een nachtelijk vuurwerk uit over de hemel

soms – als je geluk hebt – wordt het op straat onverwacht door de wind in je oor gefluisterd

soms zul je het uit een waterput omhoog moeten trekken of diep onder de grond met een houweel uit een oude mijn bikken

soms zal het dankbaar door mensen worden omarmd maar soms ook niet

altijd zal het als verrassende vervanger van de eeuwige kers op de taart verlangend naar lancering in je handen branden

nieuw op oud is nieuw om later weer nieuw op te laten lijmen

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 102


Uiteindelijk

uiteindelijk resteert beleving beleving van het moment als enig doel in dit leven

zonder verwachtingen of zorgen, voorbereiding voor morgen zonder zielenpijn, bezit of herinnering

als een dier bijvoorbeeld een hond die je wachtend naast de bal intens verwachtingsvol aanstaart

als het verwonderd geheel opgaan in de explosie van een orchidee

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 103


Tijdloos

Mijn dromen vertellen verhalen in hun eigen tijd

en vol bewondering aanschouw ik soms iets zonderlings

een vage blik geen gezicht twee uitgestoken handen

uren later tikken mijn vingers als op bevel verbazend snel Hofwijckende woorden

verwondering blijft slechts een feit.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 104


Geboren voor het geluk?

Ja, morgen kan ik er weer tegen, alleen maar leuke dingen op mijn bord, besef van ‘ik kom niets tekort’, blij om alles wat ik heb gekregen.

Maar ’s avonds als er niemand kijkt, mogen de emoties even stromen. Verlangen naar de mooiste dromen, want dingen zijn soms anders dan het lijkt,

Maar zeg nou zelf, het is maar nét, waarop je jezelf wilt concentreren. Optimisme moet je al doende leren, zo wordt het leven toch een pretpakket.

Maar ’s avonds als er niemand kijkt, mogen de emoties even stromen. Verlangen naar de mooiste dromen, want dingen zijn soms anders dan het lijkt,

.....

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 105

1/2


Grijpen van momenten van geluk, in plaats van grenzeloos verlangen. Gewoon een kwestie van goed vangen, dan vallen ze niet zo heel snel stuk.

Maar ’s avonds als er niemand kijkt, mogen de emoties even stromen. Verlangen naar de mooiste dromen, want dingen zijn soms anders dan het lijkt,

Wat laat me soms verwonderen? Verandering van focus? Of een simpel hokus pokus? Nee, ik laat me niet bedonderen!

Ik weet het zeker, het kan niet stuk, Ik ben geboren voor het geluk!

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 105

2/2


Christiaan en ik

Hier op Hofwijck lig ik in de bomentuin, lig ik onder de sterren

met Christiaan. Tussen ons, in het hoge gras, liggen enkele eeuwen.

We overbruggen ze in verwondering: stelen het goud uit het zijne naar de tijd van het mijne.

Hier op Hofwijck achter okergele luiken, hoog op zolder

vind ik Christiaan. Samen hangen we dromen aan tover en hazelaar,

.....

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 106

1/2


doen we ontdekkingen, vinden uit. Aan onze telescopen hangt de wereld; we hullen ons in nacht en magie,

wijden ons aan de wetenschap. Zo, dat klokken gelijk gaan lopen en wij in wonder samen komen

in de kromming van onze eeuw. Christiaan en ik. Met de maan als lantaarn.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 106

2/2


Gedichtje

Schreef u niet heer Huygens Constantijn: “Al is het vliegje nog zo klein, het werpt zijn schaduw op het plein”. Zo zal het ook met dit gedichtje zijn.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 107


wachten op een wonder

dag in dag uit zit hij op de kruk van de kroeg starend naar de schim die gespiegeld in het lege glas met holle ogen terugkijkt zonder herkenning wie hij ooit was

zo nu en dan zetelt zij naast hem woordeloos en in verbijstering dat niemand zijn blik waardig is dat niets hem roert zolang hij de uitgestoken hand niet grijpt

zal ze zich ooit nog kunnen verwonderen over zijn licht en geluid die weer over haar zullen golven het liefst als een spuitende fontein zij kan alleen wachten tot hij het stutten toelaat

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 108


CreĂŤren (1)

Toen ik muziek ontdekte ging ik zelf spelen en uitzoeken, notenschrift, composities. Spelen, zoeken, uitproberen.

Toen ik de flora en fauna ontdekte wilde ik er van alles over weten, namen van plantjes en dieren. Verzamelen, opzoeken, luisteren.

Toen ik de mens ontdekte wilde ik daar alles over weten, zijn gedrag en motivaties. Lezen, kijken en onderzoeken.

Toen naar de toekomst keek wilde ik weten hoe die er komt herhaalt-ie zich, of is-ie nieuw? Kijken, leren, creĂŤren.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 109


Creëren (2) Ik ben een man van 63 maar moet nog leren kijken en creëren als een kind van 3.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 110


CreĂŤren (3)

Al die vogels, hoe doen ze ’t toch, elke dag weer. Geen Albert Heijn om de hoek, of een bakker of slager. Toch komen ze telkens, elke dag weer aan hun voedsel.

Meeuwen, mussen, spreeuwtjes zonder huis, bed of verwarming. Alleen een tak.

Ik zou niet graag met ze ruilen. Verwondering is op zijn plaats.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 111


Ik kwam, zag en overwonderde.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 112


IN VERWONDERING STILSTAAN DE TIJD VOORBIJ LATEN LATEN GAAN IN VERWONDERING WETEN GESCHIEDENIS NIET VERGETEN IN VERWONDERING VAN HET LEVEN ELKAAR RESPECT GEVEN IN VERWONDERING DROMEN DE LIEFDE IN LATEN STROMEN IN VERWONDERING OP DE GRENS TUSSEN VROEGER EN NU EEN WENS VOOR IEDEREEN GEBONDEN OF EEN EENLING GENIET ALTIJD SPONTAAN VAN DE VERWONDERING

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 113


Nachtmerrie

Zij komt, wanneer zij wil, verstoort mijn mooiste dromen en zeurt zo aan mijn hoofd, dat ik niet in slaap kan komen.

Ik kan haar bloed wel drinken, maar zij neemt het mijne en zin ik suf op wraak, weet zij slinks te verdwijnen.

Radeloos en reddeloos denk ik onder ’t gapen: ‘Waarom is in hemelsnaam toch de mug geschapen?’

