Page 1

| De Wondere Pluim | 2010 |

1


2 | De Wondere Pluim | 2010 |


VOORWOORD

Sommige vogels hebben wondere pluimen De wondere pluim! Dat zuig je niet zomaar uit je duim! Je moet je concentreren! Het zijn niet zomaar veren! Dit motto schreef een deelnemer op voor zij een verhaal begon te schrijven. Met ‘motto’ bedoelen wij in Het Kapersnest geen bromfiets, maar een lijfspreuk. Zelf zouden wij geen betere lijfspreuk kunnen verzinnen voor de fantastische Wondere Pluim. Het zijn inderdaad niet zomaar veren … Ze schitteren als een pauwenstaart! Het Kapersnest volgt de Wondere Pluim al vanaf het begin. Het idee om een schrijfwedstrijd te organiseren waarin Nederlandstalige en anderstalige kinderen gelijke kans hebben om een pluim te verdienen, spreekt ons aan. Elk jaar zijn we weer aangenaam verrast. Wat een schrijfplezier. Wat een plezier om te lezen! Elk jaar zijn er op zijn minst twee verhalen bij die de juryleden even mooi vinden. Maar we moeten kiezen … ‘Mogen er voor één keer twee pluimen uitgedeeld worden?’ vragen we dan aan mevrouw de voorzitter. ‘Er zijn 12 niveaus en in elk niveau wordt een pluim verdiend,’ zegt de mevrouw streng maar rechtvaardig. ‘Denk eens aan al die mama’s en papa’s die alle verhalen voor het eerst gelezen hebben. Zij hebben ook moeten kiezen … Met hartenpijn hebben ze soms een mooi verhaal opzij moeten leggen omdat een ander net een tikje beter was.’

| De Wondere Pluim | 2010 |

3


De dames en heren van de jury buigen nederig het hoofd. Kiezen is verliezen. Er kunnen maar 12 vogels met de wondere pluimen pronken. Maar toch … Een welgemeende proficiat aan de winnaars en aan iedereen die in dit boek vermeld staat. Bedankt aan alle kinderen die hebben meegedaan en aan de mama’s en papa’s die alle verhalen hebben gelezen. En denk eraan: een vogel blijft zingen zoals hij gebekt is. Volgende keer zeker weer meedoen. Dat doen wij ook! Het Kapersnest Stadsdichter Peter Holvoet-Hanssen en jeugdschrijfster Noëlla Elpers

4 | De Wondere Pluim | 2010 |


JUrYVERSLAG Niveau 1 Of de eerste winnaar van deze editie illustrator is, schrijver, of misschien wel beide, daarover raakte de jury het niet eens. Maar dat er een mooi verhaal voor ons lag met mooie tekeningen, een vertelling die goed is afgerond en opgebouwd werd rond een originele wens, daarover was weinig discussie. Je komt niet elke dag een man tegen die graag een muis wil zijn. Daarom gaat de eerste Wondere Pluim van 2010 naar De Wensput van Noah Macanovic. Niveau 2 Kort, krachtig, eenvoudig én filosofisch. Wat een mooie vondst, om neer te schrijven dat jij van je mama komt, en je mama van je oma; maar “de laatste oma, van welke buik - of buil - die is gekomen?” Je blijft als lezer achter met een glimlach, zo ontwapenend mooi is dit verhaal. Dagboek van Rayhana Gharib wint een Wondere Pluim. Niveau 3 Vriendschap dook vaak op in deze editie van de Pluim. Maar dit is wel het verhaal met de meest originele insteek. Mits een kleine maar drastische ingreep overwinnen een heel klein dier en een heel groot dier hun verschillen om beste vriendjes te worden. Een grappig, ontroerend en goed verteld verhaal met een leuk einde. En dus is deze Pluim voor Bruce Eelen met De giraf zonder nek.

| De Wondere Pluim | 2010 |

5


Niveau 4 Wat een moeilijke beslissing, deze Pluim. Alle verhalen waren sterk en elk had zijn voorstanders. Maar toch, deze winnaar weet dat je als auteur én als lezer in de huid van anderen kunt kruipen. Van vogels, bijvoorbeeld. En zij laat ons in een pakkende beschrijving even voelen hoe het moet zijn om zo vrij als een vogel te vliegen. Een Wondere Pluim voor Imane Laktit met Zo vrij als een vogel. Niveau 5 Schattig, goed geschreven en een mooie titel: dit verhaal over eenzame dieren die toch willen knuffelen hoewel dat pijn doet, veroverde snel de kritische harten van de jury. “Toen ze beneden waren, hingen ze allemaal vol mos. Ze waren helemaal zacht. En dus ook hun stekels...” En zo kwam het toch nog goed, voor die arme, lieve egels. Een Wondere Pluim voor Liefde met stekeltjes van Luna Nouwen. Niveau 6 Dit verhaal is zonder meer áf, het is heel zorgvuldig en met regelmaat verteld. En wat een mooie woordenschat: tumult, moerbeienboom. Dit is geschreven door iemand die van taal houdt, en er graag mooie dingen mee maakt. Een Wondere Pluim voor Yuzlem Musa die Mary de Moed Fee schreef. Niveau 7 In dit verhaal was geen vals woord te bespeuren. Het is verrassend door de originele vondst, die tot het einde goed wordt volgehouden. En, sterker nog, de dialogen zitten goed in elkaar, wat op papier veel moeilijker is dan het lijkt. En zo ben je als lezer helemaal mee wanneer een jonge muzikant in een

6 | De Wondere Pluim | 2010 |


notenbalk terechtkomt. Maral Mesgali krijgt van de jury een Wondere Pluim voor De valse noot. Niveau 8 Oost ontmoet West in dit verhaal dat draait rond kabouters én figuren die aan Noord-Afrikaanse verhalen doen denken. Gewoon een leuk verhaal dat mooi verteld is met een duidelijke boodschap, over hoe je vrienden kunt zijn, of je dik, dun of lang bent, of juist niet. De reus met de drie stenen van Aminata Diop krijgt een Wondere Pluim. Niveau 9 Ook hier was de jury weer verdeeld, en werd er stevig met pro’s en contra’s gegooid, maar vooral met pro’s. Uiteindelijk won het verhaal dat het meest spontaan was verteld, dat heel echt voelde en knap het standpunt innam van een hond die niet wilde luisteren naar zijn baasje. Waarop de baas dan maar luistert naar zijn hond. Daarbij is het mooi én leesbaar geschreven, niet onbelangrijk voor een jury die geen twintig meer is. Een Wondere Pluim voor Hannah Duval met De jachthond die niet jagen wilde. Niveau 10 Je kunt niet anders dan onder de indruk zijn wanneer je dit verhaal hebt gelezen. Er zit zo veel authentieke emotie en stilte in dat je er als lezer zelf stil van wordt. Daar doet het verrassende happy end gelukkig helemaal geen afbreuk aan. Boeiend, sterk verteld, een tikje vreemd en goed tot het einde volgehouden. Een Wondere Pluim voor Misha Mostafa met Als ik er niet was.

| De Wondere Pluim | 2010 |

7


Niveau 11 Het liefst had de jury hier twee pluimen uitgedeeld, want er waren twee verhalen in de running die zeer aan elkaar gewaagd waren. Toch gaf dat streepje humor de doorslag in een verhaal dat duidelijk met veel plezier werd neergepend ĂŠn pleit voor vrije, vechtende vrouwen die toch poetsen ĂŠn shoppen. Een bijzonder eervolle vermelding voor Een oud einde en een nieuw begin, maar de Wondere Pluim is voor De vrouwen van de ronde tafel van Marie Sioen. Niveau 12 Wat een sterke intrige, wat een spannend en gevoelig verhaal. Met veel inzicht en sterke dialogen vraagt de auteur zich af wat vriendschap is, om op het einde vast te stellen dat niets lijkt wat het is, en dat niet alles eindigt met een happy end. Gedurfd, en sterk verteld met veel zin voor realiteit. De laatste Wondere Pluim van 2010 is voor Julia Zhu met Echte vriendin of niet.

8 | De Wondere Pluim | 2010 |


DE JURYLEDEN

Al jaar en dag kunnen we vanuit De Wondere Pluim een beroep doen op enthousiaste juryleden die met veel schroom twaalf Wondere Pluimen kiezen uit 36 geselecteerde verhalen. Elk jaar opnieuw zijn ze van de partij. Elk jaar opnieuw wikken en wegen ze, lezen ze zinnen luidop aan elkaar voor, proeven ze woorden, laten hun hart spreken en maken verscheurende keuzes. Verscheurend, omdat ze weten hoe moeilijk schrijven kan zijn. Elk jaar opnieuw genieten ze van mooi opgebouwde verhalen, spitsvondige wendingen en originele invalshoeken. Het zijn: Ikram Aoulad (°1978) is videoreporter, actrice en speelde gastrollen in o.a. Witse en Los. Ze won de KifKifaward met de theatergroep de Eendhoorn. Momenteel presenteert ze Nuff Said, een multidisciplinair kunstpodium in CC Berchem, speelt met TG Eendhoorn en is actief bij het satirisch sketchprogramma de Fatima’s. Mostafa Benkerroum (°1974) is vooral een theateracteur en verhalenverteller. Daarnaast schrijft hij ook kortverhaaltjes voor jong en oud die hij zelf op podium brengt. Momenteel schrijft hij een theatermonoloog voor een kinderproductie. Bernard Dewulf (°1960) schrijft poëzie en proza. Werkte jarenlang voor De Morgen (o.a. als coördinator van de cultuur- en boekenbijlage), waar hij bij het brede publiek bekend werd als columnist. Debuutprijs (1996) voor ‘Waar de egel gaat’, Dirk Martensprijs (2008) voor ‘Naderingen’, Libris Literatuurprijs (2010) voor ‘Kleine dagen’. | De Wondere Pluim | 2010 |

9


Noëlla Elpers (°1959) van Het Kapersnest schrijft jeugdliteratuur zoals o.a. Gringo de bliksemkater, Pip en Suzy, Juffrouw Dondersteen, Dolores (7e druk). Thea Beckmanprijs 2007, Boekenleeuw 2008 (shortlist Gouden Uil), de Kleine Cervantes (2009). Peter Holvoet-Hanssen (°1960), troubadour van www. kapersnest.be die tijdens zijn eerste poëziereis (met Dwangbuis van Houdini) als ontsnappingskunstenaar op verkenning ging. Debuutprijs (1999), Dirk Martensprijs (2001), driejaarlijkse Cultuurprijs van de Vlaamse Gemeenschap (2008) en Paul Snoekprijs (2010). Stadsdichter 2010-2012 Gerrit Janssens (°1975) debuteerde in 2002 met de jeugdroman ‘De grap’. Vandaag is hij vader van twee zonen, copywriter bij een reclamebureau en werkt hij aan zijn tweede boek. Rachida Lamrabet (°1970) is schrijfster en juriste. In 2006 won ze de KifKif literatuurprijs met ‘Mercedes 2007’ en debuteerde een jaar later met Vrouwland (Debuutprijs 2008). In opdracht van t’Arsenaal schreef ze het toneelstuk ‘Belga’ (2009) en in opdracht van het Vlaams-Nederlands Huis De Buren schreef ze de radioboeken ‘Kikker’ en ‘Het meisje en de kat’. Aline Sax (°1984) schreef op 15-jarige leeftijd haar eerste boek ‘Mist over het strand’ over twee Duitse kindsoldaten tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ondertussen is ze historica en heeft ze zeven boeken op haar naam, waaronder het veelvuldig bekroonde ‘Wij, twee jongens’ (Kleine Cervantes 2008, Kinder- en Jeugdjury Vlaanderen 2008 en Provinciale Prijs voor Letterkunde provincie Antwerpen 2008).

10 | De Wondere Pluim | 2010 |


Joke van Leeuwen (°1952) schrijft, dicht, tekent, schildert en treedt op. Ze was in 2008 en 2009 stadsdichter van Antwerpen. In 1978 publiceerde ze haar eerste kinderboek ‘De appelmoesstraat is anders’ en dat zijn er ondertussen 24 geworden. Ze won veel prijzen, waaronder een Gouden Uil voor Iep! (1997), de Nederlandse staatsprijs voor kinder- en jeugdliteratuur (2000) en de Gouden Ganzenveer die echt helemaal van goud is (2010) voor haar hele oeuvre.

| De Wondere Pluim | 2010 |

11


12 | De Wondere Pluim | 2010 |


Verhalen van kinderen uit het eerste leerjaar, Nederlands moedertaal

DE WENSPUT

Op een dag was er eens een wensput en een man. Die man gooide een cent in de put. Hij mocht een wens doen. De man wenste dat hij een muis was. De muis ging naar een stuk kaas. De muis ging eten. De muis ging omhoog. De muis sprong over de kat en rende weg. Noah Macanovic 6 jaar Wereldschool

| De Wondere Pluim | 2010 |

13


IK BEN EEN KIKKER Ik ben een kikker en ik wil een prinses om te kussen.

Ena AnnĂŠ 6 jaar Zuiderdokken

14 | De Wondere Pluim | 2010 |


ALS ER NOGIS SNEEUW IN DE ZOMER Iemand heeft het verkeerde kraantje in de hemel opengezet. Dat was een slechterik. Het was een dief. God wou hem stoppen, maar het was te laat.

Matt Baekelandt 6 jaar Wereldschool

| De Wondere Pluim | 2010 |

15


DE WERELDVREDE

De pinguĂŻn legt een groot ei en een klein ei. Het grote ei, dat is het fopei. De roofvogel had het grote ei, maar daar zat niets in. Toen pikte hij het kleine ei. Hij deed het open. Het kuiken sprong eruit en belandde op zijn poten. De roofvogel vloog naar beneden. Uit alle bomen kwamen vogels. EĂŠn vogel ging naar de roofvogel. Hij vloog rond hem. Het kuiken leefde nog lang en gelukkig. Martha Verbergt 6 jaar Veltwijck

16 | De Wondere Pluim | 2010 |


VERSTOPPERTJE

Beer telt. Van één tot twintig. Vis wordt gevonden. Roos, waar ben je? Gevonden, roos. Roos zegt tegen vis en beer: “Het gaat donderen. De bliksem schiet op ons huis. Kom.” Beer belt naar de brandweer. Tuutaa, tuutaa, tuutaa. “Ik ga blussen. Ik bel even naar de vakmannen.” Quinten Hensbergen 5 jaar Zonnebloem (Wilrijk)

| De Wondere Pluim | 2010 |

17


DE KLEINE BEESTJES

Mama riep: “Opstaan.” “Ik heb raar gedroomd, mama”, zei ik aan tafel. “Wat heb je dan gedroomd?” “Ik zal het zeggen. Er kropen kleine beestjes op mij en die beestjes gooiden poeder op mij. En toen ik op dat poeder lag, viel ik in slaap en toen speelden de beestjes op mijn lijf.” Judit Waeterschoot 6 jaar Klavertjevier

18 | De Wondere Pluim | 2010 |


Verhalen van kinderen uit het eerste leerjaar, Nederlands tweede taal

DAGBOEK

Ik kom van mijn mama. En mijn mama komt uit mijn oma. Maar de laatste oma, van welke buil is die gekomen? Rayhana Gharib 6 jaar Sint-Anna Goethe

| De Wondere Pluim | 2010 |

19


SNEEUWWILL

Sneeuwwill is wakker. Hij gaat naar zijn tuin en geeft de bloemen water. Wanneer hij klaar is met water geven, gaat hij eten geven aan zijn dieren en dan gaat hij zelf eten. Hij gaat naar buiten. Door het bos. Hij ziet een kasteel. Sneeuwwill draait zich om. Hij loopt naar zijn huis. Hij gilt. De heks komt hem achterna. Sneeuwwill gaat zich verstoppen achter het huis. De heks weet niet waar Sneeuwwill is. De heks is in het huis van Sneeuwwill. De heks roept: “Sneeuwwill, waar ben je?” Sneeuwwill loopt hard. Hij is moe. Hij ziet een auto en roept: “Stop!” De auto stopt. Sneeuwwil gaat mee. Bayram Sögüt 8 jaar Klavertjevier

20 | De Wondere Pluim | 2010 |


NOOIT

Ik ga nooit snel. Waarom ga ik nooit snel? Dat weet ik niet. Niemand weet het. Waarom weet niemand dat ik nooit snel ga? Stephan Wellner 6 jaar Tachkemoni

| De Wondere Pluim | 2010 |

21


22 | De Wondere Pluim | 2010 |


DE BUSCHAUFFEUR GAAT SKIEN De buschauffeur verveelt zich. Hij gaat skiĂŤn. Hij gaat naar de auto. Hij zit in de file. Hij wacht en wacht. Een uur. Hij stapt uit en hij is heel blij.

