Page 1

Uit de betovering...

2014 Š Catharine Berghout


E

r was eens lang geleden een groot bos met oude, dikke bomen met veel groene blaadjes, waartussen de vogels hun nesten maakten. De eekhoorns sprongen van tak naar tak, op zoek naar lekkere beukenootjes voor hun wintervoorraad. Zo af en toe viel er één met een zachte plof op de grond. Een heel gewoon bos zou je denken. Dat dacht de oude minstreel die op zijn paard langs reed ook. Falco, zo heette hij, had het naar z’n zin en floot een vrolijk deuntje tot hij opeens iets hoorde in de verte, een klaaglijk geluid, alsof er iemand om hulp roept. Ssst.. daar is het weer..Falco bindt z’n paard aan de dichtstbijzijnde boom en kiest het pad dat in de richting gaat vanwaar het geluid vandaan komt. Als hij een eindje heeft gelopen, komt hij bij een hek. Kkkrrr...het hek knarst als je het open doet. Falco sluit het hek en loopt verder. Het wordt steeds donkerder in het bos. De zon kan met haar stralen niet meer door de dikke laag bladeren heen schijnen, het wordt ook koud. Brrr, wat een somber, donker bos. En dan is daar ineens een open plek midden in het bos. Ook op die open plek is het somber en koud, maar er is wel iets te zien. Er zijn dieren bij elkaar gekomen, het lijkt wel een dierenvergadering. Eens even luisteren waarover ze het hebben. Auauau, bok springt rond en maakt een klaaglijk geluid, auauau, als ik een beetje spring, gewoon een bokkesprong maak, doe ik me bijna altijd zeer! Ik stoot m’n hoofd of m’n benen. Auauauau... De andere dieren knikken meewarig en zien er net zo sip uit als bok. Meneer Poema ligt lusteloos op zijn zij en kijkt de kring rond. Even komt er een felle gloed in z’n ogen als hij zegt: ‘ooit rende ik op de vlakte het hardst van allemaal, ik was een goed jager....Tsja.... Dan worden z’n ogen weer dof en zakt hij lusteloos opzij. Wat is hier aan de hand? Faclo sluipt wat dichter bij, ssstt... misschien kan hij er zo iets meer over horen. Meneer Kameel kijkt naar meneer Raaf. Raaf, waarom blijf jij eigenlijk hier? Jij kunt toch vliegen? Ik zou het wel weten, als ik kon vliegen, ging ik er vandoor. Maar de raaf schudt z’n kop. Ze heeft mij ook betoverd, die ouwe heks, ik kan niet meer vliegen...We zitten allemaal in hetzelfde schuitje en we kunnen niet weg. Tenminste...hoopvol kijkt meneer Raaf rond. Of heeft er soms iemand een idee? De struisvogel schudt haar lange nek. Trots steekt die boven de andere dieren uit. Ik mis de zon en de warmte, zegt ze. Maar ik weet niet waar ik die kan vinden. En even laat ze haar kop hangen, moedeloos. Even maar, dan strekt ze haar nek weer. Iemand moet er toch de moed inhouden? Maar o, wat is ze moe....


Meneer Raaf schraapt z’n keel. Beste dieren, laten we deze vergadering gebruiken om een oplossing te verzinnen. Er moet toch een manier zijn om hier weg te komen? Miauw...Poes stapt naar het midden van de kring. Dat zou al heel wat zijn als we hier weg konden, meneer Raaf, maar er is nog een probleem, hoe moet het met mij? Die ouwe heks heeft mij ook betoverd. Ik was een slang en moet nu leven als een poes. Ik kan alleen maar miauwen en iedereen wil mij aaien. Ik wil weer sissen en kronkelen... Meneer Kameel kijtk met doffe ogen de kring rond. Ik ben verdwaald, ik hoor in de woestijn. In de hitte. Ooit was dat zo en kon ik me soepel bewegen, maar dat is al zo lang geleden. Nee, dat is voorbij...wie helpt mij de weg naar de woestijn te vinden? Krokodil hoort het aan het zegt niets. Hij sluit z’n ogen en denkt: ach ja, eens was ik... ‘Dieren, vrienden’, meneer Raaf neemt weer het woord. ‘Misschien weet ik iets, maar het is niet gemakkelijk. ’t Is ook heel spannend. Aan de andere kant van het hek is een bron. Daarvan wordt gezegd dat als je die bereikt en daarvan drinkt, elke betovering verbroken wordt. Alleen...hoe komen we bij het hek?’ Op dat moment vliegt er iets over hen heen. De schaduw maakt het nog donkerder. Toch niet weer de heks? Het donkere gevaarte komt tot stilstand in de grote, oude boom aan de rand van de open plek. Het is de wijze, oude uil. ‘Lieve vrienden, ik ben blij dat ik jullie gevonden heb. Ik wil jullie graag helpen en weet een manier om bij het hek te komen’. Pssst, heel zachtjes vertelt hij z’n plan. Het wordt donker op de open plek. Zelfs het beetje licht wat er nog was verdwijnt, de nacht komt. Het is stil, of toch niet? Heel zachtjes komen de dieren tevoorschijn en stellen zich op in een rij. Het is een wonderlijke stoet, Bok voorop – dan heeft hij nog een beetje de ruimte – en mevrouw Struisvogel achteraan. Met haar lange nek kan ze alles zien en kijken of alles goed gaat. Ergens in het midden van de groep staat krokodil, met Poes op z’n rug. Meneer Uil – in de boom – spreekt hen nog even toe. ‘En denk goed om wat ik heb gezegd. Zodra je iets hoort, gaan liggen en héél stil zijn’. Alle dieren knikken gehoorzaam, natuurlijk doen ze dat. Gespannen gaat de stoet op weg. Maar hoe moet dat in het donker? Het is echt helemaal pikdonker, ze kunnen geen hand voor ogen zien. Als ze bij de rand van de open plek komen, klaar om het bos in te gaan, zijn er ineens allemaal kleine lichtjes. Die lichtjes vormen een paadje, dwars door het bos. Meneer Uil glimlacht. Hij heeft de hulp ingeroepen van duizenden glimwormpjes. Die schijnen met hun lichtjes en zorgen ervoor dat ze het paadje goed kunnen zien.