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 114


Rapgedicht

Er gaan zo veel dingen in me hoofd. Verward verdoofd zo veel vesioennen die niemand gelooft .visoenen die verder gaan dan de woorden die ik beschrijven kan . .ik kan het niet verwoorden met een pen .me verbeelding vervaagd .all zijn me gevoelens versterkt . Het zicht word beperkt Zo weinig mensen die het merkt. Want de massa is groter de motor van de maatschapij.Ben je anders dan hoor je er niet bij . het maatschapij is een systeem .voor zo velen niet te bevatten extreem .nog verder dan de ruimte de space Gewoon hier op aarde .Ik vrees .zo veel dingen niet te bevatten we zitten in de val als ratten . Moord veraad van elkaar jatten .net zo als de vissen op het droge naar het lucht happen . Wie gaat het halen wie gaat het redden. Wie gaat het ontsnappe Wie valt in de netten. in de netten van wantrouwen en veraad .bevangen zonder eigen belangen .gedumpt op de straat. Verbonden veraden gebruikt zonder genade .het pistool is geladen .klaar om te haten . Je gevoelens explodeert van binnen .je gedachtens begint haast te spinnen alles gaat zo snel Er is geen tijd om te ontsnappen van deze hel .al zit je hersens in de knoop in de knel je gevoelens zijn niet te stillen .de secondes tikken door er is geen tijd om te verspillen . Dat zijn de kleine verschillen .Ga je door of ga je chillen . De secondes worden uren .laat het niet langer duren . want dan is het te laat .bevangen achter de muren de muren van de straat .. Waar duister is zonder enige licht .Het kwaad is overal op elke gezicht .. Je kan niet verzwijgen je angst je zweet .je verlangens die aan je vreet ... 'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 115

1/4


all was je een simpele jongen .nu ben je nood gedwongen .doopschit te blazen in je longen . Je gevoelens verdrongen . je zelf verloren .in de grote massa zonder oren .je mag praten als je maar niet gaat storen . zo veel gevoelens gaan verloren zo veel stemmen die niemand wil horen we zijn verloren en we zullen vergaan in de space all zijn we niet verder dan de maan we zijn de verliezers in de race .we zijn de genaratie zonder face een gezicht welkom hier op de aarde in deze gesticht puur uit me hard schrijf ik diet gedicht net zo als een schilderei op het doek wil je meer van me weten chek me dan op de facebook mischien laat ik wat van me horen . all behoor ik bij de massa zonder oren .

en de soldaten en de srijders zijn ook veloren in deze tijd met de machinale brein in de strijd . de weg kwijt in de doolhof van techniek verbannen in de spinne web en je geest is ziek . je mag niet begrijpen hoe wat en waar de grote macht is groot en ongrijp baar . voor de kleine man zo als jij en ik .dus voor zo veelle . we hebben wel de juiste kaarten maar geen doekoes om te spelen dromen mag maar vechten is verboden praten kan maar de sprekers zijn de dode . hier op de aarde ben je maar een code spreken verboden want praten kan niet doden iedereen praatjes in zijn eigen straatjes met zijn maatjes . maar vriendschap is verleden tijd en je maatjes die staan vaak bij de duivel nog in de krijt . als je bedenkt deze leeuw heeft geen klouwen pas op want die beit . en spreken niemand die het doet met de open wonden die bloed.want de doden spreken niet meer en de gewonden likken zijn wonden want het doet zeer . de straten zijn verlaten all draait de massa door massas menssen maar ik voel me verlaten ik krijg geen gehoor waar ik ook ben of kom de druk van de grote macht is wat ik voel . de maatschapij is voor de massa menssen zonder gevoel wil je je gevoelens uiten en breng je dat naar buiten dan staat de grotte massa klaar om je te misbruiken . 'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 115

2/4


zonder genade worden de wapens geladen voor de executie stijl met je handen opje rug zonder recht van sreken . tegen strijd is verboden er zijn zo veel strijders onder de doden christelijke moslims en joden maar haat is een code van de grote macht zonder face de burgers zijn overall verloren in de race je hoord de leider maar je kent niet zijn face je volgt zijn bevel all is de stem van de diuvel recht steeks uit de hell

verward in de duister hou je bek en luister de wereld verduisterd politieke coreties die constand fluisterd de kwaad huiverd naar de macht cameras in alle straten iedereen is verdacht .ze houden je in de gaten je mag lopen praten in alle tijden maar nog zo veel slachtoffers die niemand komt bevreiden .onrecht tegen streiden ..diet is geen veiligheid voor ons beiden maar voorzorg voor de teroristische activieteiten .met de cameras met lenzen van enkele zijden met een rechtse hoek .ik sta constand op de doek maar me veiligheid is zoek ik voel me niet veilig want jullie de hoge macht jullie zijn niet heilig goed .je bent niet wat je bent je bent wat je doet ..

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 115

3/4


je maakt onderscheid. all is het zelfde bloed die er vloeit niemand die het boeit .niks is goed wat daar uit bloeit . en moraal is nergens bekent .respect is sociaal isolement . het gedachten kleine dingen bleven zo streven met elkaar te leven er is weinig over gebleven . stoffelijk overschot van all het rest afgesloten van de moeder nest. ik wou dat het kon dat iedereen alles overwon .helder schone vlucht iedereen vrij handen in de lucht en dat zo iedere dag weer met een lach maar soms blijft weinig over van alle beloftes zo hoog als een toren in de massa zonder oren op die momenten doet het je niets meer met de gedachten dat je alles gaf respect onvoorwaardelijk tot het graf polietike wetten streng beleid zonder verschillen off onderscheid stem voor het goede all ga je zeker bloeden om de kwaad te voeden maar toch grijp je kans .off zwijg voor atijd in sociale armoede zonder balans je kanssen verkeken de weg steeds verder om te oversteken naar de andere kant .. erkening door het heelle land met de wereld als mijn klant .streef ik naar die eene kans pupliek voor mijn aan de kant met de microfoon in me hand .

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 115

4/4


Feeëriek Opgewonden betreed ik haar magische uitstraling ‘t brengt me in betovering. Feeërieke figuren aanschouwend waan ik me in een sprookje een wereld welke ik benader met ogen zo groot gelijk een kind dat een om liefde vragende puppy ziet. Het theater ‘t lijkt neergedaald Uit de met sterren verlichte hemel ze heeft iets goddelijks alsmede nostalgisch. De houten bankjes waarop het in vervoering gebrachte publiek plaatsneemt brengt je even terug op aarde, zonder kussen. Neergedaalde engelen gelijk sprookjesfiguren bezorgen ultiem genot. Na de voorstelling beëindigd met een staande ovatie, loop ik onder invloed van verwondering glimlachend naar de auto om op te gaan in de harde werkelijkheid.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 116


DUSHI KĂ’RSAU

Het geschiedde enige tijd geleden. Ik wilde het doen, Ik wilde gaan, Ik wilde er zijn.

Gedwongen door het verleden, Moest het weer gebeuren. Hoe fijn is daar de dag, Tegelijk met hier de nacht.

Kabbelende golven stranden aan, Opgevangen door sneeuwwit zand, Een zee mooiste vissen, Veelkleurig, enkele vliegend zowaar.

Bedjes in een strakke rij, Onder klappers en rieten parasols. Altijd pret, lachende bekjes, Strandlopertjes heel galant.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 117

1/2


Silhouet van de kleurige stad, De drijvende markt, pontjes in gelid. Sloom tuffende schepen, Van en naar de oude koningin.

Verwonderend culinair genot. Kabritu Stoba of Hobi Duchi. Bolo Pretu is zo fijn. Yoana streelt je tong.

Het geschiedt over niet te lange tijd. Ik zal het doen, Ik zal gaan, Ik zal er zijn.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 117

2/2


De verwondering De verwondering van laaggeletterden naar geletterden is groot .