Ivana Batcharov 7 jaar Kolibrie

| De Wondere Pluim | 2010 |

23


DE ONTSNAPTE AAP

Er was eens een aap. Hij heette Tom. Iedereen vond hem grappig. Hij woonde in de zoo. “Zo raar,” vond iedereen, “die doet heel gek.” De aap deed elke dag gek en zot. Op een dag was hij verdrietig, want niemand was gekomen. Hij was alleen. Niemand was met hem aan het spelen. En toen het middag was, wou hij weg. Opeens zag niemand Tom meer. De directeur kwam. “Wat is er?”, vroeg hij. “Tom is ontsnapt.” “Iedereen”, zei de directeur, “kopieer de foto van Tom en hang hem aan de bomen.” “Waar ben ik?”, vroeg Tom, de aap. “Hallo”, zei de man. “Ben je verloren?”, vroeg hij. “Ja”, knikte Tom met zijn hoofd. “Oh, jouw foto”, zei de man. “Ik ga bellen.” Toen kwam de directeur. “Dank u”, zei de directeur. “Graag gedaan.” “Dank u, dank u, je krijgt een beloning”, zei de directeur. Ze gingen naar de zoo en leefden nog lang en gelukkig. Paulina Zakrzewicz 10 jaar Sint-Jozef

24 | De Wondere Pluim | 2010 |


IK WOU OOIT EEN PIRAAT ZIJN

Wilden jullie ooit een piraat zijn? Ik wel. Ik ben naar een piratenmuseum geweest en toen wou ik ook piraat worden. Ik ging naar huis. Ik zocht een kostuum en ik vond er een. En ook het schip van papa. Toen werd ik wakker. Het was een droom. Gal Ancha 7 jaar Tachkemoni

| De Wondere Pluim | 2010 |

25


26 | De Wondere Pluim | 2010 |


Verhalen van kinderen uit het tweede leerjaar, Nederlands moedertaal

DE GIRAF ZONDER NEK

Er was eens een lief, klein girafje. Hij ging naar het bos om besjes te plukken, maar mama giraf wist dat niet. Opeens zag hij iets bewegen in de bosjes. Hij dacht: “Heu, wat zou dat zijn?” Hij zag kleine muizenoren. De muis zei: “Kom hier als je durft. Als je niet komt, dan klop ik op je hoofd en dan wordt je hoofd zo klein als ik.” Maar de giraf hoorde hem niet. Want zijn nek was zo hoog. En aan je nek hangt natuurlijk je hoofd en aan je hoofd je oren. Arme giraf. De muis klopte met een hamer op het hoofd van de giraf en de giraf zijn nek werd net zo klein als de muis. De muis had het eigenlijk gedaan, omdat hij een vriendje wou. Als de giraf even klein was als de muis, dan zouden ze samen kunnen spelen. De muis mocht bij de giraf wonen en ze leefden nog lang en gelukkig. Bruce Eelen 7 jaar Wereldschool

| De Wondere Pluim | 2010 |

27


DE HEMEL ZONDER STERREN

Heel lang geleden, besliste God dat iedere mens op aarde een ster in de hemel zou hebben. Maar de laatste tijd zag de maan minder en minder sterren aan de hemel staan. Op een nacht keek de maan naar zijn linkerkant en zag veel vallende sterren. De maan vroeg aan een paar andere sterren: “Wat betekent dat?” “Dat zijn mensen die door de vele oorlogen en geweld nu op de aarde aan het sterven zijn”, antwoordden de sterren. De maan was verdrietig. Toen keek hij naar zijn rechterkant en zag heel kleine lichtpuntjes die langzaam naar de hemel klommen. De maan vroeg aan de sterren: “Wat betekent dat?” De sterren antwoordden dat dit de pasgeboren kindjes waren. De maan keek tevreden naar de kleine lichtpuntjes en dacht: “Er is nog altijd hoop op de aarde en voor de hemel ook, zodat hij nooit zonder sterren zal staan.” Emilie Deac 7 jaar Zwemschool

28 | De Wondere Pluim | 2010 |


EEN BEETJE

Op een dag stond Alles op. Een beetje stond op zijn kop. Niks vertelde een flauwe mop. De dag ging voorbij. Toen ze alledrie in bed lagen, dachten ze na: “Wat zou er morgen gebeuren?” De volgende dag werden ze alledrie wakker, maar die dag was er iets anders. Niks was jaloers op Een beetje, Een beetje was jaloers op Alles en Alles was jaloers op Niks. Dus Alles dacht: “Ik geef de helft aan Niks, dan hebben we evenveel.” Iedereen was gelukkig. Manù Garmendia Alfaro 7 jaar Wereldschool

| De Wondere Pluim | 2010 |

29


30 | De Wondere Pluim | 2010 |


IK HOU VAN ELFJES

Er was eens een meisje van 13 jaar. Ze heette Marie en ze geloofde in elfjes. Zij wilde graag een elfje hebben. Zij had eens nagedacht en vroeg aan haar papa: “ Papa, mag ik een val maken?” “Nou”, zei de papa, “dat mag.” Ze begon eraan en na een tijdje was het klaar. Toen het avond werd, gebeurde het. Het elfje stond op de wasknijper, de wasknijper sprong open, het touwtje schoot los en de pot viel naar beneden. Marie liep de trap af. Ze liep naar de val en schoof een deksel onder de pot. En ja hoor, er zat een elfje in de pot. Marie danste van plezier. Ze tilde de pot op en nam het deksel eraf. Vanaf dan was het elfje de vriend van Marie. Ze mocht de kleren van haar barbiepoppen aandoen. De volgende morgen moest Marie naar school. Ze had een lucifersdoosje, dat was de bank van het elfje. De binnenkant van het doosje had ze een beetje kleiner gemaakt en dat was het stoeltje. Na school gingen ze naar huis. Marie had nog een poppenhuis met een badkamer, een living en twee kamers. Het elfje kreeg eerst nog wat eten en dan gingen ze alle twee slapen. Toen het ochtend werd, moesten ze niet naar school, want het was vakantie. Ze gingen lekker wandelen in het bos. Ze gingen naar de speeltuin en hadden veel pret. Ze gingen schommelen en wippen. Maar toen begon het te regenen. Marie en het elfje liepen zo vlug ze konden naar huis. Het elfje bleef voor altijd bij Marie. Janne Wellens 7 jaar Veltwijck | De Wondere Pluim | 2010 |

31


IK WIL EEN KNUFFEL

Er was eens een egel. Hij wou zo graag een knuffel, maar iedereen zei: “Je prikt te veel.” Eerst ging hij naar de stad. Hij vroeg aan een grote mens: “Mag ik een knuffel?” Maar de grote mens zei: “Echt niet, je prikt veel te veel.” Toen ging hij naar het voetbal. Iemand had een goal gemaakt en iedereen knuffelde elkaar. Het egeltje vroeg: “Mag ik ook een knuffel?” “Nee, zeker niet, je prikt te veel.” Toen ging hij naar de kerk. Iedereen gaf een hand of een kus of een knuffel. Opeens hoorde hij een stem. De stem kwam uit de stad en vroeg: “Mag ik een knuffel?” Het egeltje ging direct naar de stad. Daar stond de krokodil. Hij vroeg: “Mag ik een knuffel of een kus?” De egel zei: “Ik wil je wel een knuffel geven, hoor. Ik wil ook wel een kusje geven.” “Echt?”, vroeg de krokodil. “Natuurlijk”, zei de egel. “Dat is keigoed”, zei de krokodil. De egel gaf direct een knuffel en een paar seconden later ook nog een zoen. Nu was de egel blij. De krokodil was ook heel erg blij. Simon Albrechts 7 jaar Neerland

32 | De Wondere Pluim | 2010 |


SPELEN IN DE SNEEUW

Er waren een paar kindjes aan het spelen in de sneeuw. ’s Nachts kwam er een heel groot monster. Het wou de sneeuwman kapotmaken. EÊn kindje had het gezien. Ze zetten de sneeuwman in de diepvries. Toen het warmer werd, smolt het monster. En toen het terug kouder werd, zetten ze de sneeuwman terug buiten. Nathan Scheyltjens 8 jaar Veltwijck

| De Wondere Pluim | 2010 |

33


34 | De Wondere Pluim | 2010 |


Verhalen van kinderen uit het tweede leerjaar, Nederlands tweede taal

ZO VRIJ ALS EEN VOGEL

Hoog in de lucht, tussen de wolken, is het altijd even mooi. De wolken glanzen zo helder. Het zonlicht lijkt wel van goud en je ziet alles van op een afstand. Het mooiste van al is dat je kan vliegen, zo vrij als een vogel, waarheen je maar wil. Spreid gewoon je vleugels en vlieg weg. Je geniet van de mooie kleuren van de natuur, het groen van het bos, het blauw van de zee en het bruin van de bergen. Is er iets mooiers dan vrij zijn als een vogel? Imane Laktit 7 jaar Wereldschool

| De Wondere Pluim | 2010 |

35


DE KOALA

Er was eens een koala die heel graag wilde fluiten. En ook een boom die duizend jaar oud was. Op een dag ging de boom dood. De koala maakte een gouden fluit. Hij ging naast de boom zitten en begon een prachtig lied te fluiten. Hij huilde en had tranen van geluk. Terwijl hij huilde, begon de boom te groeien en te groeien. De boom was net als nieuw. De vogels keerden terug en hielden een groot feest en aten een lekkere taart. Ayoub Khaled 8 jaar Blokkendoos

36 | De Wondere Pluim | 2010 |


DE MAGISCHE BLOEM

Er was eens een bloem die kon toveren. De bloem toverde meer en meer bloemen. Eén bloem die schoenen aandeed. Eén bloem die kleren aandeed. Eén bloem met glitters. Eén bloem die altijd gras at. Op een dag hadden ze ruzie. Ze namen afscheid van elkaar. Toen kwam er een meneer, pakte de bloem met glitters en nam ze mee naar huis. Ikram Boulahdarej 7 jaar Zuiderdokken

| De Wondere Pluim | 2010 |

37


DE SLIMME BOOM EN JONGETJE HET

Er was eens een slimme boom, die mensen hielp. Maar op een dag was de boom ziek. In de buurt van de boom woonde een oude vrouw. Zij zorgde voor de boom. De boom werd een beetje beter. Maar toen werd de oude mevrouw ziek. Na één week overleed ze. De boom huilde. Op een dag was er een jongetje in het bos aan het wandelen. Hij was moe en ging tegen de boom liggen. De boom voelde dat er een jongetje tegen hem zat. Er groeiden heel veel appels aan de boom. De boom begon te bewegen en hij gooide appels tegen het hoofd van het jongetje. Het jongetje schrok. “Wat is dat?” riep hij, “Een appel!” Het jongetje stond op en keek naar de boom. De boom vroeg: “Hoe heet jij?” Het jongetje kon niet geloven dat de boom kon praten. De boom vroeg het nog eens: “Hoe heet jij?” De jongen durfde niet antwoorden. Eindelijk zei hij: “Ik heet Jeroen en hoe heet jij?” “Ik heet de slimme boom.” De jongen zei: “Ik moet nu naar huis. Ik kom morgen terug.” “Oké.” De jongen ging naar huis en vertelde alles aan zijn ouders, maar die geloofden hem niet. Jeroen zei: “Kom dan mee morgen.” “Ga nu maar slapen”, zeiden zijn ouders. De volgende morgen stond Jeroen op. Hij zei: “ Mama, papa, komen jullie nu, want jullie geloven mij niet.” Zijn papa en mama zeiden: “Kom dan.” Ze gingen naar het bos.

38 | De Wondere Pluim | 2010 |


Toen ze bij de boom waren, zei Jeroen: “Slimme boom, ik ben er.” De boom zei niets. Zijn mama en papa zeiden: “Dat kan niet, een boom die praat”, en zij begonnen te lachen. “Hahahahahahahahahaha”, lachten ze. Jeroen begon te huilen. De boom was een beetje boos op de ouders van Jeroen. Toen begon hij te praten. Zijn mama en papa stopten met lachen en de slimme boom vroeg aan Jeroen: “Zijn deze mensen jouw ouders?” Jeroen knikte. “Ja”, zeiden zijn mama en papa, “die boom kan echt praten.” “Ja maar, ik bel de politie”, zei zijn papa. “Neen”, zei Jeroen. De politie kwam en de boomhakker ook. Zij sneden de boom door. Jeroen riep: “Nee, nee, nee, nee”, en begon te huilen. Lejla Bejzaku 12 jaar Sint-Jozef

| De Wondere Pluim | 2010 |

39


40 | De Wondere Pluim | 2010 |


HET KLEINE BLOEMPJE

Er was eens een bloempje in het bos. Het stond achter een boom en weende jaren en maanden. Op een dag kwam er een meisje en ze vroeg: “Wat is er, klein bloempje?” “Wie ben jij?”, vroeg het kleine bloempje. “Ik ben Lies.” “Och, wat ben ik blij”, zei het bloempje. “Wat is er met je?” “Ik ben droevig.” “Waarom?”, vroeg Lies. “Ik heb geen vrienden en ook geen zon achter die boom.” “Dat is wel een groot probleem. Hmm, daar moet ik iets aan doen. Ik kom meteen terug”, zei Lies. En zoals ze zei, kwam ze terug, met een zak met zaadjes. Het kleine bloempje vroeg: “Wat zit er in die zak ?” “Zaadjes.” “Wat ga je daarmee doen?” “Ik zal je vriendjes geven.” “Maar hoe?”, vroeg het kleine bloempje. “Ik zal een put graven en dan water geven en dan zullen ze groeien.” “Ooh, wat leuk. Bedankt Liesje.” “We gaan beginnen.” “Oké”, zei het kleine bloempje, “kan je mij ook een beetje water geven?” “Natuurlijk.” “Maar wacht, ik kan toch niet groeien.” “Ik zal mijn papa vragen of hij de boom komt afzagen.” “Goed idee”, zei het kleine bloempje. Angelika Pietrowska 7 jaar Blokkendoos

| De Wondere Pluim | 2010 |

41


DE ROOS

Op een dag was ik aan het wandelen. Ik zag een roos. De roos was verdrietig. Ik ging naar de roos en vroeg: “Wat is er?” Ze zei: “Ik ben alleen, waar zijn de anderen?” Ik zei: “Ze zijn allemaal geplukt. Dus pluk ik jou ook. Kom maar mee.” Joepie de poepie !!! Ik heb een vaas en de roos is blij. Haitam Ben Brahim 9 jaar Zuiderdokken

42 | De Wondere Pluim | 2010 |


Verhalen van kinderen uit het derde leerjaar, Nederlands moedertaal

LIEFDE MET STEKELTJES

Er waren eens twee egeltjes en die twee egeltjes waren heel eenzaam. Ze wisten wel waarom: omdat ze stekels op hun rug hadden. Maar ze trokken er zich niets van aan. Want ze hadden elkaar toch. Ze waren zo verliefd op elkaar. De jongen heette Ene en het meisje heette Andere. Er was één probleem. Ze durfden elkaar niet te knuffelen omdat ze zo stekelig waren. Ze gingen met de bladertaxi naar het ziekenhuis. Andere was ziek. Ze had de griep. De griep was snel genezen. Ze moest nog veel rusten. Een paar dagen later was ze zwanger. Ze kreeg drie kleine egeltjes: twee jongens en een meisje. Ze gingen wandelen in het bos. Er lag veel mos op de grond. De kleintjes waren vijf maanden oud en rolden van de berg af. Ene zei: “Kom, laten we dat ook doen.” Toen ze beneden waren, hingen ze vol mos. Ze waren helemaal zacht, en dus ook hun stekeltjes. En nu konden ze zoveel knuffelen als ze wilden. Luna Nouwen 9 jaar kRing

| De Wondere Pluim | 2010 |

43


44 | De Wondere Pluim | 2010 |


DE MONSTERWERELD

Er was eens een jongen die Max heette. Hij speelde graag buiten en zwierf graag rond in huis. Op een dag was hij onder de tafel aan het rondneuzen. Opeens botste hij met zijn hoofd ergens tegenaan. Hij keek, nee, hij zag niets. Hij voelde, ja, er was een luik. Nieuwsgierig kroop hij naar binnen. Wat zag hij? Hij wreef in zijn ogen. Een hele wereld vol monsters. Hij voelde iets op zijn hoofd tikken. Er zat een klein vliegend monstertje. “Hé manneke, moet jij niet naar je mama?” vroeg Max. Het monstertje zuchtte en zei: “Mijn mama is meegenomen door Schrokkop.” “Wie is Schrokkop?” “Dat is een gigantisch monster!” Max zei heel dapper: “Wij gaan je mama terughalen!” Een paar uur later vroeg Max: “Zijn we er bijna?” “Ja”, zei het monstertje. Toen kwamen ze aan. Daar stond Schrokkop. Zijn tanden flikkerden in de zon, want ze waren van vuur. “Is dat Schr - Schrokkop?”, vroeg Max bibberend. “Ja”, zei het monstertje. Ze slopen dichterbij, en krak, er kraakte een takje. Schrokkop draaide zijn grote hoofd. “Rennen”, brulde het monstertje, en daar vlogen ze vooruit. Schrokkop had ze bijna ingehaald. Maar wat zag Max daar? Een kanon. Hij mikte op Schrokkop. Maar wat zag hij? Schrokkop had een heel leger bij. “Hoe moet ik dat hele leger aan flarden krijgen?” Opeens duwde het monstertje hem weg en mikte op een rots. Max zei: “Wat doe je nu?” Toen zei het monstertje: “Let maar eens op!” En poef, daar vloog de kogel door de lucht, recht tegen de rots. De rots stortte naar beneden op Schrokkop zijn leger. | De Wondere Pluim | 2010 |

45


“Snel”, zei het monstertje, “mama redden!” Zo snel ze konden, renden ze naar de kooi waarin de mama van het monstertje zat. “Daar”, zei ze, “daar hangen de sleutels.” Het monstertje vloog er naartoe en opende de deur. “Zo”, zei Max, “ik denk dat het voor mij tijd is om terug te gaan.” Thuis vroeg mama: “Waar ben je zo lang geweest?” “Dat geloof je nooit als ik het je vertel, mama.” Dorian Hemerijckx 9 jaar Steinerschool

46 | De Wondere Pluim | 2010 |


DE ZEEHOND EN DE HOND

De zeehond zwom heel graag, maar hij wou toch liever een gewone hond zijn. Plots zag hij een hond in het water. Hij dacht: “Ik ga de hond helpen.” Hij zwom er naartoe. De hond bedankte de zeehond en zei: “Ik zou liever een zeehond zijn.” En de zeehond zei: “Ik zou liever een hond zijn.” “Echt waar?”, vroeg de hond. “Jaaa”, zei de zeehond. De hond dacht na. Plots wist hij het: “We moeten onze hersenen verwisselen.” “Waarom?”, vroeg de zeehond. “Omdat onze hersenen de controle hebben over ons lichaam.” “Oké”, zei de zeehond, “maar hoe doen we dat?” De hond zei: “Hoofddeksel er afhalen natuurlijk.” “Oké”, zei de zeehond. De zeehond is nu een hond en de hond is nu een zeehond. Ze waren echt blij en leefden nog lang en gelukkig. Glenn Roosenbroeck 10 jaar Jonghelinckshof

| De Wondere Pluim | 2010 |

47


DE PADDENPRINSES

Op een dag waren prins Filip en prinses Roosje aan het wandelen in het bos. Het was een prachtig bos vol mooie vlinders en bloemen in alle kleuren. Een eindje verderop lag een meer vol kleine schattige kikkertjes en meerminnen. Achter het meer was een waterval. Over het water liep een brug. Ze vonden het spannend, want de week daarop gingen ze trouwen. Ze liepen verder en verder, maar het bos werd steeds lelijker. Het werd zwart. Ze wisten niet dat ze verdwaald waren. Al gauw merkten ze het. Ze zagen zwarte bomen. Er waren geen vlinders, maar wel zwarte vleermuizen. Er was geen enkele bloem, maar zwarte doornhagen. Het gras was helemaal zwart. In de verte zagen ze een huisje, helemaal paars en roos en met een blauw dak met hartjes. Drie ramen had het huis, met roze gordijnen met witte bolletjes en een gele deur. Het was een prachtig huis. Ze dachten: “Daar moet wel iemand wonen die ons kan helpen.” Het was nog een eindje lopen voor ze er waren. Toen ze er waren, klopten ze op de deur. Er deed een oud lief vrouwtje open. De prins vertelde het verhaal. Het vrouwtje liet hen binnen. Ze gaf hen eten en drinken en een eigen slaapkamer. Toen ze die ochtend wakker werden, konden ze niet naar buiten. De deur was op slot. Toen kwam het vrouwtje en ze veranderde de prinses in een pad. De prins ontsnapte en nam de prinses mee. Hij vond gelukkig een vogeltje dat hem de weg wees naar huis. De prins bedankte de vogel en ging het paleis binnen. Iedereen schrok. Ze zeiden: “Heb jij een pad mee? Waar is de prinses en waarom ben je zo laat?” De prins vertelde het verhaal. Iedereen schrok. Toen ging de prins naar de koning en de koningin. Hij zei: “Ik ga naar de tovenaar.