Opgelucht trekt de stoet het bos in. Stel je voor dat het gaat lukken.. Een hele tijd lopen ze rustig verder, alles lijkt goed te gaan. Totdat de wind opsteekt.... Het gaat harder waaien, de takken wuiven heen en weer, het rommelt in de verte. Angstig kijken ze elkaar aan, ze weten heel goed wat dit betekent: de heks is in aantocht. Wat nu? Bok springt van schrik tegen een boom. Au..! Sstt, sstt, rustig, geen paniek.. Meneer Uil vliegt over hen heen, rustig en bedaard. Ga allemaal op de grond liggen en houd je doodstil. Terwijl hij nog tegen hen praat, doven alle lichtjes. De glimwormen graven zich in, diep in de grond, zodat niemand hun lichtjes kan zien. In een oogwenk is het donker en heel stil.De wind neemt in kracht toe, er is het geluid van harde donderslagen en je hoort de takken van de bomen kraken en kreunen. En dan is daar de rauwe lach van de heks. Ha..ha..ha.. Zoeff, daar gaat ze over hun hoofden. Ze houden hun adem in... En dan is het voorbij, de wind gaat weer liggen, en één voor één komen de lichtjes weer boven de grond. Ook de andere dieren komen heel voorzichtig overeind. Is het ècht veilig? Maar het blijft rustig, ja het is ècht veilig! Opgelucht halen ze adem, brrr, dat was op het nippertje. Zonder verdere narigheid komen ze bij het hek. Knerpend gaat het open. Kkkrrr.... Ze schrikken, wat een herrie maakt dat hek! Maar het blijft gelukkig rustig. Het hek sluit achter hen en de glimwormpjes wijzen hen de weg. ‘Nog even en we zijn er’, spreekt meneer Uil hen moed in. Houd vol! Terwijl ze zo verder gaan is het licht geworden, het wordt ook warmer. De zon schijnt. Ah, wat is dat lekker, die warme zonnestralen op hun koude lijven. Ze durven nu ook wat met elkaar te praten. Krokodil begint zelfs te lachen en roept naar Poes op zijn rug: hé, ’t wordt tijd dat je een slang wordt. Dan kunnen we tenminste wedstrijdje houden, doen wie er het eerste is... Poes lag op haar rug in het zonnetje te spinnen, ze had het zowaar even naar haar zin als Poes. Maar als Krokodil dit tegen haar zegt, springt ze overeind en roept opgewonden: ‘denk je dan dat ik een slang kan worden? Luister eens allemaal, Krododil denkt dat ik een slang kan worden’. Alle dieren beginnen opgewonden door elkaar heen te praten. Meneer Raaf houdt z’n gezicht in de plooi, hij loopt nog steeds dapper mee maar denkt: als dat waar is, zou ik dan weer kunnen vliegen? Als het toch eens echt waar is, als de bron de betovering echt verbreekt..? Ze staan bijna tegelijkertijd stil. Daar in de verte glinstert water... de bron. Er gaat een siddering door hen heen. Ze zijn er! Meneer Uil gaat voor hen staan en zegt: lieve vrienden, we zijn bij de bron aangekomen. De glimwormpjes hebben jullie de weg gewezen. Laten we hen eerst bedanken. Ga dan naar de rand van de bron en drink tot je genoeg hebt. En wacht rustig af.