Zij hebben ook de wensen om zo goed mogelijk het lezen en schrijven onder de knie te krijgen, maar dit brengt steeds veel obstakels mee in hun leven.

Ze kunnen er wel wat aan doen !

Door de stap te maken om een cursus Nederlands te gaan doen. De schaamte houdt ze in principe tegen om er echt wat mee te doen. Maar er zijn gelukkig wel steeds meer “strijders” die de weg vinden naar een cursus voor laaggeletterdheid !

Die cursus wordt door docenten gegeven. Er wordt uitgelegd hoe je het beste kan leren lezen en schrijven. Als je het oppakt zal je het beetje bij beetje voor elkaar krijgen.

Toch blijft geletterdheid voor die mensen een strijd. Ga er dus tegenaan !

Als je geletterd bent is de wereld veel groter; voor ongeletterden een wens.

Als je blijft werken aan lezen en schrijven en de goede weg bewandelt dan wordt ook jouw wereld steeds groter. Je kan stapje voor stapje beter meekomen in de maatschappij. dat maakt je na een bepaalde tijd heel …. blij.

De bewondering voor geletterden is altijd groot, maar als je je best doet als ongeletterde wordt de wereld voor jou ook mooi en groot !

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 118


Schijngestalte

maan, ik groet je

zo goed ken ik al je vormen dat ik bijna zou vergeten dat jij de zee over mijn voeten spoelt

vertrouwde vreemde

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 119


SEIZOEN

dit voorjaar is het laatste voor mijn vrind hij kijkt nu met de ogen van een kind scherper en verbaasder dan tevoren naar alles wat steeds weer opnieuw begint

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 120


OCHTEND

Ben ik de bruid? Hij dan mijn bruidegom? Zijn adem is te zwaar om in te lezen.

Is dit mijn arm? Hij slaapt, het moet de mijne zijn. De haan kraait in de ochtend van de eerste dag.

De zon komt op, ik zie de bloemen op het tafelblad. Dit is ons huis.

Ik ben de bruid. Hij is mijn bruidegom. Ik ken hem niet.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 121


MISSCHIEN

Autorijden in een onweersbui terwijl voor je de zon onbeschaamd rood ondergaat

Hoe helmgras zich beweegt bij windkracht vijf de blaadjes van een roos over elkaar liggen

Dat willen beschrijven en weten dat het niet kan

Dat steeds voelen zoals je tong een kies die pijn doet blijft aanraken

Dat misschien is dichten

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 122


Mijn eerste dode

Zoals ze daar lag, achter schuifglas haar schouders ingetrokken, alsof de eeuwigheid in een houten kist haar nu al benauwen zou. Haren, altijd koppig en in wilde dos, bijeengekamd langs een veel te strenge scheiding.

Zo zag de dood er dus uit. Gesteven zondagsjurk en opgepoetste wangen. Ogen gesloten, handen gevouwen. 'Ze ligt er prachtig bij', terwijl ze toch haar bril waren vergeten.

.....

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 123

1/2


Zo stond ik het laatste uur dat ik haar mocht zien, op mijn tenen. Ik wilde bij haar zijn. Tuurde keer op keer door het te kleine vensterraam, wilde zeker weten of zij het was.

Aan de overkant, hortten mensen bezorgd haar naam, anderen zwegen of streken, over mijn hand, door mijn haar. Zeiden dat ik haar nu wel missen zou. Maar ik had slechts pijn in mijn kuiten.

Zo zag de dood er dus uit. Iedereen deed alsof zij een bekende was. Mij leek ze een volslagen vreemde.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 123

2/2


Mijn Sterre Als kind keek ik omhoog Naar de zwarte inkt met diamanten En vroeg me af of ze loog Ze zei Wanneer ik straks er niet meer ben Wanneer ik vergeet en niemand herken Wanneer de mist in mijn hoofd alles verhult Wanneer ik langzaam verga heb dan geduld Wanneer je tranen alles verdrinken Kijk dan omhoog naar de sterren die blinken Daar zal ik schijnen alleen voor jou zei ze Ik kon ’t haast niet geloven en verwonderd keek ik haar aan Dat zij zou schitteren daarboven en zou knuffelen met de maan Maar elke Sterre zal ooit doven en snel stoppen met bestaan.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 124


De mestkever

Hij rolt de mest tot bal twee maal zijn grootte vaak achterste voren in het brandend zand

de 'pillendraaier' legt een voorraad aan die hij diep verstopt in het zand van de woestijn

al rollend ziet hij soms een afgrond niet op tijd en tuimelt met de mestbal vele meters naar beneden

hij begint opnieuw en opnieuw raakt uitgeput van de hitte

.....

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 125


ten einde raad klapt hij zijn harde dekschilden open stijgt omhoog en neemt de vlucht op weg naar de volgende druppels vocht of mesthoop

hij ontroert door zijn vasthoudendheid en de eeuwige strijd die hij voert

we kunnen niet anders dan hem oprecht bewonderen

over de allesomvattende natuur blijf ik mij steeds opnieuw verwonderen

'n extraatje Voor de oude Egyptenaren was de scarabee een heilig dier, symbool van wedergeboorte m.n. het geslacht Scarabaeus. Het zijn mestkevers. Doordat bij deze kevers het ei is vervat in een broedpil die lijkt op de naar het ondergrondse nest vervoerde mestpillen, dachten de oude Egyptenaren dat deze kever zichzelf spontaan verwekte, zodat hij niet uit paring ontstaan was. Daar volgens hun opvatting ook de zonnegod zichzelf schiep, werd de

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 125


scarabee de gestalte van de zonnegod in zijn eerste fase, Chepre. ScarabeeĂŤn werden veel als amuletten gebruikt

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 125


Allerzielen

Parels duizenden hangend in een grijs decor Allerzielen twee november duizenden tranen die wij plengen om een verlies

gesloten roze kardinaalsmuts hangend in de ochtendnevel parels die bijna vallen lopend door de duinen met een Allerzielen gemoed vochtig herfstgeur stilte in slaap vallende natuur

wandeling 10.00 a.m. met Suci de hond, door de Westduinen het licht door die ene drup hangend aan de vrucht van de kardinaalsmuts(Euonymus europaea) dit jaar hangen alle kardinaalsmutsen in de duinen vol met vruchten, nog net niet opengebarsten.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 126


Natuur reguleert kalmeert intrigeert inspireert stimuleert overdondert en verwondert.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 127


Wonderlijk land Ik las eens in een krant dat er in een ver land bomen van plastic groeien en bloemen van ijzer bloeien. De mensen zijn van hout en nooit een keertje stout. De huizen zijn van zand en vliegen nooit in brand. De groenten zijn van paarse cake, hiervan eet men de hele week. De kleren zijn van klatergoud omdat men erg van glimmend houdt. De dieren zijn er van papier en maken elke dag plezier. De meren zijn vol appelsap. Nee, dit is werkelijk gĂŠĂŠn grap. Maar als u hiervan niets gelooft, reis er dan maar eens naar toe. Het land ligt in een prachtig dal naast het verre Timboektoe.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 128


Bijzonder De grote struiken in mijn tuin staan niet rechtop maar nogal schuin. De bloemblaadjes van de margriet zijn niet sneeuwwit maar antraciet. De bloempjes van het nagelkruid maken een rinkelend geluid. De bruine mieren op de grond dansen vaak vrolijk in het rond. De naalden van mijn blauwe spar werden oranje. Dat is bar! En verder is er nòg iets raars. Mijn groene gras werd pimpelpaars! Ik dacht al lang: Wat gaat hier mis, waardoor mijn tuin zo ànders is? Ik raadpleegde een plantenman maar die snapte er óók niets van. Hij zei: “Dit is wel héél bijzonder. Ik snap hiervan geen éne donder.” Toen maakte hij wat foto’s want mijn tuin moest zéker in de krant.” Twee dagen later, ‘s ochtends vroeg, stond er een file in mijn straat. Er werd getoeterd en gepraat. De mensen wilden graag wat zaad.