48 | De Wondere Pluim | 2010 |


Die kan misschien vertellen wat ik moet doen.” Hij vertrok. Het was nog zomer. Toen de herfst aanbrak, werd het kouder en kouder. De prins dacht: “Ik moet een schuilplaats zien te vinden.” In de verte zag hij een grot. “We kunnen hier slapen”, riep hij blij. Toen hij binnenkwam, zag hij de tovenaar. De prins vroeg: “Waarom bent u hier?” De tovenaar zei: “Mijn grot is ingestort.” “Hoe kan ik de prinses redden?” “Als jij de draak doodt, wordt de pad weer een prinses.” “Hoe weet u dat de heks de prinses in een pad heeft veranderd?” “Ik weet dat door mijn magische bol”, zei de tovenaar. “Ga nu maar snel.” De prins vertrok. Hij nam zijn zwaard en vertrok naar de draak. Toen hij er was, maakte hij een gat in de grond. Daarna maakte hij de draak wakker. De draak was woest! De prins lokte de draak naar het gat. De draak zag het niet, viel in de doornen van de put en ging dood. De pad werd weer een prinses. Ze gingen naar huis en trouwden. Annelore Peeters 8 jaar Sint-Aloysius

| De Wondere Pluim | 2010 |

49


VREDE NOOIT VERGETEN

Ver, heel ver hier vandaan, was er een gemene stad waar ze iedereen uitscholden. Ze dachten alleen maar aan oorlog, oorlog. Op een dag kwam er een leuk gezinnetje en dat werd ook uitgescholden. Maar bij hen werkte schelden niet. Het was een gezin dat van vrede hield. Dus ze negeerden het schelden. De vader van dat gezinnetje had een idee: “Waarom helpen we deze mensen niet, zodat ze iets anders doen dan schelden?” Dagen en dagenlang probeerden ze om van die gemene stad een lieve stad te maken. En alle beetjes hielpen en het werd een lief stadje. Soms werd er nog eens gescholden, maar liever weinig schelden dan veel. Het schelden en oorlog waren verleden tijd. Wapens en geld werden verbrand en iedereen was even belangrijk. Daarna zei vader: “Nu gaan we de wereld helpen.” En zo dachten de mensen aan vrede. En alles met rook werd vervangen door elektriciteit. De mensen leefden nog lang en gelukkig, net zoals de dieren, want de mensen waren vegetariërs. Omar Mboup 10 jaar Gunzburg

50 | De Wondere Pluim | 2010 |


HET EENZAME LEGOBLOKJE Op een mooie zonnige dag ging Jack een huis uit lego maken. Ik hoopte dat hij mij zou kiezen. Zijn hand kwam naar mij toe. Dat vond ik geweldig. De hand pakte mij beet. Ik was zo gelukkig. Ik sprong van geluk. Hij zette mij in het huis van lego. Ik dacht dat alle legoblokjes dat leuk vonden, maar elk legoblokje duwde tegen mij. Dus eigenlijk is het geweldig dat ik drie jaar nooit ben gekozen. Dus eigenlijk, drie jaar triestig zijn, was ...

Oscar Cauchi 8 jaar Kolibrie

| De Wondere Pluim | 2010 |

51


52 | De Wondere Pluim | 2010 |


Verhalen van kinderen uit het derde leerjaar, Nederlands tweede taal

MARY DE MOEDFEE

Op een vroege ochtend, terwijl Mary de Moedfee door het bos vliegt, hoort ze plotseling een heftig tumult. Het komt uit een nest in de moerbeiboom. “Wat is er aan de hand?”, vraagt Mary, terwijl ze op een tak landt. “Het is voor ons tijd het nest te verlaten”, tsjirpt een vogeltje, “maar we hebben nog nooit gevlogen. We zijn zo bang om te vallen.” “Alle vogeltjes kunnen vliegen”, zegt Mary, terwijl ze op de rand van het nest klimt. “Je moet gewoon moedig zijn. En je moet geloven dat je het kan.” “Maar wij zijn niet erg moedig”, tsjirpen de vogeltjes. “Wij zijn alleen erg klein.” Mary glimlacht: “Zijn jullie moedig genoeg om hier naar mij te springen?”, vraagt ze. “Natuurlijk”, tsjirpen de vogeltjes, en ze springen naar Mary. “Dat doen we elke dag.” “Zijn jullie moedig genoeg om jullie vleugeltjes uit te spreiden?”, glimlacht Mary. “Dat is gemakkelijk”, tsjirpen de vogeltjes, en ze spreiden hun vleugels. Die dragen hen hoog de lucht in. “We kunnen vliegen!”, tsjirpen de vogeltjes. Ze wervelen door de lucht. Mary klapt in haar handen. “Ik wist wel dat jullie het konden”, roept ze. Je kan alles doen wat je wilt, als je er maar in gelooft. Yuzlem Musa 9 jaar Kolibrie | De Wondere Pluim | 2010 |

53


54 | De Wondere Pluim | 2010 |


DE DISCOBAL

De discobal hangt een jaar aan een touw. Ze vindt het vervelend aan een touw te hangen. Ze wil heel graag vrij zijn, in de natuur. Dat zou ze heel fijn vinden. Opeens gooit iemand een scherp voorwerp tegen het touw. De discobal valt op de grond. Ze rent vlug de stad in. Ze is eindelijk vrij. Ze ziet een vallende ster. Ze wenst een beste vriend. Ze wandelt in de stad. Daar ziet ze een jongensdiscobal. Ze vraagt hem uit. Selman Tas 8 jaar Zuiderdokken

| De Wondere Pluim | 2010 |

55


NOOIT

Er was op een dag een kind. De moeder van het kind vroeg: “Wil je eten?” Het kind zei: “Ja, mama.” “Wij gaan spruiten eten”, zei de moeder. “Nooit!”, zei het kind. Moeder zei: “Ga eens wandelen met je vrienden.” “Nooit!”, zei het kind. “Gaan we winkelen?”, vroeg de moeder “Nooit!”, zei het kind. De moeder zei: “Jij zegt altijd nooit. Wat is er met jou? Kom, we gaan naar de dokter.” “Nooit!”, zei het kind. De moeder werd boos. Toen kwam de dokter. Het kindje zei nadien: “Gaan we dan paardje spelen?” “Nooit!”, zei de moeder. Sena Ertem 9 jaar Zonnebloem (Antwerpen)

56 | De Wondere Pluim | 2010 |


DE KLEINE EEND DIE NIETS KON

Er was eens een eend die heel klein was. Iedere dag werd hij gepest door de andere eenden. Hij dacht bij zichzelf: “Ik ben wel klein, maar er zal wel iets zijn dat ik kan.” Hij maakte een tekening van een aap. Hij wilde ze laten zien, maar plots struikelde hij over een steen en viel in het water. En zo mislukte de tekening. Hij liet de tekening zien en de eenden lachten zich kapot. Ze zeiden: “Een eend die zo klein is, kan niets.” Hij probeerde op één been te staan, maar toen viel hij op de grond. En de eenden lachten zich opnieuw kapot. Ze zeiden: “Een eend die zo klein is, kan niets.” Hij probeerde te duiken in het water, maar hij viel op de grond. En de anderen lachten zich alweer kapot. Hij probeerde een gaatje in een boom te maken, maar viel opeens op de grond. De andere eenden zeiden: “We hebben het al gezegd: een eend die zo klein is, kan niets.” Ze pestten hem zo veel ze konden. Het duurde een seconde, het duurde een minuut, het duurde een uur. Hij wachtte en wachtte tot ze weggingen. Maar toen hij goed luisterde, waren ze hem niet meer aan het uitlachen, maar kwaakten om hulp. Hij zag dat er een kind van een mama eend vastzat. Alle andere eenden waren te groot om in het hol te komen. De kleine eend probeerde het ‘s nachts en het lukte. Hij nam de kleine eend naar zijn mama eend die aan het slapen was en legde hem bij haar. Sinds die dag noemde iedereen hem de sterke eend. Aisha Mian 9 jaar Villa Stuivenberg

| De Wondere Pluim | 2010 |

57


ZELFMOORD

Er was eens een mooie jongen. Hij was verliefd op een lelijk meisje. De vrienden van de jongen pestten het meisje omdat ze erg lelijk was, maar de jongen vond het meisje heel mooi. Op een dag waren zijn vrienden dit te weten gekomen. Het meisje was er kapot van en sms’te naar de jongen: “Sorry voor wat er gebeurd is. Je was beter nooit met mij geweest.” De jongen was woedend. Hij zei: “Laat mijn vrienden toch gewoon zeggen wat ze zeggen. Ze weten niet zo veel.” Ook de moeder van het meisje was te weten gekomen wat er gebeurd was. Ze zei: “Meisje toch.” Het meisje kon er niet meer tegen en besloot zelfmoord te plegen. De volgende ochtend moest ze naar school. “Stefanie, je moet naar school”, zei moeder. Maar Stefanie antwoordde niet. De moeder ging naar boven en wat zag ze daar? Haar dochter, dood! Opgehangen. De moeder was er kapot van en zei: “Ooh, mijn lieve dochter. Je was beter nooit naar die school gegaan.” Een jaar later pleegde de moeder ook zelfmoord omdat ze het niet meer aankon. Dat hoorden ze op school. De vrienden die het meisje hadden gepest, hadden er spijt van. En de jongen die op het meisje verliefd was, had het meeste spijt. Van alle vrienden die het meisje hadden gepest, had geen enkele het lef om naar haar begrafenis te gaan. Zeg nooit tegen een meisje dat ze lelijk is, voor het meisje is dat zelfmoord. Maité Fernandez 11 jaar Emmaüs

58 | De Wondere Pluim | 2010 |


Verhalen van kinderen uit het vierde leerjaar, Nederlands moedertaal

DE VALSE NOOT

Zoals elke maandagavond, ging ik naar de pianoles. Ik speelde mijn lessen goed en kreeg nieuwe. Maar ik kreeg ook een héél speciaal lesje. De leraar vroeg of ik het precies wou spelen zoals het er stond. “Oké”, zei ik. Ik ging naar huis en speelde het. Maar toen ik de laatste noot indrukte, gebeurde er iets vreemds … Ik zat niet meer op mijn stoel, maar ik stond op een notenbalk! “Help, wat doe ik hier?”, riep ik. Opeens zag ik een rare figuur. Hij was helemaal zwart, met een kop die naast de nek zat in plaats van erop. Hij had een stokje als lijf, 2 stokjes als armen en 2 stokjes als benen. Ik vroeg: “Hallo, wie ben jij?” De figuur draaide zich om en keek mij verbaasd aan. Hij kwam naar me toe en zei: “Ik ben Sol en wie ben jij?” “Ik ben Eva”, zei ik, “maar waar ben ik?” “Jij zit in het menuet van Johann Sebastiaan Bach voor Anna Magdalena Bach”, antwoordde Sol. “In het wat voor Anna Magdalena Bach?” “M-e-n-u-e-t.” “Ah, een menuet”, zei ik. Plots zag ik nog meer van die wezens zoals Sol. Hij vroeg of ik een rondleiding wou. “Graag”, zei ik. Ze begon bij La, haar beste vriendin. “Ze is altijd vrolijk, en zingt vaak: “lalala lala.” Ik zei: “Vandaar de naam, zeker.” Ik begroette haar en ging verder. “Dit is Si, de jongste.” | De Wondere Pluim | 2010 |

59


“Oooh, wat schattig”, zei ik. Verder ging ik ook nog naar Do en Re, de twee oudsten. Ik vroeg: “Waar zijn Mi en Fa?” Sol verbleekte, en zei angstig: “Euh … die zijn, euh … die zijn … op reis.” “Hoe bedoel je, op reis?”, vroeg ik. “Ja, op reis, gewoon naar een andere notenbalk.” “Oké”, zei ik. Een tijdje later speelde ik verstoppertje, tikkertje enzovoort. Plots werd dit nieuws verspreid: “De valse noot is ontsnapt!” Vanaf dat moment zag je bijna niemand meer op straat. Ik ging toch maar eens wandelen in het park. En wie ik daar ben tegengekomen, vergeet ik nooit. Het was de valse noot. Ze liep naar me toe en begon tegen mij te praten, zo vriendelijk als maar kon. Maar haar vriendelijkheid was zo vals dat het pijn deed aan mijn oren. Ik liep snel naar Sol en zei wat er was gebeurd. We verzonnen een plan. Ik lokte de valse noot naar het notenplein. Daar stond iedereen het lied van de waarheid te zingen. Toen we klaar waren met zingen, stonden Mi en Fa daar. En plots zat ik weer voor de piano. Jammer. Maral Mesghali 10 jaar Wereldschool

60 | De Wondere Pluim | 2010 |


DE BEER ZIJN STAART

De beer had een lange, mooie staart waar hij heel fier op was. Heel, heel lang geleden, op een ijskoude winterdag, liep de beer hongerig door het bos. Ineens botste hij tegen de vos die een kar vol vis aan het duwen was. Gulzig vroeg de beer een paar vissen, maar de vos wou hem niets geven. Hij stuurde de beer naar de vijver om zelf vis te vangen. “Maar hoe moet ik zelf vis vangen?”, vroeg de beer. “Je steekt je staart in het water, je wacht een tijdje en dan trek je hem eruit en heb je je eigen vis”, antwoordde de vos. De beer ging snel naar de vijver en stak zijn staart in het water. Maar het was die dag zo koud dat het water rond de beer zijn staart binnen enkele minuten bevroren was. Toen de beer dacht dat zijn staart vol vis hing, begon hij te trekken. Hij trok en trok. Ineens zette hij al zijn krachten in en trok zo hard dat zijn staart in het water bleef zitten. Met tranen in de ogen keek hij naar zijn staart. Met veel verdriet in zijn hart ging hij naar huis. Sinds die ijskoude winterdag heeft de beer geen staart meer, omdat de sluwe vos hem had beetgenomen. Sophie Deac 9 jaar Zwemschool

| De Wondere Pluim | 2010 |

61


62 | De Wondere Pluim | 2010 |


DE WEDSTRIJD

Heel lang geleden stond de zon blij te schijnen. Opeens kwam er een wolk aanschuiven en bedekte de zon. De zon was verbaasd. Het was de wind. De wind wou in de plaats van de zon staan. De zon werd boos. Ze maakten heel lang ruzie. Eindelijk kwamen ze tot een akkoord. Ze gingen een wedstrijd houden: wie die man zijn jas kon laten uitdoen, zou winnen. Ze gingen aan de slag. Eerst deed de wind een poging. Hij blies en blies, maar de man deed zijn jas stevig dicht en ging schuilen. Toen deed de zon haar poging. Ze straalde al haar warmte uit. De man deed zijn jas uit van de warmte. De wind ging treurig weg. En de zon bleef schijnen. Daarom is de zon soms weg, omdat de wind nog steeds boos is. Hendrik De Boeck 8 jaar Kolibrie

| De Wondere Pluim | 2010 |

63


Tv

Tv daar kijkt iedereen naar, het gaat om spieren of om haar. Kruipt Spiderman in een la, dan doen kinderen hem na. Sommige zenders gaan over muziekstijlen, andere gaan over nagels vijlen. Er komt vaak onzin op tv, daar doe ik absoluut niet aan mee. Ik geloof niet dat je spieren krijgt, als je op een apparaatje hijgt. Van tv kijken word je heel erg lui, ga dan voetballen met je nieuwe voetbaltrui. Wees eens creatief, wees eens lief, kijk gewoon even geen tv ga een dagje naar de zee. MAAR KIJK GEEN TV (Trouwens het verbruikt veel energie!) Dit is het einde van mijn theorie. Sofia Benesty 10 jaar kRing

64 | De Wondere Pluim | 2010 |


ZWEVEN OP DE VLEUGELS VAN DE NACHT

Ik lig in bed. Ik droom dat ik kan vliegen. Ik heb het gevoel dat ik zweef. Ik voel mij zo licht als een veertje. De nacht tilt mij op. Ik krijg echt het gevoel dat ik zweef. Ik zweef hoger en hoger en hoger, tot aan de maan. De maan lacht naar mij. Ik voel mij gelukkig en wil nog hoger, maar het lukt me niet. Ik probeer het nog een keer. Ik spring van de maan en probeer weer te vliegen. Ik val. Ik val in een diepe put, en roep: “Help!” Ik val en ik val. Tot ik opeens wakker word. Het was allemaal maar een droom. Mama roept: “Wakker worden!” Ik loop naar beneden en denk bij mezelf: “Morgen droom ik weer.” Siebrand Verhulst 10 jaar Steinerschool

| De Wondere Pluim | 2010 |

65


66 | De Wondere Pluim | 2010 |


Verhalen van kinderen uit het vierde leerjaar, Nederlands tweede taal

DE REUS MET DE DRIE STENEN Op een dag ging de reus Arakhtum op reis. Hij ging hoog een berg op, tot hij een huilende kabouter op een rots zag zitten. “Een arend heeft mijn vrouw gepakt, met zijn vreselijke klauwen”, zei de kabouter. De reus zag een zwart puntje bewegen in de lucht. Hij pakte zijn boog en schoot. Het viel snel naar beneden. Het was de arend die de vrouw van de kabouter had gepakt. De kabouter zei tegen de reus: “Jij hebt het leven van mijn vrouw gered. Ik weet niet welke vreselijke dingen de arend met haar had kunnen doen. Bedankt! Hier is een cadeautje voor je moed.” De kabouter gaf hem drie stenen met de namen sneeuw, bliksem en zon. De reus zei: “Dank je voor het cadeau, maar ik denk niet dat ik die zal nodig hebben.” “Pak alsjeblief mijn wonderlijk cadeau aan, ik zou het voor geen geld, nog voor geen miljoen, aan iemand geven.” De reus ging weg en stak de drie stenen in zijn zak. Er volgde een heeeeeel groot avontuur. Hij kwam de reus Fhal Khul Hauw tegen, die groter was dan de Himalaya (de grootste berg op aarde in Azië). Hij was dubbel zo groot als de reus Arakhtum. Hij wou hem als tussendoortje. De reus Arakhtum gebruikte de steen sneeuw om het te laten vriezen. De reus Fhal Khul Hauw bevroor van de kou. Toen gebruikte Arakhtum de steen zon om de

| De Wondere Pluim | 2010 |

67


sneeuw te laten smelten. De sneeuw werd water en werd een rivier waar Fhal Khul Hauw in viel. Arakhtum lachte en gebruikte toen de sterkste steen, bliksem. Er viel een bliksemflits op Fhal Khul Hauw. De reus ging terug naar de kabouter en diens vrouw en zei: “Dank je, kaboutervriend, jouw stenen hebben mijn leven gered.� Aminata Diop 9 jaar Wereldreiziger