De dieren kijken de glimwormpjes aan: jullie hebben ons enorm geholpen, dank jullie wel!! De glimworpjes glimmen nog even met hun lichtjes en graven zich dan in, ze gaan eens even heerlijk uitrusten van deze spannende nacht. En dan kunnen ze niet meer wachten, zo snel ze kunnen, haasten de dieren zich naar de rand van de bron. Mevrouw Struisvogel is er het eerst, ze buigt haar kop voorover. Wat een helder water! En wat heeft ze een dorst... Voorzichtig neemt ze een paar slokjes, en nog een paar en dan slurpt ze het water naar binnen. Net zolang tot ze geen dorst meer heeft. Dan volgen ook meneer Raaf en Bok. Naast elkaar drinken ze van het water. Van enthousiasme springt Bok er bijna in. Rustig, rustig, bromt meneer Raaf, straks verdrink je nog. Ook de andere dieren hebben het water bereikt en drinken en drinken tot ze niet meer kunnen... Wat hadden ze een dorst! Kameel is de eerste die overeind komt. Hij strekt z’n lange benen en kijkt rond. Waar is hij? De woestijn... hij is in de woestijn! Het is warm, de zon staat loodrecht boven hem. En dan weet hij het weer, hij was verdwaald. Het was warm, hij had zware pakken op z’n rug en hij was aan het dromen gegaan, over hoe het zou zijn zonder zware pakken. En toen was hij verdwaald. Een beetje verdwaasd kijkt hij rond. Heeft hij soms ècht gedroomd? Hij is weer in de woestijn, maar er is iets...hij weet het nog niet precies. Het is anders dan anders. Met z’n lange lijf en z’n hoge poten doet hij een paar stappen, en nog een paar, en nog een paar. Steeds soepeler beweegt hij zich. Hij voelt het ineens, hij heeft geen zware pakken meer op z’n rug. Wat een vreemd gevoel is dat, z’n lijf schudt niet meer zo heen en weer onder die zware last. Soepel komt hij vooruit. Hij schudt nog eens met z’n kop. Droomt-ie het niet? Maar nee, hij is klaarwakker, hij is in de woestijn en hij beweegt zich soepel. En dan ziet hij hen in de verte, een hele stoet kamelen. Fier en soepel bewegen ze zich door de woestijn. Daar wil hij naar toe, daar hoort hij. Met opgeheven hoofd gaat hij hen tegemoet. Meneer Raaf is klaar met drinken en schudt met z’n snavel. Oei, wat jeuken z’n vleugels, hij kan ze haast niet meer stilhouden. Misschien helpt het als hij ze wat heen en weer beweegt. Z’n vleugels gaan op en neer, op en neer en ineens... zoefff, daar gaat-ie de lucht in... hij vliegt!! Op en neer, op en neer gaan z’n vleugels. Geweldig, hij kan weer vliegen. Hij maakt rondjes boven de bron en roept naar beneden: zien jullie mij, ik vlieg hier boven jullie. En enthousiast wappert hij met z’n vleugels. Dag allemaal! Ik ga...de wijde wereld in. Hij kijkt naar beneden en het laatste wat hij ziet is een slang. Ssssssss, kijk een beetje uit waar je loopt, sist de slang. Sssss.. ik kronkel en sis en ssss.. daar ga ik. Ik hoef me niet meer te laten aaien, ik ga er vandoor. Dag, ssssss... En soepel glijdt de slang het bos in. Sssss.., het ga jullie goed.


Mevrouw Struisvogel strekt haar nek, ze voelt de zon op haar kop. Wat is dit lekker warm... En wat een vlakte ligt daar voor haar... Haar lange benen beginnen te kriebelen, ze voelen niet meer zo moe. Stap voor stap komt ze in beweging, steeds sneller gaan haar benen. Wat kan ze hier heerlijk lopen...wat heeft ze hiernaar verlangd. Ze kijkt opzij en ziet meneer Poema in de verte rennen, soepel en met een gloed in z’n ogen. Ook meneer Poema is weer thuis. Wie zien we daar in de verte? Het is bok. Hij springt heen en weer en zingt uit volle borst. Oh wat ben ik blij, van links ja, ja, naar rechts ja, ja, kom vier dit mee met mij! En telkens zwaait hij met z’n poten in de lucht, eerst met z’n twee linkerpoten en dan zijn de rechterpoten aan de beurt. Krokodil ligt aan de rand van de bron en slaakt een zucht van verlichting. Hè, hè, dat is tenminste gelukt, hij heeft het gehaald! Nu eerst maar eens even uitrusten. Z’n ogen vallen dicht en hij valt in een diepe slaap. Straks, als hij wakker wordt, zal hij weer verder gaan. Want hij weet het weer, hij weet waar hij naartoe wil... Hoog in de boom zit meneer Uil en kijkt tevreden rond. ’t Was een spannende nacht en een mooie dag. Dag vrienden, het ga jullie goed! En Falco...hij wrijft in z’n ogen en nog eens. Was het echt of heeft hij het gedroomd? Wat maakt het uit, wat hij gezien heeft, zal hij niet gauw vergeten.

Uit de betovering  

Uit de betovering door Catharine Berghout

Advertisement