.....

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 129

1/2


De tuinman kwam me graag te hulp en nam elke bestelling op. Men moest wel iets betalen want men kreeg de zaden niet voor nop. Veel maanden zijn voorbijgegaan. Ons “zaadhandeltje” sloeg goed aan. De tuinman kwam vaak bij me thuis en werd zo doende “kind aan huis”. Half Nederland heeft nu een tuin, nèt zo apart als die van ons. Nu experimenteren wij met fonkelnieuwe bloemkleuren als beige, zilver, goud en brons.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 129

2/2


Vreemde vogels De valkparkiet van tante Riet eet elke week een portie friet. De knobbelzwaan van tante Sjaan trekt elke dag een badpak aan. De grauwe gans van tante Ans beheerst menig Latijnse dans. De ooievaar van tante Saar rookt elke dag een stinksigaar. De heggenmus van tante Zus geeft elke gast een dikke kus. De pimpelmees van tante Trees doet mee aan menig autorace. Die tantes wonen, eerlijk waar, al tachtig jaren bij elkaar. De vogels wonen bij hen in en hebben het er naar hun zin. Dit alles mag u wonderlijk en grote nonsens lijken. Als u me niet gelooft moet u er zèlf maar ‘ns gaan kijken!

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 130


Leggen Een heggenmus uit de Maasheggen dacht rustig wat eitjes te leggen maar al wat zij daar lei leek geenszins op een ei en het was ook geenszins uit te leggen.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 131


Hoftuin Vroege morgens waarop Constantijn wandelend tussen de bloem besterde perken zacht en onmenselijk mooi fluit

de bonte liguster in en hoog boven de pluimen van het heeskruid uit

met de opgeheven waaier van zijn hand wakkert hij het wuiven van trompetbladeren aan het lichtdoorlatend blad van olifantsoor

ieder dag is er een god die geboren wil worden tussen de varens of daarboven in het ruisend uitschuiven van wolken

Constantijn spreekt de vlammende toortsplanten aan buigt zich over de kelken van hibiscus en roos

hij is een koning in een honingboom een barnsteen kloppend in de blauwe regen een zacht en onhoudbaar mooi fluiten dat al van binnen aan het al van buiten bindt

los van de wereld schittert de ochtend in de hoftuinvijver

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 132


Sprookje

Je beeld vervaagt in mijn herinnering Lost op in witte mist. Zoals jij tussen De lakens van het veel te ruime bed.

Je ogen vragen: kom jij me halen Neem jij me mee? Vandaag ben ik De sprookjesfee. Ik draag je mee

Op mijn vleugels. We dansen op Waterlelies. We fladderen door De nacht. Alleen de maan kijkt toe

En lacht.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 133


Werelds

Ze zegt: ‘Ga met me mee, naar het einde van de wereld.’ Ik sluit mijn ogen en zie betonplaten, asfaltbanen, stroken zand en kleiplateaus, bergen van ijsschots en scheve rotsformaties, huizen hoog en laag aan wolken krabben. Ik verstop mijn neus in jouw haar en ruik bossen van frisse lucht, zeeën van vluchtig water, en stoffige vlaktes met vaste grond. Glad, nat, dor, plat, hol, bol. Alles tolt, ik sta paf. In mijn oren ruist gefluister, kraakt de donder, in hard gelag. En dan... oorverdovende stilte. Het is te veel, maar ik zeg ‘t toch: ‘De aarde draait om jou.’

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 134


Utrecht Lopend door de straten van mijn jeugd Sluit ik mijn ogen voor de kerk waar ik eens bad De tijd gleed als zand door mijne vingers En ook de dromen die ik eens had

Mijn hart zong eens van vrijheid Een kinderstem, zuiver in de nacht Nu sta ik stil hier in het donker Bij wat het leven me heeft gebracht

Vind ik ooit nog vreugde in een mensenlach Kan ik me koesteren ik de zon Of is het al laat, veel te laat en moest ik het doen toen ik nog kon?

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 135


Stil maar Zacht hè jouw ademhaling Gecontroleerde stroompjes Lucht Automatisch leven tot je nemend Stil maar... Je doet het goed

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 136


Verwondering

Als ik tussen regendruppels door, sprong van plas naar plas... Was ik dan minder nat geworden dan ik nu geworden was?

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 137


De roos Als een roos zo teer nam ik je mee je was een kneus met een sneeuwwitte knop bloei je in mijn tuin als dank een zoete geur

Elk jaar schonk je mij een zee van bloemen tot op die keer jouw bladeren groen door luis met ranke stengels die naar de aarde bogen

Ik heb je van de dood gered je bloeit in vol ornaat een witte deken van bloemenpracht sterk en fier klim jij omhoog alsof je zeggen wil je hebt aan mij gedacht.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 138


'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 139


Ode aan mijn jeugd:

Verleidelijke Velden Waar ooit het oog geen einder vond Waar geen steen, staal of glas toen nog stond Waar alom ’t wilde gras en bomen groeiden en vogels, dieren en kinderen stoeiden. Daar vermocht ik op te groeien het was mijn ongedroomde jeugd rennen, springen, zwemmen, stoeien het kon ons nooit vermoeien. Daar, een warm welkom, een gele aubade wachtend, miljoenen paardenbloemen. Geen haast, geen onbeheerste daden geen woorden genoeg dit geluk te roemen. Hoog in het oneindig hemels blauw dwaalt, zweeft, speelt en duikt voor dag en dauw de buizerd, torenvalk en sperwer. Hij ziet ze zwemmen of rennen gauw drijft vakkundig zijn prooi in ‘t nauw. Daar, nog een paar laatste koeien niet opgesloten in een enge kale stal, zij, echt, nog in Hollands wei blij, het maakt een mens zo blij. Als kind zag ik ze allemaal de uil, vos, hermelijn en aal. Rennen, vliegen, broeden, eten natuur vormde mijn gevoel en geweten. Hoe lang zal t laatste moois nog resten. Onstuitbare hebzuchtige vooruitgang vult vooral zakken van een enkel man die zal t laatste groene land wel slechten.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 140


Manuscript van leven ‘Er was eens…’, begon zij maar de mensen fronsten en riepen: ‘Dat zal wel!’ en ‘Zeker heel lang geleden!’ en ‘Ook nog in een ver land!’ En zij maakten zich uit de voeten, renden naar bussen, treinen, vliegvelden op het nippertje gered van wat zij niet kenden. Een wolk van ongeloof boven hun hoofd. Ondergedoken in donkere jassen vergaten zij naar buiten te kijken en zwarte druppels vielen uit de lucht.