68 | De Wondere Pluim | 2010 |


HET MYSTERIE VAN HET ATOMIUM

Hallo, ik ben boekie koekie. Ik ben een lilapaarsblauwe boekentas met rondige ronden. Ik kan erg goed zandkorrels van de Sahara tellen. O, wacht, ik ben ook prof detective, met een rare naam. Goed, donderdag is mijn enige vrije dag, dus ging ik skiën met mijnheer Eiffeltoren, mevrouw Atomium en de schattige baby Vrijheidsbeeld. Waar was ik, o ja, we gingen skiën. Maar in het leven verloopt niet altijd alles met een happy end. Praat ik nu alsof iemand is doodgegaan? Sorry, maar het is veel erger. Mevrouw Atomium is beroofd. Ze had in het begin negen bollen en nu nog maar acht! Dit is een taak voor mij, de detective met een rare naam. Stap 1: Madam Atomium troosten. PS. Zij huilt pijpenstelen. Stap 2. Haar kiekeboe zeggen tot ze lacht. Raar: mevrouw Atomium lacht niet, maar baby Vrijheidsbeeld wel. En dan begin ik aan mijn werk! Ik vraag mezelf af: wie, wanneer, waar en wat? Misschien wel de vrouw bij de kassa: die vond haar bollen heel, heel mooi! Ik ga haar eens een bezoekje brengen. Maar dat kan niet, zij is in België, en wij in Frankrijk. Zij kan het niet zijn. Ah, ik weet het. De ober in het restaurant. Ik ga er naartoe. “Bonsoir, meneer de ober. Heb jij een bol gestolen van madame Atomium, oui? Kom met mij mee. Jij bent mijn verdachte.” 10 minuten later. Wat, wie, wanneer? Blij baba. “Hoe komt het dat jij terug negen bollen hebt?” “Mijn deugnietje had hem verstopt.” “Dat kan niet. Baby deugniet, heb jij het verstopt?” “Ja, dus de ober is niet schuldig.” “Ah! Pardon! Tot ziens.” AAAH Zillah Atzmon 10 jaar Tachkemoni | De Wondere Pluim | 2010 |

69


DE ZIEKE PRINSES

Er was eens een koning die een heel mooi dochtertje had. Op een mooie avond werd het dochtertje ziek. De koning riep alle dokters van het land, maar geen van de dokters kon haar genezen. De koning ging naar zijn kamer en begon te huilen. Op dat moment verscheen er een tovenaar. Iedereen was bang van hem. De koning schrok. De tovenaar zei: “Rustig, rustig. Ik kom de prinses genezen.” “De prinses genezen!”, riep de koning blij. Hij zei: “Ik geef je een stuk land en jij geneest mijn dochter, goed?” De tovenaar ging naar de prinses en toverde: “Ambra Zamba, genees haar, Balazam!!” De tovenaar genas de prinses. Ze was niet meer ziek, maar ze was niet meer zo mooi als vroeger. Ze was heel lelijk geworden. De koning werd zo boos dat hij de tovenaar in de diepste kerker gooide. De volgende dag, toen de bewaker de tovenaar naar de koning wilde brengen, was hij er niet meer. De bewaker ging naar de koning en zei: “Hij is weg, de tovenaar is weg!” “Wat?! Ga hem zoeken.” In het hele land gingen ze op zoek. Maar ze vonden hem niet. De bewaker ging naar de koning en zei: “Hij is nergens te bekennen.” “Hebben ze overal gezocht?” “Ja, behalve in het dodenbos.” “Zoek in het dodenbos of anders sluit ik je op in de kerker.” “Ja, meester”, zei de bewaker. Negen ridders gingen naar het dodenbos. Eerst zagen ze de draak. Zes ridders gingen dood en drie konden er ontsnappen. Ze zagen de grote slakken. Twee gingen dood en één kon

70 | De Wondere Pluim | 2010 |


ontsnappen. Hij ging naar de kungfu groente en stierf. De koning stuurde nog meer ridders. Die gingen ook dood. De koning ging naar zijn tuin en begon te huilen. Hij zei: “Och, mijn dochter zal nooit meer mooi worden.” Toen een kleine kabouter dit hoorde, zei hij tegen de koning: “Ik kan je wel helpen.” “Jij? Hahaha, jij bent zo klein”, zei de koning. “Je zal wel zien”, zei de kabouter. Hij pakte wat zout en zand en ging naar het dodenbos. Daar ontmoette hij de draak. Toen de draak hem wou pakken, gooide de kabouter het zand in zijn ogen. De draak werd blind. De kabouter vluchtte en ontmoette de grote slakken die hem wilden verpletteren. De kabouter strooide wat zout op de grond. De slakken stapten op het zout en werden heel erg klein. De kabouter vluchtte en ontmoette de kungfu groente die hem wilde doden, maar de kabouter at ze op. Daarna ging de kabouter naar het hol van de tovenaar en sloop naar de staf van de tovenaar. Toen hij de staf pakte, zei de tovenaar: “Laat dat los, of ik maak je zo klein als een mier.” Maar de kabouter brak de staf, de tovenaar stierf en de kabouter werd een … prins. De prinses was niet meer zo lelijk en de prins trouwde met de prinses en ze leefden nog lang en gelukkig. Regina Tawadrous 9 jaar Sint-Anna Goethe

| De Wondere Pluim | 2010 |

71


HET VEERTJE

Er was eens een prachtig vogeltje geboren en het heette Veertje. Haar moeder en vader hadden haar zo genoemd omdat ze heel zachte veertjes had. Het was het mooiste vogeltje ter wereld. Iedereen was jaloers. Zeker de twee zusjes. Zij waren altijd de mooiste geweest, maar nu niet meer. Ze maakten een plan om Veertje vuil te maken. Veertje was een heel lief meisje. Ze hielp altijd iedereen. Zij wou helemaal niet de mooiste zijn, ze was zo geboren. De twee zusjes zeiden tegen Veerle dat ze moest komen. Ze zeiden dat Veertje naar de vuile rivier moest komen omdat zij haar een geheim wilden vertellen. Veertje ging er naartoe en de twee zusjes verklapten hun geheim. Toen pakten ze zo snel mogelijk een touw en bonden haar vast. De zusjes zeiden tegen haar: “Jij bent niet meer de mooiste. Jij bent nu de lelijkste.” En ze duwden haar in de vuile rivier. Veertje was bijna dood, maar toen zag ze een stok. Ze pakte de stok met haar bekje en brak het touw af. Ze was veilig nu, maar ze was heel lelijk geworden. Ze was heel vuil en ze stonk. Ze kon niet meer vliegen. Ze was zo moe dat ze niet meer kon opstaan. Veertje bleef liggen. De volgende ochtend kwam er een klein jongetje dat Veertje had gezien en hij zei: “Oei, maar mijn vogeltje, ben je verdwaald?” Veertje zei niets. De jongen nam haar mee naar huis en waste en kamde haar veertjes. Ze blonk weer heel mooi. Het jongetje wou Veertje heel graag bij zich houden, maar Veertje wou niet. Ze vloog naar het raam en het jongetje dacht: “Zij wil terug vrij zijn.” Dus opende hij het raam en

72 | De Wondere Pluim | 2010 |


zei: “Je bent vrij nu. Kom snel langs en niet meer vuil worden. Maar als er iets erg gebeurt, kan ik je altijd helpen. Dag, ik zal je missen.� Veertje ging terug naar huis. Ze was heel blij dat ze thuis was. Veertje vertelde alles wat er gebeurd was aan haar ouders. De twee zusjes kregen een jaar huisarrest. Iedereen was blij dat Veertje terug op school was. En iedereen haatte de twee zusjes. En Veertje was weer gelukkig en blij. Katsiaryna Kanavalionak 10 jaar Mariagaarde

| De Wondere Pluim | 2010 |

73


74 | De Wondere Pluim | 2010 |


NOOIT

Nooit zal ik mijn naam schrijven. Nooit zal ik over mijn familie liegen. Nooit zal ik van een brug springen. Nooit zal ik doen wat ik wil. Nooit zal ik een goed mens hebben. Nooit zal ik in de ogen van iemand kijken. Nooit zal ik in iemand geloven, alleen in mijn familie. Nooit zal ik de eerste van de klas zijn. Nooit zal ik de beste danser van de wereld zijn. Nooit zal ik de slimste zijn. Nooit zal ik beroemd zijn. Nooit zal ik rijk zijn, maar wel genoeg geld hebben voor mijn kind. Nooit zal ik de mooiste zijn. Nooit zal ik president zijn. Nooit zal ik kosmonaut zijn. Nooit zal ik een vriend hebben die eerlijk is. Nooit zal ik alles van dit hebben. Maar ik ben wel iemand die weet wat hij wil doen. Maar ik ben wel iemand die weet wat hij doet in zijn leven. Corentin Ertorteguy 11 jaar Wereldreiziger

| De Wondere Pluim | 2010 |

75


DE GOUDVIS

Er was eens een meisje dat Ela heette. Toen ze in een appel beet, kwam haar tand los. De volgende dag ging Ela naar de tandarts. Ze mocht van de tandarts haar tand mee naar huis nemen. Ze ging naar huis met de tand in haar jaszak. Een beetje later moest Ela gaan slapen, want de volgende dag moest ze naar school. Ela had haar tand onder het kussen gelegd en viel in slaap. Op de tafel lag een brief die ze had geschreven voordat ze naar de tandarts ging: “Lieve tandenfee, ik wil een goudvis.” Om middernacht kwam de tandenfee en las de brief die Ela had geschreven. De tandenfee had een kom met een goudvis erin. Toen Ela wakker werd, zag ze de goudvis. Ze was superblij. Ze ging naar school en vertelde aan de hele klas dat ze een goudvis had gekregen van de tandenfee. De vriendin van Ela heette Evelien. Haar tand bewoog ook. Evelien ging naar de tandarts. De tandarts had een klein doosje voor de tand van Evelien. Ze ging snel naar huis en schreef op een klein briefje: “Ik wil ook een goudvis, zoals Ela.” Evelien had nog een klein broertje, Kasper. Kasper zijn tand bewoog, maar hij was een beetje bang van de tandarts. De volgende dag ging Kasper met zijn zus naar de tandarts. De tandarts zei tegen Kasper: “Omdat jij flink bent geweest, krijg je van mij een snoepje.” Kasper was heel blij. Toen Kasper naar huis ging, schreef hij een brief: “Ik wil een PlayStation, een PSP en een rode, grote vis.” Kasper ging slapen. De volgende dag was hij superblij. Hij riep: “Hoera, hoera!” Eerst speelde hij op zijn nieuwe PSP. Hij was blij met zijn mooie vis in zijn kom. Zijn zus Evelien was op zijn PlayStation aan het spelen.

76 | De Wondere Pluim | 2010 |

Rovena Belul 9 jaar Sint-Lutgardis


Verhalen van kinderen uit het vijfde leerjaar, Nederlands moedertaal

DE JACHTHOND DIE NIET JAGEN WILDE

Hier begon het allemaal. Ik kreeg een baasje, nou ja, beter gezegd, een baas. Het was een dikke, stevige man die redelijk groot was (trouwens nu nog altijd). Hij pakte me op en zei:” Ja, deze ziet er goed uit! Voor hoeveel?” “179,54 euro”, zei een vrouwenstem, “dat lijkt me wel goed, hij heeft een goede stamboom.” “Ik doe het alleen maar voor 179,53 euro”, zei mijn baas. “Oké”, zei de vrouwenstem, “maar geen cent minder.” En zo ging ik (in een grote ijzeren kooi) naar huis. Eenmaal aangekomen, ging ik hoopvol naar binnen om op het bed te gaan liggen en een heerlijk dutje te doen. Maar nee hoor, ik werd naar buiten gesleurd en daar in een hok gezet (aan een ijzeren ketting). Ja, dat was geen pretje om daar in een hok te zitten, zonder terug naar binnen te kunnen gaan. Maar ja, ik zou er wel aan wennen. Ik viel uiteindelijk in slaap en droomde over konijnen en vossen. Wat dat betekende, wist ik niet, maar daar zou ik snel genoeg achter komen. Toen ik wakker werd, kreeg ik een bak met ijskoud water en een bak met droge hondenbrokken. Toen dat op was (dat was een hele klus), maakte mijn baas me los en maakte hij me aan een leiband vast. Hij zei: “We gaan naar een hondenschool, en een specialist voor jouw soort.” Toen we daar aankwamen, zag ik een man in een groen pak en een rode muts. Hij zei: “Naam baas en naam van de hond.” Mijn baas antwoordde: “Mijn naam is Freddy

| De Wondere Pluim | 2010 |

77


en die van mijn hond is Max.” “Goed, u kunt naar baan 3”, zei de man met het groene pak. Ik ging er naartoe (in de hoop een hotel te zien), maar dat was niet zo. Ik zag modder, een paar bomen en prenten van konijnen en vossen. Dus helemaal anders dan mijn hotel. Er was nog zo’n man met een groen pak en een rode muts, die zei (en warempel tegen mij): “Jij bent een jachthond die konijnen en vossen moet vangen en pijn doen.” Ik dacht: “Nee hoor, vergeet het maar”, maar hij kon mij niet verstaan en hoorde een geblaf dat leek op oké. Ik moest achter die prenten lopen en die kapot bijten (de modder was om het moeilijker te maken). Eindelijk mocht ik stoppen, ik was doodmoe. We gingen naar huis en ik ging naar mijn hok. Freddy maakte me eerst vast aan de ijzeren ketting. Nu viel ik direct in slaap en droomde rustig. De volgende ochtend begon zoals de vorige, maar toen ik al mijn eten ophad, moest ik in de auto en reden we naar een bos … Daar moest ik jagen op konijnen en vossen, maar dat wou ik niet. Ik zag een konijn en mijn baas gaf me een duwtje. Ik rende naar het konijn en het konijn liep weg. Ik begon er achter te lopen en haalde het in. Ik zei: “Niet zo bang zijn, ik wil met je spelen.” Het konijn antwoordde: “Is dat een truc of meen je het?” Ik antwoordde dat ik het meende en we begonnen te spelen. (De mens noemt dit tikkertje.) Ik was de tikker en probeerde het konijn te tikken. Het lukte. Nu was het konijn de tikker. Ik liep en liep alsof mijn leven ervan afhing. Ik keek naar achter om te zien of het konijn dichtbij was, en ja, het was vlakbij. Ik probeerde nog sneller te lopen en opeens botste ik tegen mijn baas. Die zag er erg boos uit. Maar dan opeens verscheen er een glimlach op zijn gezicht: “Zoiets heb ik nog nooit gezien, een konijn en

78 | De Wondere Pluim | 2010 |


een hond die spelen. Dat ziet er leuker uit dan een hond die een konijn dood probeert te bijten. Als jullie echt vrienden zijn, mag het, als ik mee mag doen.” Dat deden we de hele dag. Toen de avond viel, zei mijn baas: “We gaan naar huis en komen overmorgen terug. Want morgen moet ik boswachter worden.” En toen we thuiskwamen, mocht ik in bed slapen, samen met Freddy. Hannah Duval 11 jaar Musica

| De Wondere Pluim | 2010 |

79


HET ZANDKORRELTJE

Lang geleden was er een woestijn vol met zandkorrels. Een daarvan was Larry. Larry hield niet zo van het leven in de woestijn. Het was er trouwens heel druk. Hij wou naar een plek waar hij zichzelf kon zijn! Dus ging hij op stap. Zandkorrels gaan in de woestijn niet met de auto, het vliegtuig of de bus, nee, ze vliegen met de wind mee. Hij vertrok en kwam een week later aan op de zuidpool. Uitgeput zocht hij naar andere zandkorrels. In een normaal verhaal zou hij er een vinden, maar ik kan niet liegen. Hij stierf van de kou. Mik Mulder 9 jaar Musica

80 | De Wondere Pluim | 2010 |


DE VRIENDELIJKE BOOM

Op een dag was er een boom en die hield heel erg van een klein jongetje. Dat jongetje hield ook heel erg van de boom. Elke dag ging hij naar hem om te spelen, appels te eten en in de boom te klimmen. Als de jongen moe werd, sliep hij in de schaduw van de boom. Ze waren allebei heel gelukkig. Hij kraste zelfs een hartje in de boom waarin stond: “B (van boom) + Ik”. Op zijn 6e verjaardag kreeg hij zaadjes voor bomen. Snel ging hij naar de boom om ze te planten. Twee jaar later waren de bomen goede gezelschapshouders, maar spijtig genoeg werden ze kapotgemaakt en omgezaagd. Gelukkig de eerste boom zelf niet, die was te groot en te stevig. Vele jaren gingen voorbij en de jongen werd ouder en ouder. De boom was vaak alleen. Tot de dag dat de jongen terugkwam. De boom zei: “Kom dan, klim in mij, speel met me en eet mijn appels.” “Ik ben te groot om in bomen te klimmen”, zei de jongen. “Mag ik wat geld van je?” “Sorry, ik heb alleen bladeren en appels. Verkoop mijn appels in de stad, dan heb je geld.” En de jongen deed het. Hij klom in de boom en nam alle appels. “Ik ben blij dat je toch in mij bent geklommen”, zei de boom. De jongen bleef weer heel lang weg, tot hij op 50-jarige leeftijd terugkwam. “Ik wil een huis om mij warm te houden. Kun je mij een huis geven?” “Nee, het bos is mijn huis. Maar je mag mijn takken wel afzagen om een huis te bouwen.” En de jongen deed het. Hij bleef weer heel lang weg, tot hij op 72-jarige leeftijd terugkwam. “Mijn huis is te koud, heb je brandhout?”

| De Wondere Pluim | 2010 |

81


“Nee, maar je mag mijn stam wel gebruiken.” En de jongen deed het. Toen hij 89 jaar was, kwam hij weer terug. “Sorry jongen, maar ik kan je niets meer geven. Alleen een stille plek om te zitten.” “Ik ben wel moe”, zei de jongen. “Wel, ga dan zitten.” En de jongen deed het. Felix Luyckx 10 jaar Musica

82 | De Wondere Pluim | 2010 |


JENS EN HET MIDDELGOEDELEN VAN DE Op een dag wou een jongetje meespelen met de grote jongens. Hij heette Jens. Dus ging hij door de bossen en de berg op en af. “Mag ik meedoen?”, vroeg hij. De jongens lachten en duwden hem weg. Een van die jongens was Bart. Hij pestte iedereen. Bart zei: “Je mag meespelen als je een stok als wapen gaat halen.” Hij wou gewoon dat Jens wegging. Dus ging Jens door het bos op zoek naar een stok. Het was al avond, dus ging hij snel zoeken. Op een grote berg zag hij aan een boom de perfecte stok. Hij liep er naartoe. De stok glansde en blonk. Hij trok aan de stok, maar hij ging er niet af. Toen trok hij zo hard dat hij er toch afkwam. Er gebeurde ineens iets raars met zijn vinger. Hij werd 100 keer zo klein. Hij voelde zich raar en werd superklein. Uiteindelijk viel hij op het gras. Hij was bang, alleen en klein. Hij keek rond en zag voor hem een eekhoorn. Hij was zo klein als een noot. Hij rende en rende en viel in een konijnenhol. Hij viel wel 5 minuten lang, tot hij in een wereld van groene beesten belandde. Eentje keek hem recht in de ogen en zei: “Dit is het land van de Goedelen. Ik ben Goedel. Wie ben jij?” “Ikk bbenn Jens”, zei hij angstig, “en wat is dit hier?” “Wij leven onder de grond, wij zijn de groene Goedelen en aanbidden onze heer, de burgemeester. Kom, ik zal je aan hem voorstellen.” Jens en Goedel gingen in het kasteel. “De burgemeester zal je de rest uitleggen”, zei Goedel. “Burgemeester.” “Ja”, zei de burgemeester, “jij bent vast Jens. Heb je vragen?” “Waarom leven jullie onder de grond?”