Maar het meisje schreef door, onverstoorbaar, hoor haar ganzenveer krassen over het tafelblad. Het puntje van haar tong, rode blossen en flakkerend kaarslicht Paarsblauwe letters regen zich aaneen zomaar, zonder te weten. Van voorbedachte rade had zij geen verstand

......

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 141

1/4


Maar de mensen zeiden: ‘Zie, ze doet maar wat, ze weet niet eens. Het is dóódzonde en verspilling!’ En toen beraamden ze een plot, bonden haar vast zonder veer op een vlot.

Zo dreef zij, keek haar ogen uit. Zonlicht op het water, zilverwit de schittering. Golven spatten op tegen de oever. Er waren vissers in het gras. Een reiger die geduldig wachtte. Een kikker lachte op haar lelieblad en daar, twee zwanen heel voornaam gelijk prinsessen glijdend door de gracht. Een ophaalbrug, een buiten met luiken goudomrand Herauten bliezen luid en er klonk tromgeroffel.

......

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 141

2/4


En daar, niet ver vandaan maakten een vader en een zoon zich los van hun bronzen sokkel. Blakend van het plots ontwaakte leven wandelden zij hand in hand door het park met eeuwenoude beukenbomen. Zij glimlachten en zwaaiden naar de ongelovigen, die op hun schreden waren teruggekeerd. En nu met grote ogen, wagenwijd hun mond en ‘oh’s’ en ‘ah’s’ en wijsvingers omhoog. Een optocht waar geen eind aankwam, want ieder wilde zien met eigen ogen dat het waar was, dat zij leefden en bewogen.

......

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 141

3/4


Maar de vader en de zoon wisten wel beter. Bewondering was van korte duur. Kalm wandelden zij door tot aan de stromende rivier. Daar tussen het riet een houten steiger waar het meisje was geland. Zij reikten haar de hand, tilden haar op en plotseling was er alle tijd van de wereld. Licht en sterren voor het rapen. De mensen zaten in het gras, dronken thee met witte puntjes, bliezen paardenbloempluizen in de wind, wensten wat niemand ooit voor mogelijk zou houden. En… ganzenveer of niet, op dat moment hoorden zij de woorden: ‘Er was eens…’

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 141

4/4


Verwondering

In stille verwondering sta ik met mijn rug naar het verleden. Met mijn ogen gericht op de toekomst. De herinneringen tochten door me heen.

Een stelsel van eigen gangen van mij alleen. De verwondering als kind, de wereld om me heen. Gefascineerd door de bloemen de kleine dieren... En de oeroude stenen en schelpen uit verre vreemde landen.

Vol verwondering over smaak, kleur en geur. Een suikerspin die smelt op je tong, en poffertjes gewoon hemels. Lopen, dansen en zingen... Van meisje naar jonge vrouw.

Verwondering over de vele vlinders die fladderen in mijn buik. Verliefdheid voelt als het beste en slechtste gevoel... Steeds een stukje ouder en misschien wat minder enthousiast.

Teleurstelling en het werkelijke leven doen de verwondering even vergeten. Dan alle levels van onstabiel en slechte koers bestreden. Al zoveel stadium doorstaan. Nu zelf moeder en alleen met juweeltjes van kinderen.

.....

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 142

1/2


Opnieuw ontwaken door te luisteren en kijken, een nieuwe wereld ontdekken Van nieuwe dromen ontwikkelen in deze tijdsgeest gezien door kinderogen. Mijn oudere lichaam en ziel doen ontwaken en me doen bedenken dat dromen zijn van alle tijden. Dromen verwondering, scheppen en creĂŤren.

De cyclus van het leven. De verwondering over de zon de sterren en de maan. De seizoenen van het leven... Nog even dan komt het begin van de herfst in mijn leven.

De laatste adem was zo ver weg, maar gezien wat de overgang doet. Het is niet eeuwigdurend je hebt niet alle tijd. Nu wijzer en wetende dat de toekomst aan de jeugd wordt gegeven.

Hoop ik de verwondering te blijven voelen, in mijn hart en ziel. Misschien wel een van de mooiste niet echt tastbare constanten in het leven. Niet het bezit maar ervaringen die je raken, en intens durven beleven. En die je rijkdom van geest zullen geven.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 142

2/2


Ontdekken

Voor Constantijn en Christiaan Was zoeken deel van hun bestaan Ze speurden naar de zin der dingen Hoe schoonheid ´t beste te bezingen Ze dienden wetenschap en kunst Stonden bij vorsten in de gunst Werden geroemd en zeer bewonderd Hun werken zijn nog steeds bijzonder

Wie weten wil, gaat onderzoeken Gesloten zijn eerst nog de boeken Net aangekomen op de aarde Begint de reis; alles heeft waarde Want wat het kindje ook hier ziet Het is nog nieuw, zij kent het niet. Elk nieuw gezicht, ieder nieuw ding Beschouwt ze vol verwondering

De reis is spannend, ’t gaat om kleuren Geluiden, blikken en ook geuren Ze wil het pakken, proeven, eten Ontdekt haar handjes; hoort haar kreten Men houdt haar vast, men zorgt en voedt Ze weet niet, maar voelt: het is goed.

..... 'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 143

1/2


Elk diertje, bloemetje of plant Is splinternieuw, ze strekt haar hand Pas later merkt ze het verschil Wie is van goed’ of kwade wil

Haar lijfje brengt haar verder weg De straat is hard, soms heeft ze pech Al lopend gaat ze meer ontdekken Weer nieuwe, vreemde, mooie plekken Eerst veilig hoog in wandelwagen Nu wil een geitje aan haar knagen

Men praat en zo leert ze de taal Begrijpen doet ze ’t allemaal En na een tijdje praat ze terug We zijn verwonderd; ’t gaat zo vlug

Al wordt ze nooit een wetenschapper Een dichter of een kunstenaar Ze wordt per dag een beetje knapper En wij? Wij houden veel van haar!

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 143

2/2


synchroon

een vrouw roept haar hond gelukkig blijft het daarbij

de wind die als vioolharmonie langs mijn wangen stroomt golft thans onverstoord voort voort voort

ik sluit mijn ogen en geef mij over aan de stroom synchroniseer met de stilte

die ettelijke echo’s verjaagt van dreunende toetsen donderende routine VIER UUR CUP-A-SOUP! …………………………………… een zwaan vliegt over het veld en plukt de dahlia

ik deduceer geen zingeving uit logica ik vond schoonheid door ratio te verdampen rede te offeren op het altaar van de esthetica 'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 144

1/2


......

door de schaduwen van blaad’ren op mijn gelaat omhelst mij de zon

影を通して 私の顔に葉の 私には太陽を抱く

scalpels en microscopie bieden geen troost - in bergen, bossen, beuken, bloesems ligt mijn soelaas

ik tors mijn atlast aan ego de heuvel op maar sisyfus – nee

die statische boom heeft meer bereikt dan ik

in een zinloze wereld zoek ik zin voorbij smartphone en snelweg

doch wellicht dank ik deze schoonheid van het bergland aan mijn kille, klinische kantoorwand. 'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 144

2/2


De ijsvogel

Aan de donk're waterkant zit een kleine ijsvogel mijn ogen treffen hem daar in verrukte verwondering om zijn zilver-blauwe kleurenpracht nooit gezien als veertienjarige plots daar dook hij pijlsnel en was al weer terug op het takje zijn werkplekje zijn gevangen visje dwars in de bek het ijsvogeltje sloeg het visje plat zo ging dat vele malen om de visjes te verschalken.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 145


Opgedragen aan Diek

Jouw woorden verluchten door zuiver blauw neerdalend bereik je hoogte voor de opstijgende mijn eiland uitgebreid door jouw lachend blauw wordt je adem volgend kracht die de lege gevoelloze steen vergruizelt en uitkotst een vruchtbaar nest warm van getoonde schoonheid achterlatend

Maar dan sluiten groen en of bruin zich voor blauw en zien alleen het geziene de eigen geworden vormloze kleuren en stof verwoest neerdalend de gevormde basis weer in stukken gedeeld door muren rood door gemaakte scherven achterlatend

Om mijn lippen spijt fluister pijnlijk verlangend en geduldig met ongegrond vertrouwen begin jij weer onderaan bodemloos ontkennend beschaamd denk ik laat links

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 146


Blije verwondering!

Zie hem gaan.... war komt hij vandaan hij kwam van ginder het is een vlinder vrolijk fladdert hij in de zon dat is zijn levensbron eens was hij een image nu gaat in vrijage en is hij vrij en maakt mij blij nu zijn zij met zijn twee en ik drink een kopje thee en geniet van verwondering en kwam tot dit gedicht.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 147


Verwondering

Opeens, opeens, dan voel je wat niet te omschrijven hoe komt dat? Waarom blijf je nu toch staan terwijl je eigenlijk door moet gaan. De adem gaat een beetje stokken iets heeft de aandacht getrokken en maakt je plotsklaps blij, de voorstelling op een schilderij flarden van muziek, een refrein het kan van alles zijn, een beeld, natuur, gewoon een ding het overkomt je ineens …. een verwondering. Vergeet even alles om je heen denkt aan dat éne alleen het genieten is heel intens dat schenkt kalmte bij een mens. Zijn overvolle brein spuit niet meer als een fontein het water, rimpelloos, spiegelglad en het is op dat moment dat de wijsheid je tegenlacht nieuwe ideeën tot uitvoering bracht. Je kunt er van op aan zo is het in “Hofwijck” vroeger ook gegaan. Uitvindingen, geschriften uit die tijd behoren tot het erfgoed wereldwijd. Verwondering, verwondering, het is een wonder de mensheid kan niet zonder.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 148


In de stilte van Gods schaamte

Het druilen draaft door vocht springt verder open de muren van de ruimte druipen

bloed vermengt elkaar snelle voeten lossen op verkolende katers zakken

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 149


afbeelding er gebeurt werkelijk veel in het ledige zo

als het gevoel met het zwetende lichaam langzaam naar binnen sluipt wetend ook dat het vanzelf voorbij de woorden vlucht

als de nacht ongemerkt overvloeit in de dag en het onervaren licht dat de omstreken isoleert met de duisternis verdwijnt

als ongeloof met de modieuze kleuren de afwijking van toeval bekleedt en kaders van eenheid afgescheiden vormt

als de grafstenen weerspiegeld worden in uitdrukkingsvormen van de zuivere beelden gekneed door kunstenaarshanden

als het vonnis in het hart schuilt en de lippen de weldadige schemer vergiffenis prevelend recht geeft

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 150


Ook ja

Krampen ook belletjes ook ook adem ja ook wetend ook

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 151


Tijdloos

Bevend voel ik je handen lokken naar overgave aan vrijheid terwijl zich glijdend speeksel vermengd wil je mij meevoeren naar de zee die zich overgeeft aan het verblindende licht vol beweging

Herinneringen vliegen betekenisvol voorbij wat gebeurt vindt geen plaats de hersenen doorspoeld in waas

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 152


M ach hoe lieflijk waren het zijn voeten die hij samensmolt hoe in vochtverruimende paleizen zijn fijntjes gekeerde sprongen hoe ook daar kon hij in de echo spreken over grote grote grote

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 153


Verlaat Zoveel verschillen en geen enkele daar denk ik me weg te veel niet genoeg draai ik af mij raak ik niet aan huizen langs lees ik mij

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 154


Voorbij

Als woorden een eigen leven gaan leiden en stilte oorverdovend wordt

als de mogelijkheid de oorsprongloosheid te denken onmogelijk blijkt en het gevoel van verlatenheid een weg baant

als de muren van de ruimte druipen en de wet van behoud zinledig lijkt

als ik zwijg gedestilleerd van zicht

als dan.

De grens bereikt

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 155


Cornucopia

If one day you cannot find me, you must not be afraid You will meet me before sunrise For that day will be immortal to the hands of time

You will find me there… beneath the rising light of the moon bathing my face in dim porcelain Where the cricket steels the silence with his lonesome play and the wind has lost his voice in awe of the night There, I’m counting the stars, one by one measuring their brightness

You will find me there… sitting on a rock surrounded by sun’s cherishing arms sealing its reflection with a kiss in the calmness of ocean water And where the bee sings on his flight in Eden’s garden in search of his sweet destiny There, I’m counting the drops of the ocean, one by one capturing its fullness

..... 'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 156

1/3


You will find me there… in the void of night’s thunder echoing the light show of playing gods reigning over night and day Where the mute owl has sought his shelter in the armour of defenceless trees and the bat finds himself a spectator of cave’s shadow world There, I’m counting the lightning, one by one defining its omnipotence

You will find me there… in the kingdom of heavenly daffodils fondly massaging my eyes with their yellow light Their face turned to the reigning sun being his servant to earthly souls They smile to me, with gleaming faces celebrating their elated task There, I’m counting the daffodils, one by one measuring their joy

.....

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 156

2/3


And when you find me there, in the emptiness of time, we could count together: the stars, the drops, the lightning, and the daffodils And we would be overwhelmed by the countlessness of creation For how great would be His brightness, His fullness, His omnipotence, and His joy reaching beyond our imagination.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 156

3/3


Wonders of Life

Have you seen the leaf dancing to the rhythm of the wind being raised by the wings of devote forces taking its last breath in silent lees It moves upon sighing gulfs, resistless for it knows there’s life in the surrender

Have you seen the sun kissing the earth in a game of light and darkness It clearly defines its boundaries not afraid of shaded others for in the darkness of the earth it finds existence

Have you heard the river finding its way upon paved roads It sings in the playful search of its destiny fearless for barrier rocks are overcome by its smooth water

.....