| De Wondere Pluim | 2010 |

83


“Boven de grond zijn onze vijanden: de eekhoorn, de uil, de muis en de mens. En nu is onze vijand alleen de mol. 4-1, snap je?” “Heb je nu nog vragen?” “Nee”, zei Jens. “Je mag onze wereld eens gaan verkennen”, zei de burgemeester. Dus ging Jens weg. Hij besloot eerst het kasteel te verkennen. Het was een heel groot kasteel met minstens veertig kamers. Hij begon met kamer één, daarna kamer twee ... tot hij in de laatste kamer kwam. Nummer 40! Hij zat voor een zwarte deur. Op die zwarte deur zat schimmel. Er was ook een tekst op de deur. Er stond: “Deze kamer spookt. Kom niet binnen of het zal je bezuren!” Hij ging toch binnen en zag een zwarte kist in de kamer. Hij deed de kist open en zag een drankje. In dat drankje zat groen water. Op het drankje stond in gouden letters: “Dit is het middel van Goedelen! Niet opdrinken!!!” Jens ging weg en zei hier niets van tegen de burgemeester. Intussen was Bart aan het spelen. Krr! Zijn stok ging kapot! “Ik ga een nieuwe zoeken”, zei hij. Hij ging door het bos en brak alle stokken die niet goed waren. Maar ook hij zag de glanzende stok. Hij pakte hem en werd superklein. Hij liep en liep en viel in een konijnenhol. Hij viel ook 5 minuten. Hij belandde in het land van de Goedelen. “Wauw, wat een cool kasteel”, zei hij. Hij ging naar binnen. Hij ging direct naar de kamer met de zwarte deur. Hij las de tekst niet en ging binnen. Hij zag het drankje. “Is dat een nieuw drankje of zo”, zei hij. En hij dronk het op. Er gebeurde niets. Maar plots kreeg hij nagels van 1 meter lang. Hij werd groen en er kwamen 2 tanden van 2 meter uit zijn mond. Jens hoorde gebrul en ging naar buiten. Hij zag dat een

84 | De Wondere Pluim | 2010 |


stukje van het kasteel groene steen werd. Heel het kasteel werd van groene steen. Hij ging een bijl halen in de verte, daar was de winkel voor hamers en bijlen. Hij ging terug en bijna alles was van steen. Hij had ook een spiegel bij. Bart maakte alles van steen tot hij bijna zelf van steen werd. Jens pakte zijn spiegel en de straal kwam op Bart. Hij werd van steen. Alles werd terug normaal. En Jens, die bleef nog lang en gelukkig in het land van de Goedelen. Michiel Proost 11 jaar Emma端s

| De Wondere Pluim | 2010 |

85


86 | De Wondere Pluim | 2010 |


RIDDER POF EN ZIJN POFFERTJES In een groot kasteel woonde Ridder Pof. Zijn lievelingseten was poffertjes met slagroom. Op een dag was hij door de raampjes van het kasteel zijn eigendom aan het bewonderen. Plotseling hoorde hij een geluid. “Wie roept mij?”, vroeg hij met een mond vol poffertjes met slagroom. “Ik ben het, Min de muis, ik heb je hulp nodig.” “Oké”, zei de ridder, “als ik kan helpen, ga ik op pad.” Ridder Pof trok snel zijn harnas aan (niet het gewone kostuum dat mensen aandoen om te gaan vechten). Het harnas ging maar net over zijn dikke poffertjes-metslagroom-buik. Ridder Pof en zijn paard volgden de muis. Vlak voor de grote zwarte brug, zei Pof: “Stop, ik ben nog iets vergeten!” Hij ging een speer halen en een tas vol met poffertjes en slagroom. Dat lekkers nam hij overal mee. Pof volgde te paard Min de muis over bergen en heuvels tot ze bij een verlaten bos kwamen. “Hier heb ik je hulp nodig”, zei Min, “in dit bos woont een draak die een jonkvrouw wil opeten.” Ridder Pof reed tot in het midden van het bos. Daar zag hij de draak voor een grote steen met de jonkvrouw voor zijn muil. Ridder Pof wist niet wat hij moest doen. Zijn speer was te klein om die grote draak te doden. Opeens kreeg hij een idee en riep: “Draak, draak, stop. Jonkvrouw eten is niet goed voor je.” “Waarom niet?”, gromde de draak. “Proef liever mijn poffertjes met slagroom.” Voorzichtig schoof de ridder de tas naar de draak. De draak rook er eerst eens aan en proefde voorzichtig. Daarna at de draak het ene na het andere poffertje met slagroom op, tot de tas helemaal leeg was. Moe en met

| De Wondere Pluim | 2010 |

87


een muil vol slagroom viel de draak in slaap. Ondertussen waren Ridder Pof en de jonkvrouw al naar het kasteel. Daar was het een groot feest met lekkere poffertjes. Mmmmm! Cedric Van Gestel 10 jaar Neerland

88 | De Wondere Pluim | 2010 |


KOEIEN EN TOEKOMST, OEI, OEI, OEI.

Soms denk je, als je een koe ziet grazen of water ziet drinken: “Wat is daar zo speciaal aan?� Ze geeft melk en dat is het. Maar nee, je kleinkinderen of achterkleinkinderen zullen wel anders klinken. Luister maar naar dit verhaal. Bij de familie Goossens (een doodgewone familie) was er een koe. Maar het was geen gewone koe, het was een koe die kon praten. Dat kwam door een domme fabrikant. Hij werkte bij de waterleiding. Hij moest op een dag de waterpomp van de boer gaan nakijken. Hij stond te babbelen met de vrouw van de boer en stootte per ongeluk een raar drankje van de boer om en een paar druppels van het drankje kwamen in het water terecht. Die druppels kwamen toevallig in de drinkbak van een zwangere koe, waar de koe van de familie Goossens in zat. Toen de koe geboren was, werd ze verkocht aan de familie Goossens (die toen nog niet wist dat hun koe kon praten). De koe werd 1 jaar, 2 jaar en op haar 3e jaar begon ze plots woorden te zeggen. Op haar 4e jaar werden het hele zinnen. De familie Goossens vond dit al heel gewoon, alleen de vader wist er niets van. Ze gingen en wilden het niet vertellen. Hij had het al heel druk op zijn boerderij en een pratende koe erbij zou tot een ontploffing leiden. De koe werd 7 jaar, 11 jaar, 14 jaar. Hij kreeg ondertussen al zakgeld en deed elke week mee aan de lotto. Hij had al eens iets gewonnen, al eens 5 euro, eens 30 euro, zijn hoogste was 150 euro. Hij kocht steeds meer lotjes. Hij ging ze natuurlijk niet zelf kopen. Moeder deed het. Ze kwam thuis met een lotje voor de koe (zoals gewoonlijk). Moeder wist natuurlijk niet dat het lotje heel de toekomst

| De Wondere Pluim | 2010 |

89


van de wereld zou bepalen. Ze gingen naar een maandelijkse bijeenkomst van de koeienraad. Alles ging goed. Ze gingen snel naar huis want de lottotrekking was op tv. Ze keken. Hun eerste nummer was juist, het 2e, 3e, 4e, 5e, 6e, 7e, 8e en 9e nummer ook. Er was gejuich, heel de straat kon het horen. Ze hadden zonet 2 miljoen euro gewonnen. Koe begon direct te bouwen, een 15-tal frituren, een paar meubelzaken een autofirma. Pas als dat allemaal klaar was, zou hij bekennen dat hij een koe was die kon praten. Die dag brak aan. Hij bekende aan iedereen in de wereld dat hij een koe was die kon praten. Toen bouwde hij honderden fabrieken met die rare drankjes van de boer. Elke zwangere koe en elke koe onder de 16 jaar kreeg een drankje. Ook alle koeien met problemen in hun hersenen kregen het. Alles veranderde. De koeien werden de baas. Op de noordpool en de zuidpool werden er twee gigantische torens gebouwd in de vorm van een hoorn van een koe, door de ozonlaag. Als er nu een foto van de aarde werd genomen, leek het op een kop van een koe. Mensen werden dienaars en slachters van koeien werden gedood. De wereld was in de macht van de koeien. We springen terug in de tijd, waar het allemaal begon ... We gaan terug naar de maandelijkse bijeenkomst van de koeien. Alles ging goed. Ze renden vlug naar huis. Plots kwam er een mevrouw met een raar pakje. Een pakje uit de toekomst. Ze was het beu om haar koeien te dienen en had stiekem een tijdmachine gemaakt om dit moment te dwarsbomen. Snel pakte ze de koe vast die begon tegen te werken. “Laat me los”, zei de koe, “we worden wel helpers.” Maar het mevrouwtje had een laserpistool en de koeien waren veel te bang om gelaserd te worden. Ze trok de zak van koe zijn nek en pakte het lotje. Ze wou het

90 | De Wondere Pluim | 2010 |


verscheuren, maar er kwam een rukwind en het lotje vloog weg. Koe wou het pakken, maar zij was ook te laat. Het lotje was weg. Toen gingen we samen naar huis. We keken met z’n allen naar de trekking. Alle nummers waren juist. Toen zei het rare mevrouwtje: “Jullie zullen me later wel dankbaar zijn.” Ze drukte op een knopje en ze was weg. De toekomst was in een minuut of twee veranderd in een wereld waar mensen baas zijn. Maar toen gebeurde er iets. Het lotje vloog naar de maandelijkse bijeenkomst van de schapenraad, waar een schaap bij zat, net zoals koe. (Ze had ook per ongeluk van het water gedronken). Ze greep het lotje en keek vlug naar de herhalingen van de lottotrekking. En dan ken je de rest van het verhaal wel. Het rare mevrouwtje kwam terug thuis in de toekomst en ze vroeg direct aan haar kinderen: “En, is het gelukt, is het gelukt?” De kinderen zeiden: “Nee, kijk maar.” Nu lagen er geen koeien meer in de strandstoel, maar schapen. Je snapt natuurlijk wel waarom. Dus, als je ooit een pratend dier tegenkomt: nooit lotjes geven. Jos Van den Eynde 10 jaar Sint-Anna Goethe

| De Wondere Pluim | 2010 |

91


-9-2-30-17-0-20-

Er was eens een professor. Zijn naam was Alfa Vierkantswortel. Hij was de uitvinder van de Vierkantsworteltaart. Dat is een worteltaart in de vorm van een vierkant met sommen. Maar het probleem was dat zijn laboratorium opeens was ontploft en de worteltaart weg was, met het recept. Daarom is de taart nog niet in de winkel. AlfaVier (zo noemden ze hem) wou graag een zoon en maakte een machine die heette: -9-2-30-17-0-20-. Dat is een machine die jongens maakt. Je kon ook zien dat het broers waren, omdat ze allemaal een moedervlek hadden op hun bil. AlfaVier wou maar één zoon, die zou hij OliVier noemen. Dus maakte hij een jongen en vernietigde de machine. Tien jaar later zag OliVier zijn moedervlek en dacht dat hij cijfers zag. Hij vroeg om met een microscoop te mogen kijken. En ja, er stond in nanometers geschreven: -9-2-30-17-0-20-. AlfaVier dacht: “Ik ken die code ergens van.” OliVier zei drie keer: “-9-2-30-17-0-20-.” En opeens stond daar een tijdmachine. Ze stapten in en gingen 11 jaar terug. Ze redden de Vierkantsworteltaart en het recept, en kwamen terug. Ze proefden de taart en stuurden het recept naar alle winkels van de wereld en werden schatrijk. Maar op een dag stonden er drie aliens voor de deur. Ze zeiden: “De code of uw leven.” AlfaVier en OliVier hadden geen keuze en gaven de code. De aliens stalen dingen uit het verleden: de Mona Lisa, de Guernica, de Schreeuw ... OliVier en AlfaVier keken naar het nieuws: de Mona Lisa, de Guernica en de Schreeuw waren spoorloos verdwenen uit het Louvre, het museum in Parijs.

92 | De Wondere Pluim | 2010 |


Zij vonden dat dit niet kon en namen wraak. Het werd een schietpartij. Toen de munitie van de aliens op was, gaven zij het op. De musea kregen hun schilderijen terug en OliVier zijn tijdmachine. Murra Bossier 10 jaar Spiegel

| De Wondere Pluim | 2010 |

93


94 | De Wondere Pluim | 2010 |


Verhalen van kinderen uit het vijfde leerjaar, Nederlands tweede taal

ALS IK ER NIET WAS

Magdal zat op de duinen na te denken. Hoe zou het zijn als zij er niet was? Zou de wereld er slechter uitzien of beter? Hoe zouden haar ouders het hebben, als zij niet geboren was? Duizenden vragen tolden door haar hoofd. Ze zou eens willen weten hoe het was zonder haar. Dan kon ze er misschien voor zorgen dat ze geliefd was. Maar nog steeds twijfelde Magdal. Wou ze het echt zo graag weten? Of het goed zou zijn, als ze er niet was? Zelf kon ze er niets aan doen dat ze geboren was. Magdal zuchtte heel diep: “Magdal, je ziet spoken”, zei ze tegen zichzelf. Maar Magdal bleef bij de gedachte wat er zou gebeurd zijn, als zij er niet was geweest. Toen bleef Magdal bij een gedachte haken: “Ik zit te lang op deze duinen. Waarom ga ik verder het strand niet op? Het waait als gek, maar de wind zal me niet laten wegvliegen.” Magdal wandelde verder het strand op, hopend op een antwoord. Ze ging verder, de zee in en zat tot haar knieën in het water. Ze keek veelbetekenend naar haar spiegelbeeld. Uiteindelijk zag ze iets. Was het haar verbeelding? In het water zag ze haar geboortedatum. Magdal keek met open mond naar het fenomeen. Haar geboortedatum: 13 augustus 1997. Het beeld vervaagde ineens op het jaar daarvoor. Ze zag haar moeder met een zwangere buik ijsberen. “Liefje, is er iets?”, klonk de stem van Magdals vader. Magdal probeerde aandachtig te luisteren, maar het geluid, samen met het beeld, vervaagde. Opnieuw zag Magdal wat beeld, maar dan op de dag dat ze geboren was. Daar zag Magdal waarvoor ze haar | De Wondere Pluim | 2010 |

95


hele leven had gevreesd: haar moeder zat op het ziekenbed met een pasgeboren jongetje in haar armen. Een jongen, dus niet Magdal. Er rolde een warme traan over Magdals wang. Daarna vervaagde het beeld. Stiekem veegde Magdal haar traan weg. Ze wachtte tot er weer een beeld kwam. Nu met Magdals mama en haar ‘zoon’ van 13 jaar. Ze zaten aan tafel. Papa en mama zijn al gescheiden zeker? De ‘zoon’ schraapte zijn keel om iets te zeggen, maar de mama van Magdal legde haar vinger voor haar mond, als teken dat hij moest zwijgen. “Ik ben zo blij dat ik geen dochter heb, maar jou, zoon!”, zei de mama gelukkig. Magdal voelde zich alsof ze in huilen kon uitbarsten. Haar moeder wilde liever een zoon dan een dochter. En nu was ze er blij mee ook. Magdal stond op het punt weg te lopen, toen er een raar geluid uit het water kwam. Ze stond zichzelf toe zich de laatste keer om te draaien. Ze realiseerde zich dat het een soort gejammer was. Magdal keek diep in het water en zag nu de ‘zoon’ helemaal alleen op een schoolbank zitten. Er was niemand in het lokaal, zelfs geen lerares. Magdal schatte de jongen nu 15 jaar. Hij zat te jammeren. “Had ik maar een grote zus, dan zat ik nu niet helemaal alleen in zomerschool”, zei hij triest. Magdal had medelijden met hem. Maar voor ze: “Ik wenste dat ik je kon helpen”, kon zeggen, vervaagde het beeld. In plaats daarvan verscheen de moeder van Magdal. Magdal draaide zich om en, inderdaad, haar moeder stond daar. “Ik ben naar de dokter geweest en hij zei dat ik zwanger ben! En dat hij precies op 13 augustus zal geboren worden, net als jij”, zei haar moeder. Magdal glimlachte breed. “Ik hoop dat het een jongen wordt”, zei ze. Misha Mostofa 10 jaar Zevensprong

96 | De Wondere Pluim | 2010 |


DE LETTER O …

Een toevallige letter uit het alfabet, wat kan men daar allemaal over vertellen … De O van Oeps, de O van Olalalala, Olifant, Omega 3, Obama ... Maar ik ben nog lang niet klaar hoor. Ik heb nog voorbeelden … effe nadenken. Ah, ja, ik weet het, de O van ????????? Wat denk je? Inderdaad, de O van Opel. En voor wat staat O & O ??? Ja, van Opel Open. Want, zeg nu eens eerlijk, Antwerpen zonder Opel dat bestaat toch niet hé. Wat gaat er in de plaats komen? Misschien wel een elektrische , die ook aan de natuur denkt. Dat kan alleen de toekomst uitwijzen. Maar laten we hopen dat deze belangrijke toch O & O blijft. Ilias Laktit 10 jaar Wereldschool

| De Wondere Pluim | 2010 |

97


DE HORROROPPAS

“Lisa”, riep mama: “komen eten!” Lisa rende van de trap. Ze struikelde, maar stond weer snel recht. “Ja, mam.” Ze zaten aan tafel. Haar zusje Mina keek naar haar. Mama zei: “Papa en ik zullen twee dagen weg zijn.” “Wat!”, riep Lisa: “M … maar ik kan toch geen twee dagen op Mina passen.” “Er gaat een oppas komen en die gaat twee dagen oppassen. Ik heb gisteren met haar gesproken, ze was wel lief.” Dan ging de bel: riiiiing. “Ik doe wel open”, zei Lisa. Ze deed de deur open en zag de oppas. Ze zag dat ze ineens rode ogen kreeg. Dan werden ze weer normaal. Lisa schrok. “Dag Lisa en Mina, papa en ik moeten gaan.” Mama gaf ze allebei een kusje. “Tot overmorgen, veel plezier met de oppas. “Dag”, zei de oppas. En Mina en Lisa zwaaiden naar hun moeder. “Hallo, kleine meisjes, ik ben jullie oppas.” Lisa en Mina keken haar raar aan. Lisa vond het meer een heks. Maar ze was wel lief. “Willen jullie een koekje?” “Ja, graag.” “Jaaaaa …”, riep Mina. “Rustig doen, Mina.” Het werd snel avond. Mina en Lisa waren in hun kamer. Het was een rustige dag geweest. Ze vielen allebei in een diepe slaap. Het werd ochtend. Lisa en Mina renden van de trappen. Ze schrokken: “Wooow!” Heel de tafel lag vol met lekkere dingen, pannenkoeken, chocolade, taart ... “Dit is de eerste keer dat ik zoiets zie”, zei Mina. Ze renden zo snel mogelijk naar de tafel en aten alles op. Ze hadden veel te veel gegeten. Maar de oppas was nergens te zien. Lisa en Mina begonnen overal te zoeken. Ze zagen niets, helemaal niets.