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 157

1/2


Have you seen sun’s gleaming eyes in the brightness of a flower’s reflection There, in the splendour of lively nature it smiles to you for it knows there’s life after death

Have you seen all those wonders of life

Open your eyes

The mystery awaits there at the border of infinity

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 157

2/2


Oh! wat gaet er

Elcken dagh elcken nacht heb ’ck getracht te verzilv’ren Elcken tel die soo snel van mij vliedt, rust niet duldt Maer wat schort, ’ck schoot tekort ook al scheelt het slechts schilf’ren Achteraf - sulck een straf - heeft men mijn eeuw verghuldt

Telcken maal dat ik tael naar een woord vlieght het vort Vederlicht uit het sicht als ik dicht gaen dra Gods sluizen open Oh! wat gaet er een water door d’Vliet voor één woord Voor een sin van ’t begin naar mijn hert en mijn sin wenscht te loopen

Telt mij de tellen, Soon, maekt mijn juk lichter Laet mij niet torsen ’tgeen ongewis is Gunt mij een waepen in mijnen strijd

Verstaet uwen Vaeder, des Vaederlands dichter Als jongelingh sagh dy wis wat syn gemis is Ghij hebt de jeughd, Christiaan, gheeft mij de tijd

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 158


Dichtbij de sterren

Dat de gevoeligheid net dansende muzieknoten door de vingers vloeide kende voor een man als Constantijn Huygens geen geheimen meer.

Zijn naam waarin een schatkist aan talenten zat, staat nog steeds voor standvastigheid op balken en in de vele boeken.

Het mooie, ook al is het leven grillig en neemt het ongevraagd wat zo lief is, wiegt op de ribbels van het water, Hofwijck baadt in de zuiverste melodie.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 159


Lichtwonder De toverlantaarn van Christiaan Huygens

Hij hield al jong van experimenteren, het zoontje van diepdenker Constantijn. Verfoeide verzen leren in het Latijn. Wilde veel liever aan de draaibank leren

hoe je het licht kunt breken, reflecteren. Hoe je een lens slijpt tot hij uiterst fijn het toonbeeld van Jan Klaassen en Katrijn verlicht, magisch vergroot kan projecteren.

Mijn grapjesopa was een tovenaar; altijd iets nieuws om ons mee te verbazen.

Hij zette een vreemd glimmend kastje klaar. Het licht ging uit en hij riep: jongens, blazen!

Het wonderbeeld blijft op mijn netvlies staan, met dank aan opa en aan Christiaan.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 160


Verwondering

Geef me mijn ogen terug, zoals ik ze had als kind gedragen op mijn moeders rug zo waardig en bemind

Keer me om naar de tijd dat ik nog kunstenaar was door niemands waarheid ingewijd varend op mijn eigen kompas

Laat me weer in mijn handen klappen voor het sneeuwtheater naar die sneeuwvlokken happen van betoverd water

En wanneer ik me alleen in de zon bevind zal ik weer spelen met mijn schaduw vriendschap sluiten met de wind en een lied zingen met de zwaluw

Breng me terug naar het feest van verwondering want in deze wereld, in deze tijdsgeest leef ik mijn leven in verbijstering‌

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 161


Raken

Hoe iemand je kan raken. De kern van je hart een heel klein beetje aan kan raken. Niet verliefd, maar wel veranderd. Ik wist het pas na het ontwaken.

Hoe makkelijk het ging om niet te denken, maar enkel te ademen. Met zand te spelen, erin te tekenen zonder me ervoor te hoeven schamen.

Hoe ik me niet opgelaten, maar uitgelaten voelde. Mij liet bevechten door de golven en het zout van de zee door mijn haar liet spoelen.

Ik vond het niet erg om te vallen. Het voelde niet als falen, toen zijn positieve uitspraken mijn motivatie niet in waarde lieten dalen.

Hoe iemand je kan raken. Je niet verliefd en het afscheid niet moeilijk doet maken. Door gewoon te bestaan en te lachen, en het daarbij te laten.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 162


Wat toch beweegt Wat toch de wind beweegt om die molenwieken te doen draaien.

Of wat toch die wieken beweegt om zich door de wind tot draaien te laten paaien.

Of wat mij toch beweegt om aan die wieken en de wind gedachten toe te dichten.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 163


Mijn peperboompje Dit scheve peperboompje mag in mijn kamer staan. Ik heb het zelf zien groeien.

Eerst een pitje in een potje toen wat water op de grond. Hij is nu veertien centimeter en hij staat in bloei.

Bij gebrek aan bijtjes binnen, tip ik lichtjes met een vinger één voor één de bloempjes aan.

Opdat dan daaraan pepers komen die me stilletjes versteld doen staan.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 164


Sprietende spruiten Deze kale winterse bodem verraadt niets van het leven dat zich hierin - ijzig en onbewogen schuilhoudt.

Maar ik heb geduld en weet te wachten totdat het straks lente is.

Dan kom ik hier terug en dan zie ik een groenwordend einderver veld vol sprietende spruiten.

Wat een imposant visueel geweld.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 165


Nooit geweest Voor Constantijn Huygens

Je onderstreept woorden in een lokaal van gebogen hoofden, je zet verleden vast op smalle potloodlijnen, loopplanken door een tekst van Piet Calis in enscenering van gescande Oude Meesters, hangjongens, getuigen van hoe Bergh op z’n Goois doceert:

Onderstréép de dichter Cónstantijn Huygens. Onderstréép Renai-ssan-cistisch Ideaal. Onderstréép sneldichten asterisk kantlijn - je stompe punt zweeft even boven wit - schríjf: epigram.

Onze literatuur tot 1916, zo lang vergeten. Goedkoop kaftpapier liet vegen achter, een zwartgrijze fotolijst. In stift op het schutblad naampje en datum. Jouw naampje negentien drieëntachtig. Je zag

.....

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 166

1/2


hem hink-stap-sprong van streepje naar streepje in rood geplooide kniebroek richting het Voorhout, vertrouwd als je handschrift, vertrouwd als V. naast je in de banken. Zijn gestrekte been drukt warmte in je dij. Onderstréép Cóstelick

mal. Dat je zoveel kon zien wat nooit geweest was en niet wat zich werkelijk aan je gaf, stof tegen stof, huid tegen huid. Vernis laat met de tijd los, achteraf weet ik dat ook Fabricius’ puttertje werd geketend.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 166

2/2


als sneeuw ben je m'n bestaan binnen gedwarreld aarzelend, zacht tot stormachtig toe nu is alles wit en nieuw en vol verwachting als een zacht en ademloos beginnen alles heeft een ander aanzien door jou en toch heb je vele gezichten ben je ook als smeltend ijs op een tak zonlicht erdoorheen kristalhelder doorzichtig net voor 't vallen ervan een ogenblik dat nooit meer terugkomt maar waarvan de teerheid de pure kracht van een andere wereld is

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 167


Aan mijn hondje Nora

Lief hondje, wiens wil mij steeds naar buiten leidt, Vertel mij, met je kwispelstaart verblijdt, Hoe ik vernemen kan over jouw nacht ’lijk avonturen. Jouw buitens huizen reis? Hoe kan ik het verduren. Zwierde jij met kansrijke reuen als gezellen: Wiens verlangen jij beproefde door geurend te kwellen. Daar achter de dijk: wiens wil overwon, Labrador, Heidewachtel, Beauceron, Boeren fox, een kleine hond met ongeruste zinnen, Duitse Pinscher, volhardend om te winnen. Zo vervuld, door en door nat bij ons te stranden. Nog vederlicht met al je noden voorhanden. Vleit je haar en huid bij haard tot je meer gaat wegen. Zo’n aankomend nest is niet alleen een zegen. Waar en hoe jij geslapen hebt, is vergeten; hoe lang, maar vooral met wie maakt mij zo bang. Hoe schoon liggen daar 12 wormpjes blind te draaien, Zogend en zoekend waar anderen zaaien. Heb je dan helemaal geen spijt? Lief hondje, wiens wil mij steeds naar buiten leidt.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 168


Een avond, te mooi...