98 | De Wondere Pluim | 2010 |


Waar zou die oppas zijn? Overal in Lisa’s hoofd waren vragen. Waarom was ze weg? Waarom had ze rode ogen? Waarom? “Lisa.” “Ja.” “Kom naar de kelder.” Ze rende naar de kelder. Ze zagen allebei een mes met bloed. Ze wisten zeker dat het van de oppas was. “Wat doen jullie daar?” “We zochten jou, oppas.” “Ah, maar ik was in de keuken.” Heu, maar ze was daar daarnet toch niet. Alles was raar met die oppas. Het werd avond. Mina en Lisa waren in hun bed. Er kwamen voetstappen naar boven. De deur vloog open. Ze schrokken. De oppas had een mes ... “Aaaaa!” krijsten Mina en Lisa. De oppas zei: “Ik ga jullie vermoorden!” “Neeee … niet, niet Mina vermoorden.” Ze stak haar dood. “Aaaaa … neeee …” Toen pleegde de oppas zelfmoord. Lisa zat heel hard te wenen. De volgende dag kwamen mama en papa. Ze deden de deur open. “Hallo, is er iemand thuis?” Lisa kwam huilend. “Wat is er?”, vroeg papa. Ze vertelde heel het verhaal. Toen belden ze de politie. De politie kwam en zei: “Dit moeten we onderzoeken …” Margerita Chichkarwa 11 jaar Spiegel

| De Wondere Pluim | 2010 |

99


HET ZWARTE HUIS

Hallo, mijn naam is Rigo. Ik ben 10 jaar. Samen met mijn stiefvader, Jos, en mijn moeder, Karla, woon ik in Afrika. Wij zijn niet bepaald rijk, integendeel zelfs: we hebben niet eens genoeg geld om de school te betalen. Zelfs mijn mama haar medicijnen kunnen we niet betalen. Net daarom ben ik bang dat ze zal sterven. Mijn echte vader ken ik niet. Hij stuurt wel brieven en zegt dat hij mij komt opzoeken en dat we samen veel pret zullen beleven. Ik wacht al 4 jaar lang en nog is hij er niet. Nou ja …, zo is mijn echte vader: een leugenaar. In al zijn brieven belooft hij dat hij zal komen. Maar dat doet hij dus niet. Gelukkig is mijn stiefvader niet zo. Hij werkt zich kapot voor mij en heeft een eerlijke handel. Hij mishandelt me nooit! En hij liegt nooit tegen mij! Op een dag ging ik bij Ronald spelen, dat is mijn beste vriend, mijn enige vriend. Anderen willen mij niet als vriend omdat ik een krothuisje heb en arm ben. Ronald en ik zouden naar de chocomousse-bar gaan. Hij zou betalen. Maar dat liet ik niet gebeuren. Ik rende op mijn blote voeten naar huis en pakte mijn zakgeld, een halve cent per maand. Niemand was thuis, mijn stiefvader was gaan werken. Toen ik nog even in de spiegel keek, zag ik mijn echte vader voor mijn neus staan. Ik schrok zo hard dat ik op de grond viel en mijn voet kneusde. Ik keek weer naar de spiegel. Hij zei iets tegen me. De eerste keer verstond ik het niet goed. De tweede keer wel. Hij zei met een spookachtige stem: “Rigo, kom met mij mee. Rigo, kom met mij mee.” Nu werd ik echt erg bang. Ik zei: “Nee, nooit.” Toen zei mijn vader weer: “Rigo, kom met mij mee.” Ik zei: “Nee.” Toen zei mijn vader: “Ik waarschuw je, ik vraag het

100 | De Wondere Pluim | 2010 |


nog één keer. Kom mee.” Ik zei weer: “Nee, nooit!” En hij zei: “Ik heb je gewaarschuwd, Rigo, nu is het te laat.” Ik liep weg. Na een paar uurtjes kwam ik terug thuis. Toen ik binnenstapte, viel de stroom uit en lag ons huisje helemaal overhoop. De borden sloegen zichzelf neer op de grond. Ik liep naar mijn kamer, maar die was er niet meer, alleen een duister hol. Ik kwam hard op mijn kont terecht. Alleen mijn bed stond er nog. Ik dacht dat dit een nachtmerrie was, dus ging ik slapen. In mijn droom zag ik mijn hele verleden terug. Hoe het begon met mijn vader en hoe het eindigde. Blijkbaar was mijn vader overreden en is hij nu een spook geworden. Hij wilde wat met hem was gebeurd, ook met mij laten gebeuren. Na mijn droom vloog er een geest binnen die mij een kaart gaf met 3 stappen. De geest zei tegen mij: “Je woont nu in het zwarte huis vol met duistere krachten, maar jij kan dit redden. Jij hebt de macht.” Ik keek naar de kaart. Het was dus geen droom! Ik moest doen wat die geest zei, al wist ik niet wat hij daarmee bedoelde. Ik zei tegen mezelf: “Morgen voer ik die 3 stappen uit.” Het was ochtend en mijn stiefvader maakte me wakker door mij een mep tegen mijn gezicht te geven. Mijn echte vader had blijkbaar een vloek over ons huis uitgesproken. Zonder te eten, ging ik de eerste stap uitvoeren. Ik moest Sitona vinden, de vrouw van de duivel. Zij had de duisterste kracht van het hele duivelrijk. Om haar te verslaan kon ik kiezen tussen een robot of een supersterke reus. Ik koos mijn tante Bella. Wanneer zij iemand ziet, vertroetelt zij hem (daarom zit ze in het gekkenhuis). Ik mocht haar gaan halen. En het werkte, want Bella gaf Sitona een dikke knuffel. Sitona kon niet tegen liefheid, dus barstte zij uit elkaar. Haar krachten hieven zich op en belandden in mijn lichaam. De eerste stap was geklaard. Nu de tweede stap en die was Wirro vernietigen. Dat was een mens die de kracht had om Atlantis te laten zinken. Ik ging naar Atlantis. Ik zag Wirro op zijn troon zitten. Hij | De Wondere Pluim | 2010 |

101


had 20 zwarte wratten op zijn gezicht. Ik kon er amper naar kijken. Toen kwam zijn hofclown en begon Wirro te kietelen. Ik zag dat hij daardoor steeds zwakker werd. Hiermee wist ik zijn zwakke plek: kietelen. Ik had weer twee keuzes: een zwaard of een aardappel. Ik koos een veer. Ik pakte de veer en begon Wirro te kietelen. Hij werd zo zwak dat hij begon te smelten. De kracht hief zich weer op en schoot mij weer binnen. De tweede stap was geklaard. De derde stap was de moeilijkste: tegen mijn vader vechten. En dan zou ik gelukkiger zijn dan ooit tevoren. Ik begon te vechten tegen mijn vader. Dat ik nooit zou winnen, dat wist ik wel! Toen kwam die geest terug en schoot mij zelfvertrouwen binnen. Maar zelfs daarmee verloor ik. Net toen mijn vader mijn kop er wilde afhakken, begon ik te huilen. En door mijn tranen besefte mijn vader weer waar hij mee bezig was en dat dat slecht was. Hij dacht aan de tijd die hij met mij beleefd had. Zo’n pret. Mijn vader begon zelfs te janken. Toen wou hij uit elkaar barsten. Maar net ervoor zei ik: “Stop, als jij doet wat ik zeg, dan hoef je niet uit elkaar te barsten.” “Oké”, zei mijn vader. Het eerste wat ik wou, was dat de duistere kracht uit het zwarte huis verdween. Zo gezegd, zo gedaan. Het tweede was, dat mijn moeder nooit ziek was geweest. En het derde was, dat mijn vader weer leefde. Mijn vader keek verbaasd op en zei: “Wil je niet liever rijk zijn of een goede auto hebben, of zo?” Ik zei: “Nee, mijn geluk met jou en mijn ouders is mij veel meer waard dan dat allemaal!” Dus, mijn vader leefde, mijn moeder stierf niet en mijn stiefvader mishandelde mij niet meer. En ik kon naar school en ik was supergelukkig. Fatima Dzjabrailova 10 jaar Zevensprong

102 | De Wondere Pluim | 2010 |


DE KONING IS VERDWENEN

Op een dag kreeg de koning bezoek van iemand. Toen de man weg was uit de kamer van de koning, was de koning er ook niet meer. Waar zou hij nu zijn? Iedereen zocht, maar de koning was nergens te vinden. “Waar zou hij toch zijn?” dacht iedereen. De koningin was ook heel bezorgd. Zelfs de mensen die in de buurt woonden, begonnen mee te zoeken. De man die bij de koning was geweest, had er natuurlijk iets mee te maken. De politie begon de man te zoeken, maar de man was ook verdwenen. Dan besloot het leger om in andere landen te gaan zoeken. De mensen van de andere landen begonnen ook mee te zoeken, maar ze vonden ook niets. Het leger moest nog op één plaats zoeken en dat was de zuidpool. Maar daar vonden ze ook niets. Iemand belde naar de koningin en zei: “Ik weet waar de koning is.” De koningin vroeg: “Waar is mijn lieve man?” En toen zei de man: “Wacht! Hij zal wel thuiskomen.” Na drie dagen kwam de koning thuis. De koningin vroeg: “Waar was jij?” “Ik was naar de maan met mijn vriend en het was heel leuk.” Oussama El Marnissi 10 jaar Zonnebloem (Antwerpen)

| De Wondere Pluim | 2010 |

103


104 | De Wondere Pluim | 2010 |


HET HEMELGEZICHT

Daar lag ze op het gras. Ze keek naar de hemel. Haar moeder was gestorven toen ze pas vijf was. Ze had beloofd aan haar te denken. Ze wou haar zo graag terugzien. Ze dacht dat ze haar misschien kon zien op de wolken. Ze bleef uren, tot het donker was. Ze moest naar haar kamer om te gaan slapen. Ze zag iets buiten aan het raam, maar ze wist niet wat. Het was een vallende ster. Ze deed een wens. Ze wou graag haar moeder zien. Het was ochtend, zondag. Ze ging weer naar buiten. Daar lag ze weer. Ze was het niet vergeten. Ze wachtte vier uren en toen plots ... Daar zag ze haar. Zo mooi als een bloem. Ze keek naar haar moeder en haar moeder keek naar haar. Ze gaf haar een ketting die echt was. Ze zei: “Ring, ring.” Ze was wakker. Het was een droom. Maar het was waar, het was echt. Ze had de ketting in haar hand. Er stond “Sofie” op, haar naam. Ze vroeg: “Is het echt gebeurd?” Ze zei tegen zichzelf: “Ja.” En dat was het moment waarop ze besefte dat haar moeder, zelfs nu ze dood was, nog steeds van haar hield. Sarah Besanez 10 jaar Sint-Aloysius

| De Wondere Pluim | 2010 |

105


106 | De Wondere Pluim | 2010 |


Verhalen van kinderen uit het zesde leerjaar, Nederlands moedertaal

DE VROUWEN VAN DE RONDE TAFEL

Het was ochtend. Er hing een grijze mistroostigheid rond het kasteel van koning Arthur. Binnen in het kasteel zat ik. En dan, dat was de druppel, de druppel die de emmer liet overlopen. Ik pakte vlug mijn vod en begon het water op te kuisen voordat jonkvrouw Marie-Eclair binnen zou komen, want dan zou ik weer onder mijn voeten krijgen. Straks zou hier immers een belangrijke vergadering van de ridders van de ronde tafel zijn. Ze zeiden dat ze hun volgende vredesmissie gingen plannen, maar eigenlijk was het gewoon een stelletje eetverslaafde ridders die gingen bespreken naar welke herberg ze die avond zouden gaan. Al die heldhaftige verhalen die je hoorde, waren nep. Voor een veldslag huurden ze ridders in en zelfs het verhaal van het magische zwaard in de steen, was nep. En ik kon het weten, want ik hoorde bij de ‘Vrouwen van de Ronde Tafel’, de ‘VRT’. Wij waren een groep verzetsstrijders en wij streden voor een wereld waarin de vrouw wat hoger stond. Ons eerste doel was de ronde tafel. Die ‘stoere ridders’ waren voor ons een makkie: we hadden allemaal een opleiding karate, judo, stijldansen en kleuterjuf gevolgd. Op de koop toe deden we elke ochtend een uurtje yoga om onze spieren los te maken. Wanneer we daarmee klaar waren, gingen we shoppen. Dus, om terug te komen op het onderwerp, we gingen de ronde tafel afpakken en op die manier heersen over

| De Wondere Pluim | 2010 |

107


dit koninkrijk. De vloer was gepoetst, dus ging ik de kamer uit, naar beneden. Ik ging naar de reusachtige tuin van koning Arthur. Het was prachtig, bomen met knalgroene blaadjes en roze bloempjes erin, grote vijvers met metershoge fonteinen en bruggetjes overdekt met rozenstruiken, tulpen in alle kleuren van de regenboog. In de tuin ging ik op het gras liggen. Ik voelde de warme zon op mijn gezicht en de grassprietjes, nat van de dauw, prikten in mijn rug. Ik stampte mijn schoenen uit en liet mijn voeten in het water glijden, wachtend op de kleine visjes die tussen mijn tenen zouden komen zwemmen. Ik deed mijn ogen dicht en kwam volledig tot rust. Ik plukte een madeliefje en vlocht het tussen mijn vlecht. Ik ademde eens goed in en uit om de geur van lavendel, vermengd met rozemarijn, mijn geest in beslag te laten nemen. En ik was weg, weg van de aarde, helemaal verzonken in een droom vol bloemen en kruiden. Ik liet de spetters van de fontein op mijn gezicht spatten. En dan opeens: “Leona, Leona.” Ik schrok wakker en kwam terug op aarde. Mevrouw Marie-Eclair riep me, het hoofd van onze verzetsgroep. “Leona”, ze riep me nog een keer. Ik ging overeind zitten om te zien wat er aan de hand was. Mevrouw Marie-Eclair stond vlak voor me zodat haar gezicht bijna het mijne raakte en keek me woedend aan. “Zie je dan niet dat de ridders van de ronde tafel zijn gearriveerd?”, riep ze woedend. “Heb je dan werkelijk geen ogen in je kop?” Ze bleef me woedend aanstaren. Ik deed vlug mijn schoenen aan, want ik wist wat er zou gebeuren. Helemaal terug op aarde wist ik terug wat er te gebeuren stond. De ridders waren hier. Dit was onze kans om hun plaats in te nemen. “De andere VRT-leden zijn al lang op het kasteel. Je bent een dromer, Leona. Wanneer leer je dat eindelijk eens af?” Een dromer, dat was het

108 | De Wondere Pluim | 2010 |


juiste woord voor mij, Leona de Dromer. Ik pakte mijn spullen en begon naar het kasteel te lopen. Toen ik binnenkwam, hadden alle meisjes hun uitrusting al aan. Ik trok mijn pak aan en ging stil aan de kant zitten wachten op datgene waar de rest ook op wachtte. Ik had geen idee wat het plan was. Was er eigenlijk wel een plan? Er was op voorhand niets afgesproken. Toen kwam Marie-Eclair binnen. Ze begon te vertellen: “Meisjes, dit is onze kans. Als het nu niet lukt, vliegen we voor eeuwig in de gevangenis. Dus meisjes, laat zien wat je in je hebt en laat je een goed gaan op die papzakken.� Iedereen begon te applaudisseren. Het was een geweldige toespraak. We begaven ons naar boven, naar de kamer waar die papzakken zaten te vergaderen. We hielden halt voor de deur van de kamer. Wachtend op het sein, bedacht ik dat ik hierna voor eeuwig in de reusachtige tuinen van koning Arthur zou kunnen liggen. Marie Sioen 11 jaar Wereldschool

| De Wondere Pluim | 2010 |

109


EEN OUD EINDE EN EEN NIEUW BEGIN Proloog Hoe zou jij het vinden om je ooit zo trotse stad nu in een ruïne te zien liggen? Wel, ik kan je verzekeren dat het je voorstellen niet hetzelfde is als het ook echt meemaken. Zo begon mijn verhaal … Hoofdstuk 1: De klas We waren met z’n zeventienen (achttien, juf meegeteld). Zeven meisjes en tien jongens: Merel, Luna, Stina, Lissi, Polina, Enya, Madelina, Arthur, Raphaël, Vladimir, Elia, Jakob, Nathan, Manou, Youen, Yuma en ik: Neil. Sommigen waren rustig, anderen brutaal en een paar luidruchtig, zoals ik. Soms werd er wat gepest, maar nooit vijandig en meestal kwamen we voor elkaar op. Kortom, we waren een echte klas. Hoofdstuk 2: De bom We zouden vroeger naar beneden gaan dan gewoonlijk (kwart na tien in plaats van half elf) en we waren al in de trappenkoker toen er iets vreemds gebeurde. Het brandalarm loeide, maar niet gewoon. Dit was alsof iemand je probeerde doof te brullen, maar dan dertig keer zo hard. We haastten ons naar beneden toen er opeens een barst in de vloer kwam. Een paar meisjes gilden en een paar seconden (15) later, waren we op straat, maar ... wat gebeurde er? Alle alarmen in de buurt van auto’s, banken,

110 | De Wondere Pluim | 2010 |


huizen en winkels begonnen te loeien en we zagen tot onze verbijstering dat de school begon in te storten, en niet langzaam, nee: hele brokken vielen er af. Toen we eindelijk heelhuids (op een paar schrammen en bulten na) in het parkje aankwamen, zagen we de vijfde klas naar ons toe rennen, maar zij hadden minder geluk dan wij. De hele straat stortte in op hen, als een kaartenhuis. Vol afgrijzen keken we terwijl sommigen iets prevelden over 2012 Hoofdstuk 3: De overlevenden Toen ging de hele klas als één man op zoek naar gras om in onze oren te stoppen. Luna zag ze als eerste: “Kijk daar, mensen.” En inderdaad, er klommen mensen over de brokstukken. Juf Eulalie en meester Dave ondersteunden Juf Ietje, terwijl ze sommige vijfdeklassers (die meer geluk hadden gehad dan de rest) onder het puin vandaan haalden. En juist toen ze bij ons waren, stopte het lawaai. De stilte was oorverdovend … Hoofdstuk 4: De wolf De volgende morgen gingen Arthur, Nathan, Raphaël en ik op zoek in de ruïnes van een huis. Arthur opende de halfkapotte deur en voelde iets. Toen hij zijn hand uitstak sloot dat iets zijn mond rond zijn hand en zat vast op het bot. Raphaël, Nathan en ik pakten meteen iets om mee te slaan en sloegen op, op, ja, op wat? En toen, een misselijkmakende “krak” en het beest (we zagen dat het een beest was) viel samen met Arthur zijn hand op de grond. Toen Arthur bijkwam, zag hij dat juf Ietje en Stina zijn hand aan het dichtnaaien waren en hij vroeg of ze een stuk metalen buis (van zo’n 30 cm lang) in zijn pols

| De Wondere Pluim | 2010 |

111


wilden vastzetten zodat hij niet meer ongewapend zou zijn. Hoofdstuk 5: Ontdekkingen Zo langzamerhand ontdekten we dat er iets vreemds met ons aan de hand was. 1. Wie vroeger al lenig was, was nu als van rubber. 2. Wie vroeger al sterk was, was nu net Hercules. 3. Wie vroeger al slim was, kon het nu opnemen tegen Einstein. 4. Wie vroeger geïnteresseerd was in geneeskunde, had nu merkwaardige helende krachten. 5. Wie vroeger al snel was, was nu even snel als een luipaard en kon dat nog volhouden ook. 6. Wie vroeger al goed kon horen, kon nu gedachten lezen. 7. Wie zich vroeger al geruisloos kon verplaatsen, was nu onzichtbaar. Onder deze categorie viel ik. Hoofdstuk 6: Nieuwe monsters Onze krachten kwamen ons goed van pas, want we vonden steeds meer gewonde overlevenden, maar ook steeds meer monsters zoals: een bloedzuigende slak (van 30 cm lang), een vleesetende vlieg met vleugels zo groot als de krant van mijn oma, tenenvretende mollen en dolgeworden honden, met tanden en klauwen zo groot als de haak van kapitein Hook en even gemeen. Hoofdstuk 7: Een oud einde en een nieuw begin We zaten plannen te maken om het Nest (van de dieren) op te blazen en daar was maar één oplossing voor. Iemand moest met een mijn het Nest binnenlopen. Ik wou het doen. Ik pakte twee mijnen en liep het Nest binnen. Toen de beesten me in de smiezen kregen, kwamen ze naar me toe en begonnen me te verslinden.

112 | De Wondere Pluim | 2010 |


Nawoord Neil heeft er dus voor gezorgd dat de klas verlost werd van de dieren, maar moest het wel met zijn leven bekopen. Misschien vragen jullie je af waarom de alarmen loeiden. Het kwam door een gekke hacker die werd opgegeten door de dieren. Neil De Hert 12 jaar Steinerschool

| De Wondere Pluim | 2010 |

113


114 | De Wondere Pluim | 2010 |


QUICHE

Er was eens een monster, een lief monster. Het had altijd honger. Het lustte alleen camembert. Op een dag had het alle kaaswinkels gezien. Alle camembert was op. Dat was een ramp. Wat moest hij nu eten? Het monster begon te huilen. Ergens aan de rand van het zwembad hoorde een klein meisje het gehuil. Ze ging kijken. Ineens stond er een groot monster voor haar neus. Het meisje schrok zich rot, maar was niet bang. Het meisje vroeg: “Waarom huil jij?” Het monster zei: “Alle camembert is op en ik heb zo’n honger.” “Zeg me eerst je naam.” “Gewoon: monster, en jij?” “Moza. Ik zal je wel helpen met je kaas.” Het monster ging mee met Moza, op zoek naar camembert. Daar begon hun vriendschap (al wisten ze dat toen nog niet). Het werd avond en nog hadden ze geen camembert gevonden. Plots zei Moza: “Ik heb een idee.” “Wat voor idee dan?”, vroeg het monster. “Wel, heb je al eens iets anders geproefd?” “Nee.” “Misschien moet je eens iets anders proberen, zoals een hamburger of wortelpuree.” “Ik weet het niet.” “Oké, ga maar mee naar mijn huis.” En daar gingen ze, Moza en het monster. Toen ze in het huis van Moza waren, begon Moza meteen te bakken en te koken, wortelpuree met worst en hamburgers en zelfs een grote taart met alles erop en eraan. Maar zelfs de taart lustte het monster niet. Het begon weer te huilen. “Niet huilen, ik zal een van mijn specialiteiten maken,

| De Wondere Pluim | 2010 |

115


quiche, dat is een groentetaart”, zei Moza. Toen de quiche klaar was, begon het monster te eten en riep: “Joepie, wat lekker!” Vanaf die dag at het monster altijd quiche. Renée Valkenaers 12 jaar Musica

116 | De Wondere Pluim | 2010 |


OP ZOEK NAAR LIEFDE

Weet je wat de jonge stalheer van het kasteel wou? Hij wou een vrouw, zo mooi als hemel-blauw. Maar toen kwam de prins binnen: “Ruim de stal op, en gauw!” Toen pakten de engeltjes boven in de lucht een touw en maakten uit een papier een vrouw … Dat vormde dan een vrouw, zo mooi als hemel-blauw. Ze lieten haar zakken met het touw. Op dat moment werd de stalheer gebeten door een onbekende pauw. “Auw!” Maar daardoor zag hij de beeldschone vrouw. Ze keken op elkaars mouw. Daar stond op: “Ik hou van jou.” De man vroeg: “Wil je mee naar de trouw?” “Nee”, zei de vrouw, “ik wil zelfs meedoen aan een trouw!” De prins vond het zo mooi dat hij ze liet wonen in het kasteel. Daarop zei de vrouw, zo mooi als hemel-blauw, “Wauw!” Jens Raats 11 jaar kRing

| De Wondere Pluim | 2010 |

117


DE PSYCHOPATIschE MINISTER DIE VAKANTIES AFSCHAFTE

“Wraak!” bleef zich herhalen in de gedachten van BM. Zo noemden ze hem toch, alle cipiers noemden hem zo. Zij hadden ontdekt dat het de afkorting was voor “Brain mystery”. Ze dachten allemaal dat hij gek was. Daardoor zat hij op de psychiatrische afdeling en kwam er elke dag een dokter langs om pillen te geven. Maar nadat de dokter weg was, spuwde hij ze uit in de gootsteen. Hij werd op zijn 20ste opgesloten omdat hij zijn vader had vermoord. Hij haatte die man. Nooit, nooit kreeg hij vakantie van zijn vader. Zijn huiswerk maken en dan direct komen helpen op het land. Maar morgen zou alles veranderen. Hij kreeg als straf 20 jaar en morgen had hij die uitgezeten. Hij was 40, maar had nog veel plannen. Met de nadruk op ‘plannen’. De volgende morgen werd er flink op de tralies van de cel geslagen. “Hey, BM, wakker worden. Dit was de laatste keer dat je in je kleine huisje hebt geslapen!”, zei de cipier. “Je moet naar de rechter. Kleed je goed en mooi aan”, zei hij. Hij kleedde zich om en ging op weg naar buiten, op zoek naar de vrijheid. “Michal Affrazi (want zo heette hij echt), u werd veroordeeld tot 20 jaar wegens de moord op uw vader”, zei de rechter. “U heeft deze straf volledig uitgezeten en wordt daarom vrijgelaten. Als u nog een misdaad begaat, zal er rekening gehouden worden met uw strafblad. Bent u daarmee akkoord?” “Ja, Edelachtbare”, zei Michal Affrazi. “Dan verklaar ik u nu vrij. Ga in vrede”, zei de rechter. De dreun van de hamer weergalmde in de zaal toen de rechter ermee sloeg.

118 | De Wondere Pluim | 2010 |


Hier stond hij nu op de stoep. Hij belde een taxi om naar huis te gaan. Zijn moeder was vroeg gestorven aan kanker en zijn vader had geen testament gemaakt, dus de erfenis was voor hem. Toen hij thuiskwam, begon hij enkele telefoontjes te plegen: naar een campagneleider, naar een reclamebureau … Want hij had in de cel een plan gemaakt. Hij had ontdekt dat, wanneer hij vrijgelaten werd, de verkiezingen bijna zouden beginnen. Hij wou minister van Onderwijs worden en was vastbesloten te winnen. Dit maakte allemaal deel uit van het plan. Zoals voorspeld, begonnen de verkiezingen en wie hing er tussen de affiches? Nr. 7, Michal Affrazi, met de slogan: ‘De taal van tegenwoordig. Ze hebben een nieuwe baas in town nodig.’ Twee maanden later gebeurde het. De nieuwe minister van Onderwijs werd verkozen: Michal Affrazi. De eerste maanden schafte hij voor de kinderen dingen aan waar ze blij van werden en leuk vonden. Dat was de truc om het volk in zijn macht te krijgen en te laten zien dat hij een goede minister was. Maar dan trad het volgende hoofdstuk van zijn plan in werking: hij schafte de vakanties af. “Meneer de minister”, zei een van de veiligheidsagenten, “u moet beginnen met de speech. De mensen worden onrustig.” De minister liep naar het balkon en zei door de microfoon: “Rustig mensen, ik zal vertellen waarom ik dit doe. De kinderen moeten strenger worden aangepakt, met al hun geweld en hun taal zijn zij de baas over jullie. Wij moeten laten zien dat wij de baas zijn en daarom doe ik dit.” Hij kreeg het volk met zich mee en iedereen ging akkoord met het voorstel. Maar ondertussen bouwden de kinderen een leger op. Ze waren vastbesloten dit tegen te gaan. Hun leger was zo groot dat ze van plan waren aan te vallen. Die nacht

| De Wondere Pluim | 2010 |

119


trokken ze door de straten van Antwerpen. Die dag zal altijd herinnerd blijven als de ‘Child Attack’ van 24 februari 2010. Gewapend met elektrische autootjes van 20 km per uur en plastic bogen, bibiguns voor de ouderen, plastic zwaarden … kwamen ze aan bij het departement van Onderwijs. Ze gingen allemaal in een rij staan, wachtend op de bewakers. Die gingen ook in een rij staan. Het was een gespannen draadje dat hun weerhield om aan te vallen. Toen sprong het. De bewakers die de kinderen geen pijn wilden doen met hun wapens, moesten met blote handen vechten. “Aanvallen!”, riepen de kinderen. “Auto’s naar voren, rij ze omver!”, riep iemand. De auto’s vielen aan. Vele bewakers vielen, sommigen bleven staan. “Bibigunners, schiet de overigen neer”, riep iemand anders. De bewakers die nu vielen, zouden de dag nadien veel pijn hebben. “Zwaardvechters, steek ze, dat ze wat pijn hebben. De rest naar binnen. We pakken de minister.” Zo ging het. De minister werd overmeesterd en de vakanties kwamen weer terug. De kinderen hielden van hun ouders en zij van hen. Het werd ochtend en het zag er naar uit dat het een mooie dag zou worden. Arthur Blomme 11 jaar Sint-Lutgardis

120 | De Wondere Pluim | 2010 |


Verhalen van kinderen uit het zesde leerjaar, Nederlands tweede taal

ECHTE VRIENDIN OF NIET ?

Ik liep over het schoolplein, op zoek naar Naomi. Naomi is mijn beste vriendin. Twee jaar geleden kwam ze op onze school. Veel Nederlands kon ze niet, maar nu spreekt ze al bijna even goed als wij. Mijn vader was toen net omgekomen bij een auto-ongeluk, veroorzaakt door een of andere Johan Bintz. Daar had ik veel verdriet over, maar toen Naomi kwam, niet meer zo veel. “Kris, ga je in de rij staan?”, vroeg een juf. Ik liep naar meester Joris’ rij. We gingen naar de klas. “Waar is Naomi?”, vroeg ik. De meester antwoordde: “Weet ik niet, misschien is ze ziek.” We kregen een saaie geschiedenisles. Na school ging ik naar Naomi. Ze woonde in het asielcentrum. “Ik zou graag weten in welke kamer Naomi woont”, vroeg ik. De vrouw keek me aan en zei: “Er wonen hier drie Naomi’s. Ik pak even een boek.” Ze haalde een boek met foto’s van mensen. “Welke Naomi wil je?”, vroeg ze. Ik wees de foto aan van mijn beste vriendin Naomi en zei: “Haar wil ik.” “Hm, Naomi Bintz dus …”, mompelde ze. Ik keek haar aan en vroeg: “Wat zei u?” “Naomi Bintz”, antwoordde ze. Ze woont op kamer nummer 143. “Euh, oké, bedankt”, zei ik. “Neem de lift naar verdieping drie, dan ga je naar links en zoek je nummer 143”, zei ze nog. “Laat maar”, zei ik snel en liep weg. Niet te geloven, Naomi’s vader was diegene die ik al twee jaar vervloekte. Waarom had ze me nooit iets verteld? Ik had tegen haar gezegd dat mijn vader was overreden door Johan Bintz. Ze had gedaan alsof ze ook

| De Wondere Pluim | 2010 |

121


kwaad was op hem. Op weg naar school hoopte ik dat ze nog ziek was, maar nee, daar wachtte ze op mij, achter de schoolpoort. “Hoi, Kris! Ik had gisteren verschrikkelijke hoofdpijn en ik had ook …”, begon ze. Ik duwde haar weg en riep: “Als ik je nog één keer zie, krijg ík hoofdpijn!” Naomi keek me niet-begrijpend aan en vroeg: “Hoezo? Wat bedoel je?” “Waarom heb je niets verteld, hé, Naomi Bintz?!”, schreeuwde ik. Iedereen op de speelplaats keek naar mij. Ze wisten allemaal wat er gebeurd was met mijn vader en wie die ‘geweldige’ chauffeur was die hem had overreden. Ze keken allemaal naar mij toen ik “Naomi Bintz” riep. Er klonk overal geroezemoes over ‘Kris’ vader’ en ‘Bintz’. Naomi werd helemaal rood. Ik wist dat haar vader haar had verlaten. Ze moest van haar eigen land naar België vluchten. In de klas vonden ze Naomi allemaal opeens stom omdat ze niets had verteld. Iedereen had medelijden met mij. Opeens had ik veel ‘vrienden’. De hele week negeerden we Naomi en sloten we haar uit. Elke dag was ze alleen. Maar die avond dacht ik eens na over Naomi. Ze had, net zoals ik, geen contact meer met haar vader. De mijne was dood, dat kon dus natuurlijk niet meer. En haar vader had haar verlaten, dus kon ze er eigenlijk niets aan doen. Maar ze had het mij toch kunnen vertellen? Misschien was Naomi gewoon bang? Misschien durfde ze het niet te vertellen omdat ik haar vriendin dan niet meer wou zijn, zoals nu … Die dag had ze er heel verdrietig uitgezien en ik voelde me ook wel een beetje alleen, ondanks dat de hele klas altijd bij mij stond. Ze deden het alleen uit medelijden, niet om mij. Mijn besluit stond vast: morgen ging ik sorry zeggen tegen Naomi, maar dan moest ze me wel vertellen wat er gebeurd was met haar vader. “Waar is Naomi?”, vroeg ik aan meester Joris. “Misschien weer ziek, ze zag er gisteren niet zo goed uit”, antwoordde hij. Na school ging ik terug naar het asielcentrum. Gelukkig was het niet dezelfde vrouw. Ik vroeg: “Woont Naomi Bintz

122 | De Wondere Pluim | 2010 |


op nummer 143?” De vrouw zei: “Nee, niet meer. Gisteren moest ze terug naar haar land. Ze mocht niet blijven in België”. Ik keek haar aan. Het was alsof de wereld instortte Dus daarom was ze gisteren zo verdrietig. Zonder afscheid te nemen is ze weggegaan en zal ik haar nooit meer terugzien. Julia Zhu 11 jaar Sint-Anna Goethe

| De Wondere Pluim | 2010 |

123


124 | De Wondere Pluim | 2010 |


DE KANNIBALEN

Eerst nog een rap: De wondere pluim! Dat zuig je niet zomaar uit je duim! Je moet je concentreren! Het zijn niet zomaar veren! En dan nu mijn verhaal: In een bos woont een heel eng gezin. Er ging iemand op bezoek komen. De vader was op zijn werk, de kinderen op hun kamers en de mama in de keuken. Zij ging eten maken. Maar toen ze wou beginnen, ontdekte ze dat er geen eten was. Ze belde naar vader en vroeg: “Ik heb geen eten in huis. Kun jij daar niets kopen?” “Nee, de winkels zijn gesloten”, zei de man. Het uur was om en de man kwam op bezoek. Tok, tok, hoorden ze allemaal heel gespannen. De man kwam voetje per voetje binnen. Vóór hij kon gaan zitten, zeiden mama en papa tegelijkertijd: “Wij hebben geen eten, is dat erg?” “Maar nee, ik heb al gegeten”, antwoordde de man. Maar het was wel een probleem. De kinderen hadden nog niet gegeten. Oh, heb ik jullie al verteld dat het kannibalen waren? Misschien denk je al zoiets van, dat gezin heeft die man opgegeten. Ja, zo zat het. Zo gebeurde het. Twee keer. Een man die het huis al de hele week in het oog hield, ontdekte dat de mannen niet waren teruggekeerd, dus besloot hij om zelf eens naar dat gezin te gaan. Hij liep naar de deur en klopte aan. De man deed open. Toen riep hij naar zijn vrouw: “Hebben we vandaag nog bezoek op onze lijst?” “Nee”, riep een zachte stem terug. “Ik kom alleen met jullie praten”, zei de man. Hij werd binnengelaten. Hij ging zitten en vertelde zijn verhaal, wat hij die week had gezien. Toen vroeg hij of hij

| De Wondere Pluim | 2010 |

125


het huis mocht doorzoeken. Eerst twijfelden de ouders, maar toen mocht het. Hij liep door het hele huis, maar vond niets, of toch ... in de kelder vond hij … een lijk. Ja, nu wist hij het zeker. Hij dacht bij zichzelf: “Het zijn kannibalen.” Hij nam het lijk dat in een grote zak lag, liep naar boven en riep: “Hier, jullie zijn kannibalen. Ik heb het bewijs.” Hij wou naar buiten lopen, maar de deur was op slot. Hij dacht heel lang na. Toen wist hij het: “Ik zal niets zeggen over de lijken, op voorwaarde dat ik jullie mag leren groenten en aardappelen eten.” De kannibalen dachten lang na: “Oké, afgesproken.” Vanaf dan ging de man elke zaterdag en zondag naar hen. Zo ging het drie maanden door tot er op een dag een soort eindwerk was. Tijdens die drie maanden hadden ze ook geleerd om gestoofd witloof te maken, maar ze hadden geen witloof in huis. De man, die het helemaal was vergeten, was maar aan het panikeren, maar het gezin, nog steeds kannibalen, vond het niet erg. Zij hadden een idee, ze maakten … gestoofde vegetariër. Want de man was vegetariër. En zo bleven ze heel hun leven kannibalen. Aouatif El Bakali 11 jaar Wereldschool

126 | De Wondere Pluim | 2010 |


HET ZWARTE HUIS

Op een dag was Tom aan het voetballen. Hij had niet veel plaats om te voetballen, dus ging hij naar een park. Het was wel een beetje raar dat er niemand in het park was. Hij ging verder. Hij werd steeds banger en banger. Toch ging hij verder. Er stond een bord met daarop: ‘Het zwarte huis’ en een pijltje naar rechts. Tom ging naar rechts. Hij hoorde “Help, help!”, en toen begon hij te lopen naar het huis. De deur stond open. Tom ging in het huis. Hij hoorde nog steeds: “Help, help!” Hij voelde iets aan zijn voeten, maar wat? Hij nam de trap naar boven. Hij ging naar de deur waar er om hulp geschreeuwd werd. Toen zag hij een 30-jarige vrouw. Tom vroeg: “Waarom schreeuw je zo?” “Er is hier een muis.” Tom werd kwaad. Hij was hier voor niets gekomen. Yousra Al Marchohi 11 jaar Zevensprong

| De Wondere Pluim | 2010 |

127


(BIJNA) ONTVOERD INSOMALIE

Eline kon niet slapen. De volgende dag was het zover! De volgende dag gingen ze naar Somalië. Ze hadden lang gezocht tot ze eindelijk een goede plek hadden gevonden om naartoe te gaan. Haar broer Eddy had nachtmerries. “Wat is er, Eddy?” “Eline … Ik droomde dat, toen we over de zee vlogen, we neerstortten met het vliegtuig en dat we verdronken”, snikte Eddy. “Niet bang zijn”, fluisterde Eline. “Alles komt goed! Heen … en terug!” “Ik zal ’s avonds niet meer naar National Geographic kijken”, siste Eddy zacht. Na een tijdje vielen ze in slaap. De volgende ochtend werden ze vroeg wakker. “Goeiemorgen!”, riep mama. Aan tafel aten ze croissants. “Jammie!”, smakte Eline. Papa lachte. “ ’s Morgens eet je geen brood. Daarom hebben we croissants op tafel gezet. Je moet stevig ontbijten! Niet te veel, in het vliegtuig krijgen we nog!” Eddy ging van tafel. “Wat is er?”, vroeg mama bezorgd. Eddy ging met tranen in zijn ogen naar de badkamer. “Ik wil geen vliegtuig!”, schreeuwde hij nog, vóór ze een harde klap van de deur hoorden. Eline vertelde wat Eddy gisteren had gezegd. “Dat mag hij niet denken!”, zei mama nog bezorgder. Papa zuchtte: “Hij zal het heus leuk vinden. Laat hem nog maar een uurtje. Dan gaan we.” Eline werd zenuwachtig. Snel ging ze Eddy troosten. Daarna kleren aantrekken! Twee uur later was de taxi er. Alle koffers en tassen werden ingeladen. Eddy voelde zich al beter. In de taxi speelden Eline en Eddy vrolijk op de Nintendo. “Ik ben blij dat een