Een avond, te mooi om te benoemen.

Niet zeggen welke bomen, maar ze zien. En zwijgen over hoe het licht de laan langs...

Maar ruiken aan wat er hier in bloei staat, luisteren naar wat verderop roept en zingt.

Even nog geen woorden als ‘wij’ en ‘samen’, op deze mogelijk laatste avond alleen.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 169


Over verwondering, vers van hebzucht.

Ik miste dingen die ik niet had en nooit bezitten zou. De driewieler in wit-met-blauw pianoles en regenlaarzen in het rood een knuffeltje ze maakten mijn verlangens groot. Toen kreeg ik boeken met verhalen van kinderen, verdwalen, armoedig in hun rafels hun mammie stil en ziek de oma leed aan rimmetiek. Ik las en las opdat ik maar zou snappen: mijn wensen moest ik schrappen.

Het hielp geen bal nog steeds mis ik de dingen die ik niet heb en nooit bezitten zal.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 170


Toen de laatste mens de aarde verliet, Keek hij nog een laatste keer In verwondering om met de ogen van het kind dat hij ooit was.

En wat hij zag, was de verbeelding van een herinnering: hij proefde van het eerste ochtendlicht, rook een vlaag pas gemaaid gras, hoorde, nog net, het klapwieken van een vlucht ganzen wegsterven voor de winter kwam.

Moeders stem riep, vaders stem baste.

Hij sloot nu zijn oude ogen.

Een traan welde, een mondhoek kroop omhoog.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 171


In verwondering

Ch:

Papa?!

C:

Ja, zoon?

Ch:

Papa, mag ik buiten schermen?

C:

Heb je al je huiswerk nu al af dan, Christiaan?

Ch:

Ja papa, ik dacht gister na mijn huiswerk voor Grieks, Latijn, Frans, Italiaans, klavecimbel, zang, luit, viola da gamba en rekenen: ‘als ik vandaag voor morgen alvast een beetje doe, dan kan ik direct na de laatste les conversatie lekker langer buiten schermen en misschien ook nog een bezoekje brengen aan monsieur Descartes. Dat wil zeggen, als U, geëerde vader, daar natuurlijk mee in zou stemmen. Kan ik op de terugweg misschien nog wat van Uw correspondentie met oom Hooft en ome Barlaeus aan de bodedienst op het Binnenhof afgeven, dacht ik zo.’

C:

Heb je het je moeder al gevraagd, zoon?

Ch:

Nee pap, mama zit al de gehele ochtend achter de klavecimbel, met de deur dicht.

C:

Ach natuurlijk, het is woensdag vandaag. Hmm, wacht hier jongen; ik roep je moeder er toch even bij om dit gezamenlijk te overleggen. Ik wil namelijk niet het idee krijgen dat jij de kantjes er vanaf loopt.

Ch:

Vader, U kunt er zeker van zijn dat dat geenszins het geval is. Maar ik zal Uw wijs besluit vanzelfsprekend in alle nederigheid afwachten.

C:

Ster …, ehh, Suzanna, SUZANNA LIEVERD, zou je misschien even een kostbare minuut van je goddelijke muziekspel kunnen opgeven om hier beneden te komen overleggen met mij!

.....

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 172

1/2


S:

Riep iemand mij?

C:

Ja lieverd, ik ben het. Of je alsjeblieft een kostbare minuut van je goddelijke muziekspel zou willen opgeven om mij hier beneden met jouw fijnbesnaarde raad en daad terzijde te staan?!

S:

Maar natuurlijk, ik kom mijn prinsje, mijn nachtegaal, mijn duifje, mijn …

C:

… Ahum!

S:

Ahhh, Christiaan, jij ook hier?! …

Ch:

… Dag moederlief …

C:

… Weet je wat, Christiaan: bij nader inzien mag je nu gelijk gaan! En hier, ook nog een hand daalders. Koop er maar wat Petrarca van als je mijn correspondentie eenmaal hebt afgeleverd …

Ch:

… Zou ik er misschien lenzen van mogen kopen, vader? …

C:

… Ook goed!

S:

Maar waarvoor moest ik nou precies naar beneden komen en waar gaat Christiaan eigenlijk zo vroeg op de ochtend naartoe, met scherm en al nog wel? En hoe zit dat eigenlijk met zijn huiswerk?

C:

Het is al goed, lief. Christiaan heeft vooruitgewerkt, en wel net zo snel als dat hij nu deze ruimte zal verlaten … Dag zoon!

Ch:

Dag vader, dag moeder!

S:

… Maar???

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 172

2/2


I.

Verwond

Toen we op het punt stonden om van onze herinneringen afstand te doen, langs goudgerande afgronden ons vluchtig ik achterna te gaan, vloeibaar met de wereld te worden en kapot te slaan op gedroomde trotspartijen, toen was daar godzijdank de minister-president met zijn opbeursende boodschap: ‘koop toch die auto!’

.....

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 173

1/2


II.

-E-

Sla aan de snaar, bespeel de toets, blaas de toon, zing de noot - de trilling golft, het lichaam rilt. Nodig ons, voetnoten, uit voor een bal masquÊ, een diner dansant of desnoods de horlepiep met de geachte notabelen – de avond valt, de nacht ligt braak, het leven licht op.

III.

Ring

Frodo, die kleine Hobbit, die is pas verwond door een ring.

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 173

2/2


waar verwondering

waar verwondering om wijs inzicht in bewondering mijn ziel verlicht schenkt verwondering mij dit gedicht om die buitenplaats een tweegezicht waar verwondering om lied en dicht naast de wetenschap van wonders ligt: binnen Hofwijck geeft het buiten licht!

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 174


Een vriendin heeft nu al de blues van eind januari Ik gaf haar wat zaken om te doen. Misschien een gedicht? Ik schreef snel:

Dicht/dichter/dichterbij Dichterbij is beter. Dichtbij is de keusleus van van vandaagnutegenwoordig. Dicht dichter dichterbij dichterbijmij dichterjijbijmij of liever nog dichterikbijjou?

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 176


@Christiaan ontdekkingsreiziger in oneindigheid die van ruimte gebogen en van tijd bewogen ring en slinger in het hoofd van Hofwijck bol van alle dingen kubusje van niets lijkt

dan kunst en wijsheid

'Dichter op Hofwijck', gedichtnr. 177

Dichter op Hofwijck 2014  
Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you