128 | De Wondere Pluim | 2010 |


jongen van tien en een meisje van twaalf zo goed overweg kunnen met elkaar”, fluisterde mama in het oor van papa. Hij glimlachte. Na 15 minuten rijden, waren ze eindelijk in de luchthaven van Zaventem. “Nu onze tickets halen!”, zei vader opgewonden. Eline zuchtte. Een jongen in haar klas kwam uit Sri Lanka. Hij zei dat tickets halen tot wel 3 uur kon duren! Het was ook vreselijk druk … geen wonder. Vader sprak Frans tegen de mensen. “Gek”, dacht Eddy. Eline legde het hele verhaal van het begin van België uit. “En daarom spreken ze hier ook Frans”, zei Eline, trots op haar kennis. “Ah, zo!”, zei Eddy niet-begrijpend. “Nu weet ik het”, zei hij, als een boer met kiespijn. “We hebben de kaartjes!”, riep papa. “Het vliegtuig is Afryqiah Airways, of zoiets. Het is Arabisch.” Eline had niet veel interesse. Ze wou alleen naar Somalië. Veel later, nadat ze de veiligheidscontrole waren gepasseerd, zaten ze in het vliegtuig. Een half uur later stegen ze op. “Woooow!”, riep iedereen. Toen ze opstegen, was het spectaculair. Alsof je in de grootste achtbaan van de wereld kruipt! Ze werden tegen de zetels gedrukt. Niet veel later zweefden ze door de lucht. Ze waren halfweg. Eline keek naar buiten. Het was prachtig. Vooral Eddy genoot. Hij vond het leuk. “Eigenlijk is er maar één ding tof. Je kunt hier zelfs ‘Madagascar’ kijken, super coole film. Alleen is het wel Arabisch …” “Je zit ook op een Arabisch schi … euh…” “Haha, Eline, wou je nou ‘schip’ zeggen? Alleen bij Peter Pan is er een vliegend schip … of de vliegende hollander … Maar niet hier!” Eddy lachte zich helemaal plat. Papa vond dat hij overdreef. Elines hoofd werd zo rood als een tomaat. “Sufferd”, dacht ze.

| De Wondere Pluim | 2010 |

129


Ze maakten geen tussenstops. Ze vlogen door. Na een tijdje klonk er een stem: “Put your seatbelt on, please.” Eline wist niet wat ‘seatbelt’ was. “Gordel”, zei moeder lachend. “Oké, aan dus…” Toen Eline wou praten, hoorde ze zichzelf amper. “Hallo? Hallo?” Eline schreeuwde, maar het klonk als gewoon gepraat. Aan de andere kant van het smalle vliegtuig zat Eddy. Zijn ogen zagen rood en hij bewoog als een losgeslagen leeuw. “Help me!”, klonk het angstig. Toen gilde Eline ook. Wat gebeurde er met haar oren? Ze deden pijn! Na een tijdje schokte het vliegtuig …, het stopte … Ze gingen uit het vliegtuig. De stewards lachten vriendelijk. “Bye, bye!”, zei ze. De twee zeiden “Bye.” Het was fris. “O nee, alweer identiteitscontroles!” Na een tijdje gingen ze buiten. “Ah, wat is het bedrukkend warm.” Eline trok haar vest uit. Achter hen hoorden ze een stem met een Arabisch accent: “Welcome to Somalia. I’m your guide, Nilson.” “Nice to meet you!”, zeiden hun ouders. Gelukkig kwam hun papa uit Groot-Brittannië. Hij sprak Engels als de beste. “My name is Mr. Jeffrey Horton. This is my wife, Sandra Vanvlies, and my children, Eline and Eddy Horton.” De man lachte en zei dat ze hun koffers moesten geven. Verderop sprak hij met drie andere mannen die hen aankeken. Eline voelde zich gek. “Hier klopt iets niet …”, fluisterde ze tegen Eddy. Hij knikte: “Ik weet wat je bedoelt…” Eline was verbaasd. Dacht dat kleine joch hetzelfde? Eddy wandelde naar hun papa en vroeg: “Mag ik de foto van de gids zien?” “Oké dan, waarom?” “Zomaar.” Eddy keek naar de foto en naar de gids. “He! Kijk, Eline!” De man op de foto heeft groene ogen! Hij bruine!” Eline schrok. Inderdaad ... “Jongens, komen jullie!” “Maar papa…”, zei Eddy terug. “We hebben geen tijd. Naar het appartement!” Eddy gaf de foto terug. Hun papa stopte hem gewoon weg! O nee … Na twee uur zaten ze in een donkere buurt. “The other

130 | De Wondere Pluim | 2010 |


appartement is not ready to use yet … Tomorrow!” zei Nilson. “Tsss, omdat ze nog boobytraps moeten leggen, zeker …”, dacht Eddy. Een vrij jonge dame kwam binnen en begroette hen. Het was haar gebouw. Ze wandelde weg. Nijdig prutste ze op de gang met haar gsm. Ze keek triest naar de mooie Samsung Corby van papa. Ze gingen slapen. Het gebouw was koud, er waren geen dekens. In de badkamer ontdekte Eline naast de wc-pot een potje met poeder en pilletjes. Drugs! Ze ging weg. De volgende ochtend werden ze vroeg wakker. Maar ze mochten het gebouw niet uit. Wat ze ook deden, ze konden niet weg. Tralies voor de kamers, deuren op slot. Ellendig. Beneden en buiten hoorden ze geroep en slagen. Ook gehuil en gesmeek. Eline slikte. Wat was ze bang. Eddy vertelde aan hun ouders waarom hij de foto nodig had. Mama werd bleek. Ze gilde: “We zijn ontvoerd!” Eline begon te huilen. Ze hoorde een sleutel draaien. Een man liep binnen. Hij gaf hen gebraden kip. Toen was hij weer weg. Eddy trok op tijd aan zijn t-shirt. “Eddy!”, riep mama. De man greep hem vast, dat deed hij ook met Eline. Vóór hun ouders konden ingrijpen, was de deur weer dicht. “Eddy, Eline …”, jammerde mama. Papa zocht zijn telefoon, maar die vond hij niet. “Natuurlijk”, dacht hij, “toen die dame naar mij keek terwijl ik bezig was met mijn telefoon … ze was woest en heeft hem gestolen!” “ Nee!” Mama begon nog harder te wenen. Afschuwelijk … Abnormaal … Eline en Eddy zaten in een wagen die wegreed. Na een paar minuten waren er mannenstemmen die langzaam verdwenen. “Eline”, fluisterde Eddy, “toen ik die vent vastgreep, kon ik een sleutel pakken. Hij past in het autoslot.” Eline haar hart maakte een vreugdesprongetje. “Eddy is geniaal”, dacht ze. Ze gingen de auto uit. Ze verstopten zich achter kratten. Een stad! Een telefoon! “Eddy, ik ken het nummer van de Belgische Ambassade!

| De Wondere Pluim | 2010 |

131


Ik moet bellen!” Maar daar waren de ontvoerders! Nee … Ze moest in haar beste Engels praten. Eddy probeerde de ontvoerders af te leiden met zijn kunsten. “Wees voorzichtig!” Eline kreeg iemand aan de telefoon: “He … Hello! I am Eline Horton and I ben van Belgium! My parents are in a building … far away … We are ontvoerd …” De man begreep het. “Your location please?” Eline slikte. “I do not … Wacht! Agumba city … Patajestreet…” Ze las alles van een bord. “We are coming!” Heel wat later waren de ontvoerders opgepakt. Eline en Eddy mochten gratis terug naar België. Ze gingen naar oma en opa. “Mama en papa komen later …”, zei Eline hakkelend. Twee dagen later waren ze weer thuis. Ze waren blij. Eddy en Eline kregen een prijs van de ambassade. Gelukkig was alles weer goed. Andrea Hüther 11 jaar Sint-Anna Goethe

132 | De Wondere Pluim | 2010 |


DE DRAAK EN RYAN ZIJN VRIENDEN GEWORDEN

Er was eens een draak. Hij heette Tarik. Iedereen was bang voor Tarik. Tarik woonde in het bos. Niemand durfde naar het bos te gaan. Tot op een dag Ryan een kijkje ging nemen. Ryan bekeek de draak. Hij vond hem helemaal niet eng. Draak Tarik lag te slapen. Toen Tarik wakker werd, was Ryan al weer weg. Ryan vertelde aan zijn ouders dat hij naar het bos was geweest. De ouders van Ryan waren boos. Ryan vertelde dat de draak helemaal niet eng was. Hij zag er juist heel lief uit. Ryan ging terug naar het bos. Deze keer was de draak klaarwakker. Ryan vroeg aan de draak hoe hij heette. “Tarik.” “Mijn naam is Ryan.” “Zullen we vriendjes worden?”, vroeg de draak. Ryan antwoordde: “Dat is een leuk idee.” Ze speelden de hele dag samen. Ryan ging naar huis. Hij vertelde het nieuws aan iedereen, maar niemand geloofde hem. Ryan zei: “Geloven jullie me niet? Kom maar allemaal mee.” Ze gingen samen met Ryan naar Tarik. Iedereen werd bevriend met de draak. Nog heel lang. Donjeta Beqiraj 11 jaar Blokkendoos

| De Wondere Pluim | 2010 |

133


134 | De Wondere Pluim | 2010 |


NaWOORD De Wondere Pluim is vĂŠĂŠl meer dan een originele en creatieve schrijfwedstrijd. De Wondere Pluim is een platform voor kinderen die graag schrijven. Het is een netwerk van ouders die ervaren hoe hun kinderen met taal en creativiteit bezig zijn. Het is een dynamisch gebeuren in de scholen waar verhalen een eigen invulling krijgen. Het is een ontmoetingsplatform waar diversiteit een evidentie is. Kortom, de Wondere Pluim is van een schoonheid die De Veerman graag koestert en elke keer weer helpt waar te maken. Acht edities Wondere Pluimen! Gegroeid als een project van De Wereldschool naar een Antwerps project waar meer dan 2000 kinderen uit 26 scholen aan deelnemen en waar sinds dit jaar nog eens 900 kinderen uit Genk, Hasselt en Maasmechelen schrijven. De deelnemende Limburgse scholen hebben hun eigen Wondere Pluimuitreikingen en bijhorend feest. De dynamiek van een groep vrijwilligers die het project waarmaken, een grote groep ouders (een vierhonderd) die meewerkt, een groep professionele juryleden met naam en faam die belangeloos meewerken. Aan allen veel dank!

| De Wondere Pluim | 2010 |

135


Dank ook aan de gewaardeerde steun van de deelnemende gemeentes en steden. De stad Antwerpen draagt een groot stuk bij aan dit lokale gebeuren en we zijn hen zeer erkentelijk. Met name Philip Heylen, schepen van Cultuur, en Michaël Vandebril, coördinator Antwerpen Boekenstad, zijn ware fans van het project. Ik mag hopen dat ze ook hun Limburgse collega’s inspireren om van dit project geen eenmalig gebeuren te maken. Dank ook aan de Orde van den Prince, afdeling Land van Ryen, voor hun financiële bijdrage aan het welslagen van dit project. Last but not least: veel dank aan het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen en zijn administrateurgeneraal Dr. Paul Huvenne voor de gastvrijheid en de medewerking aan de eindmanifestatie. Ondertussen weten we ook dat scholen die veel aandacht hebben voor creativiteit, voor het omgaan met taal en voor kunst en cultuur in het algemeen, een meerwaarde zijn. De kinderen die met een brede kijk en een goede training in creativiteit de wereld instappen, zullen verder kijken dan hun neus lang is. Daarom ook zijn fantasie, dromen en verhalen belangrijk: het geeft ons greep op ons bestaan en helpt ons te formuleren wat we zo graag willen! Tijl Bossuyt Artistiek en zakelijk leider De Veerman

136 | De Wondere Pluim | 2010 |


Inhoud Voorwoord

3

Juryverslag

4

Verhalen van kinderen uit het eerste leerjaar, Nederlands moedertaal De wensput Ik ben een kikker Als er nog sneeuw is in de zomer De wereldvrede Verstoppertje De kleine beestjes

Noah Macanovic Ena Anné Matt Baekelandt Martha Verbergt Quinten Hensbergen Judit Waeterschoot

Verhalen van kinderen uit het eerste leerjaar, Nederlands tweede taal Dagboek Sneeuwwill Nooit De buschauffeur gaat skiën De ontsnapte aap Ik wou ooit een piraat zijn

Rayhana Gharib Bayram Sögüt Stephan Wellner Ivana Batcharov Paulina Zakrzewicz Gal Ancha

13 14 15 16 17 18

19 20 21 23 24 25

Verhalen van kinderen uit het tweede leerjaar, Nederlands moedertaal De giraf zonder nek De hemel zonder sterren Een beetje Ik hou van elfjes Ik wil een knuffel Spelen in de sneeuw

Bruce Eelen 27 Emilie Deac 28 Manù Garmendia Alfaro 29 Janne Wellens 31 Simon Albrechts 32 Nathan Scheyltjens 33

| De Wondere Pluim | 2010 |

137


Verhalen van kinderen uit het tweede leerjaar, Nederlands tweede taal Zo vrij als een vogel De koala De magische bloem De slimme boom en het jongetje Het kleine bloemetje De roos

Imane Laktit Ayoub Khaled Ikram Boulahdarej Lejla Bejzaku Angelika Pietrowska Haitam Ben Brahim

Verhalen van kinderen uit het derde leerjaar, Nederlands moedertaal Liefde met stekeltjs De monsterwereld De zeehond en de hond De paddenprinses Vrede nooit vergeten Het eenzame legoblokje

Luna Nouwen Dorian Hemerijckx Glenn Roosenbroeck Annelore Peeters Omar Mboup Oscar Cauchi

Verhalen van kinderen uit het derde leerjaar, Nederlands tweede taal Mary de Moed Fee De discobal Nooit! De kleine eend die niets kon Zelfmoord

138 | De Wondere Pluim | 2010 |

Yuzlem Musa Selman Tas Sena Ertem Aisha Mian MaitĂŠ Fernandez

35 36 37 38 41 42

43 45 47 48 50 51

53 55 56 57 58


Verhalen van kinderen uit het vierde leerjaar, Nederlands moedertaal

De valse noot Maral Mesghali De beer zijn staart Sophie Deac De wedstrijd Hendrik De Boeck Tv Sofia Benesty Zweven op de vleugels van de nacht Siebrand Verhulst

59 61 63 64 65

Verhalen van kinderen uit het vierde leerjaar, Nederlands tweede taal De reus met de drie stenen Het mysterie van het atomium De zieke prinses Het veertje Nooit De goudvis

Aminata Diop 67 Zillah Atzmon 69 Regina Tawadrous 70 Katsiaryna Kanavalionak 72 Corentin Ertorteguy 75 Rovena Belul 76

Verhalen van kinderen uit het vijfde leerjaar, Nederlands moedertaal

De jachthond die niet jagen wilde Hannah Duval Het zandkorreltje Mik Mulder De vriendelijke boom Felix Luyckx Jens, en het middel van de Goedelen Michiel Proost Ridder Pof en zijn poffertjes Cedric Van Gestel Koeien en toekomst, oei, oei, oei Jos Van den Eynde 9-2-30-17-0-20 Murra Bossier

77 80 81 83 87 89 92

| De Wondere Pluim | 2010 |

139


Verhalen van kinderen uit het vijfde leerjaar, Nederlands tweede taal Als ik er niet was De letter O De horroroppas Het zwarte huis De koning is verdwenen! Het hemelgezicht

Misha Mostofa 95 Ilias Laktit 97 Margerita Chichkarwa 98 Fatima Dzjabrailova 100 Oussama El Marnissi 103 Sarah Besanez 105

Verhalen van kinderen uit het zesde leerjaar, Nederlands moedertaal

De vrouwen van de ronde tafel Marie Sioen Een oud einde en een nieuw begin Neil De Hert Quice Renée Valkenaers Op zoek naar liefde Jens Raats De psychopatische minister die vakanties afschafte Arthur Blomme

Verhalen van kinderen uit het zesde leerjaar, Nederlands tweede taal

Echte vriendin of niet? Julia Zhu De kannibalen Aouatif El Bakali Het zwarte huis Yousra Al Marchohi (Bijna) ontvoerd in Somalië Andrea Hüther De draak en Rijan zijn vrienden geworden Donjeta Beqiraj

Nawoord 140 | De Wondere Pluim | 2010 |

107 110 115 117 118

121 125 127 128 133

135


WERKTEN MEE AAN DE WONDERE PLUIM 26 scholen:

Blokkendoos, Emma端s (Zuidschool), Gunzburg, Jonghelinckshof (Zuidschool), Klavertjevier, Kolibrie, kRing, Mariagaarde, Musica, Neerland, Sint-Aloysius, Sint-Anna Goethe, Sint-Jozef, Sint-Lutgardis, Spiegel, Steinerschool Antwerpen, Tachkemoni, Veltwijck, Villa Stuivenberg, Wereldreiziger, Wereldschool, Zevensprong, Zonnebloem (Antwerpen), Zonnebloem (Wilrijk), Zuiderdokken, Zwemschool.

290 lezende ouders 2196 schrijvende kinderen Organisatie:

oudervereniging Wereldschool, in samenwerking met De Veerman vzw

Kerngroep:

Somia Bakali Bart Beirlant Naima Falki Thessa Goossens Annemie Morbee Griet Pauwels Annie Poelmans Bart Snels Marina Wyckmans Tania Witvrouwen | De Wondere Pluim | 2010 |

141


Vakjury:

Ikram Aoulad Mostafa Benkerroum Bernard Dewulf NoĂŤlla Elpers Peter Holvoet-Hanssen Gerrit Janssens Rachida Lamrabet Aline Sax Joke van Leeuwen

Logo:

Ab De Nijs Bik Ingrid De Decker

Affiche:

Patrick Haerens

Trofee:

Thessa Goossens

Drukwerk:

www.printshop.be

142 | De Wondere Pluim | 2010 |


| De Wondere Pluim | 2010 |

143

De Wondere Pluim Antwerpen 2010  

In februari 2010 schreven meer dan 2000 kinderen uit het Antwerpse baisschool een verhaal in het kader van het literair project De Wondere P...

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you